Brief regering : Beleidsreactie WODC-onderzoek naar effecten civiele verboden op Outlaw Motorcycle Gangs
29 911 Bestrijding georganiseerde criminaliteit
Nr. 491
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 december 2025
Aanleiding
Van april 2023 tot juli 2025 heeft het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit
en Rechtshandhaving (NSCR) in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie
Centrum (WODC) en op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het
Openbaar Ministerie (OM), een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de civiele
verboden op Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s). Het civiele verbod betreft de bevoegdheid
van het OM om op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (BW) aan de rechter een
verzoek tot verbodenverklaring van een rechtspersoon te doen. Het eindrapport van
het onderzoek is 1 september jl. aan uw Kamer aangeboden, onder toezegging van een
inhoudelijke reactie eind 2025.1 Hiermee geef ik uitvoering aan deze toezegging.
In deze brief ga ik eerst in op enkele bevindingen van de onderzoekers. Vervolgens
licht ik toe op welke manier ik hier gevolg aan zal geven. Ook geef ik in deze brief
uitvoering aan een toezegging aan de Eerste Kamer uit 2021 door de toenmalige Minister
voor Rechtsbescherming omtrent het in gesprek gaan met het OM en de Raad voor de rechtspraak
over mogelijkheden tot het versnellen van de toepassing van het civiel verbod.2
Bevindingen
De onderzoekers hebben ten eerste de beleidstheorie gereconstrueerd die ten grondslag
ligt aan het civiel verbod van OMG’s. Uit de beleidstheorie volgt dat het civiele
verbod drie doelen kent:
1. Niet tolereren dat de overheid organisaties laat bestaan die de veiligheid van burgers
en ondernemers aantasten (normatief).
2. Het doorbreken van het organiserend vermogen van OMG’s om criminaliteit te voorkomen
(instrumenteel).
3. Het ondersteunen en vergemakkelijken van de integrale aanpak van OMG’s (faciliterend).
De onderzoekers concluderen dat het normatieve doel is gerealiseerd, omdat er zeven OMG’s onherroepelijk zijn verboden door de rechter.
Voor wat betreft het instrumentele doel is de conclusie van de onderzoekers dat dit
deels is gerealiseerd. Het is immers lastiger geworden voor verboden OMG’s om zichtbare
clubactiviteiten te ontplooien; de civiele verboden hebben vooral daar effect op gehad.
Er zijn evenwel geen indicaties dat het civiel verbod effect heeft gehad op de frequentie
van het criminele gedrag door OMG-leden. Wel suggereren de data dat het lastiger is
geworden om met andere OMG-leden delicten te plegen en dat de leden daarom dit nu
meer doen met partners buiten de OMG-populatie.
Hoewel het aantal geregistreerde leden van OMG’s na de verboden is gedaald, is dit
aantal groter dan het aantal omstreeks de start van de aanpak in 2014. Daar komt bij
dat er ook nieuwe OMG’s zijn opgericht, die ook een nieuwe groep leden aanboort. Het
lidmaatschap van een OMG blijft dus voor sommige mannen aantrekkelijk. De wereld van
georganiseerde criminaliteit en de OMG-subcultuur wordt dus minder gemakkelijk geraakt
door een civiel verbod.
De onderzoekers doen geen uitspraken over de mate waarin het faciliterend doel is behaald, maar zij stellen
wel dat de verboden de integrale aanpak hebben ondersteund omdat het makkelijker is
geworden om OMG’s te vervolgen voor bijvoorbeeld het dragen van clubkleuren.
Wat betreft de reputatie en zichtbaarheid van de clubs is er veel veranderd: clubhuizen
zijn gesloten, evenementen en ride-outs vinden niet of nauwelijks plaats en de clubsymbolen
zijn grotendeels uit het straatbeeld verdwenen. Ook zijn de belangrijkste clubs hun
legale status kwijt. Het verbod bemoeilijkt clubactiviteiten en leden zien zich genoodzaakt
zich aan te passen. Ook laat het onderzoek zien dat met het opleggen van de civiele
verboden een norm is gesteld, namelijk dat de samenleving niet accepteert dat er organisaties
zijn die zichzelf buiten de wet plaatsen. Dit heeft de rechtsstaat versterkt.
Omdat het OMG-landschap sinds de start van de aanpak sterk is versplinterd, doen de
onderzoekers de aanbeveling om te heroverwegen of de aanpak niet meer gefocust zou
moeten zijn op de meest bedreigende en/of criminele (leden van) OMG’s, in plaats van
de huidige brede inzet op alle OMG’s in Nederland.
Reactie op onderzoek
Ten eerste dank ik de onderzoekers voor hun gedegen analyse. Ik constateer dat we
succesvol zijn geweest in het terugdringen van OMG’s in de openbare ruimte, en dat
zij daarmee minder intimiderend kunnen werken naar hun omgeving en op (onschuldige)
burgers. Hun ogenschijnlijke onaantastbaarheid is door de civiele verboden hard geraakt.
Zij zoeken nu eerder samenwerking buiten de club, dan binnen de club.
De bestuurlijke, integrale aanpak heeft sinds de start in 2012 een belangrijke rol
gespeeld in het terugdringen van OMG’s uit het straatbeeld, zoals de sluiting van
vele clubhuizen, het voeren van stop-gesprekken met horecaeigenaren en het handhavend
optreden bij evenementen en ride-outs. Bij de start van de integrale aanpak van OMG’s lag de focus lag op een klein aantal
bedreigende clubs. Inmiddels is de werkelijkheid veranderd met een grote versplintering
in het OMG-landschap. De vraag is of dit brede spectrum ook eenzelfde aanpak moet
krijgen, met zeer veel capaciteitsinzet tot gevolg, of dat de individuele leden via
hun criminele activiteiten en het reguliere prioriteringsproces van politie en justitie
de prioriteit moeten krijgen die zij op grond van hun gevaarzetting verdienen.
Ik heb de bevindingen van het onderzoek besproken met de leden van het Landelijk Strategisch
Overleg (LSO) OMG’s.3 Daarbij is in lijn met de aanbeveling van de onderzoekers uitgebreid stilgestaan
bij de vraag of de huidige inzet qua aard en omvang nog in verhouding staat tot de
problematiek en versnippering van de OMG’s op dit moment. Alle leden van het LSO zijn
van mening dat dit gelet op de veranderende aard en omvang van de problematiek niet
langer het geval is en dat het wenselijk is om de aanpak verder lokaal en regionaal
op te pakken. Ik deel deze mening.
Dat betekent dat de problematiek niet meer vraagt om een landelijke aanpak in de vorm
van een Landelijke Fenomeentafel en het LSO zal worden opgeheven. Dit is een gezamenlijke
beslissing van de partners binnen het LSO. Ik bedank de voorzitter, burgemeester Jan
Hamming (Zaanstad), en deelnemers van het LSO hartelijk voor hun tomeloze en succesvolle
inzet tegen OMG’s de afgelopen jaren.
Het stoppen met het LSO betekent nadrukkelijk niet dat wordt gestopt met de aanpak
van OMG’s. Zorgelijk blijft immers de betrokkenheid van individuele OMG-leden bij
(zware) georganiseerde criminaliteit, evenals het bestaan van voortzettingsvormen
van verboden OMG’s en de opkomst van nieuwe OMG’s.
Er is mij en de leden van het LSO veel aan gelegen dat de successen die we hebben
geboekt met de integrale aanpak intact blijven. Dat wil zeggen:
– de civiele verboden van OMG’s moeten blijvend worden gehandhaafd;
– (nieuwe) OMG’s mag geen vrijplaats worden geboden;
– er wordt tijdig ingegrepen waar nodig;
– (nieuwe) OMG’s moeten blijvend worden gemonitord.
Om bovenstaande te waarborgen heb ik de volgende afspraken gemaakt met de betrokken
partners:
– De partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband blijven binnen de RIEC’s4 doorgaan met de OMG-aanpak.
– De partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband blijven binnen de RIEC’s optreden
tegen (leden van) OMG’s die zich schuldig maken aan georganiseerde criminaliteit.
Zo blijven we gepaste aandacht hebben voor (leden van) OMG’s die zich manifesteren
in zowel de boven- als onderwereld.
– Om vinger aan de pols te houden, zal de politie jaarlijks een beeld van het OMG-landschap
rapporteren aan het Ministerie van JenV en het LIEC. Zo kunnen we tijdig ingrijpen
en opschalen indien de situatie hierom vraagt.
– De partners borgen en incorporeren de opgedane kennis en werkwijze in de bestaande
samenwerkingsstructuren op het gebied van georganiseerde criminaliteit en ondermijning.
Kortom, ik blijf uitvoerig met de partners inzetten op de aanpak van OMG’s, maar op
een manier die past bij het in de afgelopen jaren veranderde OMG-landschap.
Toezegging over eventuele versnelling civiel verbod
Eén van de instrumenten in de integrale aanpak van OMG’s, is het verbieden van OMG’s
door middel van het civiel verbod. In deze beleidsreactie doe ik verslag hoe ik uitvoering
heb gegeven aan een toezegging over het civiel verbod aan de Eerste Kamer uit 2021
van de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming naar aanleiding van een verzoek
van het lid Talsma.5 Het betreft de toezegging om met het OM en de Raad voor de rechtspraak in gesprek
te gaan over een eventuele versnelling van de civiele procedure (op grond van 2:20
BW) voor het verbieden van rechtspersonen, in het geval het Initiatiefvoorstel bestuurlijk
verbod ondermijnende organisaties niet in werking zou treden. Dit initiatiefvoorstel
is op 27 mei jl. verworpen door de Eerste Kamer.6
Na verwerping van het initiatiefvoorstel ben ik met het OM en de Raad voor de rechtspraak
in gesprek gegaan over het civiel verbod. Uit deze gesprekken kwam naar voren dat
sinds de inwerkingtreding van de wetswijziging van 2:20 BW in 2022,7 de doorlooptijden voor het opleggen van een civiel verbod lijken te zijn afgenomen.
Daarbij lijkt met name het gegeven dat het verbod en de bevelen die de rechter daar
nu bij kan geven als gevolg van die wetswijziging steeds uitvoerbaar bij voorraad
zijn (dat wil zeggen, de uitspraak heeft directe consequenties, ondanks dat er nog
hoger beroep of cassatie tegen de uitspraak mogelijk is) een belangrijke rol te spelen.
Zo moest voorheen een uitspraak eerst onherroepelijk zijn alvorens een overtreding
van het verbod strafrechtelijke consequenties had. Nu is dat niet meer het geval omdat
de rechter bij de eerste uitspraak al bevelen kan geven om activiteiten te staken,
zoals het dragen van clubkleuren (colors). Hoger beroep tegen een rechterlijk bevel
is mogelijk, maar het niet naleven ervan voorafgaand aan een mogelijke vernietiging
blijft strafbaar. Ik verwijs daarbij ook naar een soortgelijke constatering over de
versnelling van het civiele verbod in de beantwoording van mijn ambtsvoorganger op
de schriftelijke vragen die zijn gesteld door de Eerste Kamer voorafgaand aan de plenaire
behandeling van bovengenoemd initiatiefvoorstel.8 Zowel het OM als de Raad voor de rechtspraak geven aan voor nu geen noodzaak te zien
voor (verdere) versnelling van de civiele procedure.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid