Brief regering : Verzamelbrief Mkb-Financiering
32 637 Bedrijfslevenbeleid
Nr. 742
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 december 2025
Tijdens de recente debatten over de Staat van de Economie en het Midden- en kleinbedrijf
is aandacht besteed aan de toegang tot financiering voor ondernemers en het functioneren
van de non-bancaire financieringsmarkt. Met deze brief geef ik uitvoering aan de daaruit
voortvloeiende moties en toezeggingen.
1. Toegang tot financiering
Op 9 september is de motie van de leden Sneller-Postma1 aangenomen die verzoekt «om de voorstellen uit het Code-V-rapport over te nemen en
toe te passen». In mijn appreciatie van de motie heb ik het belang van het Code-V-rapport
benadrukt en aangegeven dat ik mij richt op de aanbevelingen die binnen mijn verantwoordelijkheid
als Minister van Economische Zaken vallen2. In het volgende gedeelte van de brief geef ik uitvoering aan de motie door toe te
lichten hoe ik de aanbevelingen heb gewogen en welke acties daaruit volgen.
Data en monitoring
Conform de Code-V-aanbeveling (en de motie White3) laat ik de toegang tot financiering voor vrouwelijke ondernemers monitoren. De aanbeveling
om genderspecifieke financiële data bij te houden en te delen, neem ik dus geheel
over, zoals eveneens vermeld in mijn Kamerbrief Mkb-financiering4. Ik heb toen overigens wel de kanttekening geplaatst dat ik om onderzoekstechnische
redenen niet kan voldoen aan de wens tot jaarlijkse monitoring. Wel worden beschikbare
data over meerdere jaren gebundeld, hetgeen een methodologisch gedegen alternatief
biedt voor jaarlijkse monitoring. In bijlage 1 deel ik de resultaten.
Begeleiding bij het benutten van financieringsmogelijkheden
Het Code-V-rapport beveelt (naast het verzamelen van data) aan om een helder financieringspad
te creëren dat aansluit bij de verschillende groeifasen van ondernemingen. Deze aanbeveling
tot toegankelijke informatievoorziening voor vrouwelijke ondernemers onderschrijf
ik volledig. Om hier concreet invulling aan te geven, zet ik in op de FinancieringsGids,
die speciaal is gericht op ondernemers met een behoefte aan vreemd vermogen tot circa
€ 1 miljoen. Om ervoor te zorgen dat vrouwelijke ondernemers zich op een herkenbare
wijze aangesproken voelen door de Gids, wordt er extra aandacht besteed aan het tonen
van een diverse groep ondernemers in promotiecampagnes en media-uitingen (zoals in
de ondernemersverhalen). Daarnaast is er uitgebreid stil gestaan bij toegankelijk
taalgebruik, zodat de Gids bereikbaar is voor iedere ondernemer. Ik moedig Code-V
dan ook aan vrouwelijke ondernemers warm door te verwijzen richting de FinancieringsGids
en hen te wijzen op de verscheidenheid aan mogelijkheden die de Gids biedt, zodat
we gezamenlijk de financieringskansen voor vrouwelijke ondernemers kunnen vergroten.
Start- en scale-ups, die vaker op zoek zijn naar financieringsvormen van eigen vermogen,
vallen hier echter deels buiten. Voor deze groep is er een duidelijke financieringsroute
beschikbaar, zo laat de meta-evaluatie van het risicokapitaalinstrumentarium5 zien. De financieringslijn loopt van de Vroegefasefinanciering en het Innovatiekrediet
in de vroegere fase, via de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROMs), naar Invest-NL
in de latere fase en uiteindelijk private investeerders. Deze private investeerders
worden op hun beurt gestimuleerd om in startups te investeren via de SEED capitalregeling.
Daarnaast ontstaan er steeds meer private initiatieven die kapitaal verstrekken aan
vrouwelijke ondernemers die zich richten op kennisdeling en mentoring. Het brede aanbod
aan instrumenten en de vele financiers die in verschillende groeistadia actief zijn,
biedt dus veel mogelijkheden.
Tegelijkertijd kunnen die mogelijkheden vragen oproepen bij ondernemers over waar
zij het beste terechtkunnen. Daarom vind ik het goed dat Code-V een roadmap heeft
gelanceerd die deze groep helpt overzicht te krijgen over de bredere set aan beschikbare
financieringsmogelijkheden in verschillende fases.
Naast dat ondersteuning nodig is bij aanvragen, is het minstens zo belangrijk dat
ondernemers in een eerder stadium beschikken over de kennis en het inzicht om de juiste
financieringskeuzes te maken. Een mooi voorbeeld van hoe deze kennisdeling in de praktijk
vorm krijgt, is de organisatie door Code-V van de Finance Friday-evenementen. Door
kennis en ervaring uit bijvoorbeeld de praktijk van RVO te delen, krijgen vrouwelijke
ondernemers beter inzicht in de financieringsmogelijkheden die hun groei kunnen ondersteunen.
Deelnemers ontdekken hier hoe regelingen zoals het Innovatiekrediet, de WBSO, Vroegefasefinanciering
(VFF), DHI en diverse internationale programma’s kunnen bijdragen aan de ontwikkeling
van hun onderneming.
In het verlengde daarvan zet RVO zich met de campagne «Groei over Grenzen» specifiek
in voor vrouwelijke ondernemers met internationale ambities. De focus ligt op het
toegankelijker maken van financiering, informatie, handelsmissies en netwerkmogelijkheden.
Met deze campagne worden vrouwelijke ondernemers gestimuleerd hun horizon te verbreden
en nieuwe markten te verkennen.
Financiële stimuleringsmaatregelen
Gezien de behoefte aan meer kansen voor vrouwelijke ondernemers, doet Code-V de oproep
tot een fiscale regeling en een speciaal fonds. Dit fonds zou uitsluitend in vrouwelijke
ondernemers investeren en rechtstreeks door de overheid worden ingericht.
Hoewel ik begrijp dat Code-V voorstellen doet om de kansen voor vrouwelijk ondernemerschap
te vergroten, laat het door mij bij het CBS uitgevoerde onderzoek naar de toegang
tot financiering voor vrouwelijke ondernemers zien dat de kern van het probleem elders
ligt. Het grootste verschil tussen mannen en vrouwen doet zich namelijk niet voor
bij de beoordeling van aanvragen, maar in de fase daarvoor (zie bijlage 1). Zodra
een aanvraag is ingediend, ligt het succespercentage van vrouwelijke ondernemers met
89% nagenoeg gelijk aan dat van mannelijke ondernemers (90%). In de fase daarvoor
zijn de verschillen groter: 59% van de mannelijke ondernemers met een financieringsbehoefte
diende een aanvraag in, tegenover 47% van de vrouwelijke ondernemers (zie bijlage
1).
De grootste verbetering in de toegang tot financiering voor vrouwelijke ondernemers
kan worden bereikt door het aantal vrouwen dat daadwerkelijk een aanvraag indient
te vergroten, in plaats van te focussen op een specifiek fonds of fiscale regeling.
Bovendien wordt bij de inzet van fiscale regelingen uitgegaan van gelijke toegankelijkheid,
zonder onderscheid des persoons.
Vandaar dat een gerichte aanpak in deze fase waarschijnlijk het meeste effect heeft,
zoals Invest-NL bijvoorbeeld doet. Binnen het gehele financieringstraject zet de organisatie
zich in om de toegang tot financiering voor vrouwelijke ondernemers te verbeteren.
Zo wordt er onderzocht of onderdelen van het eigen investeringsproces mogelijk belemmerend
werken voor vrouwelijke ondernemers en verzamelt het sinds eind 2024 aanvullende data
om dit beter te begrijpen en te verbeteren. Tevens zijn diversiteit en inclusiviteit
binnen het investeringsbeleid vast verankerd: bij elke financiering worden hierover
afspraken gemaakt met founders en fondsmanagers. Sinds kort geldt daarbij de bepaling
dat minimaal 33% van de management- en bestuursposities wordt ingevuld door vrouwen.
Daarnaast lanceert Invest-NL het Diverse Manager Programme, een investeringsinitiatief van € 50 miljoen om diversiteit in de venture capital-sector
te bevorderen.
Taskforce en de rol van de overheid
Het laatste punt dat Code-V voorstelt is het aanwijzen van een taskforce of gezant
die als aanjager kan optreden. Ik begrijp de drijfveer achter deze suggestie, maar
zie dat Code-V zelf al een belangrijke rol vervult in het vergroten van bewustwording
en het stimuleren van actie binnen de sector.
Dit ontslaat de overheid vanzelfsprekend niet van haar verantwoordelijkheid om oog
te houden voor inclusiviteit in de beleidsontwikkeling en bij te dragen aan een gelijk
speelveld waar dat nodig is. Vanuit het ministeries van EZ, BZ en Financiën is bij
de oprichting van Code-V een opstartsubsidie verstrekt om dit proces te ondersteunen.
In de huidige fase lever ik mijn bijdrage in de vorm van in-kind-ondersteuning, bijvoorbeeld
via een vertegenwoordiger van EZ in de raad van Code-V, hoogambtelijke aanwezigheid
bij Code-V-bijeenkomsten, het zichtbaar maken van Code-V en het streven naar evenwichtige
man/vrouw-verhoudingen bij de programmering van panels en bijeenkomsten die EZ zelf
organiseert.Verder ga ik binnenkort met Code-V in gesprek, met als doel zicht te houden
op ontwikkelingen en te beoordelen waar mijn betrokkenheid verder relevant kan zijn.
Daarnaast stimuleer ik de toegang tot financiering voor vrouwelijke ondernemers via
de financieringsinstrumenten van EZ, zoals de Seed Capital, de ROMs en Qredits. Binnen
de Seed Capital-regeling wordt structureel geborgd dat vrouwelijke ondernemers onder
gelijke voorwaarden kunnen deelnemen aan beschikbare financiering. De ROMs zijn betrokken
bij Code-V door zowel het ondertekenen van de Code-V als via de bestuurlijke rol die
ROM InWest namens alle ROMs binnen Code-V vervult.
Qredits dat zich gecommitteerd heeft aan Code-V, breidt de coachpool uit met vrouwelijke
coaches. Daarnaast voert Qredits in 2025–2028 een nieuw programma uit voor o.a. vrouwelijke
ondernemers vanuit een kwetsbare achtergrond, zoals alleenstaande moeders of vrouwen
in een bijstandsituatie, om hen te helpen met het ondernemerschap.
Ervaringen van ondernemers met een migratieachtergrond bij toegang tot krediet
Tijdens het commissiedebat Midden- en kleinbedrijf heb ik het lid Thijssen toegezegd
in gesprek te gaan met ondernemers met een migratieachtergrond over hun ervaringen
met het verkrijgen van financiering6. Hieronder geef ik u inzicht in de resultaten van deze gesprekken, waarmee ik uitvoering
geef aan de motie.
Enkele ondernemers gaven aan dat het verkrijgen van financieren bij banken uitdagend
kan zijn. In het verlengde daarvan blijkt de bekendheid met non-bancaire kredietverstrekkers
bij de gesproken ondernemers nog beperkt, terwijl deze financiers mogelijk voor hen
een uitkomst kunnen bieden. Daarnaast zijn er zorgen geuit over mogelijke discriminatie
of vooroordelen.7
Tegelijkertijd is dit beeld niet eenduidig. Mijn departement heeft ook ondernemers
met een migratieachtergrond gesproken die vrijwel geen belemmeringen ondervonden bij
het verkrijgen van financiering. Ik neem alle signalen, inclusief de zorgen over vooroordelen,
zeer serieus. Een deel van deze ervaringen heeft een bredere maatschappelijke achtergrond
die ik niet alleen kan wegnemen. Wel blijf ik in gesprek met ondernemers en zet ik
via onder meer Qredits en de FinancieringsGids in op het vergroten van de toegankelijkheid
van financiering.
2. Versterking non-bancaire financieringsmarkt
Toekomst SMF en oprichting Finankeur
Waar ik in de vorige paragraaf inging op de toegankelijkheid van financiering, geldt
dat deze pas betekenis krijgt binnen een professionele en betrouwbare financieringsmarkt.
Hierin speelt de non-bancaire financieringsmarkt een belangrijke rol.
De non-bancaire sector is de afgelopen jaren sterk geprofessionaliseerd, mede dankzij
de Stichting MKB Financiering (SMF). In samenwerking met de overheid en de markt ontwikkelde
SMF gedragscodes met keurmerken die zorgen voor transparante voorwaarden, verplichte
BKR-toetsing en onafhankelijke klachtenafhandeling via Kifid.
Toch is verdere versterking nodig: een deel van de markt is nog niet aangesloten,
ondernemers kennen het keurmerk onvoldoende en het toezicht kan steviger. In gesprekken
met SMF over sterkere controlemechanismen – waarmee ik uitvoering geef aan motie Van
Meetelen8 – is bevestigd dat er ruimte is om het stelsel verder te professionaliseren. Daarom
richt de sector een nieuwe, onafhankelijke stichting op onder de projectnaam Finankeur.
Onder leiding van een kwartiermaker neemt Finankeur per 1 januari 2026 de gedragscodes
over en intensifieert het de audits en kwaliteitscontroles. Daarna volgt een sectorpact,
waarin financiers zich gezamenlijk committeren aan hogere standaarden voor transparantie,
zorgplicht en naleving. Ik steun dit van harte, vandaar dat ik 2 miljoen euro beschikbaar
stel ter ondersteuning van de reeds opgerichte onafhankelijke organisatie. Dit doe
ik met de vrijgevallen middelen van de afgebouwde Groeifaciliteit, conform de motie
Flach9, die mij opriep deze middelen in te zetten ten behoeve van mkb-financiering. Met
deze inzet van middelen wordt het vertrouwen in de non-bancaire markt vergroot en
de basis gelegd voor een duurzame ontwikkeling van financieringsmogelijkheden voor
ondernemers.
De subsidie bouwt jaarlijks af en verwacht toenemende private bijdragen. En hoewel
het zeker niet mijn voorkeur heeft, kan ik wetgeving niet uitsluiten als over drie
jaar blijkt dat zelfregulering tekortschiet.
Met deze inzet onderstreep ik de lijn dat het initiatief en de verantwoordelijkheid
primair bij de sector zelf liggen. De rol van de overheid is faciliterend en voorwaardenscheppend,
en blijft terughoudend zolang de markt aantoonbaar voortgang boekt.
Toegankelijkheid van het Frauderegister voor non-bancaire financiers
Bij een goed functionerende markt hoort dat non-bancaire financiers bijdragen aan
een fraudebestendige werking daarvan, omdat dit ook in hun eigen belang is. Ik heb
daarom, conform mijn toezegging (TZ202509-070), contact gezocht met de Autoriteit
Persoonsgegevens (AP) om te kijken op welke manier non-bancaire financiers deel kunnen
nemen aan het Frauderegister.
De voorwaarden en voorschriften voor deelname aan dit frauderegister zijn opgesteld
door verschillende branches uit de financiële sector en goedgekeurd door de AP via
het PIFI-protocol. Dit is dan ook een privaat initiatief; ik kan niet anders dan hier
een faciliterende rol in innemen.
Bij deelname aan het frauderegister moet voldaan worden aan de eisen van de AVG, zodat
persoonsgegevens op een veilige en transparante manier worden verwerkt. De AP speelt
hierbij een sleutelrol, aangezien zij de naleving van de AVG waarborgt. Het PIFI-protocol
voorziet er op dit moment in dat de AP toeziet op de naleving van de AVG door de deelnemers.
Gezien het belang van privacybescherming is het raadzaam de hernieuwde toetsing van
het PIFI-protocol, die loopt tot 1 april 2026, af te wachten. Deze toetsing geeft
inzicht in de werking van het protocol en in de consequenties voor non-bancaire financiers.
Na afronding kunnen de betrokken partijen bepalen welke aanvullende vereisten en waarborgen
nodig zijn om hun deelname aan het frauderegister mogelijk te maken.
Samenwerking met de sector
Het laatste punt dat ik wil benoemen in het kader van mijn toezeggingen ter versterking
van de non-bancaire financieringsmarkt, is de samenwerking binnen de sector. In mijn
vorige mkb-financieringsbrief10 van 4 september heb ik toegezegd dat in 2024–2025 een pilot zou worden uitgevoerd
om de dataverzameling over de mkb-financieringsmarkt te verbeteren.
Op 9 december is het eindrapport Uitvraag mkb-financiering door De Nederlandsche Bank (DNB) gepubliceerd (zie bijlage 2). Het rapport, dat mede
op verzoek van het Nederlandse Comité voor Ondernemerschap tot stand kwam, is ontwikkeld
in samenwerking met SMF, de Nederlandse Vereniging van Banken/ABN Amro Bank, DNB en
mijn ministerie. De uitvraag biedt een completer beeld van de mkb-financieringsmarkt
en wordt volgend jaar herhaald, met de intentie om dit structureel te doen. Er moet
echter onderzocht worden hoe de juridische en organisatorische vraagstukken hiervoor
kunnen worden ingericht. Ik zal uw Kamer over de voortgang hiervan op de hoogte houden.
Daarnaast wil ik ingaan op de toezeggingen rond zekerheden11. Mijn ambtenaren hebben, samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, een
constructief gesprek gevoerd met SMF over knelpunten rondom zekerheden bij mkb-financiering.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft hierbij hun lopende traject toegelicht:
het voorstel om het pandrecht op enkele punten verder te actualiseren, waaronder het
wettelijk faciliteren van de digitalisering van de registratie van een stil pandrecht.
SMF heeft aangegeven deze ontwikkelingen aan te moedigen. Op 9 december is de motie
Flach aangenomen12, waarin wordt gevraagd de concrete belemmeringen voor niet-bancaire financiers in
kaart te brengen en per belemmering te verkennen op welke wijze verbeteringen in het
zekerhedenrecht kunnen worden gerealiseerd. Ik informeer uw Kamer over de uitwerking
hiervan in het tweede kwartaal van 2026.
Overig
Graag informeer ik u over de planning van de komende brieven. De motie van de leden
Dassen en Martens-America13 verzocht de regering om, gelijktijdig met de kabinetsreactie op het eerder dit jaar
verschenen Dialogic-rapport (opgesteld naar aanleiding van de moties Romke de Jong
c.s.14 en Van der Graaf/Stoffer15), varianten en opties voor een fiscale stimuleringsregeling voor startups nader uit
te werken en met uw Kamer te delen. Op dit moment wordt nog nader data verzameld die
benodigd zijn voor een goede onderbouwing t.a.v. de kabinetsreactie en de uitwerking
van de varianten en opties. Deze informatie wil ik benutten bij het informeren van
uw Kamer.
Aanvullend is 9 december de motie Vermeer aangenomen, waarin wordt gevraagd een fiscale
stimuleringsmaatregel voor het mkb uit te werken. Ik wil de aanvullende data en de
beantwoording van de motie Vermeer integraal meenemen in de kabinetsreactie op het
Dialogic-onderzoek en de beantwoording van motie Dassen/Martens-America. Dit is echter
niet mogelijk vóór het einde van dit jaar. Mijn verwachting is dat de uitwerking tegen
het einde van het eerste kwartaal van 2026 aan uw Kamer kan worden toegezonden.
Tot slot verschijnt begin 2026 de nieuwe Financieringsmonitor, gevolgd door de kabinetsreactie
op de GO-beleidsevaluatie en de MKB-financieringsbrief in het voorjaar van 2026.
De Minister van Economische Zaken,
V.P.G. Karremans
Bijlage 1: Vrouwelijke ondernemers en hun zoektocht naar financiering
In september is op mijn verzoek een onderzoek door het CBS over de toegang tot financiering
voor vrouwelijke ondernemers in de periode 2022–202416. Door dezelfde methodologische basis te hanteren als het in 2021 aan uw Kamer aangeboden
CBS-onderzoek, zijn de resultaten goed vergelijkbaar met zowel de eerdere uitkomsten
als met toekomstige metingen.
In tabel 1 deel ik de belangrijkste bevindingen:
Tabel 1: Ontwikkeling in het doorlopen van financieringsstappen door mannen en vrouwen
(2017–2021 en 2022–2024)
Stap in proces1
Mannen
(2017–2021)
Vrouwen
(2017–2021)
Mannen
(2022–2024)
Vrouwen
(2022–2024)
Financieringsbehoefte2
22%
20%
15%
14%
Oriëntatie
84%
81%
81%
80%
Aanvraag ingediend
63%
61%
59%
47%
Succes na aanvraag
84%
82%
90%
89%
X Noot
1
Met uitzondering van de stap «oriëntatie» zijn de verschillen ten opzichte van mannelijke
ondernemers statistisch significant, ook na correctie voor de omvang en sector van
het bedrijf en de leeftijd en herkomst van de ondernemer(s).
X Noot
2
De daling in financieringsbehoefte past binnen de bredere trend die zichtbaar is onder
ondernemers in de afgelopen jaren.
Opvallend is dat vrouwelijke ondernemers aanzienlijk minder vaak een aanvraag indienen
dan mannen (47% t.o.v. 59%). Tegelijkertijd blijkt dat vrouwen die een aanvraag indienen,
vrijwel even vaak succes hebben (89%) als mannen (90%). Bij beide groepen is bovendien
sprake van een toename in het aantal (deels) goedgekeurde aanvragen.
De steekproef is helaas niet van voldoende omvang om op betrouwbare wijze uitspraken
te kunnen doen over de achterliggende oorzaken van het lagere percentage vrouwen dat
een aanvraag indient. De in de Financieringsmonitor genoemde redenen voor het niet
indienen van financieringsaanvragen – zoals interne financiering, timing, hoge kosten
of lage verwachting voor succes – kunnen ook hier een rol spelen. Of deze factoren
specifiek op vrouwelijke ondernemers van toepassing zijn en in welke mate, is op basis
van de huidige gegevens echter niet vast te stellen.
Ik juich het daarbij overigens toe dat Code-V, naast het CBS, ook zelf aan dataverzameling
en monitoring doet, wat de transparantie en het inzicht in het aanbod van financiering
voor vrouwelijke ondernemers vergroot. Ik roep ondertekenaars van Code-V, waaronder
de RVO, ROMs en Invest-NL, hierbij ook op om data aan te (blijven) leveren, zodat
het inzicht verder kan worden versterkt.
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken