Brief regering : Voortgang op diverse onderwerpen van het mestbeleid
33 037 Mestbeleid
Nr. 636
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2025
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang op diverse onderwerpen van
het mestbeleid. Dit betreft het advies van de meststoffengezant naar aanleiding van
exportmissies, het vervolg van Bemest op z’n best, de openstelling van de subsidie
hygiënisatie- en drooginstallaties, het rapport «Variabiliteit mineraal stikstofresidu
en relatie met nitraatuitspoeling», de quickscan verwerken dierlijke mest in potgrond
(en andere groeimedia), het emissiearm aanwenden van spuiwaters en kunstmest, Renure
en de pilots mineralenconcentraat en kunstmestvrije Achterhoek, de voortgang protocol
stikstofgat, de actualisatie excretieforfaits en de uitzondering voor het bovengronds
aanwenden van runderdrijfmest. Met deze brief doe ik ook de toezegging af betreffende
het areaal grasland1 en doe ik twee moties af, namelijk de motie Pierik2 betreffende het maken van afspraken te maken met lokale en provinciale overheden
om de vergunningsverlening voor mestverwerking succesvoller te laten verlopen. Tevens
doe ik de motie Grinwis c.s.3 af betreffende het opstellen van een degelijke analyse van de mestmarkt, die bijdraagt
aan allereerst transparantie met betrekking tot het functioneren van de mestmarkt
en haar deelmarkten en aan de hand van deze analyse het verder stappen zetten om de
mestmarkt transparanter en beter te laten functioneren.
Advies meststoffengezant naar aanleiding van exportmissies
Naar aanleiding van mijn brief van 13 september 20244 heb ik een meststoffengezant aangesteld om drie exportmissies te leiden met als doel
het verkennen van de exportkansen naar kansrijke regio’s voor Nederlandse organische
meststoffen. De drie missies hebben plaatsgevonden naar het oosten van Frankrijk (juli
2025), het westen van Polen en het oosten van Duitsland (oktober 2025). In de bijlage
vindt u het verslag van meststoffengezant de heer Knops met een nadere toelichting
over het programma, de delegatie, de resultaten van deze exportmissies alsmede de
bevindingen van de opzet van de mestmissies en de bijbehorende kansen en uitdagingen
om de export van organische meststoffen naar voornoemde regio’s te vergroten.
Allereerst spreek ik mijn waardering uit voor de heer Knops voor de voortvarende wijze
waarop hij deze opdracht heeft opgepakt, uitgevoerd en zijn waardevolle aanbevelingen
die hieruit zijn voortgekomen. Daarnaast wil ik graag mijn dank uitspreken aan alle
deelnemers aan de exportmissies en het LVVN Attaché Netwerk, die door het delen van
hun kennis en ervaringen een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming
van de missies en deze aanbevelingen. Uit het verslag komen drie belangrijke aanbevelingen:
− De publiek-private samenstelling van de exportmissie onder leiding van een aangestelde
missieleider heeft haar toegevoegde waarde laten zien aan de bezochte regio’s. Dit
biedt tevens kansen om dit verder uit te bouwen. Stel daarom, in samenwerking met
de betrokken landbouwattachés, een gecoördineerd plan van aanpak op om de exportkansen
voor organische meststoffen zo effectief mogelijk te benutten.
− Zet in op een samenwerking met kennispartners en het bedrijfsleven om de kennis over
wet- en regelgeving voor de toelating van organische meststoffen te verbeteren.
− Investeer in importerende landen in kennisontwikkeling over de toegevoegde waarde
van Nederlandse organische meststoffen door middel van pilots. Laat de voordelen van
(Nederlandse) organische mest duidelijk zien door samen te werken met Nederlandse
ondernemers, Nederlandse kennisinstellingen, lokale overheidsinstanties en kennisinstellingen
en het landbouwattachénetwerk.
Op korte termijn zal ik naar aanleiding van deze aanbevelingen in gesprek gaan met
het LVVN Attaché Netwerk van Frankrijk, Polen en Duitsland om verder te spreken over
het vervolg van deze drie exportmissies.
Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, is de heer Knops naast deze opdracht ook
werkzaam geweest als verkenner naar kansen en knelpunten in de vergunningverlening
voor mestverwerking en -vergisting. Over deze verkenning heeft hij in twee rapporten
adviezen uitgebracht, hiervoor verwijs ik graag naar mijn brief van 16 september 2025.5
Naar aanleiding van deze adviezen zijn diverse acties in gang gezet.
− Zo wordt ingezet op het vergroten van kennis en inzicht, onder meer via het RVO-expertisecentrum
Groen Gas, in samenwerking met het Ministerie van KGG.
− De verkenner heeft onder meer aangegeven dat goedkeuring van Renure randvoorwaardelijk
is voor het benutten van de kansen voor het opschalen van mestverwerking en mestvergisting.
Zoals uw Kamer weet ben ik in verband met de verwachte Europese goedkeuring van Renure
bezig met de benodigde voorbereidingen voor de implementatie van het Renure-voorstel
in Nederland.6 Hiermee ontstaan ook nieuwe kansen voor het vergroten van de capaciteit van mestverwerking
en mestvergisting.
− De verkenner constateerde bovendien dat provincies positief staan tegenover een proces
om samen met het Rijk afspraken te maken over versnelling. Hiermee heb ik invulling
gegeven aan de motie Pierik.7 De adviezen van de verkenner neem ik daarom waar mogelijk mee in de bestaande samenwerking
met provincies en andere decentrale overheden, met behoud van de bestaande bevoegdheden.
Bijvoorbeeld via de gestarte «extra rijksinzet voor gebieden en boerenerven», waarin
het Rijk zich actief richt om bij de uitvoering verdere versnelling te realiseren.
Afhankelijk van de door provincies ervaren knelpunten kan dit bijvoorbeeld betrekking
hebben op het nemen van regie op lopende acties van meerdere overheden en vervolgstappen
rondom complexe vergunningverleningstrajecten8. Over het vervolg van deze inzet informeer ik uw Kamer afzonderlijk.
Deze acties worden uitgevoerd met inachtneming van de door de verkenner benoemde randvoorwaarde
dat voldoende stikstofruimte beschikbaar moet zijn voor vergunningverlening in de
volle breedte. Ik ben de heer Knops zeer erkentelijk voor de wijze waarop hij beide
opdrachten binnen mijn Aanpak Mestmarkt heeft vervuld en voor de waardevolle bijdragen
die hij daarmee heeft geleverd aan de verdere ontwikkeling van deze aanpak.
Vervolg programma Bemest op z’n best
De afgelopen jaren is binnen het programma «Bemest op z’n Best» (hierna: het programma)
onderzoek gedaan naar technieken die emissies bij mestaanwending verder beperken ten
opzichte van bestaande technieken zoals de zodenbemester.
Met de emissiearme aanwendingstechnieken wordt beoogd de verliezen van stikstof en
fosfaat naar grond- en oppervlaktewater en van ammoniak naar de lucht door mestaanwending
te verminderen. In het programma d.d. juli 2021 werd zowel gekeken naar de huidige
toepassing van drijfmest en nieuwe meststromen, als naar de verwachting hiervan voor
de komende tien jaren.
Het programma kende de volgende twee hoofddoelstellingen:
1) ontwikkeling van innovatieve technieken die tot een halvering leiden van de ammoniakemissie
(ten opzichte van de zodenbemester); en
2) het verkrijgen van een breed draagvlak van nieuwe technieken en daarmee een hoge implementatiegraad.
Omdat er een beperkte bedrijfseconomische prikkel is voor agrariërs en loonwerkers
om bemestingstechnieken door te ontwikkelen waarmee emissies verder kunnen worden
teruggedrongen, werd de betrokken ondernemers de ruimte te gegeven hun ideeën in vertrouwen
te delen, en het onderzoek onder geheimhoudingsplicht van de onderzoekers uit te voeren.
Op 19 november jl. zijn de resultaten van het onderzoek met mij gedeeld en is het
rapport aan mij overhandigd. En op 26 november jl. zijn de resultaten gepresenteerd
tijdens de Rundvee & Mechanisatie Vakdagen in Gorinchem. Uit het onderzoek komt een
aantal perspectiefvolle technieken naar voren die geschikt zijn om te toetsen in praktijkpilots.
Ondanks het mooie resultaat van het programma (zie bijlage) bestaat er echter nog
steeds een geringe prikkel om te investeren in de doorontwikkeling en afname van nieuwe
bemestingstechnieken.
Binnen het programma is daarnaast veel aandacht besteed aan het leggen van verbinding
met de praktijk, van machinebouwers tot machinisten. Deze aanpak is zeer waardevol
en nuttig gebleken.
Ik vind de uitkomsten van het programma perspectiefvol. Om die reden ben ik voornemens
een vervolg van het programma te faciliteren. Het gaat daarbij om het verder onderzoeken
van succesvolle technieken op hun werking en effectiviteit in de praktijk. In overleg
met betrokken partijen zal ik de verdere invulling bepalen. Ook heb ik het voornemen9 om een subsidieregeling te ontwikkelen om brede toepassing van succesvolle technieken
te stimuleren. Door middel van deze subsidieregeling kunnen emissiearme aanwendingstechnieken
de komende jaren aangejaagd worden.
Openstelling van de subsidie hygiënisatie- en drooginstallaties
Op 1 december is de subsidieregeling hygiënisatie- en drooginstallaties (hierna: HDI,
Stcrt. 2025, 39580) met een beschikbaar budget van € 7,5 miljoen opengesteld. Het doel van de subsidieregeling
is om de hoeveelheid exportwaardige mest door middel van hygiënisatie en/of drogen
te verhogen en de druk op de mestmarkt te doen afnemen. De subsidieregeling is in
de Kamerbrief Aanpak mestmark10 aangekondigd als een maatregel om de export van mest te verhogen. Aan de export van
mest worden vanuit Europese regelgeving11,
12 eisen gesteld ten aanzien van veiligheid en hygiëne. Intermediaire ondernemingen
– ook wel mestverwerkers genoemd – kunnen in het kader van HDI onder voorwaarden subsidie
aanvragen ter ondersteuning van de investering in een hygiënisatie- en/of drooginstallatie
om daarmee te voldoen aan de Europese vereisten. Uit de jaarlijkse rapportage van
het NCM over 202413 blijkt dat van de vergunde mestverwerkingscapaciteit gemiddeld 74% daadwerkelijk
wordt benut. Daarom vormen bestaande intermediaire ondernemingen de doelgroep van
de subsidieregeling, zodat al op korte termijn het gewenste resultaat – uitbreiding
van de hoeveelheid exportwaardige mest – gerealiseerd kan worden. Omdat pluimveemest
nauwelijks bijdraagt aan de druk op de mestmarkt – het merendeel wordt al verwerkt
en buiten de Nederlandse landbouw afgezet – is de subsidieregeling met name gericht
op het verhogen van de verwerkingscapaciteit van drijfmest van andere diersoorten.
Deze mag voor niet meer dan 50 procent uit pluimveemest bestaan. Intermediaire ondernemingen
die belangstelling hebben kunnen tot en met 27 februari 2026 een subsidieaanvraag
indienen.14
Onderzoeksresultaten transparantie mestmarkt
In mijn brief van 7 maart jl.15 heb ik aangekondigd SEO Economisch Onderzoek (verder SEO) te laten doen naar het
functioneren van de mestmarkt. Hierbij stuur ik u dit onderzoek en geef ik uitvoering
aan mijn toezegging hierover en de motie Grinwis c.s.16
Uit het onderzoeksrapport van SEO «Werking van de mestmarkt» komt naar voren dat er
geen aanwijzingen zijn gevonden dat er sprake is van een gebrek aan concurrentie door
marktmacht in de mestmarkt. Er zijn namelijk veel markpartijen op de mestmarkt, er
is geen opvallende hoge concentratiegraad en er zijn weinig barrières om toe te treden.
Uit het onderzoek komt wel, dat er sprake is van onvolledige informatie op de mestmarkt.
Echter, uit interviews zijn geen signalen naar voren gekomen dat een gebrek aan transparantie
leidt tot nadelige maatschappelijke effecten, zoals hogere transactiekosten, een inefficiënte
verdeling van het aanbod of gebrek aan marktvertrouwen. In aanvulling daarop geeft
SEO aan dat verandering van mestafzetprijzen geen reden is tot overheidsingrijpen
op de mestmarkt zonder dat er signalen zijn dat de markt niet goed werkt.
Voor veehouders die worden geconfronteerd met hoge mestafzetprijzen, hebben mestafzetprijzen
gevolgen voor hun inkomen. Dat is voor deze ondernemers pijnlijk en daarom span ik
mij er ook voor in om de druk op mestmarkt te verlagen als eerder aangekondigd.17 Omdat SEO aangeeft dat de hogere mestafzetprijzen een gevolg zijn van marktwerking
en het rapport geen aanleiding geeft tot ingrijpen in de mestmarkt, ben ik op dit
moment niet voornemens stappen te nemen in die richting.
Rapport «Variabiliteit mineraal stikstofresidu en relatie met nitraatuitspoeling»
In het kader van de ontwikkeling van het systeem voor bedrijfsgerichte doelsturing,
werk ik momenteel samen met sectorpartijen (vertegenwoordigd in een hiervoor opgericht
consortium) aan de inrichting van een systeem voor doelsturing op nitraat in het bovenste
grondwater. In mijn Kamerbrief van 14 juli jl.18 heb ik u geïnformeerd over de eerste contouren voor het voorgenomen ingroeipad voor
bedrijfsgerichte doelsturing op grondwaterkwaliteit in het concept 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Het doelsturingssysteem zal worden uitgewerkt op
basis van twee indicatoren voor nitraatuitspoeling: het mineraal stikstofresidu (hierna:
N-mineraal) en het stikstofbodemoverschot. Deze indicatoren bieden inzicht in het
risico op nitraatuitspoeling naar het bovenste grondwater. Op basis van de uitkomsten
en metingen van deze twee indicatoren verkrijgen agrariërs inzicht in het risico van
nitraatuitspoeling op hun bedrijf en kunnen zij hierop sturen.
Aan onderzoekers van Wageningen University & Research (WUR) is gevraagd op basis van
de nu beschikbare kennis een eerste analyse uit te voeren naar de relatie van het
N-mineraal met nitraatuitspoeling, al dan niet in combinatie met het stikstofbodemoverschot.
Voor deze opdracht is gebruik gemaakt van bestaande literatuur en van een aantal recente
data over N-mineraal, het stikstofbodemoverschot en de nitraatconcentratie in uitspoelend
grondwater. De uitkomsten van deze analyse zijn bijgevoegd als bijlage bij deze Kamerbrief.
Uit het onderzoek komt naar voren dat er een positieve relatie bestaat tussen het
N-mineraal en de nitraatuitspoeling: over het algemeen neemt de nitraatconcentratie
toe als het N-mineraal toeneemt. Wel wordt vastgesteld dat er een aanzienlijke variatie
is in het gemeten N-mineraal. Hiervoor worden verschillende oorzaken aangedragen zoals
de verschillen in gewastype, grondsoort en grondwaterstand, maar ook het management
van de agrariër. Deze bevindingen worden meegenomen in het nader uit te zetten onderzoek
naar streefwaarden voor het N-mineraal. Met deze streefwaarden zullen agrariërs in
het kader van het voorgenomen ingroeipad voor doelsturing op grondwaterkwaliteit moeten
gaan sturen op verbetering van de grondwaterkwaliteit.
Aangezien de relatie tussen het N-mineraal en de nitraatconcentratie nog veel variatie
bevat, is het van belang dat in de aankomende jaren meer gegevens worden ingewonnen
over zowel het N-mineraal als de nitraatconcentratie en de relatie tussen beide, alsook
over het stikstofbodemoverschot. In de komende jaren zal ik dit verder laten onderzoeken
met onder andere de informatie die wordt verkregen in het voorgenomen ingroeipad voor
bedrijfsgerichte doelsturing op grondwaterkwaliteit.
Verwerken dierlijke mest in potgrond (en andere groeimedia)
Zoals aangegeven in mijn brief van 7 maart jl.19 heb ik een quickscan laten uitvoeren door Wageningen University and Research (WUR)
waarbij via een literatuurstudie en navraag bij relevante partijen een overzicht wordt
verkregen van de mogelijkheden en belemmeringen bij het verwerken van dierlijke mest
in potgrond en andere groeimedia. De quickscan is als bijlage bij deze Kamerbrief
gevoegd.
In de quickscan worden de mogelijkheden beschreven om producten uit dierlijke mest
in te zetten in producten die worden gebruikt binnen de tuinbouw. WUR concludeert
dat, alhoewel er een vraag is naar hernieuwbare materialen in potgrond en groeimedia,
er momenteel beperkte kansen zijn om mestproducten in te zetten als component in groeimedia
vanwege aanzienlijke technische, juridische en markttechnische beperkingen.
In het onderzoek is gekeken naar de eigenschappen van dierlijke mestproducten in relatie
tot de eisen die bij toepassing van verschillende componenten, zoals dierlijke mest,
in potgrond en substraten worden gesteld aan deze componenten. Daaruit blijkt dat
veel producteisen die bekend moeten zijn voor het gebruik als (component in) potgrond
niet worden gemeten in de mestproducten.
Bovendien blijkt dat de kwaliteit van dierlijke mest per veehouder en in de tijd,
sterk varieert. Ook komt er naar voren dat de gehaltes van kalium, chloor, en voor
sommige producten ammonium, in verwerkte dierlijke mest te hoog kunnen zijn voor toepassing
in potgrond. Daarnaast zijn er risico’s waar nog weinig meetgegevens van beschikbaar
zijn, maar die wel te verwachten zijn, zoals residuen van diergeneesmiddelen, pathogenen
in de mest of Q-organismen (plantziekten en pathogenen). Deze variaties in mestsamenstelling,
te hoge gehalten van bepaalde stoffen en de onbekende risico’s beperken de toepasbaarheid
van dierlijke mest in groeimedia vanwege de risico’s die dit met zich meebrengt bij
de teelt van gewassen.
Ook is gekeken naar de mogelijkheden om de mest te bewerken (bijvoorbeeld door thermische
verhitting of vergisting). Voor gebruik als (component in) potgrond zal namelijk een
combinatie van verwerkingsstappen noodzakelijk zijn, waarmee het eindproduct gehygiëniseerd,
gestabiliseerd en gespoeld is. Het rapport concludeert dat zelfs na deze verwerkingsstappen
dierlijke mest slechts in beperkte percentages gebruikt zal kunnen worden, om de streefwaardes
voor zouten en verontreinigingen niet te overschrijden.
Naast het literatuuronderzoek, hebben de onderzoekers ook gesprekken gevoerd met bedrijven
in de potgrond- en substraatsector. Uit deze gesprekken komt naar voren dat er binnen
de sector nog nauwelijks gebruik wordt gemaakt van dierlijke mest omdat potgrondbedrijven
streven naar een hoge kwaliteit, daarvoor brengt dierlijke mest te veel risico’s met
zich mee. Uit de gesprekken komt ook naar voren dat er juridische belemmeringen zijn.
Bedrijven worden namelijk snel aangemerkt als mestverwerker wanneer zij dierlijke
mest toevoegen aan hun producten. Dat leidt er vervolgens toe dat zij aan aanvullende
eisen moeten voldoen en een passende vergunning moeten aanvragen.
Tenslotte concludeert WUR wel dat met inzet van de sector, RHP (certificeerder potgrond
en substraten) en de overheid wel de mogelijkheden kunnen worden vergroot om dierlijke
mest toe te passen in groeimedia. Op basis van de onderzoeksresultaten zullen dan
ook vervolggesprekken worden gevoerd met verschillende sectorpartijen, waaronder de
Vereniging van Potgrond- en Substraatfabrikanten (VPN) maar ook LTO, om met hen de
bevindingen uit de quickscan te bespreken en te bezien in hoeverre er bereidheid bestaat
om hier gezamenlijk een vervolg aan te geven.
Emissiearm aanwenden van spuiwaters en ureumhoudende kunstmest
In mijn brief van 16 september jl.20 is aangekondigd dat per 1 januari 2027 spuiwaters en ureumhoudende kunstmest emissiearm
aangewend moeten gaan worden. Dit om efficiënt nutriëntengebruik te bevorderen en
ammoniakemissies te voorkomen. Daarmee kan naar verwachting 1.2 tot 2 Kton ammoniakemissie
gereduceerd worden. Dit besluit is genomen op basis van uitkomsten van een advies
van WUR over de best beschikbare technieken voor het aanwenden van spuiwaters en ureumhoudende
kunstmest. Aanleiding voor de adviesaanvraag was het voorstel voor Renure van de Europese
Commissie waarmee bepaalde verwerkte meststoffen uit dierlijke mest, waaronder spuiwaters
uit mestverwerking, boven de norm van 170 kg N per hectare mogen worden toegepast.
In het voorstel van de Europese Commissie wordt voorgeschreven dat deze Renure-meststof
emissiearm dient te worden aangewend. Het advies van WUR op de kennisvraag is als
bijlage bij deze brief gevoegd.
Het gebruik van best beschikbare technieken is nu al voorgeschreven bij het op- of
in de bodem brengen van dierlijke meststoffen en zuiveringsslib. In het «BBT-document
emissiearm aanwenden versie 1.0» 21 staan deze best beschikbare technieken beschreven. Deze technieken worden voorgeschreven
om ammoniakemissies naar de lucht te beperken. Voor het aanwenden van spuiwaters en
kunstmest zijn nog geen best beschikbare technieken voorgeschreven. In de afgelopen
jaren is het gebruik van ureumhoudende kunstmeststoffen substantieel gestegen. Momenteel
is het voorstel ten aanzien van Renure in de fase van formele besluitvorming. De verwachting
is dat, mocht deze fase positief worden afgesloten, het gebruik van spuiwaters als
Renure-meststof zal toenemen (na implementatie van het Renure-voorstel in nationale
regelgeving).
Op basis van het advies van WUR zal worden gewerkt aan regelgeving ten behoeve van
het voorschrijven van best beschikbare technieken bij het aanwenden van spuiwaters
en ureumhoudende kunstmest. Voor de voorgenomen wijzigingen in het «BBT-document emissiearm
aanwenden» zal via een nog op handen zijnde internetconsultatie begin 2026 de gelegenheid
geboden worden om op het voornemen te reageren.
Ik ben voornemens voor toepassing van vloeibare ureum als bladbemesting een uitzondering
te maken en daarvoor geen emissiearme aanwendingstechniek voor te schrijven. Bladbemesting
wordt onder andere in de aardappelteelt en de fruitteelt toegepast, de giften zijn
beperkt (tot 5–10 kg/ha). Vanwege deze lage doseringen en omdat ammoniakverliezen
bij bladbemesting laag zijn door de directe opname van ureum door het blad worden
ammoniakemissies naar de lucht al beperkt.
Renure, pilots mineralenconcentraat en kunstmestvrije Achterhoek
Met mijn brief van 19 december 2025 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang
van het 8e actieprogramma. In het 7e actieprogramma zijn de pilot mineralenconcentraat en de
pilot Kunstmestvrije Achterhoek opgenomen om ervaring op te doen met productie, handel
en gebruik van bemestingsproducten uit dierlijke mest (zgn. Renure criteria). Naar
verwachting zal, na instemming van de Raad en het Europees Parlement, in de Europese
Unie worden ingestemd met de toelating van Renure-meststoffen als kunstmestvervanger
en zal deze mogelijkheid in de eerste helft van 2026 verwerkt zijn in Nederlandse
regelgeving.
Om geen gat te laten vallen tussen de pilot mineralenconcentraat en de pilot Kunstmestvrije
Achterhoek uit het 7e actieprogramma en de inwerkingtreding van de algemene Nederlandse regelgeving, en
de continuïteit binnen de keten te waarborgen, is voorzien in een overgangssituatie
voor producenten en afnemers van Renure-meststoffen die in 2025 deelnamen aan de pilots.
Deze overgangssituatie geldt vanaf het moment van inwerkingtreding van de Renure-wijziging
van de Nitraatrichtlijn (naar verwachting begin januari 2026) tot zes weken na inwerkingtreding
van de Renure-regeling, of – als dat eerder is – tot het moment dat de producent is
geregistreerd of gecertificeerd. De overgangssituatie geldt voor bedrijven die in
2025 deelnamen aan de pilots. Daarbij gelden de voorwaarden en voorschriften van de
eerdere pilots, de voorwaarden uit de aangepaste Nitraatrichtlijn én van de notificatieversie
van de beoogde Renure-implementatieregeling. Het gaat daarnaast om onder andere de
volgende voorwaarden en voorschriften:
− Producenten van mineralenconcentraat blijven gedurende de overgangsperiode dezelfde
mestcode, 120, gebruiken voor het melden in rVDM.
− De overgangssituatie geldt pas nadat het voorstel voor de aanpassing van de Nitraatrichtlijn
voor de toepassing van Renure formeel in werking is getreden. Dit zal naar verwachting
een datum begin januari 2026 zijn.
− De Renure-meststoffen kunnen, in lijn met het voorstel voor Renure, tot maximaal 80
kilogram stikstof per hectare extra worden gebruikt bovenop de norm voor stikstof
uit dierlijke mest. De Renure-meststoffen kunnen voor inwerkingtreding van de Renure-regeling
bovenop de gebruiksnorm dierlijke mest worden gebruik, tellen bovendien óók mee voor
de 80 kilogram die per kalenderjaar en per hectare bovenop de gebruiksnorm dierlijke
mest mogen worden gebruikt, als de nationale regeling die uitvoering geeft aan de
Europese Renuretoelating (de Renure-implementatieregeling) in werking is getreden.
De voornoemde deelnemers aan de pilots zullen op korte termijn nog nader worden geïnformeerd
over de exacte voorwaarden.
Voortgang protocol stikstofgat
Eerder heb ik de Kamer meegedeeld dat het goed mogelijk lijkt om een protocol stikstofgat
te ontwikkelen.22 Inmiddels is met inbreng van expertise van Wageningen University & Research een concept
opgesteld. Het concept is zodanig representatief, controleerbaar en verifieerbaar
van opzet dat het voldoende waarborgen lijkt te bieden om (1) aan te tonen dat er
sprake is van bedrijfsspecifiek stikstofverlies en (2) om de bedrijfsspecifieke stikstofproductie
te berekenen.
Ik heb de Commissie Deskundigen Meststoffenwet gevraagd een review uit te voeren op
het concept protocol stikstofgat. Ook ben ik voornemens om het concept protocol parallel
aan de review in de komende periode te bespreken met sectorpartijen. Ik verwacht dat
het protocol stikstofgat vervolgens in de zomer van volgend jaar kan worden vastgesteld
en daarna via RVO beschikbaar kan worden gesteld.
Na vaststelling kan het protocol stikstofgat als hulpmiddel gebruikt worden door melkveehouders
die een beroep willen doen op de vrije bewijsleer. De belangrijkste voorwaarden hiervoor
zijn:
− de beschikbaarheid van voldoende, representatieve mestanalyses van de onbewerkte,
eigen drijfmest die wordt aangewend of wordt afgevoerd; en
− het gebruik van de Handreiking BEX om de bedrijfsspecifieke excreties te berekenen.
Actualisatie excretieforfaits
Op vrijdag 14 november 202523 heb ik de Kamer geïnformeerd over mijn voornemen om per 1 januari 2026 de excretieforfaits
en stikstofcorrectiefactoren te actualiseren voor die diercategorieën waarop het fosfaatrechtenstelsel
niet van toepassing is. Daartoe heb ik een wijzigingsregeling van bijlage D van de
Uitvoeringsregeling meststoffenwet (hierna: Urm) voorbereid, waarvan het ontwerp in
de periode van 17 november 2025 tot 2 december 2025 voor internetconsultatie heeft
voorgelegen.
Ondanks de beperkte duur van de consultatieperiode heb ik meer dan 180 reacties ontvangen.
Naast een opmerking over de duur van de consultatieperiode zelf werd in veel reacties
ook opgemerkt dat de periode tussen het bekend worden van het voornemen tot wijziging
van bijlage D van de Urm en het van kracht worden van die wijziging te kort is om
zich voor te bereiden op de gevolgen van die wijziging en de bedrijfsvoering daarop
aan te passen. Verschillende veehouders gaven bovendien aan dat de gevolgen van de
verhoging van de excretieforfaits en stikstofcorrectiefactoren voor hun bedrijf aanzienlijk
zijn. Ook werd in een aantal reacties kanttekeningen geplaatst bij de onderbouwing
van de door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet geadviseerde wijzigingen.
Dit alles heeft mij doen besluiten om af te zien van mijn voornemen om per 1 januari
2026 over te gaan tot actualisatie van de excretieforfaits en stikstofcorrectiefactoren
voor diercategorieën waarop het fosfaatrechtenstelsel niet van toepassing is, maar
daarvoor meer tijd te nemen. De komende periode wil ik benutten om de naar voren gebrachte
bezwaren te bestuderen, de door mij voorbereide wijzigingsregeling zo nodig aan te
passen en een ontwerp daarvan opnieuw in internetconsultatie te brengen. Hierbij zal
ik de verschillende sectoren betrekken.
Uitzondering bovengronds aanwenden van runderdrijfmest
In mijn brief van 16 september jl.24 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de internetconsultatie van een besluit tot wijziging
van het Besluit activiteiten leefomgeving en de Omgevingsregeling waarmee het bovengronds
aanwenden van runderdrijfmest onder voorwaarden wordt toegestaan. Ook heb ik in die
brief aangegeven dat ik eerst het definitieve rapport afwacht van het praktijkonderzoek
naar de milieueffecten van het bovengronds aanwenden van runderdrijfmest. Op basis
van de uitkomsten van dat rapport zal ik een besluit nemen over de voortzetting van
de mogelijkheid voor bovengronds uitrijden onder het stelsel van de Omgevingswet.
De oplevering van het rapport heeft helaas vertraging opgelopen, waardoor het niet
nog dit jaar, maar pas begin volgend jaar definitief zal worden opgeleverd. Om een
zorgvuldig besluit te kunnen nemen, wil ik eerst dat rapport afwachten.
Het besluit waarmee het bovengronds aanwenden van runderdrijfmest kan worden toegestaan,
zal moeten worden voorgehangen bij uw Kamer en de Eerste Kamer (artikel 23.5 Omgevingswet).
Ook zal het voor advies aan de Raad van State moeten worden voorgelegd. Dit betekent
dat er voor de start van het mestseizoen (16 februari) wellicht geen duidelijkheid
zal zijn over voortzetting van de uitzonderingsmogelijkheid voor bovengronds uitrijden.
Tot het moment van besluitvorming na oplevering van het rapport, wordt bovengronds
aanwenden van runderdrijfmest in 2026 voortgezet (gedoogsituatie) onder dezelfde voorwaarden
en voorschriften als in 2025.
Ontwikkeling areaal grasland
Ik heb uw Kamer toegezegd u aan de hand van de cijfers over 2025 te informeren over
op welke schaal grasland in bouwland wordt omgezet en over het feit of daar significante
verschuivingen in te zien zijn.25 Ik heb deze toezegging gedaan naar aanleiding van zorgen in de Kamer over de negatieve
gevolgen voor de waterkwaliteit en waterkwantiteit van veranderingen in het agrarisch
grondgebruik en dan met name de omzetting van grasland naar andere teelten zoals akkerbouw,
bomenteelt en bollenteelt. De eerste voorlopige cijfers van het CBS over het areaal
grasland in 2025 zijn 30 september 2025 gepubliceerd. Ik informeer u hierbij over
de ontwikkelingen in arealen waarmee ik invulling geef aan mijn toezegging.
Tabel 1 bevat het gebruik van het areaal cultuurgrond in Nederland. De cijfers voor
2025 zijn de meest recente, maar voorlopige, cijfers van het CBS over 2025.
In tabel 2 is het verschil in gebruik weergegeven. Reeks A betreft het verschil in
gebruik in 2024 ten opzichte van 2020. Dit is de reeks waarover ik u op 18 juni 2025
jl.26 heb geïnformeerd. Reeks B geeft het verschil weer tussen 2025 en 2024. Reeks C betreft
het verschil in gebruik in 2025 ten opzichte van 2020.
Tabel 1
Cultuurgrond in ha.
2020
2021
2022
2023
2024
20251
Akkerbouw
526.840
525.750
534.710
547.420
530.650
547.020
Tuinbouw open grond
93.130
94.810
95.410
92.410
91.700
91.550
Tuinbouw onder glas
10.080
10.550
10.640
10.150
10.040
10.320
Groenvoedergewassen
206.860
197.220
194.050
195.260
203.970
198.220
Grasland
977.540
983.580
969.570
957.760
962.140
955.240
Totaal cultuurgrond
1.814.450
1.811.910
1.804.370
1.803.000
1.798.500
1.802.350
Bron: CBS Statline 26 november 2025.
X Noot
1
Voorlopige cijfers.
Tabel 2
Cultuurgrond in ha.
A)
2024 t.o.v. 2020
B)
2025 t.o.v. 2024
C)
20251 t.o.v. 2020
Akkerbouw
3.810
0,7%
16.370
3,1%
20.180
3,8%
Tuinbouw open grond
– 1.430
– 1,5%
– 150
– 0,2%
– 1.580
– 1,7%
Tuinbouw onder glas
– 40
– 0,4%
280
2,8%
240
2,4%
Groenvoedergewassen
– 2.890
– 1,4%
– 5.750
– 2,8%
– 8.640
– 4,2%
Grasland
– 15.400
– 1,6%
– 6.900
– 0,7%
– 22.300
– 2,3%
Totaal cultuurgrond
– 15.950
– 0,9%
3.850
0,2%
– 12.100
– 0,7%
Bron: CBS Statline 26 november 2025.
X Noot
1
Voorlopige cijfers.
Uit reeks A was af te leiden dat de afname van het areaal grasland in de periode 2024–2020
gelijke tred hield met de afname van het totale areaal cultuurgrond (veroorzaakt door
de omzetting van landbouwgrond naar grond voor ander gebruik). Reeks B laat zien dat
het totale areaal cultuurgrond is toegenomen met 3.850 ha (0,2%) ten opzichte van
2024. Het areaal akkerbouw is in 2025 met 16.370 ha (3%) toegenomen ten opzichte van
2024. Het areaal grasland is ten opzichte van 2024 met 6.900 ha (0,7%) afgenomen en
het areaal groenvoedergewassen is afgenomen met 5.750 ha (2,8%). Als tabel 1 en tabel
2 met elkaar worden vergeleken, blijkt dat ondanks de toenames en afnames, het totale
areaal cultuurgrond, het areaal akkerbouw en het areaal grasland in 2025 een vergelijkbare
omvang hebben als de desbetreffende arealen in 2023. Ook blijkt uit tabel 1 dat de
arealen akkerbouw, groenvoedergewassen en grasland gedurende de jaren variëren in
omvang.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Ondertekenaars
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur