Brief regering : Beleidsreactie Periodieke Rapportage BHO artikel 4
34 124 Beleidsdoorlichting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Nr. 35
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 januari 2026
De Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van het Ministerie
van Buitenlandse Zaken heeft op 4 maart 2025 een onderzoek afgerond naar het Nederlandse
beleid op het gebied van «Vrede, Veiligheid en Duurzame ontwikkeling» in de periode
2015–2023.
Deze periodieke rapportage gaat over artikel 4 van de begroting voor Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingshulp: «Vrede, Veiligheid en Duurzame Ontwikkeling». Artikel
4 omvat vier terreinen: Humanitaire Hulp, Opvang in de Regio, Migratiesamenwerking
en Veiligheid en Rechtsstaatontwikkeling. De rapportage betreft een synthese van vijf
IOB evaluaties: 1) Trust, Risk and Learn; 2) Between Prospects and Precarity; 3) Inconvenient Realities; 4) Less Pretention, More Realism; en 5) de overzichtsstudie van het Addressing Root Causes-programma. De totale uitgaven
op dit artikel besloegen gedurende deze periode bijna EUR 7.5 miljard.
De centrale vraag waarop de rapportage antwoord geeft, luidt:
Wat zijn de overkoepelende bevindingen en lessen over de (voorwaarden voor) doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid onder BHO-artikel 4 «Vrede, veiligheid, en duurzame ontwikkeling»?
In deze brief zal een overzicht worden gegeven van het beleid onder de sub-artikelen
van artikel 4, de bevindingen van de rapportage, afgesloten door een beleidsreactie
waarin de belangrijkste wijzigingen sinds de geëvalueerde periode worden beschreven.
Overzicht van de belangrijkste bevindingen van de Periodieke Rapportage
De periodieke rapportage bestaat uit een analyse over doeltreffendheid, gevolgd door
een analyse over doelmatigheid, beide analyses gaan in op de welke ieder drie terreinen
vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling. Doeltreffendheid wordt gedefinieerd als:
«de mate waarin de beleidsdoelstellingen gerealiseerd worden dankzij het ingezette
beleid en met zo min mogelijk ongewenste neveneffecten.» Doelmatigheid wordt gedefinieerd als: «de mate waarin de prestaties en effecten van beleid tegen de laagst mogelijke inzet
van (financiële) middelen en ongewenste neveneffecten worden bewerkstelligd, dan wel
de mate waarin met de inzet van een bepaalde hoeveelheid (financiële) middelen de
maximale prestaties en effecten van beleid worden gerealiseerd tegen zo min mogelijk
ongewenste neveneffecten.»
De belangrijkste conclusies in de rapportage zijn als volgt:
Doeltreffendheid
Het Nederlandse BHO-artikel-4-beleid heeft diverse directe resultaten opgeleverd:
humanitaire hulp heeft levens gered, lijden verlicht en de waardigheid gewaarborgd
van mensen die door crises zijn getroffen. Ook op het gebied van Opvang in de Regio
en Migratiesamenwerking en Veiligheid en Rechtsstaatontwikkeling werden op lokaal
niveau en op korte termijn directe resultaten behaald, zoals verbeterde menselijke
veiligheid. Deze directe resultaten hielden niet altijd stand over de lange termijn;
met name als een crisis weer oplaait, worden bereikte resultaten soms teruggedraaid.
Doelmatigheid
Het budget voor humanitaire hulp is op doelmatige wijze besteed. Meer dan de helft
van het budget voor humanitaire hulp werd verstrekt via voorspelbare, meerjarige en
ongeoormerkte financiering aan humanitaire organisaties.
De doelmatigheid van het Opvang in de Regio en Migratiesamenwerking en Veiligheid
en Rechtstaatsontwikkeling-beleid was suboptimaal omdat het werd vormgegeven door
een groot aantal relatief kleine, kortlopende en gefragmenteerde projecten en programma’s.
De overkoepelende bevindingen die uit de rapportage naar voren komen zijn:
− Het beleid voor humanitaire hulp leidde ertoe dat er effectief en tijdig hulp werd
geleverd die goed was afgestemd op de behoeften van de getroffen gemeenschappen.
− De ambitieuze en politiek geformuleerde doelstellingen werden vaak onvoldoende vertaald
naar het specifieke landen- en instrumentniveau. Vaak miste een onderbouwde verandertheorie
en ontbraken valide aannames en een weging van bestaande kennis.
− Ambities met betrekking tot lokalisering zijn over het algemeen onvoldoende waargemaakt.
Directe financiering van lokale en nationale organisaties bleef grotendeels uit, en
uitvoerende organisaties, begunstigden en overheden werden onvoldoende betrokken bij
beleids- en projectontwikkeling.
− Opereren in fragiele en door conflict getroffen gebieden brengt inherent risico’s
met zich mee. De beperkte risicoacceptatie binnen het ministerie was een belangrijke
institutionele barrière die de relevantie van het beleid heeft ondermijnd.
− Door de verkokerde en thematisch gestuurde manier van werken binnen het ministerie
was de interne coherentie van BHO-artikel 4 beperkt. De Nexus-benadering, waarin wordt
gestreefd naar humanitaire hulp die leidt tot structurele ontwikkeling en vice versa,
is beleidsmatig onvoldoende uitgewerkt en werd in de praktijk amper toegepast.
− Ondanks de constructieve rol van de Nederlandse ambassades, beperkten centraal geformuleerde
beleidsprioriteiten, tijdspaden en benaderingen van Nederland en andere donoren de
samenwerking tussen donoren. Daarnaast kwamen de Nederlandse beleidsprioriteiten niet
altijd overeen met die van de betrokken autoriteiten, wat de externe coherentie eveneens
beperkte. Nederlandse bijdragen aan multi-donorprogramma’s en ongeoormerkte financiering
aan gezamenlijke fondsen droegen bij aan betere donorcoördinatie en -samenwerking.
In de rapportage komt IOB tot onderstaande aanbevelingen:
1. Het ministerie moet doorgaan met het verstrekken van voorspelbare, meerjarige en ongeoormerkte
financiering aan humanitaire organisaties. Deze benadering is bewezen doeltreffend
en doelmatig.
2. Nederland moet de vaak te ambitieuze overkoepelende beleidsdoelstellingen van het
opereren in fragiele en door conflict getroffen gebieden heroverwegen. Daarnaast dienen
de overkoepelende doelstellingen vertaald te worden naar concrete, realistische land-specifieke
doelstellingen die binnen de Nederlandse invloedssfeer liggen.
3. De coherentie van het BHO-artikel 4 beleid moet worden verbeterd en het ministerie
moet doorgaan met het adresseren van fragmentatie.
4. Het ministerie moet de ambities met betrekking tot lokalisering in de praktijk gaan
brengen.
Aansluiten bij aanbevelingen van de IOB
Humanitaire Hulp
Het beleid van meerjarige flexibele humanitaire financiering is doorgezet en versterkt.
Ten opzichte van de geëvalueerde periode, wordt een groter aandeel van het budget
van uitvoeringspartners besteed via lokale partners en is er budget beschikbaar gesteld
voor capaciteitsopbouw van lokale partners. Hierbij is ook de zeggenschap van lokale
actoren toegenomen, evenals investeringen in hun capaciteitsopbouw.
Veiligheid en Rechtsorde
In reactie op de genoemde IOB-evaluaties is in 2022 een beleidstheorie en aansluitend
resultatenkader ontwikkeld. Het doel hiervan was om meer coherentie en visie aan te
brengen in de inzet. De resultaten zijn zo geformuleerd dat we ook beter kunnen inspelen
op lokale, steeds veranderende, contexten.
Lokalisering wordt langs twee sporen vormgegeven. Een groot deel van het Veiligheid
en Rechtsorde-budget wordt momenteel besteed door ambassades, met het idee dat deze
beter in staat zijn aan te sluiten op de lokale context en nationale prioriteiten.
Dit sluit ook aan bij de Afrika-strategie, waarin het bevorderen van dialoog en werken
langs gedeelde belangen centraal staat. Centraal gefinancierde projecten richten zich,
in aanvulling hierop, met name op internationale beleidsbeïnvloeding en samenwerking
met multilaterale organisaties. Ook hierbij wordt sterk gestuurd op samenwerking met
lokale organisaties.
Om fragmentatie tegen te gaan, is het aantal prioriteitslanden verminderd. Er is hierbij
goed gekeken naar de toegevoegde waarde en aansluiting op de inzet van andere donoren.
Om partners meer tijd te geven lokale netwerken op te zetten en duurzame resultaten
te bewerkstelligen, is in het meest recente subsidiebeleidskader gericht op vredesopbouw,
bescherming en conflictbemiddeling (Contributing to Peaceful and Safe Societies) gekozen voor een looptijd van acht jaar.
Tot slot is er een kader opgesteld die wordt gebruikt om af te wegen of, en zo ja
hoe, we kunnen blijven werken in landen tijdens en na crises en politieke omwentelingen.
Hiermee kunnen er gecalculeerde risico’s genomen worden op basis van specifieke indicatoren
en richtlijnen. Ook is de interne capaciteit van collega’s versterkt om risico’s doorlopend
te analyseren en te mitigeren, door middel van conflictsensitiviteitstrainingen.
Opvang in de Regio en Migratiesamenwerking
Nederland is zich blijven inzetten voor verbeterde leefomstandigheden voor vluchtelingen
en gastgemeenschappen. Hoewel de ambitie is om duurzaam perspectief te creëren, wordt
er ook erkend dat dit afhankelijk is van meerdere factoren en niet te bereiken door
één (externe) speler. Daarom heeft Nederland ook bijgedragen aan verbetering en vergroting
van de opvangcapaciteit van landen in de regio.
Om fragmentatie tegen te gaan, is het aantal activiteiten afgenomen en staan de strategische,
meerjarige en grootschalige partnerschappen, zoals «Prospects» (met UNICEF, UNHCR, ILO, Wereldbank, en IFC) en «COMPASS» (IOM) symbool voor de
meer strategische benadering. Beide programma’s bieden meerjarige, voorspelbare financiering,
met naast landen-specifieke programma’s ook ruimte voor onderzoek, innovatie, leren
en opschalen wat goed werkt.
Om lokalisering in de praktijk te brengen is een subsidieprogramma ontwikkeld gericht
op capaciteitsversterking van lokale partners. Daarnaast vindt er voortdurende, constructieve
beleidsdialoog met partnerlanden plaats om te zorgen dat de Nederlandse inzet aansluit
bij de prioriteiten van het partnerland en waar mogelijk leidt tot inclusief beleid.
In de Hoorn van Afrika is de samenwerking met overheden de afgelopen jaren verbeterd,
waar dit in de Syrië regio door de politieke verhoudingen moeilijker gebleken.
Tot slot een dankwoord voor de IOB voor hun gedegen en kritische evaluaties Zowel
in samenspraak met partners, als binnen het Ministerie, wordt er continue gekeken
naar manieren om de beleidsuitvoering te verbeteren en de impact te vergroten. Deze
onderzoeken leveren hier een belangrijke bijdrage aan. Het is belangrijk om goed te
toetsen wat er bereikt wordt en wat er realistisch te verwachten valt.
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
A. de Vries
Ondertekenaars
A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken