Brief regering : Uitkomsten Landelijke Openbaar Vervoer- en Spoortafel 14 mei 2025
23 645 Openbaar vervoer
Nr. 875 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 december 2025
Op 14 mei jl. vond de Landelijke Openbaar Vervoer- en Spoortafel (hierna: LOVS-tafel)
plaats. Tijdens dit overleg hebben mijn ambtsvoorganger, bestuurders van decentrale
overheden, (goederen)vervoerders, ProRail, Rijkswaterstaat en reizigersorganisaties
over de toekomst van het openbaar vervoer (OV) in Nederland gesproken en de vervolgopdracht
voor het programma Toekomstbeeld OV1 (hierna: TBOV) geaccordeerd. Met de vervolgopdracht werken we vanuit het OV-domein
mee aan de uitwerkingsprocessen van de Mobiliteitsvisie en de Nota Ruimte. Dit is
van belang omdat mobiliteit, waaronder het OV, een grote maatschappelijke functie
heeft, omdat het mensen in staat stelt om familie en vrienden, werk, en voorzieningen
te bereiken. Infrastructuur is daarnaast structurerend voor de ontwikkeling van de
verschillende delen van ons land en is één van de belangrijke randvoorwaarden voor
economische ontwikkeling. In de komende jaren zijn er keuzes te maken over hoe we
het OV vorm willen geven richting 2050. Met de vervolgopdracht voor het Toekomstbeeld
OV maken we deze keuzes inzichtelijk, binnen de kaders van de Mobiliteitsvisie en
de Nota Ruimte.
Uitgevoerd werk programma Toekomstbeeld Openbaar Vervoer
Sinds de start van het programma in 2015 zijn, gezamenlijk met de partijen van het
TBOV, verschillende inzichten opgeleverd. Tijdens de LOVS-tafel is hierop kort teruggeblikt.
De meest recente inzichten stammen uit de Situatieschets Toekomstbeeld Openbaar Vervoer
20402, die in januari 2024 aan de Kamer is gestuurd. In de Situatieschets is uiteengezet
hoe gewijzigde omstandigheden sinds 2019, zoals de coronapandemie en vergrijzing,
effect hebben op de OV-sector. Uit de Situatieschets zijn vier richtingen voor beleidsontwikkelingen
op hoofdlijnen geschetst. De keuze voor een richting is destijds aan een volgend kabinet
gelaten.
Het programma TBOV kent een aantal werkprogramma’s (zogenoemde werkstromen) die naar
specifieke thema’s kijken: Landelijke Netwerkuitwerking Spoor, OV-knooppunten, Bus
rapid transit (BRT) en Circulair OV. Deze werkstromen hebben recent onder andere de
volgende resultaten opgeleverd3:
• De werkstroom Landelijke Netwerkuitwerking Spoor heeft de rapportage Beleidsreferentie en doorgroeireferentie versie 20244 opgeleverd. De hierin gepresenteerde doorgroeireferentie-dienstregeling verlicht
vooral de druk op enkele treinen die volgens de Integrale Mobiliteitsanalyse 2021 steeds voller dreigen te worden. De doorgroeireferentie maakt voor de bouwprojecten
van nu en later duidelijk met welke toekomstige infrastructuureisen nu alvast rekening
kan worden gehouden.
• De werkstroom OV-knooppunten heeft het Handelingsperspectief OV-knooppunten5 opgeleverd. Het Handelingsperspectief is een document dat gemeenten en provincies
stapsgewijs kunnen doorlopen om OV-knooppunten in kaart te brengen. Huidige en toekomstige
ontwikkelingen worden in kaart gebracht, zodat medeoverheden gericht aan de slag kunnen
gaan met hun ambities op OV-knooppunten.
• In het kader van de werkstroom Bus rapid transit (BRT) zijn twee BRT-pilots van start
gegaan op de verbindingen Haarlem-Schiphol-Amsterdam en A50-Meierij (Noord-Brabant),
met behulp van € 2 miljoen Rijksfinanciering (amendement Minhas en Van Ginneken6). Daarnaast heeft het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) een vervolgonderzoek
opgeleverd naar BRT in Nederland: Met de bus de file voorbij? Hierin is ook gekeken naar het gebruik van doelgroepenstroken en hubs voor BRT-concepten.
• In het kader van de werkstroom Circulair OV is het Convenant Circulair Openbaar Vervoer in juni dit jaar ondertekend door de decentrale OV-autoriteiten, concessiehouders,
ProRail en het Ministerie van IenW. In het convenant zijn samenwerkingsafspraken op
gebied van circulair OV tussen deze partijen gemaakt. De afspraken richten zich op
kennisuitwisseling, onderzoek en innovatie. Hiermee is een belangrijke stap gezet
naar circulair OV.
Vervolgopdracht Toekomstbeeld Openbaar Vervoer
Vanaf medio 2024 hebben de partijen van het TBOV gewerkt aan een vervolgopdracht.
Met de vervolgopdracht werken we vanuit het OV-domein mee aan de Mobiliteitsvisie
en de Nota Ruimte. Dit doen we door inzichtelijk te maken hoe het OV zich stapsgewijs
richting 2050 kan ontwikkelen. Deze inzichten kunnen uiteindelijk opgenomen worden
in de uitwerkingsprocessen van de Mobiliteitsvisie en de Nota Ruimte.
De vervolgopdracht omvat op hoofdlijnen drie onderdelen (zie bijlage 1 voor een uitgebreide
beschrijving):
1. actief meewerken aan de uitvoering van het Bereikbaarheidspeil7 dat als onderdeel van de Mobiliteitsvisie wordt uitgewerkt en concretiseren van de
deelopgave voor het OV in de brede context van ruimtelijke ordening, voorzieningenbeleid
en een goede mobiliteitsmix richting 2050;
2. uitwerken wat de precieze opgave voor het OV richting 2050 onder de gewijzigde omstandigheden
kan zijn en welke richtinggevende uitspraken nodig zijn om hierin koersvast te opereren;
3. organiseren van een cyclische aanpak om in te kunnen spelen op ontwikkelingen met
innovaties en vernieuwingen.
Tijdens de LOVS-tafel is de vervolgopdracht afgesproken. Alle partijen benadrukten
daarbij dat een gezamenlijk gedragen beeld over de toekomst van het OV belangrijk
is. Daarnaast benadrukten alle partijen dat het wenselijk is om in de visievorming
voor het OV ook nadrukkelijk naar de samenhang met het beleid voor andere modaliteiten
en ruimtelijke ordening te kijken.
Vervolg
Samen met de partijen van het TBOV gaat het Ministerie van IenW de komende periode
aan de slag met de vervolgopdracht. De uitkomsten hiervan kunnen worden gebruikt als
basis voor een gesprek met de partijen en de Kamer over beleidskeuzes richting 2050.
Indien aan de orde wordt de Kamer geïnformeerd over (tussentijdse) resultaten van
de vervolgopdracht.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.A. Aartsen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat