Brief regering : Beleidsreactie op rapport ‘Praktijkvalidatie van het CIGR-model voor CO2-productie in stallen met lacterende HF-melkkoeien’
28 973 Toekomst veehouderij
35 334
Problematiek rondom stikstof en PFAS
Nr. 284
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 november 2025
Hierbij bied ik u het recent door Wageningen Livestock Research (WLR) afgeronde onderzoek
Praktijkvalidatie van het CIGR-model voor CO2-productie in stallen met lacterende HF-melkkoeien aan. Om de beleidsdoelstellingen rondom stikstof en klimaat in de melkveehouderij
te kunnen realiseren, zijn betrouwbare meetmethodes nodig om emissies uit stallen
vast te stellen. In het bijgevoegde rapport beschrijft WLR de uitkomsten van de validatie
van een veel gebruikte methode om de stalventilatie van open melkveestallen te kunnen
bepalen.
In deze brief ga ik in op de uitkomsten van het onderzoek en schets ik, mede namens
de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), de mogelijke gevolgen
van de uitkomsten van dit onderzoek. Tevens ga ik in op de lopende en te nemen acties
om, waar nodig, die gevolgen nader te duiden.
Samenvatting en toelichting bij het rapport
Om emissie van ammoniak uit stallen te kunnen bepalen, zijn twee zaken nodig. Enerzijds
de concentratie van ammoniak in de stal en anderzijds de ventilatie van de stal, oftewel
de hoeveelheid lucht die door de stal gaat. Op basis van deze gegevens kan berekend
worden hoeveel ammoniakemissie er uit een stal komt, namelijk door de concentratie
te vermenigvuldigen met de hoeveelheid ventilatie. Gesloten stallen worden doorgaans
mechanisch geventileerd waardoor het mogelijk is de ventilatie te bepalen via de ventilator.
De stalventilatie bij open melkveestallen wordt bepaald met een internationaal gebruikte
methode van de Internationale Commissie voor Landbouw- en Biosysteemtechniek (CIGR).
Bij deze methode wordt CO2 gebruikt als tracergas, wat betekent dat het ons wat vertelt over het verlies van
andere gassen uit stallen. De CO2-productie in de stal wordt berekend aan de hand van de dier- en mestkenmerken. Vervolgens
wordt de CO2-concentratie gemeten binnen en net buiten de stal. Met het verschil in CO2-concentratie wordt de ventilatie bepaald.
Voor melkvee was de CIGR-methode echter nog nooit vergeleken met de mechanische ventilatie
(praktijkvalidatie). WLR heeft dit onderzoek nu uitgevoerd op onderzoekscentrum Dairy
Campus in Leeuwarden. De stallen van de Dairy Campus kunnen namelijk ook mechanisch
worden geventileerd, waardoor de vergelijking mogelijk was. Het onderzoek is uitgevoerd
in twee stallen van de Dairy Campus, waarbij de omstandigheden representatief zijn
voor het grote merendeel van de Nederlandse melkveehouderij.
Uit de uitgevoerde praktijkvalidatie blijkt dat met de indirecte CIGR-methode de CO2-productie van lacterende melkkoeien met 16% wordt onderschat ten opzichte van de
(mechanische) afzuiging. De afwijking van de CO2-productie is waarschijnlijk het gevolg van een ontwikkeling in de eerder genoemde
dierkenmerken zoals gewicht, melkproductie en dieractiviteit gedurende de afgelopen
25 jaar.
De werkelijke ventilatie van de stallen die onderzocht zijn, is dus 16% hoger dan
op basis van het CIGR-model werd aangenomen. Dit betekent dat de ammoniak- en methaanemissie
van de melkveestallen ook 16% hoger is, aangezien de emissie van ammoniak en methaan
toeneemt met hetzelfde percentage waarmee de ventilatie toeneemt. WLR zal de uitkomsten
van dit onderzoek ook verwerken in een wetenschappelijk artikel ten behoeve van publicatie,
zodat de uitkomsten ook beschikbaar komen voor de internationale wetenschap.
Beleidsreactie op hoofdlijnen
Het is van belang dat meet- en berekenmethodes betrouwbaar zijn én blijven. Daarom
is het goed dat deze praktijkvalidatie is uitgevoerd. De uitkomst van de praktijkvalidatie
betekent dat de ammoniakemissies uit melkveestallen waarschijnlijk met 16% zijn onderschat.
Het aandeel van de ammoniakemissie uit de melkveehouderij wordt hiermee hoger dan
eerder aangenomen werd. Aangezien de ammoniakemissie in de melkveehouderij voor ongeveer
50 procent uit de stal komt en 50 procent van het veld, zal de ammoniakemissie van
de melkveehouderij grofweg 6 tot 9 procent hoger worden dan eerder aangenomen.
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat deze conclusie voor een paar zaken geen
invloed heeft, namelijk:
– De uitkomsten van dit onderzoeken zeggen niets over de effectiviteit van emissiearme
stalsystemen en technieken. Het is waarschijnlijk dat zowel ammoniakemissie uit traditionele
stallen (de stal zonder emissiearme techniek) als uit emissiearme stallen 16% te laag
zijn ingeschat. Het blijft verstandig om in te zetten op effectieve, emissie-reducerende
stalsystemen en – technieken in de melkveehouderij, waar die ten opzichte van traditionele
stallen voor melkrundvee een lagere emissie veroorzaken.
– De stikstofdepositie (neerslag) op de Natura 2000-gebieden, en de daarbij horende
effecten op de natuur, zal in de praktijk niet veranderen. Deze emissie uit melkveestallen
was er immers al. Ook de berekende stikstofdepositie, zoals gerapporteerd in de Monitor
stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden, zal niet tot nauwelijks veranderen. Deze
berekening wordt gekalibreerd aan ammoniakconcentratiemetingen van het RIVM in de
buitenlucht; deze zijn leidend en deze metingen veranderen niet omdat de werkelijke
emissie gelijk blijft. Er zal wel een verschuiving plaatsvinden binnen de totale depositie,
de (percentuele) bijdrage van de melkveesector is groter dan eerder toegerekend.
– Voor methaan veranderen er geen emissiefactoren omdat daar de emissies op voer- of
dierniveau zijn vastgesteld en gemeten, deze worden niet op stalniveau uitgedrukt.
Wel valt te voorzien dat de uitkomsten van deze praktijkvalidatie effect zullen hebben
op het vaststellen van de bedrijfsspecifieke emissienormen alsmede op de invulling
van de emissiereductieopgave van 42–46% die dit kabinet heeft gesteld. Uiteraard zal
daarbij ook de referentiesituatie van 2019 die voor deze opgave geldt worden herzien.
De precieze effecten van dit geheel worden nader wetenschappelijk inzichtelijk gemaakt.
Het is de inschatting dat het nationale emissieplafond 2030 uit de Europese richtlijn
voor nationale plafonds voor emissie naar de lucht (NEC-richtlijn) niet in gevaar
komt door de uitkomsten van dit onderzoek.
Als de Staatssecretaris van IenW de emissiefactor van bepaalde stalsystemen verhoogt,
kan dit ook relevant zijn voor de nog openstaande verplaatsingsregeling1 (zie hieronder bij «Advies TAP»). Een veehouder die eerder niet voldeed aan de gestelde
drempelwaarde stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura-2000 gebied om in aanmerking
te komen voor de verplaatsingsregeling kan met een aangepaste emissiefactor namelijk
wel boven de drempelwaarde uitkomen terwijl dit eerder niet het geval was. Voor de
verplaatsingsregeling ga ik daarom onderzoeken hoe hier mee om te gaan.
Vervolgstappen
Om een gedetailleerder inzicht te krijgen in de gevolgen van dit onderzoek voor het
beleid, waarbij de focus ligt op de ammoniakemissie en daarmee samenhangend het stikstofbeleid
en vergunningverlening, heb ik een aantal adviezen gevraagd aan verschillende wetenschappelijke
commissies.
Advies TAP
In het rapport wordt geschetst dat een groot deel van de emissiefactoren voor emissies
uit emissiearme stallen en «overige huisvesting» (traditionele stal) die in bijlage
V van de Omgevingsregeling staan voor melkrundvee, gebaseerd is op het originele CIGR-model.
Voor al die emissiefactoren en de emissiefactor van de referentiestal geldt dat er
een grote kans is dat deze onderschat zijn. Ik heb dit rapport daarom gedeeld met
de Staatssecretaris van IenW, die verantwoordelijk is voor de milieuwetgeving, inclusief
het vaststellen van de emissiefactoren voor de emissies van ammoniak (en fijnstof)
uit stallen. De emissiefactoren zijn onderdeel van het stelsel van de Omgevingswet
en van belang voor de vergunningverlening van milieubelastende activiteiten. Om inzichtelijk
te krijgen wat de gevolgen van de uitkomsten van dit onderzoek zijn voor deze emissiefactoren
heeft de staatsecretaris van IenW de TAP om advies gevraagd2. Afhankelijk van het advies van de TAP zal de Staatssecretaris van IenW beoordelen
of de bestaande emissiefactoren voor emissiearme stallen voor melkrundvee in bijlage
V van de Omgevingsregeling moeten worden bijgesteld. Dit kan eveneens invloed hebben
op de emissiegrenswaarde voor de emissie van ammoniak uit melkrundveestallen uit het
Besluit activiteiten leefomgeving.
In de Kamerbrief van 25 november 20223 is geconcludeerd dat bij de aanvraag van een natuurvergunning emissiefactoren onvoldoende
basis bieden voor de berekening van de stikstofdepositie. De huidige emissiefactoren
worden dus al niet meer direct gebruikt voor het verlenen van een natuurvergunning:
voor het verlenen van natuurvergunningen voor emissiearme stalsystemen is een passende
beoordeling nodig.
Uw Kamer wordt in het eerste helft van 2026 nader geïnformeerd over het TAP-advies
en de mogelijke vervolgstappen.
Taakgroep Landbouw van de Emissieregistratie
Voor de landbouw worden de landelijke emissies bepaald op basis van berekeningen.
De emissiefactoren (zoals voor melkveestallen) die worden gebruikt voor deze berekeningen
worden op basis van wetenschappelijke onderzoek en expertise bepaald in de Taakgroep
Landbouw van de Emissieregistratie. De resultaten van dit onderzoek worden voor het
eerst meegenomen bij de emissieberekeningen over het jaar 2025 die eind 2026 uitkomen.
Te voorzien is dat deze uitkomsten dan hoger zullen uitvallen als gevolg van dit onderzoek.
Advies Commissie Deskundigen Meststoffenwet
Voor de mestwetgeving heeft dit onderzoek naar verwachting weinig consequenties. De
factor om de mestproductie te corrigeren voor de gasvormige verliezen wordt berekend
uit het verschil tussen de N/P-verhouding in de excretie en de bemonsterde mest. Daar
heeft dit onderzoek dus geen invloed op. Er is op dit moment wel een discrepantie
tussen de N-verliezen, die volgens bovenstaande methode worden berekend en de emissieberekeningen
van Emissieregistratie. Dit rapport zou dat verschil mogelijk deels kunnen verklaren.
Ik vraag de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) nader advies op dit punt. De
verhoging van de stalemissies zal ook beperkt effect hebben op de berekende veldemissies.
Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van de gevraagde adviezen van de TAP, de
Taakgroep landbouw en de CDM. Deze zijn van belang om te kunnen beslissen of en zo
ja, welke aanvullende stappen nodig zijn ten aanzien van het stikstofbeleid. Uiteraard
zal ik uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur