Kamer bespreekt Wet ambulancevoorzieningen

24 juni 2020, wetsvoorstel - Omdat de Tijdelijke wet ambulancezorg per 1 januari afloopt, wordt deze vervangen door de nieuwe Wet ambulancevoorzieningen. De Kamer debatteert hierover met minister Van Rijn (Medische Zorg).

Een belangrijk uitgangspunt in de huidige tijdelijke en de nieuwe wet is dat er geen concurrentie is tussen aanbieders van ambulancevervoer. Per regio is er één aanbieder, de regionale ambulancevoorziening (RAV), die een monopolie heeft en afspraken maakt met de zorgverzekeraars. Volgens de minister zijn op deze manier de kwaliteit en de continuïteit het beste te garanderen.

In de wet worden extra eisen gesteld aan het bestuur en het interne toezicht van de RAV's. Ook staan er regels in om de kwaliteit te waarborgen en te controleren. Zo wordt periodieke visitatie verplicht. Veldman (VVD) wil vastleggen dat er ook transparantie moet zijn over kosten en prijzen.

Geen aanbesteding en andere aanbieders

De nieuwe wet geeft duidelijkheid, zegt Van den Berg (CDA), onder meer over de keuze om de ambulancezorg niet aan te besteden. Maar zorgen Europese regels er niet voor dat bijvoorbeeld buitenlandse aanbieders bij de rechter alsnog een deel van de markt kunnen opeisen? Ook Veldman (VVD) is er niet van overtuigd dat de wet dit uitsluit.

Is ambulancezorg een niet-economische dienst van algemeen belang (NEDAB)? Het antwoord op die vraag bepaalt of de wet voldoet aan de Europese aanbestedingsregels, zegt Raemakers (D66). Ook hij maakt zich zorgen over de juridische houdbaarheid, ook omdat nog geen ander EU-land het heeft geregeld zoals Nederland. Daarom zou gecheckt moeten worden hoe de Europese Commissie erover denkt.

Van Rijn denkt dat de wet goed in elkaar zit, waardoor de ambulancezorg inderdaad gezien kan worden als een niet-economische dienst van algemeen belang. Ook de landsadvocaat die hij geraadpleegd heeft, zegt dat.

Winstuitkeringen

Het is goed dat nu eindelijk wordt vastgelegd dat er geen marktwerking komt in de ambulancezorg, vinden Hijink (SP) en Ellemeet (GroenLinks). Maar het is volgens hen ook ongewenst als RAV's of hun onderaannemers gemaakte winsten gaan uitkeren. Zij willen daarom in de wet vastleggen dat winsten in de reserves gaan of gebruikt worden ter verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid van de ambulancezorg.

Professional en verpleegkundige

In het wetsvoorstel wordt gesproken over de "ambulancezorgprofessional". De bedoeling is om in een ministeriële regeling voor verschillende vormen van ambulancezorg specifieke opleidings- of deskundigheidseisen te stellen.

Het parlement moet kunnen meepraten over de eisen die worden gesteld aan ambulancepersoneel, vinden Raemakers (D66) en Veldman (VVD). Ook volgens Ploumen (PvdA) moet in de wet vastgelegd worden dat de Kamer hier invloed op houdt.

Ambulanceverpleegkundigen spelen als hoogopgeleide en ervaren medewerkers een belangrijke rol in de ambulancezorg, benadrukt Hijink (SP). Zijn suggestie om de functiebenaming "ambulanceverpleegkundige" daarom in de wet op te nemen krijgt brede steun van andere woordvoerders. Ellemeet (GroenLinks) en Ploumen (PvdA) willen daarnaast ook de zeggenschap van ambulanceverpleegkundigen versterken.

Er is een veelheid aan functiedefinities ontstaan, stelt Agema (PVV) vast. Zij betwijfelt of dat een goede ontwikkeling is. Is de kwaliteit zo nog wel goed te waarborgen?

Van Rijn heeft net als de woordvoerders "veel respect en waardering voor het vak van ambulanceverpleegkundige" en kan zich daarom vinden in het voorstel van Hijink (SP) om de functie "ambulanceverpleegkundige" in de wet op te nemen.

Evaluatie

De RAV's worden voor onbepaalde tijd aangewezen als aanbieder. Zijn er dan nog wel voldoende prikkels voor innovaties, kwaliteitsborging en een lerende cultuur? Van den Berg (CDA) en Veldman (VVD) zijn daar niet helemaal van overtuigd en willen mede daarom dat de wet na vijf jaar wordt geëvalueerd.

Van Rijn wijst erop dat er allerlei prikkels en toezichtregelingen in de wet zitten. Hij verwacht dat dat voldoende waarborgen zijn.

De Kamer stemt op 30 juni over het wetsvoorstel en de tijdens het debat ingediende moties.

Zie ook