Plenair verslag
Tweede Kamer, 72e vergadering
Donderdag 21 mei 2026
-
Begin10:15 uur
-
Sluiting19:23 uur
-
StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van Campen
Aanwezig zijn 143 leden der Kamer, te weten:
El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, De Beer, Belhirch, Van den Berg, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Coenradie, Dassen, Dekker, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Ergin, Faber, Flach, Goudzwaard, Grinwis, Van Groningen, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Jagtenberg, Chris Jansen, Jumelet, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maeijer, Maes, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Van Meijeren, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Müller, Mutluer, Nanninga, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Ouwehand, Paternotte, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Poortman, Prickaertz, Raijer, De Roon, Russcher, Schenk, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Verkuijlen, Vermeer, Vervuurt, Vlottes, Vondeling, De Vos, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,
en de heer Van den Brink, minister van Asiel en Migratie, viceminister-president, de heer Van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en de heer Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
alsmede de heer Van Zutphen, Nationale ombudsman.
De voorzitter:
Ik open de vergadering van donderdag 21 mei 2026.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Het is mij een genoegen om mee te delen dat er geen berichten van verhindering zijn.
Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.
Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.
Landbouw- en Visserijraad d.d. 26 mei 2026
Landbouw- en Visserijraad d.d. 26 mei 2026
Aan de orde is het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad d.d. 26 mei 2026 (21501-32, nr. 1792).
Termijn inbreng
De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Ik heet de minister van harte welkom in vak K en geef het woord aan mevrouw Van der Plas als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Dat doet zij namens de BBB. Gaat uw gang, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Welkom terug aan de minister en beterschap voor zover er nog wat virusjes actief zijn.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat boeren op dit moment een groot deel van de stikstof verplicht uit kunstmest moeten halen, waardoor dierlijke mest onvoldoende gebruikt kan worden;
constaterende dat Nederland en Europa daardoor afhankelijk blijven van buitenlands gas en kunstmest voor de voedselzekerheid;
overwegende dat wetenschappelijk is aangetoond dat gebruik van dierlijke mest beter is voor de bodem en waterkwaliteit dan kunstmest;
overwegende dat meer gebruik van dierlijke mest door dier- en productierechten niet leidt tot meer dieren;
verzoekt de regering zich in Europa hard te maken voor meer ruimte om dierlijke mest te gebruiken in plaats van kunstmest,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Plas en Flach.
Zij krijgt nr. 1797 (21501-32).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat vissers en kwekers kunnen bijdragen aan natuurherstel en het verbeteren van de waterkwaliteit, bijvoorbeeld door het wegvangen van rivierkreeften;
overwegende dat deze ecosysteemdiensten een belangrijke waarde hebben, maar momenteel niet worden toegepast in de visserijsector;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe voor de visserij en de aquacultuur een passend beloningssysteem voor ecosysteemdiensten kan worden ontwikkeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 1798 (21501-32).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat vispluis moet worden uitgefaseerd, terwijl onderzoek al meerdere kansrijke alternatieven aanwijst;
overwegende dat verdere ontwikkeling en praktijkonderzoek nodig zijn om duurzame alternatieven breed inzetbaar te maken;
verzoekt de regering om vervolgonderzoek uit te zetten naar kansrijke alternatieven voor netbescherming, zodat de toepasbaarheid en effectiviteit verder kunnen worden vastgesteld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 1799 (21501-32).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voor de mensen die niet weten wat "vispluis" is: dat zijn draden onder de netten die de visnetten beschermen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Zo hebben we weer wat geleerd vanochtend, mevrouw Van der Plas. Het woord is aan het lid Kostić, voor haar inbreng namens de Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer zich in 2021 bijna unaniem heeft uitgesproken voor een einde aan Europese subsidies voor fokkers van stieren voor stierengevechten (Kamerstuk 21501-32, nr. 1292);
constaterende dat het primaire doel van het fokken van dieren van het ras "toro de lidia" het stierenvechten is;
constaterende dat er naar schatting nog altijd circa 200 miljoen euro per jaar aan EU-subsidies uit het GLB terechtkomt bij fokkers van deze dieren voor stierenvechten en stierenfeesten;
van mening dat het onacceptabel is dat Europese subsidies, mede gefinancierd door de Nederlandse belastingbetaler, bijdragen aan dit ernstige dierenleed;
verzoekt de regering zich actief in te zetten voor een einde aan Europese subsidies voor de stierenvechtsector;
verzoekt de regering zich bij de onderhandelingen over het GLB in te zetten voor het expliciet uitsluiten van het fokken van "toro de lidia" van directe GLB-betalingen en plattelandsontwikkelingsfondsen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 1800 (21501-32).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat artsen waarschuwen voor de gezondheidsrisico's van azoolfungiciden omdat deze fungiciden moleculair sterk lijken op resistente schimmels die in verband zijn gebracht met verschillende ziekten, waaronder ernstige longinfectie bij mensen met een verminderde weerstand;
constaterende dat er in Nederland alleen al jaarlijks zo'n 200 mensen overlijden aan de ziekte aspergillose, omdat de invasieve schimmel ongevoelig is geworden voor medicatie;
constaterende dat er in 2013 al een motie (Kamerstuk 27858, nr. 222) is aangenomen, die van links tot rechts is gesteund, waarin werd gevraagd om een uitfaseringspad voor deze middelen;
verzoekt de regering alsnog met een concreet tijdpad te komen voor de uitfasering van azoolfungiciden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 1801 (21501-32).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Voorzitter. Het gaat dus eigenlijk om twee verzoeken die al eerder door de Kamer zijn gedaan; eentje al in 2013. Als we het hebben over een nieuwe bestuurscultuur, zou ik de minister willen verzoeken om dit serieus aan te pakken.
Wat specifiek het gebruik van het GLB voor stierenvechten betreft: we hebben die uitzondering ook gemaakt voor tabak. Daarvan zeggen we ook dat daar geen GLB-geld naartoe moet gaan. Het moet zeker ook niet naar dierenleed gaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Chris Jansen voor zijn inbreng namens de PVV.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Chinese overheid definitieve antidumpingtarieven tot bijna 20% heeft ingevoerd op Europees varkensvlees, wat de Nederlandse exportpositie zwaar onder druk zet;
van mening dat de Europese Commissie tot nu toe een veel te afwachtende houding aanneemt, terwijl de Nederlandse sector direct economische schade lijdt;
verzoekt de regering om bij de Europese Commissie te vragen om een doortastendere aanpak tegen deze Chinese antidumpingtarieven en te pleiten voor compensatiemaatregelen voor de getroffen Nederlandse varkenshouders zolang deze tarieven van kracht zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen.
Zij krijgt nr. 1802 (21501-32).
De heer Chris Jansen (PVV):
Dan kom ik bij de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat zeer strikte waterkwaliteitsnormen en het gebrek aan brak water in de Oosterschelde het paaigebied voor soorten zoals de ansjovis bedreigen;
constaterende dat hierdoor het beroep van weervisser als oer-Hollands visserijerfgoed dreigt te verdwijnen;
verzoekt de regering om een onderzoek in te stellen naar een beter evenwicht tussen de huidige waterkwaliteitsnormen op de visstand en de visserijsector, en in Brussel te pleiten voor een menselijke benadering waarbij visserijbelangen weer boven het huidige ecologische beleid komen te staan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen.
Zij krijgt nr. 1803 (21501-32).
De heer Chris Jansen (PVV):
Voorzitter. Dan de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Duitse regionale overheid vooralsnog niet gaat optreden tegen pfas-lozingen in de Rijn bij Leverkusen, waarbij piekbelastingen tot 1,8 kilogram per dag zijn gemeten;
overwegende dat ruim 5 miljoen Nederlandse burgers voor hun drinkwater afhankelijk zijn van de Rijn en dat deze lozingen leiden tot grote gezondheidsrisico's en fors hogere zuiveringskosten voor de Nederlandse consument;
van mening dat de Nederlandse soevereiniteit over de eigen volksgezondheid en waterkwaliteit essentieel is;
verzoekt de regering om bij de Duitse federale overheid en in EU-verband aan te dringen op het stapsgewijs verminderen van de lozing van pfas met als uiteindelijk doel 0 kilogram, en met Duitsland het gesprek aan te gaan over de extra kosten van zuivering voor Nederland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen.
Zij krijgt nr. 1804 (21501-32).
Dank u wel, meneer Jansen. Dan is het woord aan mevrouw Ten Hove namens de Groep Markuszower.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de hoge kunstmestprijzen leiden tot forse kostenstijgingen voor agrarische ondernemers en daarmee voedselzekerheid in gevaar komt;
constaterende dat er in de nabije toekomst nog geen zicht is op legalisatie van gebruik van dierlijke meststoffen;
constaterende dat de Nitraatrichtlijn momenteel onvoldoende flexibiliteit biedt om in crisissituaties snel over te schakelen op het gebruik van dierlijke mest;
verzoekt de regering om in Europees verband te pleiten voor een tijdelijke crisisderogatie binnen de Nitraatrichtlijn, waarbij lidstaten gedurende perioden van uitzonderlijk hoge kunstmestprijzen meer ruimte krijgen om dierlijke mest toe te passen;
verzoekt de regering een concreet voorstel hiertoe in te dienen bij de Europese Commissie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ten Hove.
Zij krijgt nr. 1805 (21501-32).
Mevrouw Podt (D66):
Ik snap dat mevrouw Ten Hove misschien niet alle debatten van de afgelopen jaren heeft gevolgd, maar wat verwacht ze hier zelf eigenlijk van? Verschillende ministers hebben dit namelijk gevraagd, of hebben met de vuist op tafel geslagen en dit nog een keer gevraagd en nog een keer. We krijgen de hele tijd weer brieven uit Europa. Kan mevrouw Ten Hove zich voorstellen dat we op een gegeven moment een klein beetje het lachertje van Brussel worden als we dit weer gaan proberen?
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Mijn fractie wil gewoon dat de minister actief opkomt voor de Nederlandse belangen, in plaats van dat hij in de maat loopt met de agenda van Brussel, en dat voedselzekerheid en betaalbare boodschappen prioriteit krijgen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik zou mevrouw even aanraden om de verslagen van de Tweede Kamer van de afgelopen acht jaar of misschien wel achttien jaar te lezen. We kunnen wel elke keer helemaal opnieuw beginnen als er nieuwe woordvoerders komen, maar het is mislukt. We hebben een hele slechte naam in Brussel. Hoe denkt zij die verhouding met Nederland in Brussel te kunnen verbeteren?
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik heb inderdaad heel erg mijn best gedaan om alles van de afgelopen acht jaar bij te lezen en om bij te poten op dit dossier. Het verbaast mij dat er in deze acht jaar zo weinig gebeurd is voor de Nederlandse sector, voor de agrarische boer. Onze voedselzekerheid staat onder druk in deze spannende demografische tijden. Als de Europese jas niet meer zo goed past of het allemaal niet meer lukt, dan moeten we misschien kijken of het anders moet. We doen dit al zo lang. U zegt zelf, zeg ik via de voorzitter, dat het op deze weg niet lukt.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Wordt hier voor een nexit gepleit?
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dat durf ik niet met zekerheid zo hard te zeggen, maar ik vind wel dat er wat moet gebeuren en dat we eens goed moeten kijken of de richtlijnen ons nog passen.
De voorzitter:
U vervolgt.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dat was 'm, voorzitter.
De voorzitter:
O, dank u wel, mevrouw Ten Hove. Dan is het woord aan de heer Boomsma namens JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een motie over bodemherstel.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat:
- veel natuurgebieden in Nederland kampen met verzuurde bodem en uitspoeling van mineralen door decennia van te hoge stikstofdepositie;
- er inmiddels verschillende onderzoeken en experimenten zijn uitgevoerd naar het toevoegen van basen aan de bodem, waaronder met schelpgruis, waar op relatief korte termijn zeer positieve resultaten zijn behaald, zoals toename van plantensoorten en slakken, en verbeterde eiproductie en gezondheid van vogels;
- er inmiddels veel kennis is over de juiste dosering om kalk, kalium en magnesium toe te voegen en potentiële nadelige effecten te voorkomen;
- toedienen van mineralen/basen geen vervanging is voor bronmaatregelen of stikstofreductie, maar wel kansen kan bieden om natuurherstel te versnellen;
- de opstellers van het recente rapport "De Nederlandse stikstofcrisis: van verwarring naar verbinding" ook wijzen op de kansen die deze herstelmaatregelen bieden;
verzoekt het kabinet:
- een inventarisatie en overzicht te maken van de natuurgebieden waar het zorgvuldig toevoegen van (de juiste mix van) calcium, kalium en/of magnesium, via schelpgruis, steenmeel of op andere manieren, het meest kan bijdragen aan bodem- en natuurherstel met voorkoming van nadelige neveneffecten;
- op basis van deze prioritaire lijst een voorstel te maken samen met andere betrokken eigenaren en beheerorganisaties voor de uitvoering van deze maatregelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 1806 (21501-32).
De heer Boomsma (JA21):
Ik heb nog enige seconden over.
De voorzitter:
Zeker.
De heer Boomsma (JA21):
Dan wil ik de minister ook oproepen om toch in Europa niet na te laten om alles te bepleiten wat een bijdrage kan leveren aan het voorkomen dat de strubbelingen in Hormuz en de extra schaarste en de hoge kosten van kunstmest als gevolg daarvan, gaan leiden tot extra hoge prijzen en ook honger. Bij het Wereldvoedselprogramma is berekend dat 45 miljoen mensen extra in hongersnood dreigen te belanden door die situatie in Hormuz. Alles wat in Europa omtrent dit thema wordt besproken, heeft daar natuurlijk ook effect op. Dat is dus zeker aanleiding om het gebruik van RENURE zo veel mogelijk te versnellen.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Flach, namens de SGP.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. De SGP verbaast zich over het Actieplan Meststoffen. Waar is de ruimte voor onbewerkte dierlijke mest in plaats van kunstmest? Het voelt heel krom om dierlijke mest af te voeren en steeds duurdere kunstmest aan te voeren. Bovendien is onbewerkte dierlijke mest meer circulair en beter voor de bodem. Je zou zeggen dat dit actieplan een mooi aanknopingspunt is voor Nederland om opnieuw te pleiten voor meer ruimte voor dierlijke mest waar de waterkwaliteit dat toelaat, maar het is eerder andersom. De minister wil zelfs niet eens meer ínzetten op enige vorm van derogatie. Dat het ingewikkeld is, snap ik helemaal, maar dat je zelfs deze omstandigheden, met Europese zorgen over exploderende kosten voor kunstmest, niet meer wil aangrijpen om wat ruimte te creëren, snap ik niet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik had net een interruptie op mevrouw Ten Hove omdat ik dacht "ze is net nieuw, dus ze weet nog niet wat er het afgelopen jaar is gebeurd", maar dat geldt niet voor de SGP. Pleit de heer Flach nu voor een nieuwe derogatie?
De heer Flach (SGP):
Daar pleit ik niet-aflatend voor, omdat het gewoon gezien de feiten het allerbeste is voor de waterkwaliteit en ook gewoon prima past in Nederland, zeker nu er ook in Europa een window of opportunity is, zou je kunnen zeggen, door die hoge kunstmestprijzen. Zo gek is dat dus niet.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik ben met de minister bij een boer op bezoek geweest die minder dan 100 kilogram stikstof per hectare gebruikt. Die kan er prima van leven. In Nederland kan je met 170 kilogram prima je land onderhouden. Waarom maakt de heer Flach de boeren in Nederland zo afhankelijk van mest? Het lijkt soms wel een soort mestverslaving.
De heer Flach (SGP):
Mevrouw Bromet doet dit vaker, een recent bezoek gebruiken als een soort anekdotisch bewijs, maar dat is niet de werkelijkheid in Nederland. In Nederland hebben we een heel ander soort landbouw, waarbij intensieve veeteelt ook echt tot kunst verheven is die je bijna nergens in de wereld ziet. We hebben ook een hoog percentage grasland, dat de Europese Commissie ook heel graag wil behouden in Nederland. Ik kan mevrouw Bromet verzekeren dat als boeren verdwijnen, dat grasland ook gaat verdwijnen, met alle gevolgen voor de waterkwaliteit van dien. Ik probeer hier dus het punt te maken dat dit juist een kans is om het opnieuw te proberen. Ik vind het dus onbegrijpelijk dat de minister dat niet eens meer wil doen.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Flach (SGP):
Daarom heb ik de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat veel melkveehouders dierlijke mest moeten afvoeren en dure kunstmest moeten aankopen;
overwegende dat het Actieplan Meststoffen weliswaar meer ruimte wil bieden voor aanwending van bewerkte dierlijke mest, maar dat deze bewerkingsstap ook hoge kosten met zich meebrengt;
verzoekt de regering bij de behandeling van het Actieplan Meststoffen in te zetten op meer ruimte voor aanwending van onbewerkte dierlijke mest, zeker in gebieden waar de waterkwaliteit op orde is, en op snelle herziening van de Nitraatrichtlijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Van der Plas.
Zij krijgt nr. 1807 (21501-32).
De heer Flach (SGP):
Voorzitter. Eén vraag bleef onopgehelderd. Gaat het kabinet zich aansluiten bij het voorstel van het Europees Parlement om de akkerbouw toegang te geven tot het fonds voor decarbonisatie in het kader van de CBAM-heffingen? Blijft de minister in nauw contact met de sector over de eco-regeling 2025 en wil hij ons vóór het commissiedebat EU-LVVN van 10 juni informeren over de stand van zaken? We moeten echt voorkomen dat akkerbouwers het gevoel krijgen dat ze ondanks hun inzet aan het kortste eind trekken en moeten afhaken.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot is het woord aan de heer Lohman namens het CDA.
De heer Lohman (CDA):
Goedemorgen. Wij willen, net als de Europese Commissie, met het Fertiliser Action Plan toe naar een situatie waarin mest niet wordt gezien als een milieuprobleem maar als een strategische grondstof. Met het toelaten van RENURE zet Nederland belangrijke stappen om minder afhankelijk te worden van Russisch gas. In dat kader heb ik enkele vragen. Welke kansen ziet het kabinet voor Nederlandse mestverwerking, precisielandbouw en biogasproductie binnen de Nederlandse ambitie om kunstmestimporten te verminderen? Wanneer wordt RENURE definitief toegelaten in Nederland? En is het kabinet met het CDA van mening dat digestaten niet moeten worden beoordeeld op hun oorsprong maar op hun milieuprestatie?
Ik heb ook een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Commissie in het Fertiliser Action Plan heeft aangekondigd op korte termijn de toepassing van digestaat te willen verkennen via een regulatory sandbox;
constaterende dat het kabinet werkt aan de toepassing van RENURE via notificatie en subsidieregelingen en de Kamer hierover voor de zomer zal informeren;
overwegende dat prijsstijgingen van kunstmest voor het komende seizoen een risico vormen en dat vermindering van kunstmestgebruik bijdraagt aan minder importafhankelijkheid en lagere kosten voor boeren;
overwegende dat RENURE en digestaat druk op de mestmarkt verminderen en kunstmestgebruik terugdringen;
verzoekt de regering zorg te dragen dat de mogelijkheden die de Europese Commissie wil bieden voor digestaat zo snel mogelijk in Nederland worden geïmplementeerd, te bezien of digestaat kan worden meegenomen in de subsidieregelingen voor RENURE en daarbij aandacht te hebben voor duurzame productie en toepassing van digestaat, evenals voor de mogelijkheden voor kleine boeren om deel te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Lohman, Koorevaar en Meulenkamp.
Zij krijgt nr. 1808 (21501-32).
De heer Chris Jansen (PVV):
Nou kunnen we met z'n allen denken: hoera, het CDA heeft eindelijk het licht gezien. Maar de vraag is ook: waarom heeft het CDA dan in de afgelopen maanden continu tegen alle moties gestemd die zijn ingediend rondom RENURE, ook door mijzelf?
De heer Lohman (CDA):
We hebben die discussie net ook gevoerd. We moeten ervoor zorgen dat we in Brussel een goede gesprekspartner worden. Deze motie gaat niet over een discussie die mogelijk zou lijken op derogatie, maar over het onderzoeken wat er mogelijk is binnen de sandbox. Daarmee vindt u ons aan uw zijde.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dat we het CDA aan onze zijde vinden is mooi, maar de vraag blijft: waarom in de afgelopen maanden dan niet? Daar heeft u de sector gewoon keihard laten stikken.
De heer Lohman (CDA):
Volgens mij werken we aan een vernieuwd mestbeleid. Dat is een onderdeel daarvan. Dit is onze inzet daarbij. De mening dat wij de boer laten stikken, deel ik niet met meneer Jansen.
De heer Flach (SGP):
Ik hoorde mooie woorden van de heer Lohman in het begin: we moeten dierlijke mest eigenlijk als grondstof zien die ons minder afhankelijk maakt van duur Russisch gas. Daar ben ik het helemaal mee eens. Inzetten op RENURE is dan een stap, maar niet de meest logische, want het is een dure omweg om van dierlijke mest meststoffen te maken. Waarom leggen de heer Lohman en het CDA zich eigenlijk neer bij de matheid van de afgelopen jaren, waarin derogatie niet leek te lukken? Waarom proberen we niet op basis van feiten juist nu gebruik te maken van de mogelijkheden die er zijn door die hoge kunstmestprijzen?
De heer Lohman (CDA):
Ik denk dat ik dan aansluit bij mijn antwoord van zojuist. In de afgelopen periode hebben we er niet goed op gestaan in Brussel. Allerlei pogingen om met de vuist op tafel te slaan et cetera hebben niet gewerkt. Ik denk dat de nieuwe bewindspersonen goed bezig zijn met het herstellen van die relaties. Dit is volgens mij een heel goed voorstel, dat inderdaad ook gebruikmaakt van de huidige situatie rondom kunstmest om daar beweging in te brengen.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Flach (SGP):
Ik kan niet anders dan constateren dat het CDA in dezelfde valkuil stapt, namelijk dat derogatie een gunst zou zijn. Dat is het niet. Het is op feitelijke gronden gezien voor Nederland echt de beste oplossing vanwege de organische stoffen, vanwege de uitspoeling, noem het maar op; de tijd is nu te kort om daarop in te gaan. Waarom kiest het CDA er op basis van feiten niet principieel voor om door te gaan met die derogatie? Dat geklets over relaties en dergelijke … Morgen is dat weer anders.
De heer Lohman (CDA):
Ik ben zelf niet de minister. Ik denk dat de discussie over derogatie er misschien ook één is die we achter ons moeten laten en dat we moeten kijken naar wat wél kan. Dit is volgens mij een van de dingen waar we stappen op kunnen zetten.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ga daar toch nog even op door. Er ligt een onderzoek van Herman de Boer, wetenschapper van de Wageningen Universiteit. Dat heeft gewoon aangetoond dat het gebruik van dierlijke mest minder uitspoeling van nitraat naar het water geeft dan kunstmest. Mevrouw Bromet had het zojuist over een mestverslaving. Waarom wil het CDA aan de kunstmestverslaving blijven?
De heer Lohman (CDA):
Ik ken het onderzoek dat mevrouw Van der Plas noemt. Ik herken me niet in het beeld dat wij met deze richting aan de kunstmestverslaving willen. Wij zeggen juist: laten we kijken wat vervangers zijn voor kunstmest, dus stikstof uit dierlijke mest die er al is, in de vorm van RENURE en anderszins. Dat beeld herken ik dus niet.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We hebben koeien in Nederland. Dat zijn heel circulaire dieren, eigenlijk. Uiteindelijk is mest een voedingsstof voor de bodem. Dierlijke mest is, nogmaals, niet alleen een goede voedingsstof voor de bodem, maar geeft ook minder uitspoeling naar het water. De heer Lohman weet ook dat doordat dierlijke mest niet meer gebruikt mag worden, althans niet méér dan is toegestaan, we afhankelijk blijven van die kunstmest en van buitenlands gas, waaronder Russisch gas. Is dat wenselijk?
De heer Lohman (CDA):
Nee, dat is niet wenselijk, mevrouw Van der Plas, zeg ik via de voorzitter. Volgens mij is de geest van mijn inbreng en ook van de motie dat we onafhankelijker zouden moeten worden van Russisch gas. Wij zien dat er een aantal mogelijkheden zijn, onder andere RENURE, en proberen om binnen die sandboxes te gaan werken met digestaat, om daar verandering in te brengen. Wat dat betreft ben ik het eens met een groot deel van uw analyse.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors tot 10.45 uur voor de beantwoording van de minister.
De vergadering wordt van 10.37 uur tot 10.45 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.
Termijn antwoord
Minister Van Essen:
Voorzitter. Ik begin graag met de motie op stuk nr. 1797 van de BBB. De Kamer weet dat ik op dit moment geen ruimte voorzie voor derogatie. Dat hebben we net ook gezien in het debatje dat zich hier ontspon. Via RENURE werken we, zoals bekend, al wel aan mogelijkheden om kunstmestvervangers volop te gebruiken. Dat is belangrijk, ook om de redenen die mevrouw Van der Plas net noemde. Daarom zou ik deze motie willen ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1798.
Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 1798 gaat over rivierkreeften en een passend beloningssysteem. Er vinden reeds gerichte activiteiten plaats waarmee vissers bijdragen aan het herstel van ecosystemen. Dat is ook belangrijk. Denk hierbij aan projecten als Paling over de Dijk of trajecten die specifiek gericht zijn op het wegvangen van rivierkreeften. Hier krijgen binnenvissers ook Europese middelen voor. Daarmee is er wat ons betreft nu geen noodzaak om in te zetten op een specifiek onderzoek hiernaar. Daarom ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1798 wordt ontraden. De motie op stuk nr. 1799.
Minister Van Essen:
Dan de motie op stuk nr. 1799 over vispluis. Ik moest ook even verder zoeken hoe het zat met vispluis. Momenteel werkt het ministerie van LVVN samen met IenW aan een routekaart gericht op het uitfaseren van vispluis. Verdere inzet op alternatieven is dan ook een logisch onderdeel van die routekaart. Daarmee zou ik deze motie graag oordeel Kamer willen geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1799 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1800.
Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 1800 is van de Partij voor de Dieren. Het kabinet deelt de zorgen over dierenwelzijn en stierenvechten. Ik vind het ook belangrijk om dit punt actief in te brengen in de gesprekken die ik heb. Ik zeg ook toe om dat te doen. Als ik die motie aldus mag interpreteren, kan ik 'm oordeel Kamer geven. Het is uiteindelijk wel de verantwoordelijkheid van de lidstaten om te bepalen of GLB-subsidies op een verantwoorde wijze verstrekt worden. Daar dien ik dan wel rekening mee te houden.
De voorzitter:
Ik zie het lid Kostić non-verbaal instemmen, dus daarmee krijgt zij oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 1801.
Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 1801 gaat over het uitfaseren van schimmel. De herbeoordeling van die stoffen is een Europees proces, waarbij per stof gekeken wordt. Ik begrijp de zorgen die zijn geuit heel goed. Nederland zet zich er in Europees verband dan ook voor in om er stappen op te zetten. Maar omdat het een Europese bevoegdheid is, kan ik geen concreet tijdpad toezeggen. Daarom moet ik deze motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1801 wordt ontraden. De motie op stuk nr. 1802.
Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 1802 gaat over antidumping. Ik begrijp de zorgen die de heer Jansen heeft geuit over de sector. De staatssecretaris is daar ook net voor in China geweest. Velen van u hebben daar ongetwijfeld kennis van kunnen nemen. We brengen dit ook regelmatig onder de aandacht van de Commissie, zoals de motie ook verzoekt. Het ministerie van BHOS heeft al eerder aangegeven dat compensatie niet aan de orde is. Daarom moet ik de motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1802 wordt ontraden. De motie op stuk nr. 1803.
Minister Van Essen:
Het onderzoek over waterkwaliteitsnormen valt onder de verantwoordelijkheid van de collega van IenW. Wat het tweede deel van de motie betreft: Nederland pleit in EU-verband in het kader van visserijbeleid juist voor een balans tussen ecologie en sociaal-economisch. Daarom zou ik de motie willen ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1803 wordt ontraden. De motie op stuk nr. 1804.
Minister Van Essen:
De vraag die in de motie op stuk nr. 1804 gesteld wordt, ligt ook, eigenlijk exclusief, op het beleidsterrein van de collega van IenW. Daarom wil ik deze motie het oordeel "ontijdig" geven.
De voorzitter:
Dan is het verzoek of de heer Jansen bereid is om de motie aan te houden. Dat is niet het geval. Daarmee krijgt de motie "ontijdig". De motie op stuk nr. 1805.
Minister Van Essen:
De motie op stuk nr. 1805 gaat over derogatie. De Kamer is bekend met mijn standpunt over derogatie. Ik zie er op dit moment simpelweg geen ruimte voor, ook gezien de brief die we in december vorig jaar hebben gekregen. Dus die motie moet ik ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1805 wordt ontraden. Dan de motie op stuk nr. 1806.
Minister Van Essen:
Ik sta positief tegenover de motie op stuk nr. 1806. Wat mij betreft kan het ook gewoon onderdeel zijn van het totaalpakket van natuurmaatregelen dat ik nu aan het uitwerken ben.
De voorzitter:
Dus de motie op stuk nr. 1806 krijgt oordeel Kamer?
Minister Van Essen:
Oordeel Kamer, ja.
Dan de motie op stuk nr. 1807. Allereerst moet het kabinet nog een formele positie innemen over het Fertiliser Action Plan middels een BNC-fiche. Ten aanzien van derogatie kent u mijn standpunt. Voor een eventuele herziening van de Nitraatrichtlijn hebben we ook de evaluatie af te wachten.
De voorzitter:
Daarmee krijgt zij …?
Minister Van Essen:
Daarmee krijgt de motie het oordeel "ontraden".
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1807 wordt ontraden. De motie op stuk nr. 1808.
Minister Van Essen:
Ook hierbij geldt dat het formele standpunt van het kabinet nog via een BNC-fiche wordt bepaald. Maar in beginsel is Nederland voorstander van het RENURE-principe; dat is ook eerder de lijn van het kabinet en het voorgaande kabinet geweest. We moeten nog even afwachten hoe het voorstel van de Commissie er precies uit gaat zien. Het moet ook passen binnen de milieukaders, maar uiteraard ben ik bereid de mogelijkheden zo veel mogelijk te verkennen. Met deze aantekening kan ik ook deze motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Kan de heer Lohman leven met deze interpretatie? Dat is het geval. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 1808 oordeel Kamer.
Dan heeft u nog een aantal vragen.
Minister Van Essen:
Ja. Ik begin met de vraag van JA21 over de hoge kosten van kunstmest en het versnellen van RENURE. Dat zal ik omarmen. Ik ben dinsdag in Brussel en zal daar dat pleidooi ook houden. In Nederland werken we ook hard aan RENURE. Dat kan ik dus toezeggen.
Dan de tweede vraag, van de heer Flach. Hij vroeg of het kabinet zich gaat aansluiten bij het voorstel van het Europees Parlement over akkerbouw. Wij volgen de onderhandelingen en zetten ons ook bij voorstellen van het EP in langs de lijn van het BNC-fiche. Voor de exacte details van de stand van zaken verwijs ik naar de minister van Financiën. Wel weet ik van mijn collega dat we er vooralsnog geen voorstander van zijn, omdat we nog volop bezig zijn met de MFK-onderhandelingen. Dit fonds valt daarbuiten.
Dan de derde vraag, over akkerbouwers bij de eco-regeling; deze is ook van de heer Flach. Ik kan zeggen dat ik dat zal doen. Ik zal ook in contact blijven met de sector over de afhandeling van de eco-regeling 2025, zoals hier besproken, en over de voorgenomen wijzigingen in 2027. Ik zal de Kamer ook informeren over de situatie die zich in het lopende jaar voltrekt. Die ontwikkelingen blijf ik dus nauw volgen en ik blijf u daarover nauw informeren.
De voorzitter:
Lid Kostić, we wachten eerst even de beantwoording van de minister af.
Minister Van Essen:
Dan de vraag van het CDA: welke kansen ziet het kabinet voor mestverwerking om de import van kunstmest te verminderen? Zoals net al aangegeven zien we met name kansen op het vlak van gerecyclede meststoffen, zoals RENURE-waardige producten. Tegelijkertijd kan dat de businesscase van biogas goed versterken, wat het kabinet ook verder ondersteunt via bijvoorbeeld de SDE+. In Nederland wordt hier veel innovatief onderzoek naar verricht. Er lopen meerdere publiek-private samenwerkingen op dit vlak, en die draag ik in Brussel dan ook uit.
Dan de vraag van het CDA over wanneer RENURE definitief wordt toegelaten. De notificatietermijn in Brussel is inmiddels verstreken. Dat heeft niet geleid tot aanpassingen in onze voorgestelde regelgeving. Dat is positief. Ik verwacht binnen enkele weken die regelgeving te kunnen publiceren. Producenten van RENURE kunnen zich daarna ook gaan registeren bij de RVO. Dat is dus positief nieuws.
Dan nog een laatste vraag van het CDA: is het kabinet van mening dat digestaat niet beoordeeld moet worden op de oorsprong, maar op de milieuprestaties? Ik snap de achtergrond van die vraag heel goed. Tegelijkertijd hebben wij ons ook te verhouden tot de net al besproken Nitraatrichtlijn. Die beperkt simpelweg het gebruik van dierlijk mest, ook als die uit een vergister komt. In het Fertiliser Action Plan heeft de Commissie aangekondigd wel te willen kijken naar die vormen van digestaat. Ik kijk uit naar het exacte voorstel dat de Commissie daarvoor gaat maken. Op basis daarvan zal ik een afweging maken, waarbij ik uiteraard ook de effecten op het milieu zal meewegen.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde van uw beantwoording gekomen?
Minister Van Essen:
Ja.
De voorzitter:
Ik geef ruimte voor één vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ten eerste dank voor de positieve reacties op de voorstellen van de Partij voor de Dieren. Ik heb nog een vraag over de motie op stuk nr. 1806. Wij vinden sowieso dat dit symptoombestrijding is, maar waar we ons het meest zorgen over maken is dat het gebruik van schelpgruis voor het zogenaamd helpen van de natuur wordt ingezet zonder goede wetenschappelijke toets en dat dit ook negatieve gevolgen kan hebben voor de natuur. Kan de minister toezeggen dat als hij dit gaat overwegen, hij hier wetenschappers goed naar laat kijken, zodat het geen schade toebrengt aan de natuur?
Minister Van Essen:
Natuurherstel is de enige weg vooruit, zeg ik met enige regelmaat. Als we dan kortetermijnacties zouden doen die juist het tegenovergestelde bewerkstelligen, ben ik daar geen voorstander van. Ik wil de suggesties die door wetenschappers worden gedaan over hoe het wel zinvol kan zijn op bepaalde plekken meenemen. Die nuance zie ik namelijk ook in de motie van de heer Boomsma en die nuance vind ik belangrijk. Dus op die manier wil ik er dan naar kijken.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid en de beantwoording in de Kamer.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Over de moties zal vandaag bij aanvang van de middagvergadering worden gestemd. Meneer Meulenkamp vraagt hoe laat dat is, maar dat weten we nooit in dit huis. Houd het dus goed in de gaten.
Ik dank de minister. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
Raad Buitenlandse Zaken Handel d.d. 22 mei 2026
Raad Buitenlandse Zaken Handel d.d. 22 mei 2026
Aan de orde is het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken Handel d.d. 22 mei 2026 (21501-02, nr. 3393).
Termijn inbreng
De voorzitter:
We gaan meteen verder met het volgende tweeminutendebat. Dat betreft het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026. Ik heet de nieuwe minister in ons midden, de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, van harte welkom. Ik geef het woord aan mevrouw Dobbe als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland 110 miljoen euro aan dual-use-onderzoekstechnologie levert aan Israël, die ook wordt ingezet door het leger;
constaterende dat wapens en dual-usegoederen niet geëxporteerd mogen worden naar landen waar risico is op mensenrechtenschendingen;
verzoekt de regering een algeheel wapenembargo op Israël in te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 3403 (21501-02).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering zich blijvend in te zetten voor maatregelen om wapenstromen richting strijdende partijen in Sudan te stoppen en daarbij ook expliciet te kijken naar het eigen wapenexportbeleid om te voorkomen dat wapens via Nederland in handen komen van strijdende partijen in Sudan, en hierover de Kamer te informeren;
verzoekt de regering zich ook blijvend in te spannen voor een wapenembargo voor heel Sudan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Ceder, Kröger en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3404 (21501-02).
Mevrouw Dobbe (SP):
Extra relevant is dat we gisteren een rondetafelgesprek hebben gehad over seksueel geweld in conflictgebieden. Daar zullen we later nog meer over spreken. Daaruit werd heel erg duidelijk dat de internationale gemeenschap zich moet inspannen om ervoor te zorgen dat de strijdende partijen in Sudan niet meer worden gesteund door externe partijen. Het is in Sudan niet een oorlog tussen twee partijen ín Sudan; ze worden gevoed door landen buiten Sudan. Dat hebben we hier eerder ook besproken, maar dat moeten we blijven benadrukken, want wij hebben bijvoorbeeld handelsrelaties met een aantal van de landen die deze strijdende partijen steunen. Ik werd door mevrouw Kröger net ook gewezen op een hele mooie foto die is gedeeld door de minister van Buitenlandse Zaken, denk ik, van de Verenigde Arabische Emiraten, die hier op bezoek was geweest. Ik zie onze minister van Handel daar heel erg trots naast staan. Dan vraag ik mij toch af wat we bespreken met de Emiraten, een land dat een van de grootste aanjagers is van deze enorme oorlog in Sudan. Ik denk dat mevrouw Kröger daar ook nog wel een vraag over heeft.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Ceder namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb de motie van mevrouw Dobbe die gaat over het bespreekbaar maken van de rol van de VAE ten aanzien van de humanitaire ramp in Sudan meegetekend.
Ik heb twee moties over de situatie in Indonesië. De EU is bezig met een handelsakkoord. Op zich heb ik daar geen bezwaar tegen, maar de mensenrechtensituatie in zowel West-Papoea als op de Molukken, waarvan ik denk dat Nederland er vanuit historisch oogpunt ook een zorgplicht voor heeft omdat hier ook Molukse gemeenschappen leven, maakt dat we als Nederland een extra rol hebben om er in ieder geval voor te zorgen en te bewaken dat de mensenrechten daar verbeteren alvorens tot een akkoord over te gaan. Daarom heb ik twee moties. Eén gaat over de Molukken daar en de andere over West-Papoea, omdat daar soortgelijke schendingen zijn, maar ze twee verschillende dynamieken kennen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de mensenrechtensituatie op de Molukken zorgelijk is en mensenrechtenorganisaties hebben gerapporteerd over mensenrechtenschendingen aldaar;
overwegende dat in een handelsakkoord tussen de EU en Indonesië de eerbiediging van mensenrechten moet zijn gewaarborgd, waaronder die van de Molukkers;
verzoekt de regering om de Europese Commissie te verzoeken om de ruimte zo veel als mogelijk te benutten om verbetering van de mensenrechtensituatie op de Molukken bespreekbaar te maken, bijvoorbeeld bij de dialoog in het kader van de implementatie, en hierin te proberen Europese medestanders te vinden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 3405 (21501-02).
De heer Ceder (ChristenUnie):
De tweede motie gaat over West-Papoea.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de mensenrechtensituatie in West-Papoea zorgelijk is en mensenrechtenorganisaties hebben gerapporteerd over mensenrechtenschendingen aldaar;
overwegende dat in een handelsakkoord tussen de EU en Indonesië de eerbiediging van mensenrechten moet zijn gewaarborgd, waaronder die van de Papoea's;
verzoekt de regering om de Europese Commissie te verzoeken om de ruimte zo veel als mogelijk te benutten om verbetering van de mensenrechtensituatie in West-Papoea bespreekbaar te maken, bijvoorbeeld bij de dialoog in het kader van de implementatie, en hierin te proberen Europese medestanders te vinden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 3406 (21501-02).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Verkuijlen namens de VVD. Gaat uw gang.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank u, voorzitter. Ik sluit me aan bij de woorden van mevrouw Dobbe over de impact van de technische briefing die we gisteren hadden over seksueel geweld in conflictgebieden. Het is absoluut nodig dat we daar in deze Kamer volledige aandacht voor hebben. Ik zie ernaar uit om daar met de minister verder van gedachten over te wisselen op een passend moment.
Voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Europese grondstoffen voor aluminium, waaronder aluinaarde, via internationale ketens nog altijd Russische smelters bereiken;
constaterende dat dit aluminium vervolgens wordt geleverd aan gesanctioneerde Russische defensiebedrijven voor de productie van wapens en munitie;
overwegende dat het onacceptabel is dat Europese grondstoffen indirect de Russische oorlogsmachine voeden;
verzoekt de regering om in Europees verband te pleiten voor sancties die ertoe strekken de Europese export van aluinaarde naar Rusland aan banden te leggen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Verkuijlen, Lohman en Bamenga.
Zij krijgt nr. 3407 (21501-02).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Van Baarle namens DENK.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet erkent dat er ernstige zorgen bestaan over staatsgeleide dwangarbeid tegen Oeigoeren in Xinjiang (Oost-Turkestan);
constaterende dat het kabinet in de beantwoording aangeeft bereid te zijn de Europese Commissie te verzoeken Xinjiang op te nemen in de Europese database met risicoregio's onder de Anti-dwangarbeidverordening;
verzoekt de regering om spoedig bij de Europese Commissie te pleiten voor opname van geheel Xinjiang (Oost-Turkestan) als formele hoogrisicoregio onder de Europese Anti-dwangarbeidverordening,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3408 (21501-02).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet nog geen duidelijkheid geeft of de situatie van de Oeigoeren expliciet onderdeel zal zijn van de aankomende handelsmissie naar China;
overwegende dat mensenrechten en het tegengaan van dwangarbeid integraal onderdeel moeten zijn van economische betrekkingen met China;
verzoekt de regering om tijdens de handelsmissie naar China expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3409 (21501-02).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende de grootschalige staatsgeleide dwangarbeid van Oeigoeren in China;
constaterende dat de Europese Anti-dwangarbeidverordening vanaf 2027 van toepassing wordt en Nederland momenteel werkt aan de nationale implementatie daarvan;
verzoekt de regering om de Anti-dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3410 (21501-02).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om tijdens de aankomende Raad Buitenlandse Zaken Handel expliciet te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël-associatieakkoord,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3411 (21501-02).
De heer Van Baarle (DENK):
Tot slot, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Israëlische minister Ben-Gvir uitspraken heeft gedaan die aanzetten tot misdaden, en recentelijk de opvarenden van de Flotilla onmenselijk heeft behandeld;
overwegende dat deze minister vele illegale nederzettingen aankondigt;
verzoekt de regering om tijdens aankomende Raden te bepleiten EU-sancties tegen Ben-Gvir te treffen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 3412 (21501-02).
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u vriendelijk.
De voorzitter:
Dank u vriendelijk, meneer Van Baarle. Het woord is aan de heer Lohman voor zijn inbreng namens het CDA.
De heer Lohman (CDA):
Veel dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen. Onze aandacht in de beantwoording ging uit naar de Straat van Hormuz. De ureumprijs is 70% gestegen en 45 miljoen mensen dreigen in voedselonzekerheid te komen, maar de conclusie die het CDA daaraan verbindt, ontbreekt. Het gaat namelijk niet alleen om kunstmest. Voor essentiële aminozuren en vitamines voor de veehouderij, lysine, threonine en vitamine B12, zijn we voor wel 75% tot 100% afhankelijk, met name van China. Voor eiwitrijk veevoer zijn we voor meer dan 70% afhankelijk van Brazilië en de Verenigde Staten. Daar maakt het CDA zich zorgen over. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het regeerakkoord inzet op diversificatie van toeleveranciers van kritieke grondstoffen en voedselzekerheid als essentiële waarde benoemt in het landbouwbeleid;
constaterende dat de afsluiting van de Straat van Hormuz de kwetsbaarheid van toeleveringsketens voor de voedselproductie heeft blootgelegd;
overwegende dat de EU voor cruciale inputs voor de voedselproductie, waaronder eiwitrijke veevoeders, essentiële aminozuren, vitamines en meststofgrondstoffen, voor 70% tot 100% afhankelijk is van een beperkt aantal leveranciers, waaronder China;
verzoekt de regering voedselgrondstoffen expliciet mee te nemen in het beleid rond het afbouwen van risicovolle strategische afhankelijkheden, en de Kamer hierover te informeren in de aangekondigde brief over de Critical Raw Materials Act,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Lohman en Verkuijlen.
Zij krijgt nr. 3413 (21501-02).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Bamenga namens D66.
De heer Bamenga (D66):
Voorzitter. In het overleg spraken we al over de handelsrelatie met Israël. Gisteren zagen we opnieuw een schokkende schending van het internationaal recht, dit keer tegen onze eigen burgers. Nederlanders werden op open zee geplukt, geboeid en publiekelijk vernederd door extremisten die zich in Israël "minister" mogen noemen. Het is goed dat het kabinet dit hard veroordeelt en de ambassadeur op het matje roept, maar de ellende gaat gewoon door. Er komt nog altijd veel te weinig hulp Gaza binnen. De bezetting dijt iedere dag verder uit en de Israëlische regering spuugt keer op keer op het internationaal recht. Neem minister Smotrich. Hij vreest een internationaal arrestatiebevel wegens oorlogsmisdaden. Zijn reactie daarop is dreigen met meer oorlog en het leegvegen van nog meer Palestijnse dorpen op de Westbank.
Mijn fractie is blij dat deze minister met nationale handelsmaatregelen komt, maar dit vraagt ook om Europese consequenties. Gisteren is namelijk niet alleen Nederland geschoffeerd; ook Belgische, Deense, Franse, Griekse, Italiaanse, Portugese en Spaanse burgers zijn mishandeld. Dus mijn oproep is helder: grijp dit moment aan. Grijp dit moment aan. Breek het associatieverdrag van de EU met Israël open. Gebruik de verontwaardiging in Europa om door te pakken. Aan deze minister vraag ik daarom concreet: gaat hij morgen opnieuw steun zoeken voor een EU-breed verbod op handel met illegale nederzettingen? Het voortdurend schenden van het internationaal recht moet gevolgen hebben. Graag een toezegging van de minister.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bamenga. Ik geef ruimte voor één interruptie. Mevrouw Kröger.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
De oproep aan de minister steun ik uiteraard volledig. Alleen gaat een oproep om Europabreed die handel met illegale nederzettingen eindelijk te stoppen, tijd kosten. Nederland heeft ook zelf een wet in voorbereiding. Deelt de heer Bamenga dan ook mijn oproep aan de minister "zorg dat dat wetsvoorstel echt z.s.m. bij de Kamer ligt"?
De heer Bamenga (D66):
Het lijkt me heel erg belangrijk dat er ook nationale maatregelen komen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Gisteren is een motie ingediend waarin staat "verzoekt de regering alle schendingen van het internationaal recht, ongeacht wie ze pleegt, te veroordelen". Zal D66 die dan steunen?
De heer Bamenga (D66):
Mevrouw Dobbe weet heel erg goed hoe ik erin sta als het gaat om internationaal recht: het is heel erg belangrijk dat we ons uitspreken als het geschonden wordt. Dat hebben wij toen bij Venezuela gedaan. Dat heb ik zeker ook gedaan als het gaat om Libanon. Dat doe ik iedere keer als het gaat om Israël. Het maakt niet uit welk ander land: waar duidelijke schendingen zijn moet dat uitgesproken worden.
De heer Van Baarle (DENK):
We hebben allemaal de schofterige behandeling door de misdadigers uit Israël van de opvarenden van de Flotilla gezien. Ik kan me dus heel goed voorstellen dat de heer Bamenga er zeer veel waarde aan zou hechten dat het kabinet en deze minister mijn moties die vragen om nu expliciet in de komende Raad voor opschorting van het handelsdeel te pleiten en die vragen om sancties tegen Ben-Gvir, van oordeel Kamer voorzien. Vindt de heer Bamenga dat?
De heer Bamenga (D66):
Ik ga niet over wat het kabinet voor oordeel zou moeten hebben, maar volgens mij is het in mijn verhaal heel duidelijk wat ik vind van wat er nu speelt met de Flotilla.
De voorzitter:
Meneer Ceder, kort en bondig.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ook ik heb gisteren met afschuw gekeken naar de beelden. Ik heb dat aan de Israëlische ambassadeur laten weten. Ik vind het goed dat de Nederlandse regering de ambassadeur heeft ontboden. Dat vind ik dus goed. We hebben vaker debatten gehad over het standpunt van D66 ten aanzien van de EU en handelsakkoorden. We kregen gisteren in een brief van dit kabinet over de VAE en Indonesië te horen dat het kabinet het niet opportuun vindt om bijvoorbeeld mensenrechten randvoorwaardelijk te maken omdat je die juist kan gebruiken om in gesprek te blijven en zo diplomatiek effectief te zijn. Nu hoor ik D66 zeggen dat ze het handelsverdrag willen opschorten.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Eerder hoorde ik ook dat D66 deze stap niet wil zetten ten aanzien van de moties die ik heb medeondertekend ten aanzien van Sudan en Indonesië over opschortingen. Mijn vraag is waar het verschil in zit en of u dat standpunt kunt toelichten. Hoe kijkt u naar de relatie van de EU tot handelsverdragen?
De heer Bamenga (D66):
Bedankt voor de vraag. Volgens mij heb ik iedere keer aangegeven dat het er natuurlijk altijd om gaat dat je bij ieder land kijkt wat er nodig is en wat effectief is. Dat heb ik volgens mij ook iedere keer aan de heer Ceder aangegeven.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Kröger van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Handel is Europa's belangrijkste drukmiddel voor de naleving van mensenrechten en het internationaal recht. Dat speelt op een heleboel plekken, maar ik wil vandaag over twee specifieke plekken vragen stellen, allereerst over Israël. Daar zijn een aantal vragen over gesteld. Met weerzin hebben we gisteren naar de beelden gekeken en heeft het kabinet zich uitgesproken, maar Gazanen worden dagelijks zo behandeld. Gaat de motie-Piri echt uitgevoerd worden? Gaat deze minister keihard pleiten voor het opschorten van het handelsdeel van het EU-verdrag? En wanneer krijgen wij als Kamer het wetsvoorstel over de handel in illegale producten uit de bezette gebieden?
Voorzitter. Dan Sudan. We weten allemaal dat de oorlog daar voortwoekert door regionale krachten en dat de Emiraten daar een belangrijke rol in spelen. Deze minister erkent dat ook. Op een Emiraatse website zag ik een vrolijke foto van deze minister met een counterpart. Er is gesproken over een strategisch partnerschap. Wat houdt dat in? Heeft de minister in deze gesprekken ook de situatie in Sudan en de rol die de Emiraten daarin spelen, aangekaart?
Voorzitter. Dan de volgende motie over het feit dat Petrogas Nederland aanklaagt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland onder het Investor-State Dispute Settlement (ISDS) wordt aangeklaagd door bedrijven als Shell, ExxonMobil en Petrogas vanwege democratisch tot stand gekomen maatregelen in het algemeen belang, zoals sluiting van het Groninger gasveld en invoering van de solidariteitsbijdrage;
constaterende dat Nederland partij is bij ongeveer 75 handels- en investeringsverdragen die een vorm van ISDS bevatten en dit soort zaken mogelijk maken;
overwegende dat Nederland uit het Energy Charter Treaty is gestapt, onder andere vanwege het risico van dit soort zaken door private partijen;
verzoekt de regering om in kaart te brengen waar kwetsbaarheden zitten voor Nederland en zijn handelspartners als gevolg van verdragen met ISDS of ICS, waaronder het inperken van beleidsvrijheid, en hoe Nederland en Europa deze risico's mitigeert bij toekomstige verdragen, en hierover de Kamer na de zomer te rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Dobbe.
Zij krijgt nr. 3414 (21501-02).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Hoogeveen namens JA21.
De heer Hoogeveen (JA21):
Voorzitter. De triloog omtrent de Turnberrydeal tussen Amerika en de EU is afgerond, maar de inkt staat nog steeds niet op het papier. Wij vinden dat het kabinet focus moet houden. We hebben gisteren een heel debat gehad over de volatiliteit van de Amerikaanse politiek. Zie de volgende motie dus als een stok achter de deur.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de uitvoering van de Turnberrydeal nog niet is afgerond;
overwegende dat bedrijven gebaat zijn bij voorspelbaarheid en het voorkomen van nieuwe onzekerheid;
verzoekt de regering zich in de Raad in te zetten voor een spoedige afronding van de besluitvorming over de Turnberrydeal,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Hoogeveen en Verkuijlen.
Zij krijgt nr. 3415 (21501-02).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Commissie met het "Made in Europe"-beleid inzet op een Europese industriële basis en strategische autonomie;
constaterende dat China hiertegen dreigt met tegenmaatregelen, terwijl het zelf jarenlang een actief industriebeleid heeft gevoerd en buitenlandse markttoegang heeft beperkt;
overwegende dat strategische autonomie niet moet leiden tot protectionisme of verdere ontkoppeling;
overwegende dat Nederland, de EU en China grote wederzijdse economische belangen hebben en dat verdere handelsspanningen schadelijk zijn voor mondiale waardeketens;
verzoekt de regering zich in Europees verband in te zetten voor de-escalatie van de handelsspanningen met China en de dialoog te benutten om te pleiten voor wederkerige markttoegang, aanpak van oneerlijke handelspraktijken en het voorkomen van nieuwe handelsbelemmeringen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 3416 (21501-02).
De heer Hoogeveen (JA21):
Voorzitter. Dan heb ik nog een korte vraag. Ik heb eerder een motie ingediend, die is aangenomen, om het kabinet zich te laten uitspreken tegen protectionisme, tegen protectionistische eisen in de Industrial Accelerator Act, en specifiek tegen de local-contenteis. Nu lees ik in het schriftelijke overleg dat het kabinet terughoudend is. Ik maak eruit op dat het kabinet er in Brussel niet voor gaat liggen. Het klinkt toch wat afwachtend. Kan de minister duiden hoe Nederland hier precies op acteert in de Europese Raad? Want nogmaals, die soort local-contenteisen zijn niet in het belang van Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen aan de termijn van de Kamer. Ik schors zeven minuten, zodat de minister de beantwoording kan voorbereiden. Ik wijs de leden erop dat hierna twee grote wetsbehandelingen gepland staan. Vanavond is er ook een belangrijk debat. Er zal dus zeer beperkt ruimte zijn voor een debat met de minister.
De vergadering wordt van 11.15 uur tot 11.26 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.
Termijn antwoord
Minister Sjoerdsma:
Voorzitter, dank. Het vorige commissiedebat RBZ Handel stond eigenlijk nog in het teken van de ministeriële conferentie van de WTO. Zoals de leden ook weten, was de uitkomst van die conferentie teleurstellend. Dat betekent dat het eerste agendapunt op de Raad van morgen dan ook de vraag is hoe we hier nog een slinger aan kunnen geven.
Het is misschien toch goed om ook even bij het tweede agendapunt stil te staan: het belang van de-escalatie en de veilige heropening van de Straat van Hormuz. Die zaken zijn essentieel, niet alleen voor onze handel, maar ook voor die van de lage-inkomenslanden. Natuurlijk is het ook belangrijk om te spreken over de handelsakkoorden, die van ongelofelijk groot belang zijn voor onze economie, onze verduurzaming en onze weerbaarheid, en voor het versterken van onze cruciale partners.
Ons doel voor morgen is dan ook duidelijk: het verdienvermogen vergroten, onze strategische afhankelijkheden verkleinen en meer geïntegreerd Europees optreden tegen de grotere machten, zoals China en de Verenigde Staten.
Ik zeg misschien nog één ding over de Verenigde Staten, ook omdat Kamerlid Hoogeveen daarover sprak. We verwelkomen uiteraard de uitkomsten van de triloog. Het is ongelofelijk belangrijk dat de handelsrelaties met de Verenigde Staten stabiel zijn. Dat is voor bedrijven en consumenten aan beide kanten van de Atlantische Oceaan van groot belang. Maar ik zeg daar ook het volgende bij. Als de Europese Unie zich aan de afspraken houdt, mogen wij ook van onze Amerikaanse bondgenoten verwachten dat zij zich aan de afspraken houden, en dus ook nu, op korte termijn, stappen zullen zetten op het gebied van bijvoorbeeld staal- en aluminiumderivaten.
Voorzitter. Dan de gestelde vragen. Er is een aantal vragen aan mij gesteld. Allereerst kom ik op de vragen die zien op Israël.
Er zijn vragen gesteld over ons nederzettingenbeleid. Laat ik daar heel helder over zijn: het kabinet veroordeelt het illegale nederzettingenbeleid. Het kabinet veroordeelt de annexatie die momenteel gaande is op de Westelijke Jordaanoever. Dat betekent ook dat wij maatregelen nemen. Wij nemen nationale maatregelen. Kamerleden hebben gevraagd naar nationale maatregelen als het weren van producten uit nederzettingen. Die komen binnen afzienbare tijd naar uw Kamer, zou ik durven zeggen.
Dat is natuurlijk één maatregel, maar als je echt effectief iets wil doen — daar hebben verschillende Kamerleden ook naar gevraagd — dan zul je dat Europees moeten doen. Daar heeft mijn collega, de minister van Buitenlandse Zaken, in zijn raden in Brussel zeer nadrukkelijk aandacht voor gevraagd. Daar zal ik deze vrijdagmorgen opnieuw bij mijn handelscollega's aandacht voor vragen. De motie-Piri is dus kabinetsbeleid; mevrouw Kröger vroeg dat. Wij willen dat handelsdeel opschorten.
Tot slot over die nederzettingen. U heeft ook gezien dat in de Raad het derde pakket aan sancties tegen kolonisten is aangenomen. Nederland werkt samen met anderen ook meteen al aan het vierde pakket. Dat is ook hoognodig. Het kabinet deelt de verontwaardiging die ik ook in uw Kamer proefde over de behandeling van de Flotilla en de mensen die daarop zaten. De premier heeft die "mensonterend" genoemd. De minister van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische ambassadeur op het matje geroepen en duidelijk gemaakt dat dit tegen het internationaal recht is en dat fatsoenlijke behandeling cruciaal is. Inmiddels begrijp ik dat de meesten op weg naar Turkije zijn. Het is natuurlijk van ongelofelijk groot belang dat dit op deze manier gebeurt. Er is een zeer grote betrokkenheid van het kabinet hierbij.
Voorzitter. Er was een vraag op het gebied van de VAE. Misschien noem ik twee dingen hierover. Ik snap de zorgen die de Kamer bijvoorbeeld over Sudan heeft, heel goed. Meerdere mensen verwezen naar de bijeenkomst over seksueel geweld in dat conflict en in andere zaken. Wij gebruiken dit soort gesprekken … Laat ik het anders zeggen: zonder deze gesprekken is het niet mogelijk voor Nederland om deze zorgen expliciet aan te kaarten. Ik snap dus goed dat u liever niet wil dat er allemaal foto's zijn, maar tegelijkertijd: als die foto's er niet zijn en als ik die gesprekken niet aanga, kunnen dit soort dingen niet worden aangekaart.
In bredere zin geldt dat niet alleen voor zaken die Sudan aangaan, maar bijvoorbeeld ook voor de Straat van Hormuz, en de gevolgen die dat onderwerp heeft voor het Globale Zuiden. Ja, wij moeten die gesprekken dus aangaan, ook met landen waarvan sommigen van u, niet onterecht, zeggen dat die niet geheel onze waarden delen.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde gekomen van de beantwoording van de gestelde vragen?
Minister Sjoerdsma:
Nee. Nee, dat ben ik niet.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u die eerst afrondt.
Minister Sjoerdsma:
Ja. De heer Hoogeveen had namelijk ook een vraag gesteld over de local content requirements in de IAA. Het klopt dat het kabinet daarin terughoudend is. Die kunnen soms een rol spelen, maar we hebben ook een terughoudende positie, want dit zijn handelsbelemmeringen en we willen protectionisme zo veel mogelijk voorkomen. Daarmee ben ik aan het einde gekomen van mijn beantwoording.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag, mevrouw Kröger.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Het viel behoorlijk op dat de foto's wel te zien waren op een Emiratiwebsite en dat wij als Kamer überhaupt niet weten wat er besproken is. Ik zou dus graag meer details ontvangen over dat strategisch partnerschap met de Emiraten. De minister noemt hier dat de rol die de Emiraten spelen in Sudan, expliciet benoemd is. Kan hij bevestigen dat dus ook in dit soort contact altijd de rol die de Emiraten spelen in Sudan onderwerp van gesprek is?
Minister Sjoerdsma:
Ik denk dat we ook even moeten voorkomen dat er verkeerde veronderstellingen ontstaan. Ik denk dat het strategisch partnerschap waarnaar verwezen wordt, het partnerschap tussen de Europese Unie en de VAE is. Dat is geen bilateraal partnerschap. Ik denk dat dat een geruststelling kan zijn voor mevrouw Kröger. Tegelijkertijd zeg ik dat ik niet over elk gesprek verslag ga uitbrengen aan deze Tweede Kamer. Ik hoop ook dat u dat begrijpt. Ik denk dat dit niet nuttig is. Ik kan wel zeggen dat zowel de minister van Buitenlandse Zaken als de premier als ikzelf op elk moment dat dat dienstig is de zaak opbrengen en de zorgen overbrengen die uw Kamer met ons deelt.
Mevrouw Dobbe (SP):
Wij vragen er natuurlijk naar omdat deze afschuwelijke oorlog in Sudan al een paar jaar duurt. Door alle rapporten van mensenrechtenorganisaties en internationale instanties weten we inmiddels ook wel wie daar de spelers zijn en dat het internationaal wordt gevoed. Ik snap dan ook nog wel dat deze minister zegt: ik ga in gesprek, want dat is nodig en dat doen we dan onder het mom van stille diplomatie.
De voorzitter:
Uw vraag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Maar ik wil voorkomen dat we hetzelfde zien als in andere situaties, namelijk dat die stille diplomatie heel lang duurt, geen resultaat heeft en we dan niet opschalen.
De voorzitter:
Uw vraag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Snapt de minister deze zorg? Wanneer komen we dan op het punt waarop we zeggen dat we toch iets anders moeten gaan doen dan het aankaarten in deze gesprekken?
Minister Sjoerdsma:
Dat snap ik heel goed. Ik snap ook goed dat het soms frustrerend is. Als er, in algemene zin, schendingen van het internationaal recht zijn, is het kabinet daar natuurlijk uitgesproken over, maar soms moet je inderdaad kiezen: doe je dat nu, doe je dat iets later, doe je dat publiek of doe je dat achter de schermen? Ik snap de vraag van mevrouw Dobbe wanneer daar dan een eind aan komt, ook goed. Tegelijkertijd zie ik nog steeds wel perspectief in die gesprekken. Ik zie dat ook omdat bijvoorbeeld in mijn gesprekken met de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken tijdens mijn bezoek aan Egypte helder was dat hierover hele serieuze gesprekken gaande zijn. Zolang dat perspectief er is en zolang die mogelijkheden er zijn, zal Nederland zijn volle gewicht inzetten om ervoor te zorgen dat de kwalijke rol die hier werd beschreven, wordt gestopt. Op het moment dat we dat perspectief verliezen, komen we uiteraard bij u, bij de Kamer, terug met de maatregelen die we dan voorstellen.
De heer Van Baarle (DENK):
Op dit onderwerp is ook een motie van mij en mevrouw Dobbe aangenomen. Die vraagt deze regering om de Europese Commissie te vragen om die handelsbesprekingen over dat akkoord in te zetten om de rol van VAE bespreekbaar te maken, maar ook om daarvoor Europees afstemming te zoeken met andere landen. Ik zou graag van deze minister willen horen dat hij ook richting de komende Raad inspanningen gaat leveren om a, met andere landen hierop verbintenissen te maken en b, de Europese Commissie inderdaad in die handelsbesprekingen op te roepen om dat als leverage te gebruiken om die rol te stoppen.
Minister Sjoerdsma:
Die motie is aangenomen en zit ook in mijn achterhoofd. Het staat niet helemaal op de agenda, maar daar waar ik dat vrijdag kan doen en waar ik de gelegenheid heb om dat in bilaterale gesprekken met de Eurocommissaris of met gelijkgezinde landen te doen, zal ik dat zeker doen. Bij dezen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
In antwoord op onze vragen van de afgelopen dagen gaf de minister ten aanzien van het handelsakkoord met Indonesië aan dat het afhouden van het sluiten van het handelsakkoord vanwege mensenrechtenschendingen — ik heb daar twee moties over ingediend — een negatieve impact zou hebben op de relatie met de EU en dat het kabinet kiest voor de diplomatieke weg. Ten aanzien van de VAE worden een soortgelijke stille diplomatie en andere stappen ingezet, hoor ik net.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Maar over de toezegging aan D66 ten aanzien van Israël zegt u: daar moeten we stappen in nemen. Dat kan ik begrijpen, maar ik begrijp niet wat nou de lijn van het kabinet is ten aanzien van handel inzetten op het moment dat je iets wilt bewerkstelligen, ook in het licht van die stille diplomatie en van wat effectieve diplomatieke communicatie is. De vraag is dus of de minister daarover duidelijkheid zou willen geven.
Minister Sjoerdsma:
Dank aan de heer Ceder dat hij inderdaad dat onderscheid ziet tussen het handelsakkoord met aan de ene kant Israël en misschien Indonesië en de VAE aan de andere kant, al zou ik ook die twee landen niet over één kam willen scheren. In algemene zin geldt natuurlijk dat zowel Nederland als de Europese Unie een zeer intensieve mensenrechtendialoog voeren met al deze landen en dat handelsakkoorden waar die er nog niet zijn, zoals bij Indonesië, de kans geven om die mensenrechtendialogen te verankeren. Dat geeft vervolgens ook weer een haak, zoals we nu met Israël zien met het associatieakkoord, dat als landen echt over de schreef gaan, je die ook weer kan opschorten. Dat betekent dat je een heel effectief instrument erbij hebt gekregen, los van het feit dat het banen kan creëren; als het echt fout gaat, heb je een heel effectief instrument om het beleid van dit soort landen te beïnvloeden. Je doet het dus aan de voorkant met dialoog en als je eenmaal zo'n verdrag hebt, dan heb je een ongelofelijk sterke haak om dat soort landen hieraan te houden.
De voorzitter:
De moties.
Minister Sjoerdsma:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 3403, van mevrouw Dobbe, moet ik ontraden. We zijn geen voorstander van een algeheel verbod, maar we hebben echt een ongelofelijk streng verbod, zeg ik tegen mevrouw Dobbe. Ik durf wel te zeggen dat we daarin in Europa vooroplopen. We hebben dat zeer aangescherpt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3403: ontraden.
Minister Sjoerdsma:
De motie op stuk nr. 3404, van mevrouw Dobbe en anderen, krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3405, van de heer Ceder, krijgt ook oordeel Kamer. Het is misschien wel van belang om te zien dat er al een mensenrechtendialoog met Indonesië gaande is onder het bestaande kaderakkoord, maar: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 3406.
Minister Sjoerdsma:
Idem: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3407: ook oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3408: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3409 krijgt ook oordeel Kamer, waarbij ik er misschien één ding aan toevoeg. Dat heb ik ook in de beantwoording van de schriftelijke vragen bij dat overleg gezegd. Ook vanuit Europa wordt er heel serieus gekeken naar dwangarbeid wereldwijd. Die verordening wordt op dit moment omgezet. Nederland werkt ook aan de uitvoering van die verordening. Dus ook vanuit dat oogpunt zal ik hier zeer nadrukkelijk naar kijken.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 3410.
Minister Sjoerdsma:
De motie op stuk nr. 3410: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3411: oordeel Kamer. Dat zal ik ook doen, morgen in Brussel, zeg ik tegen de heer Van Baarle.
De motie op stuk nr. 3412: ontijdig. Er zijn al sancties tegen deze heer.
De voorzitter:
Dan is de vraag of de heer Van Baarle bereid is om zijn motie op stuk nr. 3412 aan te houden.
De heer Van Baarle (DENK):
Er is één nationale maatregel, namelijk dat desbetreffende heer op de SIS-signalering is geplaatst door Nederland, maar er is nog geen meerderheid voor Europese sancties. Ik vraag dus om tijdens de komende Raden, aangezien we recentelijk weer uitspraken hebben gehoord en ook de video hebben gezien, weer te pleiten voor Europese sancties tegen deze meneer Ben-Gvir, die zich zo misdraagt.
Minister Sjoerdsma:
Ook dan hou ik het even bij "ontijdig", omdat dat echt op het terrein van de minister van Buitenlandse Zaken ligt. Dit zal gewoon echt niet aan de orde komen bij de komende Raden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3412: ontijdig. Dan de motie op stuk nr. 3413.
Minister Sjoerdsma:
De motie op stuk nr. 3413: oordeel Kamer. Er wordt mij wel een technisch ding gevraagd, namelijk om dit in een bepaalde aankomende brief te laten verwerken. Dat gaat in een andere brief worden verwerkt: een brief vanuit het ministerie van Landbouw.
De voorzitter:
Ik kijk naar de heer Lohman; hij knikt. Daarmee krijgt de motie oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 3414.
Minister Sjoerdsma:
De motie op stuk nr. 3414 moet ik ontraden. Ik ga namelijk niet mee in de aanname dat investeringsbeschermingsafspraken leiden tot kwetsbaarheden van Nederland.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 3415.
Minister Sjoerdsma:
De motie op stuk nr. 3415: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 3416: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dank u wel. Eén vraag van mevrouw Kröger.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Feit is dat Shell en ExxonMobil ons hebben gedaagd vanwege het sluiten van het Groninger gasveld, en Petrogas nu een geschil is begonnen vanwege het instellen van een solidariteitsbijdrage. Dat brengt aanzienlijke kosten met zich mee. Ik wil het woord "risico" of "kwetsbaarheden" best vervangen door een ander woord, maar ik hoop dat de minister erkent dat er gevolgen zitten aan die soort geschillenprocedure, want dat zijn die drie casussen die ik noem.
De voorzitter:
Wellicht kan de minister voor de Handelingen een suggestie doen. Anders zullen we het even zien.
Minister Sjoerdsma:
Ik kan mevrouw Kröger tegemoetkomen door te zeggen dat wij inzetten op een modernisering van het systeem. Maar ook met deze wijziging kan ik de motie geen oordeel Kamer geven. Het blijft dus: ontraden.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de spoedige beantwoording. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Over de ingediende moties zal bij aanvang van de middagvergadering worden gestemd. Ik dank nogmaals de minister en de deelnemende leden. Ik schors een enkel ogenblik.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) (35501).
Termijn inbreng
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is, een hele mond vol, de Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen (35501). Ik heet de minister van Asiel en Migratie van harte welkom in vak K en in ons midden, overigens ook voor de rest van de dag. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Westerveld … Ik zie meneer Ceder bij de microfoon.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Vanwege het geschuif in debatten heb ik het voorstel dat ik als eerste ga en dan de heer Van Baarle. Volgens mij is dat akkoord.
De voorzitter:
Als u alle leden die voor u op de lijst staan, daarover heeft geconsulteerd en zij daarmee akkoord zijn, dan is dat goed. O, ik hoor dat u bij meneer Ellian nog iets goed heeft te maken. Hij houdt van chocola.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Gaat uw gang, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank.
Voorzitter. Het onderwerp asiel en migratie lijkt inmiddels een van de belangrijkste identiteitsmarkers geworden binnen de Nederlandse politiek. Ben je voor of ben je tegen? Ook in de samenleving dreigt deze tegenstelling te spelen. Het leidt tot een discours waarbij een normaal gesprek over een ingewikkeld onderwerp niet meer mogelijk lijkt, of waarbij het zelfs als teken van zwakte wordt gezien als je daarover met elkaar in gesprek gaat en de nuances probeert te zien. Voor de ChristenUnie staat recht doen centraal. Asiel en migratie confronteren ons met een gebrokenheid in de wereld. Zolang oorlog, geweld of vervolging zich voordoen en in ons land en Europa vrede en veiligheid te vinden zijn, komen mensen naar ons continent en land op zoek naar bescherming en een toekomst. Als dat gebeurt, moet ook Nederland zijn aandeel nemen. Daarom heeft de ChristenUnie ook jarenlang voor een migratiepact gepleit en recent ook gestemd. We pleiten al jaren voor stabiele opvang met voldoende financiering en capaciteit, het verdelen van de lasten, snelle procedures en snelle integratie en barmhartigheid voor grensgevallen, met name kinderen.
Maar recht doen betekent ook kijken naar zaken als draagvlak, cohesie en waar de grenzen liggen van wat Nederland aankan. De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen was helder: kies voor gematigde groei door gecontroleerde migratie, inclusief de nodige keuzes voor de economie en de ruimtelijke inrichting van Nederland. Daarom streeft de ChristenUnie naar een maximaal migratiesaldo binnen de bandbreedte zoals geschetst door de staatscommissie.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Markuszower. Ik geef vooraf de spelregels. Interrupties zijn onbeperkt, maar wel maximaal in drievoud en, zoals u weet, kort en bondig.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik hoor meneer Ceder zeggen dat hij zich aan wil sluiten bij een streven van de staatscommissie. Ik hoorde laatst de burgemeester van Rotterdam, van dezelfde partij als de heer Ceder, het volgende zeggen; ik zeg het even in mijn eigen woorden: "Aan asiel gaan we gewoon helemaal niks doen. Dat blijft gewoon komen en komen en komen." Ze zei het natuurlijk ietsje anders, maar daar kwam het op neer. Deelt de heer Ceder de mening van de burgemeester?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb de uitzending niet gezien, maar ik heb volgens mij wel op X iets voorbij zien komen. Volgens mij zei de burgemeester dat instroom een factor is die we voor een deel in de hand hebben. Daarom denk ik ook dat we daarop maatregelen moeten nemen; zie ook mijn stemgedrag de afgelopen maanden en jaren. Maar volgens mij probeerde ze ook te zeggen dat er ook de factor is dat migratie van alle tijden is. Ik heb de uitzending zelf niet gezien, maar dat is in lijn met het ChristenUniestandpunt. Je moet stappen zetten waar je dat kan. Je moet pleiten voor beheersbare migratie bij het asielbeleid, maar ook bij andere vormen van migratie, zoals studie, de liefde en dat soort dingen. Volgens mij is dat de insteek geweest, maar ik wil daar verder niet op ingaan, want ik heb het niet gezien. Anders zeg ik iets en leg ik woorden in de mond van iemand, terwijl ik de context zelf niet heb gezien.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik wil er ook niet per se een te lang asieldebat van maken, want het gaat over een wet. Maar de inleiding van die wet, als je aan wil sluiten bij de woorden die de heer Ceder koos in zijn inleiding … Heel veel mensen die hier asiel zoeken, eigenlijk de meesten, komen uit heel veel veilige landen. Die reizen door heel veel veilige landen. Dat zijn zo'n vijf, zes, zeven, acht, negen veilige landen. De vraag is dus: moeten wij hier in Nederland opvang bieden aan mensen die eigenlijk niet vluchten voor oorlog en geweld, maar wel hiernaartoe komen onder de titel "asiel"?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Het antwoord daarop is nee. Zodra je hebt beoordeeld dat iemand niet voldoet aan de criteria die we hebben vastgesteld om onder de status van vluchteling te vallen, dan begin je met de terugkeerprocedure. Dat is voor een deel ook de essentie van deze wet. Ik ben het ermee eens dat het nu niet goed gaat. Ik ben het er ook mee eens dat de terugkeercijfers belabberd zijn. Daar gaat ook een stuk van mijn tekst over. Maar de heer Markuszower en ik verschillen ook van mening, bijvoorbeeld over het huidige Vluchtelingenverdrag. Ik heb vorig jaar een motie ingediend om daar anno 2026 nog eens goed naar te kijken. Op grond van dat verdrag wordt eerst een aanvraag gedaan die vervolgens wordt beoordeeld, alvorens je de conclusie trekt die de heer Markuszower trekt. Dat lijkt me rechtsstatelijk de juiste stap, want anders ga je mensen beoordelen op andere kenmerken dan de inhoud en zo ver zou ik niet willen gaan.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat: de heer Markuszower zei iets heel treffends. Hij zei dat we vandaag over een wet spreken en dat er vanavond nog een debat gepland staat. Ik zou de oproep van meneer Markuszower richting u allen willen herhalen, namelijk om het vandaag in dit debat echt bij de wet te houden en om de overige onderwerpen voor het debat van vanavond te bewaren. U vervolgt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik doe mijn best, voorzitter.
Zoals ik aangaf, betekent "recht doen" kijken naar draagvlak, cohesie en de grenzen van wat Nederland aankan. Ik heb net gememoreerd dat wij de uitkomsten van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen onderschrijven. De ChristenUnie gelooft ook dat gezonde gemeenschappen uiteindelijk een katalysator zijn voor een bloeiende samenleving. "Recht doen aan gemeenschappen" betekent ook eerlijk kijken naar draagkracht en draagvlak voor integratie, zowel sociaal-economisch als cultureel. Recht doen aan de Nederlandse samenleving vraagt ook om op te treden tegen vreemdelingen die zich misdragen en om hen zo snel mogelijk te verwijderen uit onze samenleving. "Recht doen" betekent ook een betrouwbare overheid, die haar eigen afspraken nakomt en die uitvoeringsorganisaties in staat stelt om hun taken te kunnen doen, zowel in Nederland als in Europa.
Voorzitter. Laten we eerlijk zijn: het is ons in de afgelopen jaren op tal van deze vlakken niet goed gelukt om recht te doen. De overheid heeft gefaald. Daarom moeten er een aantal stappen vooruitgezet worden. De ChristenUnie wil graag onderdeel zijn van de oplossing: nuchter, eerlijk en met een brede blik op waar we nu staan.
Dan de wettekst zelf. De wet die we vandaag bespreken, gaat over vreemdelingenbewaring en over specifieke maatregelen die genomen kunnen worden als vreemdelingen overlast geven. Al in 2015, elf jaar geleden, is de oorspronkelijke wet ingediend, maar hij is nog steeds niet aangenomen in de Eerste Kamer. Dat is wel een heel lang wetstraject. De wet ligt nu opnieuw voor in deze Kamer, vanwege de novelle op de oorspronkelijke wet, om specifieke maatregelen te kunnen nemen als vreemdelingen overlast veroorzaken, want de oorspronkelijke wet liet daar te weinig ruimte voor. Daarna kwam nog een nota van wijziging om de wet goed te laten aansluiten op het Migratiepact, dat volgende maand ingaat. Deze maand heeft de minister een nieuwe nota van wijziging gestuurd om de ongewenstverklaring uit te breiden. Ten aanzien van de dwangsommen heb ik een amendement van de heer Diederik van Dijk medeondertekend. Alle opeenvolgende wijzigingen laten daarmee ook een tijdsbeeld zien van de maatschappelijke ontwikkelingen en de politieke antwoorden die daarop zijn gezocht. Mijn inbreng gaat ook over die onderdelen: de vreemdelingenbewaring, de extra maatregelen bij overlast, de ongewenstverklaring en de dwangsommen.
Toch even een korte notitie over de wetskwaliteit. De wet wordt zo namelijk wel een hele flinke kapstok met verschillende onderdelen, met veel haakjes om iets aan op te hangen. Was het niet beter geweest om de onderdelen apart te behandelen, zodat de minister zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer de ruimte had gegeven om per geval een afweging te kunnen maken?
Voorzitter. Het duidelijk opschrijven van de regels die voor vreemdelingenbewaring moeten gelden, kan uiteraard op steun van de ChristenUnie rekenen. Als de uitgeprocedeerde asielzoeker niet aan zijn terugkeer meewerkt, is inbewaringstelling het uiterste middel om te zorgen dat hij terug kan keren. Tegelijkertijd moeten we ook niet doen alsof het in bewaring stellen van de uitgeprocedeerde asielzoekers de volledige oplossing voor hun terugkeer is. De afgelopen jaren zijn elk jaar rond de 4.000 vreemdelingen in bewaring gesteld, maar zijn er slechts tussen de 2.500 en 3.000 vreemdelingen per jaar vanuit bewaring uitgezet. Het gaat vooral om mensen uit Algerije, Marokko, Polen, Nigeria en Turkije. Deze landen nemen niet altijd hun mensen terug. Ondanks herhaaldelijke pogingen van opeenvolgende bewindspersonen om hier met deze landen afspraken over te maken, kan er wat ons betreft nog veel verbeterd worden. Kan de minister aangeven wat de diplomatieke slagkracht van Nederland hierin is? Welke inzet pleegt hij om de cijfers van terugkeer naar veilige landen te verhogen? Waar loopt het op vast en hoe urgent is het voor de minister? Kan de minister toezeggen dat er een aanvullend handelingskader komt voor de manier waarop we de terugkeer en het opnemen van onderdanen kunnen bespoedigen en voor de manier waarop we ook daarover in contact met andere landen kunnen treden?
Voorzitter. De ChristenUnie ziet veel mogelijkheden om terugkeer te bevorderen, zowel gedwongen als vrijwillig en ook voor verschillende verblijfsstatussen. De Dienst Terugkeer en Vertrek zorgt nu wel voor begeleiding en indien nodig wordt er een geldbedrag geboden, maar er is wat ons betreft meer maatwerk mogelijk. De vertrekgesprekken bestaan vooral uit eenrichtingsverkeer. Ik vraag aan de minister hoe effectief deze gesprekken zijn en of daar zicht op is. Ik heb een paar maanden geleden een motie ingediend om terugkeer van mensen met verschillende verblijfsstatussen te stimuleren. Hoe staat het met die motie? Kan de minister toezeggen voor het einde van dit jaar een nieuw plan naar de Kamer toe te sturen, het liefst ook voor de begroting?
Ik ken meerdere organisaties die zich bezighouden met het begeleiden van vreemdelingen zonder papieren naar het land van herkomst. Het gaat om mensen die dat doen omdat ze geloven dat dat beter voor die persoon is en omdat de persoon het zelf ook wil. Ik sprak een paar weken geleden nog met een voorganger van een kerk die bezig is om mensen uit Ghana weer terug te begeleiden, maar momenteel ook in Ghana faciliteiten aan het inrichten is om die mensen, als ze terugkomen, ergens op te vangen en op te leiden en om ze een hoopvolle toekomst te bieden. In Ede sprak ik recent een vrouw die met een stichting bezig is, ook vanuit de positieve insteek om mensen bij de terugkeer te ondersteunen. Ik zou het mooi vinden als we dit niet aan een bepaald politiek discours overlaten, maar in de ontspannenheid kunnen kijken of we ook anno 2026 terugkeer tot een serieuze pijler in ons migratiestelsel kunnen maken en of de overheid de mensen die dat overwegen daarin kan ondersteunen.
Voorzitter. Het volgende punt is vreemdelingenbewaring. Dat is een bestuurlijke maatregel. Het gaat dus niet om een straf. Voor criminele uitgeprocedeerde asielzoekers is er wel een straf: de gevangenis. Er wordt vanuit de gevangenis gewerkt aan hun terugkeer. Tegelijkertijd zijn er vreemdelingen waarbij het noodzakelijk is dat hun vrijheid in afwachting van uitzetting wordt afgenomen. Ik snap het nog niet helemaal. Zou de minister kunnen toelichten hoe dit in de praktijk verschilt met detentie, op dit moment maar ook als de wet is ingevoerd? Hoe waarborgt de minister dat deze twee regimes echt van elkaar te onderscheiden zijn en blijven?
Voorzitter. Dan de ongewenstverklaring. De ChristenUnie kan de uitbreiding van de ongewenstverklaring steunen zoals de minister die heeft voorgesteld. Als je hier in Nederland asiel aanvraagt en hier wil zijn, doe je mee en gedraag je je. Als iemand dat niet doet en een strafbaar feit pleegt waar een gevangenisstraf van minimaal twee jaar op staat, is het gepast om daar consequenties aan te verbinden. Iemand verspeelt dan ook het recht op een verblijfsvergunning.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik hoor de heer Ceder spreken over terugkeren en ik hoor hem vooral ook de schuld leggen bij anderen voor het feit dat vreemdelingen niet terugkeren. Maar volgens mij kan iemand die echt niet kan terugkeren, gewoon aanspraak maken op een buitenschuldvergunning. Denkt de heer Ceder nu dat asielzoekers of andere vreemdelingen die van de rechter te horen hebben gekregen dat ze Nederland moeten verlaten, dat ook daadwerkelijk gaan doen?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat ligt eraan. Je hebt verschillende verblijfsstatussen. Je hebt mensen die asiel hebben aangevraagd en uitgeprocedeerd zijn. Het is ook geen geheim dat heel veel mensen gebruikmaken van schoonmakers die geen asielverleden hebben maar wel ongedocumenteerd zijn. We zien dat zelfs hier in de Kamer. Dat zijn allemaal verschillende situaties, en als je naar de achtergrond daarvan luistert en kijkt, merk je dat terugkeer soms wel wenselijk is maar dat er obstakels zijn. Ik constateer dat de Dienst Terugkeer en Vertrek er wel op inzet, maar uit de gesprekken die ik voer, maak ik op dat je veel creatiever zou moeten kijken naar wat er bij sommige mensen — niet bij alle — nodig is. Ik denk echt dat het percentage dan omhoog kan gaan, maar dan zou ook een partij als de PVV daartoe bereid moeten zijn. Stel je voor dat iemand zegt "ik heb een startkapitaal nodig en dan ben ik echt bereid om terug te keren, want anders heb ik niks en, sorry, dan vind ik het ook lastig om terug te keren", is de PVV dan ook bereid om hier op een creatieve wijze naar te kijken? Als het antwoord nee is, is onderduiken, dus wegduiken voor de politie et cetera, gewoon al een gegeven. Dat was al zo voordat ik geboren werd. Ik probeer dus ook te kijken hoe we anno 2026 tot praktische en creatieve oplossingen kunnen komen ten aanzien van terugkeer.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik zie gewoon dat de heer Ceder en de ChristenUnie meewerken aan het frustreren van het vertrek van vreemdelingen. Meneer Ceder heeft in Kampen de kerk bezocht van mensen die te horen hebben gekregen dat ze Nederland moeten verlaten; als ik dat verkeerd heb, moet hij dat maar zeggen. Zij verblijven al heel lang, maanden, jaren — ik weet niet hoelang ze daar zitten — in een kerk, zodat ze niet uitgezet kunnen worden. Dus u kunt nu wel een stoer verhaal houden en zeggen "we willen dat vreemdelingen die weg moeten, ook terugkeren", maar de ChristenUnie is juist de partij die ervoor zorgt dat dat niet gebeurt. Erken dat dan ook.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mevrouw Vondeling haalt bewust of onbewust — ik weet niet welke van de twee erger is — twee dingen door elkaar. Ik heb het over vrijwillige terugkeer en wat daarbij ervoor nodig is om ervoor te zorgen dat je de faciliteiten en capaciteit biedt om iemand te laten terugkeren. Mevrouw Vondeling heeft het over de situaties waarbij dat niet het geval is; dit heb ik ook aangestipt in mijn vorige interruptie. Er is hier in de Kamer ook een motie aangenomen die zegt dat we toch echt wat scherper moeten kijken naar kinderen die hier vaak ook geboren en getogen zijn en de Nederlandse taal spreken. Daar waar we personeelstekorten hebben in de zorg, in het onderwijs, bij de IND, overal, sturen we mensen die goed Nederlands spreken en goed opgeleid zijn weg, maar sluiten we wel met India migratieakkoorden en halen we met arbeidsmigratie mensen naar Nederland die de taal niet spreken. Dat kan toch slimmer vanuit economisch perspectief? De ChristenUnie probeert vanuit een realistisch perspectief naar deze zaken te kijken en probeert om niet met dezelfde oneliners te komen. Dat is mijn reactie op het argument. Ze haalt twee dingen door elkaar.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. De ongewenstverklaring: kan de minister aangeven hoe hij de uitvoering hiervan ziet? De DJI geeft aan nog niet voorbereid te zijn op deze uitbreiding. Wanneer werkt de minister de bijbehorende lagere regelgeving uit, zodat er zicht komt op de uitvoering? Hoe gaat de minister om met gevallen waarbij mensen vanwege de dreiging uit eigen land niet kunnen terugkeren, maar wel een ongewenstverklaring hebben? Het klopt toch dat Nederland daarin nog steeds een zorgplicht houdt?
Voorzitter. Ik ga naar het laatste punt, de dwangsommen. Mijn fractie is mede-indiener van het oorspronkelijke amendement-Van Dijk/Boomsma. De ChristenUnie staat voor een betrouwbare overheid en uitvoerbaar beleid. Niet alleen de regels moeten kloppen; ook de uitvoering moet werken. We hebben in dit huis helaas veel te vaak meegemaakt dat de overheid faalt: Groningen, toeslagen, asiel. We krijgen het in de uitvoering geregeld niet op orde, terwijl het onze dure plicht is om te doen wat we beloven. Als we dan kijken naar de functie van dwangsommen, dan constateert mijn fractie dat een op zich goed instrument in de rechtsbescherming in de asielketen nu totaal bot is geworden. De IND, de IND zelf, heeft ons zelf in de Staat van de Uitvoering gevraagd om de dwangsom af te schaffen. We geven tientallen miljoenen uit aan het uitbetalen van deze dwangsommen, terwijl er geen asielzoeker eerder door wordt geholpen. Mijn fractie zet daarom een stap vooruit en ziet het als een passende maatregel om de rechterlijke dwangsom af te schaffen. Voor ons is het principe van de dwangsom wel belangrijk. Wat ons betreft zou, wanneer de keten op orde is, een dwangsom een natuurlijke en logische bestuurlijke maatregel zijn. Mijn vraag is of de minister dat deelt.
Voorzitter. Voor mijn fractie is dan wel van groot belang dat alles op alles wordt gezet zodat de IND de zaken op orde krijgt. De Nationale ombudsman rapporteerde gisteren dat de IND jaren nodig heeft, gezien het aantal aanvragen, om binnen de beslistermijn van 6 maanden met een maximum van 21 maanden te komen. Nu is het gemiddeld 17 maanden. Die lange termijn is fnuikend voor de integratie en de terugkeer van asielzoekers. Vorige week zei de minister dat de middelen die niet besteed zullen worden aan dwangsommen, niet automatisch gereserveerd kunnen worden voor de IND en dat er passende maatregelen zijn voor de IND. Mijn vraag aan de minister is of dat voldoende is om op korte termijn de beslistermijnen significant te verkorten. Zo nee, ziet hij hierin een opdracht voor zichzelf richting Prinsjesdag?
Tot slot. Is de minister bereid om naar aanleiding van het verslag van de Algemene Rekenkamer prioriteit te geven aan de terrorismescreening, die nu totaal uit de hand loopt en waarbij het jaren kan duren voordat iemand gescreend wordt? Dat lijkt me een situatie van nationale veiligheid die we ons niet kunnen veroorloven. Kan dat minister dat toezeggen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. Het woord is aan mevrouw Westerveld voor haar inbreng. O, ik zie de heer Van Baarle. Hij heeft alle sprekers verzocht … Ik zie de heer Ellian knikken. Dan staat u niets meer in de weg, meneer Van Baarle. Gaat uw gang, u heeft het woord.
De heer Van Baarle (DENK):
Mag ik de collega's danken voor de collegialiteit?
Voorzitter. De wetsgeschiedenis van deze wet laat zien dat de intentie was om een afzonderlijk bestuursrechtelijk regime naast de Penitentiaire beginselenwet in het leven te roepen. Die keuze vloeide voert uit het juridische uitgangspunt dat vreemdelingenbewaring niet op strafdetentie mag lijken. Dat uitgangspunt ligt vast in verdragen en uitspraken. Het CPT stelt dat het ongepast is om gevangenisregels toe te passen op mensen in vreemdelingenbewaring. Ook in uitspraken wordt gezegd dat het bij vreemdelingenbewaring gaat om een zeer ernstige inmenging in fundamentele rechten en dat daarom een hoger niveau van rechtsbescherming vereist is dan bij gevangenenbewaring. Dus een stelselwijziging was vanuit dat oogpunt eigenlijk noodzakelijk, mits de rechten van vreemdelingen voldoende worden geborgd en men in het stelsel niet te veel naar een penitentiair regime gaat.
Voorzitter. We hebben incidenten gezien, zoals bij Dolmatov. Het CPT sloeg alarm na bezoeken aan het detentiecentrum in Rotterdam, waar mensen volgens deze instantie routinematig in isolatie werden geplaatst en er zelfs gebruik werd gemaakt van excessieve maatregelen. Juist daarom was het ook nodig om dit regime in het leven te roepen. Wij vinden het zorgelijk dat dit wetsvoorstel vanwege de wijzigingen die nu worden doorgevoerd op meerdere punten juist lijkt op te schuiven richting zo'n penitentiair regime. De hoofdvraag voor ons is of de wet die nu gewijzigd wordt eigenlijk nog wel voldoet aan de opzet die we hadden.
Voorzitter. Een groot punt van zorg voor ons is bijvoorbeeld de lockdownbevoegdheid voor de directeur die wordt geïntroduceerd. Hierbij kan de directeur gedurende vier weken fundamentele rechten, zoals bewegingsvrijheid en dagbesteding, beperken. Dat is natuurlijk ingrijpend als het gaat om rechten. De Raad van State gaf ook aan dat deze bevoegdheid eerdere enkele dagen dan weken zou mogen duren. Amnesty waarschuwt expliciet dat deze bevoegdheid ertoe kan leiden dat mensen soms 23 uur per dag op hun cel worden gezet en noemt dit "collectieve bestraffing". Amnesty wijst ook op de mogelijke psychologische gevolgen van langdurige opsluiting. Ook het CPT waarschuwt dat isolatie en langdurige afzondering extreem schadelijke effecten kunnen hebben.
Daarmee raakt deze bevoegdheid — ik zal dit onderwerp even afmaken — rechtstreeks aan fundamentele mensenrechtennormen. Het moet dus ook strikt begrensd, controleerbaar en toetsbaar zijn. Daarom hebben we een aantal amendementen, om de maximale duur van vier weken naar vijf dagen terug te brengen, om expliciet wettelijk vast te leggen dat minder ingrijpende maatregelen eerst aantoonbaar ontoereikend moeten zijn en een en ander voor de vreemdeling op de minst ingrijpende manier moet worden toegepast, en om de toepassing van deze bevoegdheid onverwijld te melden aan de Inspectie Justitie en Veiligheid en de minister. Wij zijn geen voorstander van hoe deze bevoegdheid nu wordt vormgegeven, maar zien dit als minimale waarborgen om een slechte bepaling minder slecht te maken.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb een vraag aan de heer Van Baarle over wat hij net heeft gezegd en ook over de amendementen die hij heeft ingediend. Kijk, die lockdownbevoegdheid is natuurlijk in de wet opgenomen naar aanleiding van incidenten van georganiseerd geweld binnen COA-opvanglocaties, onder andere tegen COA-medewerkers. De heer Van Baarle heeft het over fundamentele rechten die geschonden worden door die lockdownbevoegdheid, maar is hij het met mij eens dat ook COA-personeel het recht heeft om niet in groepsverband in elkaar geslagen te worden? Hoe duidt hij in dat kader zijn amendement waarin hij de termijn wil terugbrengen naar vijf dagen, terwijl het heel goed mogelijk is dat er na vijf dagen nog steeds een dreigende sfeer hangt op zo'n COA-locatie?
De heer Van Baarle (DENK):
Vanzelfsprekend moet het personeel in veiligheid zijn. Als er sprake is van georganiseerd geweld en georganiseerde rellen, is het niet alleen in het belang van het personeel maar ook van die vreemdelingen die niks te maken hebben met die rellen om een situatie van rust te creëren. Dus ik snap dat men zoekt naar een wettelijke bepaling waarbij je in zo'n uiterste situatie rust kan creëren. De kritiek die wij hebben, is dat je, als je de mogelijkheid biedt om dat voor een langere periode, meerdere weken, te doen, eigenlijk een situatie kan creëren waarin je voor een heel lange periode rechten van vreemdelingen buiten werking stelt. Dat moet voldoen aan een best wel zware toets, wil je die buiten werking kunnen stellen. Daarom zeggen wij: verkort die termijn. Volgens mij sluit mijn amendement niet uit dat die termijn kan worden verlengd, mocht het strikt noodzakelijk zijn. En ten tweede zetten wij in de wet dat het strikt noodzakelijk is om de proportionaliteit te toetsen. Je moet het voor vreemdelingen ook op de minst ingrijpende manier doen, omdat je met het inperken van dagbesteding et cetera heel fundamentele rechten inperkt. Dus ja, we moeten oog hebben voor de veiligheid, maar tegelijkertijd moeten we dat omkleden met heel zware waarborgen, om de vreemdelingen te beschermen tegen het inzetten van instrumenten als ze niet noodzakelijk zijn.
De heer Ceulemans (JA21):
Het tegenovergestelde is natuurlijk het geval. De heer Van Baarle zegt dat hij die termijn in plaats van op vier weken op vijf dagen wil zetten. Als het strikt noodzakelijk is, kan het na die vijf dagen eventueel verlengd worden. Maar die termijn die nu in de wet staat, is natuurlijk ook een kan-bepaling. Het kan eventueel korter duren. Als na een paar dagen de rust is wedergekeerd, staat er nergens: het moet en zal per se vier weken zijn. Waarom wil de heer Van Baarle actief de mogelijkheid uit de wet slopen om, als het echt nodig is, zo'n locatie voor langere tijd in lockdown te zetten?
De heer Van Baarle (DENK):
Omdat een lockdown van meerdere weken gewoon uiterst verregaand is. Meerdere weken impliceert dat je mensen voor een hele lange periode per definitie in een quasi-isolatiesituatie kunt zetten, namelijk 23 uur per dag op de cel. Ik vind niet dat wij als wetgever heel erg makkelijk het middel in handen moeten geven om dat voor meerdere weken te kunnen doen. Dat moet gewoon met zware proportionaliteitstoetsen omkleed zijn. Op het moment dat je als wetgever zegt dat je het voor maximaal vijf dagen kunt doen, dan moet, als het na vijf dagen wordt verlengd, de proportionaliteit weer worden aangetoond. Men kan dus niet van tevoren al zeggen: we gaan dat voor een aantal weken doen. Dat biedt gewoon te veel ruimte bij een zwaar instrument. Ik zeg niet dat we geen oog moeten hebben voor het feit dat er buitengewone omstandigheden op het gebied van geweld kunnen zijn die nopen tot het beschermen van mensen. Ik zeg alleen dat je heel voorzichtig moet zijn bij de toepassing.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ceulemans (JA21):
Inderdaad afrondend, voorzitter. Dan maken wij gewoon een totaal verschillende belangenafweging. Zoals ik al zei, is dit onder andere voortgekomen uit georganiseerd geweld in groepsverband tegen COA-medewerkers. We hebben incidenten gezien waarbij COA-medewerkers met kokend frietvet overgoten zijn. Dat zijn levensbedreigende situaties op de werkvloer. Ik denk dat de heer Van Baarle er een karikatuur van maakt als hij doet alsof er heel makkelijk wordt omgegaan met zo'n lockdown en alsof een directeur van een COA-locatie voor het minste of geringste de boel een maand in lockdown gooit. Ik denk dat het goed is dat er in de wet de mogelijkheid wordt ingebouwd om dit voor een langere termijn te doen. Ik vind het niet verantwoord dat de heer Van Baarle dat naar beneden wil bijstellen.
De heer Van Baarle (DENK):
Dan wijs ik aan de andere kant op de signalen, ook van het CPT, die al heel erg lang bekend zijn, dat er al sprake was van routinematige isolatie, te langdurige opsluiting, gebrek aan dagbesteding en psychologische schade, en dat het regime eigenlijk al te veel ging lijken op dat van een gevangenis. De voorbeelden die de heer Ceulemans noemt zijn volstrekt verwerpelijk, maar tegelijkertijd kan het niet zo zijn dat je als wetgever een heel ruime bepaling in de wet zet waardoor ook de mensen die niks met dit soort geweldplegingen te maken hebben onder een beperking van rechten vallen voor een hele lange termijn. Daar moet je uiterst terughoudend in zijn. Met mijn amendementen wordt niet uitgesloten dat je maatregelen treft. Mijn amendementen zorgen ervoor dat je het op een zodanige wijze doet dat je de rechten van andere vreemdelingen niet zonder noodzaak inperkt. Daar gaat het mij om.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u, voorzitter. Het tweede probleem is de regeling voor uitzonderlijke omstandigheden, die ook bepaalde rechten kan inperken. Er wordt via een ministeriële regeling een zeer ruime noodbevoegdheid gecreëerd voor twee maanden, die telkens verlengbaar is op basis van een redelijk open norm. Hoe zwaarder de inbreuk op de rechten is, hoe preciezer en controleerbaarder de wettelijke grondslag zou moeten zijn. Amnesty waarschuwt dat deze formulering van "uitzonderlijke omstandigheden" te ruim en onvoldoende afgebakend is en dat deze ruimte kan laten om met een pennenstreek rechten voor een langere termijn in te perken. Mijn vraag aan de minister is: hoe gaat de minister dat voorkomen?
Voorzitter. Wij zijn geen voorstander van de manier waarop deze bevoegdheid nu is geformuleerd. Wij dienen in ieder geval een amendement in om de maximale duur terug te brengen van twee maanden naar één maand. Daarmee maken we een zeer ruime termijn minder ruim en maken we een slechte bepaling minder slecht. Wij vragen de minister om te garanderen dat personeels- en capaciteitsproblemen nooit een aanleiding mogen zijn om van deze bevoegdheid gebruik te maken en om de Inspectie Justitie en Veiligheid toezicht te laten houden op het moment dat deze bepaling in werking wordt gesteld. Op deze punten zullen wij in de tweede termijn een motie indienen. Bij allebei deze bepalingen vraag ik de minister ook in het bijzonder in te gaan op hoe de positie van minderjarige vreemdelingen wordt beschermd.
Voorzitter. Daarnaast bevat dit wetsvoorstel ook een principiële keuze in artikel 36a. Daarin staat letterlijk dat de vreemdeling, indien hij daartoe wordt opgeroepen, het onderzoek naar de asielaanvraag moet laten voorgaan op de rechten van bewegingsvrijheid en dagbesteding. Met andere woorden: efficiëntie van het asielonderzoek krijgt voorrang boven fundamentele rechten in een vrijheidsontnemende context. Hierbij bestaat het risico dat uitvoeringsbelangen structureel zwaarder gaan wegen dan de rechten van mensen in bewaring. Hoe garandeert de minister dat dit in de praktijk niet gaat gebeuren?
Via de laatste nota van wijziging wordt ook de ongewenstverklaring verruimd. De strafdrempel gaat van drie jaar naar twee jaar. De regering presenteert dat alsof het uitsluitend gaat om zware criminaliteit en ernstige overlast, maar een wettelijke strafdraging van twee jaar omvat natuurlijk best wel een groot deel van het Wetboek van Strafrecht. Ik vraag de minister in te gaan op de vraag of dat niet disproportioneel en onnodig hardvochtig is, juist omdat een ongewenstverklaring verstrekkende gevolgen heeft. Natuurlijk moeten we overlast met elkaar aanpakken, maar we moeten ook oog hebben voor de uitwerking van de wetten die we hier hebben en maken.
Tot slot het amendement over het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen bij de IND, dat waarschijnlijk zal worden aangenomen. Wij vinden dat een verkeerde ontwikkeling. Wanneer de overheid wettelijke termijnen structureel overschrijdt, moet je oplossing zijn dat de overheid haar organisatie op orde brengt, niet dat de rechtsbescherming van burgers wordt afgebroken. De dwangsom is niet alleen een financiële prikkel. Het is ook een mechanisme dat voorkomt dat wettelijke beslistermijnen uiteindelijk betekenisloos worden. Ik vraag de minister in te gaan op deze kritiek.
Voorzitter. Alles afwegende, en met name het feit dat deze amendementen voorliggen die waarschijnlijk van een meerderheid worden voorzien door de Kamer, zal ik mijn fractie waarschijnlijk gaan adviseren niet mee te gaan in deze wet. Maar uiteraard bied ik de minister, via de amendementen die we hebben ingediend en de vragen die ik heb gesteld, de mogelijkheid om te laten zien dat de waarborgen er in de praktijk wellicht wel degelijk zijn. Dan ben ik altijd volgaarne bereid om mezelf te laten overtuigen. Het moge duidelijk zijn dat in deze vorm mijn begingevoelens bij deze wet niet al te positief zijn.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u. U heeft een interruptie van mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een vraag over artikel 36a, waar de heer Van Baarle over begon. Hij zei: het kan toch niet zo zijn dat een efficiënt asielproces voorgaat op fundamentele rechten? Maar het probleem waar we in de asielketen tegen aanlopen is toch juist dat die procedures maar eindeloos lopen? Het is dus toch juist een fundamenteel recht dat mensen zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen of ze hier mogen blijven of terug moeten?
De heer Van Baarle (DENK):
Zeker. Dat is ook een spanningsveld. Dat zijn eigenlijk twee dingen die van grote waarde zijn, ook vanuit mensenrechtelijk oogpunt. Aan de ene kant staan de rechten van mensen op het moment dat ze in bewaring worden gesteld. Aan de andere kant staat snel duidelijkheid krijgen over je proces en over de procedure die loopt. We moeten altijd met elkaar proberen om een balans te vinden tussen die twee dingen. Het verschil is eigenlijk dat nu letterlijk in de wet wordt gezegd dat het een voorgaat op het ander. Ik kan begrijpen dat het voor de procedure niet handig is als op het moment dat iemand naar een verhoor moet, er elke keer wordt gezegd dat hij niet naar het verhoor kan komen omdat hij dan gaat luchten en dat dat ook voor de desbetreffende vreemdeling in de praktijk geen handige situatie is. Waar ik de minister naar vraag, is dat de wettelijke bepaling die wordt opgenomen er in de praktijk niet toe gaat leiden dat de belangen van de procedure altijd voorgaan op de rechten van iemand in bewaring. Dat wil ik gewoon zeker hebben. Dat is namelijk nogal een trendbreuk en het is wat dat artikel op die manier toch lijkt te suggereren. Ik zou niet willen dat wij als wetgever die precedentwerking instellen en die uitspraak doen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp het toch niet helemaal, want dit gaat om een groep vreemdelingen die in grensdetentie wordt geplaatst en die dus gedurende de procedure eigenlijk al in een uitzonderlijke situatie zit, want deze groep wordt in bewaring geplaatst en een andere groep vluchtelingen kan gewoon in vrijheid de asielaanvraag afwachten. Voor die groep wil je toch liever dat ze zo snel mogelijk door de asielprocedure heen lopen dan dat wat u wilt? U zegt: ja, maar ze hebben ook recht op educatieve maatregelen, op dagbesteding in andere vormen. Het is toch evident dat het belang van het asielproces altijd voorgaat op dit soort vrijheden? Het zijn weliswaar fundamentele vrijheden, maar wel in bewaring. Je wilt toch zo snel mogelijk duidelijkheid?
De heer Van Baarle (DENK):
Daar zit voor mij dus precies de crux: in het woord "altijd". De asielprocedure gaat niet altijd voor op rechten die we hebben. Ook vreemdelingen in de grensdetentie hebben rechten. Wij als wetgever moeten een afweging maken. Ik vind dat die afweging er niet toe mag leiden dat de asielprocedure en de eisen rondom de asielprocedure altijd voorgaan op die rechten. Dat is mijn zorg. Ik vraag de minister hoe in de uitvoering van dit artikel in ieder geval de gezonde balans daartussen wordt gevonden en niet altijd wordt gezegd dat de rechten van vreemdelingen buiten werking treden omdat er eisen zijn vanuit de asielprocedure. Ik snap het belang dat de geachte afgevaardigde van D66 naar voren probeert te brengen … O sorry, van het CDA. Het spijt me. Ik ben een beetje in de war af en toe. Kan gebeuren. Ik snap het belang dat de geachte afgevaardigde van D66 naar voren probeert te brengen, maar daar moeten we een gezonde balans in hebben met elkaar. Dit wetsvoorstel lijkt erop voor te sorteren dat daar een heel harde keuze in wordt gemaakt. Dat vinden wij geen goede ontwikkeling.
De voorzitter:
Tot slot. Denk erom dat u via de voorzitter spreekt, mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat zal ik doen. Excuus, voorzitter. Dan kan ik niet anders dan concluderen dat DENK ervoor kiest om vreemdelingen, asielzoekers in grensdetentie, daar onnodig lang te laten zitten, terwijl het CDA ervoor kiest om er alles aan te doen om de asielprocedure zo efficiënt mogelijk in te richten, zodat zo snel mogelijk duidelijk is wie hier mag blijven en wie niet. Dan kunnen we ook werken aan terugkeer.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat vind ik nogal een creatieve interpretatie van de buitengewoon genuanceerde antwoorden die ik geef. Er moet een goede afweging zijn tussen die twee belangen, namelijk het belang van een snelle procedure, zowel voor ons als land als voor de vreemdeling, en oog blijven houden voor de rechten van de vreemdeling. Ik heb nergens gezegd dat het één altijd voor moet gaan op het ander. Ik maak me er zorgen om dat in deze wetsbepaling te veel ruimte gepakt wordt om het belang van de procedure altijd voor te laten gaan op rechten. De karikatuur die hier van mijn antwoord gemaakt wordt, alsof ik dan maar zou zeggen "laat mensen maar eindeloos in de procedure zitten", is dus een grove misinterpretatie van mijn antwoord dan wel, in derde instantie, een mooi bedacht politiek frame. Daarvan zeg ik: dat strookt niet met de inhoud die ik naar voren breng.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Baarle. Dan is het woord nu echt aan mevrouw Westerveld voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Omdat we vandaag toch de hele dag bij elkaar zitten, zou ik de minister willen vragen of hij ons straks een update kan geven over de komende dagen in Ter Apel. Natuurlijk alle dank aan alle hulpverleners en COA-medewerkers.
Voorzitter. De wet en de novelle waar we vandaag over spreken, kennen een lange geschiedenis. Die begon in 2013, toen Aleksandr Dolmatov, een Russische asielzoeker, zich van zijn leven beroofde in vreemdelingendetentie. Hij belandde daar onterecht en kreeg bovendien niet de juiste rechtsbijstand of medische zorg. Die fout, het verkeerde vinkje, bleek geen incident. Dat bleek systematisch voor te komen. Na zeer kritische rapporten van de inspectie en de Rekenkamer vonden zowel de Tweede Kamer als de staatssecretaris dat de situatie van de heer Dolmatov een keerpunt moest zijn en dat vreemdelingenbewaring niet langer moest vallen onder de Penitentiaire beginselenwet. Die was immers niet bedoeld als straf, maar om mensen in bewaring te stellen. In 2018 stemde bijna de hele Kamer in met de wet die dit zou regelen, ook de fracties van GroenLinks en de PvdA.
Om verschillende redenen liep de verdere behandeling vertraging op. Na een deskundigenbijeenkomst in de Eerste Kamer zou de wet worden aangepast. Nieuwe wet- en regelgeving vroeg om een update. In 2020 kwam er een novelle met extra maatregelen om overlast tegen te gaan en om de handhaving- en toezichtlocaties te continueren. Dat zijn locaties waar asielzoekers die overlast veroorzaken, geplaatst kunnen worden. Ook kwam er de lockdownmogelijkheid voor de vreemdelingenbewaring. In 2025 kwam er een nota van wijziging waarin de wetsartikelen in lijn werden gebracht met onder meer het Migratiepact en met de mogelijkheid voor vrijheidsbeperkende maatregelen bij, zoals dat dan wordt toegelicht, uitzonderlijke omstandigheden. Een paar weken geleden zag de minister in deze wetsbehandeling een logisch haakje om een tweede nota van wijziging in te dienen, met daarin het voorstel om de ongewenstverklaring te verruimen. Dat was een van de maatregelen in de Asielnoodmaatregelenwet, die niet meer doorging.
Dit is misschien een wat beknopte weergave van de wetsgeschiedenis, maar ik vind het wel relevant om die te memoreren. Als ik het goed begrijp, geldt op dit moment, dertien jaar nadat er verbeteringen zijn beloofd voor mensen in vreemdelingenbewaring, namelijk nog het strafrechtelijk regime, terwijl die mensen niets hebben misdaan. Een belangrijke vraag van mijn fractie is dus wat deze wet concreet gaat verbeteren aan de omstandigheden voor mensen die nu in vreemdelingenbewaring onder de beginselenwet vallen. Ik wil de minister vragen of hij van mening is dat het oorspronkelijke doel van deze wet goed geborgd is in het huidige voorstel met alle wijzigingen, dat er nu ligt en dat we vandaag bespreken.
Voorzitter. Zoals altijd bij wetgeving kijken wij naar inhoud, doel en proportionaliteit. We begrijpen dat er maatregelen nodig zijn die de reguliere azc's veiliger maken voor kwetsbare vluchtelingen en die personeel dat daar werkt, beschermen bij ernstige incidenten. Niet voor niets stelde ik vorige week ook vragen over de positie van lhbti-vluchtelingen, die vaak te maken hebben met incidenten, met soms een heel ernstige afloop. Ik lees in de toelichting dat het doel is dat mensen die geen recht hebben op verblijf in Nederland en die terug kunnen, gestimuleerd worden om terug te keren naar het land van herkomst, en dat het draagvlak in de samenleving voor hen die wel recht hebben op verblijf, behouden blijft. Voorzitter. Ik probeer mijn vragen aan de minister even op volgorde te zetten. Ik heb dus eerst een aantal vragen over de novelle uit 2020, en dan over de twee nota's van wijziging.
In 2020 kwam de novelle naar de Kamer. Daar kwam de mogelijkheid in om een algehele lockdown in te stellen bij ernstige orde- en veiligheidsproblemen, eigenlijk net als in andere gevangenissen. Als ik het goed lees, kan dit volgens deze novelle dan in de vreemdelingenbewaringen in Rotterdam, op Schiphol en in Zeist. Of kan dit ook op andere locaties, vraag ik de minister.
Zeist is een locatie waar gezinnen met kinderen verblijven. Kan de minister ook ingaan op de omstandigheden voor kinderen en voor mensen met een kwetsbare gezondheid als er zo'n lockdown plaatsvindt? Kan de minister ook uitleggen onder welke omstandigheden nou precies zo'n lockdown ingesteld kan worden? Welke kaders gelden daarvoor, en waarom is hier niet gekozen voor een limitatieve opsomming van omstandigheden?
Aanvankelijk werd de maximumtermijn nog gesteld op zes weken, maar deze werd bijgesteld naar vier weken. In het rapport van de Raad van State lees ik het advies dat voor een algehele lockdown een maximumtermijn van enkele dagen passender is dan een aantal weken, aangezien er ook individuele maatregelen tegen de aanstichters van ordeverstoringen mogelijk blijven, en omdat het een heftige inperking van de bewegingsvrijheid betreft. Waarom is er dan gekozen voor vier weken als maximumtermijn en is er niet voor gekozen om het advies van de Raad van State te volgen? Ik hoor graag wat hier precies de onderbouwing voor is en waarom de minister dit toch nodig vindt. Ik begrijp namelijk dat wanneer lichtere, individuele maatregelen niet volstaan, in uitzonderlijke situaties overgegaan moet kunnen worden tot een algehele lockdown van een deel of van de gehele vreemdelingenbewaring, en dat hier dan ook een wettelijke basis voor nodig is. Het is belangrijk om medebewoners en medewerkers die in die inrichting zijn, te beschermen. Omdat dit ook vreemdelingen treft die niet voor onrust hebben gezorgd en die zich in die instelling gewoon gedragen, moet deze lockdown zo kort mogelijk duren en niet langer dan nodig is om echt die orde, rust en veiligheid terug te laten keren. Dit treft hier namelijk mensen die strafrechtelijk niets fouts hebben gedaan maar die in die vreemdelingenbewaring gewoon wachten op hun terugkeer. Zij mogen dan tijdens deze lockdown slechts één uur per dag luchten.
Voorzitter. Ik wil de minister vragen hoe vaak er op dit moment zo'n lockdown in vreemdelingenbewaring plaatsvindt. Om wat voor soort incidenten gaat het dan? Hoe lang duren deze lockdowns meestal? Het Meldpunt Vreemdelingdetentie maakt zich zorgen over de lockdowns. Zij geven aan dat ze meerdere keren per jaar gebeuren en dat dat soms ook gebeurt vanwege personeelstekorten, bijvoorbeeld in vakantieperiodes. Kan de minister hierop reflecteren? In de toelichting bij de wet lees ik dat personeelstekorten namelijk nooit een reden mogen zijn. We weten echter allemaal dat er in de praktijk ernstige personeelstekorten zijn. Dus kan een personeelstekort in de praktijk ook zorgen voor een lockdown, en gebeurt dat ook al? Hoe kan de minister als dit gebeurt, dit in de toekomst voorkomen? Hoe voorkomt de minister dat een lockdown neerkomt op collectief straffen, ook van mensen die niets hebben misdaan? Hoe verhoudt dit zich tot het internationaal recht?
Ik heb ook een amendement ingediend om de maximumduur van een algehele lockdown te verkorten naar een week. Mijn excuses aan de collega's dat dit amendement pas vanochtend kwam. Ik vind het altijd netjes om het een paar dagen van te voren te sturen, maar ik denk dat we allemaal te maken hebben met een zeer korte voorbereidingstijd.
Voorzitter. Dan de nota van wijziging uit 2025. Daarin is ook een mogelijkheid opgenomen om bij uitzonderlijke omstandigheden af te wijken van het aantal uren dat een vreemdeling vrij mag bewegen in de instelling. Deze mogelijkheid is bedoeld om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een pandemie. Die term "uitzonderlijke omstandigheden" is ook weer heel ruim geformuleerd. Kan de minister ingaan op de vraag wanneer er nou precies gebruik gemaakt mag worden van die afwijking bij uitzonderlijke omstandigheden? Waarom is dit nodig? Waarom is voor deze specifieke formulering gekozen? Welke rechten heeft de vreemdeling in zo'n situatie? Op welke manier wordt het dagprogramma weer opgepakt bij de lange duur van zo'n opsluiting?
Voorzitter. Ik wil ook graag weten wie er nou extern toezicht houdt. Ik weet namelijk dat bijvoorbeeld bij vrijheidsbeperkende maatregelen in de zorg standaard de inspectie geïnformeerd moet worden. Ik wil de minister ook vragen of hier is voorzien in een extern toezichthouder die standaard wordt geïnformeerd en die er ook op toeziet of zo'n lockdown of andere vrijheidsbeperkende maatregel terecht worden toegepast, en die ook kan ingrijpen als dat nodig is. Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. Dan de uitbreiding van de ongewenstverklaring. Twee weken geleden ontvingen wij de tweede nota van wijziging, die de uitbreiding van de ongewenstverklaring aan deze wetswijziging toevoegt. Ik las in de toelichting dat de bedoeling is dat vreemdelingen die uit derde landen komen, die geen verblijfsrecht hebben en een misdrijf plegen waar een gevangenisstraf van minstens twee jaar op staat of een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid, ongewenst kunnen worden verklaard. Kan de minister allereerst uitleggen waarom deze maatregel nodig is en waarom een inreisverbod niet volstaat? Kan de minister ook heel duidelijk uitleggen op wie dit van toepassing kan zijn en hoe dit in de praktijk werkt? Gaat het dan alleen over mensen die geen verblijfsrecht hebben in Nederland en die ook terug kunnen naar het land van herkomst of gaat het ook over andere groepen?
In artikel 3 van het EVRM staat: "Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen." Dan is er, zo lezen we, geen recht om de ongewenstverklaring te krijgen. Maar kan dat dan, zo vraag ik de minister, betekenen dat mensen in de situatie komen dat ze hier ongewenst zijn, maar dat ze niet naar het land van herkomst terug kunnen, omdat ze daar vervolgd worden? Kan de minister hier verzekeren dat een ongewenstverklaring niet kan worden opgelegd aan mensen die geen verblijfsvergunning hebben en die geen gevaar vormen voor de openbare orde?
De drempel is verlaagd van een misdrijf waar drie jaar gevangenisstraf op staat naar een misdrijf waar twee jaar op staat. Ik wil de minister vragen of er een fundamenteel verschil is tussen delicten waar twee jaar gevangenisstraf op staat en die waar drie jaar op staat.
De heer Ceulemans (JA21):
Was dit het einde van het blokje ongewenstverklaring of was u nog bezig? Ik kan namelijk ook even wachten tot u daarmee klaar bent.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nu een paar vragen over die verschuiving van drie jaar naar twee jaar.
De heer Ceulemans (JA21):
Dan wacht ik daar eventjes op.
De voorzitter:
Uiteraard.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn vragen hierover aan de minister zijn de volgende. Over wat voor misdrijven hebben we het? Dood door schuld, lees ik bijvoorbeeld, en martelen. Als je vaker een diefstal pleegt, kan er een gevangenisstraf van twee jaar volgen. Wanneer is dit precies het geval bij diefstal? Is er ook over nagedacht om bijvoorbeeld geweldplegingen zwaarder te laten wegen bij een ongewenstverklaring dan andere vormen, zoals een diefstal? Hoe wordt hierbij rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden? Wordt er rekening gehouden met mensen die omdat ze hier worden uitgebuit of die omdat ze dakloos zijn en bepaalde voorzieningen niet hebben, een delict plegen dat daaruit voortkomt? Is dat grond voor een ongewenstverklaring? Welke gevolgen heeft een ongewenstverklaring voor lopende of toekomstige procedures, zoals herhaalde asielaanvragen, medische procedures of de buitenschuldprocedure? Ik heb het dan bijvoorbeeld ook over mensen zonder verblijfsvergunning die buiten hun schuld om Nederland niet kunnen verlaten. Hoe voorkomt de minister dat deze maatregel leidt tot meer dakloosheid, zorgmijding, mensen die onder de radar verdwijnen, overlast, en druk op gemeenten en hulpverlening?
Hierna ga ik het over Veldzicht hebben. Ik heb dan nog een paar vragen over psychiatrische hulp.
De heer Ceulemans (JA21):
Dan hierover, even voortgaande op de verlaging van de termijn om over te kunnen gaan tot ongewenstverklaring. Soms ben je het met iemand oneens, maar kan je je wel voorstellen waarom een ander dat standpunt heeft, maar in dit geval kan ik dat gewoon echt niet. Mevrouw Westerveld lijkt zich zorgen te maken, zo van: als we die drempel van het strafmaximum van drie jaar naar twee jaar verlagen, gaan er straks misschien ook mensen onder vallen die diefstallen plegen. Die ongewenstverklaring heeft betrekking op asielzoekers die uitgeprocedeerd zijn en die niet in Nederland mogen blijven. Kan mevrouw Westerveld mij één goed argument noemen waarom het belangrijk is dat een uitgeprocedeerde asielzoeker toch naar Nederland moet kunnen blijven komen als hij meerdere diefstallen gepleegd heeft?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Wij behandelen hier een wet. De wet proberen we heel zorgvuldig te behandelen. Ik stel deze vraag aan de minister omdat ik oprecht benieuwd ben naar die gronden. Ik ben het met de heer Ceulemans eens dat er nooit een reden moet zijn om geweld, diefstal of wat dan ook goed te praten, maar er kunnen wel onderliggende verklaringen zijn voor waarom mensen dat doen. Ik vraag aan de minister of dat meespeelt in zo'n ongewenstverklaring. Nu we een wet behandelen, lijkt me dat een heel legitieme vraag om aan de minister te stellen.
De heer Ceulemans (JA21):
Vragen stellen bij een wetsbehandeling is hartstikke goed — ik ga dadelijk ook een hele trits vragen aan de minister stellen — maar de vraag die iemand stelt, komt natuurlijk wel ergens vandaan. U zegt: ik stel die vraag, omdat aan diefstal ook andere oorzaken ten grondslag kunnen liggen. Dan nogmaals mijn vraag. Stel dat iemand is uitgeprocedeerd, geen verblijfsstatus krijgt, Nederland dus uit moet en omdat hij een aantal delicten gepleegd heeft een ongewenstverklaring krijgt; kunt u één nadeel noemen, één nadeel, van de situatie waarin iemand niet meer terug naar Nederland mag komen, omdat hij diefstallen gepleegd heeft?
De voorzitter:
Denk aan het via de voorzitter spreken, meneer Ceulemans.
De heer Ceulemans (JA21):
Dat is mijn vraag aan mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik geef alleen aan dat er omstandigheden kunnen zijn waardoor mensen daartoe komen. Ik noemde net dakloosheid, maar ook psychiatrische problemen kunnen een reden daarvoor zijn. Je hebt ook mensen die uitgebuit worden en ertoe aangezet kunnen worden om delicten te plegen terwijl ze dat niet zouden willen, maar die in een hele nare omstandigheid zitten. Daarom vraag ik de minister of dat meeweegt. Nogmaals, dat lijken mij hele legitieme vragen om hier te stellen.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ceulemans (JA21):
Afrondend inderdaad, want we draaien hier in een cirkel rond, zo heb ik het idee. We worden het hier misschien ook niet over eens. Laat ik dan een concrete vraag stellen. Mevrouw Westerveld heeft heel veel vragen; dat is op zichzelf natuurlijk legitiem bij een wetsbehandeling, maar neigt de fractie van GroenLinks-PvdA naar steun voor het verlagen van het strafmaximum van drie jaar naar twee jaar om over te kunnen gaan tot een ongewenstverklaring?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp die vraag. Het antwoord op die vraag hangt af van dit debat. Ik doe het altijd als volgt bij wetgeving, en nu dus ook. We lezen uitvoerig de stukken, en vaak hebben we ook nog een schriftelijk overleg. Dat hadden we nu niet bij de tweede nota van wijziging. Vandaar dat ik wat extra vragen stel aan de minister. Dat hadden we anders wellicht ook schriftelijk kunnen doen. Als we straks het debat hebben gehad en de antwoorden van de minister hebben gehoord, komen we terug in de fractie om te bespreken of wij voor of tegen dit wetsvoorstel gaan stemmen. Dat doe ik standaard bij wetsvoorstellen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het siert mevrouw Westerveld dat ze altijd kijkt naar de knelgevallen, de mensen die het heel moeilijk hebben; dat wil ik even gezegd hebben. Maar het valt mij op dat vluchtelingen, vreemdelingen in dit geval, altijd in een soort van kwetsbare positie worden geplaatst. We hebben het altijd over "kwetsbare vluchtelingen" of "kwetsbare mensen", maar is mevrouw Westerveld het met mij eens dat er ook mensen tussen zitten die de boel een beetje traineren en gewoon een beetje belazeren, en die dondersgoed weten waar ze mee bezig zijn?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Daar ben ik het mee eens. Dat is natuurlijk ook zo. Maar wij behandelen nu een wet, en ik vraag specifieke aandacht voor een groep die in een moeilijke omstandigheid zit, mensen die dakloos zijn, psychiatrische problemen hebben of worden uitgebuit. Ik vind ook dat wij in de Kamer altijd moeten blijven opkomen voor mensen die in een moeilijke omstandigheid en in een kwetsbare situatie zitten en die soms geconfronteerd worden met een hele machtige overheid tegenover zich. Ik begrijp wat mevrouw Van der Plas zegt. Op het moment dat mensen overlast veroorzaken, mishandelen, inbreken of andere delicten plegen, moet dat natuurlijk worden aangepakt. Maar ook hierbij geldt: laten we zorgen dat we groepen mensen hetzelfde behandelen. Waar ze vandaan komen mag de manier waarop we naar hen kijken en ons oordeel over deze grote groep niet beïnvloeden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is ook de reden dat ik begon met die eerste zin. Ik weet dat mevrouw Westerveld hier altijd sterk voor opkomt. Dat is ook goed, want die mensen mogen niet vergeten worden. Maar mijn zorg zit een beetje bij het volgende. Ondertussen lijkt het alsof het alleen maar kwetsbare groepen betreft en het alleen maar kwetsbare vluchtelingen en kwetsbare mensen zijn, maar dat is niet het geval. Mevrouw Westerveld zegt: natuurlijk, ik ben het met mevrouw Van der Plas eens dat er ook mensen tussen zitten die het allemaal niet zo goed voorhebben met ons. Maar welke aanpak ziet zij dan voor zich? Want als je alles op één hoop gooit omdat er ook kwetsbare groepen tussen zitten, hoe gaat mevrouw Westerveld dan de echte criminelen onder hen aanpakken?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Daar hebben we vandaag dus het debat over, over de ongewenstverklaring. Maar hiervoor hield ik al een heel verhaal over dat we vinden dat het personeel beschermd moet worden als er overlast plaatsvindt in een van de inrichtingen. Ik ben het dus ook niet met mevrouw Van der Plas eens die zegt: u doet alsof iedereen kwetsbaar is. Dat doe ik helemaal niet. Ik zeg: overlast moet worden aangepakt. Er zijn een aantal mensen die in een uitzonderlijk moeilijke omstandigheid leven. En ook daarover heb ik dan vragen aan de minister gesteld.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb niet gezegd dat mevrouw Westerveld doet alsof dat zo is. Wat ik heb gezegd, is dat er een beeld ontstaat dat iedereen die illegaal is of vluchteling is per definitie kwetsbaar is of het moeilijk heeft. Er is echt wel een groep die niet kwetsbaar is. Daar zien we dagelijks voorbeelden van in de media. Mijn concrete vraag aan mevrouw Westerveld is eigenlijk: hoe ziet zij dan de aanpak voor de mensen die het niet goed met ons voorhebben, die echt heel goed weten waar ze mee bezig zijn? Hoe worden die aangepakt in de ogen van mevrouw Westerveld?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Op het moment dat mensen delicten plegen, vallen ze al onder het strafrecht. Dan kunnen ze al opgepakt worden. Op het moment dat mensen in een COA-locatie voor overlast zorgen, hebben we de htl. Daarover gaat ook de in 2020 ingevoerde novelle. Er zijn dus al allerlei manieren om mensen die het niet goed met ons voorhebben, aan te pakken, zowel bij overlast als bij delicten.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Mevrouw Westerveld zegt: we moeten iedereen in Nederland gelijk behandelen. Maar dat doet GroenLinks-PvdA juist niet. Dat gebeurt nu ook niet in Nederland. Asielzoekers hebben overal recht op. Nederlanders betalen zich krom aan alle kosten die asielzoekers veroorzaken. Wat betreft illegaliteit: ook illegalen worden niet gelijk behandeld met Nederlanders. "Illegaal" betekent dat je van de rechter hebt gehoord dat je Nederland moet verlaten. Nederlanders die een delict plegen of in strijd met een rechterlijke uitspraak handelen, worden aangepakt. Illegalen worden door GroenLinks-PvdA niet aangepakt. Hoe verklaart mevrouw Westerveld dit verschil?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Hier worden allemaal zaken beweerd die niet waar zijn. Het is helemaal niet zo dat ... Nou, ik ga er niet eens op in. Er worden allemaal zaken beweerd die gewoon niet kloppen. Het is ook niet zo dat wij … Nee, ik ga geen antwoord geven op deze vraag. Het beeld dat hier geschetst wordt, klopt gewoon niet.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Het is echt te gek voor woorden. Als illegalen, vreemdelingen die van de rechter vaak meerdere keren te horen hebben gekregen dat ze Nederland moeten verlaten, strafbare feiten plegen in Nederland, dan zegt mevrouw Westerveld letterlijk: zielig, want ze kunnen er allemaal niks aan doen; we moeten ze niet aanpakken. Waarom doet u dit? Waarom doet u dit Nederland aan? Waarom zorgt u er niet gewoon voor dat de illegalen ons land verlaten, en dat als ze dat niet doen en hier criminaliteit plegen, ze gewoon worden aangepakt, zoals het hoort?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik zou mevrouw Vondeling willen adviseren mijn spreektekst eens terug te lezen. Die komt straks gewoon openbaar te staan. Ik heb letterlijk gezegd dat wij vinden dat mensen die geen verblijfsvergunning krijgen en terug kunnen naar het land van herkomst, terug moeten. Ik heb letterlijk een aantal punten genoemd waarom ik vind dat je mensen die overlast veroorzaken en vooral mensen die criminele delicten plegen, moet aanpakken. Ik herken me dus absoluut niet in de woorden van mevrouw Vondeling. Het is een verdraaiing van wat ik zeg. Het is een verdraaiing van wat onze partij al jaren zegt. Laten we het debat gewoon niet op deze manier met elkaar voeren. Laten we het debat voeren op basis van wat we daadwerkelijk hebben gezegd en niet op basis van beelden.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik zal het ook niet allemaal gaan herhalen, maar mevrouw Westerveld zet letterlijk vraagtekens bij het feit dat illegalen die meerdere diefstallen plegen strafrechtelijk aangepakt kunnen worden als zij Nederland niet verlaten. Dat is gewoon wat u doet. Nu doet u net alsof u dat niet doet. Dat doet u wel! Vertel dus gewoon het eerlijke verhaal.
De voorzitter:
Ik niet, maar mevrouw Westerveld.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik niet, "mevrouw Westerveld".
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Nee, ik vraag de minister wat bijvoorbeeld het verschil is tussen drie en twee jaar. Daar heb ik vragen over. Dat is niet zo gek, want we behandelen hier een wet. Bij een wet is het de bedoeling dat wij het kabinet scherp ondervragen en dat wij, als we alle argumenten hebben gehoord, tot een eindoordeel komen. Daarover stel ik vragen. Het lijkt mij dat ik daartoe het volste recht heb.
Mevrouw Straatman (CDA):
Mevrouw Westerveld zei zojuist: we moeten gelijke gevallen gelijk behandelen. Ik denk dat we dan ook de categorie illegale vreemdelingen op eenzelfde manier moeten behandelen. Erkent mevrouw Westerveld dat met de wet die nu voorligt, de uitbreiding van de ongewenstverklaring, in feite een fout hersteld wordt die we eerder hebben gemaakt? We dachten namelijk dat we met het inreisverbod precies hetzelfde regelden, maar dan via Europese wetgeving. Nu blijkt dat illegale derdelanders vele hogere drempels hebben om uitgezet en ongewenst verklaard te worden. Erkent ze dus dat we gelijke gevallen nu juist veel gelijker behandelen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
In de toelichting lees ik — vandaar ook mijn vraag aan de minister — dat mensen die uit Europa komen, die hier niet mogen zijn en die een delict plegen, wel een ongewenstverklaring kunnen krijgen, maar dat dat niet geldt voor mensen die van buiten Europa komen, in een ander land een status krijgen en dan doorreizen. Ik meende in de memorie van toelichting te lezen dat daar op dit moment de ongelijkheid zit. Vandaar dat ik net aan de minister vroeg of hij precies kan vertellen over welke groepen dit gaat. Het lijkt me goed om daar in dit debat duidelijkheid over te krijgen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het goed is om dat helder te hebben. Als de minister dadelijk bevestigt dat die ongelijkheid er is, is GroenLinks-Partij van de Arbeid het er dan ook mee eens dat de ongewenstverklaring, en de uitbreiding daarvan, in feite juist een middel is om iedereen gelijk te behandelen en dat we dit dus moeten aangrijpen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp heel goed waarom een ongewenstverklaring dan nodig is. Een van mijn vragen was: volstaat een inreisverbod voor deze groep? Tegelijkertijd gaat het vandaag niet alleen over die ongewenstverklaring. Het gaat over het oorspronkelijke wetsvoorstel, de novelle, de eerste nota van wijziging en de tweede nota van wijziging. Omdat het zo'n opeenstapeling is geworden van onderwerpen wil ik het hele debat afwachten, met alle argumenten in de hand, omdat we naar mijn weten stemmen over het hele pakketje. Maar ik kan heel goed volgen wat mevrouw Straatman zegt.
De voorzitter:
U vervolgt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een paar vragen over Veldzicht. We zien, en al helemaal in de afgelopen weken, dat er vaak heel veel angstbeelden worden verspreid over vluchtelingen. Als we kijken naar de feiten en cijfers, dan blijken die vaak niet te kloppen. Buurten waar een regulier azc zit, zijn niet onveiliger. Daar vinden heel vaak mooie ontmoetingen plaats, daar zie je buurtbewoners met elkaar optrekken en daar zie je kinderen met elkaar spelen. Laten we het eens omkeren en bedenken dat veel mensen een barre en zware tocht achter de rug hebben. Ze zijn hiernaartoe gekomen en hebben ongelofelijk veel meegemaakt. Ze komen terecht in een nieuw land, waar ze vaak weinig privacy hebben, waar een andere cultuur is en waar ze de mensen niet begrijpen. Soms ervaren ze maandenlang onduidelijkheid. Ik begrijp ook dat er behoorlijk wat mensen zijn met psychische of psychiatrische problemen. Ik vind dat er voor hen goede hulp moet zijn.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik heb twee dingetjes. Allereerst over de barre tocht van veel mensen: hoe weet mevrouw Westerveld dat ze een barre tocht hebben meegemaakt? Ik heb dit ook eerder in een interruptie met de heer Ceder gedeeld. De meeste mensen, 95%, 96% of misschien nog wel meer procent van alle mensen die hier asiel aanvragen, komen uit vijf, zes, zeven of acht veilige landen. Dat zijn soms gewoon Europese landen. De meesten komen hier überhaupt via België en Duitsland de grens over. Je kunt toch niet stellen dat dat een barre tocht moet zijn geweest? Duitsland en België zijn toch mooie landen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb de indruk dat de heer Markuszower ... Nee, laat ik het debat ... De heer Markuszower slaat het de andere kant op plat. Als je met mensen praat, kom je erachter dat velen van hen wel degelijk veel hebben meegemaakt. Ze vluchten niet voor niets. Ze hebben in het land van herkomst veel meegemaakt. Zo'n tocht, soms met het hele gezin, kan ook heel zwaar en bar zijn. Ik heb de afgelopen weken, sinds ik woordvoerder ben, veel gepraat met mensen die hiernaartoe zijn gekomen. Dan schrik ik enorm van wat mensen, soms ook kinderen, allemaal op die reis hebben meegemaakt. Ik kan me heel goed voorstellen dat mensen hiernaartoe komen die ontzettend getraumatiseerd zijn door alles wat ze de afgelopen weken en maanden, en misschien ook daarvoor, hebben meegemaakt.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Dat bestrijd ik op zich niet. Ik zeg er ook wel eerlijk bij dat sommige mensen gewoon jokken. Dan verzinnen ze gewoon een verhaal zodat ze hier eerder een asieltitel krijgen.
Ik had eigenlijk een ander punt. Op een gegeven moment komen de mensen, zelfs de mensen die erge dingen hebben meegemaakt over wie mevrouw Westerveld het heeft, aan in een veilig land. Dat land heet niet Nederland. Daarna reizen ze door naar Nederland. Op een gegeven moment is de "barre tocht" toch wel voorbij? Ze komen toch niet aan als op een barre tocht? Ze komen aan in België, Duitsland, Oostenrijk of Ibiza; weet ik veel. Dáár is het niet zo bar.
De voorzitter:
Laten we ons houden aan de wijze woorden van de heer Markuszower, die ons erop wees dat we bij het onderwerp van de wet moeten blijven. Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ook hier vind ik niet dat het hele verhaal wordt geschetst, want ik noem bijvoorbeeld de mensen die aankomen in Griekenland. De heer Markuszower kent ook de beelden van de overvolle vluchtelingenkampen, waar de omstandigheden vaak helemaal niet best zijn. Dan begrijp ik best, vanuit mensen zelf beredeneerd, dat ze doorreizen, helemaal als ze denken dat ze in andere landen een hartelijker welkom wordt geheten, als ze daar mensen kennen. Ook op basis van onderzoeken weten we dat mensen vaak doorreizen naar een land waar ze bijvoorbeeld al bekenden hebben. Dat kan ik vanuit menselijk perspectief goed begrijpen. Er zijn natuurlijk ook een aantal afspraken gemaakt over mensen die aankomen in Europa en in het eerste land een asielaanvraag moeten doen. We weten ook allemaal dat niet alle landen zich daar de afgelopen jaren goed aan hielden en dat de mensen die hier bescherming zoeken daar wederom de dupe van zijn.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ja, afrondend, maar eigenlijk heb ik een andere vraag. Ik zal hem in enen doen. Mevrouw Westerveld zei ook dat ze zich kan voorstellen, en dat ook heeft gemerkt en uit gesprekken heeft opgemaakt, dat mensen, nadat ze een barre tocht hebben gehad en veel hebben meegemaakt, hiernaartoe komen en dan dus misschien ook wel psychische problemen hebben. Nou vraag ik eigenlijk aan mevrouw Westerveld, die in deze Kamer toch te boek staat als expert op juist ook dat gebied, van ggz en zo, of Nederland nog wel ruimte heeft, of die ggz, onze dokters, onze instellingen wel ruimte en plek hebben om al die nieuwelingen, die die zorg misschien ook nodig hebben, te behandelen. Als we die behandelen, gaan dat dan volgens mevrouw Westerveld niet ten koste van de wachtlijsten van, zeg maar, de mensen die hier al wonen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het probleem is eerder andersom en daar wilde ik ook vragen over stellen, namelijk over Veldzicht. Dat is het transcultureel centrum waar mensen uit andere culturen die hiernaartoe vluchten en die ernstige dingen hebben meegemaakt gespecialiseerde hulp krijgen. Het idee is nou juist dat Veldzicht verder wordt afgebouwd, omdat onze reguliere tbs meer ruimte nodig heeft. Daar heb ik zorgen over, want het is een groot probleem dat we te weinig gespecialiseerde hulp hebben. Als er dan geen plek wordt geboden waar deze mensen gespecialiseerde hulp krijgen, maak ik me ernstig zorgen over de consequenties. Dat zien we namelijk ook in de Nederlandse context. Steeds meer mensen worden niet op tijd geholpen en de problemen worden dan alleen maar groter, soms met een afschuwelijke afloop. Dat zien we dus in die hele context. Mijn laatste vraag aan de minister is dus om nog eens nader in te gaan op Veldzicht. In de brief van, uit mijn hoofd, 31 maart las ik wat het plan is, namelijk dat er steeds meer wordt afgebouwd en dat Veldzicht vanaf 2027 voor een andere doelgroep beschikbaar komt, namelijk grotendeels voor in Nederland geboren tbs'ers. Als daar geen alternatief voor is, maak ik me grote zorgen over deze groep. Ik zie de minister meeschrijven, dus volgens mij heeft hij door dat dit vragen aan hem zijn.
Voorzitter. Dat waren mijn laatste vragen. Ik hoop dat er een heel concreet plan komt voor hulp aan deze groep mensen, zodat de hulp aan hen blijft bestaan. Ik hoop dat we vandaag een heel goed debat hebben over deze wet.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik hoop inderdaad ook op een goed debat, en daarom ook mijn vraag aan mevrouw Westerveld. De IND smeekt al heel lang: schaf alsjeblieft de asieldwangsom af, want die ontwricht de IND en helpt asielzoekers niet. Kunnen we rekenen op steun van GroenLinks-PvdA om een oplossing te bieden en te komen tot afschaffing?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik zag deze interruptie al wel aankomen, want de SGP heeft veel eerder al een amendement ingediend om tot afschaffing te komen. Dat hebben we ook besproken. Wij steunen dat voorstel niet. Ik zie, met de SGP, dat dwangsommen steeds minder effect hebben. Dat komt door de steeds langere wachtlijsten, waardoor mensen steeds langer moeten wachten. Gisteren kwam de Rekenkamer nog met een rapport waarin staat dat drie kwart van de mensen langer wacht dan die zes maanden die er eigenlijk voor staan. Dat is natuurlijk heel heftig, maar ik vind de oplossing van de SGP om dan de dwangsommen maar af te schaffen wel de omgekeerde weg. Ik vind dat wij de capaciteit op orde moeten maken en dat er geïnvesteerd moet worden in die IND zodat mensen sneller aan de beurt zijn, sneller weten waar ze aan toe zijn en sneller duidelijkheid krijgen over de procedure. Ik vind ook dat mensen die afhankelijk zijn van de overheid in bescherming moeten worden genomen. Ik zou dus die weg op willen gaan.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik begrijp het antwoord van mevrouw Westerveld, maar als de praktijk gewoon is dat de huidige systematiek averechts werkt en er steeds meer IND-medewerkers bezig zijn met het afhandelen van die asieldwangsommen, dan is dit verhaal toch niet houdbaar?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De heer Van Dijk zegt dat de praktijk zo is, maar dit is natuurlijk wel een gevolg van politieke keuzes, van kabinetten de afgelopen jaren die fors hebben bezuinigd op de capaciteit bij de IND. We zien datzelfde bij het COA. Dit kabinet investeert gelukkig weer — daar ben ik blij mee — zodat mensen sneller aan de beurt kunnen zijn. Maar juist daarom ben ik niet voor de oplossing van de SGP. Je moet ergens ook een stok achter de deur hebben en mensen beschermen tegen een machtige overheid. Tegelijkertijd zie ik, zoals ik net al zei, dat die dwangsommen steeds minder effect hebben en dat er veel tijd in gaat zitten. Dat begrijp ik. Maar het stelsel is door politieke keuzes zo in de soep gelopen. Dat is niet de schuld van mensen die hiernaartoe zijn gekomen omdat ze bescherming zoeken.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Afrondend. Het laatste is toch echt te mager. Mevrouw Westerveld had het op een ander ogenblik in haar betoog over die stevige personeelstekorten. Er werken bij de IND momenteel bijna 7.000 mensen. Het kost de grootste moeite om dat op peil te houden, laat staan dat je nog 500 of 1.000 extra mensen ergens vandaan haalt om die capaciteit te vergroten.
Mijn laatste puntje. Ik doe het gauw in één interruptie. Mevrouw Westerveld suggereert dat er asielzoekers met lege handen staan. De gang naar de rechter blijft voluit openstaan.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Nou, kijk naar het Asiel- en Migratiepact. Ik vind dat mensen bijgestaan moeten worden door advocaten en rechters, en die keten wordt daarin wel degelijk flink ingekort. Daar is mijn fractie geen voorstander van, maar dat gebeurt wel degelijk. Dan over dat eerste punt. Ik weet natuurlijk van de enorme werkdruk bij de IND. Maar dat is wel een gevolg van politieke keuzes, waardoor mensen die dit moeilijke werk moeten doen, het totaal niet makkelijk hebben. Dat komt soms ook door de manier waarop hier, niet door de heer Van Dijk, maar wel in het algemeen … Ik bedoel de politieke ideeën over mensen die werken met vluchtelingen. De afgelopen jaren is fors bezuinigd op een heel aantal uitvoeringsorganisaties. Dan begrijp ik ook dat de IND echt niet zomaar even de capaciteit op orde heeft en dat dat tijd kost. Daarom gaf ik net ook de huidige minister een compliment over het feit dat in dit regeerakkoord wel weer wordt geïnvesteerd in uitvoeringsorganisaties. De enige manier om ervoor te zorgen dat mensen die hiernaartoe komen snel weten waar ze aan toe zijn, is door ervoor te zorgen dat de uitvoeringscapaciteit op orde is en door de Spreidingswet uit te voeren. Ik vind dat wij met elkaar daarvoor zouden moeten staan.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Westerveld, voor uw bijdrage in eerste termijn. Het woord is aan de heer Ellian voor zijn bijdrage namens de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Gaat uw gang!
De heer Ellian (VVD):
Voorzitter ...
De voorzitter:
Ik zie hier opeens de heer Ceulemans staan.
De heer Ceulemans (JA21):
Ja, voorzitter. Ik heb eigenlijk een vraag aan de heer Ellian voordat hij met zijn betoog over dit wetsvoorstel begint. Ik zag een fragment terug van de heer Ellian gisteravond bij Nieuws van de dag. Daarin zei hij dat als na de zomer de instroom van asielzoekers niet met minstens een paar honderd per week omlaaggaat, er dan aanvullende maatregelen nodig zijn.
De voorzitter:
Dat vind ik eigenlijk meer een vraag voor vanavond.
De heer Ceulemans (JA21):
Nee, dat vind ik niet. U doet de hele tijd alsof er vanavond een asieldebat op de rol staat.
De voorzitter:
Als u de regeling van afgelopen dinsdag heeft gevolgd, dan denk ik dat het wel die kant opgaat.
De heer Ceulemans (JA21):
Mag ik het heel even toelichten? Het debat vanavond gaat over … Wat was de titel? Wij vonden het sowieso een heel slecht idee om dat debat te voeren. Het gaat over het normaliseren van geweld in politiek en samenleving. Dat is niet een asieldiscussie. We hebben het nu over een asielwet. Dat gaat ook over de houdbaarheid van het asielstelsel. Mijn vraag ligt gewoon in het verlengde daarvan.
De voorzitter:
Meneer Ellian, wenst u hier antwoord op te geven? En, zo ja, hoe? Daarna vangt de heer Ellian aan met zijn betoog.
De heer Ceulemans (JA21):
Mijn vraag was nog niet gesteld. Mijn vraag is de volgende. Dit is in ieder geval een stap in de goede richting. In het coalitieakkoord staat dat aanvullende maatregelen genomen gaan worden op het moment dat de asielketen bezwijkt. Dus mijn vraag aan de heer Ellian is: vindt hij dat de asielketen op dit moment bezwijkt? Zo ja, waarom gaan we dan niet meteen maatregelen treffen? Als hij niet vindt dat de asielketen bezwijkt, neemt hij dan op dit moment afstand van het coalitieakkoord door toch dit soort maatregelen te bepleiten?
De heer Ellian (VVD):
Ik geloof dat ik de strekking van de vraag begrijp. Wat ik gezegd heb — volgens mij baseer ik me dan op de realiteit en natuurlijk op de inzet van de VVD — is dat we nogal in de penarie zitten met elkaar. Dat is vrij evident. Dat kan niemand ontkennen. Nou worden er al allerlei maatregelen genomen. Dat weet de heer Ceulemans. Per 13 juni gaan er allerlei nieuwe maatregelen in. Als dat sneller kan dan 13 juni, doe dat wat mij betreft dan alsjeblieft, want de nood is natuurlijk hoog. Als dan daarna blijkt dat dat allemaal niet werkt … Sommigen in deze Kamer zeggen op voorhand al dat het niet werkt. Ik zeg dan: laten we even kijken, want op zich ziet het, hoe het bedacht is, er best goed uit. Dan heb ik het over het pact en de uitvoeringswetten. Als iets niet werkt, heb je natuurlijk een nog ellendigere realiteit met elkaar onder ogen te zien. Dan is het toch logisch dat ik wil kijken wat we op dat moment moeten doen?
De heer Ceulemans (JA21):
Ik vind het hartstikke logisch dat de heer Ellian dat zegt. Wat ons betreft gebeurt dat per direct en gebeurt het in grotere mate, niet alleen enkele honderden. Maar nogmaals, ik vind het logisch en een stap in de goede richting. De heer Ellian zei daarbij ook dat we naar maatregelen moeten kijken die tot nu toe taboe waren. Heeft hij daar suggesties voor?
De heer Ellian (VVD):
Daar heb ik veel vragen over gekregen sinds gisteren. Als ik nu al vooruit ga lopen op wat dan zou moeten, is de kop van de krant natuurlijk meteen: VVD wil andere maatregelen. Ik denk dat de heer Ceulemans en ik dezelfde zorg hebben. Ik doe mijn best om de huidige ellendige situatie tot een einde te brengen. Dat betekent dat ik ook reëel moet zijn en moet zeggen: als het allemaal niet werkt, moet je kijken naar maatregelen die tot nu onwenselijk werden geacht, overigens niet per se alleen door de VVD maar misschien ook door anderen. Dat is wat ik zeg. Laat ik er niet op vooruitlopen. Laat ik vooral hopen dat die instroom het liefst volgende week al naar beneden gaat. Zo niet, dan moet je naar de gereedschapskist kijken.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ceulemans (JA21):
Afrondend. Nogmaals, ik vind dat de heer Ellian een goede beweging maakt. Als het over de bezuinigingen op de sociale zekerheid gaat, nemen D66 en het CDA heel veel ruimte ten aanzien van het coalitieakkoord. Het lijkt me goed dat de VVD dat op het gebied van asiel meer gaat doen. Mijn vraag is de volgende. Collega Boomsma heeft eerder een motie ingediend waarin wordt verzocht om als Nederland zo snel mogelijk met forse aanvullende nationale maatregelen te komen als na de implementatie van het Asiel- en Migratiepact de instroom niet drastisch omlaaggaat. Als wij die motie opnieuw indienen, kunnen wij dan, in het licht van wat de heer Ellian gisteren zei, op steun van de VVD rekenen?
De heer Ellian (VVD):
Je moet altijd heel voorzichtig zijn met vooruitlopen en als-danvragen. Overigens, als je asielwoordvoerder voor de VVD bent, is altijd een deel van het land boos op je, maar dat zij dan maar zo, want ik doe maar gewoon wat ik denk dat goed is. We hebben nu maatregelen genomen. Het is overigens superjammer dat we een aantal maatregelen niet hebben kunnen nemen omdat er in de Eerste Kamer het een en ander misging. Maar de instroom moet naar beneden en, zoals ik gisteren zei, wat mij betreft op een gegeven moment naar nul. Als niets werkt, hebben wij als volksvertegenwoordigers de plicht om naar de gereedschapskist te kijken om te kijken wat er wel werkt. Dat is mijn intentie.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik wil de heer Ellian vandaag een beetje feliciteren met dit verhaal en het verhaal van gisteravond. JA21 trapt er ook met open ogen in. De VVD doet weer net alsof ze voor strengere asielmaatregelen is. Maar dat is natuurlijk niet zo. Als je goed luistert, zegt de heer Ellian: "Ja, we hebben er nu 1.000. Dat is iets te veel. We gaan er een paar honderd van afhalen." Weet meneer Ellian hoeveel we er dan per jaar binnen krijgen? Nog steeds rond de 30.000.
De heer Ellian (VVD):
Dat was nog geen vraag.
De voorzitter:
Jawel, hij vroeg u of u weet hoeveel er dan binnenkomen.
De heer Ellian (VVD):
Ja, dat is nog steeds een substantieel aantal. Ik kan rekenen. Dan kom je richting de 30.000 uit. Immers, dan heb je er nog steeds honderden per week. Ik voel me vereerd dat een interview met mij nu meteen in de plenaire zaal tot vragen en discussie leidt. Dat is mooi. Ik heb gisteren ook gezegd: het liefst naar nul. Dat zei ik net ook al. Ik heb gezegd dat de VVD uiteindelijk wil dat we gaan kijken wie we het land binnenlaten. Ik weet niet of het een felicitatie aan mij was van de heer Markuszower …
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ja, zeker! Want de grote trukendoos van de VVD gaat weer open, en nu schittert de heer Ellian in die rol. Vroeger hadden we allemaal andere woordvoerders van de VVD, zoals Ruben Brekelmans, en die deden dat ook net voordat er verkiezingen waren. Waarschijnlijk rommelt het een beetje in de coalitie. Dan gaat de VVD zich warmlopen en zeggen: wij zijn voorstander van strenge asielmaatregelen. Onder Rita Verdonk — zij adviseert mij een beetje — lagen de instroomcijfers rond de 10.000 per jaar. De heer Ellian pleitte gisteren op tv — vandaag doet hij het weer — voor tienduizenden, voor 30.000 of 40.000 per jaar. Dan rekenen we nog niet eens de Halbe Zijlstraformule mee, die er nog eens maal 2,3 bij doet.
De voorzitter:
Uw vraag, meneer Markuszower.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Voor elke asielzoeker die hier komt, komen er ook wat nareizigers: een eerste vrouw, een tweede vrouw, een derde vrouw, een vierde vrouw en tien besneden dochters. Dus wat gaat de VVD nu echt doen voor Nederland? Zegt de heer Ellian nu echt dat ze iets gaan doen, terwijl dat nog steeds leidt tot 40.000 of 50.000 asielzoekers per jaar, inclusief nareizigers? Is dat nou zijn hele verhaal?
De voorzitter:
Uw vraag was te lang, en denk aan parlementair taalgebruik.
De heer Ellian (VVD):
Ik weet niet precies waarom de heer Markuszower nu boos wordt op mij. Als woordvoerder van de VVD zeg ik: we gaan het liefst naar nul. Maar nul is niks, hè? Ik snap dat niet iedereen ons verkiezingsprogramma gaat lezen, maar daarin staat, zoals ik gisteren ook zei, dat we, wat de VVD betreft, niet meer iedereen die op de vlucht is voor oorlog en geweld, opvang gaan bieden. Een heleboel mensen in deze Kamer, maar ook in het kabinet, praten nog steeds in die bewoordingen. Het is ons ernst. Toen ik net twee weken deze eervolle portefeuille had, lag het enorme Migratiepact voor. Ik hoop dat de Terugkeerverordening de kant op gaat waardoor deze hopelijk onmiddellijk in werking treedt. Ik kijk welke voorstellen ik kan doen. In de Eerste Kamer stemden andere partijen tegen hele goede noodmaatregelen. Ik probeer per week te kijken wat ik kan doen. Nee, ik wil Nederland niet verkopen. Er komen er nog steeds tienduizenden binnen. We zijn bezig met het zo snel mogelijk afbouwen. Hopelijk lukt het op een gegeven moment om het naar nul te brengen. Dat is toch een duidelijk verhaal?
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik ga het proberen. Die tv-uitzending moet u inderdaad niet verder analyseren. Daar heeft de heer Ellian gelijk in.
De heer Ellian (VVD):
Het is wel mooie pr.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
De heer Ellian zag er gisteren mooi uit. Maar net in de zaal zei hij: we gaan het liefst naar nul, maar de precieze maatregelen wil ik nu nog niet noemen. Toen ging hij een beetje fluisteren. Maar als de heer Ellian hier zegt dat hij wil dat het aantal richting nul gaat, kan hij dan één, twee of drie maatregelen noemen die nu nog onbespreekbaar zijn en die de VVD dan gewoon een keer concreet en keihard op tafel gaat leggen?
De heer Ellian (VVD):
Ik snap die vraag en ik snap de vraag van de heer Ceulemans ook. Ik hoop dat die collega's zien dat het ons ernst is. Dat ik dat al zeg, is geen slappe hap. Het is een serieus statement. Daarmee zegt de VVD dus dat de instroom naar beneden moet; dat is overigens ook gewoon afgesproken en dat weet deze minister. Ik zeg dus niks geks. Ik zeg dat dat moet gebeuren. Als dat niet gebeurt, dan heb ik toch de plicht om dat te zeggen en te handelen om te kijken wat we dan kunnen doen? De collega's die hier al langer rondlopen dan ik weten dat er echt nog wel wat dingen mogelijk zijn. Maar als ik nu al zeg "dat gaan we doen", dan snap ik dat de minister zegt: nou ja, dan …
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik heb eigenlijk niet eens een vraag aan de heer Ellian van de VVD. Ik wil alleen maar zeggen: stop met het voor de gek houden van de Nederlanders. U kunt wel in een televisieprogramma gaan zeggen dat u over een paar maanden misschien maatregelen wil nemen, maar ten eerste heeft Nederland nu maatregelen nodig en ten tweede werkt u met de verkeerde partijen samen. Nota bene de grootste partij waarmee u samenwerkt en in het kabinet zit, D66, stemt tegen asielwetten die het iets strenger maken, die mogelijk minder asielzoekers naar Nederland laten komen. Die partij stemt tegen die wetten! U kunt wel bij een tv-programma gaan zitten, maar daarmee lost u het niet op. U moet maatregelen nemen.
De heer Ellian (VVD):
Kennelijk maakt het iets los bij de collega's als ik naar de tv ga. Ik doe gewoon mijn werk. Ik zie dat een andere partij in de coalitie tegen heeft gestemd. Volgens mij is de essentie: haalt het voorstel het? Daar ben ik voor. De PVV heeft het overigens ook niet heel erg makkelijk gemaakt in de Eerste Kamer. Ik kan nu weer een hele jij-bak opentrekken over de Eerste Kamer, maar dat ga ik allemaal niet doen. We proberen het hier met elkaar, alleen verschillen we van mening over de oplossing en over wanneer je wat moet doen. Ik vind dat die instroom naar beneden moet. Dat is toch evident? Dat zeg ik nu in alle verschillende bewoordingen. En die instroom moet heel erg snel naar beneden. Ik wil er alleen niet op vooruitlopen als het me niet lukt.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Als u vindt dat de instroom omlaag moet en u in het kabinet zit, doe er dan wat aan! Dat is het enige wat ik kan zeggen. Wat mij betreft zit meneer Ellian 's avonds in elk tv-programma, alleen heeft dat geen nut. Hier in de Kamer moeten we het gaan regelen, moeten we ervoor zorgen dat de instroom gewoon naar nul gaat, dat er het liefst volgende week nul asielzoekers naar Nederland komen. En u zit in het kabinet, dus zorg daar dan voor.
De heer Ellian (VVD):
Dat is een terechte oproep, maar dat doe ik toch? Zoals ik mijn werk altijd doe. Ik doe mijn best om iets wat ik in de openbaarheid zeg ook handen en voeten en gestalte te geven in deze zaal. Daar heb ik amendementen en moties voor ingediend. Je kunt met elkaar van mening verschillen over of dat nut heeft of niet, maar volgens mij gaat het mij niet om slappehapmoties indienen. De meeste moties die ik indien, vragen iets serieus van het kabinet. Niet iedereen is het daarmee eens, soms ook in de coalitie niet. Volgens mij laat alleen dat al zien wat de intentie is: ik probeer het te regelen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Zaken in de openbaarheid zeg je als politicus meestal met een bedoeling. Mijn vraag aan de heer Ellian is dus wat nou zijn bedoeling is bij de coalitie een deadline opleggen voor na de zomer. Want dat soort woorden meende ik gisteren wel in dat interview te horen.
De heer Ellian (VVD):
Ik leg de coalitie geen deadline op. Volgens mij legt de samenleving ons een hele duidelijke deadline op. Die zegt namelijk: het loopt de spuigaten uit; Den Haag, u moet met een oplossing komen. Volgens mij zegt zo'n beetje iedereen dat. Ik zeg: er liggen een aantal oplossingen. Nogmaals, dat hadden er meer kunnen zijn als het aan ons had gelegen, maar goed, het liep anders in de Eerste Kamer. Per 13 juni gaan een aantal maatregelen van kracht. We moeten doen wat we kunnen om ervoor te zorgen dat de instroom naar beneden gaat en dat het beheersbaar wordt in Nederland. Dan is het toch niet gek dat ik zeg dat dat zich op enig moment moet materialiseren en meetbaar moet zijn? Anders ben ik inderdaad gewoon mooie praatjes aan het verkopen. Dat doe ik liever niet.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar als we heel eerlijk kijken naar de cijfers, dan zien we dat er niet ineens een gigantische piek is. De afgelopen jaren zijn er wel enorme bezuinigingen doorgevoerd op uitvoeringsorganisaties, is het aantal vaste locaties sterk verminderd, moet er overal opnieuw noodopvang worden opgetuigd en is de Spreidingswet niet uitgevoerd. Zou het naar de mensen toe dan niet veel eerlijker zijn om aan te geven dat de Spreidingswet uitgevoerd moet worden en dat het aantal mensen dat hiernaartoe komt niet zomaar binnen een paar maanden veel minder gaat zijn, ook niet met alle forse maatregelen die in het Asiel- en Migratiepact staan? Want daarmee vertel je wel het eerlijke verhaal aan mensen, namelijk dat we allemaal de schouders eronder moeten zetten en niet onnodig paniek moeten zaaien.
De heer Ellian (VVD):
Dat hangt af van wat je het eerlijke verhaal vindt. Als het eerlijke verhaal is dat de instroom nooit naar beneden gaat en mensen blijven komen, dan ga ik dat verhaal niet vertellen, omdat ik daar niet in geloof. Zie ik dat het een uitdaging is? Ja. Zie ik dat er veel moet gebeuren? Er moet van alles gebeuren. Dat moet heel snel. Dat antwoordde ik ook aan collega's. Deze minister weet dat dat heel snel moet. Ik mag aannemen dat hij daar 24 uur per dag mee bezig is. Van de Spreidingswet zegt deze minister ook dat die zijn acute probleem, bijvoorbeeld in Ter Apel, niet oplost. Dus ja, dan moet je naar andere maatregelen kijken. Dat heeft de minister deze week overigens ook gedaan. Het eerlijke verhaal van mij is dus dat de instroom naar beneden moet. Ik denk dat het kan. Dat moet snel.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn punt is dat er niet ineens een gigantische piek is. Het aantal locaties is wel flink afgeschaald de afgelopen jaren. Er waren flink wat bezuinigingen, waardoor mensen soms jarenlang in een COA-locatie wonen en nergens naartoe kunnen. Ook is de Spreidingswet de afgelopen paar jaar niet uitgevoerd. Kan de heer Ellian in ieder geval erkennen dat de grote problemen die er nu zijn, het gevolg zijn van politieke keuzes?
De heer Ellian (VVD):
"Politiek" in die zin dat wij er allen bij waren. Het is ons niet gelukt om een situatie te creëren waarin de instroom naar beneden gaat en die beheersbaar is qua opvanglocaties. Daar waren we allemaal bij. Je kunt daar allerlei keuzes in maken. De gemaakte keuzes hebben in ieder geval nog niet de oplossing gebracht.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ter geruststelling: ik heb geen tv, dus ik heb de heer Ellian ook niet op tv gezien.
De heer Ellian (VVD):
Dat lijkt mij een zegen!
De voorzitter:
U kan dit iedereen aanbevelen, denk ik. Of niet?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik beveel het iedereen aan! Pak een goed boek; daar schiet je veel meer mee op. Dat terzijde.
Ik hoor de heer Ellian zeggen: de instroom fors terugdringen. Ik ben het daar van harte mee eens. Tegelijkertijd denk ik, als ik die ambities zo hoor: pas op voor valse beloften. Daar hebben we namelijk ook wel een prijs voor betaald. Ik hoor een hele stevige focus op die instroom, maar is de echte achilleshiel ook niet het falende terugkeerbeleid? Gaat de heer Ellian daar ook nog op in?
De heer Ellian (VVD):
Mooie vraag. Ik voel dit overigens als een aansporing om een boek te schrijven. Nee, zeker. Ik krijg allerlei … Ik hoop dat collega Van Dijk mij dit kan vergeven. Ik wilde wat dingen zeggen over amendementen die ik heb ingediend. Ik begrijp het: collega's willen iets aan mij vragen en dat mag. Maar terugkeer en uitzetten moet uiteraard in veel groteren getale. Met alle respect: als ik de beelden zie van personen die zichzelf aanmelden in Ter Apel … Op de vlucht voor oorlog en geweld? Nog los van dat ik vind dat je dan niet altijd opvang hoeft te bieden, zijn het allemaal mensen die uit andere landen in Europa komen. Natuurlijk moeten die terug. Ik heb al gezegd dat er 36.000 Syriërs in de COA-locaties zitten. Alsjeblieft! Een deel van Syrië is veilig. Duitsland streeft ernaar 80% terug te sturen. Dus uiteraard, met terugkeer en uitzetten, nog los van alle overlastgevers — daar zijn er zat van — los je natuurlijk ook een deel van het probleem op. Het is een waaier aan maatregelen die je moet nemen.
De voorzitter:
U vangt nu aan met uw betoog, met dank aan de heer Ceulemans.
De heer Ellian (VVD):
Ja, dat ga ik doen. Ik ga proberen u te verblijden door het puntig te houden wat betreft de wet.
De voorzitter:
Dat is altijd goed.
De heer Ellian (VVD):
Ik ga het betoog dus echt toespitsen op mijn voorstel. Mevrouw Westerveld heeft de voorgeschiedenis van deze wet volgens mij al aardig toegelicht. Ik denk wel dat het goed is als dit in de Handelingen staat. Het is best een vreemde wet die we hier hebben. De wet is gemaakt in de jaren 2013-2014. De wet is ingediend in 2015. In 2018 is er gestemd. Volgens mij was er daarna een deskundigenzitting. In 2020 kwamen een novelle, een nota van wijziging en een tweede nota van wijziging. Er is dus veel gebeurd, maar de essentie is wel — ik heb dat nog weinig collega's horen zeggen — dat er op zich gewoon een wet voorligt die dertien jaar geleden bedacht is. Je moet dus wel goed kijken of die nog bij de tijd is. Past die nog bij de situatie nu? Dat heb ik uiteraard gedaan. Ik denk dat de wet op een aantal onderdelen zinnige zaken regelt en wettelijk verankert, maar een aantal onderdelen waren misschien dertien jaar geleden een goed idee, maar nu evident niet meer. Daar heb ik wat amendementen over.
Voordat ik daarop kom, wil ik eerst het volgende zeggen. Het is natuurlijk prettig dat via een nota van wijziging nu ook de ongewenstverklaring voorligt. Fijn dat dat zo snel ter hand is genomen en dat een amendement van de VVD, dat eerder in dit huis is aangenomen, daarin verwerkt is. Dat laat wel zien dat deze minister niet is van onnodig wachten. Ik wil ook de collega's van JA21 en SGP danken voor hun voortvarendheid met het indienen van een amendement over het afschaffen van de gerechtelijke dwangsom. Ik denk dat dat laat zien hoe deze partijen erin zitten. Er is geen minuut te verliezen. Waar we iets kunnen aanpassen, doen we dat, dus dank daarvoor.
Voorzitter. Wat betreft de wet heb ik een viertal amendementen. Dat is natuurlijk ook de kern van het standpunt van mijn fractie. Ik heb één amendement ingediend op het bezit van telefoons, devices. Deze wet maakt dat mogelijk. Kennelijk heeft iemand in 2015 bedacht dat dat een goed idee zou zijn. Ik verzeker u, voorzitter, dat het hebben van een mobiele telefoon in een detentieomgeving het meest onverstandige is wat je kunt doen. Het is gevaarlijk voor medewerkers. Het stelt mensensmokkelaars in de gelegenheid om contacten te leggen. Ingeslotenen kunnen onderling de hele dag contact leggen. Ze kunnen mogelijk ook medewerkers opzoeken of intimideren. Het past totaal niet bij deze omgeving. Overigens gebeurt het nu ook niet. Ik wil daarbij benadrukken dat het geen versobering is, want op dit moment zijn telefoons al niet toegestaan en kan de vreemdeling gebruikmaken van de telefoon die wordt gefaciliteerd door de Dienst Justitiële Inrichtingen. Ik vond het een beetje gekkigheid dat dit in de wet staat, dus mijn amendement schrapt die mogelijkheid.
Voorzitter. Het tweede amendement ziet op de lockdown. Dat vond mijn fractie heel stringent geformuleerd, omdat de voorgestelde formulering behelst: het moet volstrekt noodzakelijk zijn. "Volstrekt" betekent in juridische zin: er was geen enkel ander alternatief. Dat is in de reële wereld zelden aan de orde. Er zijn wel alternatieven. Het gaat erom dat de directeur op dat moment tot de conclusie komt, alles afwegende, dat hij met die alternatieven niet de veiligheid en de orde in de inrichting kan terugbrengen en dus kiest voor dit hele zware middel. Ik denk dat de formulering "strikt noodzakelijk", waarin die afweging en die proportionaliteit tot uiting komen, voldoet. Als je zegt "volstrekt noodzakelijk", zal het nooit aan de orde zijn, want je hebt altijd een andere mogelijkheid. Het gaat erom dat de directeur zegt: ik denk niet dat ik daarmee de veiligheid kan garanderen. Het amendement stelt dus voor om het woordje "volstrekt" te vervangen door "strikt": "strikt noodzakelijk".
Dan het beklag. Daar heb ik al voor geknokt, ook in mijn hoedanigheid van woordvoerder Justitie. Beklag is een doorn in het oog van de medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen. In heel Nederland klagen gedetineerden over elk wissewasje. Dat loopt compleet de spuigaten uit. Nu maakt deze wet mogelijk dat vreemdelingen in bewaring eigenlijk ook over elk wissewasje kunnen klagen. Dit leidt tot onnodige administratieve druk en werkdruk voor de Dienst Justitiële Inrichtingen, maar het creëert ook een verkeerde sfeer. Het is logisch dat je in beklag kan tegen een beslissing van de directeur over jou als, in dit geval, ingeslotene. Mijn amendement verduidelijkt en schrapt dus de mogelijkheid om te kunnen klagen over alles wat los en vast zit. Ter illustratie: ik heb ooit bij mijn bezoeken aan een penitentiaire inrichting gehoord dat de gedetineerden klaagden over de kleur van de muur. Dat zijn wel de situaties die zich nu voordoen. Dat moet de minister niet willen voor een locatie als Rotterdam of Schiphol, waar de werkdruk al hoog is.
Voorzitter. Dat brengt mij bij mijn laatste amendement. Bij vreemdelingenbewaring gaat het niet om lieverdjes. Dat moeten we scherp hebben met elkaar. Het gaat op dit moment om vooral Marokkanen en Algerijnen die daar zitten. Niet dat die afkomst meteen maakt dat je geen lieverdje bent, maar er is een gevaar voor de openbare orde, of je werkt niet mee aan je uitzetting en er is ook zicht op uitzetting, of je hebt je er eerder al aan onttrokken, of je hebt strafbare feiten gepleegd. Het is een enorm grote doelgroep. Ik mis in de behandeling in de plenaire zaal een beetje dat het gaat om een doelgroep die enorm veranderd is de afgelopen twaalf, dertien jaar. In Rotterdam en op Schiphol — ik ben op beide locaties meerdere keren geweest — voel je de gespannen sfeer en de werkdruk. Ik benijd de medewerkers niet. Ik zeg die medewerkers vanaf deze plek enorm veel dank. Ik denk dat iedereen nog weet dat er een jaar of anderhalf jaar geleden een groot geweldsincident was in Detentiecentrum Rotterdam.
De VVD-fractie neemt de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van het regime als uitgangspunt, en dus de beheersbaarheid daarvan. Dat is de lat waarlangs we deze wet hebben gelegd. De fractie van de VVD maakt zich daar best wel zorgen over, omdat deze wet nogal veel vrijheden toekent aan vreemdelingen. Met het vierde amendement verruimen we de periode dat een vreemdeling ingesloten kan worden. In het strafrecht is het gebruikelijk dat je vanaf 17.00 uur bent ingesloten. Deze wet zegt nu dat je pas vanaf 22.00 uur wordt ingesloten. Dat is niet te doen. Dat hoorde ik ook op mijn werkbezoeken daar. Het leidt vaak tot een onveilige sfeer. Wij vinden dat deze wet vooral gericht zou moeten zijn op een veilige, handhaafbare situatie. Overigens hebben de vreemdelingen daar zich te gedragen; laat ik dat benadrukken. Helaas is de realiteit daar dat dat vaak niet zo is. Het vierde amendement verruimt dus het aantal uren dat een vreemdeling ingesloten kan worden. We hebben goed gekeken naar het aantal uren, zodat het voldoende afwijkt van het strafrechtelijk regime. We begrijpen namelijk dat daar een verschil tussen moet zijn, maar het moet werkbaar zijn voor de medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
Voorzitter. Dan is tot slot mijn vraag aan de minister: houdt hij met zijn collega, de staatssecretaris van JenV, de uitvoerbaarheid goed in het oog? Die is superbelangrijk. Deze wet moet er niet toe leiden dat wij hier over een jaar een debat hebben over het feit dat er stakingen zijn bij de vreemdelingenbewaring of over een noodkreet van het personeel omdat dat het niet aankan. Dan hebben wij hier vandaag namelijk echt het verkeerde gedaan met elkaar. Ik wil daar dus echt een duidelijke uitspraak over van de minister.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb de amendementen nog niet kunnen lezen, misschien omdat ik zelf aan het woord was. Misschien staat het antwoord op mijn vraag dus in de toelichting, maar ik heb een vraag over nog meer vrijheidsbeperkende maatregelen. Als we teruggaan naar de oorsprong van deze wet, zien we namelijk dat het ging om de suïcide van Aleksandr Dolmatov in vreemdelingendetentie. De Kamer en de staatssecretaris —- dat was de heer Teeven — zeiden toen: we moeten een ander, vriendelijker kader hebben, want deze mensen zitten hier niet omdat ze straf krijgen, maar omdat ze in bewaring moeten worden gesteld. Ik zie dat het in de verschillende novellen en in de eerste nota van wijziging al iets zwaarder wordt, en nu hoor ik eigenlijk dat de VVD-fractie nog meer vrijheidsbeperkende maatregelen wil opleggen. Mijn vraag is of we dan niet veel te ver weggaan van het oorspronkelijke doel van deze wet.
De heer Ellian (VVD):
Ik zal het kort houden, gelet op de tijd. Ik denk dat de vraag van mevrouw Westerveld heel mooi de kern van deze wetsbehandeling vandaag aanstipt. Het doel van de wet was ooit om het wat vrijer en ruimer op te zetten; ik heb delen van de Handelingen teruggelezen en dan zie je dat inderdaad. Dat kon toen met de doelgroep. Ik heb dat ook nagevraagd bij de mensen die toentertijd bijvoorbeeld in Rotterdam bij het detentiecentrum werkten. Die tijd is voorbij. Het is nu een tijd van werkdruk, spanningen en veel geweld. Dat staat allemaal niet in de incidentenlijsten van de Dienst Justitiële Inrichtingen, maar elke collega die daar op bezoek zal gaan, zal dat horen. Het is een van de zwaarste plekken om te werken als medewerker in het gevangeniswezen. Wij hebben het volgende als uitgangspunt genomen. Er is toen misschien met de beste bedoelingen een wet gemaakt, maar je moet nu kijken hoe je het veilig houdt. Het eerlijke antwoord is dat de VVD-fractie inderdaad een aantal verscherpingen voorstelt, omdat wij denken dat deze wet anno 2026 echt te veel vrijheden biedt voor zo'n omgeving.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het was natuurlijk niet zomaar een wet; niet dat de heer Ellian dat zegt. Het was ook een situatie waar toenmalig staatssecretaris Teeven bijna over viel. Hij kreeg een motie van wantrouwen en heeft toen echt beloofd: ik ga andere maatregelen treffen. Nu hoor ik de heer Ellian eigenlijk zeggen: we zitten nu in een tijd van extreme werkdruk; een andere tijd met spanningen vraagt ook om verdergaande vrijheidsbeperkende maatregelen. Dit raakt ook de kern van mensenrechten. In de toelichting lezen we dat personeelstekorten nooit een reden mogen zijn voor vrijheidsbeperkende maatregelen. Zegt de VVD-fractie daarmee: ja, maar in de praktijk zien we wel dat dit speelt en kunnen personeelstekorten en spanningen dus een reden zijn om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen?
De heer Ellian (VVD):
Ook dat is weer een mooie vraag. Daar hoort nog één stap bij. Tekorten in het gevangeniswezen zijn altijd problematisch, maar wat hierbij nadrukkelijk speelt, is de veiligheid, overigens ook van vreemdelingen die zich wél goed gedragen in die detentiefaciliteit. De veiligheid en de orde in de inrichting moeten centraal staan. Het is een hele moeilijke inrichting met grote afdelingen, waar vreemdelingen zich op dit moment vaak echt heel vrij mogen bewegen. Ik hoorde tijdens mijn bezoeken dat het verschil met een strafrechtelijk regime is dat dat heel erg vastomlijnd is. Vanuit het personeel dat vaak onder grote druk staat — die druk is er niet per se alleen omdat ze met weinig zijn, maar komt ook door druk vanuit de vreemdelingen of de gedetineerden — hoor ik dat hoe meer orde en regelmaat je hebt op de dag, hoe beter het te doen is. Ik wil benadrukken dat ze heel vaak slachtoffer zijn van druk, op dit moment helaas vanuit de vreemdeling. Hoe meer het kader omlijnd is, hoe beter. Ik wil echt benadrukken dat het personeelstekort geen reden is om het mensenrecht in te perken. Voor mij en de VVD is heel duidelijk dat als je de veiligheid en de orde in die inrichtingen wilt handhaven, dit wetsvoorstel strakker moet. Als je praat met de medewerkers in Rotterdam en Schiphol, dan smeken ze er bijna om. Denk bijvoorbeeld aan die telefoons. Er is niemand die dat een goed idee vindt.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, kort en bondig.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dat we altijd moeten staan voor de veiligheid van het personeel. Ik weet ook welke gevolgen eenzame opsluiting en andere maatregelen hebben. Dat geldt sowieso voor detentie en vrijheidsbeperkende maatregelen. Dat zie ik ook in de verschillende andere portefeuilles die ik heb. Ik zou de heer Ellian als laatste willen vragen of hij dit ook naast internationale mensenrechtenverdragen heeft gelegd.
De voorzitter:
Meneer Ellian, evenzo kort en bondig.
De heer Ellian (VVD):
Doe ik, voorzitter. Dat doe ik altijd en dat moet ook; dat is je plicht. Daar kunnen we een heel debat over voeren. In het strafrecht ligt de lat daarvoor nog veel hoger. Daar mag je zelfs isoleren. Daar kun je iets van vinden, maar dat mag. Ik heb hierbij goed bekeken hoe je het strenger kunt maken, zodat het voldoende verschilt van het strafrechtelijk regime, maar wel veel structuur biedt. Nogmaals, als je daar zit, heb je het er in die zin ook wel zelf naar gemaakt. Mevrouw Westerveld heeft het over mensenrechten, maar als je gewoon meewerkt aan je uitzetting, kom je hier natuurlijk niet terecht. Het is een hele moeilijke, harde omgeving, waar de Dienst Justitiële Inrichtingen, en overigens ook de Koninklijke Marechaussee, hun handen aan vol hebben. Dat heb ik als uitgangspunt genomen. Wat wij voorstellen, doorstaat de toets aan de mensenrechten. Is het stevig? Absoluut, maar daar staan we ook voor.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Ellian (VVD):
Alstublieft, voorzitter. Ik wilde het kort houden, maar …
De voorzitter:
Nou ja …
De heer Ellian (VVD):
Ik heb mijn best gedaan.
De voorzitter:
Ik constateer dat we zijn aanbeland bij de schorsing van de middagvergadering.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik schors tot 13.55 uur. Ik wijs erop dat we daarna zullen aanvangen met de aanbieding van het verslag van de Ombudsman die al in ons midden verkeert. Daarna zullen we gaan stemmen. Daarna zullen we dit debat voortzetten.
De vergadering wordt van 13.21 uur tot 13.55 uur geschorst.
Aanbieding jaarverslag Nationale ombudsman
Aanbieding jaarverslag Nationale ombudsman
Aan de orde is de aanbieding van het jaarverslag van de Nationale ombudsman.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de aanbieding van het jaarverslag over het jaar 2025 van de Nationale ombudsman. Ik heet de Nationale ombudsman, de heer Van Zutphen, van harte welkom in ons midden. Tevens een hartelijk woord van welkom aan de substituut-ombudsman, mevrouw Molenaar, de Kinderombudsman, mevrouw Kalverboer, de algemeen directeur, mevrouw Van Essen, en de andere medewerkers die hier aanwezig zijn. Zoals ieder jaar zal de Nationale ombudsman hier vandaag het jaarverslag aanbieden van de Nationale ombudsman, van de Kinderombudsman en van de Veteranenombudsman, een jaarlijks terugkerend moment ter onderstreping van de bijzondere band tussen de Ombudsmannen en de Kamer.
Het is een genoegen om het woord te geven aan de Ombudsman.
De heer Van Zutphen:
Dank u wel, meneer de voorzitter, voor de mogelijkheid om de drukke agenda van u met de drukke agenda van ons te combineren in een paar minuten, waarbij ik straks het jaarverslag van drie Ombudsinstituten aan u mag overhandigen en de kans heb om daar nog een paar woorden bij te spreken.
Wat mij betreft zouden er drie dingen aan de orde moeten komen in de komende paar minuten. Het eerste is natuurlijk het jaarverslag van de drie instituten. Daarnaast dient er ook aandacht te zijn voor de behoorlijkheidswijzer, de vereisten die wij als Ombudsinstituten hebben gesteld op basis van het algemene bestuursrecht aan wat nou een behoorlijke manier is waarop de overheid of overheden met de burgers omgaan. Tot slot een derde punt. We maken van de gelegenheid gebruik om ook iets te zeggen over de proactieve overheid. We hebben daar een visie op ontwikkeld, waarvan ik denk dat u daar als Kamer, als parlement, ook uw voordeel mee zou kunnen doen.
In die behoorlijkheidswijzer, behoorlijkheidsnormering, gaan we uit van een aantal kernwaarden. Dat is vooral: een goed contact tussen burgers en overheden. We moeten werken voor alle burgers. Het gaat om eerlijk handelen en — daarmee ben ik meteen bij de titel van het jaarverslag van dit jaar — we moeten doen wat nodig is. Over wat nodig is, moeten we het maar eens met elkaar hebben; en vooral over hoe we het gaan doen. Die normeringen, die behoorlijkheid, de dingen die wij schrijven en doen, zijn nodig om de voorwaarden te creëren om het vertrouwen te herstellen.
Ik zeg niet voor niks "herstellen". Er is in de afgelopen jaren toch wel het een en ander gebeurd in ons land; we hebben daarover al veelvuldig met elkaar gesproken. Ik hoef alleen maar "toeslagen" of "Groningen" te noemen, of inmiddels ook "Eleveld" of de "brand op Bonaire bij Lagun". Om het vertrouwen te herstellen is dat echt heel hard nodig. Eerlijk gezegd dacht ik, toen ik vanmorgen wakker werd: ik voeg Ter Apel toe aan dit lijstje. Ik heb gisteravond gekeken en het vanochtend in de krant gelezen, en ik moet u heel eerlijk zeggen: ik heb er wel pijn in mijn buik van. Een aantal jaren geleden was ik betrokken bij het gesprek over hoe we dit gaan aanpakken, en niet alleen maar vanwege degenen die daar komen om asiel te vragen maar vooral ook om ervoor te zorgen dat in Ter Apel de leefbaarheid, de gemeenschap, overeind kan blijven. Gisteravond heb ik gezien dat we weer ver over de 2.300 zitten, terwijl een aantal jaren geleden Rijk, gemeenten, COA en anderen hebben afgesproken om de 2.000 nooit meer te zullen overschrijden. Dat hoort ook wel een beetje bij "doen wat nodig is". Kennelijk is er niet gedaan wat nodig is om die afspraak gestand te kunnen doen. Daar hebben we allemaal heel erg veel last van en daar moet echt iets aan gebeuren.
Doen wat nodig is. Dat is natuurlijk ook: als de dijk doorbreekt, zandzakken voor de deur leggen. Maar er is wat mij betreft nog iets veel belangrijkers. Eigenlijk zouden we namelijk moeten zorgen dat we voor er zandzakken nodig zijn, al hebben gedaan wat nodig is. Dat is letterlijk zo geweest natuurlijk, na de watersnoodramp in Limburg, maar het is nog steeds zo. Ik moet u zeggen dat ik langzamerhand wel denk dat we af moeten van symptoombestrijding: er gebeurt iets, we lossen het snel op en we denken dat het klaar is. Als we niet doen wat nodig is, namelijk de onderliggende problemen en oorzaken bij de kop pakken, dan hebben we niet langer te maken met een realistische overheid.
U weet dat de vicepresident van de Raad van State, de president van de Rekenkamer, die u hier gisteren hebt gezien, en ikzelf een visie hebben gemaakt op die realistische overheid en wat er nodig is. Wat is er nou nodig naar onze overtuiging? Dat vindt u ook terug in onze jaarverslagen. Het gaat er vooral om dat er duidelijkheid gegeven wordt over wat wel kan en wat niet kan, en wat wel mag en wat niet mag. Ik denk dat u vanavond nog wel met elkaar zult spreken over wat wel mag en wat niet mag.
Het gaat ook om goede, begrijpelijke wetten, die uitgevoerd kunnen worden en die gehandhaafd worden als ze er eenmaal zijn. U weet waar ik het over heb. Er kan geleerd worden van dingen die in het verleden niet helemaal goed zijn gegaan, of helemaal niet goed zijn gegaan. Daar hoort bij dat je spreekt met en luistert naar degenen om wie het gaat. Dat is wat mij betreft typisch iets voor een ombudsman, maar ook voor een parlement, voor de volksvertegenwoordiger.
Meneer Van Rompuy, die ik twee weken geleden hoorde spreken, zei: "Democratie is converseren. Als het gesprek stopt, loopt de democratie gevaar." We moeten er dus voor zorgen dat het gesprek niet stokt. Dat is nodig. De democratie moet door kunnen gaan. De mensen moeten weten dat het algemeen belang vooropstaat. Ze moeten begrijpen dat het persoonlijke belang niet altijd kan prevaleren en dat demonstreren niet betekent dat wat je zegt ook gaat gebeuren, maar dat demonstreren betekent dat er rekening wordt gehouden met wat je zegt. Ik zal er volgende week nog wel iets over zeggen.
Morgen ben ik in Groningen en ook in Eleveld. Daar kunnen we leren van wat er is gebeurd in Ekehaar en wat er de afgelopen jaren is gebeurd in Groningen. Daar kunnen we op basis van de ervaringen die we hebben, doen wat nodig is. Een van de dingen die daar nodig is, is ervoor zorgen dat er niet meer ongelijkheid gaat ontstaan dan er al is.
Als ik in Groningen ben en als het gaat over het verschil tussen Groningen en Noord-Drenthe, tussen het gebied van het Groningenveld en dat van de kleinere velden, Ekehaar en Eleveld, dan vertellen de mensen ons vooral: er is verschil; het is onverklaarbaar. Mijn antwoord is meestal: het is wel verklaarbaar, want het is gecreëerd. Laten we er nou voor zorgen dat het niet verder komt dan het al is. Liever nog: laten we het terugdringen. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat wij, als wij luisteren naar de burger, de verschillen in de oplossingen die wij bieden, niet vergroten en de kans op verongelijktheid niet laten toenemen.
Dat zou overigens ook kunnen helpen bij de hersteloperatie na de mijnwaterschade in Limburg, waar ik wat betreft de manier waarop die gaat worden aangepakt, ook wat zorgen over heb. Ook daar zouden we dus heel goed en proactief aan de slag moeten.
Er is wat mij betreft een brengplicht: de overheid heeft de plicht om de burger datgene te brengen waar hij aanspraak op kan maken. We moeten niet nog een keer krijgen wat we zagen in Winsum vele jaren geleden, of recent rondom de bijstand, met het niet kunnen combineren van data, waardoor we niet weten bij wie we de bijstand moeten brengen. Het is van belang om te informeren, te ondersteunen, misschien zelfs wel automatisch toe te kennen, als je weet om wie het gaat.
We moeten er ook voor zorgen dat het niet ingewikkeld wordt of blijft, of liever nog dat het minder ingewikkeld gaat worden. Wanneer gaan we nou zien dat het toeslagenstelsel echt op een andere manier gaat worden ingericht? Wanneer krijgen de burgers weer vat op hun eigen financiële positie, zodat ze niet de ene helft van hun tijd kwijt zijn met het aanvragen en de andere helft met het afleggen van verantwoording?
Daar zijn goede voorbeelden van. In de afgelopen maanden hebben we dat gezien, onder andere in Wageningen. Daar is het Maatschappelijk Meedoen Budget zo'n voorbeeld van hoe je ervoor zorgt dat als je redeneert vanuit de burger, de inwoner, en je helpt bij alles bij elkaar halen, de greep op het leven weer toeneemt. Daarmee neemt ook de kans toe dat je herstelt en vooral — dit is heel belangrijk — dat het vertrouwen weer terugkomt.
Ik zou u het volgende willen vragen. Doe wat nodig is. Geef ruimte aan de lokale overheden. Zeg ze wat ze moeten doen en waar de ruimte is voor henzelf. Forceer doorbraken. Wacht niet tot het misgaat, maar wees proactief; wees er al voordat het mis kan gaan. Stel de burger centraal. Dat was het motto van het jaarverslag van vorig jaar. Daar volgt wat ons betreft logischerwijs uit voort dat je, als je de burger centraal hebt gesteld, dan nu gaat doen wat nodig is, omdat je weet wat de burger nodig heeft. Het is nu óók aan u om te doen wat nodig is. Wij zijn er klaar voor en naar mijn overtuiging de burger ook.
Tot slot, meneer de voorzitter. Dit gaat niet alleen maar over ons, maar ook over de toekomstige generaties. Doen wat nodig is, reikt nog veel verder dan wat in het komende jaar aan de orde zal zijn. Het gaat over ons in de toekomst.
Ik overhandig u graag de jaarverslagen van de drie instituten. Ik hoop dat u er veel aan hebt en dat u er veel gebruik van zult maken.
Dank u wel.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Dank u wel. Namens de hele Kamer dank ik u voor het Jaarverslag 2025, Doen wat nodig is. De titel is duidelijk. U vraagt om het nemen van verantwoordelijkheid, zowel als het gaat om het herstellen van het contact met de burger als om het vertellen van het eerlijke verhaal. Wij allen in deze Kamer kunnen ons spiegelen aan die woorden.
De vraag "hoe kan het beter?" staat niet enkel centraal in uw ombudswerk, maar resoneert ook hier bij de leden van dit huis. U waarschuwt voor het vergroten van de ongelijkheid doordat het beleid niet iedereen bereikt. U waarschuwt voor een verstoring van de relatie tussen de burger en de overheid als men niet begint met horen en zien. Uiteindelijk is het aan ons allen om te leren en te verbeteren. Overigens houdt u ons de spiegel niet enkel voor met de aanbieding van dit jaarverslag, maar ook op verschillende momenten gedurende het jaar. Ik noem daarbij graag de toezending van de vele rapporten en uw deelname aan rondetafelgesprekken van verschillende commissies. Daar zijn wij u en uw hele organisatie erkentelijk voor.
Het jaarverslag van de Nationale ombudsman zal ik nu in handen stellen van de commissie voor Binnenlandse Zaken, met dien verstande dat het werk van de Veteranenombudsman zal worden doorgeleid naar de commissie voor Defensie. Het werk van de Kinderombudsman zal worden besproken in de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Daarmee sluit ik de aanbieding van het jaarverslag over het jaar 2025 van de Nationale ombudsman af. Ik dank nogmaals allen die hieraan een bijdrage hebben geleverd. Ik schors voor een kort ogenblik. Daarna zullen we gaan stemmen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering.
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
De voorzitter:
Aan de orde is een korte regeling van werkzaamheden.
Ik stel voor de volgende wetsvoorstellen toe te voegen aan de agenda van de Kamer:
- Wijziging van de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met de implementatie van de herziening van de richtlijn luchtkwaliteit (36879);
- Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit) (36876);
- Uitvoering van Verordening (EU) 2024/2847 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende horizontale cyberbeveiligingsvereisten voor producten met digitale elementen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 168/2013 en (EU) 2019/1020 en Richtlijn (EU) 2020/1828 (Uitvoeringswet verordening cyberweerbaarheid) (36875);
- Wijziging van de Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op zee ter implementatie van onderdelen van de met Richtlijn 2023/2413 gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (REDIII, vergunnen) (36872);
- Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (36917);
- Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026) (36885).
Ik stel voor toe te voegen aan de agenda:
- het tweeminutendebat Actieagenda Industrie en Omwonenden (28089, nr. 352), met als eerste spreker het lid Kostić van de PvdD;
- het tweeminutendebat Rijksvastgoed en renovatie Binnenhof (CD d.d. 20/05), met als eerste spreker het lid Mooiman van de PVV;
- het tweeminutendebat Mensenhandel en prostitutie (CD d.d. 20/05), met als eerste spreker het lid Faber van de PVV;
- het tweeminutendebat Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen (36263, nr. 47), met als eerste spreker het lid Boelsma-Hoekstra van het CDA.
Ik stel voor toestemming te verlenen voor het houden van een notaoverleg met stenografisch verslag aan de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op maandag 22 juni van 10.00 uur tot 14.00 uur over de initiatiefnota van de leden Rooderkerk en Vijlbrief over "Lezen voor je leven" (36773).
Ik stel voor de volgende stukken van de stand van werkzaamheden af te voeren: 36502-11; 32140-301; 2026Z08860; 21501-04-277; 22112-4204; 21501-04-292; 36600-K-8; 33763-176; 23432-669; 35637-5; 35636-9; 2026Z08312; 32637-754; 29435-315; 30995-110; 30995-109; 28638-260; 28638-259; 34193-20; 28638-258; 28638-257; 35715-5; 34193-19; 28638-255; 28638-254; 31765-947; 31765-912; 31765-841; 28741-135; 32011-134; 21501-02-3369; 19637-3528; 19637-3529; 29279-1018; 36248-5; 34113-3; 2026Z07765; 22112-4298; 21501-02-3367; 34293-141; 34293-149; 34293-148; 29362-383.
Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.
Stemmingen
Stemmingen
Stemmingen moties Raad Algemene Zaken d.d. 26 mei 2026
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Raad Algemene Zaken d.d. 26 mei 2026,
te weten:
- de motie-Klos/Van der Lee over de Group of Friends on Qualified Majority Voting nieuw leven inblazen (21501-02, nr. 3400);
- de motie-Hoogeveen over inzetten op een inventarisatie van besparingsopties binnen het komende MFK (21501-02, nr. 3401).
(Zie vergadering van 20 mei 2026.)
De voorzitter:
Dan zijn we aanbeland bij de stemmingen.
In stemming komt de motie-Klos/Van der Lee (21501-02, nr. 3400).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK en de VVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Hoogeveen (21501-02, nr. 3401).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Stemmingen moties Landbouw- en Visserijraad d.d. 26 mei 2026
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad d.d. 26 mei 2026,
te weten:
- de motie-Van der Plas/Flach over zich hard maken voor meer ruimte om dierlijke mest te gebruiken in plaats van kunstmest (21501-32, nr. 1797);
- de motie-Van der Plas over onderzoeken hoe voor de visserij en aquacultuur een passend beloningssysteem voor ecosysteemdiensten kan worden ontwikkeld (21501-32, nr. 1798);
- de motie-Van der Plas over vervolgonderzoek naar kansrijke alternatieven voor netbescherming (21501-32, nr. 1799);
- de motie-Kostić over een einde aan Europese subsidies voor de stierenvechtsector (21501-32, nr. 1800);
- de motie-Kostić over alsnog met een concreet tijdpad komen voor de uitfasering van azoolfungiciden (21501-32, nr. 1801);
- de motie-Chris Jansen over een doortastendere aanpak tegen Chinese antidumpingtarieven op Europees varkensvlees (21501-32, nr. 1802);
- de motie-Chris Jansen over onderzoek naar een beter evenwicht tussen de waterkwaliteitsnormen op de visstand en de visserijsector (21501-32, nr. 1803);
- de motie-Chris Jansen over bij de Duitse federale overheid en in EU-verband aandringen op het stapsgewijs verminderen van de lozing van pfas (21501-32, nr. 1804);
- de motie-Ten Hove over pleiten voor een tijdelijke crisisderogatie binnen de Nitraatrichtlijn waarbij lidstaten bij hoge kunstmestprijzen meer ruimte krijgen om dierlijke mest toe te passen (21501-32, nr. 1805);
- de motie-Boomsma over een inventarisatie en overzicht van natuurgebieden waar het zorgvuldig toevoegen van calcium, kalium en/of magnesium het meest kan bijdragen aan bodem- en natuurherstel (21501-32, nr. 1806);
- de motie-Flach/Van der Plas over bij de behandeling van het Actieplan Meststoffen inzetten op meer ruimte voor aanwending van onbewerkte dierlijke mest (21501-32, nr. 1807);
- de motie-Lohman c.s. over de mogelijkheden die de Europese Commissie wil bieden voor digestaat zo snel mogelijk in Nederland implementeren (21501-32, nr. 1808).
(Zie vergadering van heden.)
De voorzitter:
Op verzoek van het lid Kostić stel ik voor de motie (21501-32, nr. 1801) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
In stemming komt de motie-Van der Plas/Flach (21501-32, nr. 1797).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Van der Plas (21501-32, nr. 1798).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Van der Plas (21501-32, nr. 1799).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Kostić (21501-32, nr. 1800).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Chris Jansen (21501-32, nr. 1802).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Chris Jansen (21501-32, nr. 1803).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Chris Jansen (21501-32, nr. 1804).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Ten Hove (21501-32, nr. 1805).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Boomsma (21501-32, nr. 1806).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Flach/Van der Plas (21501-32, nr. 1807).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Lohman c.s. (21501-32, nr. 1808).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Stemmingen moties Raad Buitenlandse Zaken Handel d.d. 22 mei 2026
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken Handel d.d. 22 mei 2026,
te weten:
- de motie-Dobbe over een algeheel wapenembargo tegen Israël instellen (21501-02, nr. 3403);
- de motie-Dobbe c.s. over zich blijvend inspannen voor een wapenembargo voor heel Sudan (21501-02, nr. 3404);
- de motie-Ceder over de Europese Commissie verzoeken om verbetering van de mensenrechtensituatie op de Molukken bespreekbaar te maken (21501-02, nr. 3405);
- de motie-Ceder over de Europese Commissie verzoeken om verbetering van de mensenrechtensituatie in West-Papoea bespreekbaar te maken (21501-02, nr. 3406);
- de motie-Verkuijlen c.s. over pleiten voor sancties die de Europese export van aluinaarde naar Rusland aan banden leggen (21501-02, nr. 3407);
- de motie-Van Baarle over pleiten voor opname van geheel Xinjiang als formele hoogrisicoregio onder de Europese Anti-dwangarbeidverordening (21501-02, nr. 3408);
- de motie-Van Baarle over tijdens de handelsmissie naar China expliciet aandacht vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren (21501-02, nr. 3409);
- de motie-Van Baarle over de Anti-dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan (21501-02, nr. 3410);
- de motie-Van Baarle over expliciet pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël-associatieakkoord (21501-02, nr. 3411);
- de motie-Van Baarle over tijdens komende Raden pleiten voor EU-sancties tegen Ben-Gvir (21501-02, nr. 3412);
- de motie-Lohman/Verkuijlen over voedselgrondstoffen expliciet meenemen in het beleid rond het afbouwen van risicovolle strategische afhankelijkheden (21501-02, nr. 3413);
- de motie-Kröger/Dobbe over in kaart brengen waar kwetsbaarheden zitten voor Nederland en zijn handelspartners als gevolg van verdragen met ISDS of ICS (21501-02, nr. 3414);
- de motie-Hoogeveen/Verkuijlen over zich inzetten voor een spoedige afronding van de besluitvorming over de Turnberrydeal (21501-02, nr. 3415);
- de motie-Hoogeveen over inzetten op de-escalatie van de handelsspanningen met China (21501-02, nr. 3416).
(Zie vergadering van heden.)
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Kröger stel ik voor haar motie (21501-02, nr. 3414) aan te houden. Op verzoek van de heer Van Baarle stel ik voor zijn motie (21501-02, nr. 3412) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
In stemming komt de motie-Dobbe (21501-02, nr. 3403).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Dobbe c.s. (21501-02, nr. 3404).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Ceder (21501-02, nr. 3405).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Ceder (21501-02, nr. 3406).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Verkuijlen c.s. (21501-02, nr. 3407).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3408).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3409).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3410).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3411).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, DENK en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Lohman/Verkuijlen (21501-02, nr. 3413).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Hoogeveen/Verkuijlen (21501-02, nr. 3415).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Hoogeveen (21501-02, nr. 3416).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, één correctie. Bij de stemmingen onder 2, over moties ingediend bij het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026, heb ik tegen de motie op stuk nr. 1807 (21501-32) gestemd. Dat had vóór moeten zijn.
De voorzitter:
We hebben het genoteerd.
Dit waren de stemmingen. Ik schors voor een heel kort ogenblik. Daarna gaan we verder met de voortzetting van de wetsbehandeling. De vergadering is kort geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) (35501).
Termijn inbreng
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Diederik van Dijk voor zijn eerste termijn namens de SGP bij de behandeling van de Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. "Recht zonder barmhartigheid wordt hardheid. Barmhartigheid zonder recht wordt zwakte." Dit citaat is op veel terreinen van het leven van toepassing, of het nu gaat over het gezin, het samenleven in een buurt of over het asielbeleid. Om te voorkomen dat de juiste balans tussen rechtvaardigheid en barmhartigheid ontbreekt, is het noodzakelijk van tijd tot tijd de wet tegen het licht te houden, zoals bij deze wijziging van onze asielwetgeving.
Op dit moment wordt voor het vastzetten van vreemdelingen hetzelfde wettelijke kader gebruikt als voor het gevangeniswezen, maar met de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring moet de vreemdelingenbewaring een nieuwe beginselenwet krijgen, met een eigen wettelijk kader. Daarin wordt ruimte gelaten voor de menselijke maat en tegelijkertijd ingezet op een strikt en effectief asielbeleid. De SGP deelt de wens daadkrachtig op te kunnen treden tegen asielzoekers die overlast veroorzaken of weigeren mee te werken. Bij de behandeling van de oorspronkelijke wet heeft mijn fractie al aangegeven dat deze wet vooral de vreemdelingenbewaring regelt, maar dat de terugkeer er wat bekaaid vanaf lijkt te komen. Hoe kijkt deze minister daarnaar? Terugkeer is een wezenlijke bouwsteen in het gebouw van een sluitend asielbeleid. Het is des te zorgwekkender dat dit al jarenlang de achilleshiel daarvan is. Welke ambities heeft deze regering om de terugkeercijfers van uitgeprocedeerde vreemdelingen te verhogen?
Voorzitter. In Nederland kennen we voor een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft de verplichting actief mee te werken aan zijn of haar vertrek. Wanneer de IND of rechter op rechtsgronden heeft bepaald dat je hier niet langer kunt blijven, dan vertrek je. Daarnaast moeten we helder maken dat illegaal verblijf en het tegenwerken van de overheid bij uitzetting door de desbetreffende vreemdeling onaanvaardbaar en daarom strafbaar zijn. Op dit moment kent de wet onvoldoende basis om illegaal verblijf aan te pakken. Daarnaast zien we dat asielzoekers tot vlak voor hun uitzetting een nieuwe aanvraag willen indienen, terwijl er vaak helemaal geen nieuwe feiten zijn. Zouden we niet kunnen verkennen of we een periode na de laatste procedure kunnen instellen waarin het redelijkerwijs is uitgesloten dat er nieuwe feiten zijn aan te voeren?
Voorzitter. Het opsluiten van vreemdelingen zien wij als een noodzakelijk kwaad. Het is nooit prettig om mensen of gezinnen hun persoonlijke vrijheid te ontnemen. Toch is het soms noodzakelijk omdat een gedwongen uitzetting anders niet of nauwelijks uit te voeren is. Wat de SGP betreft blijven we van dit middel gebruikmaken als dit bijdraagt aan de uitzetting of het tegengaan van overlast. Dat de directeur van een inrichting de mogelijkheid krijgt een lockdown in te stellen op het moment dat de veiligheidssituatie van medewerkers en migranten in detentie daarom vraagt, uiteraard omkleed met allerlei waarborgen, vinden wij niet meer dan logisch.
Voorzitter. Door middel van een nota van wijziging wil de minister ook de mogelijkheden voor ongewenstverklaring uitbreiden. Mijn fractie deelt die inzet. Hoe gaat dit middel straks in de praktijk worden ingezet, zo vraag ik de minister. Kan dit middel bijvoorbeeld ook worden ingezet om antisemitische of aanverwante haatdragende sprekers uit Nederland te weren? Welke mogelijkheden ziet de minister hiervoor, zodat we de import van Jodenhaat effectief kunnen dwarsbomen?
Voorzitter. De SGP ziet onder ogen dat dit wetsvoorstel te lang stilligt en dat al te lang een apart juridisch kader voor vreemdelingenbewaring ontbreekt. Welke inwerkingtredingsdatum heeft de minister op het oog? De organisatie die het moet gaan uitvoeren, de Dienst Justitiële Inrichtingen, kampt met grote personeelstekorten. Dat is al eerder genoemd. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat dit toch uitvoerbaar is voor de DJI? Wat gaat hij doen als het personeel er gewoon niet is? Hoe voorkomen we dat de dienst wordt opgezadeld met extra verplichtingen die de dienst onmogelijk waar kan maken? In de beslisnota lees ik dat dan aanzienlijk, circa 40%, minder cellen beschikbaar blijven voor vreemdelingenbewaring. Dat is echt onwenselijk.
Voorzitter. Binnen de EU wordt hard gewerkt aan een nieuwe terugkeerverordening. Ik begreep vanochtend dat de trialoog over deze verordening is afgerond. Dus in de eerste plaats graag een reactie van de minister op de uitkomsten zoals ze nu bekend zijn. Daarnaast is het natuurlijk van belang dat we het wetsvoorstel dat we nu bespreken ook naast de EU-plannen leggen. Ik neem aan dat de minister die vergelijking allang heeft laten maken. Kan hij de uitkomsten daarvan met de Kamer delen? Blijft wat we in dit wetsvoorstel regelen in de toekomst inderdaad mogelijk binnen de EU-voornemens? Ziet de minister erop toe dat de verruiming van de mogelijkheden voor gedwongen terugkeer of vreemdelingendetentie niet teruggeschroefd worden?
Voorzitter. De wijzigingsvoorstellen die de regering doet moeten ervoor zorgen dat de Vreemdelingenwet beter aansluit bij de situatie van 2026. Dat is voor de SGP ook de reden om daar nog een wijzigingsvoorstel aan toe te voegen: het amendement over afschaffing van de rechterlijke dwangsommen. De dwangsomregeling werd ooit ingesteld als stok achter de deur om de IND te bewegen tijdig te beslissen. De tijd dat asieldwangsommen als zodanig functioneerden, hebben we allang achter ons gelaten. Inmiddels heeft een dwangsom zelfs een averechts effect. De IND gaat er niet sneller van beslissen; het levert zelfs vertraging op. De Staat van de Uitvoering van 2023 zegt daarover het volgende: "De Wet dwangsom heeft een ontwrichtend effect op de IND. De IND en de aanvragers schieten er niets mee op. Het behandelen van dwangsomprocedures vergt tijd en capaciteit zonder dat dit de IND dichter bij een structurele oplossing brengt." Tot zover het citaat. Er wordt inmiddels een heel team IND-medewerkers ingezet om deze claims af te handelen, terwijl die medewerkers anders zouden zijn ingezet om aanvragen af te doen. De maatschappelijke druk, en niet te vergeten de politieke druk, om de wachtlijsten weg te werken is wat de SGP betreft hoog genoeg. Daar is geen geldverslindende boeteregeling voor nodig. Bovendien kent geen ander EU-land een dergelijke regeling voor asielzoekers.
In deze regeling is vorig jaar de bestuurlijke dwangsom al afgeschaft, maar de rechterlijke dwangsom bleef nog intact. Vorig jaar werd er 79 miljoen euro uitgekeerd aan dwangsommen. Dat bedrag zal alleen maar toenemen, gelet op de asielfile bij de IND. Per asielzoeker kan het gaan om duizenden tot soms zelfs tienduizenden euro's. Met de huidige instroom van 700 tot 1.000 asielzoekers per week en een IND die het nu al niet meer aankan, loopt dat behoorlijk in de papieren. Kan de minister een berekening geven van de financiële consequenties van het onverhoopt niet aanvaarden van dit amendement in het licht van de huidige instroomprognose voor de komende jaren? Hoeveel miljoenen gemeenschapsgeld zouden we kwijt zijn aan dwangsommen in 2026, 2027, 2028 et cetera? Wat betekent dit concreet voor de IND-capaciteit in diezelfde jaren?
Ik heb inmiddels vernomen dat de minister in de Eerste Kamer zijn steun al heel uitgesproken voor dit amendement. Dat is een leuk novum. Hartelijk dank daarvoor. Zegt het kabinet ook toe dat bij aanvaarding van het amendement de afschaffing zo snel mogelijk wordt doorgevoerd? Ik ga ervan uit dat dit voorstel ook in de Kamer op ruime steun kan rekenen, zeker nu ook de IND zelf erom smeekt.
Voorzitter. Tot slot nog een acuut punt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag over dit amendement. Ik ga niet herhalen wat wij net in een interruptiedebatje hebben gewisseld, maar ik wil de SGP wel vragen wat zij vindt van het eerdere advies van de Raad van State over de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, die zei dat er eigenlijk een passend alternatief ontbreekt. Daarom heeft de Raad van State deze wet onverbindend verklaard. Nou lees ik in het amendement van de SGP ook geen passend alternatief. Ik wil de heer Van Dijk dus vragen hoe hij kijkt naar dit advies dat de Raad van State een aantal jaren geleden, in 2022, uitbracht.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze vraag. Zoals ik ook heb proberen uiteen te zetten in de toelichting van mijn amendement, blijft wel gewoon beroep op de rechter mogelijk voor de asielzoeker. De rechter kan wel gewoon een beslistermijn afdwingen, zogezegd. Ik ontken dus dat er geen dwangmiddelen meer overblijven. Het enige dat verdwijnt, is de dwangsom. Die mogelijkheid valt inderdaad weg.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Als ik het goed samenvat, zegt u: het alternatief waar de Raad van State op wijst, dat nodig is, is de rechter.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Inderdaad, dat zeg ik inderdaad. Ik voeg daaraan toe dat geen enkel ander EU-land deze regeling kent, wat ik net ook aangaf in mijn speech. Ik heb dus bepaald niet het idee dat we hiermee handelen in strijd met welke hogere of gedragsrechtelijke bepaling dan ook. Daarom meen ik dat dit amendement in die zin juridisch ook echt deugdelijk is.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Zou het nog een idee zijn om de Raad van State te vragen om ook over dit specifieke amendement advies uit te brengen?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
In de eerste plaats hoor ik natuurlijk graag de nadere appreciatie van de minister. Ik sta uiteraard voor de juridische deugdelijkheid van dit amendement; anders had ik het niet ingediend. Ik zou liever geen tijd meer verliezen. Eerlijk gezegd heeft het wat mij betreft al veel te lang geduurd voordat we dit punt hebben opgelost.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Allereerst mijn complimenten voor het amendement; hartstikke goed. Kan de heer Van Dijk misschien schatten, als dit amendement wordt aangenomen, hoeveel dat de schatkist bespaart?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Die vraag heb ik ook gesteld aan de minister. Als we het allemaal bij elkaar optellen, is er in 2025 80 miljoen uitgekeerd. Dat waren de rechterlijke en ook nog de bestuurlijke dwangsommen. We hebben het dus over vele tientallen miljoenen, die we dus gemakkelijk kunnen verdienen.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Zeker. Nogmaals, het is dus geweldig dat u dit amendement heeft ingediend. Ik vraag toch het volgende aan de heer Van Dijk, misschien via de minister. Kloppen de schattingen? Ik had die 80 miljoen euro ook gehoord. Kloppen de inschattingen dat, als we dit amendement niet aannemen, het bedrag zelfs naar 150 miljoen zou kunnen oplopen de komende twee, drie jaar?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dat kan ik niet uitsluiten, gelet op de achterstanden die er al zijn bij de IND en op de instroom, die tot op de dag van vandaag nog niet bepaald inzakt. Dit bedrag kan inderdaad alleen maar hoger worden.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Als de minister in zijn beantwoording die schattingen zou kunnen meenemen, zou ik iedereen zeer erkentelijk zijn. Dan weten we ook allemaal waarover we straks stemmen.
De voorzitter:
U rondt uw bijdrage af.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ja. Ik heb nog één punt, een acuut punt. Gisteren … Nee, sorry, ik haal nu even twee dingen door elkaar. Ik wilde een verwijzing maken naar de Ombudsman, maar dat klopt niet. Gisteren ontvingen wij de rapportages van de Algemene Rekenkamer. Daaruit blijkt dat de screening van asielzoekers op terrorisme, die binnen veertien dagen zou moeten plaatsvinden, in de praktijk meer dan twee jaar op zich laat wachten. Dat betekent dus dat we geen idee hebben of er ook levensgevaarlijke personen zitten tussen de asielzoekers die we hier oppakken. Dat is schokkend. Daarbovenop komt dat de minister niet goed geïnformeerd wordt over het screeningsproces bij de IND. Ik vraag de minister om op zeer korte termijn met een reactie te komen op deze zorgelijke bevindingen. Daarnaast wil de SGP dat dit gat in onze veiligheidschecks acuut wordt gedicht.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Russcher voor zijn … O, meneer Markuszower. Denk om uw hart!
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ik heb een punt van orde, eigenlijk.
De voorzitter:
Een punt van orde?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Een klein puntje.
De voorzitter:
Ik dacht dat u nog een interruptie wilde plaatsen.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Nee, al heb ik zoveel vragen aan de heer Van Dijk. Het zijn allemaal goede vragen! Ik lees net op het nieuws dat er weer ruzie is bij het EU-overleg over een strengere terugkeerwet. Dat lijkt een beetje op waar we het hier over hebben. Ik wil eigenlijk vragen, als punt van orde of als informatieverzoek, of daar bij of tijdens de beantwoording van de minister, of daarvoor, als dat kan, iets over gezegd kan worden.
De voorzitter:
Er luisteren heel veel mensen die met de minister samenwerken met ons mee, dus ik denk dat ze die vraag noteren. U heeft zelf ook nog een bijdrage en een termijn, dus er is ruimschoots gelegenheid om deze vraag beantwoord te krijgen.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Zeker, maar ik wilde iedereen er wat meer tijd voor geven.
De voorzitter:
Fijn! Dank u wel.
Het woord is aan de heer Russcher voor zijn inbreng namens Forum voor Democratie.
De heer Russcher (FVD):
Voorzitter. Dit kabinet noemt terugkeer "de hoeksteen van een werkend asielbeleid". Uit de meest recente cijfers blijkt dat in één jaar tijd 10.000 vreemdelingen, bijna de helft van alle vertrekplichtigen, verdwenen zijn. De overheid weet niet of zij het land hebben verlaten of dat zij de illegaliteit zijn ingegaan. Het gaat om tienduizenden personen per jaar, die simpelweg uit beeld verdwijnen. Niemand weet waar ze heen zijn gegaan. Vandaag bespreken we de wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring. Dat is de enige nationale maatregel die dit kabinet neemt op het gebied van asiel. Premier Jetten en de minister wilden met allerlei persberichten en persconferenties heel graag doen voorkomen alsof deze maatregel iets zou doen aan de hoge asielinstroom. Maar daar gaat dit niet over. Er komen nog steeds 1.000 asielzoekers per week ons land binnen. Iedere gemeente wordt gedwongen om vreemdelingen op te vangen, en maatregelen om dit te stoppen blijven achterwege. Waar gaat dit dan wel over? De verruiming van de ongewenstverklaring, de grootste wijziging binnen deze wet, zou het makkelijker moeten maken om overlastgevende asielzoekers en uitgeprocedeerden ongewenst te verklaren. De drempel voor een ongewenstverklaring bijvoorbeeld gaat van drie naar twee jaar gevangenisstraf en de maximumstraf voor verblijf na ongewenstverklaring gaat omhoog naar een jaar. Forum voor Democratie steunt deze denkrichting, maar het gaat voor ons zeker niet ver genoeg. In diezelfde nota staat expliciet dat iemand die ongewenst is verklaard toch alsnog tijdens een lopende procedure rechtmatig verblijf kan behouden. Om vervolgens iemand vast te zetten, moet volgens Europese regels en verdragen ook weer afzonderlijk worden gemotiveerd dat bewaring noodzakelijk is, bijvoorbeeld vanwege de openbare orde of vlucht- en onttrekkingsgevaar.
Ook kunnen uitzettingen in veel gevallen langdurig worden vertraagd of verhinderd met een beroep op bijvoorbeeld artikel 3 of artikel 8 van het EVRM of het Vluchtelingenverdrag. Door het Europese asielrecht kunnen asielzoekers door nieuwe en herhaalde asielprocedures uitzettingen jarenlang vertragen en in sommige gevallen feitelijk blokkeren. Zo kan alsnog de volgende situatie ontstaan. Een asielzoeker pleegt strafbare feiten of verblijft hier illegaal. Hij wordt ongewenst verklaard en toch behoudt hij, zolang zijn asielzaak loopt, het volste recht om te blijven. Hij wordt niet automatisch in bewaring gesteld. Uitzetten lukt niet of pas veel later door Europese regels, internationale verdragen en eindeloos herhaalde procedures. Hoe kijkt de minister hiernaar? Hoe gaat hij ervoor zorgen dat zijn beleid stand zal houden? Want dit is het patroon geworden van het Nederlandse asielbeleid. Er wordt een persbericht de wereld in geslingerd zodat Nederlanders denken dat er strenger asielbeleid komt. Vervolgens loopt de uitvoering daarvan vast op Europese regelgeving en internationale verdragen, waar Nederland zich vrijwillig aan gecommitteerd heeft. Resultaat: dezelfde hoge instroom en vastlopend terugkeerbeleid.
Naast Europese regels en verdragen en naast de Nederlandse politiek, die geen fundamentele keuzes maakt, speelt nog een andere macht een grote rol in dit dossier. Rondom het asiel- en migratierecht is in de afgelopen decennia namelijk een heel apparaat opgebouwd van ngo's, juristen, Europese lobbynetwerken en activisten met een professioneel en financieel belang bij de komst en het verblijf van asielzoekers. Zij maken uiteraard gretig gebruik van diezelfde Europese regels en internationale verdragen. VluchtelingenWerk Nederland bijvoorbeeld, dat de afgelopen decennia meer dan 150 miljoen euro aan belastinggeld kreeg, heeft een eigen juridische afdeling, genaamd: wij procederen tot het eind. Deze afdeling procedeert tot aan de hoogste Europese rechters om ervoor te zorgen dat asielzoekers hierheen kunnen komen en kunnen blijven. Het van EU-subsidie afhankelijke ECRE, een overkoepelende organisatie voor meer dan 100 activistische ngo's, coördineert hoe nieuw, strenger asielbeleid kan worden aangevochten. Zo zijn er nog talloze organisaties die met belastinggeld moedwillig het Nederlandse asielbeleid saboteren.
Het wetsvoorstel waar we over spreken creëert een aantal nieuwe bevoegdheden, maar introduceert tegelijkertijd nieuwe aanknopingspunten voor diezelfde activisten om hun verdienmodel in stand te houden en eindeloos te procederen tegen strenger asielbeleid. Dus betaalt de Nederlandse belastingbetaler aan twee kanten de rekening: enerzijds aan het beleid dat deze vreemdelingen wil terugsturen en anderzijds aan de organisaties die er alles aan doen om dat te voorkomen. Mijn vraag aan de minister is wat hij hiervan vindt. Is hij bereid het netwerk dat ons asielbeleid saboteert, uitvoerig in kaart te brengen? Is hij bereid te onderzoeken of de financiering van organisaties die structureel terugkeerbeleid juridisch aanvechten, aan banden kan worden gelegd?
Voorzitter. We hebben dus een combinatie van internationale verdragen, Europese regels en eindeloze procedures die iedere migratiebeperkende maatregel ondermijnt. Erkent de minister dit?
Voorzitter. Forum voor Democratie steunt de wijziging van de wet, maar is kritisch over de uitwerking. Er is ook veel en veel meer nodig. Zolang er 1.000 asielzoekers per week binnenkomen, zolang gemeenten gedwongen worden om een azc te openen, zolang het wegsturen van illegale en overlastgevende asielzoekers vastloopt door activistische ngo's, Europese regels en internationale verdragen, zal de asielstroom niet omlaaggaan en al helemaal niet stoppen. Als dit kabinet er daadwerkelijk voor wil kiezen eindelijk iets te doen aan de instroom en ervoor wil zorgen dat illegalen vertrekken, dan zal vroeg of laat de optie om het EVRM en het Vluchtelingenverdrag op te zeggen gewoon op tafel moeten komen te liggen. Forum voor Democratie heeft deze keuze wel al gemaakt. Verlaat de Europese Unie, zeg het Vluchtelingenverdrag op, zeg het EVRM op en sluit de grenzen, zodat Nederlanders geen minderheid worden in eigen land en we ons land kunnen behouden voor de volgende generaties.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng namens het CDA in eerste termijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag bespreken we een wet met een lange en ingewikkelde voorgeschiedenis, een wet die uit allerlei onderdelen bestaat, maar wel één duidelijke rode lijn heeft: eindelijk serieus werk maken van terugkeer. Het CDA zegt al langer dat een serieus asielsysteem niet kan bestaan zonder geloofwaardig terugkeerbeleid. Gastvrijheid begint namelijk bij het openen van de voordeur voor mensen die bescherming nodig hebben, maar echte verantwoordelijkheid betekent ook dat je de achterdeur gebruikt voor mensen die hier niet mogen blijven. Doe je dat niet, dan verandert gastvrijheid in chaos. Chaos raakt uiteindelijk de meest kwetsbaren het hardst.
Voorzitter. We weten allemaal hoe ongelofelijk ingewikkeld terugkeer in de praktijk is, want wij kunnen de achterdeur wel openzetten, maar landen van herkomst moeten hun voordeur ook weer open willen doen. Zelfs als dat lukt, moeten illegale vreemdelingen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor vertrek. Juist daar gaat het vaak mis. Mensen verdwijnen in de illegaliteit, frustreren procedures en blijven overlast veroorzaken, terwijl iedereen weet: deze persoon hoort hier niet meer te zijn.
Voorzitter. Dat brengt mij bij het eerste onderwerp van vandaag: de vreemdelingenbewaring. Dat is een zwaar middel, bedoeld als laatste redmiddel om mensen beschikbaar te houden voor vertrek wanneer alle signalen erop wijzen dat zij niet vrijwillig zullen vertrekken. Hoe richten we zo'n bestuursrechtelijke vorm van bewaring in? Naar haar aard mag die namelijk geen gevangenis zijn, maar het regime moet wel voldoende ruimte bieden om orde en veiligheid te handhaven. We hebben het namelijk over een groep vreemdelingen die niet uit zichzelf meewerkt aan vertrek. Het nieuwe bestuursrechtelijke regime biedt in deze wet dan ook meer vrijheden, minder insluitingsuren en een uitgebreider dagprogramma.
Tegelijkertijd weten we dat de DJI nu al piept en kraakt qua capaciteit. Daarom vraag ik aan de minister of er überhaupt voldoende capaciteit is bij de DJI om deze wet fatsoenlijk uit te voeren. In het gevangeniswezen worden dagprogramma's op dit moment namelijk afgebouwd vanwege personeelstekorten, maar lopen we tegen beperkingen aan omdat we de invulling van die dagprogramma's te rigide in de wet hebben opgeschreven. Waar mogelijk wordt in het gevangeniswezen wel gekeken naar alternatieven, zoals dagbesteding op cel via tablets. Maar hoe flexibel is deze wet eigenlijk als de capaciteit er bij de DJI simpelweg niet blijkt te zijn? Het mag namelijk niet zo zijn dat we straks op papier een goed werkend systeem hebben, maar dat we net als in het gevangeniswezen kampen met lege cellen door capaciteitstekort, terwijl we ook te maken hebben met code zwart. Diezelfde zorgen heeft mijn fractie over de capaciteit en de uitvoering bij het NIFP. Hoe ziet de minister dit?
Voorzitter. Over de nota van wijziging heb ik nog drie punten, allereerst de verhouding tot het Europees Asiel- en Migratiepact. De minister schrijft dat de inrichting van vreemdelingenbewaring bij de tijd is gebracht met het oog op de implementatie van dat pact. Dat roept een aantal vragen op. Allereerst wordt het met het pact beter mogelijk om een soberder opvangregime voor zogenaamde Dublinclaimanten te creëren. Hoe gaat dat regime doorwerken binnen deze nieuwe vreemdelingenbewaringsregeling? Ten tweede: wat bedoelt de minister precies met het "bij de tijd brengen in relatie tot de lopende triloogonderhandelingen over de Terugkeerverordening"? Want laten we eerlijk zijn; niemand zit te wachten op weer een wetswijziging omdat de Terugkeerverordening over een jaar de spelregels opnieuw verandert. Verwacht de minister dat deze wet straks opnieuw aangepast moet worden?
Voorzitter. Mijn tweede punt gaat over de afwijkingsgrond in uitzonderlijke situaties. De directeur van een inrichting krijgt namelijk de mogelijkheid om maximaal twee maanden af te wijken van het aantal uren dat de vreemdeling vrij in die inrichting mag bewegen. Volgens de minister is dat alleen bij onvoorziene omstandigheden, zoals een pandemie, maar dat blijft een beetje vaag. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Deze definitie staat ook in de PBW. Kan hij concreet aangeven in welke situaties daar eerder in het kader van die wet gebruik van is gemaakt? Valt onder "uitzonderlijke situaties" bijvoorbeeld ook de situatie dat er sprake is van een uitzonderlijk groot aantal vreemdelingen die moeten terugkeren vanuit vreemdelingendetentie?
Voorzitter. Daarnaast zien wij verschillen in de uitvoering van de uitzonderingsgrond tussen enerzijds het verblijfsregime en anderzijds het beheersregime. Wij begrijpen natuurlijk dat er verschillen tussen die regimes zijn, maar niet als het aankomt op die pandemieachtige situaties. Dan zou de situatie wat ons betreft hetzelfde moeten zijn. Kan de minister daarom toelichten waarom in zo'n pandemieachtige situatie in het beheersregime het aantal uren luchten beperkt blijft tot één uur, terwijl er in het verblijfsregime nog steeds recht is op twee uur? Waarom kun je in het beheersregime tijdens een pandemielockdown educatieve maatregelen schrappen of deze helemaal niet in het dagprogramma laten vallen, en blijft het tijdens een verblijfsregime wel onderdeel van het programma? Maken we de uitvoering in deze uitzonderlijk complexe situaties niet opnieuw onnodig moeilijk? Datzelfde geldt voor de rechtsgang in het geval van uitzonderlijke situaties. We hebben de route van beklag uitgesloten in de situatie van een pandemie, maar niet in de situatie van een lockdown vanwege ordeverstoringen. Zouden we dat niet gelijk moeten trekken, vraag ik aan de minister.
Het punt dat ik ten derde wil maken, gaat over de verhouding tussen het asielproces en de rechten uit deze nieuwe wet. Met de nota van wijziging wordt namelijk duidelijk gemaakt dat afspraken in het asielproces voorgaan op rechten uit deze wet. Wij van het CDA vinden dat heel logisch, want frustratie van het asielproces mag nooit beloond worden. Maar als wij kijken naar artikel 36a, zien we ook dat afspraken in het kader van asiel niet voorgaan op het recht op bezoek, zoals dat in artikel 29 is neergelegd. Dat vinden wij onlogisch. Wat ons betreft moet ook hier gelden dat een efficiënt asielproces voorop moet staan en dat er zo snel mogelijk duidelijkheid moet komen, dus ook wat betreft het recht op bezoek. Het moet duidelijk zijn dat daar incidenteel van kan worden afgeweken als dat in het belang is van het asielproces. Daarvoor heb ik ook een amendement ingediend.
Voorzitter. Dan nog een laatste punt, over vreemdelingenbewaring. DJI gaf aan minstens een jaar nodig te hebben voor invoering en uitvoering van deze wet. Klopt dat nog steeds? Waarom duurt dat zo lang? Wanneer treedt dit nieuwe regime naar verwachting van de minister daadwerkelijk in werking? Vreemdelingenbewaring is een belangrijk instrument om vertrek mogelijk te maken, maar er zitten ook hele harde beperkingen aan. Er moet namelijk zicht zijn op terugkeer. Daar wringt het vaak, zoals ik ook in mijn inleiding zei. Soms weigeren landen mee te werken of verdwijnen mensen simpelweg uit beeld. Hoe voorkomt de minister dat vreemdelingen zich na beëindiging van toezicht of bewaring opnieuw aan het zicht van de overheid onttrekken?
Voorzitter. Eén ding mag namelijk nooit gebeuren: dat de conclusie dan maar is dat Nederland het opgeeft. Want wie hier geen recht heeft op verblijf, kan niet eindeloos in een soort juridische wachtkamer blijven hangen terwijl de samenleving de rekening betaalt. Dat vraagt wat het CDA betreft om twee zaken. Allereerst maximale diplomatieke druk op landen van herkomst om hun eigen onderdanen terug te nemen. Mijn vraag aan de minister is: bij welke landen ziet de minister momenteel de grootste knelpunten en welke concrete stappen gaat hij zetten? Waar terugkeer naar het land van herkomst niet mogelijk is, willen wij wat het CDA betreft ook maximale inzet om te kijken of er alternatieve hubs zijn waar vreemdelingen die wél zicht op terugkeer hebben, naar kunnen terugkeren. Ten tweede. Overlastgevende vreemdelingen die hier illegaal verblijven en de boel verstieren, moeten simpelweg van straat gehaald worden. Als dat niet via vreemdelingenbewaring kan, dan wel via het strafrecht.
Dat brengt mij bij het tweede en laatste punt van deze wetsbehandeling, namelijk de uitbreiding van de ongewenstverklaring. Laat ik beginnen met een compliment aan de minister. Na het sneuvelen van de Asielnoodmaatregelenwet heeft hij heel snel geschakeld en ligt er nu alsnog een herstelpakket. Mede namens het amendement van de collega's van de SGP en JA21 keren hiermee twee van de drie noodzakelijke instrumenten terug. Het zal niet verbazen dat het CDA de verruiming van de ongewenstverklaring van harte zal steunen. Het is een belangrijk instrument om alle overlastgevende asielzoekers te kunnen aanpakken, dus ook personen die onder de Terugkeerrichtlijn vallen, zoals in Nederland verblijvende derdelanders, oftewel in de volksmond de veiligelanders. Het is het CDA namelijk een doorn in het oog dat overlastgevende asielzoekers zonder verblijfsrecht in Nederland stelselmatig de openbare orde verstoren en het draagvlak voor het asielbeleid onderuit trappen. Met de invoering van deze wet wordt deze groep bij overlast niet alleen strafrechtelijk vervolgd voor de gepleegde misdrijven, maar krijgen ze ook een uitroepteken achter hun naam. Dat uitroepteken wil zeggen: als je niet terugkeert naar het land van herkomst, is ook verblijf in Nederland strafbaar. De keuze is dan heel simpel: óf vertrekken óf naar de gevangenis.
Voorzitter, ik rond af. Ferme taal is nodig om draagvlak voor een geloofwaardig asielbeleid overeind te houden, maar uiteindelijk telt niet wat wij hier vandaag zeggen, uiteindelijk telt wat mensen buiten deze zaal merken van de asielwetten. Mensen willen immers zien dat de overheid weer grip krijgt, dat de overlastgever op het Bollendak in Utrecht niet eindeloos van straat naar station en weer terug beweegt, chaos achterlatend, maar dat hij wordt vastgezet als terugkeer niet mogelijk is. Mensen willen dat iemand, Palestijn of niet, met een verblijfstatus in Griekenland ook daadwerkelijk teruggaat naar Griekenland en dat regels niet alleen op papier bestaan, maar ook worden gehandhaafd. Dit vraagt om een kabinet dat alles uit de kast haalt om migratie beheersbaar te maken, een kabinet dat binnen de grenzen van de rechtsstaat maximaal zoekt naar oplossingen, creatief waar dat kan, stevig waar dat moet en vasthoudend waar anderen afhaken.
Voorzitter. Als de overheid die grip verliest, groeit de frustratie in de samenleving, en waar frustratie groeit, groeit ook de polarisatie. Juist daarom is het belangrijk dat dit kabinet na het sneuvelen van eerdere wetgeving niet stil is blijven zitten, maar snel is teruggekomen met een herstelpakket. Deze wetsbehandeling laat zien dat politieke wil ertoe doet: niet opgeven bij weerstand, maar doorpakken totdat het wél lukt.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Straatman. Dan is het woord aan mevrouw Vondeling voor haar inbreng namens de PVV.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Voorzitter. Het terugkeerbeleid is een regelrechte mislukking: iedereen mag binnenkomen, maar vrijwel niemand wordt uitgezet. Van alle afgewezen asielzoekers in Europa keert maar een op de vijf terug naar het land van herkomst. In Nederland is het nog erger: het aantal afgegeven terugkeerbesluiten laat zien dat nog geen 15% vertrekt uit ons land. Uitzettingen mislukken massaal, duizenden vreemdelingen verdwijnen gewoon uit beeld en binnen de asielketen heersen ernstige en structurele misstanden. Vrijwillige uitzettingen lopen vrijwel altijd op niets uit en bij gedwongen uitzettingen verdwijnen vreemdelingen opvallend vaak precies op het juiste moment uit het azc. Vreemdelingen traineren op alle mogelijke manieren hun terugkeer, verdwijnen in de illegaliteit of keren nadat zij zijn uitgezet een week later weer terug naar Nederland om weer asiel aan te vragen. Als een vlucht om een vreemdeling uit te zetten eenmaal is geboekt, wordt deze vlucht in de helft van de gevallen geannuleerd, vaak omdat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, maar ook omdat er een nieuwe aanvraag wordt ingediend of omdat er kort voor uitzetting fysiek verzet wordt gepleegd. Wat de PVV betreft worden alle kosten die gemaakt zijn voor een geplande uitzetting verhaald op de vreemdeling.
71% van de Nederlanders wil dat afgewezen asielzoekers Nederland snel verlaten, maar het wetsvoorstel dat we vandaag behandelen, doet weinig tot niets aan terugkeer. De ongewenstverklaring wordt dan wel verruimd, maar illegaliteit wordt nog steeds niet strafbaar. Illegalen blijven vogelvrij in Nederland. De PVV heeft daarom een amendement ingediend om illegaliteit strafbaar te stellen, inclusief het strafbaar stellen van personen, actiegroepen en ngo's die illegalen willens en wetens helpen om onder te duiken. Het is een regelrechte schande dat linkse organisaties het terugkeerbeleid actief saboteren terwijl de Nederlandse samenleving de rekening betaalt.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik hoorde mevrouw Vondeling over het amendement dat ik hier in mijn handen heb, het bekende amendement over de strafbaarstelling van illegaliteit. Toch even de volgende vraag. Stel dat dit amendement wordt aanvaard in deze Kamer. Dan weten we één ding zeker: dan wordt het hele wetsvoorstel verworpen in de senaat en is er opnieuw geen aanscherping van het asielbeleid. Wat wil de PVV nu precies bereiken?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Wat wij willen, staat ook in ons verkiezingsprogramma: wij willen dat illegaliteit strafbaar wordt en we alle illegalen kunnen vastzetten als zij het land niet willen verlaten. Ook willen we dat organisaties die bewust het terugkeerbeleid saboteren, worden aangepakt. Dat gebeurt nu gewoon niet, maar dat willen wij wel, want het is nodig.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Zelfs de PVV opereert niet in een politiek vacuüm, dus in die zin begrijp ik het antwoord niet. Er is al eerder uitvoerig van gedachten gewisseld over het amendement. Ook degene die totaal onwetend — denk aan die Leger des Heilssoldaat — een kop koffie geeft aan een illegaal, loopt het risico op strafbaarheid. Is het nou echt de prioriteit voor de PVV om daar koste wat het kost aan te blijven vasthouden en dus ook dat risico te accepteren?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dat is niet onze prioriteit, maar ik heb bij de behandeling van de novelle zelf destijds gezegd: wat ons betreft mag die kop soep ook strafbaar zijn. Maar als we naar de realiteit kijken, zien we dat het OM het opportuniteitsbeginsel heeft en daar niet op gaat vervolgen. Zeggen dat dat gaat gebeuren, is dus stemmingmakerij. Ondertussen worden de ngo's en de personen die illegalen helpen onder te duiken en die bewust het vertrekbeleid saboteren, niet aangepakt. Wij vinden het heel belangrijk dat dat wel gebeurt.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Het laatste waar ik bij dit thema mee bezig ben, is stemmingmakerij. Mevrouw Vondeling weet ook hoe dit ligt in de Eerste Kamer. Maar moet ik nou echt constateren dat de PVV dus bereid is om voor het strafbaar stellen van het schenken van een kopje koffie, de hele aanscherping waarover we het nu weer hebben en die broodnodig is, gewoon door het toilet te spoelen?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dit gaat niet om het kopje koffie. Dit gaat om het saboteren en traineren van het vertrekbeleid door heel veel organisaties en personen. Dat gebeurt al jarenlang. Daar gaat het ons om. Het gaat ons niet om dat kopje koffie. Ik zei al dat dat wat mij betreft ook strafbaar is, maar als we eerlijk zijn gaat het OM dat, op basis van het opportuniteitsbeginsel, nooit vervolgen. Dat zal nooit gebeuren.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Oké. De PVV is het zat. Het is tijd voor een keiharde aanpak van illegalen en iedereen die ze in Nederland houdt.
Dan de vreemdelingenbewaring. Dat is nu alleen mogelijk als allerlaatste redmiddel. De weinigen die wel worden vastgezet krijgen nog net geen luxe all-inclusivebehandeling. Cursussen, twee uur sporten, achttien uur recreatie, roken op de cel, gratis methadon en eindeloos klagen, zelfs over de temperatuur van de kip: het is ronduit bizar. Deze luxe is zo ver doorgeslagen dat er bij personeelstekorten mogelijk zelfs cellen gesloten kunnen gaan worden om maar aan die minimumeisen voor beweging en recreatie van deze uitgeprocedeerde vreemdelingen te kunnen voldoen. Dit is volstrekt onaanvaardbaar. De PVV zegt: stop met het verwennen van deze, vaak criminele, vreemdelingen en stop met deze all-inclusivebehandeling; sluit ze langer op of zet desnoods meer mensen op een cel. Meer dan 30% van de mensen in vreemdelingenbewaring heeft criminele antecedenten. Dit zijn geen kwetsbare, zielige mensen, maar criminelen, die gewoon weigeren te vertrekken. Zet ze in een sobere cel en zet ze het land uit.
Voorzitter. Op grond van de huidige regels mogen vreemdelingen maximaal achttien maanden worden vastgezet. In een interview gaf de directeur van Detentiecentrum Rotterdam aan dat het iemand die al zestien maanden elders in Europa heeft vastgezeten, hier niet meer voor een paar maanden gaat opsluiten. Als dit klopt, kunnen we net zo goed meteen de deur openzetten. Graag een reactie van de minister.
Ook wil ik de minister vragen of hij bereid is te onderzoeken of Rotterdam The Hague Airport ingezet kan worden voor terugkeervluchten. Nu gaat alles via Schiphol, terwijl er naast Detentiecentrum Rotterdam een prima vliegveld ligt. Waarom gebruiken we die capaciteit niet?
Tot slot wil ik mij aansluiten bij de vragen die zijn gesteld over de screening van asielzoekers en het risico dat we hier gewoon twee jaar terroristen laten rondlopen. Ik heb zelf met de heer Wilders al Kamervragen ingediend. Ik hoop dus dat de minister daarop kort kan reageren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Vondeling. Dan is het woord aan de heer Van Asten voor zijn inbreng namens D66 in de eerste termijn.
De heer Van Asten (D66):
Voorzitter. Ik was gisteravond naar aanleiding van de uit de hand gelopen protesten tegen de noodopvang in IJsselstein om in gesprek te gaan met de buurtbewoners daar. Dat waren voor- en tegenstanders van de opvang, maar eigenlijk zou ik ze niet op die wijze willen verdelen, want ze hadden namelijk wel één ding gemeen: ze waren het zat hoe wij de afgelopen jaren met het onderwerp asiel zijn omgegaan en ze willen allemaal dat we controle hebben over die asielketen. Als wij hier in de Kamer goede wetgeving invoeren, kunnen we om vluchtelingen op te vangen ook vertrouwen op de gemeenschapszin in steden zoals IJsselstein. Dit hebben ze in het verleden immers ook laten zien.
Voorzitter. We zien het belang van die controle ook in Ter Apel. Sinds gisteren worden daar alleen nog maar kwetsbare mensen toegelaten, waardoor er nu alweer mensen op het gras buiten moeten slapen. Dat is natuurlijk onacceptabel. Doen wat nodig is, hoorde ik de Ombudsman zojuist ook zeggen. Ik sluit me aan bij de vragen die collega Westerveld daarover stelde, met name de vraag aan de minister om daarop in te gaan. Kan hij ook gelijk ingaan op de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden om de overlast als gevolg van het falen van dit systeem voor ondernemers en bewoners te beperken?
De chaos die we nu zien in Ter Apel, is het gevolg van jarenlang wanbeleid op dit dossier. Daarom is het heel goed dat dit kabinet zo voortvarend, met snelheid, aan de slag gaat. Binnen een paar weken stonden we hier met de implementatie van Europees migratierecht voor betere grensprocedures. Vandaag hebben we het over extra nieuwe maatregelen op het gebied van onder andere de ongewenstverklaring. Daarmee laten we zien dat we dit dossier stevig aanpakken. Ik denk ook dat het van belang is dat we dat ook uitstralen, want ook dat heeft effect op wat de mensen in het land zien van wat wij doen om deze controle terug te krijgen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer van Asten heeft het over de chaos die is ontstaan door jarenlang wanbeleid, maar wie heeft er in het kabinet gezeten de afgelopen jaren, afgezien van de korte periode van het vorige kabinet? Welke partijen zaten in die kabinetten, die verantwoordelijk zijn voor dat jarenlange wanbeleid?
De heer Van Asten (D66):
Dit is inderdaad een dossier dat jarenlang heeft voortgeduurd. Wel wil ik erop wijzen dat gemeentes met de handen in het haar zaten toen ze het vorige kabinet niet aan de telefoon kregen, toen niets gebeurde om mensen daar te helpen. Dus ja, dit heeft een lange geschiedenis, maar het is volledig geïnstalleerd in de afgelopen jaren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Sorry dat ik hierom moet lachen. Meneer Van Asten maakt wel een beetje een karikatuur, hoor. In zijn inbreng zegt hij dat er qua asiel een complete chaos is ontstaan door jarenlang wanbeleid. Nou, het kabinet waar de BBB in heeft gezeten, heeft elf maanden geduurd. Dat kan dus niet jarenlang zijn.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil graag serieus antwoord. Mijn vraag aan de heer van Asten was wie er dan in dat kabinet heeft gezeten, met dat jarenlange wanbeleid. Ik ga dit gewoon zelf beantwoorden: dat is toch D66 geweest?
De voorzitter:
Ik wil best alle kabinetten sinds Drees op gaan noemen, maar dat kunt u natuurlijk zelf opzoeken op Parlement.com. Het gaat erom dat we in de jaren dat we hier hebben gezeten, steeds te maken hebben gehad met partijen die graag wilden dat wij het zo sober mogelijk zouden doen en die de instroom het liefst naar nul wilden brengen. Dat zou mooi zijn, want dat zou betekenen dat het goed gaat in de wereld en dat er weinig vluchtelingen hiernaartoe hoeven te komen. Maar als er niet voldoende woningen worden gebouwd, niet voldoende opvangplekken worden gerealiseerd en azc's worden gesloten die we nu keihard nodig hebben, dan zijn dat geen verstandige beslissingen geweest. En ja, een heleboel partijen zijn daar verantwoordelijk voor; ook D66 pakt daar de verantwoordelijkheid voor. Alleen, in de afgelopen jaren hebben we een escalatie gezien. Toen het in de afgelopen jaren nodig werd om door te pakken en te zorgen dat er voldoende opvangplekken zijn, zodat we nu gemeentes niet hoeven te verrassen met noodopvang, heeft men wel echt de bal laten vallen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Echt hoor! Het vorige kabinet heeft elf maanden gezeten, van 2 juli 2024 tot 3 juni 2025. De heer Van Asten heeft het nu ook weer de hele tijd over "jarenlang". Vervolgens gaat hij met een vinger wijzen en zeggen dat er niet genoeg woningen zijn gebouwd. In elf maanden ga je niet 1 miljoen woningen bouwen. Dat snap de heer Van Asten ook wel. Dat is "allemaal beleid geweest van het vorige kabinet". Een hele hoge instroom? "Allemaal het gevolg geweest van het beleid van de vorige kabinetten" — waar D66 gewoon in heeft gezeten! En dan tijdens een verkiezingscampagne met Nederlandse vlaggen op de achtergrond zwaaien en zeggen "o, we gaan de asielinstroom aanpakken" … Ik snap wel dat dat niet direct binnen een paar maanden kan, maar wil de heer Van Asten echt eens even in de spiegel kijken en reflecteren op de verantwoordelijkheid van zijn eigen kabinetten, waar D66 in heeft gezeten, voor die zogenaamde chaos, waarvan de heer Van Asten nu het vorige kabinet …
De voorzitter:
Meneer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Voorzitter. De doorbraken die …
Mevrouw Van der Plas (BBB):
… dat elf maanden heeft gezeten, beschuldigt?
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, het is echt een interruptie van anderhalve minuut. Dat is bijna een termijn in een regulier debat. Meneer Van Asten antwoordt.
De heer Van Asten (D66):
Ik ga graag in op de belofte van D66, want daar ging het ook over in de interruptie van mevrouw Van der Plas. Dat ging over de doorbraken die we in Nederland willen realiseren, omdat we een doorbraak nodig hebben als het gaat over de woningbouw, als het gaat over de opvang van mensen die hier als vluchteling naartoe zijn gekomen, als het gaat over weer controle krijgen over die asielketen en als het erom gaat Nederland vooruit te helpen. Het is de belofte geweest die wij aan Nederland hebben gedaan om dat hier samen te gaan doen. Maar we moeten wel roeien met de riemen die we hier hebben. De afgelopen twee jaar, zolang heeft het namelijk geduurd van verkiezingen tot het in elkaar storten van het kabinet, hebben we gezien dat het kabinet veel te weinig heeft gedaan. Daardoor zitten wij nu weer met een overvol Ter Apel.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Volgens mij is de heer Van Asten van D66 de realiteit totaal kwijt. Het klopt wat mevrouw Van der Plas zegt. D66 is al jarenlang verantwoordelijk geweest voor deze ellende. De heer Ellian van de VVD zei gister op televisie dat er wat hem betreft maatregelen zullen worden genomen waarop geen taboe rust, als de instroom niet omlaaggaat. Steunt D66 die maatregelen?
De heer Van Asten (D66):
Ik heb even teruggekeken wat de heer Ellian heeft gezegd, want het ging er zoal over. Volgens mij heeft hij daar gezegd dat hij verwacht dat de instroom naar beneden gaat op basis van de ingang van het nieuwe Migratiepact. Dat deel ik met de heer Ellian. Daar zijn al die maatregelen precies op gericht. Op het moment dat er na verloop van tijd blijkt dat de instroom even hoog blijft, moet je goed analyseren waardoor dat komt. Staat de rest van de wereld weer in brand waardoor er nieuwe vluchtelingenstromen komen? Is er toch een verschil tussen hoe wij in Nederland omgaan met het Migratiepact en hoe het in België, Duitsland of Frankrijk gaat? Dan moet je dat analyseren en maatregelen nemen die nodig zijn. Maar laat ik het eerst eventjes positief zien. We hebben het Migratiepact net aangenomen. 12 juni moet nog komen. Ik heb er dus vertrouwen in dat dit werkt.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik snap niet hoe u positief kunt zijn, want we krijgen 1.000 asielzoekers per week binnen. In Ter Apel slapen mensen op het gras, of ze dreigen daar te moeten slapen. Het land staat helemaal in brand. Daarnaast zijn er berichten dat dat pact waarschijnlijk voor meer chaos gaat zorgen en dat al die landen het nog helemaal niet op orde hebben. Op basis waarvan baseert u dat de instroom omlaaggaat? Daarnaast geeft u nog steeds geen antwoord op mijn vraag. Bent u bereid om maatregelen waar een taboe op rust, te nemen als de instroom niet binnen korte tijd omlaaggaat?
De heer Van Asten (D66):
Het eerste deel van deze interruptie ging erover dat mevrouw Vondeling niet snapte dat de heer Van Asten positief kan zijn. De heer Van Asten is sowieso een positief mens. Positiviteit is nodig om ervoor te zorgen dat we in Nederland weer vooruitkomen. Ik zie partijen als de PVV alleen maar de boel in de hens proberen te steken en alleen maar de ellende in Nederland vergroten. Ik zie dat terug in gesprekken die ik gister had met bewoners van IJsselstein. Die weten totaal niet dat hier wetten zijn aangenomen, zoals het Migratiepact, die er wat aan gaan doen om de controle terug te krijgen. Ik denk dat dat ook een verantwoordelijkheid is die we hier in deze Kamer hebben.
Wat betreft het laatste gedeelte van uw vraag … Excuus, voorzitter, mijn antwoord kan wat langer zijn, maar dat komt omdat een interruptie vaak uit heel veel vragen en onderdelen bestaat, die ik toch moet adresseren. Het laatste gedeelte ging over maatregelen waar een taboe op rust. Ik weet niet welke maatregelen dat zijn. Dat had u aan de heer Ellian moeten vragen. Ik zeg daarop: mocht het Migratiepact niet leiden tot de gewenste controle op de asielketen en tot minder instroom, dan zullen we moeten kijken waar dat aan ligt en eventuele maatregelen nemen die daarbij passend zijn.
De voorzitter:
Mevrouw Vondeling, tot slot. U ziet ervan af. Ik daag u allen uit om de creativiteit te vinden om uw vragen te herleiden tot het wetsvoorstel.
De heer Ceulemans (JA21):
Dat ga ik dan nu doen. Dit wetsvoorstel gaat over het beheersbaar maken en houden van de asielketen. Dat staat natuurlijk niet los van de instroom. Sterker nog, de instroom is natuurlijk het probleem van de onbeheersbaarheid van de asielketen. Dat doe ik best knap zo, toch? Dit heeft gewoon met het wetsvoorstel te maken. Ik vraag in het verlengde van de vragen van mevrouw Vondeling het volgende. Zelfs als je dat taboe weghaalt … De heer Van Asten zegt dat we op het moment dat het Migratiepact geïmplementeerd is en de instroom niet omlaaggaat, gaan analyseren waar dat door komt. Lang verhaal kort: is de heer Van Asten met D66 bereid om over te gaan tot nationale instroombeperkende maatregelen als het Migratiepact niet op korte termijn tot instroombeperkingen leidt?
De heer Van Asten (D66):
Op de manier waarop hij het uitspreekt, zet de heer Ceulemans het woord "analyseren" bijna tussen aanhalingstekens. Dat mag ik zo wel benoemen, denk ik. Ik denk dat het wel belangrijk is om te weten waarom het dan niet zou werken. Maar nogmaals, dan kijken we in de toekomst, want wij hebben de overtuiging dat het Migratiepact wel degelijk tot een Europese oplossing zal leiden. Mocht de instroom daarna niet verminderen, dan moet je gaan kijken waar dat aan ligt en dan moet je maatregelen nemen die aan de bron voor minder vluchtelingen zorgen. Dat betekent dat we wat minder enthousiast moeten zijn op het moment dat mensen op deze wereld oorlog gaan voeren. Dat geldt ook voor het uitspreken van Nederlandse steun daarvoor. We moeten ervoor zorgen dat we vrede en welvaart brengen, ook in andere delen van de wereld. Dat zou een hele goede mogelijkheid moeten zijn. Ik hoop dat deze Kamer zich daar dan achter schaart.
De heer Ceulemans (JA21):
Volgens mij komt nu de aap uit de mouw. Ik plaatste "analyseren" tussen aanhalingstekens, maar de heer Van Asten gaat nu invullen wat dat analyseren betekent. Vervolgens komt hij niet verder dan: we moeten de bron van migratiestromen gaan aanpakken. Dan gaat het over de internationale politiek en het klimaat, D66 kennende. U probeert nu weg te glibberen bij nationale instroombeperkende maatregelen. Ik vraag het nog één keer. Los van de analyse en los van wat u allemaal aan de bron wilt doen: op het moment dat het Migratiepact onvoldoende doet om de instroom naar Nederland te beperken, is D66 dan ook bereid om, los van analyses over de bron, over te gaan op aanvullende nationale instroombeperkende maatregelen?
De heer Van Asten (D66):
Ik ben hier in mijn rol als politicus in de Tweede Kamer gekozen om de problemen bij de bron aan te pakken. Daar zullen we echt een gezamenlijke inspanning voor moeten leveren. Daar moet je aan werken. Volgens mij hebben we hier, net als bij het Migratiepact, een pakket aangenomen met allemaal nationale maatregelen. Ik ben eigenlijk niet bereid om nog verder het debat aan te gaan over de vraag wat voor maatregelen we nog meer gaan nemen. Laten we eerst dit implementeren. Dat is al moeilijk zat. Ik heb dadelijk ook nog wat vragen over de capaciteit die we hiervoor moeten inzetten, want ik denk dat dat de grootste bottleneck is die we op dit moment moeten bevechten.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ceulemans (JA21):
Volgens mij is de conclusie helder. De VVD zegt, nog los van de vraag of dat gemeend is, dat als het Migratiepact niet snel tot een instroombeperking van honderden per week leidt, er nieuwe maatregelen moeten komen waar geen taboe op heerst. Maar als ik bij D66 doorvraag, komt het erop neer dat D66 daar niet toe bereid is. D66 is niet bereid tot het nemen van nationale aanvullende instroombeperkende maatregelen, ondanks alle campagnepraatjes over grip op migratie en een strenger asielbeleid. U komt niet verder dan praten over de bron, klimaat en stromen wereldwijd et cetera. Er is een verschil in de coalitie. Dat verbaast me niet, maar het stelt me wel teleur.
De heer Van Asten (D66):
Dit is een lesje framing 101. Dit is natuurlijk totaal niet wat ik heb gezegd. De enige die trouwens het woord "klimaat" in zijn mond heeft genomen, is de heer Ceulemans zelf. Dat laat ik me dus ook niet gezegd worden. Laat ik er eens even heel helder over zijn, zodat ook meneer Ceulemans dat meekrijgt. Ik heb gezegd dat als die instroom, met het Migratiepact en met al die nationale maatregelen die daarbij zitten en de wetten van vandaag die we gaan aannemen, toch nog zo hoog blijft dat we die niet kunnen aanpakken, we dan op basis van de oorzaak daarvan maatregelen kunnen nemen. Dan kunnen we dat gesprek aangaan. Maar laten we eerst maar eens even deze maatregelen daadwerkelijk aannemen, en dan uitvoeren.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Even over het aanpakken van die bron. In Nederland hebben we 410.000 woningen te weinig. Asielaanvragen duren gemiddeld ongeveer vijf jaar. De screening van asielzoekers is pas na twee jaar. Zedenzaken lopen jaren achter; 90% van de verkrachters wordt niet eens veroordeeld. Defensiemateriaal wordt hier in Nederland zonder aanbesteding aangekocht. Met andere woorden, we maken er hier in Nederland met z'n allen een enorme puinhoop van. Hoe denkt de heer Van Asten dat we als piepklein landje ook nog eens de bron van de problemen van de hele wereld kunnen aanpakken?
De heer Van Asten (D66):
Daarom hebben we dat als piepklein landje goed beseft, zijn we gaan samenwerken met onze Europese buurlanden en Europese lotgenoten en hebben we de Europese Unie opgericht, dat grote machtsblok, dat grootste handelsblok ter wereld, dat gezamenlijk een harde stem heeft. D66 is er voorstander van om samen met Europa een nog grotere vuist te maken in de rest van de wereld, maar wij kunnen dat ook hier in het nationale parlement doen. Als het híér gaat over de staat van de wereld en aanvallen op burgerdoelen, kunnen we er heel helder over zijn dat we dat veroordelen. Dat zien we deze Kamer helaas ook nog niet doen. Ik denk dat het tijd is om dát te doen als we gezamenlijk iets aan die bron willen gaan doen.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Zeker. We kunnen veroordelen tot we een ons wegen. We zitten volgens mij al een paar decennia in die Europese Unie. We hebben een machtsblok en een NAVO en we geven hartstikke veel ontwikkelingsgeld uit, maar we zien dat de bron allemaal nog niet is opgelost. Er komen steeds meer vluchtelingen onze kant op, misschien wel vijf of zes keer zoveel als twintig jaar geleden. We doen dus iets niet goed. Hoe denkt de heer Van Asten dat we het de komende jaren dan zoveel beter gaan doen dat we die problematiek aan de bron dan hebben opgelost?
De heer Van Asten (D66):
Ik ga het hier toch even opnemen voor de Europese Unie, want die heeft ervoor gezorgd dat er geen oorlog meer in Europa plaatsvond en dat wij klaarstonden toen dat wel aan de randen van Europa gebeurde, toen nog in het voormalige Joegoslavië. We zien ook de veranderingen die in voormalig Joegoslavië hebben plaatsgevonden. Wij hebben ook die lidstaten opgenomen in de Europese Unie en zo hebben we gezamenlijk gezorgd voor een flinke toename van de welvaart hier in dit stukje wereld. Als wij ons nou ook eens gaan inspannen voor een toename van die welvaart in andere delen van de wereld, zorgen we ervoor dat die voedingsbodem voor vlucht, oorlog en geweld verdwijnt en kunnen we ook op die manier wat doen aan die instroom.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Het klinkt als een mooie droom. Ik geloof er niet in. Mijn analyse van de Europese Unie is de volgende. Die asielopvang was natuurlijk eigenlijk bedoeld voor in de regio. Er was een soort solidariteit binnen die Unielanden om elkaars problemen op te lossen en om vluchtelingen op te nemen, bijvoorbeeld de Belgen in de Eerste Wereldoorlog, natuurlijk zelfs nog voordat de Europese Unie bestond.
De voorzitter:
Uw vraag in relatie tot de wet?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
De ellende van die Europese Unie is dat die een systeem heeft bedacht waardoor de hele wereld hier nu asiel kan aanvragen en er voor mensen uit de Unie eigenlijk geen ruimte meer is. Dat is uw Europese Unie.
De heer Van Asten (D66):
Nee, dat is het zeker niet. In het coalitieakkoord is dan ook opgenomen dat wij het gezamenlijk, volgens Europese afspraken, dadelijk mogelijk maken om die aanvraag juist buiten de Unie te doen. Dat betekent dat er minder mensen slachtoffer hoeven te worden van mensensmokkelaars, dat er minder mensen overlijden en dat wij nog beter grip en controle krijgen op wie er naar Europa komt en wie niet. Dat is de kracht van Europa.
De voorzitter:
U vervolgt uw bijdrage in relatie tot de wet.
De heer Van Asten (D66):
Ja. Dank u, voorzitter.
We laten dus zien dat we dit dossier stevig aanpakken, want menswaardige en goede opvang van mensen die vluchten voor oorlog en geweld moet hand in hand gaan met duidelijkheid en rechtvaardigheid op het moment dat er sprake is van overlast en agressie. Personen die hierheen komen en de regels doelbewust negeren of aan hun laars lappen, mogen ook merken dat daar consequenties aan verbonden zijn. Juist door eerlijk te zijn over de overlast waar mensen en winkeliers in hun buurt, dorp of stad mee te maken krijgen, en daar gepaste maatregelen tegen te nemen, behouden we ook het draagvlak voor de overgrote groep mensen die zich wél aan de regels houdt. Ik doel op mensen die gewoon aan de slag gaan met de Nederlandse taal, die hun kinderen leren fietsen, die sporten bij de lokale voetbalvereniging of die aan de slag gaan met werk of een opleiding om echt mee te doen aan onze maatschappij.
Wat D66 betreft zetten we in op snellere en duidelijke procedures, goede opvang, snellere terugkeer voor mensen die hier niet mogen blijven en een harde aanpak van overlast en geweld. Als die elementen samenkomen, zorgen we eindelijk voor rust en stabiliteit. Met het Migratiepact en de maatregelen in het wetsvoorstel van vandaag zetten we een nieuwe stap richting dat gewenste asielbeleid. Ik dank de minister dan ook voor het wetsvoorstel en de nota van wijziging.
Ik vraag nog aandacht voor een aantal punten. Allereerst de lockdown. Het wetsvoorstel omvat de mogelijkheid om in vreemdelingenbewaring een lockdown in te stellen van 23 uur per dag. De Raad van State adviseerde om de lockdown een aantal dagen te laten duren. In het wetsvoorstel is naar aanleiding van dat advies de duur bijgesteld van zes naar vier weken. De minister geeft aan dat het proces van gefaseerde op- en, zo nodig, afbouw van het dagprogramma zorgvuldig dient te geschieden en dus tijd kost, en dat er om die reden voor een wettelijk maximum van vier weken is gekozen. In de praktijk zal het vaak niet tot vier weken komen, zo valt te lezen in de nota naar aanleiding van het verslag. Hoewel ik die toelichting kan volgen, is mij niet geheel duidelijk waarop die termijn van vier weken nu echt is gebaseerd. Zou de minister nogmaals kunnen toelichten waar die duur vandaan komt en wanneer en hoe precies wordt bepaald dat de lockdown kan worden afgeschaald? Vindt dat plaats op basis van de omstandigheden van het geval of zijn er vaste criteria voor? Is het ook mogelijk om jaarlijks een overzicht te geven van genomen lockdownmaatregelen, de reden daarvoor en de duur daarvan? Dan krijgen we daar meer verstand van en begrip voor.
Dan over de uitzonderlijke omstandigheden. Er zijn een aantal bepalingen in de wet afhankelijk gemaakt van die uitzonderlijke omstandigheden. In de afgelopen jaren hebben we, mede door de coronapandemie, gezien dat situaties kunnen ontstaan waarin snel handelen noodzakelijk is. Wetgeving moet daarvoor ook voldoende ruimte bieden. Maar er zit ook een risico in. De chaos en discussie rondom het staatsnoodrecht tijdens het vorige kabinet hebben laten zien hoe belangrijk het is om vooraf duidelijkheid te bieden over wanneer zulke bevoegdheden wel en nadrukkelijk niet kunnen worden ingezet. Ik begrijp dat een uitputtende lijst van omstandigheden aanleggen niet mogelijk is, maar het lijkt me wel waardevol om tijdens de behandeling van deze wet scherp te bekijken welk type situaties de minister concreet voor ogen heeft. Wanneer is volgens de minister sprake van uitzonderlijke omstandigheden? Kan de minister toezeggen dat dit in ieder geval niet enkel afhankelijk is van het politieke oordeel?
Voorzitter. Het wetsvoorstel dat we vandaag behandelen, vraagt ook wat van de DJI. We weten dat zij al langere tijd kampen met personeelstekorten en capaciteitsproblemen. De druk is zo groot dat gedetineerden eerder moeten worden vrijgelaten. Daarom heb ik een aantal vragen. Wat zijn op dit moment de verwachtingen als het gaat over die personeelssterkte en beschikbare capaciteit? Hoe kijkt de minister naar het eerdere signaal van DJI dat na aanname van de wet mogelijk nog ongeveer een jaar nodig is om de uitvoering goed op orde te krijgen? Is dat nog steeds het geval? Is de minister bereid daar in de invoering rekening mee te houden?
Voorzitter. Mijn fractie staat positief tegenover het afschaffen van de rechterlijke dwangsom en het amendement van de SGP hierover. Ik hoor de argumenten van de IND en mijn collega-Kamerleden hierover. Tegelijkertijd is mijn fractie in het verleden terughoudend geweest, omdat het onderliggende probleem, namelijk het niet halen van de beslistermijnen van de IND, met dit amendement niet wordt opgelost. Het afschaffen van de dwangsommen moet wat ons betreft dan ook hand in hand gaan met de maatregelen die toezien op het uiteindelijke doel: snelle procedures, zodat iedereen die hiernaartoe komt zo snel mogelijk duidelijkheid krijgt. De minister heeft in het vorige commissiedebat aangegeven snel met een plan daarover te komen. Dat zou binnen enkele weken plaatsvinden, dus daar wacht ik op. Wordt hierbij ook ingegaan op het spanningsveld tussen snelheid en zorgvuldigheid? We moeten de rechterlijke keten dadelijk niet te veel daarmee gaan belasten.
Voorzitter, ik rond af. Mijn fractie is positief over de stappen die het kabinet met dit wetsvoorstel zet. We zien dat het politieke en maatschappelijke debat over migratie de afgelopen jaren en zelfs de afgelopen weken steeds harder is geworden. We hebben als politici de verantwoordelijkheid om niet alleen tegenover elkaar te staan, maar vooral te zoeken naar oplossingen die werken voor omwonenden, voor gemeenten, voor uitvoerders én voor de mensen die hier bescherming zoeken. Ik hoop dat we daar vandaag gezamenlijk een stap in kunnen zetten.
Dank.
De heer Ceulemans (JA21):
Tot slot een vraag over de dwangsommen. De heer Van Asten zegt: we staan in principe positief tegenover het afschaffen van die rechterlijke dwangsom. Hij zei ook: dat moet dan wel hand in hand gaan met maatregelen die een versnelde doorloopsnelheid met zich meebrengen, zodat er minder vaak een situatie zou ontstaan die in het verleden tot een rechterlijke dwangsom leidde. Mijn vraag aan de heer Van Asten is: is dat tweede echt een voorwaarde om in te stemmen met het amendement of stemt hij gewoon in met het amendement om een einde aan die dwangsommen te maken en vindt hij, los daarvan, dat ook dat andere moet gebeuren?
De heer Van Asten (D66):
Wij stemmen in met het afschaffen van die dwangsom, dus met het amendement. Ik kan dat wel uitleggen. Ik zie dat het totaal niks doet. Het kost een heleboel geld en leidt niet tot snellere beantwoording. Dat is door de heer Van Dijk goed aangegeven: het kost ook nog een hoop capaciteit. Maar het is natuurlijk wel wrang, want die dwangsom wordt niet voor niks opgelegd. Het gaat erom dat we die mensen, zeker die 50.000 mensen die dadelijk ook nog buiten de werking van het Migratiepact vallen, ook niet jarenlang in onzekerheid kunnen laten zitten. Die mensen moet je ook door kunnen laten gaan met hun leven. Of dat in Nederland of buiten Nederland is, hangt van de beslissing af. Maar als dat in Nederland plaatsvindt, zou ik ook graag willen dat die mensen zo snel mogelijk hier ingeburgerd raken, zodat ze kunnen bijdragen aan de maatschappij.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik heb één heel klein kort vraagje. Allereerst ben ik natuurlijk heel blij met de steun, maar juist omdat de heer Van Asten het nog zo uitvoerig had over de Europese Unie, ben ik benieuwd naar het volgende. Geen één ander EU-land kent onze regeling. Ik begrijp dat de heer Van Asten erg voorstander ervan is om het weer te laten terugkomen wanneer dat kan, maar waarom zouden we hierin zo'n uitzondering zijn ten opzichte van de rest van onze Europese vrienden?
De heer Van Asten (D66):
Even kijken of ik het goed begrijp. U bedoelt dus dat die dwangsommen alleen hier in Nederland zouden zijn? Kijk, er zijn rechterlijke dwangsommen. Op het moment dat je niet voldoet aan de termijn die je zelf hebt gesteld, gaat dat uiteindelijk ten koste van iets. Dat Nederland daarin de enige is, is een uitzondering die je wellicht niet zou moeten willen. Maar volgens mij staat voorop dat wij ervoor moeten zorgen dat we snelle procedures hebben. Dat is in het belang van de mensen die bescherming zoeken, de capaciteit bij de IND en het draagvlak in Nederland.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Ceulemans namens JA21.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Een van de allergrootste prioriteiten van JA21 is een einde te maken aan de asielopvang op Nederlandse bodem, want het hele systeem klopt niet. Duizenden mannen laten hun gezin achter, doorkruisen allerlei veilige landen om illegaal Europa binnen te reizen en doorkruisen vervolgens andere Europese landen om in Nederland aanspraak te maken op allerlei rechten. Vervolgens kunnen zij niet meer worden teruggestuurd. Het is ronduit kafkaësk. Het heeft niets meer te maken met het bieden van veiligheid aan mensen die op de vlucht zijn, het kan op geen enkel maatschappelijk draagvlak meer rekenen en het legt een onhoudbare druk op onze verzorgingsstaat, de woningmarkt, de zorg, het onderwijs, de veiligheid en de sociale cohesie. Asielprocedures en de opvang gaan wat JA21 betreft daarom uitsluitend nog buiten Europa plaatsvinden.
Voorzitter. Ik realiseer me dat we het daarover ook vandaag helaas weer niet eens gaan worden, maar er zijn twee zaken waarover iedereen, van links tot rechts, het eens zou moeten zijn. Dat is in de eerste plaats dat er voor asielzoekers die al dan niet uitgeprocedeerd zijn en zich schuldig maken aan overlast en criminaliteit, in dit land geen plaats mag zijn. Wie hierover een peiling houdt, krijgt richting de 100% steun onder de bevolking. De politiek praat er al jaren over, en iedereen van ons die geregeld in plaatsen als Budel, Ter Apel en Emmen komt en inwoners en ondernemers uit die plaatsen spreekt, weet hoe onhoudbaar de situatie is. Toch kenmerkt dit dossier zich vooral door jarenlange stilstand. Het is een extreem frustrerende situatie voor winkeliers die worden leeggeroofd, buschauffeurs die worden bespuugd, inwoners die thuis achter hun rolluiken zitten en beveiligingscamera's installeren, en vrouwen die niet meer normaal door hun eigen dorp kunnen lopen.
In de tweede plaats gaat dat over het feit dat asielzoekers die na een lange en uitgebreide asielprocedure te horen hebben gekregen dat ze geen verblijfsvergunning krijgen, daadwerkelijk moeten terugkeren. Afwijzing en terugkeer vormen een onlosmakelijk onderdeel van het asielbeleid, maar zijn al jarenlang een ondergeschoven kindje. In de praktijk komt ons beleid erop neer dat wie mag blijven, blijft en wie niet mag blijven, ook blijft.
Het wetsvoorstel waarover we vandaag spreken, dat deze twee onderwerpen bevat, is inmiddels al zes jaar oud en heeft een voorgeschiedenis die nog veel langer teruggaat. Het is tekenend voor de traagheid, besluiteloosheid en disfunctionaliteit die het Nederlandse asielbeleid kenmerken. Maar goed, hier staan we dan toch. De wet had wat JA21 betreft natuurlijk een stuk strenger gemoeten, maar het is een stapje. Stilstaan is voor JA21 geen alternatief voor een te kleine stap.
Over een aantal punten in het initiële wetsvoorstel heb ik een aantal vragen. Ten eerste de zogeheten lockdownbevoegdheid. Het is zeer terecht dat er de mogelijkheid van een lockdown is om bijvoorbeeld COA-personeel te beschermen tegen georganiseerde agressie in de opvang. De voorwaarden waaronder een lockdown kan worden opgelegd, zijn voor interpretatie vatbaar. Ik vraag de minister onder welke voorwaarden dit kan. Deelt hij de mening dat deze mogelijkheid in de praktijk niet te streng ingekaderd mag worden? Er moet ook beslissingsvrijheid kunnen zijn op dit punt.
Daarnaast lezen we over uren en rechten die worden vastgelegd. Dat gaat over minimaal twee uur buitenlucht per dag in de verblijfsvoorziening, wat eerst één uur was. Dit recht kan ook in uitzonderlijke omstandigheden niet worden ingeperkt. Dat gaat ook over minimaal acht uur recreatieve activiteiten per week, wat eerst zes uur was, en minimaal vier uur bezoek per week, wat eerst één uur was. Het gaat ook over het recht op een eigen rekening, bellen en toegang tot internet. Ik vraag de minister waar deze uren en rechten nu precies vandaan komen. In de memorie van toelichting wordt onder andere gesproken over "soft law"-instrumenten. Welke speelruimte was er bij het vastleggen van deze uren en rechten? Sluiten we hiermee in de ogen van het kabinet aan bij de meest strikte mogelijkheden?
Ik zag het amendement van collega Straatman van het CDA om vast te leggen dat beschikbaarheid voor de IND niet alleen voor dient te gaan op bewegingsvrijheid en dagbesteding, maar ook op bezoek. Een prima amendement, wat ons betreft. Wat JA21 betreft gaat de beschikbaarheid voor de IND altijd voor op de vastgelegde rechten. Hoe kijkt de minister hiernaar?
Ook is er sprake van een afwijkingsbevoegdheid bij uitzonderlijke omstandigheden, waardoor bij ministeriële regeling tijdelijk kan worden afgeweken van dagbestedingsrechten en bezoekrechten voor minimaal twee maanden. Hierbij wordt echter aangegeven dat personeelstekort hiervoor uitdrukkelijk geen aanleiding kan zijn. Waarom niet, zo vraag ik de minister. Personeelstekort kan wat ons betreft een legitieme reden zijn om van dergelijke kaders af te wijken met het oog op het beheersbaar houden van de situatie op de opvanglocatie. Graag een reactie.
Terugkeer is in Nederland al jarenlang een groot probleem. Het komt niet van de grond en we steken slecht af bij veel andere lidstaten, blijkt ook uit vergelijkingen in Eurostat. Zie bijvoorbeeld Duitsland. In Duitsland is recent expliciet gekozen voor een terugkeeroffensief. Snellere uitzettingen, minder drempels voor bewaring en een politiek doel om ongewenste migranten actief uit te zetten. Welke elementen van deze Duitse richtlijn neemt Nederland bewust niet over en waarom niet?
De Duitse regering werkt daarnaast aan snelle asielprocedures direct aan de grens, waarbij de politie samen met het BAMF, de Duitse IND, snel beslist of iemand moet worden teruggestuurd naar het eerste EU-land of naar de andere kant van de grens. Is de minister bereid om vooruitlopend op de Europese grensprocedures vergelijkbare versnelde beslis- en terugkeerprocedures bij onze grenzen in te richten?
Natuurlijk spreken we over deze wet te midden van ontwikkelingen zoals de implementatie van het EU-Migratiepact en de totstandkoming van de Europese Terugkeerverordening. Zoals gezegd en conform onze aangenomen motie wil JA21 dat dit alles zo streng mogelijk wordt geïmplementeerd. Return hubs hebben voor ons topprioriteit. Veel effectiever dan wijzigingen in de marge omtrent de omgang met terugkeerders in Nederland, is ze gewoon naar een derde land sturen. Wat is de meest recente stand van zaken wat betreft de Nederlandse inzet? Zijn er concrete gesprekken of verkenningen gaande?
Voorzitter. Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich eigenlijk tot de hele waaier aan pilots, voorzieningen et cetera die de afgelopen jaren de revue is gepasseerd ten aanzien van overlastgevende asielzoekers, van pba tot pbl, vtl, htl et cetera?
Voorzitter. Natuurlijk gaat het vandaag in werkelijkheid vooral over de recente toevoegingen aan dit wetsvoorstel, zaken die overboord dreigden te gaan door het sneuvelen van de Asielnoodmaatregelenwet. Het gaat hier dan om de geamendeerde ongewenstverklaring uit deze wet en het afschaffen van de dwangsommen. We zijn dan ook tevreden dat het kabinet het amendement omarmt dat de SGP en JA21 hebben ingediend om een einde te maken aan de rechterlijke dwangsommen. Het is aan werkelijk niemand uit te leggen dat we vorig jaar bijna 80 miljoen euro kwijt waren aan dwangsommen voor asielzoekers die te lang moesten wachten op een beslissing. Niets vat het failliet van ons asielbeleid misschien wel zo pijnlijk samen als het dwangsommencircus. De instroom is dermate hoog dat het systeem bezwijkt en vervolgens kost dat de samenleving tientallen miljoenen. Met het amendement, dat inmiddels ook mede wordt ingediend door in ieder geval VVD en ChristenUnie, heb ik begrepen, maken we daar een einde aan. Dat is alleen maar heel erg toe te juichen.
Dan de ongewenstverklaring. Ook hiervoor geldt dat dit een stap in de goede richting is, maar het is voor JA21 wel echt het minimum. Wie onze gastvrijheid beantwoordt met wangedrag of criminaliteit, gaat wat JA21 betreft de procedure uit en wordt vastgezet en teruggestuurd naar het land van herkomst. De Vreemdelingenwet biedt op het terrein van het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid wat ons betreft meer handvatten daartoe dan op dit moment worden aangegeven. De voorgestelde ongewenstverklaring houdt in dat het instrument kan worden ingezet tegen illegale in Nederland verblijvende derdelanders, waar dat voorheen niet kon. Ook gaat de drempel om de maatregel te kunnen opleggen omlaag van een misdrijf met een strafmaximum van drie jaar naar een misdrijf met een strafmaximum van twee jaar. Wie ondanks een ongewenstverklaring terugkeert naar Nederland, riskeert straks een jaar cel in plaats van een halfjaar. Vraag aan de minister: waarom is gekozen voor het verlagen van de grens naar een strafmaximum van twee jaar? Waarom is de grens niet nog lager gelegd, zodat meer vergrijpen onder de mogelijkheid tot ongewenstverklaring vallen? Het is een kan-bepaling, dus dat zou ruimte bieden om permanent af te komen van structureel misdragende vreemdelingen die bij voortduring voor ellende zorgen, maar niet met vergrijpen nu boven de vastgestelde grens liggen.
Onderkent de minister dat het middel van de ongewenstverklaring in de praktijk geen oplossing is voor vreemdelingen die over de schreef gaan maar afkomstig zijn uit een land met een relatief hoog inburgeringspercentage? Voor hen blijft een verblijfsvergunning een reële optie, waardoor de ongewenstverklaring niet op hen van toepassing kan zijn. Welke aanvullende maatregel gaat de minister treffen om ook deze groep daadkrachtiger aan te pakken?
Voorzitter. Het is geen geheim: JA21 is voorstander van de strafbaarstelling van illegaliteit. Het blijft daarom een enorme gemiste kans dat de novelle en in navolging daarvan de Asielnoodmaatregelenwet gesneuveld zijn in de Eerste Kamer. In plaats daarvan gaat de minister nu met wetgeving komen om terugkeerfrustreerders strafbaar te stellen, een lightvariant van de strafbaarstelling van illegaliteit. Kan de minister een stand van zaken geven?
Naast ons amendement met de SGP om een einde te maken aan de dwangsommen hebben collega Boomsma en ik nog twee amendementen voorbereid. Het eerste heeft betrekking op het regime waaronder vreemdelingen in bewaring worden geplaatst. Op grond van het wetsvoorstel worden vreemdelingen na de inkomstperiode in principe automatisch overgebracht naar het verblijfsregime en is het beheersregime een aanvullende optie. Dat kan wat JA21 betreft strenger worden ingericht voor de categorie asielzoekers waarvan op voorhand duidelijk is dat hun aanvraag vrijwel kansloos is. Dat zijn mensen afkomstig uit veilige landen, mensen die autoriteiten hebben misleid, mensen die een zoveelste kansloze aanvraag indienen en anderen die volgens de procedureverordening in het versnelde traject horen. Ons amendement regelt dat de bewaring voor deze afgebakende categorieën in het beheersregime plaatsvindt. De Europese Opvangrichtlijn biedt hier ook nadrukkelijk ruimte voor. Uit alle cijfers blijkt dat deze groep slecht omgaat met iedere vorm van vrijheid die hij krijgt, of het nu het meewerken aan terugkeer is of de overlast die deze groep de omgeving waarin hij verblijft bezorgt. Tevens moeten we alle mogelijkheden aangrijpen om het aanvragen van asiel in Nederland überhaupt, zeker voor deze groep, zo onaantrekkelijk mogelijk te maken.
Het tweede amendement gaat over elektronisch toezicht. Zoals gezegd is een hardnekkig probleem bij terugkeer dat een substantieel deel van de afgewezen asielzoekers simpelweg verdwijnt zolang ze niet in bewaring zitten. Dat is onaanvaardbaar, maar lang niet iedereen zit in bewaring. Dat betekent dat er in de praktijk mensen buiten bewaring rondlopen, op wie de overheid volledig het zicht kwijt is. Elektronisch toezicht is geen vervanging van bewaring, maar een aanvulling. Het houdt de overheid in staat om ook buiten de muren van een detentiecentrum actief toezicht te houden op de locatie van een vreemdeling en tijdig te signaleren wanneer iemand zich aan het toezicht onttrekt. Daarom hebben we als aanvulling op de detentie met ons amendement de enkelband als extra optie verankerd in de wet. De herschikte Europese Opvangrichtlijn noemt dit instrument expliciet als toegestane vrijheidsbeperkende maatregel. De Terugkeerrichtlijn zet lidstaten aan om bij een onderduikrisico gebruik te maken van dit soort middelen. Nederland heeft echter geen wettelijke grondslag om ze in te zetten. Ons amendement creëert die grondslag. Het machtigt de regering om bij AMvB de regels hiervoor uit te werken. De EU reikt ons dit instrument aan; laten we het dan dus ook oppakken.
Dank u wel, voorzitter.
De heer Ellian (VVD):
Dat laatste amendement intrigeert mij natuurlijk. De enkelband is een soort specialiteit geworden, in die zin dat ik me er altijd tegen heb verzet met de fractieleider van collega Ceulemans. Ik zou graag precies willen weten of die is bedoeld als een vervanging van de bewaring. Collega Ceulemans zei namelijk "nee", maar wat is dan de toegevoegde waarde? Als het uitgangspunt is "in bewaring", dan heb je die enkelband namelijk niet nodig.
De heer Ceulemans (JA21):
U vergelijkt wat betreft de enkelband twee zaken die niet met elkaar te vergelijken zijn. Wij zijn inderdaad altijd kritisch op de enkelband, maar dan met name als het gaat om het strafrecht en als vervanging van een vrijheidsstraf. Daar zijn wij absoluut geen voorstander van. Daar zijn we het ook met u over eens. We zien in de praktijk dat dit een aanvulling kan zijn op het stelsel van bewaring dat we al kennen. Wij willen niet mensen die in bewaring zitten een enkelband geven in plaats van ze in bewaring te houden. Dat is niet het doel. Wij willen in de wet de mogelijkheid vastgelegd hebben om aan een vreemdeling die om wat voor reden dan ook niet in bewaring zit in ieder geval een aanvullende toezichthoudende maatregel op te leggen. Dat is hoe u het moet zien.
De heer Ellian (VVD):
Maar dan is het uitgangspunt toch dat iedereen die in vreemdelingenbewaring moet zitten, ernaartoe moet? Ik probeer even te zoeken naar om welke gevallen het gaat. Ik ben oprecht geïnteresseerd in het antwoord op de vraag wanneer dit zou kunnen helpen als het uitgangspunt is: oppakken, DTenV en naar de vreemdelingenbewaring.
De heer Ceulemans (JA21):
Er zijn natuurlijk veel meer uitgeprocedeerde asielzoekers dan er in de vreemdelingenbewaring zitten. Wij zeggen: iedereen die in vreemdelingenbewaring kan, moet in vreemdelingenbewaring. Daar willen we geen millimeter afbreuk aan doen. Er is ook een groep uitgeprocedeerde asielzoekers die niet in vreemdelingenbewaring zit en daar ook niet voor in aanmerking komt vanwege de strenge richtlijnen die daarvoor gelden, maar die op basis van Europese richtlijnen wel een andere vorm van toezicht kan worden opgelegd. Met dit amendement willen wij in de wet vastleggen dat die aanvullende mogelijkheid er is, niet in plaats van vreemdelingenbewaring, maar om een vorm van toezicht in het leven te roepen om op een groep van toepassing te laten zijn die nu vaak buiten elke vorm van toezicht valt. Zo moet u dat amendement interpreteren. Ik zie de heer Ellian knikken, dus ik hoop op zijn steun.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Plas, namens de BBB. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Als ik een gebouw binnenstap en ik mag daar niet zijn, dan word ik eruit gezet. Dat is heel terecht, want zo gaat dat in het echte leven. Als je ergens niet naar binnen mag, dan moet je gewoon weg. Maar in ons vreemdelingenbeleid lijkt het soms andersom, want wie geen recht heeft om hier te zijn, krijgt eindeloos nieuwe kansen om zijn vertrek te traineren. Wie hier niet mag blijven, moet terug. Wie de wet aan zijn laars lapt, hoort niet op straat maar hoort in bewaring totdat het vertrek geregeld is. Daarom zien wij in de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring een poging om iets te repareren wat in de praktijk fout loopt. Maar de vraag is of dit wetsvoorstel echt doet wat het zou moeten doen. Voor BBB zijn dat twee dingen. Eén: ervoor zorgen dat vreemdelingen die geen recht hebben om hier te zijn, daadwerkelijk terugkeren. Twee: ervoor zorgen dat overlastgevende vreemdelingen niet steeds opnieuw de ruimte krijgen om het systeem te traineren en om vervolgens toch weer op straat te belanden.
Dit zijn voor BBB de kernpunten van dit debat. Nederlanders is beloofd dat er grip zou komen op migratie, grip op instroom, grip op overlast en grip op terugkeer. Maar als ik het wetsvoorstel lees, bekruipt mij toch een beetje het gevoel dat de vreemdeling die niet meewerkt aan zijn terugkeer vaak beter af is dan de vreemdeling die wel meewerkt. Want wie niet meewerkt, wie zijn identiteit niet duidelijk maakt, wie documenten achterhoudt, wie procedures frustreert, kan uiteindelijk in de situatie terechtkomen waarin de overheid moet concluderen dat er geen zicht is op uitzetting. Als er geen zicht meer is op uitzetting, moet de bewaring worden opgeheven. Dan kom je dus op straat.
Voorzitter. Dat is de wereld op zijn kop. Het kan niet zo zijn dat iemand door het systeem te frustreren uiteindelijk méér vrijheid krijgt. En het kan toch niet zo zijn dat een vreemdeling die hier niet mag blijven en die ook nog overlast veroorzaakt, na verloop van tijd gewoon weer de straat op moet omdat hij zelf zijn terugkeer onmogelijk maakt? BBB wil dat deze wet uitgaat van één simpele norm: wie hier niet mag zijn, moet terug. Wie meewerkt, verdient een snelle en zorgvuldige procedure, maar wie tegenwerkt en overlast veroorzaakt, wie personeel en andere vreemdelingen in gevaar brengt, moet niet worden beloond met meer rechten of uiteindelijk vrijheid op straat. Met die simpele norm in gedachten heb ik een aantal vragen en opmerkingen voor de minister.
Voorzitter. In de schriftelijke beantwoording door de regering staat dat een vreemdeling binnen de vrijheidsbeneming zo veel mogelijk vrijheid moet worden toegekend. BBB begrijpt dat vreemdelingenbewaring geen strafrechtelijke detentie is. We hoeven ze ook niet op te sluiten in een donker, schimmelig keldertje. Maar echt, laten we alsjeblieft niet doen alsof dit een gewone verblijfsvoorziening is. Vreemdelingenbewaring is geen hotel. Het gaat hier om mensen die geen recht hebben om in Nederland te blijven en om mensen bij wie bewaring noodzakelijk is in het kader van de terugkeer, de openbare orde of de nationale veiligheid. Daarom vraag ik de minister of voor de minister het belang van terugkeer vooropstaat of dat voor de minister het zo veel mogelijk toekennen van vrijheid binnen de inrichting vooropstaat. Als die twee botsen, wat weegt dan zwaarder?
Voorzitter. Het wetsvoorstel kent twee verschillende regimes. Je hebt het normale verblijfsregime en je hebt het strengere regime, het beheersregime. De directeur kan een vreemdeling in het strengere regime plaatsen als dat nodig is voor de orde en de veiligheid in de inrichting. Dat is natuurlijk logisch, maar wij willen wel dat het belang van het personeel en andere vreemdelingen hier veel nadrukkelijker voorop komt te staan. Artikel 18, lid 3 geeft de minister de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen voor de criteria voor plaatsing in het beheersregime. Is de minister het met BBB eens dat de veiligheid van personeel en medebewoners altijd zwaarder weegt dan het belang van de overlastgevende vreemdeling om een vreemdeling in een beheersregime te plaatsen? Inmiddels hebben wij hier ook een amendement over ingediend.
Voorzitter. Van artikel 18 ga ik naar artikel 27. De directeur moet volgens dat artikel zorgen voor voeding, zorg, noodzakelijke kleding en noodzakelijk schoeisel. Ook krijgt de vreemdeling recht op zakgeld. Zakgeld. Ik kan me herinneren dat ik dat vroeger kreeg op zaterdag. Toen kreeg ik een rijksdaalder. Voor de jonge mensen onder ons: een rijksdaalder was 2,50 gulden. De minister heeft het nog meegemaakt, zegt hij. De minister is ook oud aan het worden, zeg ik tegen de mensen in Nederland! Dat is ook helemaal niet erg, hoor. Zolang je gezond bent, is dat prima. Zakgeld dus. Zakgeld voor vreemdelingen in bewaring; ik vind dat echt moeilijk uit te leggen. Iemand zit in vreemdelingenbewaring. Hij krijgt eten, hij krijgt drinken, hij krijgt noodzakelijke kleding, hij krijgt onderdak en hij krijgt zorg. Hij krijgt dus de basisvoorzieningen die nodig zijn. Ik vraag me af waarom daarbovenop zakgeld nodig is. Kan de minister uitleggen waarom zakgeld een wettelijk recht moet zijn? Waar is dat precies op gebaseerd? Is dat Europeesrechtelijk verplicht of is dit een nationale keuze? Als het een nationale keuze is, waarom kiest de regering daar dan voor? Ik wil ook van de minister weten hoeveel zakgeld vreemdelingen dan eigenlijk krijgen. Welk bedrag gaat er jaarlijks naar het zakgeld van mensen in vreemdelingenbewaring? Ik wil ook graag weten wat er met dat zakgeld wordt gekocht. Kan de minister daar een lijst van verstrekken? Is de minister bereid om te onderzoeken, voor zover hij dat nog niet heeft gedaan, of zakgeld kan worden vervangen door simpele arbeid of door een dagbesteding met een beperkte vergoeding?
Voorzitter. Het wetsvoorstel geeft vreemdelingen niet alleen het recht op zakgeld, maar in het wetsvoorstel staat ook dat vreemdelingen het recht hebben om te bellen en gebeld te worden. Er staat ook in dat zij het recht hebben om het internet te raadplegen op de in de inrichting beschikbare computers. BBB snapt dat het nodig kan zijn om contact te hebben met je advocaat en eventueel met je familie of met instanties, maar internet is niet neutraal. Internet kan worden gebruikt om de terugkeer te frustreren, een identiteitsonderzoek te bemoeilijken of getuigen te beïnvloeden. Daarom vraag ik de minister: over wat voor toegang tot het internet hebben we het eigenlijk? Kunnen ze zonder restricties websites bezoeken? Zo nee, kan de minister een overzicht geven van welke websites ze wel kunnen bezoeken? Hebben ze 24 uur per dag toegang tot het internet, of alleen tijdens bepaalde uren? Kan de minister aangeven in welke gevallen internettoegang kan worden beperkt of ingetrokken? Zoals ik de wet namelijk begrijp, kan dat recht niet worden ingeperkt. Is de minister bereid om artikel 32 te wijzigen, zodat het recht op internettoegang wel kan worden beperkt of uitgesloten, behalve voor strikt noodzakelijke toegang tot rechtsbijstand of procedurele informatie?
Voorzitter. Artikel 62 regelt disciplinaire maatregelen. In de novelle wordt voorgesteld dat meer dan één maatregel kan worden opgelegd. BBB vindt dat terecht. Maar bij schade is de novelle nog veel te vrijblijvend. Er staat namelijk dat ondanks het opleggen van een straf de directeur een regeling met de vreemdeling kan treffen over de veroorzaakte schade. "Een regeling kan treffen." Ja, wat is dit? Waarom moet de vreemdeling die schade veroorzaakt die schade niet vergoeden, zoals wij in Nederland allemaal moeten doen? Als ik de deur van mijn buurman intrap of verniel, dan moet ik gewoon dokken. Dat vind ik logisch en dat is ook terecht, en ik krijg ook nog straf. Waarom zou een vreemdeling in vreemdelingenbewaring dat dan niet hoeven? Kan de minister mij daarom uitleggen waarom hier het woord "kan" in de wet staat? Kan de schade op basis van het huidige wetsvoorstel worden verrekend met zakgeld, andere geldmiddelen of bezittingen? En kan geld tijdelijk worden vastgezet of ingehouden als er schade is veroorzaakt? Als dat niet het geval is, waarom is daar dan niet voor gekozen?
Voorzitter. Dan de termijnen voor de vreemdelingenbewaring. Dit wetsvoorstel en de Vreemdelingenwet begrenzen de maximale duur voor een vreemdelingenbewaring. Met andere woorden, als je maar lang genoeg hebt gezeten, dan kom je gewoon weer op straat. BBB heeft daar grote vraagtekens bij. Het roept een gevoel op van onrechtvaardigheid. Daarom de volgende vragen aan de minister. Waar komen deze termijnen precies vandaan? Vloeien die dwingend voort uit Europese regels of is hier sprake van een Nederlandse keuze? En als er Europese regels aan ten grondslag liggen, benutten wij als Nederland dan de maximale ruimte die we hebben?
Voorzitter. Het voelt niet alleen voor BBB, maar voor heel veel Nederlanders onrechtvaardig dat iemand die zijn eigen uitzetting lang genoeg traineert, uiteindelijk uit de vreemdelingenbewaring kan worden geplaatst, omdat er geen zicht meer is op uitzetting. Daar lijkt het nu wel op. Dan wordt tegenwerking feitelijk beloond. Ik vind dat echt een verkeerd signaal. Is de minister het hiermee eens? Kan de minister uitleggen hoe hij gaat voorkomen dat het frustreren van terugkeer uiteindelijk in het voordeel van de vreemdeling werkt? Kan de minister ook aangeven hoe andere EU-landen hiermee omgaan? Hanteren zij dezelfde termijnen of maken zij andere keuzes binnen de Europese kaders en, zo ja, welke? Als de huidige Europese regels inderdaad verhinderen dat Nederland iemand langer kan vasthouden wanneer diegene aantoonbaar niet meewerkt, is de minister dan bereid om in Brussel te pleiten voor aanpassing van die regels?
Voorzitter. BBB heeft ook zorgen over de informatiepositie van de overheid. In het oorspronkelijke wetsvoorstel kon de directeur persoonsgegevens van bezoekers verwerken met het oog op orde en veiligheid. In de novelle vervalt dit, terwijl elders wél bredere bepalingen zijn opgenomen over gegevensverwerking.
Uit de uitvoeringstoets blijkt dat het wetsvoorstel — dit is even een ander onderwerp; dit gaat over het bewaren van de persoonsgegevens — veel extra personele inzet vraagt. Dat wordt mede veroorzaakt door de grote vrijheden die worden toegekend aan vreemdelingen. De mensen in de vreemdelingenbewaring krijgen door dit wetsvoorstel heel veel vrijheden. Ze mogen twaalf uur per dag lekker rondlopen, ze mogen rondhangen, ze mogen cursussen volgen, ze mogen kranten lezen en het nieuws volgen, ze mogen naar de bibliotheek, ze mogen lekker sporten, ze mogen lekker recreëren. In het verblijfsregime is dit niet in te perken. Je hebt op allerlei plekken dus continu personeel nodig. In het verblijfsregime mogen mensen namelijk gewoon kiezen wat ze doen: of ze deelnemen aan de dagbesteding of aan sport, of dat ze op de afdeling verblijven. Alleen in het beheersregime kun je mensen insluiten als zij bijvoorbeeld niet mee willen doen aan een activiteit.
Voorzitter. We maken een wet die om nóg meer personeel vraagt, terwijl we weten dat de Dienst Justitiële Inrichtingen, de DJI, het werk nu al niet aankan. Ik vraag de minister daarom of er op dit moment voldoende personeel is om dit wetsvoorstel uit te voeren. Zo nee, wat betekent dat dan voor het aantal beschikbare plaatsen in de vreemdelingenbewaring? Wat betekent het personeelstekort gezien al die vrijheden voor de veiligheid van het personeel? Waarom is structurele personeelskrapte geen reden om tijdelijk te kunnen afwijken van bepaalde regime-eisen? Als het gevolg van personeelskrapte is dat de vreemdelingenbewaring niet veilig of niet uitvoerbaar is, moet de wet toch niet de inrichting dwingen om onmogelijke rechten te leveren? Is er niet een aanvullende wettelijke grondslag nodig waarmee de directeur bij aantoonbare veiligheidsrisico's of personele onuitvoerbaarheid tijdelijk ruimere bevoegdheden krijgt om beweging, dagbesteding en bezoek te beperken?
Voorzitter, ik ben er bijna. Op 21 april had de Eerste Kamer een wet kunnen aannemen met daarin stevige maatregelen om meer grip te krijgen op asiel en migratie, maar deze coalitie, met uitzondering van de VVD, stemde daartegen. Dan kom ik op het zogenaamde plan B rond de asielwetten. Dat plan, zo blijkt nu, lag blijkbaar al voor de stemmingen op tafel. Dat is relevant voor dit debat, omdat onderdeel van deze novelle een nota van wijziging is om maatregelen uit die strengere asielwet nu in deze novelle te fietsen. BBB heeft hierover schriftelijke vragen gesteld, omdat wij ons afvragen hoe serieus de Asielnoodmaatregelenwet was als vóór de stemming in de Eerste Kamer al gewerkt werd aan een plan B.
De antwoorden op deze vragen zijn binnen, maar roepen vooral nieuwe vragen op. De minister bevestigt namelijk dat vanaf maandag 20 april ambtelijk is gesproken over scenario's voor het geval de wetten in de Eerste Kamer zouden sneuvelen. Op de vraag of senatoren in de Eerste Kamer hiervan op de hoogte waren en welke senatoren dat dan zijn, antwoordt de minister: dat is bij mij niet bekend. Op de vraag of hij kan uitsluiten dat senatoren vóór de stemming wisten van alternatieve wetgeving, zegt hij opnieuw niet "ja, ik sluit uit dat ze dat wisten"; ook hier zegt hij: dat is mij niet bekend.
Voorzitter. Voor BBB zijn dit heel belangrijke vragen, want als senatoren vóór de stemmingen al wisten dat er een alternatieve route klaarlag, kan dat van invloed zijn geweest op hun stemgedrag. En juist dat kan de minister op dit moment niet uitsluiten. Ik vraag de minister daarom nu concreet het volgende. Heeft de minister zelf contact gehad met senatoren over deze alternatieve route? Hebben de minister-president, de eerste vicepremier of andere bewindspersonen daarover contact gehad met senatoren? Is hierover contact geweest met fractievoorzitters van de coalitiepartijen in zowel de Eerste als de Tweede Kamer en/of is er met fractievoorzitters of senatoren van coalitiepartijen een afspraak gemaakt over dit alternatieve traject, al dan niet voor het geval de wetten zouden sneuvelen? "Het is mij niet bekend." Dat is geen antwoord, want dat is precies wat deze minister hoort uit te zoeken.
Voorzitter. Ik stop ermee, maar niet voordat ik zeg dat ik uitkijk naar de beantwoording van de minister. Afhankelijk van die beantwoording overwegen wij om misschien naast de ingediende amendementen nog een aantal andere amendementen in te dienen.
Dank u wel. "Ik stop ermee" betekent trouwens niet dat ik stop met mijn Kamerwerk.
De voorzitter:
Dat hadden we ook niet gedacht.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De mensen zitten nog wel een paar jaar met mij opgescheept.
De voorzitter:
Gelukkig maar, gelukkig maar.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Het woord is aan de heer Dassen namens Volt.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Vandaag behandelen we de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring. Dat traject loopt al lang, namelijk sinds 2013. Er zijn vandaag al veel vragen gesteld, dus ik ga niet de hele wet opnieuw doorlopen, maar ik heb zelf nog wel enkele andere punten die ik graag aan de minister wil meegeven en waarop ik ook een goed antwoord hoop te krijgen.
Een van die punten is de snellere ongewenstverklaring. Ik probeer het goed te begrijpen zonder strafbare feiten te bagatelliseren. Hoe voorkom je dat mensen in een vicieuze cirkel komen te zitten? Een ongewenstverklaring zorgt er namelijk ook niet voor dat mensen verdwijnen. Hoe doorbreekt de minister die cirkel? Hoe voorkomt hij daarbij dat statelozen, mensen met psychiatrische problematiek of slachtoffers van uitbuiting, voor wie terugkeer feitelijk niet mogelijk is, langdurig voor strafbaar verblijf worden vastgezet? Ik geloof dat collega Westerveld daar al het een ander over heeft gezegd. Als het land van herkomst iemand niet terugneemt, lost een sneller opgelegde maatregel dat niet per se op. Ik ben benieuwd hoe de minister hiermee omgaat en hoe we kunnen voorkomen dat zowel wij als land als de mensen in de betreffende situatie met een probleem komen te zitten.
Dan de uitvoering. Mevrouw Van der Plas verwees daar net al naar. De dienst waarschuwt zelf dat de detentiecapaciteit ontoereikend is. De uitvoeringstoets schat 800 tot 1.200 extra ongewenstverklaringen per jaar. Wat is het plan van de minister om te voorkomen dat de uitvoering dadelijk vastloopt? We hebben hier met elkaar zo'n lange wetsbehandeling doorlopen. Nu komen er aanvullingen van de minister zelf. We zien in de asielketen wel vaker zaken vastlopen. Hoe gaan we dus voorkomen dat dat op dit gebied ook gaat gebeuren?
Dan de juridische kant in relatie tot Europa. De Terugkeerrichtlijn van het Asiel- en Migratiepact schrijft al voor wanneer de lidstaten mensen zonder verblijfsrecht kunnen aanpakken. Het Hof van Justitie heeft bovendien recent bevestigd dat lidstaten de Europese terugkeerregels niet via nationale omwegen mogen omzeilen. Doet dit voorstel niet precies dat? Gaat de minister daarin verder dan Europa toestaat? Ik vraag me af of dat zo is. Ik hoor graag van de minister het antwoord op deze vraag.
Tot slot de lockdownbevoegdheid. Daarover is vandaag door meerdere collega's al het een en ander gezegd. De Raad van State maakte hier ook enkele opmerkingen over: eerder dagen dan weken. Het kabinet geeft zelf aan: vier weken. Ik ben benieuwd wat dat betekent voor mensen die daar zo lang in zitten, wat er eerder aan lockdown is geweest en waarom het dan nodig is om dit op deze lange termijn te doen. Waarom zouden we dat niet korter doen, vraag ik aan de minister.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Dassen. Dan is tot slot het woord aan de heer Markuszower. Eenmaal, andermaal. We kennen dit van u uit andere tijden. Gaat uw gang.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Excuus! Ik vond de bijdrage wel heel interessant, maar ik kreeg een belletje, dus ik was even niet in de zaal.
Voorzitter. Ik ben vandaag de laatste spreker, dus ik denk dat inmiddels het meeste wel is gewisseld. Kort gezegd komt deze novelle erop neer dat terugkeerfrustreerders kunnen worden onderworpen aan strengere bestuursrechtelijke maatregelen. Ook regelt deze wet een van de drie onderdelen die eerder via de Asielnoodmaatregelenwet geregeld hadden kunnen worden, maar zoals we allemaal weten, heeft de Eerste Kamer die wet weggestemd en moet het kabinet nu met wat knip- en plakwerk komen. Dat is op zich allemaal prima, maar het levert natuurlijk wel heel veel vertraging op en dat is dan wel weer zonde.
Onze fractie juicht de wetswijziging toe. Een strenger regime is altijd beter dan een slap regime, maar voor de goede orde: zoals inmiddels bekend is door het echec van de verworpen Asielnoodmaatregelenwet in de Eerste Kamer, hebben we het slechts over een heel beperkte groep terugkeerfrustreerders die daadwerkelijk in beeld is bij de overheid. Ondertussen wemelt het in Nederland van de illegalen. Niemand weet precies hoeveel het er zijn. Er is ook geen overheidsdienst die hier actief en systematisch op wil of kan ingrijpen, want illegaliteit is gek genoeg in Nederland niet strafbaar, anders dan in heel veel andere landen. Daar steggelt de Nederlandse politiek al decennia over, maar ondanks de grote problemen rond massamigratie en de druk die open grenzen leggen op onze sociale zekerheid, collectieve sector en infrastructuur, lukt het ons hier in Den Haag maar niet om illegalen systematisch op te sporen, vast te zetten en uit te zetten.
Voorzitter. Ik geef toe dat het een zoveelste poging is, maar vandaag proberen we het gewoon weer. We hebben namelijk een amendement ingediend om illegaliteit strafbaar te stellen. Dat is ongeveer hetzelfde amendement als het amendement dat de PVV twee of drie maanden geleden heeft ingediend en dat aansluit bij de aangenomen novelle in de Tweede Kamer van eind vorig jaar. Dit amendement verbiedt niemand om een kop soep te geven aan een man, vrouw of kind met honger; gelukkig maar. Het beoogt gewoon ongecontroleerde migratie naar ons land te beperken en mensen die hier onrechtmatig verblijven, terug te sturen naar het veilige land waar zij vandaan komen. Maar we hebben ook gezien dat onze vrienden van de PVV een ander amendement hebben ingediend om illegaliteit strafbaar te stellen, een amendement dat dan weer naadloos aansluit op een — het is ingewikkeld hoor — eerder aangenomen PVV-amendement. Ik heb eerder al vóór dat amendement gestemd, dus vanzelfsprekend stemmen wij daar ook nu weer voor. We zullen bij de stemmingen dan wel verzoeken om eerst te stemmen over dat PVV-amendement van vandaag. Als dat wordt aangenomen, zullen wij ons amendement intrekken. Als het niet wordt aangenomen, ligt ons amendement klaar om alsnog illegaliteit strafbaar te stellen.
Ik weet niet of ik de hele beantwoording kan beluisteren, maar ik zal het wel daarna terugluisteren. Veel succes alvast met de beantwoording; bij voorbaat dank daarvoor. Sommigen van u zie ik misschien vanavond. Het schijnt dat er nog een debatje op de planning staat. Laten we dat dan ook voeren met elkaar.
De voorzitter:
En u staat op de sprekerslijst, heb ik al gezien. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 16.30 uur en deel u mee dat het voorzitterschap in de termijn van de beantwoording van de minister zal worden overgenomen door mevrouw Paulusma, vanwege verplichtingen van ondergetekende elders in het gebouw der Kamer. Ik schors tot 16.30 uur, voor de beantwoording van de zijde van de minister.
De vergadering wordt van 16.01 uur tot 16.29 uur geschorst.
Voorzitter: Paulusma
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen. Ik heet de leden van de Kamer welkom en ik heet de minister in vak K van harte welkom. Wij zijn toegekomen aan zijn eerste termijn, dus ik geef hiertoe de minister graag het woord. Ga uw gang.
Termijn antwoord
Minister Van den Brink:
Voorzitter, dank u wel. Opnieuw ook dank aan de Kamer, die mij in de gelegenheid stelt om vandaag alweer hier te mogen komen om opnieuw een wet te bespreken. Dat doe ik soms in de Tweede Kamer en soms in de Eerste Kamer; eigenlijk is het elke week bal. Dat is op zich iets heel goeds, want dat onderstreept denk ik ook de noodzaak die we met z'n allen voelen om meer grip op migratie te krijgen. Dat gaat via heel veel routes; vandaag ben ik hier vanwege het debat over vreemdelingenbewaring. Dank dus voor al uw inbreng.
We spreken vandaag over het wetstraject dat ervoor moet gaan zorgen dat er een Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring komt. Zoals u weet, is dat een wetstraject dat al een enorm lange periode loopt. Ik denk niet dat er iemand in deze Kamer zat — ik keek naar mevrouw Westerveld, maar zelfs zij niet — die er al zat toen dit traject begon. Tussendoor waren er nog wel een paar aanpassingen nodig, waar we straks op komen: een novelle en daarna nog een wijziging op de novelle om hem helemaal up-to-date te maken. Daarnaast heb ik nadat de Asielnoodmaatregelenwet sneuvelde, bedacht om een aantal elementen daaruit hieraan toe te voegen.
Het is goed dat we hier vandaag over spreken. Wat is nou echt de essentie van deze wet? Dat is de noodzaak voor een eigen, passend juridisch kader voor de vreemdelingenbewaring. Dat is noodzakelijk omdat we zo de vreemdelingenbewaring kunnen voorzien van een eigen, passend juridisch kader, dat we tot nu toe niet hebben. De vreemdelingenbewaring is nu namelijk nog op grond van de Penitentiaire beginselenwet, die gaat over mensen die afgestraft worden via het strafrecht. Vreemdelingenbewaring is echt een bestuursrechtelijke maatregel en geen straf. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in verband daarmee eerder al eens geoordeeld dat het regime in de vreemdelingenbewaring niet te veel mag lijken op het regime in de strafrechtelijke detentie. We komen daar straks bij de verschillende voorstellen van uw Kamer ook nog over te spreken, denk ik. De toepassing van die Penitentiaire beginselenwet past daarom dus niet. Om de vreemdelingenbewaring te kunnen behouden als maatregel in het kader van het terugkeerbeleid is een afzonderlijk passende regeling nodig. We kunnen daar eigenlijk geen dag mee wachten, omdat we deze regeling en wet al heel vaak in het vooruitzicht hebben gesteld bij rechters en bij procedures. De noodzaak is dus groot. Treffen we de regeling niet, dan is er dus een groot risico dat het oordeel zou kunnen volgen dat onze huidige praktijk van de vreemdelingenbewaring niet gehandhaafd kan worden, en dat zou grote gevolgen kunnen hebben voor het terugkeerproces. Dit is dus opnieuw een wet met een grote urgentie en een grote noodzaak.
Daarnaast kunnen we met de invoer van deze wet en de voorgestelde aanpassingen ook het terugkeerproces aanzienlijk verbeteren en versnellen. Dat kan onder meer door een verlenging van de ophoudtermijn, zodat er meer tijd is om een vreemdeling te horen en te bepalen of er grond is voor de inbewaringstelling, en door de mogelijkheid om de vreemdeling te verplichten om mee te werken aan terugkeer, in belangrijke mate te verruimen. Ik heb daar vandaag weinig vragen over gehoord, en daarmee onderstreept u denk ik hoe belangrijk dat is. Om een belangrijk element te noemen: wij hebben om vreemdelingen terug te kunnen sturen een laissez-passer nodig van het land dat ze dient te ontvangen. We hebben in het verleden natuurlijk heel vaak problemen gehad doordat vreemdelingen weigerden om zich te presenteren bij een ambassadeur. Deze wet biedt de mogelijkheid om zelfs met de sterke arm daar iemand naartoe te brengen om een laissez-passer te kunnen afhalen en de terugkeer te realiseren. Het is hartstikke goed dat we dat hiermee realiseren. Als mensen niet meewerken, kunnen ze daarvoor strafbaar worden gesteld.
Nou wilde ik gewoon maar ingaan op alle vragen. De voorzitter — dat is de voorzitter in functie, dus ook deze voorzitter — heeft mij het volgende gevraagd. Deze wet staat op de rol voor de hele middag. In de avond hebben we weer een ander debat. Om dat te bespoedigen, dacht ik dit. Ik begin met het juridisch kader, blokje één, daarna ga ik naar het regime — dat gaat over lockdown en uitzonderlijke omstandigheden — en vervolgens ga ik naar de ongewenstverklaring. Dan heb ik bijna alle vragen beantwoord die juridisch van aard zijn. Als tussenmomentje wilde ik de amendementen doen om daarna af te sluiten met nog heel veel vragen over terugkeer en overig. Dan doen we alles in de volgorde der belangrijkheid en mogelijk helpt dat ook om het debat op tijd af te ronden.
De voorzitter:
Dat wordt zeer gewaardeerd door de voorzitter en ik denk ook door de collega's. Ik stel voor dat we vragen doen na elk blokje. Als de minister aangeeft wanneer hij klaar is met een blokje en wil beginnen met een volgend, dan zal ik kijken naar de leden in de Kamer.
Minister Van den Brink:
Mooi. Het eerste blokje is vrij overzichtelijk. Er zijn een aantal vragen gesteld over het juridisch kader.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas. Het helpt als ik de microfoon aanzet.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Zeker helpt dat. Meer vrouwen naar technische opleidingen, zou ik zeggen.
De voorzitter:
Nou, gewoon een beetje opletten helpt soms ook.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het is ook zelfspot, hoor. Het zou mij ook kunnen overkomen.
De voorzitter:
Ga uw gang, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik snap dat, omwille van de tijd. Het is wel zo dat we per keer drie interrupties doen. Als ik een interruptie doe, dus drie, en er daarna een ander komt, ook drie, dan mag ik er ook weer drie doen. Zo werkt dat normaal. Maar als je dan de laatste vragensteller in een blokje bent, dan heb je eigenlijk maar drie interrupties, want dan komt er niemand meer tussendoor. Daar worstel ik een beetje mee. Ik zou liever voorstellen: laten we interrumperen wanneer er iets aan de orde komt wat een vraag oproept, maar wel proberen om de interrupties echt kort te houden. Ik weet: dat is voor mij ook lastig. Maar ...
De voorzitter:
Dat klopt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
... daar ga ik echt mijn best voor doen.
De voorzitter:
Dat is heel goed. Ik stel het niet zozeer voor omwille van de tijd, maar ook omdat de minister soms nog niet is toegekomen aan de beantwoording van een vraag en daar dan al wel een interruptie over is. Ik probeer dus ook een beetje het debat gaande te houden. Als de interrupties kort zijn en u kunt zich daar allen in beheersen en excelleren, dan wil ik ook de andere vorm voorstellen, namelijk dat mensen naar voren kunnen komen indien ze vragen hebben. Maar laten we de minister vooral ook eerst even wat meters laten maken in de eerste beantwoording. Gaat uw gang.
Minister Van den Brink:
Die eerste beantwoording is eigenlijk heel kort. Ik denk dus dat ik die gelijk samen met de beantwoording over het regime doe, want anders is die denk ik een beetje overbodig.
De heer Ceder van de ChristenUnie vroeg of het juridisch kader niet in onderdelen had moeten worden behandeld. De Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring ziet op drie onderwerpen: het terugkeerproces, de vreemdelingenbewaring zelf en de verruiming van de ongewenstverklaring, die ik eraan toegevoegd heb. Die eerste twee onderwerpen zijn nauw met elkaar verbonden, want vreemdelingenbewaring is een maatregel die, als een uiterst middel, ingezet kan worden in het kader van het terugkeerproces. Gelet op die nauwe band is het dus essentieel om de onderwerpen in goede samenhang te regelen. Dit is de reden geweest dat ze allebei in dit wetsvoorstel zitten. De verruiming van de ongewenstverklaring is aan het wetsvoorstel toegevoegd, vanwege het sneuvelen van deze wet in de Eerste Kamer. Ik moet daar wel de opmerking bij maken dat die, zoals je bij de eerdere behandeling zag, eigenlijk al een ruime meerderheid had verkregen. Het leek mij daarom wel passend om die hierin gelijk weer aan uw Kamer voor te leggen.
Mevrouw Westerveld vroeg of het doel nog steeds overeind staat. We hebben allemaal novelles en nota's van wijziging gehad. Ik snap dat die best moeilijk te lezen waren. Voor mij is het ook een nieuwe wet, dus ik denk dat ik dezelfde struggle heb gehad als u. Het doel staat nog steeds. Het doel is een eigen passend juridisch kader voor vreemdelingenbewaring vanuit het bestuursrechtelijke kader, weg uit het strafrechtelijke kader, en het verbeteren van het strafrechtproces.
De heer Van Dijk en anderen vroegen waarom het een jaar duurt en of dit niet ook in de uitvoering had gekund. Dit zijn met name grote veranderingen in de uitvoering. DJI moet zich daar ook op voorbereiden en mensen opleiden, want het is echt een soort nieuwe tak van sport in hun werk. Dat vraagt om aanpassingen die tijd nodig hebben. Ze zullen niet langer de tijd nemen dan strikt noodzakelijk. Als het korter kan, dan zullen we daar gebruik van maken.
De kernvraag achter deze hele wet is, denk ik, wat nou het verschil is tussen wat we doen bij de vreemdelingenbewaring en bij het reguliere gevangeniswezen. In het reguliere gevangeniswezen gaat het om strafdetentie: iemand moet een straf uitzitten vanwege het plegen van een strafbaar feit. Vreemdelingenbewaring is geen straf, maar een bestuurlijke maatregel die erop gericht is dat een vreemdeling die hier niet mag blijven, terugkeert. Het dient dus echt een heel ander doel. Bij vreemdelingenbewaring is er een verblijfsregime en een beheersregime. De vreemdeling kan daarnaartoe worden overgeplaatst als hij met zijn gedrag de orde en de veiligheid binnen het verblijfsregime te zeer verstoort. Het doel is daarmee om een gedragsverandering te bewerkstelligen. Zodra het gedrag verbetert, gaat de vreemdeling terug naar het verblijfsregime.
Zowel in het verblijfsregime als in het beheersregime geldt als uitgangspunt dat de vreemdeling zo veel mogelijk bewegingsvrijheid heeft. Verschillenden van u hebben daar ook al over gesproken. Het woord "vrijheid" is natuurlijk op geen enkele manier vergelijkbaar met het woord "vrijheid" dat wij gebruiken als we op straat lopen, want het gaat over een afdeling in een instelling. Iedereen die daar weleens een bezoek aan heeft gebracht, ziet hoe klein die verschillen zijn. Het is namelijk gewoon een instelling. Op een andere plek zit de p.i. en op deze plek zit de vreemdelingenbewaring. Daar zijn 24 verblijfsruimtes; op andere plekken noemen ze dat een cel. Alleen is de hele omgeving die daar voor de vreemdeling wordt gecreëerd dus wel gebaseerd op vrijheid, omdat het een bestuursrechtelijke maatregel is. Concreet betekent dat dus dat hij vrij mag bewegen op die afdeling. Als u daar weleens bent geweest, weet u dat daar 24 verblijfsruimtes zijn, waarvan je ook de deur dicht kan doen. We gaan daar zo meteen nog over spreken. In het verblijfsregime kan de vreemdeling gedurende maximaal twaalf uur per dag in die ruimte worden ingesloten. In het beheersregime is dat maximaal zeventien uur per dag. Dan zie je hoeveel tijd je ongeveer nog overhoudt op een dag om vrij te bewegen en dat dan ook nog op een afdeling waar je niet af kan. Het enige wat je daar ziet is ongeveer hetzelfde type verblijfsruimtes. Hoewel het dus niet helemaal te vergelijken is omdat er in het strafrechtelijke detentieregime wordt gewerkt met wekelijkse uren, kan ik wel zeggen dat als je het omrekent een gedetineerde gemiddeld achttien uur per etmaal ingesloten zou kunnen worden op zijn cel. Dat is dus vergelijkbaar met de twaalf uur in het verblijfsregime of de zeventien uur in het beheersregime.
Dan komen we bij alle vragen die zijn gesteld over de lockdown en alles wat daarbij komt kijken. Een algehele lockdown is mogelijk voor ernstige orde- en veiligheidsproblemen. Daar hebben meerdere mensen vragen over gesteld.
Mevrouw Westerveld begon heel concreet over de locaties en vroeg of het ook op andere locaties kan. De locaties die u noemde zijn het DCR, Schiphol en Zeist. Daarop is het van toepassing, omdat dat de aangewezen locaties zijn waar we nu vreemdelingen in bewaring stellen. U noemde ook Zeist: kan de minister ingaan op de gevolgen van een lockdown voor deze groep? Die lockdown is een algemene bepaling die niet langer dan strikt noodzakelijk mag duren. Dat kan dus op alle verblijven worden toegepast. Alleen, de situatie is natuurlijk niet vergelijkbaar met die van Rotterdam en Schiphol, want in Zeist is het een familievriendelijke omgeving, waar alleen wel een hek omheen staat. Dat zijn natuurlijk van die kleine huisjes waar je met een gezin verblijft. Kinderen kunnen daar naar buiten. Daar gelden dan weer niet al die beperkingen die we hier bespreken met het insluiten. Daartussen zit dus echt een fors verschil.
Onder welke omstandigheden kan zo'n lockdown worden ingesteld, hebben meerdere mensen gevraagd. Is dat limitatief en hoe vaak vindt dat plaats, werd gevraagd. Op dit moment worden ook lockdowns geaccommodeerd binnen de kaders van de Penitentiaire beginselenwet. In de geest van die wet is ook naar dit kader gekeken. Er vindt geen centrale registratie plaats van de inzet van lockdowns. De lockdown kan bijvoorbeeld plaatsvinden bij een grote brand, bij een vermoeden van de aanwezigheid van een wapen in de instelling of bij onrust. Er wordt niet zonder reden toe overgegaan en de lockdown is altijd zo kort als mogelijk. Zo worden er bij groepsonrust zo snel mogelijk de onrustmakers gescheiden, zodat de overige populatie weer vrijelijk kan bewegen. Ik kan wel meegeven dat dit gaat om enkele malen per jaar. Zo zijn er in de zomer- en najaarsperiode van 2024 drie periodes geweest waarin op een of twee afdelingen van het detentiecentrum in Rotterdam het dagprogramma tijdelijk is ingeperkt. Deze maatregelen deden zich met name voor op de beheersafdeling. Dit betrof geen volledige lockdowns, van de gehele inrichting, maar gerichte beperkingen van het dagprogramma, voor zover dat operationeel en vanuit veiligheidsoptiek noodzakelijk werd geacht. In het najaar van 2025 is er op een reguliere afdeling op een tweetal momenten kortdurend sprake geweest van een ingeperkt dagprogramma. Ook hier is geen sprake geweest van een volledige lockdown van de inrichting, maar van een tijdelijke aanpassing van het dagprogramma. Daarin zie je dat het echt om een uitzonderlijke maatregel zou gaan.
Dan heeft de Raad van State er natuurlijk ook verschillende uitspraken over gedaan. Verschillende partijen hebben daar ook vragen over gesteld. Bij die veiligheidsproblemen en incidenten in de inrichting of op een afdeling, zoals het vinden van een wapen of in het geval van ernstige groepsagressie richting het personeel, kan de directeur een gedeeltelijke of hele lockdown afkondigen. In de praktijk zal het vaak waarschijnlijk alleen gaan om die ene afdeling, waar zij met een groep zitten. Dit kan alleen als het strikt noodzakelijk is voor het herstellen van de orde en veiligheid en individuele ordemaatregelen of disciplinaire maatregelen niet meer werken, want dat is het begin. Je begint met persoonlijke, disciplinaire maatregelen, maar als het om een groep gaat, kan je de lockdown gebruiken. Die moet wel op de minst ingrijpende manier worden uitgevoerd. Dat betekent dat deze stopt of wordt afgebouwd wanneer de situatie dat toelaat. Als de situatie dus binnen een uur is opgelost, kan de lockdown ook binnen een uur worden opgelost. Als het langer duurt, mag die lockdown ook langer worden gebruikt. We hebben daar dus, naar aanleiding van de Raad van State, een aanpassing op gedaan en de periode uiteindelijk teruggebracht tot vier weken. Er is alleen nu niet zomaar gezegd dat dit op die manier gaat gelden. Omdat de directeur het alleen in uitzonderlijke situaties zal gebruiken, zal het, voor de hele werking van de inrichting en voor de sfeer in de inrichting, van zo kort mogelijke duur zijn. Je gaat dan namelijk weer terug naar het originele regime.
De personeelstekorten die werden genoemd, kunnen geen reden zijn om die lockdown af te kondigen. Die lockdown wordt gebruikt bij een acute en ernstige verstoring en alleen vanwege orde en veiligheid. Wel kan het zo zijn dat bij een acute griepgolf, die op andere plekken werd genoemd, een dagprogramma niet volledig kan worden uitgevoerd en er soms op andere manieren met knip- en plakwerk programma's aan elkaar geknipt en geplakt moeten worden. Dat kan dus niet onder de titel van de lockdown. Er zal dan altijd eerst naar passende compenserende maatregelen moeten worden gekeken. Die lockdown is dus ook geen strafmaatregel, maar is enkel bedoeld om de orde en de veiligheid in de instelling te herstellen. Op die manier is de lockdown ook niet op personen gericht, maar op het geheel van een afdeling of op de hele instelling.
Er zijn vragen gesteld over wie er toezicht op houdt. Mevrouw Westerveld vroeg daarnaar en vroeg of daar kan worden ingegrepen. Het toezicht op de tenuitvoerlegging van die vreemdelingenbewaring, waaronder de toepassing van de lockdown, is belegd bij de commissie van toezicht. Vreemdelingen kunnen daar hun beklag doen over een disciplinaire maatregel en ook over een lockdown. Tegen die uitspraak van de commissie staat vervolgens de mogelijkheid tot beroep open bij de door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming ingestelde beroepskamer. De vreemdeling kan tijdens de behandeling van de klacht door de commissie vragen aan de beroepskamer om de tenuitvoerlegging van de beslissing geheel of gedeeltelijk te schorsen. Zij kunnen bindende uitspraken doen.
Voordat ik tot mijn afronding kom: er zijn nog meer vragen gesteld over de lockdown. De heer Van Asten vroeg of ik een overzicht zou kunnen geven van lockdownmaatregelen. Er is dus geen centrale registratieplaats. Ik heb u net een paar voorbeelden gegeven uit 2024 en 2025, maar er zouden nog meerdere voorbeelden kunnen zijn, die ik niet nu even op mijn netvlies heb gekregen. Ik ben wel voornemens om daar een meldplicht aan te gaan koppelen. Ik kom daar straks op in mijn reactie op de amendementen, want volgens mij zit dit in een van de amendementen. Dat lijkt mij een passende toevoeging om de proportionaliteit daarin te borgen. Maar dat is uiteindelijk een afweging van de directeur, want die maakt de afweging. Ik snap wel dat er een melding van gemaakt zou moeten kunnen worden.
Ik denk dat ik hiermee de lockdown heb gedaan. Dan kom ik daarmee bij de uitzonderlijke situaties.
De voorzitter:
Maar dan ga ik eerst de heer Ceulemans het woord geven voor het stellen van een vraag. Gaat uw gang.
De heer Ceulemans (JA21):
Misschien komt de minister er nog op, want hij had het net al even over een personeelstekort, dat geen grond mag zijn om een lockdown af te kondigen. Ik heb de vraag ook in bredere zin gesteld: wat kunnen de gevolgen van een personeelstekort zijn voor bijvoorbeeld dagbesteding et cetera? Komt de minister daar nog op? Dan ik wacht namelijk even.
Minister Van den Brink:
Ja, ik kom daar straks bij de uitvoering nog op.
De heer Ceulemans (JA21):
Oké, dan wacht ik daarop.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Van den Brink:
Dan de uitzonderlijke situaties.
De voorzitter:
Een klein moment. Mevrouw Westerveld nog.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De minister refereerde net even kort aan de Raad van State, die heel kritisch is en zegt: maak nou niet de maximumtermijn een maand, maar verander die naar enkele dagen. De vraag die ik in de eerste termijn heb gesteld, is waarom daar niet naar geluisterd is. Dit is immers een vrij fundamenteel punt.
Minister Van den Brink:
Een veiligheidssituatie in zichzelf laat zich qua duur moeilijk inschatten. Er worden inschattingen gemaakt dat het soms in een groepssetting langer kan duren, maar het maximum is geen minimum. Het is geen maximumtermijn die op die manier naar believen kan worden ingezet. Deze moet proportioneel en gemotiveerd zijn. Ik ga straks in mijn reactie op het amendement van de heer Van Baarle aangeven dat dit dan ook gepaard gaat met een meldplicht. Daarmee zijn we aan de ene kant tegemoetgekomen aan de kritiek dat de termijn, die zes weken was, te lang was. We hebben het verkort naar vier weken. We vinden dat we op die manier tegemoet zijn gekomen aan de kritiek, maar dat we wel de ruimte bieden aan de directeur om zo'n maatregel te kunnen treffen. Maar zoals ik zei: een maximum is geen minimum.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Als de Raad van State zegt "wij denken eerder aan enkele dagen" en de minister vervolgens zegt "wij hebben er vier weken van gemaakt", dan vind ik dat je niet helemaal tegemoetgekomen bent aan de kritiek. De Raad van State zegt erbij: je kan individuele maatregelen treffen. Omdat de minister in zijn beantwoording een aantal keer benadrukt dat het niet gaat over een hele instelling, maar dat het soms gaat over het gedrag van een enkeling, vraag ik me af: waarom ziet de minister niets in een verkorting? Er kunnen bovendien individuele maatregelen, dus tegen de overlastgevers, getroffen worden. Waarom is dat volgens hem geen goed alternatief?
Minister Van den Brink:
Dat is het begin. Daarom staat het ook helemaal aan het eind. In de ideale situatie is het uitgangspunt dat iemand in de instelling verblijft onder het ruime verblijfsregime. Als dat allemaal goed gaat, is er eigenlijk niks aan de hand. Dat is vaak ook de grootste groep in zo'n instelling. Daarna krijg je het beheersregime voor mensen die zich niet gedragen. Daarbovenop kunnen nog extra maatregelen getroffen worden als mensen geweld gaan gebruiken. Daarbovenop kunnen mensen ingesloten worden. Er zijn dus al allerlei dingen in te zetten, die bij elkaar optellen. Maar daarbovenop komt dan het echte risico, het gevaar. Dat draait om de veiligheid. Dat is een groepsgevaar dat op de hele afdeling of de hele locatie van toepassing is. De voorbeelden zijn zo uitzonderlijk dat dat dus ook de uitzondering zal blijven. Daarom hebben we met de uitvoering gezocht naar de meest passende vorm. Daarbij zijn we uiteindelijk op deze vier weken uitgekomen, na ook de Raad van State gehoord te hebben.
De voorzitter:
Kort en afrondend, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De minister zei ook: personeelstekorten mogen nooit een reden zijn. Het Meldpunt Vreemdelingendetentie geeft aan — dat schreven ze ook al in een brief van een aantal jaar geleden over de novelle — dat er, met name in vakantieperiodes, lockdowns hebben plaatsgevonden. Ik snap dat het zo in de wet staat. De bedoeling van een wet kan nooit zijn dat personeelstekort een reden is voor een lockdown, maar de praktijk kan natuurlijk anders uitwijzen. Hoe voorkomt de minister dat in de praktijk personeelstekort wel een reden kan zijn voor een lockdown?
Minister Van den Brink:
Daar ziet dat toezicht ook op. Er is een toezichtinstrumentarium dat hierop toeziet. Wij normeren ook via wat we hier bespreken en vastleggen. Daar houdt de uitvoering zich ook aan. In die zin heb ik er gewoon vertrouwen in dat het in de uitvoering op die manier zal worden toegepast.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, ik heb gezegd: kort en afrondend, en in drieën. Ik wil dus eigenlijk de heer Van Baarle het woord geven.
De heer Van Baarle (DENK):
Excuses aan de collega's en de minister dat ik een gedeelte van dit debat gemist heb. Ik ben op en neer aan het lopen. Ik ga straks ook weer naar een ander debat. Kon ik mezelf soms maar klonen.
Wat er in de wet wordt gezet, is nogal wat. De mogelijkheid wordt erin gezet dat je vier weken lang bepaalde rechten van vreemdelingen in bewaring buiten werking kan stellen c.q. kan verminderen. Dat is een hele zware bevoegdheid. Waarom is het noodzakelijk om de bevoegdheid om dat vier weken te doen, in de wet te zetten? Als er veiligheidsissues zijn en het noodzakelijk is om vier weken een lockdown af te kondigen, dan is er volgens mij iets mis in het systeem. Dan is er gewoon iets mis in het systeem.
Minister Van den Brink:
Ik haak gelijk op het laatste aan. De directeur probeert het ordesysteem en de veiligheid weer te herstellen. Daar probeert een directeur handen en voeten aan te geven. Dat gaat natuurlijk altijd in fases. Stel dat er een onveilige situatie is. Dan is het gerechtvaardigd om die lockdown in te stellen. Vanuit die lockdown wordt het in stappen weer naar normaal gebracht. Alleen, er was misschien toch weer een moment dat het even misging. Dan ga je weer een stap terug. In de voorbeelden die ik net noemde, is dat ook gebeurd. Misschien klinkt het een beetje raar, maar er zit ook een pedagogische kant aan dit werk. Mensen die normaal doen, krijgen namelijk ruimte en mensen die abnormaal doen en geweld gebruiken, krijgen minder ruimte. Zo werkt het natuurlijk ook in dit systeem. Bij het afbouwen van zo'n lockdown werkt het ook zo dat dit soms gefaseerd kan gaan. Dan heb je het niet over vijf dagen; dan kan dat dus ook in een periode van uiterlijk vier weken zijn. De bedoeling daarvan is niet dat men vier weken niks meer mag. Nee, de bedoeling is om de hele veiligheidssituatie weer terug te brengen naar normaal.
De heer Van Baarle (DENK):
De minister heeft het over "zij die zich gedragen" en "zij die zich niet gedragen". Daar hebben we maatregelen voor, maar zo'n lockdown is generiek. Dat is een beperking voor iedereen. Daarom is het ook zo'n grote stap om de mogelijkheid in de wet op te nemen dat die vier weken is. Zo'n afbouw kun je ook realiseren door middel van een bepaling zoals in mijn amendement. Als je de termijn bijvoorbeeld verkort en op vijf dagen zet, kun je die daarna met vijf dagen verlengen, met een afbouw, maar dan moet de proportionaliteit wel elke keer weer worden aangetoond.
De voorzitter:
Uw vraag, meneer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
Mijn zorg is: als je per definitie de mogelijkheid van vier weken inbrengt, heb je die tussentijdse proportionaliteitstoetsen niet. Dan doe je dus heel makkelijk af aan de rechten van vreemdelingen. Mijn vraag aan de minister is: waarom wordt niet voor die veiligere weg gekozen?
Minister Van den Brink:
Omdat we hiermee volgens mij de professionaliteit en de verantwoordelijkheid van de directeur de ruimte geven om in fases af te bouwen. Ik geloof er volop in dat hij dat ook op deze manier wil bereiken, want uiteindelijk wil ook hij weer terug naar normaal. Er is geen directeur van zo'n inrichting die het een fijne uitkomst vindt dat hij die maatregel moet treffen, maar hij moet wel de ruimte krijgen om dit gefaseerd terug te brengen naar de normale situatie. Zo hebben we het ook met de uitvoering besproken. Wij vinden deze periode daarvoor passend.
De voorzitter:
Meneer Van Baarle, we hebben afgesproken om interrupties maximaal 30 seconden te laten duren. U moet een beetje oefenen in het bondiger worden.
De heer Van Baarle (DENK):
Ja. Ik kom ook weer zo'n debat ingevlogen. Weet je, …
De voorzitter:
Dit gaat af van de tijd!
De heer Van Baarle (DENK):
Ik maak me zo niet populair, voorzitter. De incidenten die zich in het verleden in de vreemdelingendetentie hebben voorgedaan, laten volgens mij zien dat er vertrouwen is in de uitvoering, maar ook dat het niet overal goed gaat. Daarom moeten we waarborgen hebben. Mijn zorg is dat je te weinig waarborgen hebt als je de vierwekeneis erin brengt en daardoor in de praktijk juist een situatie kan creëren waarin het mis kan gaan. Ik vraag aan de minister hoe hij dat gaat voorkomen. Ik zie te weinig waarborgen om dat dan in de praktijk tegen te gaan.
Minister Van den Brink:
Maar daarin kom ik u wel tegemoet en wel in die zin dat we de waarborg hebben van de meldplicht. Volgens mij staat dat in uw amendement. Dat ga ik straks oordeel Kamer geven, ongeacht of u dan wel of niet in de zaal bent, om zo te borgen dat wij zicht houden op de situaties waarin zich dat voordoet. Rekent u maar dat dit ertoe leidt dat de inspectie en ik zicht houden op hoe dat verloopt. Dat kan ik u dus toezeggen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording.
Minister Van den Brink:
Ja. Ik ga in op de uitzonderlijke situaties. Daar zijn ook veel vragen over gesteld. De uitzonderlijke situatie komt eigenlijk voort uit wat we bij corona hebben gezien. We zagen dat zich in zo'n instelling een situatie kan voordoen waarin zaken gewoon niet hanteerbaar zijn. Ik noem bijvoorbeeld het houden van anderhalve meter afstand. Dat was zo'n moment in die tijd. Er zijn ook allerlei andere zaken die in zo'n omgeving moeilijk te realiseren zijn. Dat is dus de achtergrond, maar er zijn nog wel veel vragen over.
Mevrouw Straatman vraagt of onder "uitzonderlijke situaties" ook de situatie valt waarin een uitzonderlijk groot aantal vreemdelingen in vreemdelingendetentie moet terugkeren. Van de bevoegdheid om af te wijken kan gebruik worden gemaakt indien zich uitzonderlijke situaties of omstandigheden voordoen, zoals een pandemie of een grote schade aan een ruimte binnen de inrichting door brand of storm. Dat maakt het onmogelijk om het dagprogramma uit te voeren. Ik zie dit niet als het meest … Dat zou immers betekenen dat we heel veel vreemdelingen in die instelling hebben. Ik verwacht dus niet dat dat gelijk de situatie zal zijn.
Waarom wordt de bepaling zo ruim geformuleerd? Ook dat is door mensen gevraagd. Dat is omdat dit uitzonderlijk is; die geldt dus in uitzonderlijke omstandigheden. Daarmee wordt ook verankerd dat dit niet een besluit is van de directeur zelf — daar hadden we het net over toen we over de lockdown spraken. Nee, dit is een situatie waarin van een soort overmacht sprake is. Dan moet het dus bij ministeriële regeling en dus is het een besluit dat ik dien te nemen nadat ik die situatie van overmacht heb moeten vaststellen. Op die manier zal het, denk ik, ook echt een uitzondering zijn. We kennen in die zin alleen nog maar de coronasituatie als een voorbeeld hiervan.
"Hoe wordt dat weer opgepakt, als ze daarna weer teruggaan?", vraagt mevrouw Westerveld. Zodra die uitzonderlijke omstandigheden niet meer aanwezig zijn, wordt die ministeriële regeling ingetrokken. Vanaf dat moment is er dus ook weer een dagprogramma dat kan worden hervat. Dus zolang die ministeriële regeling ervoor in de plaats staat, niet. Dan kunnen er uitzonderingen gemaakt worden. Maar als ik die regeling weer intrek, dan zal er gelijk weer gestart worden met het dagprogramma.
Er zijn nog een heel aantal vragen gesteld. "Is er al eerder van gebruikgemaakt?", heeft mevrouw Straatman nog gevraagd. Er is nog geen gebruik gemaakt van deze bepaling in de bevoegdheid van de penitentiaire maatregel. Dus in die zin is dit in de afgelopen vier jaar niet aan de orde gekomen.
Zij heeft ook nog gevraagd waarom er bij een pandemie een verschil is in het aantal uren luchten bij het verblijf in zo'n beheersregime. Het verschil met de reguliere situatie wordt gewoon verklaard doordat er ook zo'n verschil is in de huidige situatie. Dus eigenlijk is dat gewoon een-op-een doorgevoerd in de pandemiesituatie. Daarbij is er niet nog een extra afweging gemaakt voor waarom we dat zo zouden doen.
Ik kom nu bij een aantal praktische vragen die nog over het regime gaan.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik had inderdaad een vraag gesteld over hoe je die uitzonderlijke omstandigheden moet interpreteren en of dat uitzonderlijk grote aantal vreemdelingen die binnenkomen en ook weer weg moeten, daaronder valt. De achtergrond van die vraag is dat artikel 18 van de Terugkeerrichtlijn een grondslag bevat voor zo'n noodsituatieachtergrond, ook op het moment dat het personeel onverwacht zwaar wordt belast vanwege zo'n grote instroom. Mijn vraag is: kunnen we dat via die uitzonderlijke grond meenemen, of hebben we er elders in de Vreemdelingenwet of in deze wet rekening mee gehouden dat we zo'n noodsituatie hebben? Als we een richtlijnbepaling zouden hebben die ons wat meer flexibiliteit geeft, zou het namelijk zonde zijn als we daar geen gebruik van maakten.
Minister Van den Brink:
U geeft mij nu college over de Terugkeerrichtlijn zoals we die nu hebben?
Mevrouw Straatman (CDA):
Zeker; artikel 18 van de huidige Terugkeerrichtlijn.
Minister Van den Brink:
Nou, dan ga ik daar toch in tweede termijn op terugkomen, want nu ben ik gewoon even outclassed — zo heet dat in mijn woorden.
De voorzitter:
Gaat u verder met de beantwoording.
Minister Van den Brink:
Mevrouw Van der Plas vroeg naar zaken die in dit regime wel of niet van toepassing zijn, waaronder het door haar zo genoemde "zakgeld". Een vreemdeling in vreemdelingenbewaring is niet in staat om in zijn eigen onderhoud te voorzien. Hij maakt nergens aanspraak op, krijgt geen uitkering. Hij kan ook niet deelnemen aan arbeid zoals we die wel kennen in andere bewaringssituaties, omdat dit iemand is die geen legaal verblijf meer heeft als hij werkt aan zijn terugkeer of terug moet keren. En dus is de arbeid ook niet gericht op een terugkeer van de vreemdeling naar een situatie zoals we die kennen in andere bewaringssystemen, zoals resocialisatie. Nou ja, het zakgeld dat wordt verstrekt is €22,50 per week. Ik denk dat u wel goed kan inschatten wat daar ongeveer van gekocht wordt. Ik weet niet of de volgorde die ik nu ga opnoemen ook de volgorde is waaraan het opgaat: boodschappen, beltegoed en rookwaar. Maar het zou ook weleens de volgorde andersom kunnen zijn.
Mevrouw Westerveld vroeg mij naar de toepassing in Veldzicht, dus hoe het daar in de uitvoering verloopt. Ik heb u daar onlangs over geïnformeerd. Wij hebben de Kamer toegezegd om Veldzicht weer meer ter beschikking te stellen van de echte tbs-opgave die er ligt, met alle problemen die er natuurlijk ook zijn en het tekort aan plekken gekoppeld aan de ggz-zorg. Dat geldt ook voor dit type zorg. Ik ben daarover in heel nauw overleg geweest. We zijn in de uitvoering nu bezig met dat af te bouwen, ook omdat we zien dat we op andere manieren een beter zorgaanbod weten te leveren, waardoor we met minder plekken uit kunnen. Maar we blijven in gesprek met zorgaanbieders om de landelijke rol van Veldzicht over te nemen als het gaat om die zorg voor personen met een hoog beveiligingsniveau. Ook wordt er gekeken naar de verbetering van de door- en uitstroom van de COA-doelgroep uit Veldzicht, want in Veldzicht zitten natuurlijk meerdere doelgroepen. Als dat gerealiseerd kan worden, leidt dat ook tot meer ruimte binnen Veldzicht voor de reguliere tbs.
De voorzitter:
Ik hoorde een punt. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Boodschappen en rookwaren? Ze krijgen al kleding, schoeisel en eten. Waarom moeten ze geld krijgen voor sigaretten, bijvoorbeeld?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat dit gewoon gebruikelijk is voor mensen die in bewaring worden gesteld. Of dat nu in deze instelling is of in een andere. We kennen natuurlijk ook de penitentiaire instellingen, waar mensen met arbeid iets kunnen verdienen. We kennen ook mensen die onder verblijf van het COA zijn. Daar werken we met leefgeld en eetgeld. In die zin is het allemaal in lijn hiermee, omdat je iets van verstrekkingen geeft aan mensen die in zo'n situatie zitten.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dit zijn mensen die niet meewerken aan hun terugkeer en alles traineren. Ze krijgen eten, ze krijgen zorg, ze krijgen kleding en ze krijgen schoeisel. Dan gaat de Nederlandse belastingbetaler dus betalen voor hun sigaretten. Sorry, ik snap het niet helemaal. Ik rook zelf ook, maar ik werk er hard voor. Ik begrijp dat niet. Waarom moet dat? Het is een luxeproduct. Dat hoeft toch helemaal niet?
Minister Van den Brink:
Ik schrijf zeker niet voor om rookwaar te gaan kopen. Volgens mij is het verstrekken van geld een manier om tegemoet te komen aan mensen die niet in staat zijn op welke andere manier dan ook iets van geld te verdienen, omdat ze ingesloten zitten en niet mogen werken. Ik heb niet het idee dat dit iets anders dan dat doel dient.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vroeg ook nog of dit dan een Europese wettelijke verplichting is of dat wij dit zelf hebben verzonnen. Volgens mij is het heel simpel. Je moet tegen die mensen zeggen: als u gewoon meewerkt aan uw terugkeer en naar uw eigen land gaat, kunt u lekker gaan werken en kunt u lekker gaan roken. Van uw eigen geld.
Minister Van den Brink:
Die aanmoediging om mee te werken aan de terugkeer mag wat mij betreft elke dag gedaan worden. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar op deze manier stellen we mensen die op geen enkele andere manier iets van een verdienste kunnen hebben, in staat om in de situatie waarin ze zitten nog wel iets zelf te kunnen aanschaffen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording. De vraag buiten de microfoon is of dit het einde van het blokje is.
Minister Van den Brink:
Nee, de vraag is of het wettelijk is. Het is uiteindelijk een wet die wij hier in Nederland op deze manier maken. Ik weet niet of er een internationale wet is die hiertoe verplicht. Ik denk dat het onze eigen invulling is.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik wil graag even weer teruggaan naar het begin. Meerdere collega's hebben gerefereerd aan Aleksandr Dolmatov en aan het idee van deze wet, namelijk dat het een bestuursrechtelijk regime wordt. De minister is daar in zijn antwoorden op ingegaan, maar mijn vraag aan hem was: kan hij schetsen wat deze wet verandert voor iemand die nu in vreemdelingenbewaring zit en wat nou de concrete veranderingen zijn vanuit de persoon zelf onder het nieuwe bestuursrechtelijke regime?
Minister Van den Brink:
Laat ik het zo zeggen: er wordt op dit moment al zo veel mogelijk via een verblijfsregime en een beheersregime gewerkt. Het is dus sowieso al anders. Alleen legt deze wet het helemaal vast. Daarop gaat de uitvoering zich dan ook voorbereiden. In de huidige situatie zou het kunnen voorkomen dat mensen eerder zitten ingesloten, of voor meerdere uren. Voor die afweging is nu in ieder geval juridisch gezien meer ruimte. Met deze wet leggen we dat denk ik met name heel erg vast. Daarnaast geven we mensen meer ruimte met recreatieve voorzieningen en dagbesteding op de locatie, om daar in vrijheid activiteiten te kunnen verrichten. Ik denk dat daar het grootste verschil in zit.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Eigenlijk hoor ik de minister zeggen dat mensen nu meer vrijheden, meer recreatiemogelijkheden en meer dagbesteding hebben dan zo'n dertien jaar geleden. Toen vond de Tweede Kamer met elkaar dat dat echt verbeterd moest worden, naar aanleiding van een heel kritisch rapport van zowel de Rekenkamer als de inspectie.
Minister Van den Brink:
Ik ken niet de exacte situatie van toen, maar we weten in ieder geval dat we het toen helemaal via de Penitentiaire beginselenwet deden. Dat was waarschijnlijk met de destijds geldende uren en regimes. Hier is in de afgelopen jaren gewerkt aan een verblijfs- en beheersregime. In dat verblijfsregime zit meer vrijheid. Ik vind het woord "vrijheid" echter niet het meest passend, omdat het echt om een gesloten setting gaat waarin je geen kant op kan. Het is gericht op terugkeer. Daarmee is het wel bestuursrechtelijk. Het heeft dus niet afstraffen ten doel. Ik denk dat dat het belangrijkste is, juridisch maar ook in de wijze waarop we het invullen. Het heeft dus niet als doel om mensen af te straffen voor iets wat ze gedaan hebben. Het heeft als doel om mensen beschikbaar te houden voor de terugkeer en alles wat daarvoor nodig is. Ik denk dat dat het meest wezenlijke onderscheid is dat we hiermee realiseren en dat we nu ook juridisch realiseren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ging terug naar mijn stoel, maar het zit me toch helemaal niet lekker. Ik denk aan opa en oma van 80 in het verzorgingstehuis die niet eens een sigaretje op hun balkon of in hun eigen kamer mogen roken. We hebben hier mensen die gewoon keer op keer op keer hun terugkeer traineren en die worden beloond met allerlei dingen. Dan heb ik het niet over de basisvoorzieningen. Zij krijgen €22,50 per week. Nu blijkt dat zij daar sigaretten van kopen.
De voorzitter:
Uw vraag, mevrouw Van der Plas?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, mijn vraag is: vindt de minister dit zelf normaal? Ik hoor in zijn beantwoording dat wij dit gewoon zelf hebben verzonnen. Dat is toch niet normaal?
Minister Van den Brink:
U probeert volgens mij uit te drukken dat u het normaal vindt dat mensen teruggaan, en dat deel ik. Ik vind het ook normaal dat mensen zelfstandig verantwoordelijk zijn als ze het besluit krijgen om terug te keren naar hun land. In de praktijk zijn er echter mensen die daar niet aan meewerken. Daarvoor hebben wij de hier voorliggende wet, maar ook de praktijk dat we mensen in vreemdelingenbewaring zetten en dat zij daar niet meer uit mogen. Je hebt voor de rest geen enkele vrijheid, behalve op de plek zijn waar je zit, totdat wij in staat zijn om jou wel terug te sturen. Om daar een invulling aan te geven, is er dus ruimte om mensen met zakgeld hun eigen rookwaar te laten kopen. Dat is eigenlijk gewoon de praktijk.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ze krijgen geld van de overheid, dat opgebracht wordt door werkende mensen in Nederland, handje contantje, in hun hand, om sigaretten te kunnen kopen. Ik vind het dus niet normaal dat oude mensen in verzorgingstehuizen niet meer mogen roken. Die mogen niet eens meer op hun eigen kamer een sigaretje roken. Ik vind de tegenstelling zo bizar. Deze mensen werken tegen en doen er alles aan om te traineren. Zij krijgen als cadeautje €22,50 per week en de overheid zegt: gaat u maar lekker sigaretjes kopen. Dat is toch bizar? Dan kan de minister zeggen: u wil graag dat ze terugkeren. Ja, dat wil ik sowieso. Maar ik wil ook dat dit stopt. De basisvoorzieningen zijn er al. Ze hoeven geen geld van ons te krijgen om luxeproducten, zoals sigaretten, te kopen.
Minister Van den Brink:
Waarvan akte. Daarop kunt u uw voorstel indienen. Ik heb uitgelegd wat daar de standaardsituatie is. Deze mensen kunnen niet werken, hebben geen uitkering en kunnen niet op een andere manier voorzien in eigen middelen voor aankopen voor hun levensbehoeftes. Dit is de wijze waarop wij daar invulling aan geven.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ze kunnen wél werken: in hun eigen land. Daar kunnen ze geld verdienen en dan kunnen ze zo veel sigaretten kopen als ze willen. Dat ze niet kunnen werken is toch geen reden? Dat kunnen ze wél: als ze teruggaan naar hun eigen land. Om hoeveel mensen gaat het hier eigenlijk, met die €22,50? En ik vraag de minister ook wat ze daarvoor kopen.
Minister Van den Brink:
Volgens mij, zo zeg ik uit mijn hoofd, hebben we een aantal honderden plekken voor vreemdelingendetentie in dit land.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording. Ik wil voorstellen om de minister weer een aantal meters te geven om verder te komen in zijn beantwoording. Gaat uw gang.
Minister Van den Brink:
Door verschillende partijen zijn er vragen gesteld over de personele gevolgen van de invoering van de wet. Onder andere de heer Van Dijk vroeg daarnaar. Andere partijen vroegen ook naar DJI en de wijze waarop zij hier invulling aan kunnen geven. Wij hebben daar met DJI en andere ketenpartners ook in de uitvoeringstoetsen uitvoerig bij stilgestaan. Dit is in die zin natuurlijk een nieuwe opdracht. Bij de inwerkingtreding van de wet moeten ze de hiervoor benodigde personele inzet realiseren. Dat is de reden waarom ze om die periode van een jaar hebben gevraagd om het in te voeren. Die periode hebben ze gekregen.
We hebben het exacte aantal extra personele inzet in fte's nu niet beschikbaar, maar ze gaan natuurlijk starten met mensen werven om zo deze fte's in te vullen. Daarbij geldt dat verschillende onderdelen van het wetsvoorstel de uitvoering helpen. Naar aanleiding van dit wetsvoorstel kan een vreemdeling bijvoorbeeld negen uur in plaats van zes uur worden opgehouden, waardoor ketenpartners meer tijd hebben om bewaringsmaatregelen zorgvuldig voor te bereiden. Daardoor bestaat er ook minder kans dat er een uitspraak volgt waardoor de bewaringsmaatregel moet worden opgeheven. Op die manier wordt de uitvoering dus ook geholpen.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Kan de minister dan garanderen dat het feit dat vreemdelingen zich straks minimaal twaalf uur vrij mogen bewegen in bewaring niet gaat leiden tot het sluiten van cellen omdat er niet genoeg personeel is? Kan de minister dat garanderen?
Minister Van den Brink:
De algemene vraag is wat er gebeurt als er een personeelstekort is. Of bedoelt u iets anders?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dit gaat echt om wat DJI heeft gezegd. U gaf net zelf ook aan dat ze zich vrijer mogen bewegen en dat er meer mogelijkheden zijn voor recreatie en zo. Ik heb gelezen dat het feit dat de uitsluitingsuren worden verruimd ertoe kan leiden dat 40% van de capaciteit van de bewaring niet gebruikt kan worden, maar ik hoor het natuurlijk graag als ik het mis heb.
Minister Van den Brink:
Er ligt dus wel een personele opgave bij DJI. Ze gaan daarop werven. We gaan er met hen natuurlijk zo hard mogelijk aan werken om dat te realiseren. Zo'n afdeling kan je ook alleen runnen als je voldoende personeel hebt. In die zin gaan we er met DJI voor zorgen dat we die mensen werven, want dan kunnen we die vreemdelingen op die afdelingen in bewaring stellen.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik heb nog één vraag. Het lijkt me toch ook dat de personeelscapaciteit geen probleem meer is als je de vreemdelingen wat langer op hun cel laat? Daarmee kan je toch ook borgen dat je voldoende capaciteit hebt?
Minister Van den Brink:
Ja, daarom werken we ook gefaseerd aan de invoering. De gefaseerdheid in het aantal personeelsleden dat bij DJI geworven wordt, wordt ook gebruikt om het aantal plekken uit te breiden.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik denk dat dit het geschikte moment is voor het volgende. Los van de vraag of je het wel of niet gefaseerd invoert, kunnen er op een locatie natuurlijk altijd personeelstekorten ontstaan, bijvoorbeeld door ziekte, waardoor eigenlijk niet meer voldaan kan worden aan alle rechten die zijn toegekend wat betreft allerlei daginvullingen, bezoekrechten et cetera. Mijn zorg zit 'm erin dat nu heel expliciet staat vastgelegd dat personeelstekort geen aanleiding mag zijn voor het gebruikmaken van de afwijkingsbevoegdheid. Ik wil de vraag eigenlijk andersom stellen aan de minister. Op het moment dat er geen personeel is om die rechten te kunnen waarborgen en in de wet vastgelegd staat dat je dan dus geen aanspraak kan maken op de afwijkingsbevoegdheid, wat is dan het praktische gevolg op zo'n locatie?
Minister Van den Brink:
Daar zit natuurlijk nog wel een gebied tussen. De afwijkingsmogelijkheid gaat echt om het helemaal terzijde schuiven van de maatregelen uit deze wet. Tegelijkertijd heb je te maken met de vraag of je die dag voldoende personeel hebt. Dat is een kwestie van inplannen. Als er zich in de praktijk een situatie voordoet waarin er niet voldoende personeel is om de activiteiten te kunnen doen, dan zullen ze daar gewoon op de locatie zelf invulling aan geven. Dat zou kunnen betekenen dat die activiteit op dat moment even niet doorgaat. De uitzonderingsmogelijkheid gaat natuurlijk om een structurele maatregel waarbij alles terzijde wordt geschoven.
De heer Ceulemans (JA21):
Dat is dan verhelderend. Als het gaat om het structureel terzijde schuiven van bepaalde rechten, begrijp ik wat de minister zegt. Oké, dat is dan bij dezen opgehelderd. Dat er onder deze wet en onder die opmerking over dat personeelstekort geen reden mag zijn om gebruik te maken van die afwijkingsbevoegdheid, belet het personeel dus niet om te zeggen: "We hebben te veel zieken vandaag. We kunnen dit niet op een ordentelijke manier vormgeven, dus het sporten gaat vandaag niet door." Dat blijft gewoon mogelijk.
Minister Van den Brink:
Laat ik zeggen dat dat niet een doel is, maar gezond verstand wordt in iedere uitvoeringsorganisatie gebruikt om verstandige dingen te doen. Als er dus op een dag opeens allemaal zieken zijn, zal de veiligheid in zo'n instelling altijd voorgaan. Op die manier worden er dan afwegingen gemaakt.
De heer Ceulemans (JA21):
Tot slot. Het riep deze vraag bij mij op, omdat ik vind dat het onduidelijk in de wet is weergegeven. Dat roept deze vraag op. Het zorgt er ook voor dat er straks, als het zwart-op-wit in de wet staat en die wet wordt aangenomen, met die wet in de hand tegen een locatie gezegd kan worden: je hebt het bezoekersuurtje of een bepaalde daginvulling geschrapt, terwijl in de wet staat dat het personeelstekort daar geen reden voor mag zijn. Ik zou het beter vinden als explicieter in de wet wordt opgenomen dat deze mogelijkheid wel op incidentele basis blijft bestaan. Ik overweeg dus een amendement om dat te verhelderen.
Minister Van den Brink:
Dan maak je er weer de norm van. Ik probeer vooral een praktisch antwoord te geven over hoe dat in de uitvoeringspraktijk werkt. Als je de praktische oplossing die ik hier net uitlegde tot wet gaat verheffen, heb je weer een andere discussie. Dan creëer je namelijk weer een uitzondering op de uitzondering. Dat zou ik niet verstandig vinden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Mijn vraag gaat eigenlijk verder op de vraag die de heer Ceulemans stelde over het personeelstekort. De minister zei namelijk: we gaan op zoek om nog meer mensen bij DJI te werven. Dat proberen we natuurlijk al langere tijd. We weten dat de situatie, bijvoorbeeld in Alphen aan den Rijn, zo is dat we ondanks code zwart in het gevangeniswezen gewoon cellen leeg hebben staan, omdat het personeel er niet is. In aanvulling op de vraag die de heer Ceulemans stelde, heb ik dus de volgende vraag. We zien nu bijvoorbeeld in Alphen aan den Rijn dat een deel van het dagprogramma wordt vervangen door tablets op cel of allerlei andere creatieve oplossingen. Biedt deze wet die ruimte ook, of zetten we ons helemaal vast met rechten die je precies op die manier moet uitoefenen?
Minister Van den Brink:
Volgens mij biedt deze wet een kader waarmee we duidelijk maken dat het hier om een heel andere situatie gaat dan in die penitentiaire inrichtingen. Je biedt die ruimte dus in een bestuursrechtelijk kader. Laat ik zeggen: we zullen vast niet aan alle toepassingen die we nu of in de komende tijd misschien als mogelijkheden zien een creatievere invulling geven dan we nu in deze wet hebben gevat. Maar het lijkt mij dat die wet het ook niet onmogelijk maakt.
De voorzitter:
Wilt u iets bondiger zijn in uw vraag, mevrouw Straatman?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik zal een poging doen, voorzitter. Heel kort. Ziet de minister nog ruimte om het in de wet nog meer te verduidelijken? Dan krijgen we namelijk niet op een later moment alsnog de discussie of de wet wel voldoende flexibiliteit bood.
Minister Van den Brink:
Dat zou ik nog even moeten … Laat ik zeggen: ik heb zeker niet de indruk dat we daar nu tegenaan gaan lopen. We hebben deze wet namelijk samen met de uitvoering opgesteld. Ik heb nu dus geen aanleiding om te denken dat we daar op die manier tegenaan gaan lopen.
De voorzitter:
Kunt u aangeven hoever u bent?
Minister Van den Brink:
Ja. Ik ben eigenlijk een heel eind met wat ik heb toegelicht over het regime, over de lockdown en over de uitzonderlijke situatie. Ik kom straks nog bij de amendementen over de uren en de wijze waarop we dat nu hebben vormgegeven.
Ik wilde overgaan naar de ongewenstverklaring, omdat dat ook een vrij juridisch vraagstuk is. We hebben eerder natuurlijk al een uitvoerig debat hierover gevoerd. De ongewenstverklaring was een onderdeel van het vorige kabinet. Nee, dat moet ik goed zeggen. In de Asielnoodmaatregelenwet van het vorige kabinet is de ongewenstverklaring al opgenomen. Dat was noodzakelijk, precies zoals mevrouw Straatman uitlegde, om tegemoet te komen aan een soort juridische onmogelijkheid die was gecreëerd, omdat we dachten dat met een vroeger inreisverbod dat was gecreëerd, we daarmee ook de ongewenstverklaring bij elkaar hadden gebracht. Dat bleek niet zo te zijn, dus dat werd al bij de Asielnoodmaatregelenwet opgelost. Daar was in het vorige debat over de Asielnoodmaatregelenwet niet heel veel discussie over. De Asielnoodmaatregelenwet sneuvelde en toen heb ik gezocht naar de snelste mogelijkheid om dat te herstellen. Daarom ligt die hier vandaag voor. Het levert vandaag meer vragen op dan in het debat over de Asielnoodmaatregelenwet. Dat is op zich ook interessant om vast te stellen.
De heer Ceder vroeg mij: hoe ziet de minister de uitvoering van de ongewenstverklaring? Uit de uitvoeringstoets blijkt dat er rekening mee is gehouden dat de verruiming van de ongewenstverklaring leidt tot circa 800 tot 1.200 zaken extra per jaar. Dat is voor de uitvoeringsorganisaties behapbaar. Wel zijn er randvoorwaarden zoals voldoende personele en financiële capaciteit en een tijdige aanpassing van de IV-systemen, omdat hiervan echt wel iets wordt gevergd voor het vastleggen van de ongewenstverklaring. Als mensen op een later moment namelijk toch weer Nederland in zouden willen reizen, dan moet dat kunnen worden geregistreerd.
Het gaat dus om een ingroeimodel. In de eerste periode zal de implementatie dan ook om een beperkt aantal zaken gaan. De IND kan de ongewenstverklaring opleggen, maar zit daarbij zelf ook aan de knoppen om dat op een goede manier in te regelen. Pas daarna komen veroordelingen en vrijheidsstraffen in beeld als mensen de ongewenstverklaring niet zouden naleven. Ik ben daarbij in gesprek met de uitvoeringsorganisaties, en dus ook met de DJI, en dat zal ik ook blijven doen. Als de strafrechter van het Openbaar Ministerie een vrijheidsstraf oplegt, zal de Dienst Justitiële Inrichtingen die uitvoeren. Net als bij andere vrijheidsstraffen zal dan rekening moeten worden gehouden met het aantal plaatsen. De lagere regelgeving is al voorbereid en zal als de wet is aangenomen ook in werking treden.
Mevrouw Westerveld en ook de heer Ceder vroegen of mensen in een situatie kunnen belanden waarin zij ongewenst verklaard zijn maar niet terug kunnen keren omdat ze in dat land vervolgd worden. Artikel 3 van het EVRM werd genoemd. Als er voor mensen een risico blijkt op het punt van artikel 3 van het EVRM zit dat natuurlijk al vervat in hun asielvergunning. De aanvraag van dit soort mensen begint daar vaak mee. Als artikel 3 van het EVRM zou blijken, zou dat een grond kunnen zijn voor een asielvergunning. Dan heb je sowieso geen ongewenstverklaring. Als er echter door een vreemdeling strafbare feiten zijn gepleegd die zo erg zijn dat een asielvergunning wordt geweigerd of ingetrokken, kan de vreemdeling ook ongewenst worden verklaard. Net zoals er voorheen een zwaar inreisverbod werd uitgevaardigd voor die mensen, zouden we dat nu met een ongewenstverklaring kunnen doen voor een grotere groep mensen.
Als de vreemdeling een artikel 3 EVRM-beletsel heeft, kan deze nog steeds niet worden uitgezet. Als er dan geen ander land is waar die vreemdeling naartoe kan, is de strafrechtelijke vervolging niet aan de orde. Dan heb je dus wel de ongewenstverklaring opgelegd, maar kan de vreemdeling daar niet strafrechtelijk op vervolgd worden. Er is dan sprake van overmacht. Dat geldt ook al bij het zware inreisverbod. Er ligt dan wel een duidelijk signaal naar de vreemdeling dat vanwege zijn eerdere strafrechtelijke gedrag, zijn toekomst niet in Nederland ligt; de ongewenstverklaring is opgelegd. Het kan natuurlijk zijn dat de situatie zodanig verandert dat in de toekomst de vreemdeling wel terug kan keren naar het land waar hij naartoe zou moeten, of dat er een ander land is waar hij alsnog veilig naartoe kan worden gebracht. De heer Ceulemans en zijn partij hebben dan weer ideeën over hoe je daarmee om zou kunnen gaan.
De heer Van Baarle vroeg of het niet disproportioneel is. Nee, dat zijn wij niet van mening. Het is een noodzakelijke maatregel om mensen die strafbare feiten hebben gepleegd ongewenst te kunnen verklaren. Als je daar geen gehoor aan geeft, kan daar een straf op volgen via het strafrecht. Wij vinden dat proportioneel.
Mevrouw Westerveld vroeg of het bij de ongewenstverklaring alleen gaat over mensen die geen verblijfsrecht hebben in Nederland, of ook over andere groepen. Het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland is een voorwaarde voor het kunnen opleggen van een ongewenstverklaring. Dat moet dus wel zo zijn.
Waarom is het inreisverbod dan niet voldoende, vraagt mevrouw Westerveld. Tijdens de implementatie van de Terugkeerrichtlijn in 2011 is de ongewenstverklaring voor wat betreft de derdelanders opgegaan in het Europees inreisverbod door aan het inreisverbod onder omstandigheden de nationale strafbaarstelling uit het Wetboek van Strafrecht te koppelen. Dit werd het "zware inreisverbod" genoemd, opgenomen in artikel 66a. Dit gebeurde in de veronderstelling dat het Europese inreisverbod een vergelijkbare reikwijdte zou hebben als de ongewenstverklaring. De uitleg van het Unierecht bleek echter beperkender dan van tevoren ingeschat. Een gevolg was dat veel minder vaak een zwaar inreisverbod kon worden opgelegd, waardoor de nationale competentie van strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf van criminele vreemdelingen ook werd beperkt. Dit wetsvoorstel streeft er in essentie naar om dat weer te herstellen en de mogelijkheid om ongewenst te verklaren terug te brengen naar de situatie van voor 2011. Het heeft lang geduurd om iets te herstellen wat al in 2011 niet meer op orde was.
Is er een verschil tussen die twee en drie jaar, vraagt mevrouw Westerveld. We verlagen de drempel en we verhogen de straf. Het gaat om categorieën van misdrijven. Tussen die categorieën is geen wezenlijk, fundamenteel verschil. Ik wijs er wel op dat het feit dat een ongewenstverklaring opgelegd kan worden als er een misdrijf is gepleegd waarvoor twee jaar gevangenisstraf kán worden opgelegd, niet automatisch betekent dat dit ook gebeurt. De ongewenstverklaring blijft nog steeds een maatregel die een individuele veroordeling vergt. Het gaat om het strafbesluit. Het gaat er niet zozeer om of die straf is opgelegd, maar om of het een misdrijf is waarvoor in het Wetboek van Strafrecht twee jaar staat. Dat is de achtergrond hiervan.
Mevrouw Westerveld vroeg ook nog welke gevolgen een ongewenstverklaring heeft voor lopende of toekomstige procedures, ook in het geval van mensen die zonder verblijfsvergunning zijn en buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. Als een vreemdeling tot ongewenste vreemdeling is verklaard, volgt uit de wet als hoofdregel dat hij geen rechtmatig verblijf heeft. We regelen in de wet expliciet dat als een vreemdeling asiel aanvraagt, hij die procedure mag afwachten. Als een vergunning wordt verleend, dan wordt de ongewenstverklaring alsnog opgeheven. Bij reguliere aanvragen zullen de strafbare feiten die een rol speelden bij de ongewenstverklaring ook in de weg staan aan de vergunning. Dat geldt ook voor vreemdelingen die een buitenschuldvergunning kunnen aanvragen omdat ze niet kunnen vertrekken. De ongewenstverklaring betekent niet dat een vreemdeling geen aanvraag meer kan indienen. Als het oordeel van de IND toch is dat een vergunning moet worden verleend, dan wordt die ongewenstverklaring dus opgeheven. Dat op uw vragen over de ongewenstverklaring.
U vroeg ook naar dakloosheid en onderduiken. De ongewenstverklaring vindt plaats op het moment dat de vreemdeling al onrechtmatig in Nederland is. Er is dan een vergunning geweigerd of ingetrokken. We hebben natuurlijk dan ook al uitgesproken dat die moet vertrekken. Dan heeft die ook geen recht meer om hier te verblijven en dan heeft die dus ook geen Basisregistratie Personen meer. De vreemdeling wordt dus niet dakloos doordat een ongewenstverklaring wordt opgelegd, want hij was al onrechtmatig in Nederland. We zetten er natuurlijk volop op in om die mensen te laten terugkeren.
Ik denk dat ik daarmee in ieder geval de vragen van mevrouw Westerveld over de ongewenstverklaring grotendeels heb beantwoord.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
In mijn vraag zat niet de veronderstelling dat iemand dakloos wordt doordat die persoon een ongewenstverklaring krijgt. Wat ik wel scherp probeer te krijgen, is wat we soms ook lezen als verzachtende omstandigheden. Het kan gebeuren dat iemand hier jarenlang zelf wordt uitgebuit, geen papieren heeft en dus in principe hier niet zou mogen zijn, maar dat er allerlei redenen zijn waardoor je kan aannemen waarom die persoon in de positie is waardoor die bepaalde zaken doet. Mijn vraag was eigenlijk of dat nog een rol kan spelen in het besluit of iemand wel of niet een ongewenstverklaring krijgt.
Minister Van den Brink:
Nee. Voor de ongewenstverklaring zelf geldt het aantal delicten dat iemand heeft gepleegd dat een strafbesluit van twee jaar kent. Er zijn natuurlijk situaties waarin mensen — ik denk dat u daar meer op doelt — uitgebuit worden. Dat kan mensenhandel zijn of anderszins. Daar kennen we natuurlijk de 8a-procedure voor. Dan proberen we mensen in die zin uit die situatie te halen. Dan krijgen ze een soort vergunning voor de duur van het onderzoek naar de wijze waarop ze uitgebuit zijn. Ik kan niet zo goed een situatie bedenken waarin iemand die uitgebuit wordt ook een misdrijf pleegt waarvan we zouden zeggen: dat is begrijpelijk. Die combinatie zie ik dus niet zozeer. Voor mensen die uit mensenhandelsituaties komen, zijn dus aparte procedures om ze te beschermen. Ze worden daarin overigens ook beschermd tegen het feit dat ze hier illegaal verblijven. Dat kan dan niet tegengeworpen worden. Dus in die zin is er wel ook een bescherming voor die mensen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik stelde mijn vraag omdat de minister een aantal keer zei: het is natuurlijk wel een individueel besluit. Dan is mijn vraag of dat dan over het type delict gaat dat iemand pleegt, of dat meespeelt, of dat het ook de andere omstandigheden zijn die meespelen.
Minister Van den Brink:
De IND kan dat dus doen aan de hand van het feit dat iemand onrechtmatig in Nederland is en er een bewezen feit is, een misdrijf en een opgelegde straf, uit een periode daarvoor. Dat kan dus worden gebruikt om daarmee te zeggen: nu bent u ook ongewenst en moet u Nederland verlaten. Dat moest hij overigens al, maar dan ook met een ongewenstverklaring. Als je dan alsnog Nederland weer betreedt met die ongewenstverklaring, dan kan je daar een straf voor krijgen en daarmee kom je dan in het strafrechtelijk verblijf van een penitentiaire inrichting.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Aan het begin ging de minister ook in op de 3 EVRM-procedure, voor mensen die in het land waar ze vandaan komen vervolgd worden of gefolterd worden, mishandeld worden, mensen die aantoonbaar niet terug kunnen. Het kan natuurlijk zijn dat iemand hier de procedure ingaat en dat er — soms zijn ze maanden hier — intussen wat gebeurt waardoor die persoon veroordeeld zou kunnen worden, een straf opgelegd kan krijgen.
De voorzitter:
Uw vraag, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag aan de minister is of hij nog een keer kan bevestigen dat deze personen, die als ze terug worden gestuurd vervolgd worden in hun land, niet teruggestuurd worden.
Minister Van den Brink:
Ja, klopt. Als uit de 3 EVRM-toets blijkt dat iemand in het land waarnaar hij teruggestuurd wordt vervolgd wordt, gefolterd wordt — dat is dan de term die daarvoor wordt gebruikt — vervalt elke ruimte om iemand uit te zetten, ook als die ongewenst verklaard is. Maar die ongewenstverklaring blijft wel staan naar de toekomst toe. De situatie in een land kan in de toekomst veranderen, doordat het regime van het land of de omstandigheden in het land veranderen. Daardoor zou hij dan wel weer kunnen worden uitgeplaatst. Als er op het moment van de beoordeling echter sprake is van 3 EVRM, kan er geen sprake zijn van uitzetting.
Even kijken waar ik was.
De voorzitter:
Bij de amendementen.
Minister Van den Brink:
Bijna. De heer Van Dijk heeft mij nog gevraagd naar ongewenstverklaring in relatie tot antisemitisme of anderszins haatdragende sprekers. De vraag was of dat hierop van toepassing is. Uit artikel 67 volgen de mogelijkheden voor ongewenstverklaring. Daarbij gaat het om de vraag of de vreemdeling is veroordeeld voor een delict met een strafbedreiging van ten minste twee jaar, of dat de openbare orde in Nederland wordt bedreigd door de komst van zo'n vreemdeling. Dat kan onder omstandigheden zijn door het gedachtengoed dat iemand in Nederland wil verspreiden, maar dat zal wel steeds een individuele beoordeling moeten zijn en geen automatisme kunnen zijn. Het zal ook de toets van de rechter moeten kunnen doorstaan. We hebben daar natuurlijk onlangs weer een voorbeeld van gehad, waarover uitvoerig is gedebatteerd. Daarover zal u nader worden geïnformeerd als daar nieuwe informatie over ter beschikking komt. Daarmee heb ik denk ik ook de vraag van de heer Ceulemans over de strafbedreiging van drie naar twee jaar beantwoord.
De heer Dassen vroeg nog of er een vicieuze cirkel is. Die zien wij niet; wij zien dit echt als een uitspraak, een ongewenstverklaring met als doel om de vreemdeling te bewegen naar zijn land terug te gaan. Als hij daar geen gehoor aan geeft en toch blijft of terugkomt, geeft dit een extra strafmogelijkheid.
De voorzitter:
Was u aan het einde van dit blokje gekomen?
Minister Van den Brink:
Ik zit nog even te kijken naar de heer Ceulemans vanwege zijn vraag. Bij het amendement-Rajkowski/Van Zanten is de termijn van drie jaar verlaagd naar twee jaar. Dat heb ik overgenomen in mijn voorstel. Ik heb ook overgenomen dat het een strafoplegging van een jaar krijgt. Die beide zaken zijn hieraan gekoppeld als je hier dan toch weer verschijnt. Ik kijk even welke vervolgvraag u daar dan nog op zou kunnen hebben.
De voorzitter:
Dat wordt een raadspelletje. Misschien kan ik gewoon de heer Ceulemans het woord geven. Ga uw gang.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik zal hem stellen. Inderdaad ...
De voorzitter:
En kort, alstublieft.
De heer Ceulemans (JA21):
Wat zegt u?
De voorzitter:
En kort, alstublieft.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik ga dat hartstikke kort doen. Dat is inderdaad van drie naar twee jaar gegaan, zodat er in potentie dus een grotere groep onder valt. Mijn vraag is waar die twee jaar vandaan komt en of wij als land nog lager dan die twee jaar zouden kunnen gaan zitten, zodat een nog grotere groep onder die bepaling gaat vallen waarmee het mogelijk wordt gemaakt om iemand ongewenst te verklaren.
Minister Van den Brink:
Daar heb ik nu niet gelijk een antwoord op, of daar beperkingen in zouden zijn. Er is natuurlijk wel een veel groter aantal feiten dat hieronder valt. Omdat het om de strafbedreiging gaat en niet om de opgelegde straf, gaat het ook om vernieling, om maar iets te noemen, want daar kan een strafbedreiging van twee jaar op volgen. In die zin denk ik dat je er inmiddels wel echt heel veel onder kan brengen.
De heer Ceulemans (JA21):
Er valt dus in ieder geval een stuk meer onder dan voorheen. Het punt is dat er ook uitgeprocedeerde asielzoekers zijn die voortdurend overlast veroorzaken, maar wel op zo'n manier dat ze niet onder die twee jaar strafbepaling vallen. Vandaar mijn vraag of het nog verder naar beneden kan, zodat een nog grotere groep overlastgevers hieronder kan vallen. Het is een kan-bepaling, dus je hoeft niet iedereen die dan onder die lagere grens valt een ongewenstverklaring te geven. Het zou handig zijn als de minister hierop in tweede termijn kan terugkomen.
Minister Van den Brink:
Zeker, dat ga ik doen.
Dan kom ik nu bij alle amendementen die zijn ingediend. Gaat u er even voor zitten, want dat is altijd ook een kwestie van de administratie bijhouden. Ik begin bij het amendement op stuk nr. 13. Is dat ook de administratie aan de kant van de voorzitter?
De voorzitter:
Ja, de voorzitter heeft de hele stapel ook. Ga uw gang.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 13, van de heren Van Dijk, Ellian, Boomsma en Ceder, gaat over het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen. Ik ben de heer Van Dijk zeer erkentelijk dat hij dit punt opnieuw heeft ingebracht nadat de Asielnoodmaatregelenwet niet doorging. We willen dit zo spoedig mogelijk oplossen en laten het oordeel over dit amendement dus aan de Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 13 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 16, van de heren Ceulemans en Boomsma, zegt dat de vreemdeling met een kansarme asielaanvraag standaard in het beheersregime moet worden geplaatst. Maar dat past niet bij het doel van het beheersregime. Als een vreemdeling met zijn gedrag de orde en veiligheid binnen het verblijfsregime te zeer verstoort, dan kan hij worden ondergebracht in het beheersregime, waar er minder vrijheid is en meer toezicht. Daar blijft de vreemdeling zolang het nodig is om tot een gedragsverandering te komen. Dat is het doel dat hier achterweg komt. Het gaat dus om het gedrag van de vreemdeling en niet om de vraag of hij een kansrijke asielaanvraag heeft of niet. Om die reden ontraad ik dit amendement.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 16 wordt ontraden. Eén vraag, meneer Ceulemans. Ga uw gang.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb inderdaad een korte vraag. Uit de asielaanvraag blijkt dat mensen zijn uitgeprocedeerd, dat ze weg moeten en dat ze daarom zitten waar ze zitten. Dat is mij duidelijk. Het gaat dan dus niet meer om het doorlopen van de procedure op dat moment. Het is natuurlijk wel zo dat dit een doelgroep betreft die gewoon over de hele linie veel meer overlast geeft en die eigenlijk al vanaf het begin af aan aantoont niet met welke vorm van vrijheid dan ook om te kunnen gaan. Ik denk dat we het als Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk moeten maken voor deze specifieke doelgroep om asiel aan te vragen in Nederland. Dit is een haakje in het wetsvoorstel om het voor die groep nog onaantrekkelijker te maken om asielaanvragen in Nederland in te dienen. Dat zit erachter.
Minister Van den Brink:
Ik snap de motivatie, alleen is het op deze manier niet vorm te geven binnen de bestuursrechtelijk-juridische context.
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 18, van de heer Ellian. Hij heeft een amendement ingediend om het gebruik van een eigen mobiele telefoon in de inrichting niet toe te staan. Ik vond het betoog van de heer Ellian eigenlijk sluitend, want een eigen telefoon zou risico's met zich mee kunnen brengen. Het blijft nog steeds mogelijk voor de vreemdeling om gebeld te worden en te kunnen bellen, maar wel in het zicht en niet met een eigen telefoon in zijn verblijfsruimte. Ik geef dit amendement dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 18 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De heer Ellian heeft het in zijn inbreng ook gehad over de voorwaarden waaronder de directeur een lockdown kan afkondigen. In de huidige wet is dit onder de titel "volstrekt noodzakelijk" opgeschreven. De heer Ellian heeft een amendement neergelegd en in zijn inbreng betoogd dat het passender zou zijn om dat in "strikt noodzakelijk" te veranderen. Dat zijn natuurlijk twee woorden die heel dicht bij elkaar lijken te liggen, maar ik vond dat de heer Ellian het in zijn inbreng goed onder woorden bracht. De bedoeling blijft in stand, namelijk dat de directeur een instrument heeft om bij een verstoring van de orde en de veiligheid in de inrichting die niet kan worden opgelost met individuele maatregelen, toch effectief te kunnen optreden. Bij "volstrekt" lijkt het alsof er bijna geen enkele mogelijkheid meer is om dat te kunnen doen, dus ik kan goed leven met de formulering "strikt noodzakelijk". Dus ook dit amendement geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 19 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De heer Ellian heeft al kennis van en ervaring met dit type voorzieningen — dat was in de vorige amendementen natuurlijk ook al merkbaar — want hij brengt een amendement in over het klachtrecht. Dat is in deze wet vormgegeven. Hij stelt voor om het klagen over de omstandigheden binnen de inrichting uit te sluiten. Daarmee wil hij de uitvoering een dienst bewijzen door het aantal klachten over situaties waar je eigenlijk helemaal geen invloed op hebt, niet onnodig te laten stijgen. De heer Ellian noemde het voorbeeld van een klacht over de kleur van een muur, al denk ik overigens niet dat dat het exact was. Dat zijn natuurlijk omstandigheden binnen een regime in een instelling waarop je geen invloed hebt. Ik kan dus goed volgen wat de heer Ellian hier heeft neergelegd. Ook hierover wil ik het oordeel aan uw Kamer laten.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 20 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Daarmee wil ik dus wel benadrukken dat het gewoon mogelijk blijft om klachten in te dienen over de maatregelen die je opgelegd krijgt, maar dat gaat over individuele maatregelen.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 20 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 21, van mevrouw Vondeling, over de strafbaarstelling van illegaal verblijf. Dat is een woord dat al heel vaak is gebruikt. Het is ook een amendement dat al heel vaak is ingediend en waar we al heel veel debatten over hebben gehad. Dat amendement ontraad ik.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 21 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 22, van de heren Ceulemans en Boomsma. Zij legden neer dat het een goed idee zou zijn om in een algemene maatregel van bestuur, dus onder deze wet, de mogelijkheid te creëren om elektronisch toezicht te creëren als vrijheidsbeperkende maatregel. Ik denk dat de heer Ceulemans en de heer Ellian ons allebei hielpen dat debat te voeren, want dat is dus niet in plaats van een bewaring maar gaat om een vrijheidsbeperkende maatregel. Op andere plekken in het vreemdelingenrecht is dat natuurlijk eigenlijk ook al aan de orde.
Ik kan dat wel heel goed volgen. Ik wil daar alleen wel een uitvoeringspunt bij maken, vooral omdat ik weet hoe de meesten — ik ben zelf ook Kamerlid geweest — op dit soort momenten denken: ik krijg oordeel Kamer, dus volgende week vraag ik aan de minister of hij het al geregeld heeft. Daar moet ik echt even eerlijk over zijn. Op dit moment hebben wij elektronisch toezicht natuurlijk op geen enkele manier in onze gereedschapskist zitten, niet in de uitvoering, in de bemensing of in hoe je dat toepast. Ik laat het hier in deze wet indalen. Ik zie ook de mogelijkheden die het biedt. Het is in lijn met Europees recht. Maar ik ga echt geen enkele toezegging doen over het moment waarop ik daar invulling aan kan geven.
De voorzitter:
De heer Ceulemans gaat dit bevestigen, beamen of weerspreken. Gaat uw gang.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik begrijp goed wat de minister zegt. Ik snap dat als dit amendement wordt aangenomen, mensen niet de dag daarop massaal een enkelband krijgen. Dat is inderdaad ook de insteek niet. De insteek is dat we een nieuwe mogelijkheid creëren om toezicht te houden op een groep waarop op dit moment geen toezicht is. Het kan maar vastgelegd zijn. Ik denk dat het een goede aanvulling is. Ik snap de uitleg die de minister daarbij geeft.
De voorzitter:
Met de net gegeven uitleg krijgt het amendement op stuk nr. 22 oordeel Kamer. Ik zou de minister willen vragen of hij wellicht iets bondiger kan appreciëren als amendementen oordeel Kamer krijgen.
Minister Van den Brink:
O ja, maar laat ik dan toch in herinnering roepen dat dat ook een keer gebeurde bij een amendement dat daarna verstrekkende gevolgen had. Ik heb mij dus inmiddels aangeleerd om …
De voorzitter:
Ik verwees niet naar een bepaald type amendement. Ik moedig de minister alleen aan om iets bondiger te zijn.
Minister Van den Brink:
Dat is dus precies de reden dat ik dat zal proberen te doen, maar toch nog een paar woorden zal gebruiken.
Het amendement op stuk nr. 23, van de heer Van Baarle, wil de lockdown beperken. Daarover heb ik net al uitvoerig gedebatteerd en gewisseld met hem. Dat amendement kan ik dus ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 23 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 24 heeft eigenlijk dezelfde strekking. Dat gaat namelijk over de voorwaarden waaronder de lockdown kan worden afgekondigd. Ook daar heb ik net met de heer Van Baarle over gedebatteerd. Ook dat moet ik ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 24 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 25, van de heer Van Baarle, vraagt om een meldplicht, richting mij, als minister, en de Inspectie Justitie en Veiligheid. Daarvan heb ik ook net aangegeven dat ik dat een goede borging vind. Om die reden geef ik het oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 25 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 26, van de heer Van Baarle, over de duur en de afwijkingsmogelijkheden inperken van twee maanden naar één maand. Dat wil ik ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 26 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
Ja.
Mevrouw Westerveld heeft met het amendement de lockdown op een week gezet. Dat wordt, eigenlijk ook met verwijzing naar het debat van net, ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 27 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
Dan heeft de heer Markuszower met zijn hele groep leden het amendement op stuk nr. 28 ingediend. Dat is een variant op de strafbaarstelling illegaal verblijf. Ook die ga ik ontraden, met verwijzing naar alle eerdere debatten.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 28 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
Dan heeft mevrouw Straatman het amendement op stuk nr. 29 ingediend. Ze zegt daarin dat de asielprocedure voor moet gaan. Dat is een belangrijk element in deze wet, maar het ziet nog niet op alle elementen van het verblijf, namelijk niet op het recht om bezoek te ontvangen. Zij zegt daarover dat zij de asielprocedure zo veel meer belangrijk vindt dan die enkele activiteit. Dat deel ik. Om die reden geef ik het oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 29 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 30, van de heer Ellian. Hij legt een nieuwe norm in de wet neer om de duur van het aantal uren dat men ingesloten zit in de verblijfsruimte op te hogen naar vijftien uur. Dit heeft mij wat huiswerk gegeven in de schorsing en in de voorbereiding. De kern van deze wet gaat namelijk over de bestuursrechtelijke invulling van het verblijf, versus de kritiek, die we op heel veel manieren hebben gekregen, op het strafrechtelijke regime. Op deze manier verhoogt u het aantal uren dat iemand zit ingesloten zodanig dat u dicht bij het beheersregime komt, namelijk vijftien uur ten opzichte van zeventien uur. Tegelijkertijd gaat het in het plusprogramma van de DJI, als het om strafrecht gaat, na enige rekensommen om ongeveer 15,5 uur. Het aantal uren raakt zo aan de kern van de afwegingen die hieronder zitten, dat ik dit wetsvoorstel niet kwetsbaarder wil maken dan nu al het geval is rondom bestuursrecht en strafrecht. Hoewel ik denk dat de heer Ellian hier echt een bijdrage probeert te leveren aan de uitvoering, namelijk door het aantal uren te verminderen waardoor de uitvoering daar misschien mee geholpen is, heb ik zeker met de uitvoering vastgesteld dat we dit niet moeten willen. Het is namelijk juridisch kwetsbaar. Daarvoor vind ik deze wet te belangrijk. Om die reden ontraad ik dit amendement.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 30 wordt ontraden. Dit geeft aanleiding tot één vraag. Meneer Ellian, gaat uw gang.
De heer Ellian (VVD):
Ik beluister bij de minister dat hij echt heeft willen nadenken over hoe hij dit amendement wil wegen. Dit is een teleurstellende conclusie. Ik denk even na wat ik ermee doe, omdat voor mij de essentie wel degelijk is dat ik vanuit de uitvoering heb meegekregen dat het zo ruim laten rondlopen van de vreemdeling — ik wilde gedetineerde zeggen, maar dat is niet helemaal de juiste terminologie — tot uitvoeringsproblemen leidt. Ik denk dat we daar een andere waardering op hebben. Ik denk dus even na wat ik ermee doe.
De voorzitter:
Houdt u het amendement daarmee aan, of blijft het in de lucht hangen?
De heer Ellian (VVD):
Voor nu staat het amendement. Ik kijk even of we iets anders kunnen bedenken, want ik geloof echt dat het wetsvoorstel de uitvoering in de problemen brengt.
De voorzitter:
Daarmee blijft de appreciatie van het amendement op stuk nr. 30: ontraden. Mevrouw Westerveld, één vraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Een algemener punt. Ik luister naar de appreciaties die de minister geeft op de verschillende amendementen. Ik verwijs even terug naar de doelstelling van en de aanleiding voor deze wet. Die was echt om een ander regime te realiseren. Als ik dan kijk naar wat er tussendoor is gebeurd met de novelle, maar ook met de eerste nota van wijziging, wijs ik erop dat er al wat aanscherpingen zijn geweest. Die zijn natuurlijk ook onderbouwd in de toelichting. En vandaag worden er verschillende amendementen ingediend — ik snap ook dat dit pas vandaag wordt gedaan, want we hadden een vrij korte voorbereidingstijd — die alles toch weer een stuk scherper maken. De twee amendementen van de heer Van Baarle en mij, die ook verwijzen naar kritiek van de Raad van State, die ons adviseert om juist dit aan te passen, worden echter ontraden. Dan wil ik de minister vragen of we op deze manier nog zijn beland, zijn gebleven bij de doelstelling van deze wet, waar de toenmalige staatssecretaris en de hele Kamer toen om vroegen.
Minister Van den Brink:
Ik snap de vraag heel goed. Ik heb ook precies met die ogen naar alle amendementen gekeken. Aan de ene kant wil ik het doel van de wet staande houden, om het een bestuursrechtelijk regime te laten zijn, ook in de toepassing, en tegelijkertijd wil ik de waarborgen daarin op een goede manier laten staan dan wel aanpassen met de amendementen die er liggen. Daarom is het eigenlijk wel mooi dat u precies uw vraag stelt nadat ik het amendement van de heer Ellian heb besproken. Hij gaat daarmee namelijk voor mijn gevoel te veel de andere kant op. Daarom ontraad ik dat amendement. Daarvoor kwamen amendementen aan de orde over de telefoon en over klachten. Eén. Een telefoon gaat gewoon om veiligheid in de instelling. Twee. Het klachtenrecht is echt heel helpend — dat heb ik ook bij de uitvoering gecheckt — in het licht van alles wat de uitvoering sowieso al op zich afkrijgt. Tegelijkertijd heb ik het amendement van de heer Van Baarle, met de waarborg, namelijk de meldplicht rondom de lockdown, wel weer aanvaard. Ik vind dat de balans daarmee nog steeds op orde is.
De voorzitter:
Vervolgt u met de appreciaties.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 32, van mevrouw Van der Plas, vraagt om een proeftijd bij een voorwaardelijke disciplinaire maatregel. Er wordt dus gevraagd om de vreemdeling een voorwaardelijke maatregel op te leggen met een proeftijd die gedurende de volledige periode in vreemdelingenbewaring voortduurt. Dat hoort niet in deze bestuursrechtelijke invulling van de vreemdelingenbewaring. Om die reden ontraad ik dit amendement.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 32 wordt ontraden.
Minister Van den Brink:
Daarnaast heeft mevrouw Van der Plas het amendement op stuk nr. 33 ingediend. Daarin wordt voorgesteld om bij vaststelling van de criteria voor plaatsing in het beheersregime in ieder geval ook het criterium "veiligheid van het personeel en de andere vreemdelingen" te hanteren. Toen ik mevrouw Van der Plas beluisterde, dacht ik: dat is het doel, dus waarom staat het er eigenlijk nog niet? Eigenlijk heeft u hiermee dus de spijker op zijn kop geslagen, denk ik. Dit amendement krijgt dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 33 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Daarmee heb ik volgens mijn administratie de amendementen gehad.
De voorzitter:
Ik heb hier zelf nog de amendementen op de stukken nrs. 34 en 35. Die zijn ook door mevrouw Van der Plas ingediend, maar wellicht kan dat in de tweede termijn.
Minister Van den Brink:
Dat kan sowieso. Ik zit even in het mapje te kijken dat zij mij net nog gaven met daarin een paar vragen, maar daarin gaat het niet over amendering. Nee. Dat komt dus in de tweede termijn.
De voorzitter:
Is de minister nu dan toegekomen aan het korte, afsluitende blok overig?
Minister Van den Brink:
Ja, ik vind van wel.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Minister Van den Brink:
Er werd door meerdere partijen gezegd: dit wetsvoorstel richt zich op de terugkeer; we hebben de wet, maar we hebben daarnaast ook de praktijk. De heer Ceder, maar ook mevrouw Straatman, de heer Van Dijk en anderen vroegen: gebeurt er genoeg als het gaat om terugkeer? We zijn wel degelijk volop bezig. We hebben de wetgeving die hier ligt, maar uiteindelijk gaat het om de afspraken die je maakt met de landen waar mensen naar terug moeten gaan. Dat vraagt om strategische partnerschappen. Bilateraal werkt Nederland aan verbetering van die terugkeersamenwerkingen met landen in Noord-Afrika, het Midden-Oosten, Sub-Sahara-Afrika en Oost-Afrika. De goedlopende samenwerking met Marokko is daar een goed voorbeeld van. Daar zien we natuurlijk een enorme toename ten gevolge van de afspraken die we hebben gemaakt. We gebruiken daarbij ook onze diplomatieke instrumenten voor landen die niet mee willen werken. Er zijn dus visabeperkingen opgelegd aan landen die onvoldoende willen meewerken.
De heer Ceder vroeg om een reactie op zijn motie over terugkeer en verblijfsstatussen. Ik kan hem laten weten dat we hem daar binnenkort over gaan informeren.
Mevrouw Van der Plas kwam nog terug op het hele terugkeerfrustreerdersdebat dat we hebben gehad. Ik ben het natuurlijk zeer eens met mevrouw Van der Plas dat die mensen moeten vertrekken. Bewaring moet daaraan op heel veel manieren een bijdrage leveren. Tegelijkertijd blijft de context daarvan wel dat er zicht moet zijn op terugkeer. Daarover zegt mevrouw Van der Plas dat daar allerlei beperkingen aan zitten. Maar ik kan u in ieder geval melden dat de Terugkeerverordening, die vandaag bijna is afgerond in de triloog, ons weer meer ruimte en een langere duur biedt. Op die manier kunnen we mensen die hun terugkeer op allerlei manieren proberen te frustreren, straks langer vasthouden. Zoals ik heb toegelicht, is ook in deze wet opgenomen dat mensen verplicht kunnen worden om mee te gaan naar de ambassade om daar hun laissez-passer op te halen.
De heer Van Dijk vroeg nog: zou er verkend kunnen worden of er kan worden geregeld dat er een periode na de laatste procedure komt waarin een herhaald asielverzoek meteen kan worden afgewezen? Het gaat er dus om dat als je weet dat je over vijf dagen met het vliegtuig gaat, je in die vijf dagen geen herhaalde aanvraag kan doen. Tenminste, zo begreep ik het. Binnen de asielregels van het Europese pact is het niet mogelijk om op die manier een periode in te stellen. De regels van het pact zorgen echter wel voor een strenge behandeling van herhaalde asielaanvragen door hiervoor een strenge toets voor nieuwe feiten en omstandigheden en een verwijtbaarheidstoets in te stellen. Nederland heeft ook al een bekende uitvoeringspraktijk op dat vlak. Ongetwijfeld kent u de term "vliegtuigtrapprocedure". Daarin zijn wij zeer bedreven. We worden ook door andere lidstaten bezocht om te zien hoe wij dat doen. Die procedure is er zodat we te allen tijde mensen kunnen blijven uitzetten, ook al proberen ze dat te voorkomen.
De heer Markuszower heeft vragen gesteld over de Terugkeerverordening. Die kwamen overigens vier uur nadat het in De Telegraaf stond. Ik vond dus dat hij er eigenlijk wat laat naar vroeg, maar goed. Hij had een drukke dag, zag ik. Gisteren hebben het Parlement en het voorzitterschap van de lidstaten overleg gehad. De onderhandelingen zijn inhoudelijk helemaal afgerond. Het gaat nu alleen nog om de invoering. Dat heeft ermee te maken dat verschillende lidstaten hebben aangeven dat een verordening, ook al heeft die een rechtstreekse werking, wel in nationale wetgeving moet worden omgezet en effect kan hebben op de uitvoeringspraktijk. Daar is nu nog overleg over. We hopen daar op zo kort mogelijke termijn een antwoord op te krijgen. Wij hebben op allerlei manieren bijgedragen aan creatieve oplossingen om de inwerkingtreding zo snel mogelijk te combineren met een zorgvuldige implementatie.
Mevrouw Vondeling vroeg naar voorbeelden van het maximumaantal maanden vreemdelingenbewaring. Op 5 maart jongstleden heeft het Hof in Luxemburg daarover een nieuwe uitspraak gedaan, namelijk in het Aroja-arrest. Dat arrest is al vaker in het debat aan de orde geweest. Daarin staat dat je bij de vreemdelingenbewaring niet telkens opnieuw mag gaan tellen, maar dat je moet optellen. Dat heeft zeker impact op de uitvoering. Gelukkig wordt de periode verruimd naar 24 maanden. Daarom is het goed om de Terugkeerverordening zo snel mogelijk te krijgen. Mensen die overlast veroorzaken of die zich in het verleden crimineel hebben gedragen, kunnen daardoor nog weer langer worden vastgehouden. Dat moet ons dus gaan helpen.
Meneer Ceulemans vroeg naar voorbeelden uit Duitsland. De Duitse richtlijn die hij noemt, ken ik niet exact. We werken natuurlijk wel heel erg nauw samen met Duitsland, op allerlei manieren, ook op het gebied van terugkeer en de voortgang inzake de terugkeerhubs. Als ik daar een keer ben, zal ik dus zeker de vraag stellen welke expliciete maatregelen in het Duitse recht zijn opgenomen, want daar ben ik dan wel gelijk benieuwd naar.
Dan ga ik in op de vraag van de heer Van Dijk en mevrouw Straatman over de relatie van de wet die we vandaag bespreken met de Terugkeerverordening. Deze novelle brengt 'm helemaal bij de tijd, ook in relatie tot de algemene verordening over persoonsgegevens en het Asiel- en Migratiepact dat we reeds hebben behandeld. De Terugkeerverordening is nu nog niet definitief. Die zijn we aan het afronden. Op basis van de huidige stand van zaken wordt de uitvoering van de vreemdelingenbewaring grotendeels overgelaten aan de lidstaten. Nieuwe Europese regelgeving vereist echter wel aanpassing van nationale regelgeving. De nieuwe Terugkeerverordening zal dus wel in een wet moeten worden vervat. Mogelijk raakt dat ook deze wet, maar ik zou niet de conclusie willen trekken dat daarop gewacht moet worden. Deze wet hebben we zo snel als mogelijk nodig.
Ook werd gevraagd welke ambities wij hebben op het gebied van de terugkeer en hoe wij die willen verhogen. Ja: zo hoog mogelijk. Tegelijkertijd vergt dat heel veel diplomatiek werk. Wij zijn daar met Buitenlandse Zaken volop mee bezig.
Mevrouw Vondeling vroeg mij nog naar het DCR. Dat bevindt zich echt naast de start- en landingsbaan van Rotterdam. Je zou denken: waarom gaan ze dan niet allemaal van daaruit terug? Dat heeft meer te maken met de locaties waarnaartoe gevlogen wordt en met afspraken met airlines. Toen ik er zelf op werkbezoek was, werd mij gemeld dat dit voor bepaalde bestemmingen binnenkort wel zou gaan gelden, maar op dit moment is de praktijk dat men vrijwel altijd vanaf Schiphol vertrekt. Dat heeft dus gewoon te maken met waarop gevlogen wordt.
Ik heb nog een aantal vragen in een mapje overig.
De vraag van de heer Van Dijk. Natuurlijk gaan wij zo snel mogelijk nadat deze wet wordt aanvaard, met de dwangsommen aan de slag. Ik heb u eerder vermeld dat de IND in 2025 79 miljoen aan dwangsommen heeft uitbetaald. Tot en met april 2026 is er cumulatief al 57 miljoen uitgekeerd. Dat geeft maar aan hoe groot de noodzaak is van de aanpassing die u voorstelt. De IND heeft daar altijd een reservering voor, maar tegelijkertijd levert het natuurlijk wel weer een financiële claim op als dat bedrag hoger wordt.
Dan had de heer Van Asten het over de dwangsom. Wij hebben zelf natuurlijk ook ons huiswerk op orde te brengen; daar heeft hij helemaal gelijk in. Het moet ook zorgvuldig blijven en snelheid en zorgvuldigheid moeten met elkaar niet te veel uit de pas gaan lopen. Ik heb hem toegezegd "binnen een paar weken", maar dat was toen. Het is nu nog twee weken. Ik ben van plan om rond 5 juni naar u toe te sturen hoe ik wil omgaan met het plan van aanpak voor de asielaanvragen die nog moeten worden afgedaan naast het pact dat we hebben uit te voeren.
De heer Russcher vroeg mij nog over allerlei organisaties die actief zijn in het migratie- en asielrecht, over hoe ik die in kaart wil brengen en de financiering aan banden wil leggen. We hebben een aantal stevige maatregelen genomen die het asiel- en terugkeerbeleid aanscherpen. Om dit beleid ook juridisch overeind te houden, hebben we zorgvuldige procedures in de wetgeving verankerd. Die kunnen getoetst worden door rechters. Zo hebben we onze rechtsstaat gewoon ingeregeld. Als mensen daar gebruik van maken, dan kunnen ze ook ondersteuning krijgen. We hebben natuurlijk zelf een advocatuur die daarin ondersteunt. Voor het overige hebben wij geen invloed op organisaties die daarin actief zijn.
Mevrouw Straatman vroeg nog iets over het sobere opvangregime voor de Dublinclaimanten: hoe gaat dat regime doorwerken binnen de vreemdelingenbewaring? Dat hoeft niet in deze vreemdelingenbewaring door te werken. Dublinclaimanten kunnen onder het pact versoberd worden opgevangen. Dat is het COA nu aan het inregelen op locaties, maar dat heeft geen effect op de vreemdelingenbewaring op zichzelf.
Er was nog de vraag van de heer Ceulemans over de stand van zaken rond het wetsvoorstel betreffende de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Daar wordt nu aan gewerkt. Ik verwacht na de zomer daarmee te komen.
De heer Russcher had ook nog een duidelijke inbreng over zijn kwalificatie van het internationaal en Europees recht en welke ruimte die bieden voor migratierecht of migratiebeperkingen. Ik heb daarover met hem vaak in een debat gesproken. We hebben als kabinet de stip op de horizon om asielaanvragen en -afhandeling uiteindelijk helemaal buiten Europa te kunnen doen. Dat vergt heel veel diplomatiek werk. Ik verwacht u de analyse daarvan morgen te sturen, ook naar aanleiding van het rapport van Clingendael. Daarin leest u hoe dit zich allemaal tot elkaar verhoudt.
Even kijken ... Ik denk dat ik nu wel een heel eind ben. Ik heb hier nog een paar vragen van mevrouw Van der Plas. Die zat aan het einde van de spreektijd, dus ik kreeg ze wat later aangereikt. Eentje ging er over computers. Ik zoek die er even bij. Als de heer Ellian misschien nu even zijn vraag stelt, dan kan ik twee dingen tegelijkertijd doen. Is dat verstandig of niet?
De voorzitter:
Als dat lukt. Meneer Ellian, ga uw gang. Eén vraag alstublieft.
De heer Ellian (VVD):
Zeker, voorzitter, één vraag. De minister antwoordde net in reactie op de vraag van collega Straatman over die Dublinclaimanten dat daar een sobere opvang voor wordt geregeld. Dat verwondert me, want de essentie voor die Dublinners is dat je ze onder het pact eigenlijk haast mag detineren. Daar is ook het Detentiecentrum Rotterdam perfect voor.
Minister Van den Brink:
Ja, maar dan moet je wel een paar keer gekwalificeerd zijn. Dus je moet bij herhaling hiernaartoe komen om in het DCR terecht te komen. Daarnaast, voor als we voor de eerste keer vaststellen dat iemand Dublinner is, heb je die versoberde opvang vanwaaruit je teruggeplaatst wordt. Dat is het onderscheid. Dus je hebt mensen die vaker een Dublinclaim doen; die kunnen dan in het DCR. En je hebt mensen waarvan we voor de eerste keer vaststellen dat ze al ergens anders een aanvraag hebben gedaan, en daarvoor hebben we de gewone overdracht. Die overdracht doen we vanuit het sobere regime. Zo helpt u mij toch in dat er wel een link bestaat, dus dank voor deze interventie.
Mevrouw Van der Plas had nog de vraag dat in het oorspronkelijke voorstel stond dat persoonsgegevens konden worden verwerkt voor de openbare orde en veiligheid, en dat dat nu vervallen zou zijn. In het oorspronkelijke wetsvoorstel stond een grondslag voor gegevensverwerking in het belang van de terugkeer. Maar sinds het indienen van het wetsvoorstel in 2015 is de huidige AVG in werking getreden. Daarom is de formulering van het artikel aangepast, om die in overeenstemming met de AVG te brengen. Dat is dus de achtergrond daarvan.
Hoe zit het met de mogelijkheid om schade op de vreemdeling te verhalen? In artikel 62, lid 4, van de wet is verduidelijkt dat, als een vreemdeling iets doet waarvoor hij een boete heeft gekregen, die boete niet betekent dat hij de schade die hij heeft veroorzaakt niet meer hoeft te betalen. Het is dus boete plus schade. Dat is de werking van dit artikellid.
Het amendement heb ik al gehad. Ik heb nog een vraag over de computers. Op dit moment zijn er geen pc's met internetvoorzieningen beschikbaar. DJI is aan het verkennen hoe deze kunnen worden aangeboden. De wet geeft een beperkt recht op internettoegang. Dit moet nog worden uitgewerkt. Het is dus niet zo dat er een soort permanente toegang tot internet bestaat. Dat wordt op dit moment uitgewerkt.
Ik denk dat ik daarmee alle vragen een eind heb beantwoord. Er ligt nog een vraag van mevrouw Van der Plas over de maximale duur van de bewaring. Is die begrensd? Dat heb ik daarnet al verteld naar aanleiding van het Aroja-arrest. Onder de nieuwe Terugkeerverordening is dat 24 maanden.
De voorzitter:
Daarmee bent u aan het einde gekomen van deze eerste termijn, concludeer ik voorzichtig.
Minister Van den Brink:
Ik wil natuurlijk nooit mevrouw Van der Plas de ruimte bieden om te kunnen zeggen: hij heeft mijn vraag niet beantwoord. Ik wijs mevrouw Van der Plas op mijn eerlijkheid in een eerder debat, namelijk over het moment waarop ik met mijn collega's de minister-president en de andere vicepremier sprak over de mogelijkheid dat de Asielnoodmaatregelenwet het niet zou halen en over hoe ik daarmee zou omgaan. Daar heeft mevrouw Van der Plas net ook nog een heel spervuur aan vragen over gesteld. Ik snap alle vragen wel, maar er is echt niet iets meer aan de hand. Ik heb met hen overlegd. Ik vind ook dat het mijn verantwoordelijkheid is om mij voor te bereiden op een als-dansituatie, wanneer ik denk dat die als-dan zich daadwerkelijk zou kunnen gaan voordoen. Die inschatting maakte ik op die dag, dat het zomaar zou kunnen dat we het de volgende dag niet gingen halen. Ik heb dus alleen met hen overlegd over de alternatieven. Welke weg dat daarna mogelijk wel of niet heeft gevolgd, weet ik gewoon niet. Ik kan dat niet beantwoorden en ik ga er ook niet naar gissen. Dat is mijn antwoord op die vraag.
De voorzitter:
En daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn. Mevrouw Van der Plas ...
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb onbeantwoorde vragen.
De voorzitter:
Maar zal ik de vergadering leiden en u dan het woord geven, of wilt u het overnemen? Zoals het lijkt, zijn we dus aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer, maar ik zie dat er nog vragen zijn, dus ik geef mevrouw Van der Plas gelegenheid tot het stellen van nog één vraag en de heer Van Dijk ook. Daarna wil ik verder met de tweede termijn. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Over dat laatste, over plan B, gaat het. Ik vind dat toch onbevredigende antwoorden. Ik stel heel duidelijke vragen, waar gewoon ja of nee op geantwoord zou kunnen worden. Dan gaan we dat niet in dit debat doen, maar ik ga deze vragen wel weer schriftelijk indienen, want ik wil gewoon duidelijkere antwoorden op toch wel vrij simpele, maar belangrijke vragen.
Over internet zijn ook niet alle vragen beantwoord. Het is mij niet helemaal duidelijk wat de minister bedoelt. Dat is één. Er is niet altijd toegang tot internet. Wat ik vroeg, is: als er op internet gegaan kan worden, is de tijd dan beperkt? Mogen ze er dag en nacht op? Of kunnen ze een bepaald tijdvak op een dag even achter de computer? Hoelang is dat dan?
Ik heb ook gevraagd: kan de minister aangeven in welke gevallen internettoegang kan worden beperkt of ingetrokken? Is de minister bereid om artikel 32 te wijzigen, zodat het recht op internettoegang kan worden beperkt of uitgesloten, behalve voor strikt noodzakelijke toegang tot rechtsbijstand en procedurele informatie?
Minister Van den Brink:
Ik zit nu gelijk heel praktisch na te denken over de beperking van het aantal websites. Toegang tot internet is op dit moment in de vreemdelingenbewaring al heel beperkt aanwezig. Wat nu wordt geformuleerd, is de huidige praktijk. Daar zitten niet de social media en e-mail bij. Het is in die zin heel beperkt. Het is ook niet op de kamer of zomaar op iedere afdeling. Het is dus allemaal heel beperkt. Voor de rest wordt het op dit moment uitgewerkt. Ik zit nu een beetje te twijfelen. Ik snap dat er allemaal logica achter uw vragen zit, maar in de praktijk zal het waarschijnlijk veel minder makkelijk zijn om dit allemaal uitgevoerd te krijgen. Mag ik hierop later terugkomen? Ik weet niet of dat gelijk in de tweede termijn zal zijn. Als de uitvoering hier nog mee bezig is, dan zal ik deze vragen niet staande deze vergadering allemaal kunnen beantwoorden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, maar ik wil wel graag antwoorden op die vragen. Als je op internet kan, kun je gewoon overal een eigen e-mailadres aanmaken. Ik snap dat je niet namens de overheid een eigen e-mailadres krijgt, maar als je op internet kan, dan kun je ook e-mailen; je kunt communiceren. Ik wil gewoon weten wat de mensen in vreemdelingenbewaring allemaal achter de computer kunnen doen. Ik kan me namelijk voorstellen dat je een e-mailtje aan je advocaat kunt sturen; dat is helemaal niet erg. Ik vind het niet wenselijk dat je Jan en alleman kan e-mailen, dat je op allerlei websites kan en overal op kan reageren. Alleen wat strikt noodzakelijk is, wat je echt via de computer moet doen, dat kan, en de rest niet.
Minister Van den Brink:
De wijze waarop u het nu formuleert, vraagt bijna om een medewerker die ernaast staat om te controleren wat iemand daar doet. Dat maakt het natuurlijk een andere uitvoeringspraktijk, of je moet een soort gesloten systeem creëren. Dat moet dan gebouwd worden, met alles wat daarbij komt. Ik denk dat ik hierover eerst overleg moet voeren voordat ik iets meer kan zeggen dan ik nu doe. Dit vergt namelijk echt uitvoeringsvragen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Als ik me niet vergis, heb ik geen antwoord gekregen op mijn vraag over de screening van asielzoekers op terrorisme.
Minister Van den Brink:
Ja, daar heeft u gelijk in. Ik denk dat dat kwam doordat ik dacht: dat is een vraag die bij het debat van vanavond waarschijnlijk ook nog vier keer gesteld gaat worden. Als het nu mag, dan hoeft het vanavond niet. Nee, het zal waarschijnlijk allebei zijn.
Ik heb gisteren, en eerder, natuurlijk ook die rapportage van de Rekenkamer gezien. Dit is een serieus vraagstuk. Het raakt natuurlijk aan veiligheidsvragen. De Rekenkamer ziet het volgende, wat ook eerder is geconstateerd. In de procedure is het op orde en ingeregeld. Tegelijkertijd kan vertraging in de behandeltijd effect hebben op deze screening. Het is niet zo dat dat maar op één moment gebeurt. Gedurende de hele procedure kunnen er vanuit de IND checks gedaan worden en vragen gesteld worden en kunnen er dingen naar boven komen. Tegelijkertijd is de IND wel gestart met het versterken van het screenen. Met de komst van het nieuwe Europese Asiel- en Migratiepact wordt de screening kort na binnenkomst uitgevoerd.
Ook naar aanleiding van eerdere systeemchecks zijn er maatregelen genomen, zoals uitbreiding van het openbronnenonderzoek en aanpassing van de screeningsinstructies. De IND is intern bezig met een goeie opleiding daarvoor. Zoals eerder aangegeven, zullen tijdens de systeemcheck onder coördinatie van de NCTV systemen en procedures regelmatig kritisch tegen het licht worden gehouden. Ik denk dat wij hier nog uitvoeriger op terug gaan komen. Ik begreep al dat wij een set vragen hierover hebben liggen. Dat zal ik niet langer laten duren dan nodig is.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor de reactie. Ik houd het kort, voorzitter. Uiteraard ben ik allereerst geïnteresseerd in de inhoud. Ik vertrouw er ook helemaal op dat de minister het bloedserieus neemt. Toch vond ik het best bijzonder dat je zo'n gevoelig punt, dat raakt aan veiligheid en dat politiek vaak aan de orde is geweest, in één keer, in mijn beleving vrij plompverloren, moet lezen in het onderzoek van de Algemene Rekenkamer en dat we daarvan niet eerder uitdrukkelijk op de hoogte zijn gesteld. Hoe kijkt de minister daarnaar?
Minister Van den Brink:
Dat komt een beetje overeen met mijn eerste reactie toen ik dit voor het eerst hoorde, maar het was natuurlijk echt onderdeel van het Rekenkamerproces. Laat ik dat ook meenemen in de beantwoording van de vragen die hierover komen.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de minister. Ik stel voor dat wij doorgaan met de tweede termijn van de Kamer. Volgens mijn lijstje geef ik daartoe als eerste mevrouw Westerveld het woord. Gaat uw gang.
Termijn inbreng
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Vanochtend hadden we de volgorde wat omgedraaid, omdat een aantal collega's andere verplichtingen hadden. Daarom stond ik nog even achteraan. Ik dank de minister voor de antwoorden op onze vragen en de Kamer voor het debat over de wet dat we hier met elkaar hebben gevoerd. Ook vandaag is er weer best wel veel met elkaar gewisseld. Dat nemen we allemaal mee naar de discussie in onze fractie.
Ik heb ook een aantal vragen aan de minister gesteld over mensen die psychiatrische hulp nodig hebben. Een aantal jaar geleden is er namelijk al een motie ingediend door mijn collega Lahlah. Ook was er een motie van mevrouw Podt van D66. Die riepen die regering er echt nadrukkelijk toe op om met een plan te komen en geen bedden af te bouwen voor mensen die psychiatrische hulp nodig hebben als er geen alternatief is. Na de laatste brief van de minister is er nog niet echt zicht op een oplossing. Dat werd net in het debat ook bevestigd. Hij is druk in gesprek, maar er is nog geen zicht op een oplossing. Daar heb ik een motie over.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de plekken voor mensen uit de asielketen in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht reeds deels zijn afgeschaald en vanaf januari 2027 helemaal afgebouwd worden;
overwegende dat de Kamer al eind 2024 in meerderheid opriep om bedden pas af te bouwen als er een passend alternatief is;
constaterende dat er vooralsnog geen nieuwe locatie is gevonden voor deze doelgroep die gespecialiseerde zorg nodig heeft;
overwegende dat het in het belang van personen zelf is en dat het van groot belang voor de samenleving is dat mensen met psychiatrische problemen de zorg krijgen die nodig is;
verzoekt de regering voor de zomer een concreet plan aan de Kamer voor te leggen voor het realiseren van voldoende gespecialiseerde hulp voor deze doelgroep, voor die tijd de bedden in Veldzicht niet af te schalen en de doelstelling van 2027 los te laten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 36 (35501).
Dank u wel.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik heb nog één opmerking over de wet. Ik zei net dat we de discussie meenemen naar onze fractie. We gaan goed kijken naar het doel van de oorspronkelijke wet en naar de noodzaak van de wijzigingen die er zijn gekomen. Natuurlijk nemen we alle antwoorden die de minister heeft gegeven mee in onze overwegingen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ellian, die spreekt namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.
De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter. Ik kan het kort houden. Uiteraard dank ik de minister voor de beantwoording. Uiteraard dank ik ook alle ambtenaren die zich gebogen hebben over alle amendementen die we, ik ook, rijkelijk laat hebben ingediend. Daar zat gaan kwade wil achter. Je doet je best en het was nogal een pak papier om door te akkeren. Dank daarvoor.
Op één amendement komen de minister en ondergetekende er nog niet helemaal uit. Dat is het amendement over het aantal uur dat iemand in een gesloten verblijfsruimte moet verblijven. Voor de luisteraars thuis: je zou dat "de cel" kunnen noemen. Officieel mogen we dat niet zo zeggen, maar het lijkt natuurlijk wel heel erg op een cel.
Ik wil de minister het volgende meegeven. Ik zat net nog eens te kijken naar de uitvoeringstoets. Ik las dat onder andere in Detentiecentrum Rotterdam — ik denk dat de situatie op Schiphol niet anders zal zijn — de verhouding tussen personeel en vreemdeling één op zestien is. In het strafrecht is het één op twaalf en daar kraakt en piept het al. Dat zegt iets over de werkdruk.
Mij werd gevraagd of de werkdruk leidend is om regimes aan te passen. Het gaat niet om de werkdruk. Het gaat erom dat deze omgeving, nog meer dan de strafrechtelijke omgeving, druk op personeel creëert. Daarmee creëert deze omgeving niet alleen onveiligheid voor de mensen die daar met alle goede bedoelingen aan het werk zijn, maar ook onveiligheid voor de samenleving. Nogmaals, er zitten geen lieverdjes. Wij gaan dus kijken naar het amendement.
Ik wil in dat licht het volgende aan de minister vragen. Nu heb ik het aantal uren van insluiting op vijftien gezet. Zou het helpen als ik er bijvoorbeeld veertien uur van maak? Ik doe hier toch nog een poging. Nu is het zo — hierna ben ik klaar, voorzitter — dat als deze wet van kracht wordt, in de wet staat dat de vreemdelingen niet eerder dan 22.00 uur 's avonds ingesloten mogen worden. Ik zeg u en de collega's, via u, voorzitter, dat dat evident tot problemen gaat leiden, want het kan nu al vaak niet worden waargemaakt. We gaan het alleen wel met elkaar in de wet vastleggen. Ik vind dat ik hier echt moet opkomen voor de veiligheid van de samenleving en de veiligheid van de medewerkers.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Dijk, die spreekt namens de fractie van de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor zijn beantwoording. Misschien mag ik daar nog wat aan toevoegen — de minister is tenslotte relatief nieuw. Ik moet zeggen dat zijn rustige, droge, soms wat stoïcijnse, maar vooral heel inhoudelijke beantwoording wel heel prettig is in deze toch altijd zeer emotioneel beladen asieldebatten. Complimenten daarvoor. Ik hoop maar dat de fractievoorzitters daar vanavond ook toe in staat zijn. Ik ben heel benieuwd. We gaan het meemaken.
Ik hoop dat dit wetsvoorstel tot een iets beter asielbeleid mag leiden. We moeten natuurlijk even kijken hoe het met alle amendementen afloopt, maar in beginsel gaan we dit wetsvoorstel gewoon steunen. Ik ben ook heel blij met de positieve appreciatie van mijn amendement om eindelijk die dwangsommen af te kunnen schaffen.
Ik heb één motie. Die gaat als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat de screening van asielzoekers op terrorisme door de Immigratie- en Naturalisatiedienst niet plaatsvindt binnen de geldende norm van veertien dagen, maar gemiddeld twee jaar op zich laat wachten;
overwegende dat dit een aanzienlijk risico op terrorismedreiging met zich brengt;
overwegende dat met ingang van het Migratiepact de norm voor het uitvoeren van een screening wordt gesteld op drie dagen voor de procedure in Ter Apel en zeven dagen voor de grensprocedure, conform de EU-screeningsverordening;
verzoekt de regering op de kortst mogelijke termijn te reageren op de bevindingen van de Algemene Rekenkamer en in elk geval acuut maatregelen te treffen zodat de screening van asielzoekers, waaronder de veiligheidsscreening, binnen de norm van de EU-screeningsverordening plaatsvindt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Ceder en Ceulemans.
Zij krijgt nr. 37 (35501).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat leidt tot één vraag van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb het er in mijn spreektekst ook over gehad. Ik vind het heel belangrijk dat er van tevoren een screening plaatsvindt. Mijn vraag is of ik mijn naam ook onder de motie mag zetten.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Daar heb ik geen enkel bezwaar tegen. Zijn er nog meer gegadigden?
De voorzitter:
Zullen we dat buiten de microfoon doen?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De heer Ceder en de heer Ceulemans mogen erbij!
De voorzitter:
Wat een collegialiteit! We gaan nu luisteren naar de heer Russcher, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie.
De heer Russcher (FVD):
Dank, voorzitter. Ook veel dank aan de minister voor de beantwoording. Forum voor Democratie zal de amendementen steunen die de wijziging van het wetsvoorstel scherper maken. Wij zullen daarmee de wijziging van het wetsvoorstel zelf ook steunen, al heb ik natuurlijk wel mijn zorgen geuit over de internationale verdragen en Europese regels die de mogelijke uitvoering in de weg gaan zitten. De minister gaf al aan dat we het daar al vaak over hebben gehad en dat we dat ook zeker nog gaan doen.
Voor nu heb ik één motie. Die gaat over de ngo's die ons migratiebeleid op een negatieve manier proberen te beïnvloeden. De motie luidt als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat rondom het asiel- en migratiebeleid een omvangrijk netwerk van ngo's, belangenorganisaties en advocaten actief is dat via procedures en campagnes invloed uitoefent op terugkeer- en migratiebeleid;
constaterende dat deze organisaties geregeld (mede) worden gefinancierd uit publieke middelen en Europese subsidies;
overwegende dat onvoldoende inzicht bestaat in de omvang, financiering en werkwijze van deze netwerken;
verzoekt de regering onderzoek te doen naar de omvang, publieke en Europese financiering en de invloed van ngo's, belangenorganisaties en juridische netwerken op de uitvoering van terugkeerbeleid en migratiebeperkend beleid, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.
Zij krijgt nr. 38 (35501).
De heer Russcher (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Straatman, die spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de minister voor de beantwoording van de vragen en het goede debat, want voor draagvlak in de samenleving is terugkeer heel erg belangrijk. Daarom is het denk ik ook goed dat we hier uitvoerig en ook heel inhoudelijk over hebben gedebatteerd. Vreemdelingenbewaring is een heel belangrijk instrument in die terugkeer. In de eerste termijn van het debat heb ik een duidelijk punt proberen te maken: de realiteit van de personeelstekorten die we op dit moment hebben, kan in de toekomst potentieel ook bij de vreemdelingenbewaring tot problemen leiden. De minister gaf aan dat we pragmatisch met deze wet moeten omgaan. De oproep die ik graag zou willen meegeven, is om die flexibiliteitscheck te doen. Mijn vraag aan de minister is ook of hij zou kunnen toezeggen om te kijken of de wet op dit moment voldoende flexibel is, en om dat anders ook in, eventueel zelfs lagere, regelgeving mee te nemen, zodat we niet voor dezelfde problemen komen te staan als we nu zien in het gevangeniswezen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Vondeling, die spreekt namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dank u wel. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Dienst Justitiële Inrichtingen mogelijk 40% minder plekken voor vreemdelingenbewaring kan gebruiken door de nieuwe regel dat vreemdelingen in het verblijfsregime minimaal twaalf uur per dag buiten hun cel mogen zijn;
overwegende dat het volstrekt onacceptabel is dat overdreven luxe-eisen in vreemdelingenbewaring ertoe kunnen leiden dat vertrekplichtige vreemdelingen niet vastgezet kunnen worden;
verzoekt de regering om alsnog een uitzonderingsgrond te creëren om de maximale insluitingsduur te verlengen wanneer capaciteitstekort dreigt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vondeling en Ceulemans.
Zij krijgt nr. 39 (35501).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de helft van de geplande uitzettingsvluchten wordt geannuleerd, omdat vreemdelingen onderduiken, fysiek verzet plegen, een nieuwe asielaanvraag indienen of op andere wijze hun uitzetting frustreren;
verzoekt de regering alle kosten die gemaakt zijn voor een geplande uitzetting te verhalen op de vreemdeling zodra de annulering van die uitzetting het gevolg is van het handelen of de nalatigheid van de vreemdeling,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 40 (35501).
Mevrouw Vondeling (PVV):
De laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Rotterdam The Hague Airport pal naast het Detentiecentrum Rotterdam ligt, maar desondanks niet wordt gebruikt voor uitzettingsvluchten;
overwegende dat het vervoer van vreemdelingen vanuit het detentiecentrum naar het naastgelegen vliegveld de kans op frustratie van uitzettingen aanzienlijk verkleint en het uitzettingsproces veel efficiënter maakt;
verzoekt de regering Rotterdam The Hague Airport in te zetten voor uitzettingsvluchten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 41 (35501).
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Asten, die spreekt namens de fractie van D66. Gaat uw gang.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Dank aan de minister voor de beantwoording en aan de collega's voor het debat. Zoals ik aangaf, is het belangrijk dat wij vanuit Den Haag laten zien dat we werken aan een degelijk, streng en rechtvaardig asielbeleid. Deze wet is daar een belangrijke stap in.
Ik kijk uit naar het plan van de minister om de asielverzoeken die nu op de grote wachtstapel liggen, met spoed en zorgvuldigheid te behandelen. Dat plan krijgen wij over twee weken, dus we hebben snel weer een debat.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ceulemans, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
De heer Ceulemans (JA21):
Voorzitter, dank. Ik kan het kort houden. Dank aan de minister voor de antwoorden. Goed dat er een einde gaat komen aan het hele dwangsommencircus. Verstond ik de minister goed dat hij zei dat er tot en met april van dit jaar al 57 miljoen aan dwangsommen is uitgekeerd? Dan koersen we volgens mij af op een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar, dus hoe eerder dit stopt, hoe beter. Dit is natuurlijk een absurde praktijk.
De minister komt in zijn tweede termijn nog terug op de vraag of we lager zouden kunnen gaan dan de termijn van twee jaar voor het strafmaximum als grond voor de ongewenstverklaring. Ik kijk uit naar dat antwoord.
Goed dat ons amendement over elektronisch toezicht wordt omarmd door de minister. Het is voor ons een waardevolle aanvulling op de huidige praktijk.
Een bron van zorg is inderdaad ook dat te rigide is vastgelegd dat personeelstekort geen grond mag zijn om af te wijken van de vrij rigide vastgelegde rechten in deze wet. Vandaar dat ik de motie van mevrouw Vondeling mee heb getekend.
Daar kan ik het bij laten. Wij zullen instemmen met deze wet. Het is een stapje, maar overall wel een stapje in de goede richting.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Van der Plas, die spreekt namens de fractie van BBB. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Ik kan er nog steeds met mijn pet niet bij: die €22,50 per week keer 100 plaatsen keer 52 weken. Dan spreken we over ruim een ton per jaar die de Nederlandse belastingbetaler betaalt aan luxeproducten voor mensen die de boel traineren, aan mensen die niet meewerken aan hun terugkeer, aan mensen die overlast geven en soms misschien wel vernielingen aanrichten. De Nederlandse belastingbetaler betaalt er sowieso al aan mee, want deze mensen krijgen ook gratis kleding, deze mensen krijgen gratis schoenen, deze mensen kunnen lekker sporten en kunnen lekker naar de bibliotheek, ze kunnen achter de computer, op welke manier dan ook en ze krijgen gratis zorg. En dan krijgen ze ook nog eens een keer €22,50 per week leefgeld, want tja, het is best wel zielig; ze kunnen niet werken en hebben geen uitkering, dus wij vinden dat we dan toch nog wat extra geld moeten geven.
En wat hoor ik van de minister dat daarvan wordt gekocht? Sigaretten. Het gaat mij er niet om dat ik mensen hun sigaretje misgun. Ik rook zelf ook, dat heb ik ook in het debat aangegeven. Het verschil is alleen dat ik er hard voor werk en dat alle andere mensen in Nederland er ook gewoon hard voor werken. Zij maken dan hun eigen keuzes waar ze het geld aan besteden. De mensen over wie we het nu hebben, zijn geen hardwerkende mensen. Het zijn mensen die de boel traineren en die gewoon weg moeten. Ze moeten gewoon terug, ofwel naar het land van herkomst, ofwel naar het land waar ze eerder zijn geweest. Zij hoeven geen cadeautjes van ons te krijgen. Wij hoeven niet hun pakjes sigaretten te betalen, terwijl ze eigenlijk geen enkele bijdrage leveren aan deze samenleving en hier ook gewoon — laten we eerlijk zijn — niet thuishoren. Dat is gewoon een feit.
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot een vraag. Mevrouw Westerveld, gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Omdat dit nu een paar keer is genoemd, even de andere kant. Op het moment dat mensen geen sociale activiteiten meer kunnen doen, niet kunnen sporten of geen contacten kunnen hebben met anderen die ze kennen, dan leidt dat natuurlijk ook tot enorme eenzaamheid en dat leidt ook niet tot een beter klimaat in de instellingen waar ze zitten. Dat is wel echt de andere kant: het is beter dat mensen als ze ergens verblijven ook sociale contacten kunnen onderhouden — dat gebeurt vaak via de computer — en dat ze ook kunnen sporten, activiteiten kunnen doen. Dat is ook fijner voor het personeel. Dat is wel echt de andere kant van wat mevrouw Van der Plas schetst.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nu wordt er weer een beeld geschetst alsof het allemaal hele zielige mensen zijn, die eigenlijk helemaal niks meer kunnen. Het zijn vaak mensen … Ze moeten gewoon terug naar het land van herkomst. Ze kunnen wel sociale contacten hebben. Ze kunnen gewoon werken. Alleen niet hier in Nederland. En als zij meewerken aan terugkeer naar het land van herkomst of naar het land waar ze dan eerder hebben gezeten, dan kan dat wel. Dus ik snap niet dat wij hiervoor moeten opdraaien. Kijk, ik begrijp heel goed hoor, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Westerveld, dat zij iets van kleding moeten hebben en dat ze moeten sporten begrijp ik ook nog wel. Dat hoeft niet via een duur fitnesscentrum. Dat kun je ook gewoon fysiek zelf doen. Maar ik snap niet dat zij de mogelijkheid krijgen om luxeproducten te kopen van het geld dat zij dan van de overheid krijgen, slash de Nederlandse belastingbetaler.
De voorzitter:
Nog één vervolgvraag, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik schetste alleen niet het beeld van zielige mensen. Ik geef aan dat het als mensen ergens verblijven waar ze niet weg mogen beter is voor het algemene klimaat in een instelling, beter voor de medewerkers die daar ook rondlopen. Het voorkomt ook incidenten als mensen wel wat nuttigs te doen hebben en contacten kunnen onderhouden. Dat was de kanttekening die ik zette bij het verhaal van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ze mogen wel weg, want ze mogen naar huis.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog, of uw tweede termijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Maar goed, ik heb dan ook een motie hiervoor klaarliggen en die luidt als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat vreemdelingen in bewaring wekelijks €22,50 zakgeld krijgen;
overwegende dat zij daar onder meer sigaretten voor kopen;
overwegende dat ouderen, die hun leven lang hebben gewerkt en hun premies hebben betaald, in verzorgingstehuizen niet eens in hun eigen kamer een sigaretje mogen roken;
overwegende dat de werkende Nederlanders niet de sigaretten en andere luxeproducten hoeven te betalen voor vreemdelingen, die hier niet eens thuishoren;
overwegende dat mensen in vreemdelingenbewaring al gratis eten, gratis kleding en schoenen, gratis zorg en gratis sport hebben en dus alles hebben wat ze echt nodig hebben;
verzoekt de regering om vreemdelingen in vreemdelingenbewaring niet meer te voorzien van luxeproducten, zoals sigaretten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 42 (35501).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
U krijgt van mij een nieuwe motie, want ik heb hier heel erg op gekrast. Ik heb een goede klaarliggen. Die ga ik printen en die ga ik zo aan u geven. Ik geef nu deze alvast.
Voorzitter. Ik had net in het debat een beetje een gek sprongetje. Toen zei ik: o, het gaat hierover en nu ineens gaat het daarover. Dat kwam doordat ik twee bladzijdes had omgeslagen in plaats van een. Dus ik wil graag nog even de vraag stellen die ik eigenlijk in de eerste termijn had klaarliggen en die ging over de informatiepositie van de overheid. In het oorspronkelijke wetsvoorstel kon de directeur van bezoekers persoonsgegevens verwerken met het oog op orde en veiligheid. In de novelle vervalt dat, terwijl elders wel bredere bepalingen over gegevensverwerking worden opgenomen.
Eh, doe ik het nou weer? Nee. Sorry, lange dag.
Mijn vraag aan de minister is: waarom wordt die specifieke bevoegdheid bij bezoek geschrapt? Kan de minister garanderen dat de directeur nog steeds voldoende gegevens van bezoekers kan verwerken als dat nodig is voor de orde en de veiligheid en het voorkomen van strafbare feiten of het voorkomen van misbruik van de bezoekregelingen?
Het valt ons daarnaast op dat persoonsgegevens in verschillende bepalingen in beginsel niet langer dan zes maanden na vertrek uit de inrichting worden bewaard. Mijn vraag is: waarom zes maanden? De regering zegt zelf dat zij wil voorkomen dat bij hernieuwde illegale inreis een informatieachterstand ontstaat. Dan is zes maanden toch te kort, zou ik zeggen. Daarom wil ik nog aan de minister vragen of hij kan uitleggen waarom bijvoorbeeld de bewaartermijn niet twee jaar is of vijf jaar of zolang een terugkeerbesluit, ongewenstverklaring of inreisverbod geldt. Waarom is dat niet mogelijk of niet wenselijk? Als de vreemdeling op straat komt te staan omdat de bewaring moet worden opgeheven wegens gebrek aan zicht op uitzetting, waarom zouden de gegevens dan juist zo snel moeten verdwijnen? Dat is toch precies de categorie waarbij de overheid de informatiepositie moet vasthouden, lijkt mij. Daar zou ik graag een verklaring van willen hebben in de tweede termijn van de minister.
Daarmee ben ik aan het einde van mijn hele inbreng. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Baarle, die spreekt namens de fractie van DENK.
Ga uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u wel, voorzitter. Mag ook ik de minister, en uiteraard ook het ambtelijk apparaat dat op de achtergrond assisteert, bedanken voor de beantwoording?
Voorzitter. We hebben de minister de appreciatie horen geven van de amendementen. Het zal voor de minister niet als een verrassing komen dat ik het feit dat hij het merendeel van mijn amendementen heeft ontraden, zal meewegen bij mijn uiteindelijke oordeelvorming over de wet. Desondanks is het fijn dat het amendement over de meldplicht door de minister van "oordeel Kamer" is voorzien. Hopelijk zal dat met steun van de Kamer zorgen voor een aanvullende waarborg in de wet.
Graag dien ik een aantal moties in om een aantal waarborgen nog te bekrachtigen en nog een aantal aandachtspunten expliciet mee te geven als Kamer. Allereerst de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat langdurige opsluiting en beperking van bewegingsvrijheid ernstige psychische gevolgen kunnen hebben;
verzoekt de regering de psychische en medische gevolgen van toepassing van lockdownmaatregelen en uitzonderingsregimes binnen de vreemdelingenbewaring altijd onafhankelijk te laten evalueren, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Westerveld.
Zij krijgt nr. 43 (35501).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de Kamer onverwijld te informeren wanneer binnen de vreemdelingenbewaring gebruik wordt gemaakt van uitzonderingsbevoegdheden die fundamentele rechten beperken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 44 (35501).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er signalen zijn dat vreemdelingen in detentie langer op cel verblijven vanwege personeelstekorten en capaciteitsproblemen;
overwegende dat organisatorische problemen van de overheid geen rechtvaardiging mogen vormen voor verdere beperking van fundamentele rechten;
verzoekt de regering te waarborgen dat personeels-, capaciteits- of organisatorische problemen nooit zelfstandig aanleiding vormen voor toepassing van vergaande beperkingen van bewegingsvrijheid of dagbesteding,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 45 (35501).
De heer Van Baarle (DENK):
Tot slot, voorzitter. Deze wet is in het verleden in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat er een ander regime is dan het regime dat valt onder de Penitentiaire beginselenwet. Vreemdelingenbewaring mag niet onder het strafregime vallen. Door de amendementen die ingediend worden en de verscherpingen die met de wijzigingen zijn aangebracht, gaat het toch steeds meer richting dat punitieve regime. In de uitvoering mag dat nooit de bedoeling zijn. Vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
herinnerende aan eerdere toezeggingen van de regering om vreemdelingenbewaring minder penitentiair en menswaardiger vorm te geven;
verzoekt de regering bij de uitvoering van de wet het bestuursrechtelijke en humane karakter van vreemdelingenbewaring expliciet centraal te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 46 (35501).
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ceder, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik had het in mijn bijdrage al over recht doen. Bij asiel doe je dat vanuit verschillende invalshoeken: recht doen aan de vreemdeling en zorgen dat dat op een menswaardige manier gebeurt, ook als iemand terug moet, maar ook recht doen aan de gemeenschappen in ons land. Dat betekent dat je de mensen die strafbare feiten plegen en een gevaar voor de samenleving zijn zo snel mogelijk en effectief terugstuurt en uit die samenleving verwijdert. Wij hebben daarom aangegeven dat we de maatregelen zoals die in de wet staan, kunnen steunen. Recht doen betekent ook zorgen voor een betrouwbare overheid en een overheid die kan leveren. Om die reden hebben we aangegeven dat we de dwangsommen in deze fase niet effectief vinden, helaas, en dat we er daarom voorstander van zijn om het verzoek van de IND in te willigen om die dwangsommen als Kamer af te schaffen. Wij staan dus ook onder dat amendement.
Voorzitter. Er zijn wat discussies geweest over insluiten. We hebben natuurlijk te maken met een personeelstekort, ook in het gevangeniswezen en van mensen die bij de vreemdelingenbewaring betrokken zouden moeten zijn. Dat kunnen we niet negeren. Ik denk dat het goed is afgewogen in de wet, maar ik zou in ieder geval wel graag een invoeringstoets willen bepleiten, waarbij er wordt gekeken waar er qua capaciteit, effectiviteit en uitvoering bijsturing nodig is om ervoor te zorgen dat het werkt en loopt. Ik denk dat het voldoende is afgebakend in de wet, maar ik denk ook dat een tijdige invoeringstoets geen kwaad kan en misschien ook wel kan helpen om het gewenste doel te bereiken. Daarom heb ik de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het goed is om bij intreding van de wetswijzigingen snel te toetsen op capaciteit, effectiviteit en uitvoering, zodat tijdige bijsturing mogelijk is;
verzoekt de Kamer om na twee jaar een invoeringstoets te doen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 47 (35501).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, tot slot. We hebben het ook gehad over de achterstanden. We hebben een hele discussie gehad over het Migratiepact en over wat je dan doet met de oude voorraad. De Algemene Rekenkamer heeft gisteren laten zien dat het best wel een lang verhaal kan gaan worden. Dat wisten we al. Dat is ook de reden dat wij destijds amendementen hebben ingediend. Maar goed, die wet is nu zoals die is. Daarom heb ik wel de volgende motie. Ik wil voorkomen dat we over een aantal maanden weer dermate schrijnende gevallen hebben dat we vooral daarmee bezig zijn als Kamer in plaats van met het op orde krijgen van de keten. Ik heb daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de beslistermijn bij de IND nu gemiddeld vijftien maanden is, terwijl de wettelijke termijn zes maanden is, en de achterstand bij de IND in 2025 ruim 51.000 aanvragen bedroeg;
overwegende dat hierdoor de rechterlijke dwangsom bij het niet halen van de beslistermijn nu een bot instrument geworden is;
overwegende dat de Algemene Rekenkamer heeft aangegeven dat bestaande asielaanvragen voor 12 juni 2026 pas over vijf jaar zijn weggewerkt;
verzoekt de regering om de meest kwetsbare gevallen en gevallen met kinderen voorrang te geven bij beoordeling van achterstandsdossiers en om bij de augustusbesluitvorming voldoende middelen ter beschikking te stellen om de grote achterstanden bij de IND te laten afnemen en eraan te werken dat de beslistermijnen weer worden gehaald,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 48 (35501).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze termijn van de Kamer.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Let goed op, want ik ga een aantal huishoudelijke mededelingen doen. Ik schors namelijk nu voor enkele ogenblikken. Daarna is er een extra regeling van werkzaamheden. Daarna heeft de minister verzocht om vijftien minuten te schorsen voor het voorbereiden van de appreciaties van de ingediende moties en de beantwoording van de vragen. Ik zou zeggen: blijf in de buurt, want als de minister eerder klaar is, zou de bel zomaar eerder kunnen gaan. Ik schors nu voor enkele ogenblikken. Daarna is er een extra regeling van werkzaamheden.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Extra regeling van werkzaamheden
Voorzitter: Van Campen
Extra regeling van werkzaamheden
Extra regeling van werkzaamheden
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en verzoek de leden hun plaatsen in te nemen. Aan de orde is een extra regeling van werkzaamheden. Ik geef daarvoor het woord aan de heer Klaver.
De heer Klaver (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank. Vanavond staat er een debat op de agenda over de uit de hand gelopen protesten en het geweld, maar het debat over migratie is nog bezig. Dat is terecht. Dat is een belangrijk onderwerp en een wetsbehandeling, dus daar moet ook alle tijd voor zijn. Maar daarmee lopen we wel heel ver uit de tijd. Voordat je het weet zijn we hier om 4.00 uur 's nachts nog met elkaar over dat belangrijke onderwerp aan het debatteren. Nu heb ik begrepen dat er dinsdag ook ruimte is in het schema. Ik zou willen voorstellen dat we dinsdag het debat met elkaar voeren.
De voorzitter:
Ik ga kijken of daar steun voor is. Meneer Markuszower.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
De heer Jetten is dus moe. Hij wil naar huis. Hij durft niet meer. Hij heeft nog een extra weekend nodig om zich voor te bereiden. Wat mij betreft doen we het gewoon vanavond, hoor.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik vind dit echt een vertoning. Nederland staat in brand. Overal maken mensen zich grote zorgen over de ongebreidelde instroom van asielzoekers. De heer Klaver, gesteund door de meerderheid, vindt het niet nodig om daar vanavond over te debatteren. Ik vind het werkelijk ongekend. Geen steun voor dit verzoek. Daarbij komt dat als we het dinsdag plannen na de reguliere agenda, het ook weer veel en veel te laat wordt. In de wereld van de heer Klaver … Ik ben er. Ik kom debatteren en voorstellen doen om iets te doen aan de instroom, maar wat mij betreft kan dat vanavond en moet dat vanavond.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Het spreekwoord luidt: van uitstel komt afstel. Van ons hoefde dit debat niet zozeer, dus ik sluit me aan bij de heer Klaver. Wat mij betreft kan het naar dinsdag. Helemaal niet zou nog beter zijn.
De heer Van Asten (D66):
Voorzitter. We zijn hier in deze zaal inderdaad al de hele dag aan het debatteren over het onderwerp dat ook vanavond op de agenda staat. Daar hadden alle voorstellen dus ook neergelegd kunnen worden. Een debat voeren waar zo veel mensen naar willen kijken, wat uiteindelijk dan tot diep in de nacht zou duren, daar schiet Nederland ook niks mee op. Helaas dus, maar steun voor het voorstel van de heer Klaver.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik hoop dat het debat kan gaan over wat er nodig is op de korte termijn, met een doorkijk naar de lange termijn. Ik vind het dan prima als we daar aanstaande dinsdag goed de tijd voor nemen. Steun dus voor het verzoek.
Mevrouw De Vos (FVD):
Voorzitter. Deze Kamer wilde het niet hebben over een inhoudelijke oplossing voor de instroom, maar per se wel dit onzindebat voeren. Nu wil de Kamer het weer gaan uitstellen. We moeten het hebben over de inhoud. Geen steun dus voor het voorstel om dit debat nog uitgebreider op een ander moment te voeren. Als we het dan per se willen voeren, laten we het dan maar gewoon vanavond doen.
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter, steun. We kunnen dit dinsdag prima doen.
De voorzitter:
Meneer Markuszower had al gesproken, maar ik denk dat hij iets recht wil zetten.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ja, ik moet iets rechtzetten. Ik zei: de heer Jetten is natuurlijk nooit moe. Ik bedoelde: de heer Klaver zal wel moe zijn.
De heer Klaver (GroenLinks-PvdA):
Jammer voor dat filmpje, meneer Markuszower.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Eén ding, meneer Klaver. Ik heb nog nooit een filmpje … Dat doe ik nooit. Nog niet.
De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Als het voor de Handelingen kan worden …
De voorzitter:
Ik heb meegeschreven. Het wordt geregeld. Meneer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Steun.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Het debat dat we nu hebben over de vreemdelingenbewaring is nog niet voorbij. Er is nog een tweede termijn van de minister. Dat betekent dat we hier misschien nog wel dik een uur zitten. Dan is het 20.00 uur. Ik ben het zeker met mevrouw Keijzer eens dat hier urgentie achter zit, maar wij hebben ook een taak richting de mensen die hier in de Tweede Kamer werken: de bodes, de staf, de griffier. Ik voorzie dat dit gewoon echt tot diep in de nacht gaat duren. Dat maakt het debat er ook niet beter op, overigens. Dan gaat de aandachtsspanne weg en kunnen we niet goed inhoudelijk debatteren. Dat is de reden waarom ik steun geef aan het verzoek om het uit te stellen. Wel heb ik daar een opmerking of vraag bij. Ik voel me ook niet zo lekker bij de titel en de insteek van het debat. Er staat nog een asieldebat. Volgens mij kan alles wat hier in dit debat besproken zou worden, ook bij dat asieldebat dat er nog staat. Mijn voorstel zou dus zijn om dit dinsdag te plannen, maar dan tijdens het asieldebat en eventueel met de woordvoerders die nu ingeschreven staan.
De voorzitter:
Ik snap de poging, maar dit is echt een ander verzoek. Dan wordt het wel heel ingewikkeld, maar u heeft het gezegd. Ik wil u bijvallen op het punt van de organisatie en medewerkers. Ik hecht eraan er ook op te wijzen dat we sowieso nog een dinerschorsing van drie kwartier extra zouden inplannen, omdat ik vind dat de mensen die hier voor ons werken ook de tijd moeten hebben om rustig te eten. Dat zou dus nog een verlating van het debat betekenen. Dat zeg ik maar even vanuit de verantwoordelijkheid voor de ambtelijke organisatie.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Kleine toevoeging daarop: dat is ook specifiek waarom ik het wil uitstellen.
De voorzitter:
Exact.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het gaat niet om mij. Wij worden hier allemaal voor betaald. Wij zijn gekozen. Dit komt wel vaker voor. Als het moet, ga ik tot 3.00 uur 's nachts door, maar ik wil wel een beetje goed zorgen voor de mensen die in deze Kamer werken.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter, dank. Fijn dat u ook opmerkt dat we hier ons werk alleen maar kunnen doen dankzij de medewerkers die ons helpen. Als dit debat pas na achten kan beginnen met vier bewindspersonen, weten we gewoon dat het écht veel te laat wordt, dus steun voor het verzoek om het dinsdag te doen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter. Ik ben het volledig eens met mevrouw Van der Plas en mevrouw Ouwehand, dus steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Het is een dilemma, omdat we de dingen die we zien en de uitspraken die we horen, gewoon zo snel mogelijk willen bespreken. Maar tot diep in de nacht doorgaan komt een inhoudelijk debat niet ten goede en ook de medewerkers niet. Steun voor het verzoek.
De heer Ellian (VVD):
Steun voor het verzoek.
Mevrouw Straatman (CDA):
Steun, voorzitter.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik vond de hele aanvraag al één groot circus, het hele debat wordt één groot circus en ik vind dit ook weer een beetje een circus. Ik heb ook niet het idee dat het nou zó ver aan het uitlopen is. Ik vind het dus goed als het debat vandaag niet doorgaat, maar ik wil dan dat het dinsdag ook niet doorgaat. In ieder geval geen steun voor het verplaatsen dan, maar er is kennelijk al een meerderheid.
De voorzitter:
Er is een meerderheid. Wij zullen het debat aanstaande dinsdag direct na de regeling van werkzaamheden inplannen. Daarmee is er een einde gekomen aan de regeling van werkzaamheden. Ik schors voor tien minuten voor de appreciaties door het kabinet van de ingediende moties in de tweede termijn bij de wetsbehandeling. De vergadering is voor tien minuten geschorst.
De vergadering wordt van 18.52 uur tot 19.01 uur geschorst.
Novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en enige andere wetten met het oog op het handhaven van de mogelijkheden om maatregelen te nemen ten aanzien van overlastgevende vreemdelingen, het verruimen van de mogelijkheden tot ongewenstverklaring en het verhogen van het strafmaximum van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (novelle Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) (35501).
Termijn antwoord
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Aan het woord is de minister.
Minister Van den Brink:
Dank u wel, voorzitter. Eerst ga ik de zaken die nog moesten worden besproken rondom de amendementen even op orde brengen. Ik begin met het amendement op stuk nr. 34 van mevrouw Van der Plas. Zij legde een amendement neer over de verhoging van geldboetes, met allerlei toepassingen. Dit wordt niet proportioneel geacht. Om die reden ontraad ik dit amendement zoals dat is vormgegeven.
In het amendement op stuk nr. 35 van mevrouw Van der Plas doet zij het voorstel om in een wet te regelen dat een directeur kan bepalen dat een vreemdeling zijn zakgeld zou moeten gebruiken om schade die hij heeft veroorzaakt te vergoeden. Ik snap de bedoeling van het amendement. Ik wil eraan meewerken om dat op een goede manier opgeschreven te krijgen. Want door de manier waarop het nu is geformuleerd, kan het de indruk wekken dat de mogelijkheden die de directeur heeft om kwesties met de vreemdeling af te wikkelen, worden beperkt. Het gaat, denk ik, om de juridische vormgeving. Mogelijk bent u bereid om hierover contact te hebben met ons.
De voorzitter:
Dan constateer ik dat het amendement in de huidige vorm wordt ontraden, dat mevrouw Van der Plas met een gewijzigd amendement komt en dat de minister vervolgens voor de stemmingen komt met een nadere appreciatie.
Minister Van den Brink:
Zeker, zeker.
De voorzitter:
De moties.
Minister Van den Brink:
De moties, of nog een paar vraagjes.
De voorzitter:
O, gaat uw gang.
Minister Van den Brink:
In welke volgorde wilt u dat?
De voorzitter:
Wat voor u het handigst is.
Minister Van den Brink:
Dan draai ik het gewoon om.
Mevrouw Van der Plas had nog een vraag over de termijn en de gegevens. De regels voor het bewaren van gegevens zijn aangepast om de regelingen in lijn te brengen met de AVG. Gegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor het doel waarvoor ze zijn vergaard. Het doel is hier bewaring. Als de bewaring eindigt, moet de directeur van de inrichting die gegevens binnen een redelijke termijn verwijderen. Dat is zes maanden na het einde van de detentie. Het heeft eigenlijk vooral een AVG-achtergrond dat zes maanden als een redelijke termijn wordt gezien als het doel, namelijk de bewaring, is beëindigd. Dat was nog een vraag van mevrouw Van der Plas in de tweede termijn.
Dan heb ik hier nog een paar losse vragen, die deels samenhangen met het debat dat we gehad hebben over de uren en het amendement. Ik neem dan even twee vragen samen, namelijk de vraag van de heer Ellian en de vraag van mevrouw Straatman of het flexibel genoeg is wat betreft de uitvoering. Het is sowieso de bedoeling dat de terugkeermaatregelen uit deze wet direct in werking worden gesteld. Met de DJI en de uitvoerders hebben we afgesproken om voor de bewaring en de eisen daartoe een ingroeiperiode te hanteren, zodat we daarnaartoe groeien. Ik ga niet de maatregelen die hierin zitten en de uren invoeren op het moment dat we daar nog niet de personele capaciteit voor hebben aangepast. Dat is de reden dat we daar op een zorgvuldige manier mee omgaan. Daarmee hebben we ook voldoende flexibiliteit om dit te realiseren.
Dat is dan ook gelijk de brug naar een antwoord op de vraag van de heer Ellian, die vraagt: bij welk urencriterium bent u wel bereid om het amendement oordeel Kamer te geven? Daar is geen harde grens voor, maar wij willen geen risico's nemen waardoor deze wet mogelijk niet meer toepasbaar zou zijn. Ook dat is een uitvoeringskwestie. Ik snap heel goed welk vertrekpunt u kiest vanuit de uitvoering, maar deze wet moet ook uitvoerbaar blijven in juridische zin. Het insluitingsuur in die zin aanpassen, vinden wij een nieuw risico. Door er genoeg tijd voor te nemen, borg ik dat het in de uitvoering ook hanteerbaar is.
De voorzitter:
Twee interrupties. Mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Een hele korte vraag. De minister zegt: die flexibiliteit zit in het ingroeipad. Maar op het moment dat we op dat niveau zijn, is er dan ook nog flexibiliteit in het afbouwpad?
Minister Van den Brink:
Ik noemde dat ook al richting de heer Ceulemans, volgens mij. Dat is wel het geval op het moment dat je in een situatie zit waarin je er gewoon even niet uitkomt, maar niet in de structurele opzet van de bestuursrechtelijke vormgeving van deze vreemdelingenbewaring. We bouwen aan de situatie waarin we dat kunnen doen met voldoende inzet van personeel vanuit de DJI.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat is dus precies de situatie die we nu bijvoorbeeld in Alphen zien, namelijk dat we te weinig mensen hebben, dat je ruimte wil zoeken om te kunnen afbouwen en dat je daarin flexibel wil zijn. Dit vreemdelingenregime kan misschien binnen nu en een paar jaar goed op orde zijn, maar wat als de arbeidsmarkt na die twee jaar heel anders is? Ik wil daarvoor ook een goede regeling.
Minister Van den Brink:
Daarin komt natuurlijk ook bij elkaar wat de oorsprong van de wet is. De wet heeft als oorsprong dat we iets zouden herstellen wat we niet meer mochten volgens allerlei uitspraken. Dit is dus ook een soort correctie op die periode. U zegt: dan hebben we dat gerealiseerd, maar als er een nieuwe situatie komt, dan moeten we opnieuw handelen. In die zin is het voor mij geen principieel punt. Het gaat om de inschatting dat dit als voldoende bestuursrechtelijk wordt gezien. Dat is voor mij het ijkpunt. Dat de uitvoering daar een relevant onderdeel van is, neem ik zeer ter harte. Maar de uitvoering is vooral gediend bij een juridisch houdbaar stelsel. Dat heb ik hier neergezet.
De heer Ellian (VVD):
Even op dat punt. Er wordt nu door de minister een beetje gedaan alsof de aanscherpingen die door mijzelf of door collega Van der Plas of mevrouw Straatman zijn voorgesteld, ertoe leiden dat het net een strafrechtelijk regime wordt. Dan nodig ik de minister uit: laten we gaan kijken in een paar penitentiaire inrichtingen. Daar mag je niet zomaar op internet. Daar mag je je niet vrij bewegen. Daar mag je niet je eigen dagprogramma kiezen.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Ellian (VVD):
Ik snap dus niet zo goed waar die angst vandaan komt dat die twee uur langer ingesloten zijn ertoe zal leiden dat dit een te zwaar regime wordt.
Minister Van den Brink:
Dat probeer ik dus in alle zorgvuldigheid te verwoorden. De uren die men wordt ingesloten, zijn natuurlijk wel het meest onderscheidende criterium. Dat is het meest onderscheidende criterium waarop getoetst gaat worden en waar in het verleden uitspraken over zijn gedaan. Daar probeer ik nu zo zorgvuldig mogelijk mee om te gaan, omdat ik er zo veel waarde aan hecht dat we deze wet in stand houden en hem naar de eindstreep brengen, in parlementaire zin, maar ook in de uitvoeringszin, dus dat hij juridisch standhoudt. Ik zou mezelf niet willen bestempelen als voorzichtig in de manier waarop ik zoek naar ruimte en naar wat er kan, maar hierin ben ik misschien op dit moment wel even voorzichtig. Dat heeft vooral te maken met de oorsprong van deze discussie, namelijk: hoe kunnen we iets bestuursrechtelijk op orde brengen, zodat we niet het risico lopen dat we weer uitspraken krijgen die de boel onderuithalen?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ook op dit punt. Ik heb geen principieel bezwaar tegen het punt van de heer Ellian, maar ik heb de afgelopen jaren vaker meegemaakt dat de Kamer, tegen het advies van het kabinet in, iets wil en dat de rechter dat vervolgens terugfluit, waardoor je soms gewoon jarenlang stilstaat. Ik zou even aan de minister willen vragen of hij, ook voor de beoordeling, het volgende kan schetsen. Nogmaals, ik ben hier niet principieel op tegen. Maar er zal uiteraard worden geprocedeerd; dat kan ik me nu zo voorstellen. Als het afgewezen wordt, wat is dan het gevolg daarvan? Ik vraag dit zodat we als Kamer kunnen wegen of we dat risico willen lopen, met als gevolg dat we de keten alsnog niet op orde krijgen op dit vlak.
Minister Van den Brink:
Deze vraag nodigt uit om daar met grote woorden over te spreken, maar dat wil ik dus ook weer niet doen. Ik wil gewoon dat het standhoudt op de manier waarop we het nu aan het vormgeven zijn. Ik wil dus niet een soort risicoanalyse maken van wat er dan gebeurt. Ik kan alleen zeggen wat ik al herhaaldelijk heb gezegd. We corrigeren hier een situatie die niet meer mocht. Ik wil daarin dus geen risico's nemen. Ik wil dat niet in de waagschaal stellen. Dat is de meest simpele waarschuwing die ik op dit punt kan geven.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat deel ik. Nogmaals, ik ben niet principieel tegen het amendement. In principe denk ik: nou ja, waarom ook niet? Maar ik vind dit wel te licht van de minister, want straks gaan wij in de fracties overleggen. Ik denk dat door dit oordeel van de minister sommige partijen zullen zeggen: nou ja, dan nemen we dat risico wel. De minister schetst namelijk ook niet wat de gevolgen zijn voor dit land als we over een paar maanden wel met de uitspraken te maken hebben, die dit kabinet dan natuurlijk zal moeten gaan opvolgen. Ik doe dus toch nog een poging.
Minister Van den Brink:
Wat we …
De voorzitter:
Neeneenee. "Een poging …"
Minister Van den Brink:
Sorry.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De minister kent de fractiedynamiek. Hij weet ook dat men vooral wil. Het is zeer prijzenswaardig dat men dingen wil regelen, maar het heeft ook gewoon zware gevolgen op het moment dat het juridisch geen stand houdt. Ik ben dus toch even benieuwd. Stel je voor dat over een paar maanden, na procederen, blijkt dat dit op het punt van de heer Ellian geen standhoudt. Wat zijn daar dan de gevolgen van? Dan kunnen we dat binnen de fractie in alle breedte wegen.
Minister Van den Brink:
Sowieso denk ik dat de aanname klopt dat hierover geprocedeerd wordt. Laten we één ding vaststellen in dit domein — ik wist het al, maar na elf weken weet ik het nog meer — namelijk dat hier alles langs de lijn gaat van procedures, ook rechterlijke procedures. Uiteindelijk komt er dus een uitspraak van een rechter. Is dat een negatieve uitspraak, dan wordt daarmee het instrument ter discussie gesteld. En als het instrument ter discussie wordt gesteld, dan kan dat op heel veel manieren tot uiting komen, maar de meest zware vorm zou zijn dat je dit instrument niet meer mag hanteren. Onlangs is het Aroja-arrest verschenen. Dat heeft gewoon een directe werking voor mensen die er op dat moment langer dan de genoemde periode zaten. Zij werden dus in vrijheid gesteld. Als een juridische uitspraak zou volgen, dan is dat het meest vergaande effect. Daarom probeer ik in dit debat de hele tijd de balans te bewaken.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn beantwoording.
Minister Van den Brink:
De heer Ceulemans heeft nog gevraagd naar de ongewenstverklaring en het strafmaximum van twee jaar. Die termijn is aangepast. Die was drie jaar, maar is nu naar twee jaar gebracht. Dat wordt wel gezien als de maximale, proportioneel te hanteren termijn. Het gaat hier om een aan een vreemdeling op te leggen individuele ongewenstverklaring. Die moet natuurlijk onderbouwd worden, want hij mag niet meer inreizen, hij mag niet meer in Nederland zijn. Twee jaar wordt gezien als het maximale bij de proportioneel te nemen maatregelen.
Dat als slotvraag.
De voorzitter:
Ook van de heer Ceulemans? Dan kunt u die wellicht … Een slotvraag?
Minister Van den Brink:
O, nee. Dit is de slotvraag en dan ga ik naar de vraag van mevrouw Straatman. Dus dat is een andere vraag.
De heer Ceulemans (JA21):
De minister zegt dat dit wordt gezien als de ondergrens bij proportionaliteit, maar mijn vraag was eigenlijk of het met richtlijnen, verdragen et cetera botst als we die lager zouden leggen. Nu klinkt het alsof het gewoon een politieke afweging van Nederland is, zo van "als je die lager legt dan die twee jaar, dan vinden wij het niet meer proportioneel", terwijl er natuurlijk ook gewoon veel voordelen aan kleven. Je kunt dan namelijk mensen die structureel overlast geven maar wel onder die grens van twee jaar zitten, voortaan op een kan-basis de toegang tot Nederland ontzeggen. Botst het ergens mee als we die lager zouden leggen?
Minister Van den Brink:
De ongewenstverklaring is op zichzelf een nationale maatregel. Dat is onze maatregel hier. Daarmee is het ook onze weging van proportionaliteit. Eerder hadden we die op drie jaar gelegd, maar die wordt nu naar twee jaar gebracht. Dat wordt dan wel als de ondergrens gezien.
Mevrouw Straatman heeft mij een college gegeven over artikel 18 van de Terugkeerrichtlijn. De Terugkeerrichtlijn staat inderdaad toe dat in noodsituaties kan worden afgeweken van de bewaringsregels. Met deze mogelijkheid zouden we in noodsituaties vreemdelingen in een gewone gevangenis kunnen onderbrengen. Het moet volgens de richtlijn wel gaan om onverwachte situaties. Het artikel geeft expliciet aan dat lidstaten dit niet mogen gebruiken om de Terugkeerrichtlijn te omzeilen. De ruimte is dus echt beperkt.
Indertijd heeft het kabinet er niet voor gekozen om deze mogelijkheid te implementeren. In de Terugkeerverordening die eraan komt, is dit evenwel ook opgenomen. Omdat die Terugkeerverordening een directe werking heeft, kunnen we zodra de verordening van toepassing wordt, gebruikmaken van deze mogelijkheid. Op die manier heeft u mij dus geholpen om iets wat ik nog niet wist, op te lossen. Dank daarvoor.
Ik kom aan bij de moties.
De eerste motie is de motie op stuk nr. 36 van mevrouw Westerveld. Zij verzoekt de regering om voor de zomer aan de Kamer een concreet plan voor te leggen. Wij zijn al bezig met een plan voor een alternatief voor Veldzicht. Om dit op zorgvuldige wijze te realiseren hebben wij meer tijd nodig dan de tijd die zij ons geeft. Om die reden is de overgangsperiode die in eerdere moties aan de orde kwam, verlengd. Een concreet plan voor de zomer is vooralsnog niet te realiseren. Om die reden zou ik deze motie nu moeten ontraden. Vergeet niet dat dit debat zeker een vervolg krijgt, of bij ons of bij de commissie VWS.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik verbaas me daar wel over, want hierop werd door de Kamer al eind 2024 in moties van mevrouw Lahlah en van mevrouw Podt gewezen. De Kamer riep breed op te voorkomen dat het aantal bedden al zou worden afgebouwd terwijl er nog geen alternatief is. In de laatste brief van de minister las ik dat er nog geen alternatief is, terwijl 2027 al wel als deadline is gesteld. Mijn vraag aan de minister is of hij dan in ieder geval af wil stappen van die deadline van 2027, want als er nog geen passend alternatief is, vind ik het echt een heel groot risico, voor de mensen zelf, maar ook voor onze samenleving, als deze doelgroep geen passende psychiatrische hulp krijgt.
Minister Van den Brink:
Ik denk dat ik misschien geholpen ga worden door een appje op mijn telefoon. We gaan niet zomaar afschalen. We hebben daar nog steeds bedden beschikbaar, om het zo te zeggen. Het is dus niet zo dat dat allemaal in één keer vervalt. Dit blijft natuurlijk een onderdeel van het gesprek met Veldzicht en de partijen die we nodig hebben om daar een andere vorm en inhoud aan te geven. Maar volgens mijn parate kennis is het niet zo dat dit zomaar, ineens, vervalt. Dit is echt wel een onderdeel van het overleg dat we continu met elkaar voeren. Ik ga daar overigens binnenkort op bezoek en ga daarover dan ongetwijfeld meer in overleg. Dat kan dan een reden zijn om u opnieuw te informeren.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
In de laatste brief, van mei, zegt deze minister dat die deadline van 1 april 2026 niet gaat lukken en dat daarom is besloten om die overgangsperiode te verlengen tot 1 januari. In diezelfde brief zegt de minister ook dat we nog in gesprek zijn over allerlei alternatieven. Dat stelt mij niet gerust, want er wordt wel gesteld dat er wordt afgebouwd, maar we hebben nog geen alternatieven. Daarom heb ik deze motie op deze manier geformuleerd, om ook recht te doen aan die eerdere uitspraak van de Kamer.
Minister Van den Brink:
Laat ik in die zin toezeggen dat als ik die gesprekken verder heb gebracht en weet wat een nieuw moment kan zijn om dat wel te realiseren, ik u daar zo snel mogelijk over informeer. Maar we zijn dus nog steeds in gesprek. Ik heb daar nu gewoon niet een andere deadline voor dan die waarover we eerder hebben gecommuniceerd. En dit alles nog steeds in de wetenschap dat we niet zomaar stoppen met iets; het blijft een onderdeel van het overleg dat we hebben.
De voorzitter:
De tweede motie, die op stuk nr. 37.
Minister Van den Brink:
Die is van de heer Van Dijk, de heer Ceder en de heer Ceulemans, om op de kortst mogelijke termijn te reageren op de Algemene Rekenkamer. Dat is denk ik ook noodzakelijk voor wat er is gevraagd. Dus deze motie geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 37 krijgt oordeel Kamer. Nu de motie op stuk nr. 38.
Minister Van den Brink:
Deze motie van de heer Russcher vraagt mij om onderzoek te doen naar allerlei publieke en Europese financiering bij ngo's en belangenorganisaties. Ik zie dat niet als mijn klus. Kijk, u kent de financiering van de sociale advocatuur. Die is terug te vinden in de begrotingen. Maar wat daarbuiten gebeurt, is geen onderdeel van onderzoek. Om die reden ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 39.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 39 is van mevrouw Vondeling en de heer Ceulemans. Dit is eigenlijk hetzelfde als wat we net al bespraken: hoever de insluitingsduur kan worden verlengd. Ik heb daar net al wat over gezegd. Om die reden ontraad ik deze motie op stuk nr. 39.
De voorzitter:
De vijfde motie, die op stuk nr. 40.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 40 vraagt om de kosten die gemaakt zijn voor een geplande uitzetting te verhalen op de vreemdelingen. Ik vind echt dat dit eigenlijk meer een uitvoeringsafweging is. Er is geen juridisch beletsel, maar elke keer dat dit gepoogd is, waren de kosten om te verhalen hoger dan het resultaat. En dat resultaat is vaak nul. Dus er is niet een juridisch beletsel, maar gewoon gelet op de uitvoering en de ervaringen daarmee ontraad ik deze motie, omdat ik daar geen direct resultaat van verwacht.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 40: ontraden. De motie op stuk nr. 41.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 41. Wij sluiten geen enkele luchthaven uit, maar het is ook weer geen doel op zich dat het per se vanaf die plek moet. We moeten wel naar bepaalde lidstaten of landen kunnen vliegen om mensen uit te kunnen zetten, en ik ga niet over de exacte slots. Om die reden ontraad ik de motie op stuk nr. 41.
De voorzitter:
Nu de motie op stuk nr. 42.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 42, dat is het hele debat dat mevrouw Van der Plas met mij heeft gevoerd over het leefgeld in de inrichting. Ik ontraad deze motie. Dit is gewoon echt hoe in de uitvoering de beheersbaarheid van de instelling wordt geborgd.
De motie op stuk nr. 43 van de heer Van Baarle vraagt om de medische gevolgen van toepassing van lockdownmaatregelen onafhankelijk ... Daar hebben we net een debat over gehad. Dit wordt al beperkt tot het noodzakelijke en daar voegt een evaluatie niets aan toe. Dus die motie ontraad ik.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 43: ontraden.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 44 over de uitzonderingsbevoegdheden. Die ontraad ik. Ik heb het amendement van de heer Van Baarle al oordeel Kamer gegeven.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 45.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 45 vraagt te waarborgen dat personeelsproblemen, capaciteitsproblemen of organisatorische problemen nooit zelfstandig aanleiding vormen voor toepassing van vergaande beperkingen van bewegingsvrijheid of dagbesteding. Dit geldt al voor de afwijkingsbevoegdheid en de lockdown. Voor de andere in de motie genoemde punten kun je dat niet zo hard toezeggen. Ik heb er net al met andere Kamerleden het debat over gevoerd dat er in de uitvoering altijd keuzes gemaakt moeten worden als er sprake is van ziekte of andere organisatorische problemen. Om die reden ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 45 is ontraden. Dan de motie op stuk nr. 46.
Minister Van den Brink:
De heer Van Baarle verzoekt de regering bij de uitvoering van de wet het bestuursrechtelijke en humane karakter van vreemdelingenbewaring expliciet centraal te stellen. Dat is het hele bestaansrecht van deze wet, dus deze motie krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 46 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 47, van de heer Ceder, vraagt om bij deze wet een invoeringstoets te doen. Ik snap dat dat, ook gelet op alle uitvoeringsvragen, een goede manier is om er over twee jaar naar te kijken. Dan doen we dat wel na volledige inwerkingtreding, want dan zien we ook echt hoe het is uitgepakt. Deze motie krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 47 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 48 loopt eigenlijk op de zaken vooruit. Tegenwoordig mag je dan het woord "ontijdig" gebruiken vanaf deze plek.
De voorzitter:
Formeel vraagt u de heer Ceder dan of hij bereid is om de motie aan te houden, en als hij dat niet is, kunt u de appreciatie "ontijdig" geven.
Minister Van den Brink:
O, sorry. Dat wist ik niet. Dan heb ik weer wat geleerd.
De voorzitter:
Ja.
Minister Van den Brink:
Maar even inhoudelijk: ik kom met een plan van aanpak voor de openstaande aanvragen. Daarin maak ik een heel aantal keuzes. Het tweede punt uit het dictum, om bij de augustusbesluitvorming voldoende middelen ter beschikking te stellen, is nu sowieso niet aan de orde. De middelen die in het coalitieakkoord staan, moeten gewoon voldoende zijn, want we hebben stabiele financiering geregeld. De andere keuzes volgen in het plan van aanpak. Om die reden is de motie nu ontijdig, omdat ik met een plan van aanpak kom. Op het tweede punt zou ik de motie ontraden.
De voorzitter:
Is de heer Ceder bereid om de motie aan te houden?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik begrijp dat het plan van aanpak er al over een paar weken is?
Minister Van den Brink:
Ja, over twee weken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Over twee weken?
Minister Van den Brink:
Morgen over twee weken, ja.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan houd ik de motie aan.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Ceder stel ik voor zijn motie (35501, nr. 48) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Is de minister daarmee aan het einde van zijn tweede termijn gekomen?
Minister Van den Brink:
Nou, ik had dus de planning om hier de hele dag te blijven, tot vanavond laat, dus ik ben nu wel op zoek naar een activiteit.
De voorzitter:
Daag de Kamer niet uit, hè, excellentie, daag de Kamer niet uit!
Minister Van den Brink:
Oké. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u voor uw aanwezigheid en de beantwoording van de gestelde vragen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van deze wet.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik wijs de leden erop dat de stemmingen over de amendementen, de moties en het wetsvoorstel zullen plaatsvinden op dinsdag 2 juni. Ik sluit de vergadering van donderdag 21 mei.
Sluiting
Sluiting 19.23 uur.