Brief regering : Beantwoording vragen commissie V100 over coronabelastingschulden
36 560 IX Jaarverslag en slotwet Ministerie van Financiën en Nationale Schuld 2023
Nr. 12
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 juni 2024
Naar aanleiding van de V-100 van maandag 27 mei jl. zijn er door de uitgenodigde burgers
vragen gesteld over onder andere de coronabelastingschulden. In de bijlage vindt uw
Kamer de beantwoording.
De Staatssecretaris van Financiën,
M.L.A. van Rij
Vragen en antwoorden
1. Kunt u toelichten hoeveel euro van de totale coronabelastingschuld (zie rapport
focusonderzoek Algemene Rekenkamer, figuur 5, pagina 12) uiteindelijk niet geïnd kan
worden door o.a. gebruik van de coulanceregeling, oninbaarheid doordat organisaties
failliet zijn gegaan, individuele deals met Belastingdienst etc., en wat is de complete
set van oorzaken hiervan?
De Voorjaarsnota 2024 bevat een update van de raming voor het oninbare deel van de
schuld (inclusief de schuld waarvoor de betalingsregeling is ingetrokken).
Deze is opwaarts bijgesteld van € 2,5 miljard (raming Voorjaarsnota 2023) naar € 3,5
miljard van de nog openstaande schuld. Deze aanpassing volgt uit de feitelijke betalingen
op termijnen in het afgelopen jaar en de omvang van de ingetrokken betalingsregelingen
per eind maart 2024.
De raming van € 3,5 miljard is nog steeds onzeker. Dat komt mede doordat onduidelijk
is hoeveel van de schuld nog wordt afgelost als de betalingsregeling is ingetrokken.
Bij ondernemers bij wie de betalingsregeling is ingetrokken, kan het uitstaande bedrag
van ruim € 3,2 miljard op peildatum 29 april 2024 aan coronabelastingschuld geheel
of gedeeltelijk terugkomen als gevolg van betaling, dwanginvordering, als opbrengst
van een saneringsakkoord of slotuitdeling bij faillissement.
De verwachting is echter dat een deel hiervan oninbaar zal blijken. (Bedrijfs-)economische
ontwikkelingen en keuzes in de inzet van (schaarse) invorderingscapaciteit door de
Belastingdienst hebben onder andere invloed op de mate waarin dit bedrag nog terugkomt.
Het is niet mogelijk om een inschatting te maken van de mate waarin deze factoren
een rol spelen bij het aflossen van de coronabelastingschulden.
De tot peildatum 29 april jl. daadwerkelijk oninbaar geleden schuld bedraagt € 370
miljoen na slotuitkering bij faillissement, saneringsakkoord of door ontbrekende verhaalsmogelijkheden.
2. Kunt u toelichten wat de overweging is geweest om de coulanceregeling per 1 april
jl. af te schaffen?
De coulanceregeling ziet op de regeling waarbij de Belastingdienst bij een saneringsakkoord
tijdelijk genoegen neemt met hetzelfde uitkeringspercentage dat aan concurrente schuldeisers
toekomt. Deze tijdelijke versoepeling van het saneringsbeleid gold aanvankelijk tot
1 oktober 2023, maar is daarna verlengd tot 1 april 2024. De regeling was nadrukkelijk
bedoeld als tijdelijke maatregel om concurrente schuldeisers te laten meewerken aan een saneringsakkoord.
Om die reden is de regeling niet verder verlengd.
Ondernemers die van de versoepeling gebruik wilden maken, konden vóór 1 april 2024
een saneringsverzoek doen bij de Belastingdienst. Ook een pro-forma verzoek vóór genoemde
datum voldeed om gebruik te kunnen maken van de regeling. Overigens neemt de Belastingdienst
steeds een welwillende houding aan bij het beoordelen van saneringsverzoeken.1
3. Ondernemers ervaren veel (financiële) problemen door het tussentijds veranderen
van de coronasteunmaatregelen en eerder gemaakte afspraken (o.a. over rente, zie p.
14 focusonderzoek Algemene Rekenkamer) en het effect dat dit op ondernemers heeft.
Herkent u dit en hoe kunt u in de toekomst zorgen voor meer betrouwbare regelingen?
Het beeld dat de coronasteunmaatregelen tussentijds veranderden, herken ik niet. Wel
is het zo dat de coronasteunmaatregelen tijdelijke maatregelen zijn geweest, vanwege
de eveneens tijdelijke beperkingen die aan de samenleving werden opgelegd tijdens
de bestrijding van de coronacrisis. Er is inderdaad een aantal wijzigingen geweest
om de coronabetalingsregeling te versoepelen om daarmee de ondernemers tegemoet te
komen. Over het terugbrengen van het percentage van de invorderingsrente naar het
niveau van vóór de coronacrisis, is uitvoerig gecommuniceerd via Kamerbrieven en via
de websites van de Belastingdienst, de rijksoverheid en de Kamer van Koophandel. De
communicatie vond op dezelfde wijze plaats als die over het verlagen van de invorderingsrente
van 4% naar 0,01% (vanaf 23 maart 2020 tot en met 30 juni 2022). Ondernemers zijn
niet individueel per brief geïnformeerd over het verhogen of verlagen van de invorderingsrente.
De Belastingdienst verwijst ondernemers door naar de website voor de actuele rentetarieven
in brieven over het betalen van invorderingsrente.
4. Gaat u de impact op de ondernemer meenemen (financieel, sociaal, psychologisch)
in de evaluatie van de corona steunmaatregelen? Zo ja, hoe? En heeft u hierbij ook
oog voor de specifieke groep van kleine ondernemers (< 50 werknemers) en de zzp-ers?
In hoeverre wordt hierbij ook de gelijke behandeling van verschillende typen ondernemers
(sectoren) en verschillen tussen werknemers en ondernemers nagestreefd?
Dit jaar wordt de regeling voor coronabelastinguitstel en het verlagen van de belasting-
en invorderingsrente geëvalueerd. Daarbij staat het proces, de doeltreffendheid en
de doelmatigheid van de regelingen en de impact op ondernemers centraal. Er wordt
gebruik gemaakt van zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethoden.
Bij het in kaart brengen van het gebruik van de regeling wordt ingegaan op statistieken,
zoals de omvang van de onderneming en het soort onderneming. Ook de ervaring van ondernemers
met het coronabelastinguitstel komt aan bod in de evaluatie, waarbij verdiepende interviews
gehouden worden met zzp’ers, kleine en grote(re) ondernemers) en sectorvertegenwoordigers.
Daarbij komen verschillende aspecten aan bod, zoals de (financiële) impact van de
regeling, ervaringen met diverse uitvoerings- en communicatieaspecten en ervaringen
met de coronabetalingsregeling. Verder worden lessen getrokken voor de toekomst. Verschillen
tussen werknemers en ondernemers komen bij de evaluatie van het belastinguitstel en
de belasting- en invorderingsrente niet aan bod.
5. Uit het focusonderzoek van de Algemene Rekenkamer «Focus op coronabelastingschulden»
(p. 2) blijkt dat 400 fte tekort aan personeel is bij de Belastingdienst om de coronabelastingschulden
te innen. Kunt u aangeven waarom bij Belastingdienst wel voldoende capaciteit is voor
Grotere ondernemingen en niet voor MKB (zie figuur 9, pagina 19 van het focusonderzoek
Algemene Rekenkamer)? Hoe kan de Belastingdienst de individuele ondernemer beter en
efficiënter ondersteunen?
De Belastingdienst is voor het midden- en kleinbedrijf en voor zzp’ers gefaseerd gestart
met de dwanginvordering, met inachtneming van de huidige invorderingscapaciteit en
de prioritering van invorderingswerkzaamheden. Voor grote ondernemingen ligt dat anders.
Bij grote ondernemingen is de invordering onderdeel van de individuele klantbehandeling,
waarbij sprake is van een vast aanspreekpunt voor de ondernemer. Het aantal grote
ondernemingen is relatief beperkt in het totaal van ondernemingen met coronaschulden,
maar het individuele financiële belang is groot met vaak complexe problematiek.
De Belastingdienst doet er alles aan om ook ondernemers in het midden- en kleinbedrijf
en zzp’ers zorgvuldig te ondersteunen. Bijvoorbeeld door het sturen van brieven met
handelingsperspectief en door het langsturen van deurwaarders voor bedrijfsbezoeken.
Uitdagingen in de uitvoering die bij het (niet) aflossen van de uitgestelde coronabelastingschuld
zouden optreden, zijn vanaf het begin van de coronabetalingsregeling erkend en geaccepteerd.
Veel van de gevolgen voor de uitvoering zijn afhankelijk van vraag of ondernemers
vrijwillig aan hun betalingsverplichtingen (in brede zin) voldoen. Niettemin volgen
uiteindelijk invorderingsmaatregelen voor alle ondernemers die niet aan hun betalingsverplichtingen
voldoen.
De afwikkeling van de coronabetalingsregeling brengt een aanzienlijke uitvoeringslast
met zich mee voor de Belastingdienst, terwijl al sprake is van een capaciteitstekort
binnen de invordering.
De Belastingdienst zet zich in om zo veel mogelijk ondernemers met coronabelastingschulden
binnen de betalingsregeling te houden, uiteraard binnen de bestaande beleidskaders.
De betalingsregeling is namelijk niet alleen gunstig voor ondernemers, maar ook voor
de Belastingdienst zelf; zolang wordt voldaan aan de voorwaarden is het capaciteitsbeslag
beperkt. Er is dan immers geen capaciteit nodig voor dwanginvordering. De kans om
schulden via dwanginvordering te innen wordt daarbij kleiner naarmate vorderingen
langer openstaan, zo blijkt uit ervaring.
De Belastingdienst geeft de hoogste prioriteit aan werkzaamheden van verzoeken voor
versoepelingen, uitstel, sanering en bezwaar- en beroepschriften van ondernemers uit
de (corona)betalingsregeling. Deze worden dus als eerste uitgevoerd. De afgelopen
periode is er een piek geweest in de verzoeken om (aanvullend) uitstel van betaling
en sanering van de ondernemers uit de coronabetalingsregeling. Daarnaast is sprake
van een stijging van het aantal administratieve beroepschriften tegen intrekking van
de coronabetalingsregeling. Dit zorgt ervoor dat sommige ondernemers erg lang moeten
wachten op de behandeling van hun verzoek of beroepschrift. Dit zorgt bij de ondernemers
helaas ook voor onzekerheid.
In het licht van de opmerkingen over de beschikbare invorderingscapaciteit bij de
Belastingdienst in genoemd rapport van de Algemene Rekenkamer, hebben verschillende
externe partijen zich bij de Belastingdienst gemeld om een bijdrage te leveren aan
de invorderingscapaciteit. Inmiddels hebben meerdere verkennende gesprekken plaatsgevonden
met externe partijen, die een bijdrage willen leveren aan de invorderingscapaciteit.
In die gesprekken is aan de orde geweest waar in het proces de Belastingdienst behoefte
heeft aan extra capaciteit.
Ook wordt gewerkt aan externe ondersteuning bij het behandelen van bezwaren en verzoeken,
om ondernemers niet onnodig lang in onzekerheid te laten over hun situatie. Deze werkzaamheden
worden eveneens door invorderingsmedewerkers uitgevoerd. Juridische aspecten van de
betrokkenheid van externe partijen bij de invordering van belastingschulden en dataveiligheid
zijn hierbij aandachtspunten. Het onderzoek naar de mogelijkheden om extra capaciteit
van externe partijen in te zetten bij invorderingswerkzaamheden is afgerond en er
wordt door de Belastingdienst een Taskforce ingesteld.
6. Er is discussie over de definitie van levensvatbaarheid van ondernemers (o.a. figuur
6, pagina 13 van de Algemene Rekenkamer, definitie van de Belastingdienst). Bent u
bereid om de definitie die de Belastingdienst hanteert rondom levensvatbaarheid te
evalueren met externe experts en te heroverwegen?
De Belastingdienst beoordeelt op basis van aanwezige cijfers en andere gegevens in
hoeverre ondernemers in staat zijn om aan de betalingsverplichting van de coronabetalingsregeling
te voldoen, om zo een inschatting te kunnen maken van de te verwachten werkzaamheden
voor de Belastingdienst. Het gaat daarbij echter niet om een levensvatbaarheidstoets.
Bij een saneringsverzoek is de levensvatbaarheid van de betreffende onderneming een
voorwaarde. Er moeten reële vooruitzichten zijn voor het voortzetten van de onderneming.
In het kader van de Tijdelijke Instructie Saneringen wordt de levensvatbaarheid verondersteld
als hierover een verklaring aanwezig is van een derde deskundige zoals een bank of
accountant. Een evaluatie lijkt dan ook niet opportuun.
Indieners
-
Indiener
S.P.R.A. van Weyenberg, minister van Financiën