Brief regering : Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)
25 087 Internationaal fiscaal (verdrags)beleid
Nr. 359
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 januari 2026
Het afgelopen jaar is in het Inclusive Framework (IF) van de Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) onderhandeld over de manier waarop een belastingstelsel
kan worden gekwalificeerd als equivalent aan de wereldwijde minimumbelasting voor
multinationale ondernemingen (Pijler 2). Dit mede naar aanleiding van de verklaring
van de Ministers van Financiën van de G7-landen over «wereldwijde minimumbelastingen»
van 28 juni 2025. Deze verklaring is opgesteld in samenspraak met de Verenigde Staten,
in verband met hun zorgen over de samenloop van hun eigen minimumbelasting met Pijler
2.1 Ik heb uw Kamer op verschillende momenten geïnformeerd over de status van de onderhandelingen.2 Op 5 januari 2026 is een akkoord bereikt binnen het Inclusive Framework in de vorm
van een zogenoemd «Side-by-Side-pakket».3 Met deze brief informeer ik u over dit akkoord, in lijn met de toezegging aan uw
Kamer.4
Het Side-by-Side-pakket bevat maatregelen waarmee bepaalde belastingstelsels onder
voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd als equivalent aan Pijler 2. Daarnaast bevat
het pakket afspraken over een gunstigere behandeling onder Pijler 2 van bepaalde fiscale
regelingen voor bedrijven met reële economische activiteit. Ten slotte bevat het akkoord
ook vereenvoudigingsmaatregelen. In deze brief zal ik eerst ingaan op de context van
de onderhandelingen en de Nederlandse inzet (paragraaf 1). Vervolgens zal ik de verschillende
aspecten van het Side-by-Side-pakket uitlichten en appreciëren (paragraaf 2). In paragraaf
3 beschrijf ik de Nederlandse appreciatie van het totaalpakket, inclusief budgettaire
implicaties. Ik rond af met een beschrijving van het vervolgproces in paragraaf 4.
1. Context onderhandelingen en Nederlandse inzet
1.1. Context Pijler 2
Pijler 2 zorgt ervoor dat multinationale groepen met een omzet van ten minste € 750 miljoen
euro altijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Pijler
2 voorziet in een bijheffing als in een jurisdictie te weinig winstbelasting is betaald.
Het doel van Pijler 2 is tweeledig. Ten eerste beoogt Pijler 2 de prikkel voor bedrijven
te verminderen om winst te verschuiven naar laagbelastende jurisdicties. Ten tweede
beoogt Pijler 2 een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties.
Hiermee wordt een race naar de bodem in de winstbelasting voorkomen en een gelijker
speelveld gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. Pijler 2 zorgt daarmee
voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen.
De Pijler 2-maatregelen zijn opgenomen in de Wet minimumbelasting 2024 die op 31 december
2023 in werking is getreden. Met deze wet is de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing5 geïmplementeerd. Deze richtlijn is gebaseerd op de modelregels van de OESO zoals
aangenomen door het Inclusive Framework op 14 december 2021 en komt daarmee in hoofdzaak
overeen.
De Pijler 2-maatregelen bestaan uit drie manieren van bijheffing, namelijk de binnenlandse
bijheffingsmaatregel (Domestic Minimum Top-up Tax (DMTT)), de inkomen-inclusiemaatregel (Income Inclusion Rule (IIR)) en de onderbelastewinstmaatregel (Undertaxed Profits Rule (UTPR)). Kort gezegd mag elke jurisdictie waar winst wordt gemaakt door een entiteit
van een multinationale groep eerst zelf tot een effectief tarief van 15% heffen door
middel van een binnenlandse bijheffing. Als dat niet gebeurt, bijvoorbeeld omdat die
jurisdictie de Pijler 2-regels niet toepast, mogen andere Pijler 2-jurisdicties waar
entiteiten van die groep zijn gevestigd bijheffen. Dit betreft eerst de jurisdictie
waar de uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd (via de inkomen-inclusiemaatregel)
en vervolgens andere jurisdicties waar de multinationale groep actief is (via de onderbelastewinstmaatregel).
Als gevolg hiervan hebben jurisdicties een belang om de Pijler 2-regels in te voeren
of het effectieve tarief in de winstbelasting te verhogen naar minimaal 15%, omdat
anders andere jurisdicties kunnen bijheffen.
Op dit moment hebben volgens de OESO meer dan 65 jurisdicties de wereldwijde minimumbelasting
ingevoerd of daartoe concrete stappen ondernomen.6 Naast de EU gaat het om grote economieën zoals het VK, Japan, Canada, Australië en
Zuid-Korea en om laagbelastende jurisdicties zoals Guernsey, Jersey, Isle of Man en
Barbados. Een aantal belangrijke handelslanden heeft Pijler 2 niet geïmplementeerd.
Dat heeft voor deze jurisdicties gevolgen vanwege de systematiek van Pijler 2. Die
systematiek leidt er immers toe dat in het geval dat – naar Pijler 2-maatstaven –
onvoldoende belasting is betaald in die jurisdicties, er wordt bijgeheven door een
andere jurisdictie die Pijler 2 wel heeft geïmplementeerd.7 Een dergelijke bijheffing kan ook plaatsvinden in het geval dat een niet-implementerende
jurisdictie zelf over een robuust belastingstelsel beschikt dat een met Pijler 2 vergelijkbare
minimumbelasting waarborgt. Om die reden is in het Inclusive Framework onderhandeld
met als doel om bepaalde belastingstelsels onder voorwaarden te erkennen als equivalent
voor de toepassing van de Pijler 2-regels. In paragraaf 2.1 zal ik daar nader op ingaan.
1.2. Nederlandse inzet
Het uitgangspunt van Nederland in de onderhandelingen was het waarborgen van de effectiviteit
en stabiliteit van het internationale belastingstelsel, waar de internationale afspraken
over de wereldwijde minimumbelasting onderdeel van zijn. Daarbij achtte Nederland
het van belang om de oorspronkelijk doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die
doelstellingen zijn, zoals eerder genoemd, het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie
tussen jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen
naar jurisdicties die weinig belasting heffen. Daarbij heeft Nederland, in lijn met
de motie Van Eijk c.s.8, ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het
Europese en Nederlandse bedrijfsleven, onder meer door in te zetten op:
• Robuuste criteria om te kwalificeren als een belastingstelsel equivalent aan Pijler
2;
• Een robuust evaluatiemechanisme;
• Vereenvoudiging van de Pijler 2-regels;
• Een verruiming van de gunstige behandeling van fiscale regelingen voor bedrijven met
reële economische activiteit, in ogenschouw nemend de doelstellingen en de robuustheid
van de Pijler 2-regels.
2. Side-by-Side-pakket
In deze paragraaf beschrijf en apprecieer ik achtereenvolgens de verschillende onderdelen
van het Side-by-Side-pakket:
1. Maatregelen waarmee bepaalde belastingstelsels onder voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd
als equivalent aan Pijler 2 (het zogenoemde «Side-by-Side-systeem»);
2. Vereenvoudigingsmaatregelen;
3. Afspraken over een gunstige behandeling van bepaalde fiscale regelingen voor bedrijven
met reële economische activiteit.
2.1. Side-by-Side-systeem
Het Inclusive Framework ziet de gemeenschappelijke aanpak van Pijler 2 nog steeds
als het belangrijkste systeem voor het verzekeren van een minimumniveau van belasting.
Tegelijkertijd erkent het Inclusive Framework dat jurisdicties een eigen systeem kunnen
hebben dat een minimumniveau van belasting waarborgt voor binnenlandse of buitenlandse
winsten van hun multinationale groepen. Het Inclusive Framework heeft daarom afspraken
gemaakt over hoe in dit soort situaties de reguliere systematiek van bijheffing onder
Pijler 2 (deels) buiten werking wordt gesteld. Het betreft twee nieuwe zogenoemde
veiligehavenregels: de Side-by-Side Safe Harbour en de Ultimate Parent Entity (UPE) Safe Harbour.
Side-by-Side Safe Harbour
De Side-by-Side Safe Harbour is een vrijstelling van bijheffing onder de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel
over alle binnenlandse en buitenlandse winsten van multinationale groepen waarvan
de uiteindelijke moederentiteit zich in een kwalificerende jurisdictie bevindt. Deze
veiligehavenregel heeft als doel om te voorkomen dat een multinationale groep zowel
aan Pijler 2 als aan een kwalificerende equivalente minimumbelasting wordt onderworpen.
Om te kwalificeren voor de Side-by-Side Safe Harbour moet een jurisdictie een kwalificerend belastingstelsel hebben. Een kwalificerend
belastingstelsel dient een minimumniveau van belasting te waarborgen over zowel binnenlandse
als buitenlandse winsten van een multinationale groep. Om te beoordelen of een belastingstelsel
voldoende robuust is, zijn verschillende criteria afgesproken.
Een kwalificerend binnenlands belastingstelsel dient te voldoen aan de volgende criteria:
1. Een statutair vennootschapsbelastingtarief van tenminste 20%;
2. Een binnenlandse bijheffing of een alternatieve binnenlandse minimumbelasting gebaseerd
op commerciële jaarcijfers met een tarief van ten minste 15% die van toepassing is
op een substantieel deel van de binnenlandse winsten van multinationale groepen die
onder Pijler 2 zouden vallen; en
3. Geen materieel risico dat de binnenlandse winsten van multinationale groepen die onder
Pijler 2 zouden vallen en hun hoofdkantoor in de jurisdictie hebben, onderworpen zijn
aan een effectief tarief van minder dan 15%.
Een kwalificerend buitenlands belastingstelsel dient te voldoen aan de volgende criteria:
1. Een belastingstelsel dat van toepassing is op zowel actief als passief buitenlands
inkomen van dochtermaatschappijen van vennootschappen gevestigd in de jurisdictie,
met slechts beperkte uitzonderingen;
2. Voldoende mechanismen om risico’s ten aanzien van grondslaguitholling en winstverschuiving
(BEPS) te adresseren; en
3. Geen materieel risico dat de buitenlandse winsten van multinationale groepen die onder
Pijler 2 zouden vallen en hun hoofdkantoor in de jurisdictie hebben, onderworpen zijn
aan een effectief tarief van minder dan 15%.
In aanvulling hierop is afgesproken dat de Side-by-Side Safe Harbour geen impact heeft op de gekwalificeerde binnenlandse bijheffing die dochterbedrijven
van deze multinationale groepen verschuldigd zijn in het buitenland. Een kwalificerende
Side-by-Side-jurisdictie moet voor deze bijheffing namelijk verrekening verlenen,
zodat de binnenlandse bijheffing van Pijler 2 altijd voorgaat. Ook is afgesproken
dat een belastingstelsel van een kwalificerende jurisdictie in principe van kracht
moet zijn voor 1 januari 2026. Als een kwalificerende jurisdictie later materiële
wijzigingen aanbrengt in zijn belastingstelsel moet dit bij het Inclusive Framework
gemeld worden, omdat dit impact kan hebben op de beoordeling door het Inclusive Framework
van de betreffende jurisdictie als kwalificerend Side-by-Side-regime.
Door het Inclusive Framework is geconcludeerd dat het Amerikaanse belastingstelsel
aan bovenstaande voorwaarden voldoet en de status krijgt van een kwalificerend Side-by-Side-regime.
Concreet betekent dit dat Amerikaanse multinationale groepen voor hun binnenlandse
en buitenlandse winsten worden vrijgesteld van Pijler 2-bijheffing op grond van de
inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel, omdat deze winsten geacht
worden equivalent te worden belast via het Amerikaanse belastingstelsel. Wel moeten
Amerikaanse multinationale groepen binnenlandse bijheffing blijven betalen voor zover
die wordt geheven in andere jurisdicties waar zij opereren en moet de VS voor die
bijheffing verrekening verlenen.
Als een andere IF-jurisdictie een verzoek indient om aangemerkt te worden als kwalificerende
jurisdictie voor de toepassing van de Side-by-Side Safe Harbour, zal het Inclusive Framework in de eerste helft van 2026 beoordelen of het betreffende
belastingstelsel aan de criteria voldoet. Daarna kunnen IF-jurisdicties alleen in
2027 of 2028 nog een verzoek indienen ter beoordeling door het Inclusive Framework
of ze aan de criteria voldoen. In dat beoordelingsproces zal rekening worden gehouden
met de doelstelling van het Inclusive Framework dat de wereldwijde minimumbelasting
het primaire systeem moet zijn voor het waarborgen van een minimumniveau van belasting,
met name door de implementatie van gekwalificeerde binnenlandse bijheffingen. Ook
zal rekening gehouden worden met de uitkomsten van de toekomstige evaluatie van het
Side-by-Side-pakket.
UPE Safe Harbour
In aanvulling op de Side-by-Side Safe Harbour is in het pakket de Ultimate Parent Entity (UPE) Safe Harbour opgenomen. Deze veiligehavenregel ziet op de binnenlandse activiteiten van multinationale
groepen waarvan de uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd in een jurisdictie die
beschikt over een kwalificerend binnenlands belastingstelsel. De UPE Safe Harbour leidt ertoe dat de onderbelastewinstmaatregel niet van toepassing is ten aanzien
van de jurisdictie van de uiteindelijkemoederentiteit. Om te kwalificeren moet aan
dezelfde criteria worden voldaan voor een robuust binnenlands belastingstelsel die
gelden voor de toepassing van de Side-by-Side Safe Harbour, zoals hierboven beschreven. Ook is vereist dat het betreffende belastingstelsel
voor 1 januari 2026 van kracht is. Indien een IF-jurisdictie daartoe een verzoek indient,
zal het Inclusive Framework in de eerste helft van 2026 beoordelen of het respectievelijke
binnenlandse belastingstelsel aan de criteria voldoet. De UPE Safe Harbour komt de facto in de plaats van de tijdelijke veiligehavenregel voor de onderbelastewinstmaatregel
die eind 2025 afloopt, maar wel met strengere voorwaarden.
Toekomstige evaluatie («stocktake»)
Als onderdeel van het akkoord is afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met
betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen
worden geadresseerd, om de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de wereldwijde
minimumbelasting en het Side-by-Side-systeem te waarborgen. Daartoe zal het Inclusive
Framework een evaluatie («stocktake») doen die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en data-gedreven
proces. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken in hoeverre jurisdicties binnenlandse
bijheffingen behouden of invoeren en naar eventuele onbedoelde effecten zoals materiële
concurrentieverstoringen tussen multinationale groepen en negatieve gedragseffecten,
zoals een toename van winsten in laagbelastende jurisdicties zonder een binnenlandse
bijheffing. Het Inclusive Framework verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen
te overwegen wanneer zich geconcentreerde risico’s met betrekking tot het gelijke
speelveld voordoen.
Appreciatie
Het kabinet waardeert de nadruk die in het IF-akkoord wordt gelegd op het belang van
Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing.
Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de minimumbelasting
op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een gemeenschappelijke belastinggrondslag.
In dat opzicht was de Nederlandse inzet erop gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke
systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende
belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot
mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan
andere jurisdicties die een eigen robuust belastingstelsel hebben dat een minimumniveau
van belastingheffing waarborgt. Daarbij is het van belang dat niet-implementerende
jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties
die wel Pijler 2 implementeren. Daarom is het positief dat, in lijn met de Nederlandse
inzet, robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side- en UPE Safe Harbour. Daarbij blijft het van belang dat er een adequaat proces doorlopen zal worden in
het Inclusive Framework om te beoordelen welke jurisdicties aan de criteria voldoen.
Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing.
Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het borgen van de beleidsdoelstellingen
van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een
binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waar zij opereren
– ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Daarbij is het wel van belang dat onder
het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse
bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de
toekomstige evaluatie om te monitoren hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk
uitpakt en als nodig actie te ondernemen om risico’s met betrekking tot het gelijke
speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te adresseren. In het bijzonder
vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse bedrijven
onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale bedrijven in Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdicties.
2.2. Vereenvoudigingsmaatregelen
Als onderdeel van het Side-by-Side-pakket zijn enkele vereenvoudigingen van de Pijler
2-regels overeengekomen. Deze maatregelen vormen het startpunt voor verdere vereenvoudiging.
Er zijn drie vereenvoudigingsmaatregelen afgesproken: verlenging van de tijdelijke
Country-by-Country Reporting-veilige havenregel (hierna: de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel), een nieuwe en permanente Simplified Effective Tax Rate (ETR) Safe Harbour en een programma voor verdere vereenvoudiging.
De tijdelijke CbCR-veiligehavenregel wordt verlengd met een jaar. De veiligehavenregel
kan daardoor worden toegepast voor verslagjaren die starten op of voor 31 december
2027. De tijdelijke CbCR-veilige havenregel staat multinationale groepen toe het effectieve
belastingtarief te berekenen op basis van het landenrapport en financiële verslaglegging.
Als volgens deze berekening het effectieve belastingtarief ten minste 16% (2025) of
17% (2026 en 2027) is, hoeft de groep de uitgebreide berekening van het effectieve
belastingtarief niet te maken en vindt geen Pijler 2-bijheffing plaats.
Daarnaast komt er een nieuwe en permanente Simplified Effective Tax Rate (ETR) Safe Harbour vanaf 2027. Jurisdicties hebben de optie de veiligehavenregel onder bepaalde omstandigheden
in te voeren vanaf 2026. De kern van deze veiligehavenregel is dat het effectieve
belastingtarief wordt berekend op basis van de financiële jaarverslaggeving van de
groep, met een beperkt aantal correcties. Als volgens de vereenvoudigde berekening
het effectieve belastingtarief ten minste 15% is, hoeft de groep de uitgebreide berekening
van het effectieve belastingtarief niet te maken en vindt geen Pijler 2-bijheffing
plaats.
Ten slotte is een programma voor verdere vereenvoudiging overeengekomen, waaronder:
(i) het afronden van het lopende traject met betrekking tot de routine profits test
en de de minimis test, (ii) verdere vereenvoudiging van de Pijler 2-regels, waarbij
ook gekeken zal worden naar vermindering van de administratieve lasten voor multinationale
groepen met activiteiten in jurisdicties die een binnenlandse bijheffing hebben ingevoerd,
(iii) verdere administratieve richtsnoeren met betrekking tot technische punten in
de Pijler 2-regels en (iv) het onderzoeken van de integratie van de vereenvoudigde
berekeningen van de Simplified ETR Safe Harbour in de Pijler 2-regels.
Appreciatie
Het kabinet juicht toe dat in het Side-by-Side-pakket fundamentele vereenvoudigingen
zijn opgenomen. Tijdens de onderhandelingen heeft Nederland, in lijn met motie Van
Eijk c.s.9, ingezet op betekenisvolle vereenvoudiging van de Pijler 2-regels ter vermindering
van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. De verlenging van de tijdelijke
CbCR-veiligehavenregel in combinatie met de invoering van de permanente Simplified ETR Safe Harbour vormt een goed startpunt voor verdere vereenvoudiging.
Het kabinet steunt de verlenging van de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel met een
jaar om de transitie naar de permanente Simplified ETR Safe Harbour voor bedrijven te vereenvoudigen. Tijdens de overgangsperiode kunnen bedrijven kiezen
tussen toepassing van de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel of toepassing van de Simplified ETR Safe Harbour.
De permanente Simplified ETR Safe Harbour zorgt voor een vereenvoudiging in de berekening van het effectieve belastingtarief.
De berekening sluit aan bij de financiële verslaggeving, waarop slechts een beperkt
aantal correcties zijn vereist. Hierdoor kunnen multinationale groepen de berekening
opstellen op basis van reeds beschikbare informatie, hetgeen ten goede komt aan de
uitvoerbaarheid voor zowel het bedrijfsleven als de Belastingdienst en rechtszekerheid
bevordert. Het feit dat slechts een beperkt aantal correcties is vereist ten opzichte
van de financiële jaarverslaggevingstandaard, zorgt voor een aanzienlijke vermindering
van de complexiteit en de administratieve lasten. Naar mening van het kabinet is de
berekening door de vereiste aanpassingen voldoende robuust om te beoordelen of in
een jurisdictie aan het minimumbelastingniveau wordt voldaan. Daarom ondersteunt het
kabinet de keuze voor een percentage van 15%, zonder een bufferpercentage zoals in
de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel.
Het kabinet vindt het belangrijk dat de permanente Simplified ETR Safe Harbour het startpunt is van verdere vereenvoudiging en dat daarnaast verdere stappen worden
genomen. Daarbij is het van belang dat ook bij vereenvoudigingsmaatregelen oog wordt
gehouden voor het behoud van de prikkel voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing
te behouden dan wel in te voeren. Daarom is het belangrijk dat er voornamelijk wordt
gekeken naar vermindering van de administratieve lasten voor multinationale groepen
met activiteiten in jurisdicties die een binnenlandse bijheffing hebben ingevoerd.
2.3. Behandeling van fiscale regelingen
Onderdeel van het Side-by-Side-pakket is de gunstige behandeling van bepaalde fiscale
regelingen onder Pijler 2 voor bedrijven met reële economische activiteit, zogenaamde
Substance-based Tax Incentives.
De manier waarop fiscale regelingen behandeld worden, is relevant voor het berekenen
van de effectieve belastingdruk en de mate waarin bijheffing plaatsvindt onder Pijler
2. Bijheffing van de minimumbelasting is aan de orde indien het effectieve belastingtarief
in een jurisdictie lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening
van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde
gecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen door het netto
kwalificerende inkomen (noemer van de breuk).
De Pijler 2-regels maken onderscheid tussen verschillende soorten belastingtegoeden.10 De huidige Pijler 2 regels bevatten enkel een gunstige behandeling van kwalificerende
restitueerbare belastingtegoeden (Qualified Refundable Tax Credits; QTRCs) en kwalificerende verhandelbare belastingtegoeden (Qualified Marketable
Transferable Tax Credits; QMTTCs). Dergelijke kwalificerende belastingtegoeden tellen, net als subsidies, mee in het
kwalificerend inkomen (de noemer) maar verlagen het bedrag aan gecorrigeerde betrokken
belastingen (de teller) voor toepassing van Pijler 2 niet. Dit betekent dat kwalificerende
belastingtegoeden een kleiner neerwaarts effect hebben op het effectieve belastingtarief
en daarom minder snel leiden tot een bijheffing dan niet-kwalificerend belastingtegoeden.
In de brieven van mijn ambtsvoorgangers van 25 oktober 202411 en van 30 juni 202512 is hier uitgebreid op ingegaan.
Substance-based Tax Incentive Safe Harbour
Het Side-by-Side-pakket bevat de Substance-based Tax Incentive Safe Harbour. Op basis van deze veiligehavenmaatregel wordt de hierboven beschreven behandeling
van kwalificerende belastingtegoeden aangevuld met een regeling voor een gunstige
behandeling van bepaalde fiscale regelingen voor bedrijven met reële economische activiteit.
Het gaat om de volgende kwalificerende fiscale regelingen (Qualified Tax Incentives; QTIs): (i) fiscale regelingen berekend aan de hand van de uitgaven in de betreffende
jurisdictie (zogenoemde expenditure-based tax incentives), en (ii) fiscale regelingen berekend aan de hand van de hoeveelheid geproduceerde
goederen in de jurisdictie (zogenoemde production-based tax incentives). De veiligehavenmaatregel is niet van toepassing op fiscale regelingen berekend
aan de hand van het inkomen (zogenoemde income-based tax incentives).
Het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan deze QTIs verhoogt het bedrag aan betrokken
belastingen (teller), voor zover de som onder het afgesproken maximum blijft (zie
hieronder). Het kwalificerend inkomen (noemer) blijft ongewijzigd, in tegenstelling
tot bij de behandeling van QRTCs en QMTTCs die het kwalificerend inkomen verhogen.
Ook QRTCs en QMTTCs kunnen echter, tot aan het maximum, voor behandeling als QTI in
aanmerking komen, voor zover deze belastingtegoeden ook aan de voorwaarden van een
QTI voldoen.
Om te waarborgen dat de gunstige behandeling van QTIs alleen geldt voor bedrijven
met reële economische activiteit in een jurisdictie, is een maximum afgesproken. Hierbij
kunnen multinationale groepen per jurisdictie kiezen voor één van twee onderstaande
opties:
1. Een maximum gelijk aan 5,5% van het hoogste van de loonkosten in een jurisdictie of
afschrijvingen op de materiële vaste activa in een jurisdictie; of
2. Een maximum gelijk aan 1% van de boekwaarde («carrying value») van de materiële vaste
activa in een jurisdictie.
Als een multinationale groep voor optie 2 kiest, staat dat voor vijf jaar vast. Als
de groep deze keuze later intrekt, dan mogen de afschrijvingen op activa die in het
verleden meetelden voor berekening van maximum volgens optie 2 niet langer worden
meegerekend voor de berekening van het maximum in optie 1.
Appreciatie
Tijdens de onderhandelingen heeft Nederland, in lijn met de motie Van Eijk c.s.13, ingezet op een verruiming van de gunstige behandeling van fiscale regelingen voor
bedrijven met reële economische activiteit. Het kabinet vindt het onderhandelingsresultaat
met betrekking tot de Substance-based Tax Incentive Safe Harbour positief. De QTIs zorgen voor een gelijkere behandeling met QRTCs en QMTTCs. Daarnaast
zijn QTIs een erkenning binnen Pijler 2 dat fiscale prikkels een legitiem instrument
blijven van nationaal economisch beleid. Het kabinet vindt het belangrijk dat er ruimte
is voor beleid ter ondersteuning van innovatie en bepaalde (duurzaamheids)investeringen
binnen de afspraken. De gunstigere behandeling van fiscale regelingen is bovendien
positief voor de concurrentiekracht van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven.
De manier waarop fiscale regelingen behandeld worden, is immers relevant voor het
berekenen van de effectieve belastingdruk en de mate waarin bijheffing plaatsvindt
onder Pijler 2. Dit maakt de gunstige behandeling van QTIs ook relevant voor het gelijke
speelveld ten opzichte van bedrijven in een Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdictie.
Tegelijkertijd wil het kabinet voorkomen dat Pijler 2-bijheffing via de achterdeur
kan worden teruggegeven via fiscale regelingen, wat een forse uitholling van de beleidsdoelstellingen
van Pijler 2 zou betekenen. Daarom is het belangrijk dat een maximum is afgesproken.
De verschillende opties voor het berekenen van het maximum zorgen voor extra complexiteit.
Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ingezet op een eenvoudigere berekening,
maar kan zich vinden in het onderhandelingsresultaat. Door de vormgeving van het maximum
is namelijk wel geborgd dat de gunstige behandeling van QTIs alleen is toegestaan
voor zover dit gepaard gaat met reële economische activiteit en investeringen in de
jurisdictie zelf. Dat betekent dat traditionele belastingparadijzen met weinig reële
economische activiteit nauwelijks van deze versoepeling gebruik kunnen maken.
3. Appreciatie totaalpakket
Het kabinet vindt het belangrijk dat er een akkoord is bereikt waarmee de Pijler 2-doelstellingen
grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen overeind kan worden
gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband. Een minimumbelasting in
een zo groot mogelijk internationaal verband is immers het meest doeltreffend om een
ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie, waardoor ook het voordeel van kunstmatige
winstverschuiving sterk wordt verkleind. Een ondergrens onder belastingconcurrentie
blijft relevant om een nieuwe race naar de bodem te voorkomen en belastinginkomsten
zeker te stellen, juist ook in een context van budgettaire langetermijnuitdagingen.
Aangezien verschillende jurisdicties op dit moment Pijler 2 nog niet hebben geïmplementeerd,
acht het kabinet een akkoord over het Side-by-Side-pakket ook een manier om deze jurisdicties
al dan niet in de toekomst te committeren aan een vorm van een minimumbelasting. Het
akkoord is van belang om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in het internationale
belastingsysteem, ook voor Nederlandse bedrijven. Daarbij hecht het kabinet aan de
waarborgen die zijn opgenomen voor (het monitoren van) een gelijk speelveld, zoals
robuuste en strikte criteria om te kwalificeren voor de Side-by-Side- en UPE Safe Harbour, de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing, de toekomstige evaluatie
en de verruiming van de gunstige behandeling van fiscale regelingen onder Pijler 2.
Ook hecht het kabinet aan de vereenvoudigingsmaatregelen in het pakket, waarbij verdere
vereenvoudiging in de toekomst van groot belang blijft voor het EU-concurrentievermogen.
Budgettaire gevolgen
Bij invoering is geraamd dat Pijler 2 voor een opbrengst van € 466 miljoen voor Nederland
zou zorgen. De geraamde opbrengst kwam met name voort uit de inschatting dat bedrijven
activiteiten en winsten uit laagbelastende jurisdicties naar Nederland zouden gaan
verplaatsen. Het belastingvoordeel voor bedrijven van het gebruik van deze laagbelastende
jurisdicties zou namelijk aanzienlijk dalen wanneer ook in die jurisdicties ten minste
15% winstbelasting wordt geheven.
De afgesproken aanpassingen aan Pijler 2 betreffen met name versoepelingen van de
regels, waaronder het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel
in relatie tot bepaalde jurisdicties en de verruiming van de gunstige behandeling
van fiscale regelingen onder Pijler 2. Omdat Pijler 2 voor een geraamde opbrengst
zorgde, brengen deze versoepelingen logischerwijs een budgettaire derving met zich
mee. Deze derving is voorlopig geraamd op circa € 120 miljoen per jaar. Deze geraamde
derving zal in het voorjaar van 2026 onderdeel zijn van de inkomstenbesluitvorming
over het lastenkader.
Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft de geraamde
opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. De verwachting blijft
dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af is doordat fiscaal gedreven investeringen
en fiscaal gedreven winstverschuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst
van Pijler 2 onzeker zijn, waarbij ook deze Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan.
Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddelde vennootschapsbelastingtarief
sinds de afspraken over Pijler 2 nu drie jaren op rij licht is gestegen, na tientallen
jaren van daling.14 In een scenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnen ontstaan,
met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennootschapsbelasting te verlagen.
Gegeven de huidige opbrengsten uit de vennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard
per jaar, zou een dergelijk scenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist
hebben.
4. Vervolgproces
Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel
uit te werken. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting vóór de zomer van 2026 worden
ingediend bij uw Kamer. Gelet op de omvang en het complexe karakter van de maatregelen
zal in het voorjaar van 2026 een bijeenkomst worden georganiseerd waar belangstellenden
kunnen reflecteren op het Side-by-Side-pakket, zodat dit kan worden meegewogen in
de technische uitwerking van het wetsvoorstel. Na weging van de inbreng van belangstellenden
en afronding van de uitvoeringstoets door de Belastingdienst – waarbij rekening zal
worden gehouden met de terugwerkende kracht van het pakket – wordt het wetsvoorstel
ter advisering voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Bij de
indiening van het wetsvoorstel zal een herijking plaatsvinden van de budgettaire raming.
De raming bij indiening van het wetsvoorstel zal, zoals gebruikelijk, worden gecertificeerd
door het Centraal Planbureau.
De Staatssecretaris van Financiën,
E.H.J. Heijnen
Ondertekenaars
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.