Brief regering : Mediabegrotingsbrief 2026
36 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026
Nr. 16
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 november 2025
Voor u ligt de jaarlijkse mediabegrotingsbrief. Deze brief bevat de nadere uitwerking
van en aanvulling op artikel 15 (media) uit de ontwerpbegroting 2026 van het Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW). Verder wil ik de Eerste en Tweede
Kamer met deze brief informeren over de stand van zaken van het mediabeleid.
Publieke en private media zijn essentieel voor een gezonde en goed functionerende
democratische rechtsstaat. Zij zorgen ervoor dat je altijd toegang hebt tot onafhankelijke
en gebalanceerde nieuwsvoorziening. Ze dragen bij aan een bruisend cultureel leven.
En ze zijn onmisbaar voor een maatschappij waarin mensen weten wat er speelt en waarin
ze mee kunnen doen. Het mediabeleid is volop in beweging, zoals deze brief ook laat
zien.
Opzet brief
Deze brief is opgedeeld in verschillende hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk gaat in
op de Mediabegroting. Hoofdstuk twee gaat over de lokale publieke omroep, waaronder
de stand van zaken van de stelselherziening. In het derde hoofdstuk van de brief komt
de Regionale Publieke Omroep (RPO) aan bod. In het vierde hoofdstuk wordt aandacht
besteed aan de landelijke publieke omroep (NPO), waaronder een update over de landelijke
hervorming en de jaarlijkse terugblik van de NPO. Vervolgens gaat de brief in hoofdstuk
vijf in op verschillende journalistieke thema’s zoals onderzoeksjournalistiek, de
terugblik op de werkzaamheden van de journalistieke fondsen en persveiligheid, alsmede
mediawijsheid. Hoofdstuk zes bevat ten slotte enkele losstaande onderwerpen.
1. Mediabegroting
1.1. Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de jaarlijkse actualisatie van het beschikbare budget op de Mediabegroting
(artikel 15 van de OCW-begroting) ten opzichte van de Ontwerpbegroting 2026. De oorzaak
hiervoor is de jaarlijkse actualisatie van de verwachte reclame-inkomsten die de Ster
na het verschijnen van de Ontwerpbegroting afgeeft. Ook wordt de verwachte stand van
de Algemene Mediareserve (hierna: AMr) toegelicht. De wijzigingen in de begrotingsstand
voor begrotingsjaar 2026 die voortvloeien uit deze actualisatie worden verwerkt bij
Voorjaarsnota 2026.
Artikel 15 van de OCW-begroting gaat over de uitgaven, verplichtingen en ontvangsten
op de Mediabegroting. De Mediabegroting wordt gevoed met OCW-middelen en de ontvangsten
vanuit de Ster-reclames op de aanbodkanalen van de landelijke publieke omroep.1
1.2. Ster-afdracht
De Ster doet conform artikel 2.105, eerste lid van de Mediawet 2008 jaarlijks vóór
15 september een opgave van de verwachte reclame-inkomsten in het lopende en in het
volgende kalenderjaar. Op basis van deze raming wordt bij Voorjaarsnota 2026 de ontvangstenraming
voor begrotingsjaar 2026 met € 0,7 miljoen verhoogd tot € 166,2 miljoen. Voor begrotingsjaar
2025 verwacht de Ster € 4,4 miljoen euro minder reclame-inkomsten dan geraamd. Bij
Slotwet 2025 worden de ontvangsten aangepast aan de hand van de definitieve realisatie
over het afgelopen jaar.
Ramingen van de verwachte reclame-inkomsten zijn gebaseerd op twee parameters, namelijk
de verwachte omvang van de markt voor spotzendtijd en het verwachte aandeel van de
Ster daarin. Dit laatste wordt onder andere bepaald door het zogenoemde kijktijdaandeel
van de publieke omroep.
1.3. Toelichting beschikbaar budget en uitgaven
Onderstaande tabel maakt de aansluiting inzichtelijk tussen het totaal beschikbare
budget voor de Mediabegroting zoals gepresenteerd in de Ontwerpbegroting 2026 en het
totaal beschikbare budget op de Mediabegroting voor 2026, aangepast met de geactualiseerde
raming van de reclame-inkomsten. Voor het begrotingsjaar 2026 is hiermee een totaalbedrag
van € 1.307,3 miljoen beschikbaar voor de bekostiging van het mediabeleid.
Bedraqen x € 1.000
2026
Totaal beschikbaar budget conform Ontwerpbegroting 2026
1.306.616
– waarvan OCW-middelen
1.141.116
– waarvan reclame-inkomsten
165.500
Voorgenomen mutaties totaal beschikbaar budget
700
– Actualisatie raming reclame-inkomsten
700
Totaal beschikbaar budget na actualisatie
1.307.316
– waarvan OCW-middelen
1.141.116
– waarvan reclame-inkomsten
166.200
Ten opzichte van de voorgenomen uitgaven uit de Ontwerpbegroting 2026 bevat deze brief
geen mutaties. De verwachte mutatie in de dotatie aan de AMr wordt volledig veroorzaakt
door de actualisatie van de afdracht van de reclame-inkomsten.
Bedragen x € 1.000
Ontwerpbegroting 2026
Voorgenomen mutaties
Totaal beschikbaar budget na actualisatie
Totaal beschikbaar budget
1.306.616
700
1.307.316
– waarvan de post dotatie (+)/onttrekking (–) AMr
12.869
700
13.569
– waarvan uitgavenbudget
1.293.747
0
1.293.747
1.5. Algemene Mediareserve
De AMr kan op grond van artikel 2.166, eerste lid van de Mediawet 2008 gebruikt worden
voor de opvang van dalende reclame-inkomsten, voor bijdragen in reorganisatiekosten
als gevolg van overheidsbesluiten en de voorfinanciering van de door het Commissariaat
voor de Media (hierna: Commissariaat) aan te houden rekening-courantverhouding voor
betalingen aan de instellingen. De AMr vervult hiermee een belangrijke rol in de bekostigingssystematiek
van de Mediabegroting. De Algemene Mediareserve is eerst en vooral een buffer voor
de opvang van onverwachte tegenvallers in inkomsten en uitgaven. De buffer in de AMr
kan worden ingezet voor uitgaven, mits deze uitgaven voortvloeien uit de mediawettelijke
taken en incidenteel van aard zijn.
Onderstaande tabel laat de verwachte ontwikkeling van de AMr zien voor 2025 en 2026.
Te zien is dat de AMr naar verwachting toeneemt, tot € 266,3 miljoen ultimo 2026.
Hierbij is nog geen rekening gehouden met de betaling van frictiekosten die voortvloeien
uit de benodigde bezuinigingsmaatregelen bij de landelijke publieke omroep.
Bedragen x € 1.000
Saldo liquide middelen AMr ultimo 2024
241.101
Dotatie/onttrekking AMr 2025 conform Ontwerpbegroting 2026
7.650
Voorgenomen mutaties AMr in 2025 via de Mediabegroting
– 4.400
– waarvan Actualisatie Ster-raming 2025
– 4.400
Directe uitgaven en inkomsten AMr
8.394
Saldo liquide middelen AMr ultimo 2025
252.745
Dotatie/onttrekking AMr 2026 conform Ontwerpbegroting 2026
12.869
Voorgenomen mutaties AMr in 2026 via de Mediabegroting
700
– waarvan Actualisatie Ster-raming 2026
700
Directe uitgaven en inkomsten AMr
0
Saldo liquide middelen AMr ultimo 2026
266.314
1.6. Budget landelijke publieke omroep
Minimumbudget
Op grond van Artikel 2.148a, eerste lid van de Mediawet 2008 kan de landelijke publieke
omroep een beroep doen op het zogenaamde minimumbudget dat voorafgaand aan het begin
van iedere erkenningperiode wordt vastgesteld. Aan de landelijke publieke omroep moet
minimaal het minimumbudget worden verstrekt. Het minimumbudget voor 2026 bedraagt
€ 917,6 miljoen. Dit bedrag is exclusief de consumentenprijsindex (CPI) indexatietranche
2026.
Budget 2026 landelijke publieke omroep
Onderstaande tabel laat het totale budget zien dat aan de landelijke publieke omroep
wordt verstrekt in 2026. Conform de Mediawet 2008 moet het budget voor 1 december
voorafgaand aan het bekostigingsjaar worden vastgesteld. Het totaal vast te stellen
budget aan de landelijke publieke omroep voor 2026, inclusief het budget aan de Stichting
Omroep Muziek (SOM) en het budget aan Coproductiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO),
bedraagt € 1.010,2 miljoen. Het aandeel reclame-inkomsten als onderdeel van de financiering
van de landelijke publieke omroep bedraagt € 153,3 miljoen euro. De rest van het bedrag
bestaat uit rijksmediabijdrage. Dat deel wordt in het lopende jaar nog wettelijk verplicht
geïndexeerd met de consumentenprijsindex (CPI).
Bedragen x € 1.000
2026
Totaal beschikbaar budget
1.010.219
– waarvan Landelijke publieke omroep inclusief CoBO
988.682
– waarvan aandeel rijksmediabijdrage
835.402
– waarvan aandeel reclame-inkomsten
153.280
– waarvan Stichting Omroep Muziek (SOM)
21.537
Advies Commissariaat voor de Media op de NPO-begroting 2026
Het Commissariaat heeft conform artikel 2.148, eerste lid van de Mediawet 2008 zijn
opmerkingen bij de NPO-begroting aan mij gestuurd. De volledige beoordeling van de
begroting is als bijlage bij deze brief gevoegd. Het Commissariaat ziet dat de NPO
de verbeterslag van vorig jaar heeft doorgezet naar 2026. De begroting heeft een duidelijker
analysekader gekregen en de ijkpunten en normen maken beter inzichtelijk in welke
mate de NPO haar doelen realiseert. Tegelijkertijd merkt het Commissariaat op dat
in de begroting 2026 ijkpunten en normen meer «smart» en ambitieuzer geformuleerd
kunnen worden, wat volgens het Commissariaat de belangrijkste stap vooruit zou zijn.
Ik deel de opvatting van het Commissariaat dat de publieke omroep duidelijk moet maken
welke doelen en prestaties hij wil bereiken en welke middelen daar tegenover staan.
Zodat daar achteraf ook verantwoording over kan worden afgelegd. Daarom betrek ik
mogelijke verbeteringen in de cyclus van planvorming, begroting en verantwoording
ook expliciet bij de uitwerking van de aangekondigde hervorming van de landelijke
publieke omroep. Het advies van het Commissariaat dient hiervoor als waardevolle input.
1.7 Budget regionale publieke omroep
Op basis van artikel 2.170, tweede lid van de Mediawet 2008 en artikel 4a van het
Mediabesluit wordt de regionale publieke omroep bekostigd uit de Mediabegroting. Ook
het budget voor de regionale publieke omroep wordt jaarlijks voor 1 december vastgesteld.
In 2026 is voor de Stichting Regionale Publieke Omroep (hierna: RPO) en de dertien
regionale publieke omroepen een bedrag van € 197,3 miljoen beschikbaar. In onderstaande
tabel staat weergegeven hoe dat bedrag is opgebouwd en wordt verdeeld over de Stichting
RPO en de regionale publieke omroepen. De onderlinge verdeling van het budget tussen
omroepen is conform artikel 4a van het Mediabesluit 2008.
Advies Commissariaat voor de Media op de RPO-begroting 2025
Het Commissariaat heeft op basis van artikel 2.169b, tweede lid van de Mediawet 2008,
zijn opmerkingen bij de RPO-begroting aan mij gestuurd. De volledige beoordeling van
de begroting is als bijlage bij deze brief gevoegd. Het Commissariaat stelt vast dat
de plannen en prioriteiten in begrotingen 2026 van de RPO en regionale publieke media-instellingen
(rpmi’s) inzichtelijk zijn gemaakt en dat de begrotingen voldoen aan de wettelijke
eisen.
Het Commissariaat stelt vast dat de plannen en prioriteiten in begrotingen 2026 van
de RPO en regionale publieke media-instellingen (rpmi’s) inzichtelijk zijn gemaakt
en dat de begrotingen voldoen aan de wettelijke eisen. Het Commissariaat ziet enkele
verbeteringen ten opzichte van het voorgaande jaar, maar merkt tegelijkertijd op dat
de opmerkingen en adviezen uit voorgaande jaren inzake scherpte in de uitwerking van
de doelstellingen en een duidelijke koppeling tussen doelstellingen en middelen van
kracht blijven. Ik ga met de betrokken partijen in gesprek over deze constateringen
en over hoe ze hier opvolging aan gaan geven.
In de uitvoeringsagenda die door de RPO en rpmi’s bij het concessiebeleidsplan 2026–2030
op 15 oktober jl. is nagestuurd, en die op moment van advisering nog niet bekend was
bij het Commissariaat, naar aanleiding van eerdere opmerkingen vanuit OCW en op basis
van de adviezen van zowel het Commissariaat voor de Media en de Raad voor Cultuur,
zie ik dat de RPO de doelstellingen verder heeft uitgewerkt en geconcretiseerd. Ik
zie dit als een goed startpunt voor het gesprek met betrokken partijen.
Bedragen x € 1.000
2026
Totaal beschikbaar budget
197.304
– waarvan Stichting RPO inclusief WaU-middelen
7.988
– waarvan Regionale publieke omroepen
189.316
1.8 Vooruitblik 2027 en verder
De rijksmediabijdrage wordt vanaf 2029 structureel met € 158,9 miljoen verlaagd. De
verlaging is het gevolg van maatregelen vanuit het hoofdlijnenakkoord. Deze maatregel
zorgt voor een besparing van € 108,8 miljoen in 2027, oplopend tot een structurele
verlaging van de rijksmediabijdrage van € 108,9 miljoen in 2029. Daarnaast is het
amendement Bontenbal c.s. aangenomen waarmee de rijksmediabijdrage vanaf 2027 structureel
met € 50 miljoen wordt verlaagd.2 In datzelfde amendement wordt daaraan gekoppeld de NPO en de Ster meer ruimte gegeven
om (online) reclame-inkomsten te genereren. Over de besluitvorming over het amendement
Bontenbal informeer ik uw Kamer zoals toegezegd in een aparte brief.
Het wetsvoorstel om de verlagingen van de rijksmediabijdrage in 2027, 2028 en 2029
in de Mediawet te verwerken wordt in het eerste kwartaal van 2026 aan uw Kamer aangeboden.
Het grootste deel van de verlaging van de rijksmediabijdrage vanaf 2027, € 156,7 miljoen,
gaat ten laste van het budget van de landelijke publieke omroep. De landelijke publieke
omroep staat hiermee voor een grote besparingsopgave. Het is aan de NPO, in gezamenlijkheid
met de omroepen, om hieraan invulling te geven. Ik word regelmatig geïnformeerd over
de voortgang van die uitwerking.
De basis voor de besparingsplannen is uitgewerkt in een zogenaamde roadmap. In die
roadmap wordt een aantal categorieën onderscheiden waarbinnen kostenbesparende maatregelen
worden genomen, met name de bedrijfsvoering van omroepen en de NPO-organisatie en
de programmering en distributie van media-aanbod. De NPO heeft de besluitvorming over
de financiële en inhoudelijke kaders naar voren gehaald om tijdig te kunnen besluiten
over de uitwerking van de bezuinigingen en daarmee ook de omroepen tijdig duidelijkheid
te bieden. Hiervoor zijn verschillende overlegstructuren ingericht waarin omroepen
en NPO gezamenlijk afstemmen over de bezuinigingen. Besluitvorming over de besparingsmaatregelen
voor 2027 en verder is voorzien voor het einde van dit jaar.
Het is van belang te benoemen dat de besparingen voor 2027 en 2028 gevonden moeten
worden binnen de wettelijke kaders van het huidige bestel. De voorgenomen hervorming
van het bestel, staat gepland voor 2029. Het uitgangspunt is dat de besparingsopties
zo goed als mogelijk aansluiten bij de keuzes die bij de hervorming worden gemaakt.
Gezien de planning van de bezuiniging en van de hervorming is dat niet altijd mogelijk.
Vooruitlopend op de verlaging van het budget per 2027 worden in 2026 al besparingen
doorgevoerd op het programmabudget van € 27 miljoen en op de kosten van de NPO-organisatie
van € 5 miljoen. Die besparingen zijn verder toegelicht in de NPO-begroting 2026.
De begroting van de NPO is als bijlage van deze mediabegrotingsbrief meegestuurd.
Hiermee zijn de eerste stappen gezet om de budgetverlaging vanaf 2027 op te vangen.
Omdat de bezuiniging pas in 2027 ingaat kan de opbrengst die deze maatregelen in 2026
opleveren worden ingezet in 2027 en 2028. Dat geeft ruimte om in die jaren de kosten
stapsgewijs te verlagen.
Om een besparing van € 156,7 miljoen te realiseren worden de kosten in de jaren tot
en met 2029 nog met € 124,7 miljoen verder verlaagd, bovenop de € 32 miljoen die in
2026 al wordt bespaard. Het uitgangspunt hierbij is om de programmering en de uitvoering
van de publieke media-opdracht zoveel als mogelijk te ontzien. Bij een besparing van
deze omvang is het echter onvermijdelijk dat ook op het programmabudget moet worden
gekort. In 2027 worden de kosten verder verlaagd met € 87 miljoen, waarvan € 72 miljoen
ten laste gaat van het budget voor media-aanbod. De bezuiniging leidt daarmee tot
ingrijpende keuzes in de programmering. De NPO is daarbij ook voornemens de bestaande
profielen en prioriteiten van netten en zenders te herzien, met een bijpassende begroting
voor het programmabudget waar de bezuiniging in verwerkt is. De eerder ingezette digitale
strategie om een groter deel van het media-aanbod te verspreiden via de online- en
on demand kanalen heeft daarbij prioriteit. De bezuiniging heeft daarmee met name
impact op de lineaire programmering, het lineaire media-aanbod wordt kleiner. In de
openbare begroting 2027 worden deze keuzes inzichtelijk. In de NPO begroting voor
2026 is vanuit dit oogpunt een aanvraag gedaan voor de beëindiging van een aantal
aanbodkanalen. Daarnaast is een besparing voorzien op distributiekosten voor distributievormen
met een laag bereik.
Er wordt ook bespaard op de organisatiekosten binnen het huidige bestel, vooruitlopend
op de voorgenomen hervorming. De besparing op de organisatiekosten vergoeding voor
omroepen wordt gefaseerd ingevoerd. Voor omroepverenigingen wordt in totaal een besparing
op de organisatiekosten van 16% voorgesteld. Voor de taakomroepen NOS en NTR gaat
het om 10%. Ook op de NPO organisatie wordt vanaf 2027 verder bespaard, bovenop de
besparing die in de NPO begroting voor 2026 al is aangekondigd van € 5 miljoen.
De uitvoering van de besparingsopgaven gaat onvermijdelijk gepaard met frictiekosten.
Dat zijn incidentele reorganisatiekosten die noodzakelijk zijn om structurele besparingen
te kunnen realiseren. Ik ben voornemens om een deel van deze frictiekosten te vergoeden
door een tegemoetkoming uit de AMr. Dat sluit aan bij de wettelijke bestedingsdoelen
van de AMr en is in lijn met eerdere bezuinigingen bij de landelijke publieke omroep.
Hiervoor wordt een frictiekostenregeling opgesteld met de voorwaarden waaronder omroepen
en de NPO in aanmerking komen voor een bijdrage. Ik stel hiervoor maximaal € 50 miljoen
beschikbaar. Uw kamer wordt in volgende Mediabegrotingsbrieven geïnformeerd over de
voortgang bij deze regeling.
2. Lokale publieke omroep
2.1 Inleiding
De lokale publieke omroepen zijn van vitaal belang voor de lokale samenleving. Zij
hebben een informerende, controlerende en verbindende functie in onze gemeenschappen.
Het kabinet blijft daarom inzetten op versterking van de lokale publieke omroepen.
Dit is onderdeel van de bredere inzet van het kabinet om de regionale en lokale journalistiek
te versterken.3 In dit hoofdstuk ga ik nader in op de versterking van de lokale publieke omroepen,
evenals de financiering van de stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)
en de investeringen in samenwerking tussen lokale, regionale en landelijke publieke
omroepen.
2.2 Stand van zaken stelselherziening lokale omroepen
Gezien het hierboven geschetste belang van lokale publieke omroepen blijf ik hard
doorwerken aan de reeds ingezette stelselherziening ter versterking van de lokale
publieke omroepen.4 Dat gebeurt met betrokkenheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
de NLPO, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Commissariaat.
Het bijbehorende wetsvoorstel is in juli aangeboden aan de Afdeling advisering van
de Raad van State. Ik streef ernaar om het wetvoorstel eind dit jaar aan uw Kamer
aan te bieden. Ik voorzie de inwerkingtreding van het wetsvoorstel en de lagere regelgeving
per 1 juli 2026. De feitelijke start van het stelsel volgt vervolgens na een overgangsperiode
van anderhalf jaar, per 1 januari 2028.
Gemeenten blijven tot de feitelijke start van het nieuwe stelsel verantwoordelijk
voor de bekostiging van de lokale omroepen. Ze ontvangen daar tot dat moment geld
voor via het Gemeentefonds. Gemeenten ondersteunen daarnaast op meerdere plekken hun
lokale omroepen bij de transitie naar het nieuwe stelsel. Dat waardeer ik; gemeenten
zijn een onmisbare partner bij het tot stand brengen van het nieuwe stelsel.
Als eerder aangekondigd regel ik in het wetsvoorstel dat gemeenten ook in het nieuwe
stelsel, vanaf 2028, de mogelijkheid behouden om financieel aanvullend bij te dragen
aan hun lokale omroep, indien daar lokaal behoefte aan is.5 Zo blijft er ruimte voor maatwerk, zodat gemeenten ook in het nieuwe stelsel kunnen
blijven inspelen op specifieke lokale omstandigheden en wensen.
Voor gemeenten die voornemens zijn om vanaf 2028 een bijdrage te leveren, merk ik
het volgende op. In het geval van inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 1 juli
2026, zal het Commissariaat naar verwachting na de zomer van 2026 de aanwijzingsprocedures
opstarten voor de aanwijzing van de lokale omroepen per 1 januari 2028; de voorziene
start van het nieuwe stelsel.6 In het wetsvoorstel is geregeld dat de gemeenteraden die aanvullend willen bijdragen
het voorgenomen budget voor de lokale omroep voorafgaand aan de start van de aanvraagprocedure
bekend moeten maken.7 Dit zodat iedere aanvrager, met het oog op het gelijkheidsbeginsel, beschikt over
dezelfde informatie. Ik vind het belangrijk dat gemeenten hiervan op de hoogte zijn,
en blijf daarom samenwerken met de VNG om gemeenten geïnformeerd te houden over de
ontwikkelingen van het wetsvoorstel en de gevolgen voor gemeenten.
Lokale omroepen werken op steeds meer plekken in Nederland hard aan professionalisering
en de voorbereidingen op het nieuwe stelsel. Ik blijf de sector hierbij ondersteunen.
Er zijn sinds het vorige kabinet jaarlijks structurele middelen vanuit OCW beschikbaar
voor professionalisering, begeleiding en voorbereiding. In 2026 is hiervoor een bedrag
voorzien van € 19,3 miljoen.
Eén van de belangrijkste instrumenten waarmee bovenstaande middelen ingezet wordt
is de Regeling Professionalisering Lokale Omroepen van het Stimuleringsfonds voor
de Journalistiek. Deze is specifiek voor lokale publieke omroepen bedoeld en met uitgebreid
advies van de NLPO ontwikkeld. De regeling biedt deelnemende omroepen de mogelijkheid
zich te professionaliseren. In 2024 deden 24 samenwerkingsverbanden en 14 individuele
omroepen mee in deze regeling. In 2025 werden dat 30 samenwerkingsverbanden en 21
individuele omroepen. Onlangs werd bekend dat er voor de periode 2026 tot en met 2027
in 79 streken aanvragen zijn goedgekeurd, die in totaal 179 lokale omroeporganisaties
betreffen. Ik ben verheugd dat er daarmee in vrijwel heel het land lokale omroepen
bezig zijn met professionalisering richting het startmoment van het nieuwe stelsel.
Daarnaast blijven er voor de NLPO tot aan de start van het nieuwe stelsel middelen
beschikbaar voor een aanvullend ondersteunings- en begeleidingsprogramma voor lokale
omroepen, en ter voorbereiding op de invulling van haar toekomstige rol als samenwerkings-
en coördinatieorgaan.
2.3 Financiering NLPO-organisatie
Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor de lokale publieke omroepen bekostig
ik de NLPO in 2026 met € 2,0 miljoen. De NLPO fungeert als het samenwerkings- en coördinatieorgaan
voor de lokale publieke omroepen in Nederland. De NLPO treedt daarbij op als belangenbehartiger
en vertegenwoordiger van de sector naar overheden en overige stakeholders. Daarnaast
voert de NLPO collectieve taken uit die zorgen voor een beter functionerende lokale
omroepsector en die een structurele bijdrage leveren aan de kwaliteit en continuïteit
van de lokale publieke omroepen.
2026 wordt naar verwachting in financieel opzicht een afwijkend jaar voor de NLPO.
Indien het wetsvoorstel ter versterking van de lokale publieke omroepen (zie de paragraaf
hierboven) per 1 juli 2026 in werking treedt, verandert de wettelijke positie van
de NLPO, en krijgt zij een steviger takenpakket dan nu het geval is. Het gaat hierbij
onder meer om de voorziene wettelijke taak om tot een concessiebeleidsplan en prestatieovereenkomst
te komen voor de periode 2028–2032.
Deze mediabegrotingsbrief voorziet in bekostiging van de NLPO conform de huidige wettelijke
positie en taken. Parallel aan de verdere ontwikkeling van het wetsvoorstel ter versterking
van de lokale publieke omroepen werkt de NLPO aan een aanvulling op de huidige begroting
voor 2026. Dit met het oog op de voorgenomen uitbreiding van wettelijke taken van
de NLPO. In het wetsvoorstel ter versterking van de lokale publieke omroepen is benoemd
dat de jaarlijkse middelen die reeds vanuit OCW beschikbaar zijn voor de professionalisering
van lokale omroepen tevens bedoeld zijn voor de eventuele extra uitvoeringskosten
die voor de NLPO en het Commissariaat voortvloeien uit het wetsvoorstel.
2.4 Samenwerking lokale, regionale en landelijke publieke omroepen
De kwaliteit en professionaliteit van de lokale journalistiek verbetert indien de
landelijke, regionale en lokale publieke omroepen samenwerken. In de afgelopen twee
jaar zijn er daarom verschillende projecten en pilots gefinancierd om samenwerking
tussen publieke omroepen te stimuleren.
Tot eind 2026 blijven de NOS, RPO en NLPO in dat kader samenwerken aan het project
Bureau Lokaal. Dit naar analogie van Bureau Regio; de regionale redactie op de redactievloer
van de NOS. Het doel van de Bureaus Lokaal is om de samenwerking en contentuitwisseling
tussen lokale, regionale en landelijke omroepen op al die plekken steviger en effectiever
te maken. Na 2026 verduurzamen de NOS, RPO en NLPO en deelnemende omroepen het met
de gedane investeringen bereikte resultaat in hun reguliere bedrijfsvoering. Ik zie
uit naar de resultaten hiervan, die ik het komend jaar verwacht.
3 Regionale publieke omroep
3.1 Inleiding
De regionale publieke omroepen vormen de tweede laag in het publieke omroepbestel.
Zij voorzien inwoners van (regionaal) onafhankelijk nieuws, informatie en duiding.
Specifieke aandacht gaat uit naar regionale cultuur en identiteit. Via het redactiestatuut,
de redactieraad en de mediaraad wordt de journalistieke onafhankelijkheid van elke
afzonderlijke regionale publieke omroep gewaarborgd. Tevens hebben de regionale omroepen
een wettelijke taak als calamiteitenzender. De RPO speelt een belangrijke rol als
wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke media-opdracht
op regionaal niveau.
3.2 Jaarlijkse rapportage naleving prestatieovereenkomst 2019–2025
Op basis van de Mediawet 2008 is voor de huidige concessieperiode (2019–2025) een
prestatieovereenkomst gesloten tussen de Minister van OCW en de RPO. Hierin zijn afspraken
vastgelegd over de doelen met betrekking tot het media-aanbod en het publieksbereik
van de regionale publieke omroepen. Maatregelen bij het niet behalen van deze doelen
zijn ook onderdeel van deze overeenkomst. De inhoudelijke invulling van het media-aanbod
is nadrukkelijk geen onderdeel van de overeenkomst.
Het Commissariaat ziet toe op de naleving van de prestatieovereenkomst en rapporteert
daar jaarlijks over. In zijn verslag over 2024 concludeert het Commissariaat dat de
RPO aan alle veertien prestatieafspraken heeft voldaan en conform afspraak heeft gerapporteerd
over de naleving van de prestatieovereenkomst. Wel merkt het Commissariaat op dat
er in de toekomst gekeken moet worden naar de prestatieafspraak over actueel media-aanbod
en de uitsplitsing naar mediumtype (radio, televisie en online). Het Commissariaat
stelt dat toezien op actueel media-aanbod met name gaat over de informerende functie
van de omroep; niet zozeer de uitsplitsing naar mediumtype. Hier zou in de toekomt
de focus op moeten liggen. De brief van het Commissariaat is als bijlage bij deze
begrotingsbrief gevoegd.
3.3 Concessiebeleidsplan en prestatieovereenkomst RPO 2026–2030
De RPO staat aan de vooravond van een nieuwe concessieperiode, die op basis van de
Mediawet 2008 geldt voor tien jaar; in dit geval van 1 januari 2026 tot en met 31 december
2035.8 Deze concessieperiode van tien jaar bestaat uit twee periodes van vijf jaar. Het
Commissariaat is op het moment van schrijven bezig met de afrondende fase van de zogeheten
aanwijzingsprocedure, waarmee dertien instellingen aangewezen worden als regionale
publieke omroep voor hun betreffende verzorgingsgebied, voor de periode 2026 tot en
met 2030.9
Voorafgaand aan iedere periode van vijf jaar stelt de RPO in overleg met de regionale
omroepen een concessiebeleidsplan op, waarin zij beschrijft hoe de RPO en regionale
publieke omroepen de komende vijf jaar uitvoering gaan geven aan de publieke mediaopdracht
op regionaal niveau.10 Op 31 maart 2025 ontving ik van de RPO het concessiebeleidsplan 2026–2030, getiteld
«Alles wat ons verbindt». Dit plan, dat als bijlage is toegevoegd aan deze brief,
beschrijft de gezamenlijke strategie van de regionale publieke omroepen en de RPO
voor de komende vijf jaar.
Op grond van de Mediawet 2008 zijn het Commissariaat en de Raad voor Cultuur om advies
gevraagd over het concessiebeleidsplan.11 De adviezen zijn eveneens als bijlagen toegevoegd aan deze brief. Beide adviesorganen
spreken hun waardering uit voor het proces van de totstandkoming van het concessiebeleidsplan.
De Raad voor Cultuur prijst de ontwikkeling van de regionale publieke omroepen en
hun rol in de regionale identiteit en democratie. Tegelijkertijd merkten beide adviesorganen
op dat het plan op onderdelen concreter zou moeten. Met het oog op die adviezen heb
ik de RPO om een aanvulling op hun concessiebeleidsplan gevraagd. Dat ontving ik 15 oktober
jl. Met deze aanvulling heeft de RPO de doelstellingen in het concessiebeleidsplan
nader geconcretiseerd. Het geheel biedt meer duidelijkheid over wie wat doet, wanneer
resultaten gerealiseerd moeten zijn en welke middelen daarvoor nodig zijn. Daarmee
biedt het eveneens een startpunt voor de gesprekken die ik de komende tijd met de
RPO en regionale omroepen ga voeren over de prestatieovereenkomst voor de periode
2026–2030. Ik streef ernaar in het voorjaar van 2026 een overeenkomst te sluiten.
Ik blijf in goed overleg met de RPO over de uitvoering van het concessiebeleidsplan.
De RPO monitort daarnaast de voortgang van het concessiebeleidsplan en stuurt zo nodig
bij via de jaarlijkse begrotingscyclus. Ik ben voornemens uiterlijk eind dit jaar
over te gaan tot de formele verlening van de concessie aan de RPO voor de verwezenlijking
van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau, voor de wettelijke periode van
tien jaar, in dit geval 2026–2035.
4 Landelijke publieke omroep
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk ga ik in op verschillende inhoudelijke onderwerpen met betrekking
tot de landelijke publieke omroep. Het hoofdstuk gaat eerst in op de Terugblik 2024
en de naleving van de prestatieovereenkomst 2022–2026. Vervolgens geef ik een update
van de voorgenomen hervorming van de landelijke publieke omroep en een update over
sociale veiligheid bij de landelijke publieke omroep. Hierna bespreek ik de nieuwe
aanbodkanalen voor NPO BLEND en NPO BLEND Online en de aanvraag van de NPO voor de
beëindiging van vijf aanbodkanalen. Tot slot ga ik in op de toegankelijkheid van het
aanbod van de landelijke publieke omroep.
4.2 Terugblik 2024
In de terugblik rapporteert de landelijke publieke omroep jaarlijks over de ambities
uit het concessiebeleidsplan (CBP) 2022–2026, de doelstellingen uit de begroting en
de afspraken in de prestatieovereenkomst 2022–2026. Hiermee geeft de landelijke publieke
omroep inzicht in de behaalde resultaten en de wijze waarop invulling is gegeven aan
de publieke mediaopdracht.
De publieke omroep heeft in 2024 mooie cijfers behaald op onderwerpen als publieke
waarde, impact en waardering van kwaliteit. De tv-programma’s scoren gemiddeld een
8,2 op publieke waarde en het totale weekbereik ligt op 81% bij kijkers van 13 jaar
en ouder. De kwaliteit wordt gemiddeld beoordeeld met een 8,6 en 75% van de kijkers
vindt dat de NPO impact heeft.
De kijktijd en het bereik op NPO Start is in 2024 licht gedaald ten opzichte van 2023.
Volgens de NPO komt dit door de nieuwe uitrol van het platform NPO Start. Hier moeten
gebruikers aan wennen en naar verwachting zullen deze cijfers in 2025 bijtrekken.
Voor de gehele Terugblik verwijs ik u naar de bijlage bij deze brief.
4.3 Naleving Prestatieovereenkomst NPO 2022–2026
De prestatieovereenkomst is een overeenkomst tussen de NPO en de Minister van OCW
en vormt een verdere concretisering van de uitvoering van de publieke mediaopdracht
en het concessiebeleidsplan. De NPO is in 2024 alle 32 prestatieafspraken uit de prestatieovereenkomst
nagekomen. Op onderdelen stijgt de NPO ook ver boven de afgesproken normen uit, bijvoorbeeld
op het gebied van toegankelijkheid van het aanbod: zo zijn er maar liefst 104 nieuwe
titels van audiodescriptie voorzien en 17 evenementen met gebarentolk uitgezonden
(het minimum is 8). Een overzicht van de prestatieafspraken en de wijze waarop de
NPO daar invulling aan heeft gegeven, is te vinden in de bijlage bij de Terugblik
die is meegestuurd met deze Kamerbrief.
4.4 Stand van zaken hervorming landelijke publieke omroep
In het regeerprogramma is afgesproken dat de landelijke publieke omroep wordt hervormd.
Ontwikkelingen in het gedigitaliseerde en geïnternationaliseerde medialandschap alsook
ontwikkelingen in de samenleving maken een hervorming noodzakelijk. De uitwerking
van deze hervorming in concrete voorstellen is met de Tweede Kamer gedeeld in een
tweetal brieven.12 Recentelijk heeft een aangestelde procesregisseur zijn advies uitgebracht, over hoe
de huidige omroepen zich zouden kunnen clusteren in een beperkt aantal omroephuizen.13 Kern van het advies is dat er geen variant voorhanden is die zowel aan de kaders
van de hervorming voldoet alsook op draagvlak bij alle omroepen in Hilversum kan rekenen.
Zoals ik in mijn reactie op het advies heb aangegeven, is het noodzakelijk dat de
politiek regie pakt in deze hervorming door ervoor te zorgen dat het wetsvoorstel
duidelijke kaders bevat. Een voor de hand liggend kader is het precieze aantal omroephuizen.
Een concreet aantal zal in de Mediawet 2008 moeten worden opgenomen, maar dit is slechts
één onderdeel. Het wetsvoorstel zal wat mij betreft ook duidelijk moeten maken dat
medewerkers van de huidige omroepen in dienst komen van het omroephuis en dat het
omroephuis daarmee vanaf 2029 de omroep wordt. De komende periode zal doorgewerkt
worden aan dit wetsvoorstel, lettende op het krappe tijdspad dat beschikbaar is voor
het realiseren van deze hervorming. Uiteraard blijf ik met omroepen en NPO in gesprek
over de uitwerking van de hervorming in wetsvoorstellen.
Inmiddels is het wetsvoorstel om de huidige concessie- en erkenningperiode met twee
jaar te verlengen aangenomen. Dit betekent dat een nieuwe concessieperiode ingaat
op 1 januari 2029. Aangezien de voorgenomen hervorming nog in een wetsvoorstel moet
worden uitgewerkt, betekent dit dat op dit moment nog uitgegaan moet worden van de
geldende wetgeving voor wat betreft de voorbereidingen voor de erkenningverlening
die zou ingaan op 1 januari 2029. Dit betekent dat een peildatum voor het tellen van
leden van omroepen moet worden vastgesteld. Eerder is deze peildatum vastgelegd op
28 februari 2026, omdat het wetsvoorstel om de erkenningperiode te verlengen nog niet
aangenomen was. Nu deze verlenging een feit is, is het besluit genomen om de peildatum
op te schuiven en vast te stellen op 31 december 2027. Dit besluit is recentelijk
gepubliceerd in de Staatscourant.14 Op dit moment moet immers nog uitgegaan worden van de huidige systematiek die vraagt
een peildatum vast te stellen voor het tellen van leden. Als de voorgestelde hervormingen
vanaf 1 januari 2029 (tijdig) gerealiseerd worden en de ledeneis vervalt, zal daarmee
ook de grondslag voor het vaststellen van peildata komen te vervallen.
4.5 Stand van zaken aanpak sociale veiligheid
Met deze brief informeer ik de Kamer tevens over de stand van zaken met betrekking
tot de sociale veiligheid bij de landelijke publieke omroep. Door het verschijnen
van het rapport van de Onderzoekscommissie Gedrag en Cultuur Omroepen (OGCO), met
de titel «Niets gezien, niets gehoord en niets gedaan», in februari 2024, werd duidelijk dat de landelijke publieke omroep voor veel (oud-)
medewerkers een onveilige werkplek was. Dit is onacceptabel en schaadt niet alleen
de betrokken mensen, maar ook het functioneren en het vertrouwen in onze publieke
media. Een onveilige werkomgeving brengt immers risico’s met zich mee voor de journalistieke
onafhankelijkheid en de kwaliteit van het hele bestel in gevaar.
Vanuit de verantwoordelijkheid voor het bestel heeft mijn ambtsvoorganger de NPO verzocht
een overkoepelend plan van aanpak op te stellen. Dit is gebeurd, en vervolgens hebben
de individuele omroepen hun eigen, uitgewerkte plannen vastgesteld. Over de uitvoering
van deze plannen is de Tweede Kamer geïnformeerd met de voortgangsrapportage van 27 november
2024.15 De kern hiervan was dat de uitvoering van deze plannen volop gaande is. Zowel het
Commissariaat als de regeringscommissaris Grensoverschrijdend Gedrag en Seksueel Geweld
(RCGOG) hadden zich op verzoek van de Minister gebogen over de kwaliteit en de daadwerkelijke
implementatie van de individuele plannen van aanpak van de landelijke omroepen. Daaruit
bleek kort samengevat dat de omroepen (inclusief de NPO-organisatie zelf) weliswaar
goede stappen hadden gezet, maar dat de transitie naar een integere en veilige werkomgeving
een lange adem vergt. De opdracht voor de toekomst is dan ook dat de omroepen ervoor
zorgen dat de gemaakte plannen ook «van het papier af komen» en leiden tot een duurzame
cultuurverandering.
Stand van zaken vanuit de NPO
De NPO heeft een statusupdate opgeleverd waarin te zien is hoe de maatregelen uit
het overkoepelende plan van aanpak van de NPO en omroepen zijn uitgevoerd en ingebed.
Uit de statusupdate van de NPO blijkt dat verschillende maatregelen die een jaar geleden
nog in voorbereiding waren op dit moment in werking zijn en onderdeel zijn geworden
van de reguliere bedrijfsvoering. Zo is de overkoepelende meld- en klachtstructuur
geoptimaliseerd en zijn er per maart 2025 overkoepelende externe vertrouwenspersonen
van start gegaan. Deze hebben periodiek contact met de (interne en externe) vertrouwenspersonen
van de omroepen en de NPO zodat eventuele patronen tijdig gesignaleerd kunnen worden,
er sneller opgetreden wordt en er kennisuitwisseling plaatsvindt. Ook is er een samenwerkingscode
opgesteld tussen omroepen, de NPO en externe producenten met afspraken over de borging
van sociale veiligheid. De statusupdate van de NPO is te vinden als bijlage bij deze
brief.
De NPO verzorgt sinds 2024 een jaarlijkse terugkoppeling over de stappen die zijn
gezet op het terrein van sociale veiligheid in de jaarlijkse Terugblik. In de Terugblik
over 2024 geeft de publieke omroep aan dat het creëren van meer zekerheid voor medewerkers
ook een belangrijke voorwaarde is voor een veilige werkplek. Daarom wordt er toegewerkt
naar een hoger percentage arbeidscontracten voor onbepaalde tijd. In de omroep-cao
2024 is het maximumaantal contracten voor bepaalde tijd binnen een periode van 24
maanden, teruggebracht naar drie. Het streven is om aan het einde van de concessieperiode
in 2027 een verhouding van 80% contracten van onbepaalde en 20% contracten van bepaalde
tijd te realiseren. Eind december 2024 bedroeg de verhouding voor gehele publieke
omroep 78–22%.
Daarnaast merk ik op dat ook de interne toezichthouders, de Raden van Toezicht van
de omroepen, bijeen zijn geweest om dit belangrijke onderwerp te bespreken. Dat is
een goede stap, gezien de verantwoordelijkheden die alle intern toezichthouders voor
dit thema hebben, ook in hun rol als werkgever. Ik zie dit als een bewijs van het
belang dat de omroepen, hoezeer zij misschien ook onderling verschillen, hechten aan
de sociale veiligheid en aan het tegengaan van grensoverschrijdend gedrag.
Stand van zaken vanuit de toezichthouder
Het Commissariaat heeft in navolging van de rapportage uit november 2024 een nieuwe
voortgangsrapportage opgeleverd over de opvolging van het rapport van de OGCO-commissie.
Hierin informeert het Commissariaat over de verrichte werkzaamheden in 2025 en over
relevante ontwikkelingen die hij heeft gesignaleerd. Het Commissariaat constateert
in algemene zin dat er meer bewustwording lijkt te zijn over (de impact van) sociale
veiligheid en sociale onveiligheid op medewerkers. Ook ziet het Commissariaat dat
meerdere maatregelen uit de individuele plannen van aanpak die de omroepen hebben
opgesteld van de grond zijn gekomen. Tegelijkertijd stelt hij dat er nog veel werk
verricht moet worden. Hiertoe doet het Commissariaat verschillende aanbevelingen,
zoals het verbeteren en verduidelijken van meldregelingen, het versterken van leiderschap
en voorbeeldgedrag en het structureel agenderen van sociale veiligheid als thema.
In 2025 heeft het Commissariaat zich voornamelijk gericht op de terugkoppeling van
de plannen van aanpak richting de omroepen, met gekoppeld daaraan gesprekken met als
doel de partijen te wijzen op hun verantwoordelijkheid en hen aan te zetten tot actie.
Daarnaast is van een aantal omroepen een voortgangsrapportage gevraagd met daarin
een update over de gerealiseerde mijlpalen. Voor de gehele rapportage verwijs ik nu
naar de bijlage bij deze brief.
Concluderend
Het is duidelijk dat het te vroeg is om te kunnen concluderen of de in gang gezette
maatregelen reeds het beoogde effect hebben gehad. Wel is duidelijk dat deze maatregelen
onderdeel worden van de normale dagelijkse werkpraktijk van de omroepen en NPO. Tegelijkertijd
hebben sinds het verschijnen van de plannen van aanpak nog verschillende incidenten
plaatsgevonden. Deze gebeurtenissen onderstrepen het belang van continue aandacht
voor dit thema en voor passende maatregelen waar nodig, zeker tegen het licht van
aanstaande hervormingen en bezuinigingen, die voor medewerkers onzekerheid kunnen
meebrengen. Daarmee moet sociale veiligheid zo snel mogelijk de standaard worden voor
iedereen die werkt binnen de publieke omroep. Dit streven zal ik dan ook blijven steunen
en bevorderen.
Daarnaast is sociale veiligheid een belangrijk thema in de hervorming van de publieke
omroep. In de Kamerbrief die mijn voorganger op 4 april jl. met de Tweede Kamer heeft
gedeeld staat op hoofdlijnen beschreven welke beoogde maatregelen een bijdrage kunnen
leveren aan een sociaal veilige werkomgeving voor medewerkers van de publieke omroep.
Ik zal voor de toekomst dit thema dan ook meenemen in de wetsvoorstellen en beide
Kamers daar via die route verder in meenemen.
4.6 Instemming aanbodkanaal NPO BLEND en voorgenomen beëindiging aanbodkanalen
Als de NPO een nieuw online, televisie- of radiokanaal wil beginnen, dient de Minister
van OCW daarop te beslissen op basis van artikel 2.20, tweede lid, onder b en c en
artikel 2.21, tweede, derde en achtste lid van de Mediawet 2008. Dit geldt ook voor
significante wijzigingen van een aanbodkanaal of bij de beëindiging daarvan.
In de begroting van 2025 heeft de NPO een aanvraag gedaan voor instemming met de aanbodkanalen
NPO BLEND en NPO BLEND Online. Op 8 oktober 2025 is het definitieve besluit op de
aanvraag van de NPO voor deze nieuwe aanbodkanalen gepubliceerd in de Staatscourant.16 Dit betekent dat NPO BLEND, dat eerst een experimentstatus had, nu onderdeel is van
het portfolio van de NPO.
Daarnaast heeft de NPO in de begroting van 2026 in bijlage F een aanvraag ingediend
voor de beëindiging van vijf aanbodkanalen. Per 1 januari 2026 vraagt de NPO goedkeuring
aan de Minister van OCW voor de beëindiging van NPO Campus Radio, NPO Soul & Jazz
en per 31 december 2026 voor de kanalen NPO 2 extra, BVN en BVN Online. Op deze aanvraag
dient de Minister te besluiten op basis van de procedure zoals hierboven beschreven.
Ten behoeve van het besluit verzoekt de Minister de Raad voor Cultuur en het Commissariaat
om een advies uit te brengen op de aanvraag van de NPO.
De NPO doet deze aanvraag omdat de bezuinigingen er volgens de NPO toe leiden dat
er scherpe keuzes gemaakt dienen te worden met betrekking tot het portfolio. Hoewel
de NPO aangeeft dat de kanalen in een behoefte voorzien, ziet de NPO zich genoodzaakt
om de aandacht te vestigen op kanalen en platformen die optimaal voorzien in de behoefte
van de samenleving en daarmee invulling geven aan de publieke mediaopdracht.
4.7 Toegankelijkheid
Om het aanbod van de publieke omroep voor zoveel mogelijk kijkers en luisteraars toegankelijk
te maken, maakt de landelijke publieke omroep al jaren gebruik van ondertiteling,
audiodescriptie en gebarentolken. In de Terugblik van 2024 laat de NPO zien dat er
104 titels zijn voorzien van audiodescriptie. Daarmee laat de NPO een stijgende lijn
zien. Ook zijn er 17 evenementen voorzien van een Gebarentolk Nederlandse Gebarentaal.
Daarnaast is op 11 juli 2025 de werkagenda VN-verdrag Handicap (2025–2030) met de
Tweede Kamer gedeeld.17 Hierin staan maatregelen opgenomen met als doel de toegankelijkheid van de cultuur-
en mediasector te vergroten. Denk hierbij aan nieuwe afspraken over toegankelijkheid
met de NPO en onderzoek naar de aanscherping van de wettelijke regels voor onder andere
audiodescriptie. OCW is van start gegaan met de verkenningen die nodig zijn voor de
uitvoering van deze maatregelen en is voornemens hier binnen de bredere hervorming
van de landelijke publieke omroep voorstellen voor te doen. Ook zet OCW zich in om
de representatie van onder andere mensen met een beperking te stimuleren, bijvoorbeeld
door onderzoek naar toegankelijkheid binnen de sectoren en het ondersteunen van initiatieven,
zoals een inclusiepact over media.
5 Journalistiek
5.1 Terugblik fondsen: Stimuleringsfonds voor de Journalistiek en Fonds bijzondere
journalistieke projecten
Het WRR-rapport Aandacht voor Media laat zien hoe het medialandschap is veranderd, maar dat de behoefte aan onafhankelijke
journalistiek onveranderd is gebleven.18 Het kabinet steunt dit onder andere via het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten
(FBJP) en het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SVDJ). Het FBJP ondersteunt
diepgravende en kostbare bijzondere journalistiek en richt zich op talentontwikkeling.
Het SVDJ bevordert innovatie, kennisdeling en toekomstbestendigheid in de gehele journalistieke
sector. Beide fondsen versterken, ieder vanuit hun eigen rol, de journalistieke sector
met regelingen en begeleidingsprogramma’s in tijd van technologische afhankelijkheid,
economische druk en een veranderend medialandschap. Beide fondsen zetten stevig in
op het steunen en versterken van onderzoeksjournalistiek.
In 2025 bestaat het FBJP 35 jaar en het SVDJ 50 jaar. Deze mijlpalen onderstrepen
het belang van de werkzaamheden van beide fondsen voor een sterke journalistieke sector.
De ZBO-evaluatie naar de doeltreffendheid- en doelmatigheid van het SVDJ is begin
dit jaar afgerond en wordt binnenkort met uw Kamer gedeeld. Uit de evaluatie blijkt
dat het fonds afgelopen jaren doeltreffend heeft gefunctioneerd en aantoonbaar heeft
bijgedragen aan de kwaliteit, onafhankelijkheid, diversiteit en toekomstbestendigheid
van de journalistiek in Nederland. De aanbevelingen in de rapportage vormen een goede
basis het SVDJ toekomstgericht verder te versterken. In de beleidsreactie die later
zal volgen, wordt ingegaan op deze aanbevelingen.
5.2 Update mediawijsheid
Met de inzet op mediawijsheid blijven we mensen in staat stellen om te profiteren
van de voordelen van (sociale)mediagebruik, en stimuleren we tegelijkertijd dat men
ook weerbaar is tegen eventuele risico’s. In Nederland zet het Netwerk Mediawijsheid
zich dan ook in voor de missie «iedereen mediawijs», met vijf kernpartners en meer
dan 1200 netwerkpartners.
Er zijn door het Netwerk Mediawijsheid vier maatschappelijke opgaven gedefinieerd:
(1) plezier, grip en profijt bij een leven in media, (2) digitale balans, (3) samen
sociaal online en (4) weerbaarheid tegen desinformatie.19
Het Netwerk is nauw betrokken bij het beleid van andere ministeries: zo is het Opgavenetwerk
Opvoeding in Digitale Balans betrokken bij de verdere implementatie van de richtlijn
gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik van het Ministerie van VWS en
bij de website jouwkindonline.nl, ter ondersteuning van de BZK-campagne over mediaopvoeding.20
Activiteiten voorzien in 2026
De activiteiten van Netwerk Mediawijsheid zijn erop gericht de samenwerking tussen
netwerkpartners te ondersteunen en een bijdrage te leveren aan de opgaven rond mediawijsheid.
Door verbinding tussen en verdieping en versterking van de netwerkpartners worden
doelen bereikt die de organisaties afzonderlijk niet zouden kunnen behalen.
Succesvolle activiteiten worden onverkort voortgezet: de Week van de Mediawijsheid
staat in 2026 voor het derde en laatste jaar in het teken van digitale balans. Tijdens
de Week van de Mediawijsheid speelt de helft van de groepen 7 en 8 en een kwart van
de groepen 5 en 6 van de basisscholen de serious game MediaMasters. Dit zijn ongeveer 280.000 leerlingen. Zo’n 60 netwerkpartners werken inhoudelijk
mee aan het vormgeven van deze serious game door bijvoorbeeld het aanleveren van opdrachten
in het spel.
DichterBijNieuws
In de vorige Mediabegrotingsbrief heeft mijn ambtsvoorganger een uiteenzetting gegeven
van de activiteiten in het project DichterBijNieuws. Het project is vorig jaar met
een jaar verlengd tot eind 2025.
Het is van belang om de opgedane kennis en expertise te borgen. Zo is er bijvoorbeeld
een educatieve werkgroep opgericht om leraren in staat te stellen aandacht te schenken
aan nieuwswijsheid. Deze inzet zal, ook na het beëindigen van het project, worden
voortgezet binnen de reguliere activiteiten van Netwerk Mediawijsheid.
Netwerk Mediawijsheid heeft een korte verlenging van het project aangevraagd om voor
het eerst een Week van het Nieuws te organiseren in 2026, binnen de bestaande budgetten.
Hierin kan een brug worden geslagen tussen journalisten en het publiek, door bijvoorbeeld
openredactiedagen te organiseren of journalisten uit te nodigen voor gastlessen op
scholen of in bibliotheken.
Bezien wordt of het mogelijk is om activiteiten rond nieuwswijsheid en het vergroten
van kennis en bewustzijn over journalistiek onder het algemene publiek voort te zetten
in 2026 en verder.
5.3 Overig
Vervolg WRR-rapport
In de kabinetsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media is uw Kamer uitgebreid geïnformeerd over de manier waarop de journalistiek wordt versterkt.21 Tevens kondigde mijn ambtsvoorganger aan dat u in de zomer van 2026 wordt geïnformeerd
over de beleidsopties voor verdere versterking van de democratische functies van media.
De eerste stappen zijn inmiddels gezet. De publiek-private agenda lokale en regionale
journalistiek en publiek-private inzet rond het thema vertrouwen in nieuws zijn in
dit verband reeds lopende trajecten, zoals ook genoemd in de kabinetsreactie. Met
de vier aanbevelingen als leidraad die zien op regulering en handhaving, prominentie,
lokale en regionale journalistiek en burgerschap, wordt gewerkt aan een passende aanpak:
een interactief proces tussen publieke en private mediapartijen, maatschappelijke
organisaties en wetenschappers. Deze vraagstukken zullen ook in EU verband worden
bezien. Deze interactie moet niet alleen leiden tot een breed gedragen analyse, maar
het gesprek over de democratische rol van media ook structureel stimuleren en organiseren.
Zowel overheid als media dragen hierin een gedeelde verantwoordelijkheid.
Persveilig en veiligheid van journalisten
In de brief over persveiligheid en persvrijheid die vorig jaar naar uw Kamer is verstuurd,
werd aangekondigd dat PersVeilig een onafhankelijke stichting zou worden.22 Inmiddels is dit gerealiseerd. Op deze manier kan PersVeilig zich blijven inzetten
om de journalisten beter te beschermen tegen agressie en geweld.
In dezelfde brief werd uitvoering gegeven aan de motie-Kwint waarin werd gevraagd
om maatregelen voor te stellen om de veiligheid van freelancers te beschermen.23 U werd geïnformeerd dat brancheorganisatie NDP Nieuwsmedia voornemens was een kennistafel
te organiseren om de veiligheid van journalisten te bespreken. De eerste kennistafel
heeft inmiddels plaatsgevonden. Wat de positie van freelancers betreft is er bij de
werk- en opdrachtgevers een brede consensus dat zij kunnen rekenen op dezelfde ondersteuning
en begeleiding als medewerkers in vaste dienst.
Caribisch Nederland
De verkenner Journalistiek Caribisch Gebied is eind 2024 voortvarend aan de slag gegaan
met het in kaart brengen van de behoeften van (lokale) journalisten in Caribisch Nederland.
De verkenner werkt toe naar een aantal pilotprojecten/proeftuinen binnen de tweejarige
opdracht gericht op scholing en netwerkvorming. Uitgangspunt hierbij blijft het leggen
van verbindingen tussen lokale journalisten, stakeholders en overheden en het initiëren
van activiteiten die door de sector zelf verder worden gedragen. Overleg en terugkoppeling
met andere journalistieke organisaties is een belangrijke randvoorwaarde. Binnen de
opdracht is samenwerking met partijen in Aruba, Curaçao en Sint-Maarten ook mogelijk
met inachtneming van hun eigenstandige positie als land binnen het Koninkrijk. Het
streven is om uw Kamer in 2027 te informeren over de bevindingen.
Experiment Google over toegang tot nieuws
Tijdens het wetgevingsoverleg van 2 december 2024 (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 157) heeft mijn ambtsvoorganger een toezegging gedaan uw Kamer te informeren over het
experiment van Google over toegang tot nieuws.24 Het experiment is inmiddels afgerond en Google heeft begin dit jaar de resultaten
van het experiment publiekelijk gedeeld.25 In het experiment werd gekeken wat de impact was als nieuwsresultaten bij een kleine
groep gebruikers niet of minder zichtbaar werden gemaakt in de zoekresultaten. Uitkomst
was dat de consequenties voor advertentie-inkomsten door Google minimaal waren. De
toezegging beschouw ik hiermee als afgedaan.
6 Overig
6.1 Prominentiebeleid
Het kabinet vindt het belangrijk dat mediagebruikers gemakkelijk toegang hebben tot
Nederlands media-aanbod en Nederlandse mediadiensten. Nederlands kwaliteitsaanbod,
bijvoorbeeld nieuws en journalistiek, acht het kabinet van groot belang voor de samenleving
en de democratie. Het is belangrijk dat dit aanbod en deze diensten dus goed vindbaar
en zichtbaar zijn en blijven. Het belang hiervan is onderschreven in het regeerprogramma
en blijkt uit de toegenomen aandacht voor het onderwerp vanuit de mediasector, de
politiek en verschillende (internationale) onderzoeken, waaronder het WRR rapport
Aandacht voor media. In de kabinetsreactie op dit rapport, die op 4 juli 2025 naar de Tweede Kamer is
gestuurd, kondigde mijn ambtsvoorganger aan stappen te willen zetten om prominentiemaatregelen
wettelijk te verankeren.26
Prominentie gaat over de mate waarin bepaald media-aanbod of mediadiensten meer opvallen
ten opzichte van ander media-aanbod of diensten op bijvoorbeeld een gebruikersinterface
van een smart TV. Hierbij kan worden gedacht aan de smart TV app van een Nederlandse
video on demand-dienst. Nederlandse media-aanbieders ondervinden hinder van de commerciële deals
tussen televisiefabrikanten en grote, kapitaalkrachtige internationale streamingpartijen
zoals Netflix en Disney+, die betalen voor een prominente plek voor hun diensten op
afstandsbedieningen en de landingspagina’s van gebruikersinterfaces. Door gebrek aan
slagkracht en financiële middelen zijn Nederlandse mediaorganisaties onvoldoende in
staat om invloed uit te oefenen op de positionering van hun aanbod. Met als gevolg
dat Nederlandse mediadiensten minder zichtbaar zijn voor Nederlandse gebruikers. Door
het treffen van prominentiemaatregelen wil ik de zichtbaarheid van pluriform, betrouwbaar
en onafhankelijk media-aanbod uit Nederland in een veilige en betrouwbare informatieomgeving
borgen. Daarvoor is het van belang dat de onderhandelingspositie van Nederlandse media-aanbieders
wordt versterkt, zodat er een gelijker speelveld ontstaat. Verschillende EU-lidstaten,
waaronder Duitsland, Frankrijk en België (Vlaanderen) hebben op basis van de Audiovisuele
Mediadiensten Richtlijn prominentiebeleid ontwikkeld.27 Hun voorbeelden laten zien dat het ontwikkelen van prominentiebeleid complex is,
maar ook mogelijkheden biedt om problemen zoals hierboven beschreven aan te pakken.
Bij prominentie is het allereerst de vraag op welke plek dit geregeld moet worden.
In beginsel omvat het vraagstuk qua reikwijdte het hele media-ecosysteem. Hiertoe
behoren Nederlandse mediaorganisaties, maar ook mondiaal opererende platform- en techbedrijven.
Het is niet mogelijk om wetgeving te ontwikkelen die zich richt op prominentie in
het gehele media-ecosysteem, waar sociale media (zoals Instagram), zoekmachines (Google
Search) en videosharingplatformen (YouTube) onder vallen als categorie naast bijvoorbeeld
smart TV interfaces. Daarvoor zijn deze diensten te ongelijksoortig. Zoals vermeld
in de kabinetsreactie op het WRR-rapport moet het uitwerken van maatregelen op het
gebied van die eerste categorie eerst in Europees verband verder worden verkend. Dit
traject is dan ook meer gericht op de lange termijn. Hiervoor zal Nederland samen
met andere EU-lidstaten optrekken.
Voor de kortere termijn zet ik in op een voorstel voor prominentiemaatregelen voor
audiovisuele mediadiensten op aanvraag, gericht op «het grote scherm» (TV). Hiervoor
kunnen naast publieke ook private diensten in aanmerking komen. Op basis van de Europese
wetgeving en in navolging van andere landen is deze afbakening een logisch startpunt.
In de uitwerking zal verder gekeken worden welke interfaces hier precies onder moeten
vallen. Ik denk bij de vormen van prominentie aan een systeem van gelaagdheid, in
lijn met de uitwerking van Vlaanderen. Zo kan bijvoorbeeld onderscheid worden gemaakt
tussen een basisvorm van prominentie waarbij apps altijd vindbaar moeten zijn binnen
bepaalde interfaces wanneer de gebruiker ernaar zoekt en aan «extra» of «speciale»
prominentie met nadere waarborgen voor zichtbaarheid. Voor beide vormen kunnen maatregelen
en criteria worden opgesteld op basis waarvan Nederlandse mediadiensten in aanmerking
kunnen komen voor prominentie.
Ik zal de komende tijd gebruiken om de voorgenomen richting verder uit te werken.
Hierbij zal ik partijen uit de mediasector en het Commissariaat voor de Media betrekken.
Voor de planning, uitwerking en invoering van prominentiemaatregelen moet rekening
worden gehouden met de grote mate van complexiteit, mede vanwege het Europese juridische
kader als basis voor nationale wetgeving. Ook betekent de complexiteit van dit onderwerp
dat er goed gekeken moet worden naar de uitvoerbaarheid van de voorstellen. Waar mogelijk
wil ik bezien of dit wetsvoorstel mee kan lopen in het bredere wetgevingstraject over
de hervorming van de landelijke publieke omroep.
6.2 Publiek-private samenwerking
In de brief over de stand van zaken moties en toezeggingen mediabeleid die op 10 juli
2025 naar de Kamer is gestuurd bent u geïnformeerd over het onderwerp publiek-private
samenwerking.28 De aanleiding hiervoor kwam voort uit een aantal moties zoals de motie-Mohandis waarin
de regering wordt verzocht om in samenspraak met de NPO, RTL en Talpa te onderzoeken
wat nu al gedaan kan worden op het gebied van publiek-private samenwerking en om op
korte termijn concrete acties in gang te zetten.29 In de motie-Van de Velde wordt de regering verzocht om bij de hervorming van het
mediabestel tevens specifiek aandacht te besteden aan het ondersteunen en versterken
van Nederlandse mediabedrijven en omroepen, zodat zij kunnen concurreren met grote
buitenlandse platforms en de Nederlandse taal, cultuur en journalistieke onafhankelijkheid
kunnen blijven bevorderen.30
Daarnaast wordt de regering in de motie-Van Zanten verzocht om met de NPO en de commerciële
omroepen op korte termijn het overleg aan te gaan, om door onderlinge samenwerking
de vindbaarheid van hun gezamenlijke content te vergroten en zo de positie van Nederlandse
content tegenover de grote techbedrijven en streamers te versterken.31 Tot slot is er de motie-Mohandis/Paternotte – ingediend bij het nota-overleg media
op 14 april 2025 – waarin de regering wordt verzocht om samen met de NPO, RTL en Talpa
in oktober met concrete voorstellen te komen en met een tijdspad hoe deze drie omroepen
gaan samenwerken ter versterking van de economische kracht, de vindbaarheid van Nederlandse
programma’s tussen machtige internationale platforms, investeringen en publiek-private
samenwerking.32
Zoals eerder ook in de brief van 10 juli 2025 werd aangegeven ben ik van harte bereid
om het gesprek tussen de Nederlandse mediapartijen over publiek-private samenwerking
te faciliteren, maar het is uiteindelijk aan partijen zelf om die samenwerking vorm
te geven. De NPO, RTL en Talpa hebben voor de zomer concrete en kansrijke ideeën voor
samenwerking bij OCW ingediend. Op basis van deze inbreng heeft in september een gezamenlijke
bijeenkomst plaatsgevonden in Den Haag. Onder leiding van OCW zijn de voorstellen
met de NPO, RTL en Talpa besproken en geprioriteerd. Het was een openhartig en constructief
gesprek en daar wil ik hen hartelijk voor bedanken. Ook deze partijen geven aan dat
zij terugkijken op een waardevolle dialoog die de gezamenlijke wil onderstreept om
het Nederlandse media-ecosysteem te versterken.
Het gezamenlijke gesprek was het startpunt dat moet leiden tot de concrete voorstellen
die de motie-Mohandis/Paternotte beoogt. Zoals afgesproken hebben de drie partijen
de besprekingen daarna onderling voortgezet en zij blijven dat doen. Momenteel verkennen
zij in een constructieve sfeer samenwerkings-mogelijkheden op de volgende gebieden:
– Het opzetten van concrete proefprojecten op het gebied van coproductie en non-exclusieve
distributie van content. De gesprekken hierover worden geïntensiveerd om de exacte
scope, voorwaarden en projecten vast te stellen als onderdeel van het totaalpakket.
– De verdere doorontwikkeling van het succesvolle NLZiet-platform. Concreet gaan partijen
zich richten op de uitrol van de volgende initiatieven in 2026:
• het opnemen van radiokanalen binnen NLZiet;
• het toevoegen van visual radio streams; en
• het definiëren van een gezamenlijke innovatie-roadmap (onder meer op het vlak van
AI).
– Het opstellen van een publiek-privaat kader voor sportsamenwerking. In navolging van
de geïnitieerde gesprekken met de NOS, werken partijen aan een concreet kader. Dit
kader, dat uiterlijk in het eerste kwartaal van 2026 gereed zal zijn, zal duidelijkheid
scheppen over de mogelijkheden voor gezamenlijke rechtenwerving, uitwisseling van
fragmenten en sublicenties voor samenvattingen.
– Het optimaliseren van de uitwisseling van programmafragmenten. Om de samenwerking
verder te stroomlijnen, leveren partijen uiterlijk in het vierde kwartaal van 2025
een analyse op van de huidige knelpunten, verder voorzien van concrete verbeter voorstellen.
De motie-Mohandis/Paternotte stelt als streefdatum dat de concrete voorstellen voor
publiek-private samenwerking in oktober 2025 gepresenteerd moeten worden. Die termijn
is voor de drie partijen iets te ambitieus gebleken maar zij zijn gemotiveerd om het
tempo er in te houden. Zij zullen hier de komende maanden aan doorwerken en OCW daarover
informeren.
Dienstbaarheidsverbod
In de gesprekken die ik tot nu toe voer over publiek-private samenwerking noemen mediapartijen
het zogenoemde dienstbaarheidsverbod vaak als een belemmerende factor voor samenwerking
met de publieke omroep. Ik merk daarover het volgende op.
Het dienstbaarheidsverbod heeft de volgende functies:
– het waarborgen van het non-commerciële karakter van de publieke omroep en het publieke
aanbod;
– het waarborgen dat financiering van de publieke omroep uit publieke middelen in overeenstemming
is met de Europese wettelijke kaders inzake staatssteun; en
– het waarborgen dat publieke omroepen zich met al hun activiteiten niet op een oneerlijke
manier begeven op markten waar ook commerciële spelers actief zijn.
Het dienstbaarheidsverbod is een kernonderdeel van een zorgvuldig opgebouwd stelsel
van wettelijke bepalingen zoals dat op basis van de Europese staatssteunregels en
na een uitgebreide beoordeling en intensief overleg met de Europese Commissie tot
stand is gekomen.33
34 Het dienstbaarheidsverbod voorkomt dat vermenging van publieke taken en middelen
met commerciële activiteiten en doelen plaatsvindt. Publieke taken en publieke financiering
mogen geen commerciële belangen dienen, noch van de publieke omroep zelf, noch van
derden. Het op enige manier bevoordelen van derden met publieke middelen leidt immers
tot ongeoorloofde staatssteun. De wet beoogt met het dienstbaarheidsverbod niet een
belemmering op te werpen tegen publiek-private samenwerking. De parlementaire stukken
daarover vermelden onder meer het volgende:35 «Het dienstbaarheidsverbod wekt nog wel eens de indruk dat er voor de publieke omroep
nauwelijks ruimte is voor relaties met derden. Dat is niet het geval. Het staat namelijk
niet in de weg aan marktconform en normaal economisch handelen. Het gaat er om dat
derden uit de samenwerking met de publieke omroep niet een meer dan normale winst
of andere concurrentievoordelen behalen.»
Publieke omroepen kunnen ten aanzien van al hun activiteiten, dus zowel bij de uitvoering
van hun publieke hoofdtaak als bij toegestane nevenactiviteiten, samenwerken met derden.
Het dienstbaarheidsverbod stelt wel als voorwaarde dat het daarbij moet gaan om marktconform
en normaal economisch handelen. Dat commerciële partners winst behalen uit samenwerking
is geen probleem, zolang dat het resultaat is van marktconform en normaal economische
handelen. Het is aan de publieke omroep om te besluiten of, en zo ja met wie, en op
welke terreinen hij wil samenwerken. Ik teken daarbij wel aan dat het dienstbaarheidsverbod
geen algemeen verbod inhoudt, maar juist een kader biedt om samen te werken. Het dienstbaarheidsverbod
op zich is dus geen argument om op voorhand elke samenwerking of gesprekken daarover
uit te sluiten. Om (juridische) haalbaarheid van de plannen van NPO, RTL en Talpa
voor publiek-private samenwerking in te kunnen schatten, hebben partijen de mogelijkheid
om in gesprek te gaan met het commissariaat over de kaders en de eventuele risico’s
van beoogde samenwerkingen.
Investeringsverplichting streamingdiensten
Tot slot wil ik graag opmerken dat de besprekingen over publiek-private samenwerking
in het Nederlandse medialandschap tot nu toe met name zijn gevoerd met de NPO, RTL
en Talpa, mede omdat de motie-Mohandis/Paternotte hierom vraagt. Dit wil natuurlijk
niet zeggen dat samenwerking met andere mediapartijen zoals regionale publieke omroepen,
streamingdiensten of andere landelijke commerciële tv-zenders niet mogelijk is. Ook
deze partijen vervullen een belangrijke rol in ons pluriforme Nederlandse medialandschap.
In dit kader verwijs ik ook naar een toezegging die voormalig Staatssecretaris Cultuur
en Media, Gunay Uslu, heeft gedaan aan de Eerste Kamer naar aanleiding van een vraag
van het Kamerlid Prins (CDA) tijdens de behandeling van het wetsvoorstel voor de investeringsverplichting
voor grote streamingsdiensten.36 De vraag was om in te gaan op de mogelijkheid om investeringen die grote streamingsdiensten
doen op basis van de investeringsverplichting, te bundelen met budgetten van de publieke
omroep. De investeringsverplichting – die is opgenomen in de Mediawet 2008 – houdt
in dat grote streamingsdiensten ten minste vijf procent van hun in Nederland gegenereerde
relevante omzet investeren in Nederlandse culturele audiovisuele producties, waaronder
minimaal 2,5 procent in films, series en documentaires. Ik ben het met het lid Prins
eens dat het bundelen van budgetten, mede in het licht van de investeringsverplichting,
belangrijk is. Grotere budgetten kunnen de kwaliteit en zichtbaarheid van culturele
audiovisuele producties – waaronder films, series en documentaires – vergroten. Door
het grote internationale aanbod met vaak hoge budgetten zijn kijkers gewend geraakt
aan hoge kwaliteit van genoemde producties. Om grotere budgetten te realiseren is
samenwerking tussen de publieke omroep en streamingsdiensten van belang. Bij deze
samenwerking gaat het naast de financiering van producties, ook om optimale zichtbaarheid
voor het publiek van Nederlandse films, series en documentaires. Hiervoor zijn evenwichtige
afspraken nodig over de financiële bijdragen van partijen en de verdeling van de exploitatierechten.
Ook zijn heldere kaders nodig waarbinnen de gewenste publiek-private samenwerking
kan plaatsvinden. De toelichting over het dienstbaarheidsverbod zoals beschreven in
deze brief, kan partijen daarbij helpen.
6.3 Toezeggingen Eerste Kamer
De Eerste Kamer heeft mij er recent op gewezen dat er een aantal toezeggingen op het
gebied van mediabeleid open staat. Van een aantal zaken is aan de Eerste Kamer toegezegd
dat daar in de beleidsreactie op het rapport van het Adviescollege Publieke Omroep
op teruggekomen zou worden. De brief die mijn ambtsvoorganger op 4 april jl. aan de
Tweede Kamer heeft gestuurd is die betreffende beleidsreactie. Ik stuur die brief
nu als bijlage mee naar de Eerste Kamer opdat daarmee de toezeggingen op dit punt
afgedaan zijn.37
Aan de toezeggingen met betrekking tot desinformatie bij de publieke omroep heb ik
geen opvolging gegeven.38 Het is voor mij ongemakkelijk om te spreken van «desinformatie» bij de publieke omroep,
aangezien daarmee de stap naar een oordeel over de inhoud van journalistiek te dichtbij
komt. Wel kan ik melden dat ik momenteel werk aan het versterken van de journalistieke
functie bij de publieke omroep, zoals ook vermeld in de voornoemde brief aan de Tweede
Kamer van 4 april jl. Een voorstel voor eventuele maatregelen zult u tegemoetzien
zodra het wetsvoorstel waarin de hervorming van de landelijke publieke omroep wordt
behandeld in de Eerste Kamer, daarin zal niet worden ingegaan op deze specifieke toezeggingen.
De toezeggingen beschouw ik dan ook als afgedaan.
6.4 Toezegging Tweede Kamer
Rol media bij onrust Beverwijk/Heemskerk
Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen is op 18 september de onrust op scholen
in Beverwijk en Heemskerk besproken. Hierbij stelde het lid Yesilgöz vragen over het
filmen van leerlingen door media op middelbare scholen. Het kabinet heeft toegezegd
in gesprek te gaan met scholen en media om te bezien op welke wijze dit verlopen is
en of het nodig is scholen extra te wijzen op wat er wel en niet kan als het gaat
om media op school.
Ten eerste wil ik nogmaals benadrukken dat het voor alle betrokkenen ontzettend vervelend
is dat meerdere scholen moesten sluiten naar aanleiding van de onrust. Immers, op
school moet worden geleerd en horen leerlingen en medewerkers zich veilig te voelen.
Naar aanleiding van de vraag hoe het contact tussen media en leerlingen op scholen
is verlopen, is er contact geweest met de desbetreffende scholen. Hieruit is gebleken
dat een aantal journalisten toestemming heeft gekregen van scholen, leerlingen en
ouders om met een kleine groep leerlingen in gesprek te gaan. Het is moeilijk na te
gaan welke media hiervan verslag hebben gedaan, waar zij hebben gefilmd en of zij
vallen onder de partijen die toestemming van de desbetreffende school, leerlingen
en ouders hebben gekregen. Bezorgde ouders, scholen en/of leerlingen kunnen zich met
vragen of klachten over journalistiek handelen van bepaalde media altijd richten tot
de desbetreffende redactie. Wanneer men niet tevreden is met de reactie van de redactie,
is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Raad voor de Journalistiek of,
in het geval van een landelijke publieke omroep, de Ombudsman voor de publieke omroep.
Ik verwacht van alle mediaorganisaties dat zij zorgvuldig omgaan met beelden van en
interviews met minderjarigen, net als dat scholen hier een rol in hebben te vervullen
waar het gaat om bescherming van leerlingen op het schoolterrein. Om dat laatste te
verhelderen, heb ik met Stichting School en Veiligheid naar de ondersteuning op dit
punt gekeken en vullen zij op korte termijn het ondersteuningsaanbod rond het omgaan
met calamiteiten aan met adviezen hoe om te gaan met de pers.
Tot slot
Met deze brief heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitwerking van artikel 15 uit
de OCW-begroting 2025 en de stand van het mediabeleid. Ik kijk uit naar de bespreking
ervan met uw Kamer.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
G. Moes
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap