Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad, 8-9 december 2025 (Kamerstuk 32317-978)
32 317 JBZ-Raad
Nr. 984
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 4 december 2025
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de
volgende brieven:
• Geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad, 8–9 december 2025 (Kamerstuk 32 317, nr. 978);
• Verslag van de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 13 en 14 oktober
2025 (Kamerstuk 32 317, nr. 975);
• Fiche: [MFK] Verordening tot oprichting ondersteuningsinstrument interne veiligheid
2028–2034 (Kamerstuk 22 112, nr. 4151);
• Fiche: EU Voorradenstrategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4163);
• Fiche: [MFK] Verordening Uniemechanisme en financiering paraatheid en respons noodsituaties
gezondheid (Kamerstuk 22 112, nr. 4156);
• Publieke consultatie 28ste regime (Kamerstuk 22 112, nr. 4181);
• Fiche: [MFK] Verordening tot inrichting van het justitieprogramma 2028–2034 en terugtrekken
van verordening (EU) 2021/693 (Kamerstuk 22 112, nr. 4186);
• Verslag van de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, 13 en 14 oktober
2025 (Kamerstuk 32 317, nr. 975);
De vragen en opmerkingen zijn op 1 december 2025 aan de Minister en Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid voorgelegd. Bij brief van 4 december 2025 zijn de vragen,
mede namens de Minister en Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties,
beantwoord.
De fungerend-voorzitter van de commissie, Ellian
Adjunct-griffier van de commissie, Van Tilburg
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister en Staatssecretaris
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister nader kan toelichten wat de acties
in 2025 en voorzien in 2026 zullen zijn vanuit de Coalitie van zeven Europese landen
tegen georganiseerde criminaliteit.
Antwoord
De Coalitie tegen georganiseerde en ondermijnende criminaliteit (inmiddels bekend
als de C7) is een informeel samenwerkingsverband tussen Nederland, België, Frankrijk,
Duitsland, Spanje, Italië en Zweden om met een meerjarig actieplan de georganiseerde
en ondermijnende criminaliteit gezamenlijk aan te pakken. Voor Nederland is de C7
een zeer belangrijk instrument voor EU-samenwerking en beïnvloeding van EU-beleid
en -wetgeving.
Op 14 februari 2025 vond een succesvolle ministeriële bijeenkomst plaats in Cádiz,
Spanje. In de verklaring na afloop van de bijeenkomst riepen de Ministers op tot versterking
van preventie, waaronder de bestuurlijke aanpak, preventie van rekrutering van jongeren
voor georganiseerde criminaliteit en de noodzaak om de misbruik van pyrotechnische
artikelen aan te pakken. Verder werd stilgestaan bij de noodzaak van informatie-uitwisseling,
de aanpak van criminele geldstromen, samenwerking met derde landen, in het bijzonder
Latijns-Amerika, Westelijke Balkan en Afrika, en het versterken van de weerbaarheid
van logistieke knooppunten. Daarnaast heeft de Coalitie een belangrijke bijdrage geleverd
aan het versterken van de Europese Havenalliantie, onder meer met het op 25 april jl.
met uw Kamer gedeelde non-paper1. Ook is er met de Coalitielanden gewerkt aan het versterken van de samenwerking in
derde landen door gebruikmaken van de synergiën in de inzet.
Verder werkt de Coalitie aan een nieuw meerjarig actieplan dat naar verwachting in
de eerste helft van 2026 wordt aangenomen. Het politieke startschot voor dit traject
is op zondag 7 december a.s. tijdens een diner in Brussel waar de Ministers van de
C7-landen en de EU Commissaris voor Binnenlandse Zaken en Migratie, Magnus Brunner
voor zijn uitgenodigd. Daar zullen de prioriteiten van de C7 worden vastgesteld voor
de komende jaren. De Nederlandse inzet is dat de Coalitie zich de komende jaren zal
richten op het ontmantelen van criminele netwerken en facilitators, versterken van
de weerbaarheid van logistieke knooppunten, de aanpak van criminele geldstromen, preventie
en samenwerking met derde landen.
De leden van de VVD-fractie vragen op welke termijn het BNC-fiche over de voorstellen
van de Commissie ten aanzien van de AVG en de AI-Verordening naar de Kamer zullen
worden gestuurd en of het kabinet bereid is om alvast in grote lijnen een korte appreciatie
te geven van de belangrijkste voorstellen uit het pakket, nu het onderwerp ook op
de JBZ-raad van 8–9 december staat.
Antwoord
Het Digitale Pakket met daarin de digitale omnibus is op 19 november door de Commissie
gepresenteerd. Het kabinet werkt op dit moment versneld aan de appreciatie daarvan
middels een BNC-fiche. Naar verwachting wordt deze nog voor het kerstreces met de
Kamer gedeeld. Tijdens de JBZ-raad worden de Omnibusvoorstellen niet inhoudelijk besproken.
Deze leden vragen of inzet van het kabinet bij deze gesprekken ook zal zijn gericht
op het effectief beperken van de regeldruk van ondernemers en maatschappelijke organisaties
en in algemene zin op het bevorderen van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak
van grensoverschrijdende criminaliteit. Ook vragen deze leden of de Minister zelf
een aantal knelpunten in de AVG en UAVG en de AI-Verordening ziet die aanpassing behoeven
en welke van deze knelpunten de Minister dan specifiek in gesprekken met de Commissie
aan de orde zal stellen.
Antwoord:
Zie hiervoor het antwoord op de vorige vraag.
Fiche: [MFK] Verordening tot oprichting ondersteuningsinstrument interne veiligheid
2028–2034
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche over
de verordening tot oprichting van het ondersteuningsinstrument interne veiligheid
2028–2034. Deze leden lezen dat de voorstellen voor dit ondersteuningsinstrument voor
interne veiligheid straks onder de nieuwe Nationale en Regionale Partnerschapsplannen
zullen vallen. Dat betekent dat er via een performance framework een aantal principes
wordt geïntroduceerd waaraan lidstaten moeten bijdragen: klimaat en biodiversiteit,
gendergelijkheid, en sociaal beleid. Daar bovenop heeft de Commissie een aantal beleidsterrein
specifieke indicatoren vastgesteld waaraan lidstaten dienen bij te dragen.
Voor het ondersteuningsinstrument voor interne veiligheid zien de voorgestelde indicatoren
bijvoorbeeld op het op orde hebben van de IT-systemen voor informatie-uitwisseling,
bescherming van kritieke infrastructuur en de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit
en terrorisme. De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat er meer en vooral
afrekenbare indicatoren worden vastgesteld, zodat de middelen uit het fonds effectiever
en doelmatiger worden besteed. Kan de Minister nader toelichten hoe deze indicatoren
in de praktijk worden gemeten?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang dat de leden van de VVD-fractie hechten aan concrete,
meetbare indicatoren en heeft diverse vragen gesteld over de precieze werking van
het performance framework. Op dit moment zijn deze indicatoren echter nog geen onderwerp van de onderhandelingen.
Het ondersteuningsinstrument interne veiligheid valt in het commissievoorstel onder
het Nationale en Regionale Partnerschapsplan (NRPP). Uitbetaling onder het NRPP vindt
plaats als de lidstaat kan aantonen dat bepaalde mijlpalen en doelstellingen zijn
behaald. Dit is vergelijkbaar met de systematiek die wordt gehanteerd voor de Herstel-
en Veerkrachtfaciliteit (HVF), waarbij het belangrijk is om te benadrukken dat bij
de HVF niet met een geharmoniseerde lijst van (output)indicatoren wordt gewerkt.
Het kabinet is voorstander van een meer resultaatgerichte financieringswijze waarbij
de uitbetaling van middelen plaatsvindt op basis van vooraf afgesproken mijlpalen
en doelstellingen in plaats van gemaakte kosten. Hiermee geeft de EU-begroting een
financiële prikkel om beleidsdoelstellingen te behalen. Ook geeft deze financieringswijze
in praktische zin de mogelijkheid om de uitbetalingen van EU-middelen afhankelijk
te maken van structurele hervormingen. Daarbij zet het kabinet er op in dat de systematiek
niet tot extra administratieve lasten leidt.
Onderdeel van het Commissievoorstel is dat indien een betaling vanuit de Unie wordt
opgeschort, bijvoorbeeld door het niet behalen van een mijlpaal of doelstelling of
bij onvoldoende controles in het kader van het beschermen van de financiële belangen
van de Unie, de lidstaten hun verplichting dienen na te komen om betalingen aan eindbegunstigden
voort te zetten.
Wanneer en door wie wordt geconstateerd of indicatoren zijn behaald en worden middelen
niet uitgekeerd of zelfs teruggevorderd indien lidstaten niet aantoonbaar voldoen?
Deze leden horen graag een nadere toelichting op het performance framework, zoals
dat bij het ondersteuningsinstrument interne veiligheid zal worden gehanteerd, wat de Nederlandse inzet hierbij is
en of de Minister de mening deelt dat voorwaardelijkheid van uitkering van de middelen
belangrijk is.
Antwoord
Het is aan de lidstaten om een betaalverzoek in te dienen. De lidstaat dient controles
uit te voeren op het behalen van de mijlpaal/doelstelling (die gebaseerd is op een
indicator). De Commissie beoordeelt vervolgens de aangeleverde bewijslast.
Het kabinet ondersteunt het overkoepelende doel van het voorstel om prestaties onder
het MFK effectief en transparant te kunnen beoordelen en tegelijkertijd de administratieve
lasten voor lidstaten, uitvoerende partners en begunstigden te verminderen. Zoals
hierboven gesteld wacht het kabinet nog op nadere toelichting op de werking van het
performance framework.
Is de Minister het eens dat de Commissie zo specifiek mogelijk de doeltreffendheid
van de middelen die worden besteed vanuit het ondersteuningsinstrument moet kunnen
volgen, en dat de Commissie voldoende instrumenten moet hebben om dat effectief te
kunnen meten?
Antwoord
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Daarbij zet het kabinet er op in dat de systematiek
niet tot extra administratieve lasten leidt en dat de Commissie de afzonderlijke lidstaten
en de Raad hierover goed informeert.
BNC-Fiche Verordening Programma Justitie voor de periode 2028–2034
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche
over de Verordening programma Justitie voor de periode 2028–2034. Deze leden stellen
voorop dat zij waarde hechten aan goede samenwerking binnen de EU op het gebied van
toegang tot het recht, digitalisering, grensoverschrijdende criminaliteit. Zij delen
tevens de noodzaak die de Minister beschrijft om de onafhankelijkheid van de rechterlijke
macht en de bescherming van grondrechten verder te waarborgen. Desondanks plaatsen
deze leden nog wel enkele kanttekeningen bij het voorstel.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat voor de periode 2021–2027 het budget voor
dit programma ongeveer € 305 miljoen bedroeg. Voor de periode 2028–2034 stelt de Europese
Commissie een aanzienlijk hoger budget voor: ca. € 798 miljoen. Daarbij geeft het
voorstel de Commissie geen bevoegdheid om gedelegeerde of uitvoeringshandelingen vast
te stellen. Dat betekent als deze leden dat goed begrijpen, dat Nederland geen inspraak
heeft in het vaststellen van de jaarlijkse programma’s waarin de gelden worden verdeeld
over de programma’s. Dit in tegenstelling tot het huidige programma 2021–2027. Welke
stappen zet de Minister om alsnog (meer) inspraak te verkrijgen voor de lidstaten?
En wat rechtvaardigt volgens de Minister de verhoging van 305 naar 798 miljoen euro?
Antwoord
Het Commissievoorstel bevat geen comitologieprocedure, terwijl deze in het Justitieprogramma
2021–2027 goed heeft gefunctioneerd en effectieve betrokkenheid van lidstaten heeft
geborgd. Het kabinet hecht hier waarde aan, zeker gezien de omvang van het programma,
en zet in de onderhandelingen nadrukkelijk in op het alsnog opnemen van comitologie
op grond van artikel 33, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509.
De Commissie motiveert de voorgestelde budgetverhoging van € 305 miljoen naar circa € 798 miljoen
met een verwachte toename van activiteiten op het gebied van toegang tot het recht,
opleiding en capaciteitsopbouw, en vooral de digitalisering van de justitiesector.
Digitalisering van de justitiesector is een omvangrijk en langdurig traject, mede
gezien de verplichtingen en systeemvereisten die voortvloeien uit recente EU-regelgeving
op het gebied van e-Justice, waaronder onder meer de verordeningen en richtlijnen
inzake digitale uitwisseling in civiele en strafrechtelijke procedures. Deze digitalisering
vereist volgens de Commissie investeringen in zowel grensoverschrijdende als nationale
systemen. Het kabinet zal er voor pleiten dat ook nationale digitaliseringsactiviteiten
kunnen worden gefinancierd wanneer zij bijdragen aan modernisering en interoperabiliteit.
Nederland vraagt de Commissie daarom om duidelijkheid over de reikwijdte van digitaliseringsmaatregelen,
de verhouding tussen EU- en nationale inspanningen en de van toepassing zijnde co-financieringspercentages.
De leden van de VVD-fractie missen in het BNC-fiche een analyse en een standpunt over
het performance framework zoals dat werd toegelicht in het BNC-fiche over het ondersteuningsinstrument
voor interne veiligheid. Deze leden menen dat het ook bij het Programma Justitie 2028–2034
van cruciaal belang is dat er indicatoren worden vastgesteld zodat meetbaar en veel
beter verantwoording kan worden afgelegd over de besteding van de middelen die ter
beschikking worden gesteld. Hoe kijkt de Minister hiernaar?
Antwoord
Het voorstel voor het Programma Justitie 2028–2034 bevat op dit moment geen volledig
uitgewerkt performance framework zoals bij het Ondersteuningsinstrument voor Interne Veiligheid. Wel worden algemene
doelstellingen, evaluatiemomenten en relevante indicatoren vastgesteld.
De vereenvoudiging en standaardisering van de financiële verantwoording verwijst naar
een bredere modernisering binnen het MFK, waarbij wordt gewerkt met uniformere formats,
gestandaardiseerde kostenopties en digitale rapportage. Dit moet de uitvoerbaarheid
verbeteren en administratieve lasten verminderen.
Het kabinet staat in beginsel positief tegenover dergelijke vereenvoudigingen, maar
vindt het daarbij wel belangrijk dat de kwaliteit van financiële controle behouden
blijft. Heldere verantwoordingslijnen en inzicht in de doelmatigheid van uitgaven
blijven noodzakelijk. Zie hiervoor ook het antwoord op de vraag over het performance framework. Het kabinet zal hierover met de Commissie en andere lidstaten in gesprek blijven.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de uitvoerbaarheid van de procedures rondom
het programma wordt verbeterd, door middel van vereenvoudiging en standaardisering
van de financiële verantwoording. Wat wordt hier precies mee bedoeld en wat is de
inzet van de Minister hierbij? Deelt de Minister het streven dat juist moet worden
ingezet op betere financiële verantwoording, zodat na afloop ook beter kan worden
gemeten in hoeverre de middelen effectief zijn besteed en er is voldaan aan vooraf
afrekenbare en heldere doelen en indicatoren?
Antwoord
De Commissie verwijst met de vereenvoudiging van de financiële verantwoording naar
een bredere moderniseringsslag binnen het MFK, waarbij meer wordt gewerkt met uniforme
formats, gestandaardiseerde kostenopties en digitaal gestroomlijnde rapportage. Dit
moet administratieve lasten verlagen en de uitvoerbaarheid verbeteren.
Nederland ondersteunt deze vereenvoudiging, mits deze niet ten koste gaat van de kwaliteit
van financiële controle. Het blijft essentieel dat kan worden vastgesteld of middelen
doelmatig zijn besteed en projecten aantoonbaar bijdragen aan vooraf vastgestelde
doelen. Nederland zal in dit verband het belang blijven benadrukken van transparante
verantwoordingslijnen, een duidelijke rolverdeling tussen Commissie en lidstaten en
een performance framework dat voldoende houvast biedt voor monitoring en ex-post beoordeling.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
voor de JBZ-raad aangaande justitie-onderwerpen. Deze leden hebben opmerkingen en
vragen over enkele vraagstukken rondom digitalisering en privacy.
CSAM-verordening
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun zorgen over de EU-verordening ter
voorkoming en bestrijding van online seksueel kindermisbruik (de CSAM-verordening).
Deze leden blijven kritisch op de mogelijke inbreuk op privacy, de risico’s voor de
cyberveiligheid zoals beschreven door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
(AIVD) en de verplichte leeftijdsverificatie die zou worden ingevoerd zonder enig
parlementair overleg. Een geheel ander plan om daders van online kindermisbruik op
een effectieve manier te voorkomen en bestrijden, en om slachtoffers te voorkomen
en helpen, is volgens deze leden nodig. In de aangenomen motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk
32 317, nr. 981) werd de Minister gevraagd om bij het Europese vooroverleg, Coreper II, tégen het
Deense voorstel te stemmen. Kan de Minister bevestigen dat dit is gebeurd? Kan hij
de letterlijke stemverklaring die Nederland heeft afgelegd delen met de Kamer? En
blijft hij dit standpunt uitdragen bij de JBZ-raad?
Antwoord
Nederland heeft zich, in uitvoering van de motie Kathmann c.s., tijdens de Coreper-vergadering
van 16 november jl. tegen het voorstel uitgesproken. Nederland heeft daarbij een stemverklaring
mondeling afgelegd en deze tevens schriftelijk met de andere lidstaten gedeeld.
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van de schriftelijke Kamervragen van het
lid Kathmann op 13 november jl., maken de instructies (voorbereidende notities) onderdeel
uit van het diplomatieke verkeer. Om de Nederlandse onderhandelingspositie en diplomatieke
betrekkingen te waarborgen, kunnen deze niet met de Kamer worden gedeeld.
Zoals ook al besproken tijdens het commissiedebat op 24 november jl., is de stemverklaring
opgebouwd op basis van de zorgen die zijn geuit in de Kamerbrief van 18 november jl.
(Kamerstuk 32 317, nr. 977) en inmiddels afgelegd.
Het voorstel is niet geagendeerd voor de JBZ-Raad op 8–9 december 2025.
Het is volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie noodzakelijk om de zorgen over
de CSAM-verordening vanuit Nederland blijvend kenbaar te maken in de triloogfase.
Ondanks de wijzigingen in het Deense compromisvoorstel, blijven zorgen over grondrechten
in stand. Het advies van de AIVD is hierin doorslaggevend, zoals verwoord in de Kamerbrief
inzake toezegging gedaan tijdens het commissiedebat EU-Verordening ter bestrijding
van online seksueel kindermisbruik van 24 november 2025 (Kamerstuk 32 317, nr. 979). Deze leden vragen de Minister om het standpunt van de Kamer uit te blijven dragen,
en in lijn met de hierboven genoemde motie-Kathmann c.s. er alles aan te doen zodat
de risico’s voor massale privacyschending en de cyberveiligheid weg te nemen. Deze
leden vragen aan de Minister om uit te leggen hoe hij van plan is dat te doen. Kan
hij een beeld schetsen van hoe lang de triloogfase volgens hem zal duren? Op welke
momenten kan Nederland invloed uitoefenen tijdens de trilogen? De leden vragen de
Minister om de Tweede Kamer blijvend op de hoogte te houden van de voortgang van de
trilogen, gezien de zwaarwegende bezwaren die vanuit de Kamer op het voorstel zijn
geuit.
Antwoord
Zoals het kabinet in de Kamerbrief van 18 november jl. heeft aangegeven, blijven er
zorgen bestaan over het meest recente voorstel van de CSAM-Verordening. Deze zorgen
richten zich vooral op de bescherming van privacy, grondrechten en digitale weerbaarheid.
Hoewel het advies van de AIVD een belangrijke bijdrage levert aan de afweging van
de verschillende belangen, is het één element in een bredere overweging. Daarbij spelen
ook andere aspecten, zoals de bescherming van kinderen tegen de verspreiding van online
seksueel kindermisbruik, privacy en grondrechten, een belangrijke rol. In de huidige
regeling zijn er vanwege het tijdelijke karakter periodiek momenten (wanneer de regeling
verloopt en verlengt moet worden) waarop die afweging kan worden herzien. Het permanent
maken van de regeling betekent dat deze heroverwegingen komen te vervallen, wat de
zorgen van het kabinet vergroot.
Ten aanzien van dit voorstel zal Nederland bovengenoemd standpunt, in lijn met de
motie-Kathmann c.s., blijven uitdragen. Dit gebeurt binnen de gebruikelijke Europese
onderhandelingsprocedures in de triloog, waarbij het Voorzitterschap van de Raad in
overleg gaat met het Europees Parlement en de Europese Commissie. Het Voorzitterschap
zal tussentijds de voortgang van de trilogen terugkoppelen in de Radengroepen, waar
Nederland deel van uitmaakt. Nederland zal hierin standpunt blijven uitdragen en input
leveren.
Op dit moment is nog niet duidelijk wanneer de triloogfase precies zal beginnen en
hoe lang deze zal duren. Nederland zal zich tijdens de trilogen blijven inzetten binnen
de kaders van het kabinetsstandpunt en de moties van de Kamer. Zoals gebruikelijk,
zal de Tweede Kamer op de hoogte worden gesteld van de voortgang en eventuele wijzigingen.
Digitale Omnibus
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op de voorgestelde Digitale
Omnibus en de Digitale Omnibus AI. In Kamervragen van het lid Kathmann2 en het verslag van een schriftelijk overleg over de Telecomraad van 5 december 2025
hebben de leden reeds uiteengezet welke zorgen zij hebben. Deze leden vragen de Minister
om een zienswijze op de twee voorgestelde Digitale Omnibussen vanuit het perspectief
van rechtsbescherming en het privacyrecht. Welke bedenkingen zal de Minister desgevraagd
uiten over de voorstellen? Hoe gaat de Minister hardmaken dat er voorstellen komen
«zonder afbreuk te doen aan het niveau van bescherming van grondrechten»? Deze leden
wijzen op het belang om de Autoriteit Persoonsgegevens tijdig te betrekken in de zienswijze
op de Omnibussen om de gevolgen hiervan voor de privacywetgeving volledig in kaart
te krijgen.
Antwoord
Tijdens de JBZ-Raad worden de Omnibusvoorstellen niet inhoudelijk besproken. Zie ook
het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie hierover.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de JBZ-raad voor 8 en 9 december 2025 en de overige stukken op de agenda.
Deze leden danken de Minister hiervoor en maken graag van de gelegenheid gebruik aanvullende
vragen hierover te stellen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het Voorzitterschap de JBZ-Raad zal informeren
over de voortgang van de lopende wetsvoorstellen, in het bijzonder het bereikte politieke
akkoord over de insolventierechtrichtlijn. Deze leden vragen hoe de Minister waarborgt
dat de nationale rechtspraktijk, met name rond faillissementspauliana en pre-pack,
voldoende ruimte houdt om effectief te blijven functioneren zonder extra uitvoeringsdruk
voor curatoren en rechtspraak.
Antwoord
In de richtlijn is de flexibiliteit gewaarborgd die het kabinet belangrijk vindt om
de geharmoniseerde regels goed in te kunnen passen in de nationale rechtspraktijk.
Dit is bijvoorbeeld het geval in de regels over de faillissementspauliana (die helpen
voorkomen dat schuldeisers worden benadeeld) en de pre-pack (in stilte voorbereiden
van een doorstart), waar op verschillende punten ruimte wordt gelaten aan het nationale
recht.
Bij de implementatie van de richtlijn wordt, in consultatie met de rechtspraktijk,
aandacht worden besteed aan de regeldruk en de uitvoerbaarheid. De verwachting is
dat de implementatie van de richtlijn zal leiden tot enige toename van werklast van
de rechterlijke macht en curatoren. Deze toename weegt volgens het kabinet op tegen
de voordelen die worden behaald met verbetering van de kapitaalmarktunie.
Bestuurders van ondernemingen worden verplicht actie te ondernemen als ze weten dat
de onderneming feitelijk insolvent is. Dit kan leiden tot meer faillissementsaanvragen
en daarmee meer werklast voor de rechterlijke macht. Het kabinet bekijkt samen met
de rechterlijke macht hoe de implementatiewetgeving zo goed mogelijk kan worden ingericht
zodat de insolventiepraktijk effectief kan blijven functioneren. Voor curatoren zijn
onder de richtlijn bepaalde extra bevoegdheden opgenomen, zoals het kunnen doorzoeken
van vermogensregisters binnen de EU. Deze mogelijkheden kunnen het voor curatoren
mogelijk maken meer actief voor de faillissementsboedel te halen. Dat weegt volgens
het kabinet op tegen de mogelijke extra inspanningen die de curator moet verrichten.
Ook vragen deze leden of de Minister kan toelichten op welke manier dankzij dit plan
wordt gewaarborgd dat inderdaad een eerlijk speelveld binnen de kapitaalmarktunie
ontstaat.
Antwoord
Deze richtlijn harmoniseert bepaalde aspecten van het insolventierecht. Dit biedt
duidelijkheid over het minimumkader aan regels in andere lidstaten. Bovendien zullen
de verschillende insolventiesystemen van de EU-lidstaten meer op elkaar gaan lijken.
Dat biedt meer rechtszekerheid en een gelijker speelveld voor investeerders, schuldeisers
en ondernemers die beter weten wat ze kunnen verwachten. Dit kan tot meer bereidheid
onder investeerders leiden om grensoverschrijdend te investeren. Zij kunnen van tevoren
immers al beter inschatten welk risico zij lopen als het niet goed gaat met de onderneming
waar zij in geïnvesteerd hebben en zullen een duidelijker beeld hebben van de procedure
die volgt wanneer een onderneming onverhoopt toch failliet gaat.
Ook kan een grensoverschrijdende faillissementsprocedure efficiënter verlopen, doordat
er afspraken zijn gemaakt die het mogelijk maken dat goederen sneller en makkelijker
kunnen worden opgespoord in andere lidstaten. Dit alles kan bijdragen aan meer financieringsmogelijkheden
voor bedrijven. Daarnaast zal het ook voor bedrijven die zelf wel eens handelen met
Europese partijen duidelijker zijn welke regels er (voor de geharmoniseerde onderwerpen)
gelden als die andere partij failliet gaat. Denk bijvoorbeeld aan de regels die gelden
voor het terugdraaien van benadelende rechtshandelingen voor faillissement (de regels
over de faillissementspauliana).
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Minister zeer waarschijnlijk kan instemmen
met het plan. Schat de Minister in dat dit ook geldt voor de andere lidstaten?
Antwoord
De verwachting is dat een meerderheid van de lidstaten zal instemmen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Commissie een Digital Package heeft gepubliceerd met ingrijpende wijzigingen in de AVG en de AI-verordening. Hoe
beoordeelt de Minister de risico’s dat de voorgestelde wijzigingen leiden tot versnippering
en hogere regeldruk op uitvoeringsautoriteiten? Deze leden vragen ook of Nederland
in de JBZ-Raad actief inzet op het behoud van hoge normen voor proportionaliteit en
dataminimalisatie, zodat digitale veiligheid en rechtsbescherming niet worden afgezwakt.
Antwoord
Tijdens de JBZ-raad worden de Omnibusvoorstellen niet inhoudelijk besproken. Zie het
antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie.
De leden van de CDA-fractie zijn het met de Minister eens dat het waardevol is dat
gestreefd wordt naar gemeenschappelijke modelbepalingen zodat er meer consistentie
en coherentie wordt bereikt in toekomstige EU-strafrechtinstrumenten. Deze leden vragen
hoe de Minister de uitvoerbaarheid van de in de modelbepalingen opgenomen verplichtingen
voor lidstaten beoordeelt, met name waar het gaat om statistiekverzameling, condities
voor strafvervolging en deelnemingsvormen.
Antwoord
De regering deelt de visie van de CDA-fractie dat de modelbepalingen bijdragen aan
meer consistentie en coherentie in het EU-strafrecht. Al eerder, in 2002 en 2009,
werden in Raadsconclusies modelbepalingen vastgesteld.3 De nu voorliggende modelbepalingen zijn een modernisering daarvan. Hierbij is zoveel
mogelijk aangesloten bij bepalingen in recente EU-instrumenten op het terrein van
het strafrecht, waarover brede consensus onder de lidstaten bestaat. De modelbepalingen
kunnen bijdragen aan meer consistentie en coherentie, waarbij het nationale recht
van de lidstaten wordt gerespecteerd. Gelet hierop kunnen de modelbepalingen in algemene
zin bijdragen aan de uitvoerbaarheid van EU-regelgeving op het terrein van het strafrecht.
Juist omdat zoveel mogelijk is aangesloten aan recent vastgestelde richtlijnen verwachten
de lidstaten geen bijzondere uitvoerbaarheidsproblemen.
De leden van de CDA-fractie lezen, over justitiële samenwerking met derde landen,
dat Nederland met derde landen een eigen dialoog voert die aansluit bij de eigen operationele
behoeften. Doen andere lidstaten dit ook? Zo ja, is dit vergelijkbaar met het Nederlandse
uitgangspunt?
Antwoord
Vrijwel alle lidstaten voeren een eigen dialoog met derde landen gericht op de eigen
operationele behoeften. Die behoeften kunnen uiteraard verschillen. De toegevoegde
waarde van het EU-initiatief kan daardoor ook van lidstaat tot lidstaat verschillen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de JBZ-raad wordt geïnformeerd over een tussentijdse
evaluatie van de strategie van de Commissie om de toepassing van het EU-Handvest van
de grondrechten te versterken. In het voorjaar vonden gerichte raadplegingen plaats
met lidstaten en relevante stakeholders. Kan de Minister kort stilstaan bij de uitkomsten
van deze raadplegingen?
Antwoord
De raadplegingen vormen onderdeel van de tussentijdse evaluatie van de strategie om
de toepassing van het EU-Handvest van de grondrechten te versterken.4Die tussentijdse evaluatie verschijnt in de vorm van het jaarverslag over de toepassing
van het Handvest5 en is nog niet beschikbaar.
De evaluatie gaat in op maatregelen die lidstaten nemen om de toepassing van het Handvest
te versterken, zoals het instellen van een nationaal steunpunt, het borgen van Handvestconformiteit
in wetgevingsprocedures en bij de uitvoering van EU-fondsen. Ook behandelt zij de
versterking van, en goede praktijken uit, het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers
en juridische professionals. De evaluatie is onder meer uitgezet bij lidstaten, maatschappelijke
organisaties en mensenrechtenverdedigers, beoefenaars van juridische beroepen en het
brede publiek.
De leden van de CDA-fractie vragen aan de Minister hoe Nederland de uitvoerbaarheid
beoordeelt van mogelijke nieuwe EU-instrumenten voor de executiefase van confiscatie.
Daarnaast vragen zij of de Minister kan aangeven welke knelpunten Nederland momenteel
ervaart in grensoverschrijdende vermogensontneming en hoe de Belgische voorstellen
hieraan bijdragen.
Antwoord
Het kabinet is positief over het Belgische non-paper, omdat betere internationale
samenwerking het afpakresultaat kan verhogen en de tenuitvoerleggingsfase kan versnellen.
Het is van belang om ook in de tenuitvoerlegging gedegen financieel onderzoek te kunnen
doen om verhullende eigendomsconstructies te kunnen doorprikken en hier binnen de
EU grensoverschrijdend samen te werken ten behoeve van dit onderzoek. De mogelijkheden
hiertoe in de tenuitvoerleggingsfase zijn beperkt en niet alle instrumenten die nationaal
mogelijk zijn worden internationaal erkend. Voor Nederland gaat dat bijvoorbeeld over
het Strafrechtelijk Executieonderzoek (SEO).
België doet verschillende voorstellen, van het verbeteren van (kennis over) bestaande
systemen en regels tot een nieuw instrument. Sommige van deze punten komen ook al
naar voren in andere lopende trajecten en kunnen worden aangejaagd door het non-paper.
Het kabinet steunt de inzet om verder te verkennen hoe we de effectiviteit van Europese
samenwerking in de tenuitvoerleggingsfase kunnen verbeteren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat wordt voorgesteld om een nieuw EU-instrument
te verkennen in een expertwerkgroep. Kan de Minister aangeven om wat voor soort instrument
dit gaat en welke specifieke maatregelen worden voorgesteld?
Antwoord
Dat is op dit moment nog niet duidelijk. De expertwerkgroep moet nog plaatsvinden
en er is nog geen analyse gedaan naar de behoefte voor een nieuw instrument.
De leden van de CDA-fractie lezen over de stand van zaken omtrent de CSAM-verordening.
Gezien het commissiedebat van 24 november 2025 en het daarop volgende tweeminutendebat
van 25 november 2025, hebben deze leden op dit moment geen inhoudelijke vragen bij
dit agendapunt. Wel vragen deze leden wat volgens de Minister de vervolgstappen zijn
op dit dossier in Europa, nu Nederland tegen heeft gestemd. Welke effecten heeft dit
op de Europese onderhandelingen, ook wat betreft de Nederlandse positie?
Antwoord
Het Voorzitterschap van de Raad zal de trilogen ingaan met het onderhandelingsmandaat
dat voortvloeit uit de (gedeeltelijke) algemene oriëntatie waarover in de Raad een
meerderheid is bereikt. Omdat Nederland deze algemene oriëntatie niet heeft gesteund,
is het op voorhand geen voorstander van de uitgangspositie waarmee de onderhandelingen
beginnen. Dit betekent echter niet dat Nederland geen invloed kan uitoefenen. Op dit
moment is nog niet duidelijk wanneer de triloogfase zal starten of hoe lang deze zal
duren. Nederland zal zich gedurende dit proces inzetten binnen de kaders van het kabinetsstandpunt
en de moties van de Kamer.
Binnen de Raad blijft Nederland in de gelegenheid om zorgen te uiten, voorstellen
aan te dragen en bij te dragen aan de discussie. Het kabinet verwacht dat de ruimte
hiervoor beperkt is, nu er een ruime meerderheid is voor een koers die afwijkt van
de Nederlandse positie. Desalniettemin blijft het kabinet zich inspannen om de Nederlandse
positie onder de aandacht te brengen, uiteraard binnen de kaders die door uw Kamer
zijn gesteld.
Fiche: [MFK] Verordening tot oprichting ondersteuningsinstrument interne veiligheid
2028–2034
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Commissie een totaalbudget van 6,84 miljard
euro beschikbaar stelt ter versterking van de interne veiligheid, met vier strategische
doelstellingen. Deze leden delen de zorg dat de definitie van «hybride dreigingen»
te statisch is. Hoe zet Nederland erop in dat deze definitie flexibel wordt, conform
eerdere Raadsconclusies?
Antwoord
Het kabinet zet er op in dat financiering door het ondersteuningsinstrument voor interne
veiligheid voor hybride dreigingen mogelijk blijft (zoals nu opgenomen in artikel
3 lid 1 (a) van het voorstel), maar dat er geen definitie van hybride dreigingen in
artikel 2 van de verordening wordt opgenomen. Dit om de flexibiliteit te behouden
die nodig is voor de evoluerende aard van deze dreiging, in lijn met de Raadsconclusies
over hybride dreigingen uit 20226. Nederland bepleit dit herhaaldelijk tijdens de besprekingen over het voorstel samen
met gelijkgezinde lidstaten.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de Minister ervan vindt dat de doelstelling,
weerbaarheid en bescherming kritieke entiteiten, te beperkt is uitgewerkt. Welke inzet
gaat de Minister kiezen om civiele weerbaarheid nadrukkelijker en breder vorm te geven?
Antwoord
Het kabinet vraagt aandacht voor de samenhang tussen de doelstellingen uit de EU-interne
veiligheidsstrategie en de strategie voor een Europese Paraatheidsunie en een sterke
en samenhangende Europese inzet op civiele weerbaarheid. Nederland bepleit dit herhaaldelijk
tijdens de besprekingen over het voorstel samen met gelijkgezinde lidstaten.
Daarnaast maakt Nederland zich in Europees verband hard voor betere samenwerking op
civiele weerbaarheid en heeft om dit een impuls te geven een weerbaarheidscoalitie
met gelijkgestemde lidstaten geïnitieerd. Ook bij de MFK-onderhandelingen met betrekking
tot civiele weerbaarheid trekken we gezamenlijk op.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de Minister de kans beoordeelt dat
bevolkingsdichtheid wordt toegevoegd aan de verdeelsleutel voor HOME-fondsen. Kan
de Minister al iets zeggen over de standpunten van andere lidstaten hierover?
Antwoord
De verdeelsleutel wordt op dit moment nog niet besproken, het is daarom nog niet mogelijk
een inschatting te geven over de haalbaarheid. Het lijkt erop dat er verschillende
lidstaten voorstellen voor de verdeelsleutel zullen doen. Het kabinet gaat niet in
op individuele standpunten van lidstaten.
Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat de NRPP-systematiek
tot extra administratieve lasten leidt voor politie, OM, NCTV en andere uitvoerders.
Antwoord
Het kabinet staat positief tegenover de performance-based werkwijze van het commissievoorstel voor het NRPP maar vindt ook dat stapeling van
administratieve lasten voor alle potentiële begunstigden – waaronder de politie, het
OM en de NCTV – moet worden voorkomen en het praktische uitvoerbaar blijft. Hierbij
is een proportionele verhouding tussen het ambitieniveau van beoogde hervormingen
en ontvangsten door lidstaten van belang.
Het NRPP bevat twee voorstellen om de opeenstapeling van audits tussen lidstaten en
de Europese Commissie te verminderen. Zo wordt ingezet op betere coördinatie van onderzoeken
van de Commissie en de nationale auditautoriteit. Daarnaast stelt de Commissie voor
dat zij, indien een lidstaat meewerkt in de versterkte samenwerking van het Europees
Openbaar Ministerie (EOM) en de Commissie van mening is dat het werk van de nationale
auditautoriteit betrouwbaar is, de Commissie zelf alleen het werk van de auditautoriteit
controleert. Het kabinet is voorstander van deze coördinatie om de administratieve
lasten te verminderen. Het kabinet is van mening dat Nederland robuuste controlesystemen
heeft die voldoende in staat zijn om de financiële belangen van de Unie te borgen.
Fiche: [MFK] Verordening Uniemechanisme en financiering paraatheid en noodsituaties
gezondheid
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Commissie het Uniemechanisme sterk wil uitbreiden,
inclusief een centrale EU-Hub voor crisiscoördinatie en een cross-sectorale paraatheidslaag.
Deze leden vragen waarom nog onduidelijk is hoe de nieuwe Hub zich verhoudt tot het
bestaande ERCC. Welke minimale randvoorwaarden stelt Nederland om doublures, bureaucratie
en rolvermenging te voorkomen? Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister de informatiebeveiliging
en operationele integriteit voldoende waarborgt.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan toelichten welke extra taken
het NCC en het toekomstige LOCC-KCR2 krijgen onder het nieuwe Uniemechanisme.
Antwoord
De Europese Commissie schetst in het voorstel de contouren van de EU-Hub als een versterking
van de bestaande coördinatiecapaciteit. Het ERCC blijft het operationele hart van
het Uniemechanisme. De Hub bouwt voort op het ERCC én heeft tot doel om de paraatheid,
anticipatie en sector-overstijgende samenwerking te verbeteren. De precieze organisatorische
relatie tussen enerzijds de Hub en anderzijds het ERCC wordt nu – tijdens de onderhandelingen
in de Raad van de Europese Unie – verder aangescherpt.
Het kabinet hecht aan heldere taakafbakening en het voorkomen van duplicering. Het
kabinet zet daarom in op het behoud van bestaande verantwoordelijkheden van nationaal
civiel-beschermingsinstanties en contactpunten. Coördinatie met het ERCC en de nieuw
op te richten EU-Hub dient volgens het kabinet te geschieden via vooraf afgestemde
procedures.
Het Commissievoorstel bevestigt dat de verantwoordelijkheid voor crisisbeheersing
primair bij de lidstaten blijft; de EU-rol is én blijft hierbij ondersteunend en coördinerend.
De komst van de Hub verandert niets aan deze uitgangspositie.
De coördinatie en informatie-uitwisseling binnen het Uniemechanisme verloopt via bestaande,
beveiligde EU-systemen zoals CECIS. De Commissie hanteert hierbij strikte beveiligingsstandaarden
en er is op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat de informatiebeveiliging
onvoldoende zou zijn geborgd. Nederland blijft dit vanzelfsprekend monitoren en spreekt
de Commissie zo nodig hierop aan. Wat betreft de operationele integriteit geldt dat
de inzet binnen het Uniemechanisme plaatsvindt volgens vastgestelde operationele standaarden.
Teams, experts, en capaciteiten functioneren onder duidelijke mandaten en kwaliteitsvereisten.
De Hub verandert niets aan deze bestaande waarborgen.
Onder de nieuwe UCPM-verordening blijft het NCC het enige nationale coördinatiepunt
voor het indienen van hulpvragen en voor de afstemming met het ERCC en, in de toekomst,
de Hub. De rol van het NCC verandert daarmee niet: het blijft verantwoordelijk voor
de nationale crisisstructuur en het nationale beleid. KCR2 (Knooppunt Coördinatie
Rijk-Regio; voorheen LOCC) blijft het verbindende platform voor landelijke en regionale
crisispartners. Het bundelt paraatheids- en ondersteuningscapaciteiten en vormt het
nationale schakelpunt voor logistieke en vrijwilligersteams. Ook deze rol blijft ongewijzigd
onder de komst van de Hub. Deze EU-ontwikkeling brengt dus geen nieuwe taken of verantwoordelijkheden
voor NCC of KCR2 met zich mee.
Fiche: EU-Voorradenstrategie
De leden van de CDA-fractie lezen dat de EU-Voorradenstrategie is gericht op toegang
tot essentiële goederen tijdens crises en dat Nederland een nationaal onderzoek naar
strategische voorraden start. Deze leden vragen hoe lokale omstandigheden, uitvoerbaarheid
en risico’s voor decentrale overheden worden meegenomen bij EU-besluiten over strategische
voorraden.
Antwoord
Het kabinet verwelkomt de EU-Voorradenstrategie van de Commissie en haar inzet voor
een sectoroverstijgend overzicht en coördinatie op de versnipperde initiatieven voor
het inrichten en optimaal exploiteren van strategische voorraden binnen de EU. De
strategie sluit nauw aan op de verdere versterking van het Nederlands weerbaarheidsbeleid
en de gezamenlijke inzet van de ministeriële weerbaarheidscoalitie.
De lokale omstandigheden, uitvoerbaarheid en risico’s voor decentrale overheden worden
hierin ook betrokken. Zoals eerder aan uw Kamer medegedeeld, is de Nederlandse inzet
op het gebied van weerbaarheid – zowel in EU als NAVO verband – dat rekening wordt
gehouden met de lokale omstandigheden en de uitvoerbaarheid van eventuele acties voor
decentrale overheden en veiligheidsregio’s. Overleggen op bestuurlijk niveau tussen
het ministerie en de veiligheidsregio’s en gemeentes zijn hierin een belangrijke schakel
om de uitvoerbaarheid te waarborgen.
De weerbaarheidsopgave omvat het beschermen van vitale processen, het versterken van
de veerkracht van de samenleving, het waarborgen van de democratische rechtsorde,
het bevorderen van een weerbare economie, het beschermen van het grondgebied en het
waarborgen van de civiele ondersteuning van de krijgsmacht. Alle departementen werken
op dit moment samen met medeoverheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke partijen
om de maatregelen ten behoeve van de weerbaarheid tegen hybride en militaire dreigingen
verder te concretiseren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
JBZ-Raad van 8 en 9 december in Brussel (algemeen). Deze leden hebben nog een aantal
vragen over.
De voorstellen voor het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 bevatten
drie sectorale initiatieven op het terrein van Justitie en Veiligheid. Een van de
voorstellen betreft het ondersteuningsinstrument interne veiligheid. Dit fonds richt
zich op de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, terrorisme, cybercriminaliteit
en hybride dreigingen, evenals op de versterking van informatie-uitwisseling en operationele
samenwerking tussen lidstaten. Nieuw is dat uitkeringen uit het fonds afhankelijk
worden van indicatoren, zoals de staat van IT-systemen voor informatie-uitwisseling
en de bescherming van kritieke infrastructuur. Kan de Minister toelichten hoe de verdeelsleutel
in dit voorstel precies vorm krijgt?
Antwoord
De verdeelsleutel voor de Home-Fondsen, waaronder het ondersteuningsinstrument interne
veiligheid, is onderdeel van het commissievoorstel voor het Nationale en Regionale
Partnerschapsplan (NRPP). De verdeelsleutel bestaat uit een vaste formule waarin de
grenzen, migratie, bevolking, oppervlakte en het Bruto Nationaal Inkomen worden gewogen.
Voor een gedetailleerde beschrijving van het voorstel verwijst het kabinet naar Annex
I van het NRPP voorstel7. Zoals gesteld in antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie is de verwachting
dat meerdere lidstaten alternatieve voorstellen zullen doen en kan dus nog niet met
zekerheid worden gezegd wat de uiteindelijke vorm van de verdeelsleutel wordt.
Dreigingsniveaus en risico’s verschillen immers aanzienlijk tussen lidstaten. Hoe
wordt in de verdeelsystematiek rekening gehouden met landen met specifieke risicoprofielen,
bijvoorbeeld vanwege de omvang van de economie, belangrijke logistieke knooppunten
of de aanwezigheid van grote havens?
Antwoord
Zie het antwoord op de vorige vraag. Het kabinet zal, wanneer de verdeelsleutel wordt
besproken, aandacht vragen voor het meenemen van bevolkingsdichtheid, luchthavens
en havens in de verdeelsleutel.
Het tweede voorstel betreft het Programma Justitie, dat samenwerking in civiele en
strafzaken, opleidingen en digitalisering ondersteunt. Het doel is een sterke rechtsstaat
en betere toegang tot recht, ook via digitale middelen.
Het derde voorstel gaat over het Uniemechanisme voor Civiele Bescherming (UCPM), een
Europees instrument dat lidstaten ondersteunt bij rampen en noodsituaties. Het voorstel
breidt het mechanisme uit met drie nieuwe elementen:
1. Responscapaciteit voor gezondheidscrises. Het UCPM kan sneller en gecoördineerd reageren
op bijvoorbeeld pandemieën of andere grootschalige gezondheidsnoodsituaties.
2. Anticipatie-instrumenten. Naast reactieve hulp worden nu ook middelen en processen
ontwikkeld om risico’s vooraf in kaart te brengen, voorraden aan te leggen en voorbereidingen
te treffen.
3. Civiel-militaire samenwerking. Het mechanisme zal zowel civiele als militaire capaciteiten
kunnen inzetten bij rampen, bijvoorbeeld bij evacuaties of logistieke ondersteuning.
De leden van de fractie-BBB vragen de Minister op het gebied van de civiel-militaire
samenwerking hoe dit praktisch wordt ingericht en welke gevolgen dit heeft voor nationale
besluitvorming. Heeft dit ook enige invloed op besluitvorming die plaatsvindt over
Nederlandse militairen?
Antwoord
Civiel-militaire samenwerking binnen het Uniemechanisme houdt in dat lidstaten, indien
zij dat wensen, ook militaire capaciteiten kunnen aanbieden ter ondersteuning van
civiele noodhulp en rampenbestrijding. Dit gebeurt al onder het huidige Uniemechanisme,
maar krijgt nu ook een juridische basis waardoor ook cofinanciering vanuit het Uniemechanisme
vergemakkelijkt wordt. Het aanbieden van militaire capaciteiten via het Uniemechanisme
is altijd vrijwillig geweest én geschiedt uitsluitend op basis van een zelfstandige
beslissing van de lidstaat. Onder de nieuwe UCPM-verordening verandert dit niet. Voor
Nederland blijven alle besluiten over inzet van civiele en militaire capaciteiten
volledig onder nationale regie en conform nationale procedures.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, adjunct-griffier