Brief regering : Regeldruk en toezicht kinderopvang
31 322 Kinderopvang
Nr. 572
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 november 2025
De kinderopvang is belangrijk voor kinderen en hun ouders. In Nederland mogen we trots
zijn op een divers aanbod van kwalitatief hoogstaande kinderopvang. Hierdoor brengen
ouders hun kinderen met een gerust hart naar de kinderopvang die aansluit bij hun
behoefte. Om voldoende aanbod te houden, is ruimte voor ondernemerschap belangrijk.
Met deze brief zet ik in op het verminderen van regeldruk voor kinderopvangorganisaties.
Daarmee sluit ik aan bij de Rijksbrede ambitie van het kabinet.1 Hiermee voer ik ook een motie uit die verzoekt om een plan van aanpak voor vermindering
van regeldruk in de kinderopvang.2
Verder ga ik in deze brief in op de doorontwikkeling van toezicht en handhaving. Daarbij
bied ik eveneens de uitkomsten aan van het jaarlijks rapport van de Inspectie van
het Onderwijs (IvhO). Dit onderzoek gaat over de uitvoering van toezicht en handhaving
op de kinderopvang. Toezicht en handhaving zijn (net als regels) belangrijk om de
kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang te waarborgen en stimuleren. Tegelijkertijd
draagt het eraan bij dat kinderopvangondernemers regeldruk ervaren. De doorontwikkeling
van het toezicht kan bijdragen aan de kwaliteit van de kinderopvang én aan vermindering
van de ervaren regeldruk.
1. Verminderen regeldruk
In dit hoofdstuk beschrijf ik mijn inzet om regeldruk in de kinderopvang te verminderen.
Allereerst schetst paragraaf 1.1 de uitgangssituatie en het kader op basis waarvan
ik hierover afwegingen maak. In paragraaf 1.2 staat hoe ik input heb verzameld en
gesprekken heb gevoerd met sectorpartijen. Het doel daarvan was om te komen tot een
gedragen aanpak. Paragraaf 1.3 beschrijft de concrete maatregelen die ik neem.
1.1 Verminderen regeldruk, met behoud van kwaliteit
De kinderopvang moet een veilige plek zijn waar kinderen ruimte krijgen om zich te
ontwikkelen. In het belang daarvan staan in de Wet kinderopvang en lagere regelgeving
kwaliteitseisen. De huidige kwaliteitsregels zijn ingevoerd in 2018 met de Wet innovatie
en kwaliteit kinderopvang. De inhoud van de wet is gebaseerd op een convenant tussen
het Ministerie van SZW en de sectorpartijen van kinderopvangorganisaties, ouders en
pedagogisch professionals.
De regelgeving wordt doorlopend onderhouden en waar nodig herzien. Dit gebeurt in
overleg met de sectorpartijen. Mijn ministerie volgt de uitwerking van de eisen in
de praktijk. De afgelopen jaren zijn eisen aangepast waar zich knelpunten voordeden.
Zo is in 2022 tijdelijk de mogelijkheid verruimd om beroepskrachten in opleiding in
te zetten. In 2023 is de drie-uursregeling zo aangepast dat deze meer flexibiliteit
geeft voor de dagelijkse praktijk. Datzelfde geldt voor het vaste gezichtencriterium
in 2023 (ziek-en-piek-regeling) en 2024 (beroepskracht in opleiding inzetten als vast
gezicht). Verder zijn in 2024 drie wijzigingen doorgevoerd specifiek voor de buitenschoolse
opvang (bso): de mogelijkheid om andersgekwalificeerde medewerkers in te zetten, het
vereenvoudigen van kindercentrumoverstijgend opvangen en het berekenen van de beroepskracht-kindratio
per locatie in plaats van per groep.
Naast aanpassing van regels heb ik op andere manieren ingezet op verminderen van ervaren
regeldruk. Bijvoorbeeld door zoals toegezegd samen met GGD GHOR en de VNG te bezien
waar verbetering mogelijk was in de communicatie over het aanvraagproces om door de
gemeente te worden geregistreerd als (agrarische) kinderopvang.3 Inmiddels heb ik van de brancheorganisaties, waaronder de Verenigde Agrarische Kinderopvang,
begrepen dat zij het destijds geconstateerde knelpunt op dit moment niet meer zien
in de praktijk.
Om de kwaliteit en veiligheid te waarborgen zijn regels nodig. Zeker voor een kwetsbare
doelgroep, zoals de kinderen in de kinderopvang. Het is echter ook onontkoombaar dat
regels leiden tot regeldruk en de ruimte voor kinderopvangorganisaties beperken. Tegelijk
zet ik mij in om de toegankelijkheid van de kinderopvang zoveel mogelijk te bevorderen.
Met behoud van kwaliteit en veiligheid, zoals eveneens is uitgesproken door uw Kamer.4 Dat is voor mijn ministerie eveneens in de toekomst het kader voor aanpassingen van
kwaliteitseisen. Daarmee geef ik uitvoering aan de aankondiging van toenmalig Minister
van Gennip om te komen tot een kader voor toekomstige aanpassingen van de regels.5
1.2 Aanpak vermindering regeldruk
Mijn ministerie is in gesprek gegaan met sector- en toezichtpartijen, zoals verzocht
in de motie Welzijn c.s.6 Alle betrokken partijen steunen het uitgangspunt dat vermindering van regeldruk samen
moet gaan met behoud van kwaliteit en veiligheid. Ook bleek uit de gesprekken dat
de huidige regels daarvoor grotendeels noodzakelijk zijn.
Op de uitnodiging van mijn ministerie hebben enkele sectorpartijen een (beperkt) aantal
concrete suggesties gedaan om regeldruk te verminderen. Deze suggesties hebben we
besproken met alle sector- en toezichtpartijen. Veel voorstellen dragen bij nadere
bestudering niet bij aan het verminderen van de regeldruk en/of hebben naar verwachting
negatieve effecten op de kwaliteit en veiligheid. Op enkele onderwerpen zie ik naar
aanleiding van de gesprekken wél concrete mogelijkheden om regeldruk te verminderen.
Deze concrete maatregelen beschrijf ik in paragraaf 1.3.
Er zijn daarnaast andere praktijksignalen over regeldruk betrokken in de aanpak. Zoals
de monitor implementatie kwaliteitseisen kinderopvang. Dit jaar voerde Berenschot
een tweede meting van dit onderzoek uit. Met deze brief bied ik uw Kamer het rapport
aan. De monitor richt zich op praktijkervaringen met de kwaliteitseisen, in het bijzonder
de uitvoering van kwaliteitseisen die sinds 2022 zijn aangepast of ingevoerd. De onderzoekers
keken ook uitgebreid naar de niet-gewijzigde kwaliteitseisen. De uitkomsten van deze monitor heb ik betrokken bij de
afwegingen. Ik ben de vele ouders, pedagogisch professionals, beroepskrachten in opleiding,
locatiemanagers, toezichthouders en gemeenteambtenaren die hebben meegewerkt aan de
monitor zeer dankbaar. Aan het slot van deze brief ga ik in op afronding van deze
monitor.
1.3 Concrete maatregelen om regeldruk tegen te gaan
Uit de gesprekken met sector- en toezichtpartijen blijkt dat het ervaren van regeldruk
verschillende oorzaken kan hebben. Zo hebben ervaringen van regeldruk strikt genomen
niet altijd betrekking op de regelgeving zelf. In veel gevallen gaat het over onduidelijkheid
over de juiste uitleg van regels of zijn er verschillende ideeën over wat de regel
beoogt. In samenhang daarmee draagt de strikte toepassing van sommige regels in toezicht
en handhaving ook bij aan ervaren regeldruk. Ten slotte kan regeldruk zelfs ontstaan
door een onterecht beeld over een regel die in feite niet bestaat (dit noem ik spookregelgeving).
Wanneer wel de regel zelf ter discussie staat, is dat met uiteenlopende kritiekpunten.
Soms gaat het om de administratieve lasten, soms pakt de regel in specifieke situaties
uit op een ongewenste en soms onbedoelde manier.
Mijn aanpak voor het verminderen van regeldruk kent op basis hiervan drie actielijnen:
1. Schrappen of aanpassen regels
2. Tegengaan spookregelgeving
3. Bevorderen breed gedragen uitleg en toepassing van regels
Daarnaast zet ik bij de doorontwikkeling van het toezicht in op ruimte om in specifieke
situaties af te kunnen wijken van de regels. Zie hiervoor paragraaf 2.4.
1.3.1 Schrappen of aanpassen regels (actielijn 1)
Op vijf concrete onderwerpen zet ik in op een aanpassing van de regelgeving. Aanpassing
van deze regels lijkt kansrijk om regeldruk te verminderen. Bovendien lijkt een aanpassing
mogelijk zonder negatieve effecten voor de kwaliteit en veiligheid.
Het betreft de volgende onderwerpen:
1. Basisgroepen in de bso. Op de bso worden kinderen opgevangen in een basisgroep. In de praktijk leven veel
vragen over deze verplichting. Bijvoorbeeld of de regels nog aansluiten bij de behoefte
van kinderen. En of opvang in een basisgroep noodzakelijk is voor de stabiliteit en
daarmee bijdraagt aan de kwaliteit. Ik ga een wijziging voorbereiden om de regel te
schrappen dat een kind in een basisgroep opgevangen moet worden. Als onderdeel van
dit traject bekijk ik op welke andere manier het oorspronkelijke doel van deze regel
bereikt kan worden met behoud van kwaliteit. Daarvoor laat ik onderzoek uitvoeren
naar stabiliteit in de kinderopvang.
2. Verruimde inzet beroepskrachten in opleiding. Sinds 2022 mogen kinderopvangorganisaties meer beroepskrachten in opleiding inzetten
als beroepskracht op de groep. Dit is verhoogd naar 50% van de formatie op een kindercentrum
(eerst was dit 33%). Deze verruiming was tijdelijk en loopt (na twee verlengingen)
vooralsnog tot 1 juli 2026. Ik ben voornemens om de verruiming per 1 juli 2026 definitief
in te voeren. Er is immers nog steeds sprake van een personeelstekort in de kinderopvang,
wat de aanleiding vormde voor de verruiming. De verwachting is dat de personeelstekorten
voorlopig zullen aanhouden. Verruimde inzet geeft houders flexibiliteit tijdens pauzes
of bij ziekte van personeel en zij hoeven daardoor minder vaak groepen te sluiten.
Ook lijkt de impact op de werkdruk en kwaliteit beperkt. Goede begeleiding van de
beroepskracht in opleiding is daarvoor echter cruciaal. Ik roep houders op om daar
voldoende aandacht voor te hebben en om zorgvuldige afwegingen te maken over de inzet
van beroepskrachten in opleiding. Tijdens de uitwerking van de regeling, ga ik nog
in gesprek met sectorpartijen hoe we de zorgen rondom de inzet van beroepskrachten
in opleiding beter kunnen ondervangen. Ik vind het namelijk belangrijk om gezamenlijk
vast te stellen hoe we nog beter waarborgen dat we overbelasting bij beroepskrachten
in opleiding en pedagogisch professionals voorkomen. Daarenboven blijf ik de ervaringen
volgen.
3. Pedagogisch beleidsmedewerker. De waarde van de pedagogisch beleidsmedewerker/coach in de kinderopvang is onomstreden
en draagt bij aan de kwaliteit.7 De formulering van de regel en het toezicht daarop, draagt volgens velen echter niet
bij aan de effectiviteit. En zorgt voor onnodige regeldruk. De nadruk ligt meer op
de administratieve eisen, dan op het bijdragen aan effectieve coaching voor pedagogisch
professionals. Ik bekijk samen met de sector- en toezichtpartijen op welke manier
ik deze regel kan verbeteren en wat geschrapt kan worden.
4. Kinderen opvangen in een tweede stamgroep. Een kinderdagverblijf vangt kinderen op in een vaste stamgroep. Een tweede stamgroep
is in sommige situaties mogelijk als dit overeengekomen is tussen ouder en houder.
Er bestaat onduidelijkheid bij kinderopvangorganisaties en toezichthouders over de
interpretatie van deze regel. Bijvoorbeeld over wanneer een kind in een tweede stamgroep
mag worden opgevangen. De onduidelijkheid leidt tot onnodige regeldruk. Ik bekijk
hoe ik de onduidelijkheid over deze regel kan wegnemen. Op korte termijn kan het verduidelijken
wellicht via heldere communicatie over de beoogde interpretatie en toepassing. Ook
de uitkomsten van het genoemde onderzoek naar stabiliteit betrek ik bij een mogelijke
aanpassing van deze regelgeving.
5. Mentorschap. Ieder kind op de kinderopvang heeft een mentor. De mentor volgt de ontwikkeling
van het kind en bespreekt dit waar nodig met ouders. Kinderopvangorganisaties zijn
daarom verplicht ouders te informeren wie de mentor van hun kind is. Daarnaast moeten
kinderopvangorganisaties het kind hierover informeren. Voor kinderen op de bso vind
ik dat belangrijk, maar op de dagopvang is dit bij jonge kinderen niet logisch en
werkbaar. Kleine kinderen kunnen weinig met deze informatie. Voor hen is het belangrijk
dat er een vertrouwde beroepskracht op de groep aanwezig is, niet wie de mentor is.
Daarom ben ik van mening dat deze regel geschrapt kan worden voor de dagopvang en
zal ik dat in gang zetten.
De komende periode werk ik uit of en hoe een aanpassing van bovengenoemde regels vorm
kan krijgen. Dat doe ik in nauwe samenspraak met de sector- en toezichtpartijen in
de kinderopvang. Dit draagt mede bij aan het verminderen van verschillen in het toezicht.8 Ik informeer uw Kamer medio 2026 over de stand van zaken en planning.
De bovenstaande maatregelen neem ik aanvullend op de regeldrukverminderingen die ik
voor de gastouderopvang reeds in gang heb gezet.9 De wijzigingen voor de gastouderopvang worden van kracht per 1 januari en deels 1 juli
2026.
Zoals gezegd in paragraaf 1.2 hebben sectorpartijen meer voorstellen gedaan om regelgeving
aan te passen. Na nadere bespreking, bleek er geen breed draagvlak en vind ik de voorgestelde
aanpassingen onwenselijk. In die gevallen leidt de regel niet tot onnodige regeldruk
en/of kan deze niet worden aangepast zonder onwenselijke risico’s voor de kwaliteit
of veiligheid. De volgende drie suggesties neem ik daarom niet over: het kunnen inzetten
van BOL-stagiairs als vaste beroepskracht van een kind, het niet langer bijhouden
van welke kinderen en medewerkers aanwezig zijn, en verdere uitbreiding van de 50%
inzet van beroepskrachten in opleiding aan de randen van de dag.
Tot slot zijn er drie onderwerpen aangekaart waarbij de regel in algemene zin niet
ter discussie staat, maar in zeer specifieke situaties toch onwenselijk kan uitpakken.
Hiervoor verken ik of ik het knelpunt kan wegnemen door meer ruimte te bieden voor
afwijking van de regel in specifieke situaties. Het eerste onderwerp is de verplichting
om een oudercommissie in te stellen, wanneer de kinderopvangorganisatie geen ouders
bereid vindt om hieraan deel te nemen. Het tweede onderwerp is dat de vereisten aan
de binnenspeelruimte niet werkbaar en logisch zijn voor specifieke bso-concepten zoals
de buiten-bso.10
Het derde onderwerp is de verplichting dat op ieder kindercentrum een EHBO’er aanwezig
is, ook wanneer een kleine dagopvang en kleine bso van dezelfde houder in hetzelfde
(of een aangrenzend) pand zitten (dit zijn formeel twee kindercentra). De verkenning
om in dergelijke specifieke situaties meer ruimte te bieden aan houders om af te wijken
van de regel licht ik toe in paragraaf 2.4.
1.3.2 Tegengaan spookregelgeving (actielijn 2)
In de inventarisatie zijn daarnaast regels aangekaart die worden ervaren als regeldruk,
die bij nadere bestudering niet (of niet op de veronderstelde manier) blijken te bestaan.
Dit fenomeen van «spookregelgeving» doet zich ook regelmatig voor bij werkbezoeken,
andere gesprekken en in mediaberichtgeving. Ik vind het belangrijk om deze te benoemen
om hiermee duidelijkheid te geven.
Ik noem enkele voorbeelden:
1. Eén van de sectorpartijen deed de suggestie om de verplichte oudervragenlijsten te
vervangen door korte digitale vragenlijsten. Dat vind ik een sympathiek voorstel,
maar de regelgeving voor kindercentra kent geen verplichting over oudervragenlijsten.
2. In mediaberichtgeving is soms gesteld dat het vierogenprincipe in de kinderopvang
betekent dat er altijd twee pedagogisch professionals op de groep aanwezig moeten
zijn. De werkelijke regel luidt dat een volwassene altijd gezien of gehoord moet kunnen
worden door een andere volwassene. Dit kan een kinderdagverblijf op allerlei manieren
invullen (denk aan camera’s of doorkijkjes vanaf de gang).
3. Bij een recent werkbezoek kregen mijn ambtenaren het signaal dat voor speeltoestellen
in de kinderopvang strengere regels gelden dan in het onderwijs. Dit is niet het geval.
De eisen aan speeltoestellen verschillen logischerwijs per leeftijd, maar zijn onderworpen
aan dezelfde regels in het onderwijs als in de kinderopvang.
Spookregelgeving vind ik schadelijk voor de kinderopvang. Dergelijke verhalen dragen
bij aan een onterecht beeld dat er sprake is van allerlei onnodige regels in de kinderopvang.
Dit beeld kan ervoor zorgen dat de kinderopvang minder aantrekkelijk lijkt om in te
starten als ondernemer of pedagogisch professional. Ik roep ook sectorpartijen op
om de kinderopvang te ondersteunen bij het begrijpen en toepassen van regelgeving.
Door hierin als ministerie en sectorpartijen gezamenlijk op te trekken, dragen we
bij aan het verminderen van (ervaren) regeldruk in de kinderopvang.
1.3.3 Bevorderen breed gedragen uitleg en toepassing van regels (actielijn 3)
Veel regeldruk die in de kinderopvang wordt ervaren komt niet voort uit de regelgeving,
maar uit hoe het toezicht door de GGD wordt ervaren. Dit geldt voor een deel van de
knelpunten die sectorpartijen hebben ingebracht.
Soms ervaren kinderopvangorganisaties dat verschillende GGD’en een andere uitleg of
toepassing van de regelgeving hanteren (bijvoorbeeld bij het pedagogisch beleidsplan).
In andere gevallen vinden kinderopvangorganisaties dat de toezichthouder zich te veel
richt op naleving van de letter van de wet en onvoldoende rekening houdt met het achterliggende
doel (bijvoorbeeld bij veiligheids- en gezondheidsbeleid).
Eveneens komt het voor dat houders niet duidelijk onderbouwen wat de achterliggende
gedachte is bij keuzes die zij maken in de toepassing van regelgeving.
De onderwerpen in deze categorie wil ik voorleggen in het Operationeel Overleg Kinderopvang.
Dat is een landelijk periodiek overleg tussen toezichtpartijen en sectorpartijen kinderopvang.
Mijn ministerie neemt deel aan deze gesprekken wanneer dat nodig is en houdt de vinger
aan de pols of dit de ervaren knelpunten wegneemt. Op een aantal onderwerpen loopt
dit gesprek al.
2. Doorontwikkeling toezicht en handhaving
Regels zijn niet het enige instrument om de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang
te bewaken. Het toezicht daarop is net zo belangrijk. Daarom wil ik zoals eerder aangekondigd
inzetten op de doorontwikkeling van het toezicht.11 De doorontwikkeling bestaat uit verschillende trajecten en hangen met elkaar samen.
De inzet op stimulerend toezicht is daarbij leidend. Ik geef hieronder aan hoe de
andere trajecten ondersteunend hieraan zijn.
In paragraaf 2.1 beschrijf ik eerst de stand van zaken op het gebied van toezicht
en handhaving. Paragraaf 2.2 gaat over de reflectieve functie. Paragraaf 2.3 beschrijft
de ontwikkeling naar meer stimulerend toezicht. Paragraaf 2.4 over ruimte om af te
wijken van regels. En paragraaf 2.5 over houdertoezicht. In paragraaf 2.6 ga ik in
op het vervolg.
2.1 Stand van zaken toezicht en handhaving
Toezicht en handhaving in de kinderopvang zijn decentraal georganiseerd. Gemeenten
zijn opdrachtgever van GGD’en, die het toezicht uitvoeren. De GGD’en houden eveneens
toezicht op de basisvoorwaarden voor de kwaliteit van de voorschoolse educatie. Op
basis van hun bevindingen geven GGD’en indien nodig een handhavingsadvies aan gemeenten.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de handhaving. De IvhO houdt interbestuurlijk
toezicht op hoe de gemeenten invulling geven aan hun toezicht- en handhavingstaak.
De IvhO doet hiernaar jaarlijks onderzoek. Hierbij bied ik u het rapport van de IvhO
met bevindingen over 2024 en 2025 aan. Het rapport gaat over de gemeentelijke taken
kinderopvang, het onderwijsachterstandenbeleid en onderwijs aan nieuwkomers. De bevindingen
op het terrein van de kinderopvang zijn:
• De IvhO constateert dat het percentage locaties waar GGD’en overtredingen constateren,
stabiel is. Als er overtredingen zijn, worden deze vaak met een herstelaanbod op korte
termijn opgelost.
• Na een handhavingsmaatregel is in verreweg de meeste gevallen sprake van herstel.
Slechts 16% van de tekortkomingen was bij het eerstvolgend onderzoek (nog) niet hersteld.
De IvhO benadrukt het belang van herhalend handhaven.
• De wijzigingen in kwaliteitseisen in 2023 en 2024 (zie paragraaf 1.1) hebben geleid
tot een stijging van tekortkomingen op die eisen. Op basis van eerdere ervaringen
is de verwachting dat dit een tijdelijke stijging is. Houders implementeren wijzigingen
in kwaliteitseisen niet altijd meteen juist. Veel van deze tekortkomingen zijn snel
hersteld.
Over het geheel genomen constateer ik met de IvhO dat gemeenten hun taken naar behoren
uitvoeren. Dit rapport en eerdere onderzoeken12 laten zien dat het stelsel van toezicht en handhaving voldoende functioneert en op
onderdelen effectief is. Ik zie wel ruimte voor verbetering en doorontwikkeling. Hiervoor
heb ik vorig jaar een aantal acties aangekondigd13:
• ontwikkeling reflectieve functie van toezicht en handhaving;
• ontwikkeling van waarborgend toezicht naar stimulerend toezicht;
• verkenning van mogelijkheden om ruimte te bieden om af te wijken van de regels («comply
or explain»); en
• verkenning van toezicht op houderniveau (naast locatieniveau).
2.2 Stand van zaken reflectieve functie
Ik heb ingezet op de ontwikkeling van de reflectieve functie van toezicht en handhaving.
Dit met als doel het ontsluiten van de informatie vanuit toezicht en handhaving op
landelijk niveau die toezichthouders, beleidsmakers en de sector zelf kunnen benutten.
De VNG en GGD GHOR Nederland hebben hiervoor in 2024 en 2025 stappen gezet. Er is
een eerste pilot uitgevoerd waarin waardevolle lessen zijn opgedaan. Zo bieden de
huidige inspectierapporten veelal onvoldoende informatie voor bredere reflectie op
risico’s en signalen uit de praktijk. Daarnaast dienen voor een goede invulling van
de reflectieve functie landelijke data over toezicht en handhaving breder beschikbaar
te zijn. Ik waardeer de opgedane ervaringen en ondersteun de inzichten. De komende
jaren gaan de VNG en GGD GHOR Nederland door met de ontwikkeling van de reflectieve
functie van toezicht totdat het is ingebed als standaard onderdeel van toezicht.
2.3 Ontwikkeling naar stimulerend toezicht
Toezicht dient zich niet te beperken tot controle op de naleving van de regels maar
ook gericht te zijn op het stimuleren van kwaliteitsverbetering. De toezichthouder
stimuleert dat de houder bijvoorbeeld een goede kwaliteitscyclus heeft. De inzet is
gericht op preventie, duurzaam herstel, verbetering van het kwaliteitsbeleid, continu
leren en de intrinsieke motivatie tot kwaliteitsverbetering. Het goede gesprek tussen
houder en toezichthouder staat daarbij centraal.
Toezichthouders kunnen nu al stimulerend toezicht houden. Veel GGD’en hebben deze
beweging al ingezet. Toezichthouders voeren bijvoorbeeld gesprekken met houders over
hoe zij hun kwaliteitsbeleid inrichten en kunnen verbeteren. Dit vind ik een goede
ontwikkeling. In 2026 wordt bepaald welke verdere maatregelen nodig zijn om alle toezichthouders
en gemeenten te ondersteunen en toe te rusten om goed uitvoering te geven aan stimulerend
toezicht. Een voorbeeld hiervan is aanpassing van het opleidingsaanbod. Verder bekijk
ik in 2026 in hoeverre een aanpassing van wet- of regelgeving nodig is.
2.4 Uitkomst verkenning ruimte om af te kunnen wijken van de regels
Zoals genoemd wordt een deel van de regeldruk niet veroorzaakt door regelgeving, maar
door hoe het toezicht wordt ervaren.
Houders ervaren de beoordeling van sommige kwaliteitseisen door de toezichthouder
als (te) strikt. Tegelijkertijd ervaren toezichthouders door de regelgeving beperkte
ruimte in het omgaan met overtredingen. Dit beperkt hen in de uitvoering van stimulerend
toezicht.
Dit jaar is verkend in welke situaties er bij houders, toezichthouders en gemeenten
behoefte is om af te kunnen wijken van de regels zonder dat dit leidt tot kwaliteitsverlies
(comply or explain). Er zijn bijeenkomsten met sector- en toezichtpartijen, individuele
houders, toezichthouders en gemeenten georganiseerd om voorbeeldsituaties uit de praktijk
te verzamelen. Het gaat hierbij om:
• structurele situaties waarbij houders vaak om fysieke redenen afwijken van de kwaliteitseisen. Een voorbeeld
is de natuur-bso die afwijkt van de eisen voor binnenruimte;
• incidentele situaties die ad hoc ontstaan door onvoorziene omstandigheden. De voorbeelden hierbij zijn
zeer divers.
Daarnaast zijn situaties genoemd die betrekking hebben op bijvoorbeeld gecombineerde
peuter-kleutergroepen of de eisen voor voorschoolse educatie waarvoor de Staatssecretaris
Funderend Onderwijs en Emancipatie en ik al andere (wetgevings)trajecten in gang hebben
gezet.14
2.4.1 Ontheffingsbevoegdheid gemeenten
Voor de structurele situaties wil ik de mogelijkheid uitwerken om een ontheffingsbevoegdheid
voor gemeenten mogelijk te maken. Gemeenten kunnen dan een (tijdelijke) ontheffing
verlenen aan de houder als deze goed onderbouwt waarom hij wil afwijken van kwaliteitseisen.
Daarbij zal als randvoorwaarde moeten gelden dat de veiligheid en kwaliteit gewaarborgd
blijft.
Een ontheffingsbevoegdheid voor gemeenten biedt ruimte voor houders voor innovatie;
het maakt het mogelijk om kinderopvang op onderdelen anders aan te bieden. Dat draagt
bij aan verrijking van het aanbod. Gemeenten zouden met deze maatregel situaties die
nu worden gedoogd, kunnen legaliseren. Dat bevordert transparantie en ontstaat er
overzicht.
Daarbij sluit een ontheffingsbevoegdheid aan bij bestaande bevoegdheid van gemeenten
om aanvragen voor exploitatie van een kinderopvangvoorziening te beoordelen. Het uitbreiden
van de bevoegdheden van gemeenten en mogelijk ook de taken van de GGD’en brengt hogere
uitvoeringskosten met zich mee. Bovendien bestaat er een risico dat gemeenten hier
verschillend mee omgaan. Deze punten en de mogelijke oplossingen werkt mijn ministerie
samen met de toezichtpartijen in 2026 nader uit. Over deze punten, waaronder dekking
voor meerkosten tijdens de voorjaarsbesluitvorming, moet eerst duidelijkheid zijn
voor ik kan beslissen. Deze bevoegdheid vergt wetswijziging.
2.4.2 Aanpassen noteren overtredingen door toezichthouder
Een deel van de ervaren regeldruk komt voort uit de verplichting om elke overtreding
in het rapport op te nemen, bij een enkele incidentele overtreding die niet van invloed
is op de kwaliteit. Om meer ruimte te kunnen bieden in deze situaties overweeg ik
om de verplichting van de toezichthouder om alle overtredingen te noteren (art. 1.63,
tweede lid Wko) aan te passen. De toezichthouder kan dan afwegen om al dan niet een
overtreding te noteren, hierbij rekening houdend met redelijkheid en proportionaliteit.
Dit biedt ook ruimte voor stimulerend toezicht
Dit vraagt wel andere competenties van toezichthouders, bijvoorbeeld op het gebied
van oordeelsvorming. Zij dienen hiervoor scholing te volgen. Dit brengt mogelijk incidentele
kosten met zich mee.
2.5 Uitkomst verkenning houdertoezicht
Samen met sector- en toezichtpartijen is verkend wat de meerwaarde is van toezicht
op het niveau van de houder (hierna: houdertoezicht) naast het toezicht op niveau
van de locatie. Dit idee is niet nieuw. Nu al voeren veruit de meeste GGD’en al dan
niet samen met gemeenten, gesprekken met houders in hun regio. Dit gebeurt echter
nog niet met alle houders en niet op structurele basis.
Uit de verkenning komt naar voren dat houdertoezicht voordelen biedt. Het voorkomt
dubbele beoordeling: hetzelfde beleidsplan dat voor alle locaties van een houder geldt,
hoeft nog maar één keer beoordeeld te worden. Dit zorgt voor vermindering van ervaren
regeldruk bij locaties. Daarbij biedt het beter zicht op (beleid over) kwaliteit en
veiligheid van organisaties en kunnen overtredingen worden voorkomen.
Ook sluit houdertoezicht goed aan bij mijn doel om meer stimulerend toezicht mogelijk
te maken. Het gesprek tussen houder en toezichthouder kan gebruikt worden voor verdere
kwaliteitsverbetering.
Ik wil hierbij wel oog houden voor de kleinere houders. Voor hen zit de meerwaarde
in bijvoorbeeld informatie over nieuwe wetgeving. Daarbij ben ik voornemens voor deze
kleinere houders de eventuele lasten zoveel mogelijk te voorkomen, bijvoorbeeld door
de mogelijkheid deze niet jaarlijks te bezoeken. Tot slot, houdertoezicht brengt kosten
met zich mee. Deze dienen in kaart gebracht te worden en hier dient dekking voor te
worden gevonden voordat hierover kan worden besloten.
2.6 Vervolg op verkenningen
De sector- en toezichtspartijen die betrokken waren bij de verkenningen steunen bovenstaande
uitkomsten. Ook ik sta er positief tegenover en wil de voorstellen in 2026 verder
uitwerken. Ik merk hierbij op dat ik nog niet kan besluiten over daadwerkelijke invoering
van de maatregelen. Daarvoor is meer inzicht nodig in de juridische en financiële
consequenties. Vanwege de budgettaire effecten vergt dit budgettaire dekking en een
integrale weging tijdens de voorjaarsbesluitvorming.
Vooruitlopend hierop moedig ik GGD’en aan waar mogelijk afspraken te maken met gemeenten
over stimulerend toezicht en om meer houdergesprekken te voeren. GGD GHOR Nederland
stelt in 2026 een handreiking op.
3. Tot slot
In deze brief kondig ik concrete acties aan om regeldruk te verminderen en om toezicht
en handhaving te verbeteren. Ik informeer uw Kamer in de loop van 2026 over de voortgang
van deze maatregelen.
In deze brief heb ik verwezen naar de monitor van kwaliteitseisen die de afgelopen
twee jaar is uitgevoerd. Deze monitor heeft veel informatie geleverd die ik verder
kan benutten in het beleid voor kwaliteit en veiligheid en eventueel beperken van
de regeldruk. Voor de meeste maatregelen laat het rapport van deze tweede meting een
stabiel beeld zien ten opzichte van de eerste meting in 2024. Om die reden is voor
een derde meting op korte termijn geen aanleiding. In de kwaliteitseisen voor gastouderopvang vinden in 2026 meerdere veranderingen plaats; daarvoor start in het voorjaar van
2026 een nieuwe monitor.
Ik blijf met de sector- en toezichtspartijen in gesprek over mogelijkheden om regeldruk
te verminderen, met behoud van kwaliteit en veiligheid voor de kinderen.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.N.J. Nobel
Indieners
-
Indiener
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid