Plenair verslag
Tweede Kamer, 70e vergadering
Dinsdag 19 mei 2026
-
Begin14:00 uur
-
Sluiting21:03 uur
-
StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van Campen
Aanwezig zijn 148 leden der Kamer, te weten:
El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, De Beer, Belhirch, Van den Berg, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, Martin Bosma, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Coenradie, Dassen, Dekker, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Ergin, Faber, Flach, Goudzwaard, Graus, Grinwis, Van Groningen, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Jagtenberg, Chris Jansen, Jumelet, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lahlah, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maeijer, Maes, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Van Meijeren, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Müller, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Ouwehand, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Poortman, Prickaertz, Raijer, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schenk, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Verkuijlen, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vondeling, De Vos, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,
en mevrouw Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, mevrouw Van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei, en de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid.
De voorzitter:
Ik open de vergadering van dinsdag 19 mei 2026.
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Synhaeve
Vragen van het lid Synhaeve aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht "Zeer ernstige en langdurige kindermishandeling in Groningen: meisje (6) moest braaksel eten".
De voorzitter:
Aan de orde zijn de mondelinge vragen. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Synhaeve voor haar mondelinge vragen namens de fractie van D66 aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, die ik van harte welkom heet in ons midden, in vak K. Het woord is aan mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik begrijp dat in dit hele gebouw de printers het niet doen. Vandaar dat ik mijn iPad mee naar voren heb.
Voorzitter. Soms moet je als politiek woorden geven aan iets waar eigenlijk geen woorden voor zijn. Vandaag vind ik dat ontzettend moeilijk. Het gaat om twee kinderen die hadden moeten opgroeien in een fijn en veilig thuis. In plaats daarvan werd een 6-jarig meisje zo zwaar toegetakeld dat zij in het ziekenhuis in een kunstmatige coma moest worden gehouden. Ze moest haar eigen braaksel eten, werd kaalgeschoren en werd met een bezemsteel geslagen. Ze kreeg te weinig eten, net als een 7-jarige jongen, en werd opgesloten in een kelder.
Het is niet voor te stellen door welke hel deze kinderen zijn gegaan. Deze kinderen waren volledig afhankelijk van volwassenen, van instanties, van een overheid die er had moeten zijn, maar hard heeft gefaald. Dat is om ontzettend kwaad van te worden. De signalen waren er namelijk al anderhalf jaar lang. Het meisje sprak zich dapper uit op school. Er zijn meldingen gedaan bij Veilig Thuis. Er lagen rapporten. Er lagen adviezen. Toch heeft het anderhalf jaar lang geduurd voordat er is ingegrepen. Dit had nooit mogen gebeuren.
Daarom begin ik met de volgende vragen aan deze minister. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Waarom zijn deze moeders niet eerder opgepakt? Hoe gaat het nu met deze kinderen? Zijn ze nu wel veilig? Ik lees namelijk dat ze zijn ondergebracht bij Jeugdbescherming Noord en de William Schrikker Stichting, twee organisaties die tot voor kort nog onder toezicht stonden vanwege achterblijvende zorg en dienstverlening. Kan de minister garanderen dat ze daar nu veilig zijn en dat ze de beste zorg krijgen?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Sterk:
Voorzitter. Ik kan mij aansluiten bij de woorden die zojuist zijn uitgesproken: het is een afschuwelijke gebeurtenis. Ik vind het echt onbestaanbaar dat een moeder haar kind op deze manier kan mishandelen. Het roept natuurlijk herinneringen op aan eerdere gebeurtenissen waar we ook in deze Kamer over hebben gesproken. De gruwelijke details van wat wij hier net hebben gehoord, doen ons afvragen hoe dit opnieuw heeft kunnen gebeuren. Waarom heeft het zo lang geduurd voordat er is ingegrepen? Deze vragen heb ik ook. Het is ongelofelijk belangrijk dat de onderste steen boven komt. Wij staan op dit moment in nauw contact met alle instanties die hierbij betrokken zijn, om te zorgen dat wij zo snel mogelijk, maar wel zorgvuldig te weten komen hoe we hier zo hebben kunnen falen met elkaar en hoe het zover heeft kunnen komen dat deze kinderen nu bij hun ouders zijn weggehaald. Gelukkig zijn ze nu veilig; dat kan ik inderdaad zeggen. Ik heb daarover ook contact met mijn collega Van Bruggen van Justitie, die contact heeft met de GI's. Ik kan zeggen dat ze op dit moment veilig zijn én — dat is het andere ontzettend belangrijke en het eerste wat we nu kunnen doen — dat deze moeders in hechtenis zijn in afwachting van een strafrechtelijk onderzoek.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Nu kwamen de geprinte blaadjes binnen.
Voorzitter. De minister refereerde er net ook al aan: de vraag stellen hoe dit heeft kunnen gebeuren, is eigenlijk de vraag stellen hoe dit opnieuw heeft kunnen gebeuren. Want we hebben dit debat helaas al gevoerd. Keer op keer trekken we met elkaar de conclusie dat het systeem faalt en dat we onze meest kwetsbare kinderen in de steek laten. Dat is onacceptabel, omdat we weten dat het anders en beter kan. Elke keer gebeurt namelijk hetzelfde: Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming wijzen allemaal naar elkaar. Daarom pleiten we er allang voor om te zorgen dat er nou eindelijk eens één organisatie komt, die ook eindverantwoordelijkheid draagt en aanspreekbaar is als het fout gaat, in plaats van dit doolhof aan organisaties. We zien namelijk waar dat doolhof toe leidt: kinderen die we moeten beschermen, beschermen we niet of veel te laat en daar voelt niemand zich op dit moment verantwoordelijk voor. Daarom heb ik de volgende vraag aan de minister. Veilig Thuis vindt dat hen niets te verwijten valt. Deelt de minister deze opvatting, als anderhalf jaar lang signalen bij Veilig Thuis niet tot actie hebben geleid? Hoe zorgt de minister ervoor dat er één verantwoordelijke organisatie komt en dat die er snel komt? Hoe zorgt de minister ervoor dat Veilig Thuis wel binnen vijf dagen actie onderneemt? Geen enkel kind mag namelijk wachten op bescherming.
Minister Sterk:
Ook ik heb mij afgevraagd hoe dit heeft kunnen gebeuren. Dat Veilig Thuis niets te verwijten valt, is wat mij betreft een veel te vroegtijdige conclusie. Daarom is het ontzettend nodig dat we nu goed gaan kijken naar wie er gehandeld heeft, wat er gebeurd is en vooral naar wat er niet gebeurd is. We moeten kijken hoe we het in de toekomst gaan veranderen. U vroeg terecht hoe we ervoor kunnen zorgen dat er een soort eigenaarschap ontstaat en hoe we ervoor kunnen zorgen dat, als er zoiets gebeurt, iemand zich verantwoordelijk voelt om ervoor te zorgen dat die kinderen in veiligheid komen en dat er wordt geacteerd. Dat is een vraag die wij op dit moment bespreken met al die organisaties die hier een rol in spelen. U noemde al Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming, maar ook de sterke lokale teams spelen daarin een rol. Dat doen wij met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Op 8 juli hebben wij een laatste overleg met deze organisaties. Ik zal u meteen daarna doen toekomen welke acties wij in gang gaan zetten om ervoor te zorgen dat de hele keten, waarin dit plaatsvindt en waarin mensen moeten samenwerken om zo snel mogelijk in te kunnen grijpen als dat nodig is, gewoon goed gaat werken. Daarbij hoort ook de vraag waarom het niet lukt of waarom het niet gebeurt. We weten niet of dat in dit geval wel of niet zo is geweest, maar er moet binnen vijf dagen gehandeld worden.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Wat hier gebeurt, maakt me echt heel kwaad en verdrietig. Ik denk dat dit bij heel veel mensen in Nederland leeft. Voor mij en voor heel veel mensen geldt dat we de afgelopen dagen onze eigen kinderen nog een extra knuffel gegeven hebben, wetende dat we daarmee helaas niet alle kinderen kunnen beschermen. Het is goed dat de minister aangeeft dat er gekeken gaat worden naar het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, maar we weten ook dat we daar al jaren mee bezig zijn en dat we dat al jaren tegen elkaar zeggen. Hoe gaan we ervoor zorgen dat we daar nu echt keuzes in durven te maken en dat we snelheid maken, want het leidt ertoe dat we onze kinderen niet en onvoldoende beschermen. Ik hoop dat de minister daar ook op terug kan komen in de informatie die naar onze Kamer toe komt.
Minister Sterk:
Ik ben ook boos, net als u. Ook ik vind dat we dit zo snel mogelijk moeten oplossen. De weg die we in ieder geval nu lopen, is dat wij ervoor gaan zorgen dat de Kamer voor de zomer hoort welke acties we gaan nemen om ervoor te zorgen dat de hele keten beter gaat samenwerken. Ik ben blij dat we vandaag in ieder geval kunnen zeggen dat de kinderen veilig zijn en dat er goed voor hen wordt gezorgd. Volgens mij is dat op dit moment echt het allerbelangrijkste.
De heer Bikkers (VVD):
Tot iets meer dan een jaar geleden was ik zelf wethouder in Vlaardingen. Daar heb ik van dichtbij meegemaakt wat een impact het op een samenleving heeft als er zoiets gebeurt. We zeiden daar: dit nooit meer. Ook in deze Kamer zeggen we dat elke keer. Elke keer hebben we het in deze Kamer weer over een incident. Wat mij betreft is het geen incident, maar een patroon. Mijn vraag is dan ook de volgende. Jeugdbescherming Noord stond onder verscherpt toezicht. Wat hebben we nog meer nodig om te voorkomen dat we hier over een jaar weer staan? Welke stappen kunnen we echt in het systeem zetten om deze hulpeloze kinderen te helpen en beschermen en om ervoor te zorgen dat dit niet meer gebeurt?
Minister Sterk:
Wat betreft die ondertoezichtstellingen: dat klopt. Het goede is dat de inspectie daar nu op meekijkt, met alle slechte dingen die je daar natuurlijk verder over kunt zeggen. Ik deel het gevoel dat we er morgen voor moeten zorgen dat dit niet meer gebeurt. U bent ook wethouder, dus bestuurder, geweest, dus u weet ook dat sommige dingen zich niet in één dag laten oplossen. Veel van dit soort dingen gebeuren helaas achter gesloten deuren. Dat is het trieste hiervan. Heel veel kinderen, ook vandaag de dag, zitten misschien in moeilijkheden zonder dat de samenleving daarvan weet. Het is dus allereerst belangrijk dat er gemeld wordt. Als mensen het gevoel krijgen dat iets niet pluis is en dat er zaken gebeuren, is het belangrijk dat er gemeld wordt. Ook is het duidelijk dat er vervolgens geacteerd moet worden. Daar zijn we nu met al die partijen naar aan het kijken. We zijn al heel ver. Voor de zomer laat ik u weten welke acties we daarin gaan ondernemen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Eigenlijk zou ik het liefst willen dat er morgen iemand in de auto stapt en gewoon eens even langs al die gezinnen rijdt. We horen de excessen. Die komen naar boven. Dat is zo verschrikkelijk. Dat maakt dat hier sprake is van een patroon. Het functioneren van Veilig Thuis roept bij ons helaas al veel langer ernstige zorgen op. Om die reden wil ik graag de minister vragen of zij kan toezeggen dat parallel aan de lopende onderzoeken, op korte termijn onderzocht kan worden hoe onafhankelijk toezicht op Veilig Thuis kan worden ingericht, expliciet kijkend naar de mogelijkheden voor een onafhankelijk toezichthouder die Veilig Thuis daadwerkelijk kan controleren, aanspreken en bijsturen.
Minister Sterk:
In het hele traject dat we nu dus doorlopen, zijn we inderdaad aan het kijken naar de positie van Veilig Thuis. We zien gelukkig dat ze meer adviesaanvragen en meldingen krijgen. Dat is goed nieuws. Aan de andere kant zien we ook dat die niet altijd leiden tot interventie. We moeten natuurlijk snappen waar dat aan ligt. Er moet goed meegekeken worden. Dat is allemaal onderdeel van dat traject. Ik wil u toezeggen dat ik hier aandacht aan zal besteden in de brief die wij u sturen over de acties die we gaan ondernemen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het is weer ongelofelijk wat we het afgelopen weekend weer hebben moeten horen. Je wordt er misselijk van. Ik vraag aan de minister: hoeveel rapporten, inspecties, evaluaties en debatten zijn er nodig voordat die kinderen die in gevaar zijn écht worden beschermd?
Minister Sterk:
Wat mij betreft geen, want volgens mij heeft elk kind recht op bescherming en veiligheid. Dat zijn we gewoon aan ze verplicht. We weten dat dit helaas niet het geval is. Wij kunnen niet bij mensen achter de voordeur kijken. We hebben de dure plicht om, als we dat wel doen en zien dat daar dingen niet goed gaan, goed te interveniëren en te zorgen dat deze kinderen in veiligheid komen. Daar zet ik mij op dit moment hard voor in, samen met al die organisaties die daar een rol in hebben. Nogmaals, ik zal voor de zomer aangeven welke concrete acties we daarin gaan ondernemen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Weet u, iedere keer horen we: de keten moet beter werken en samenwerken. Maar de kinderen die nu in onveiligheid zitten, die hebben daar niks aan. Die hebben niks aan die ketentaal. Er wordt nu weer gekeken. Veilig Thuis heeft allemaal zaken die het moet en kan doen, maar het wordt gewoon niet gedaan. Er wordt structureel te laat ingegrepen. Er worden signalen afgegeven waar niet op wordt gereageerd. Daar moeten we nu wat aan gaan doen. Ik wil gewoon van de minister weten wie hiervoor de verantwoordelijke gaat zijn. Voelt u zich hier zelf verantwoordelijk voor? Hoe zit dat?
Minister Sterk:
Dat er bij deze gebeurtenissen dingen niet goed zijn gegaan, is afschuwelijk. Daarvan wil ik ook weten hoe we dat in de toekomst anders kunnen gaan doen. Daar hebben de kinderen van vandaag niks aan, maar dat zijn we wel verplicht aan de kinderen die mogelijk nog in deze situaties zitten. Ik wil ook wel het beeld rechtzetten dat er niks goed gaat en dat elk kind over wie een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis onveilig is. Er zitten daar heel veel mensen die met heel veel hart voor de zaak écht hun best doen om te zorgen dat de adviesvragen en meldingen terechtkomen bij de goede mensen. Maar we zien ook dat die samenwerking niet altijd goed genoeg loopt. Daarom zijn we ook aan het kijken hoe we dat kunnen verbeteren, zodat we veel eerder kunnen ingrijpen en er niet tevergeefs wordt gemeld.
De heer Hamstra (CDA):
De neiging bestaat nu natuurlijk om die casus in te duiken en dat snap ik ook heel goed. Ik moet heel eerlijk zeggen dat ook mijn maag omdraaide toen ik het nieuwsbericht las. Ik vond het verschrikkelijk om te lezen. Ik ben heel erg blij dat er nu een strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt vanuit het OM. We vinden het heel belangrijk dat kinderen veilig opgroeien in gezinnen. Gisteren kwam toevallig ook de Staat van Gezinnen 2026 uit. Kan de minister een reflectie geven op hoe we gezinnen misschien nog beter kunnen stutten in combinatie met de aansluiting op passende en toereikende jeugdzorg? Als dat nu niet lukt, zou zij dat dan kunnen meenemen in de brief die voor de zomer deze kant op komt?
Minister Sterk:
Dat laatste kan ik sowieso toezeggen. Wij zijn ook bezig om die sterke lokale teams te maken, waarbij je als er een vraag binnenkomt, niet alleen kijkt naar een kind, maar naar een heel gezin. Ook daar heb ik vragen over bij deze casus: wat speelde er nou in het gezin, is dat voldoende op waarde geschat en hebben we niet te lang gewacht met ingrijpen? Dus ja, die toezegging wil ik doen. Ik denk dat dat ontzettend belangrijk is.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het lijkt wel alsof we hier elke paar maanden staan na een verschrikkelijke mishandeling van een kind dat beschermd had moeten zijn en waarvan er al signalen waren dat er iets misging. Dan is het toch misgegaan en is er toch niet ingegrepen, met ontzettend onmenselijke gevolgen voor die kinderen van dien. Dan zegt deze staatssecretaris …
De voorzitter:
Minister.
Mevrouw Dobbe (SP):
Minister, excuses. Dan zegt deze minister: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Ze zegt ook: we kunnen het niet binnen een dag oplossen. Maar blijkbaar kan dat ook niet binnen zeven jaar. De inspectierapporten — dat waren volgens mij niet eens de eerste rapporten — van zeven jaar geleden zeiden namelijk al: "Het gaat mis in dit systeem. Het gaat mis. We kunnen dit niet meer goed doen." Is de minister het met mij eens over het volgende? Het is namelijk een fundamentele vraag: heeft de politiek hier gefaald?
Minister Sterk:
Of de politiek hier gefaald heeft, moeten we zien in deze zaak. Nogmaals, ik denk dat het heel erg belangrijk is dat we eerst de feiten op tafel krijgen voordat we allerlei aannames doen, behalve de aanname dat hier iets heel erg mis is gegaan, over hoe het heeft kunnen plaatsvinden. Ik denk dat wij, in ieder geval als politiek, met elkaar alles doen om te zorgen dat dit soort dingen niet meer kunnen gebeuren. Dat is ook gewoon een hele complexe zaak. Dat blijkt ook wel weer, want anders zouden we hier vandaag niet staan. Ik voel het als mijn dure plicht om er alles aan te doen om ervoor te zorgen dat we zo goed mogelijk regelen dat de kans dat zoiets gebeurt zo klein mogelijk is. Dat doe ik overigens samen met de staatssecretaris van JenV, die hier natuurlijk ook een deel van de verantwoordelijkheid draagt. Ik durf niet te zeggen dat dit nooit meer zal gebeuren, want die garanties kunnen we gewoon niet geven. Ik heb wel de plicht en het gevoel dat we daar echt het noodzakelijke aan doen, wat moet en kan gebeuren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit vind ik toch problematisch. Ik denk namelijk dat als we de antwoorden van precies een jaar geleden of van zeven jaar geleden terughalen, we zien dat de bewindspersonen toen ongeveer hetzelfde zeiden. Ik hoor ook deze minister zeggen: we doen er alles aan; de onderste steen moet boven. Maar ondertussen wordt het systeem niet fundamenteel gewijzigd. Op het moment dat deze minister zegt dat we nog maar even moeten zien of de politiek hiervoor verantwoordelijk is en of de politiek heeft gefaald, is dat problematisch. Het stelsel dat faalt, is namelijk ook de politiek die faalt. De minister neemt dan geen verantwoordelijkheid voor wat hier nu gebeurt. Dan kan de minister ook geen verantwoordelijkheid nemen voor een echte oplossing hiervoor. Wat is daarop het antwoord van deze minister?
Minister Sterk:
Laten we beginnen met vaststellen dat vooral de moeders die dit hebben gedaan verantwoordelijk zijn. Deze mensen, die dit hun kinderen aandoen, zijn ziek in hun hoofd. Wij moeten er alles aan doen om te voorkomen dat dit soort dingen opnieuw kunnen gebeuren of met andere kinderen kunnen gebeuren. Ik ben verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat we met alle partijen die hieraan werken de kans dat dit kan gebeuren zo klein mogelijk maken. Maar ik ga hier niet een garantie geven dat dit nooit meer kan gebeuren; dat kan gewoon niet. Maar ik ben inderdaad verantwoordelijk om toe te werken naar de best mogelijke oplossing. Daar zijn we volgens mij allemaal verantwoordelijk voor, ook u als Kamer.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Bij deze berichten schrok ik mij dood, alweer, voor de zoveelste keer. Weet u wanneer de zaak van het Meisje van Nulde was? Dat was in 2001. We zijn ondertussen 25 jaar verder. We zijn 25 jaar verder, en er is niks veranderd! Ik zal nog een paar namen opnoemen. Dat zijn de namen van Savanna, Jessica, Sharleyne, baby Rivano en het pleegmeisje uit Vlaardingen. Als we het als overheid niet voor elkaar kunnen krijgen om dit probleem na 25 jaar op te lossen, kunnen we de tent hier net zo goed sluiten. Ik vraag aan de minister: ziet u dat ook zo? Ik wil van deze minister binnen een week een concrete oplossing, echt binnen een week. Ik wil weten wat u gaat doen, wat u gaat inzetten en met wie u gaat praten, zodat dit nooit, maar dan ook nooit meer kan gebeuren en ik hier niet elke keer hoef te staan voor de rest van mijn Kamerlidmaatschap.
Minister Sterk:
Op die laatste vraag heb ik al antwoord gegeven. Dat hebben we vandaag en de afgelopen dagen al gedaan. We hebben gesproken met alle instanties die hier een rol in hebben. Er lopen op dit moment twee soorten onderzoeken. Er loopt namelijk een strafrechtelijk onderzoek naar de kindermishandeling en de wederrechtelijke vrijheidsberoving door de moeder en aan de andere kant is de inspectie nu bezig om de feiten op een rij te krijgen. Die zal deze week laten weten welke stappen ze gaan nemen. Dat is wat ik op dit moment kan doen. Ik denk dat het van belang is dat we goed in beeld krijgen wat er precies is misgegaan. Daar zijn we dus mee bezig. Maar we zullen er ook van moeten leren. We moeten leren wat we daardoor anders gaan doen. Dat wil ik u toezeggen. Daar zijn we vandaag al mee bezig.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Er is al veel gezegd over deze verschrikkelijke situatie. Dat ga ik niet herhalen. Er zijn verschillende meldingen gedaan, maar toch hebben twee kwetsbare kinderen maandenlang in deze vreselijke situatie gezeten. De minister geeft aan dat mensen het moeten melden, maar dat hebben ze gedaan. Kan de minister toezeggen dat zij mee gaat nemen dat er een wettelijke terugmeldplicht komt voor Veilig Thuis naar de melders?
Minister Sterk:
Ik wil in ieder geval toezeggen dat ik daar in de brief verder op inga. Ik begrijp dat we alles moeten onderzoeken, zodat we beter weten wat er gebeurt als er meldingen worden gedaan en zodat die echt opvolging krijgen. Dat is volgens mij de achterliggende vraag die u stelt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dit is geen incident. Het is het topje van de ijsberg. Duizenden kinderen wonen in Nederland en leven in gevaarlijke situaties. Dat weten we al sinds 2019. Toen trokken inspecties aan de bel en zeiden ze: politiek, grijp in, want het stelsel van jeugdzorg en jeugdbescherming loopt helemaal vast. Ik herinner me nog het debat van vorig jaar, toen we hier met z'n allen riepen … Alle partijen waren toen boos over het pleegmeisje uit Vlaardingen. Daar zijn al die oplossingen al besproken. Er is gesproken over een terugkoppeling. Er is gesproken over kortere lijnen. Er is gesproken over een toekomstscenario. Maar vervolgens zagen we dat er verder werd bezuinigd op de jeugdbescherming.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag aan de minister is: kan ze één, één echt concreet punt noemen dat sinds het debat van vorig jaar over het pleegmeisje in Vlaardingen nu echt is veranderd en dat deze kinderen heel concreet helpt?
Minister Sterk:
Er zit wel een verschil tussen het geval — ik moet "de gebeurtenis" zeggen — in Vlaardingen en dat waar we vandaag mee te maken hebben, namelijk dat het daarbij vooral ging over pleegzorg en de samenwerking met de jeugdbescherming en het hierbij gaat over moeders die hun eigen kinderen mishandelen. We moeten dus naar een ander type kijken. Er werd ook al gezegd dat er gesproken werd over een andere vorm van kindermishandeling. Ook dat moeten we gaan onderzoeken. Er zijn op dit moment een heleboel acties in gang gezet. De toekomstscenario's waarmee we nu bezig zijn, zijn een van die acties. Volgens mij is dat een ontzettend belangrijke. Waar het namelijk om gaat, is dat zo'n melding niet mag blijven liggen, dat die wordt opgepakt, dat er vervolgens mee aan de slag wordt gegaan en dat als het nodig is, die kinderen zo snel mogelijk in veiligheid worden gebracht. Er gebeurt dus van alles. We hebben echt een hele lijst van dingen die we hebben afgesproken en waar we mee bezig zijn. Ik kan u die voorlezen, maar dat lijkt me voor de mondelinge vragen wat ver gaan. Maar we zijn er nog niet. Dat laat vandaag ook wel weer zien. Dat betekent dus dat we alles moeten gaan doen om dit nog meer te verbeteren, ervoor te zorgen dat die samenwerking goed tot stand komt en dat geen kind tevergeefs om hulp vraagt of niemand iets tevergeefs meldt en er dus hele ernstige dingen kunnen gebeuren.
De heer Struijs (50PLUS):
Een vraag aan de minister na dit afschuwelijke incident: hebben we hier te maken met een structureel probleem? Onzes inziens is dat zo. Een tweede vraag die ik hieraan koppel is de volgende. Mensen in de uitvoering van Veilig Thuis geven massaal bij mij aan dat er geen veilige werksituatie is en dat de directie aan het praten is met juristen en niet met hen. Ze voldoen namelijk niet aan allerlei termijnen. Ze kunnen geen valide eerste inschatting maken. Dan wil ik nog een derde vraag heel graag beantwoord hebben. De politie klaagt steen en been bij mij dat zij veel te laat is geïnformeerd en dat dit ook een patroon is dat steeds terugkomt in het hele land. Kortom, is dit nu een structureel probleem? Is de minister bereid om daarnaar te kijken? Gaan we ook aan structurele oplossingen werken? Elke instantie geeft namelijk aan dat er veel kinderen in gevaar zijn.
Minister Sterk:
Om iets te kunnen zeggen over de vraag of dit een structureel probleem is, zullen we eerst gewoon alle feiten op tafel moeten hebben. Dat is waar we nu ons uiterste best voor doen en heel hard mee aan de slag zijn. Ik denk dat dit ook gaat over de vraag of bij deze gebeurtenis ook de onveilige situatie bij Veilig Thuis een rol zou kunnen hebben gespeeld. Ik weet het niet, maar dat is iets wat daarin meegenomen moet worden. Vervolgens moeten we bekijken wat we daar dan van leren en wat dit dan betekent voor de dingen die we anders moeten gaan doen.
Wat betreft uw vraag over de politie: het zou inderdaad zo moeten zijn dat Veilig Thuis doormeldt aan de politie. Mijn vraag is ook waarom dat blijkbaar niet eerder is gebeurd. Toen de politie hierover hoorde, op 14 mei, is gelukkig wel meteen een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. In die zin heeft de politie wel meteen gedaan wat ze moest doen, maar de vraag is natuurlijk wel waarom ze er niet eerder bij is gehaald. Dat is een vraag die ik ook heb. Wat mij betreft moet daar ook een antwoord op komen.
De heer El Abassi (DENK):
De minister geeft aan dat de meldingen opgepakt moeten worden. De minister geeft ook aan dat we er alles aan moeten doen om dit te voorkomen. Ik heb het gevoel dat we dit debat iedere keer weer opnieuw voeren. De minister moet nu nog gaan uitzoeken wat er allemaal heeft plaatsgevonden en wie mogelijk de schuldige is in deze casus. Alleen ontbreekt iedere keer weer het antwoord op de vraag wie er verantwoordelijk is. Volgens mij kunnen we heel veel tijd besparen als de minister gewoon bij één persoon had kunnen aankloppen, iemand die hierover de regie nam, maar die hebben we steeds niet. Dan had de minister deze vraag beter kunnen beantwoorden.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer El Abassi (DENK):
Kan de minister aangeven of ze met mij eens is dat we een regiehouder, een eindverantwoordelijke, moeten hebben voor dit soort gezinnen en situaties?
Minister Sterk:
Volgens mij moeten we vooral zorgen dat iedereen zijn rol pakt. De rol van sterke lokale teams, die vaak als eerste dit soort signalen binnenkrijgen en kunnen bekijken wat er nodig is, is weer een andere dan de rol van Veilig Thuis. Daarom is het zo belangrijk dat iedereen doet wat die moet doen. Mijn vraag is vooral: waarom heeft dat hier gewoon niet goed gewerkt? Waarom heeft het zo ver kunnen komen dat we nu twee kinderen uit de ouderlijke macht hebben moeten halen en veilig hebben moeten opvangen en er nu twee moeders bij de politie in hechtenis zitten. Ik wil gewoon weten hoe dat heeft kunnen gebeuren, want dit mag gewoon niet gebeuren hier. Of dat betekent dat we dan één regie-eigenaar moeten hebben, weet ik niet. Het moet in ieder geval zo zijn dat we dit soort dingen met elkaar tijdig zien, dat we interveniëren en dat we ze oplossen. In de brief die ik heb toegezegd, waarin ik de acties zal benoemen die we gaan ondernemen om dit beter op orde te krijgen, zal ik in ieder geval ook iets zeggen over wat u vraagt, namelijk een regie-eigenaar.
De heer El Abassi (DENK):
Natuurlijk moet iedereen zijn of haar rol oppakken. Natuurlijk moet iedereen doen wat die moet doen. Alleen hebben we daar niks aan. De vraag is: wat moeten we doen? De minister zei "wij als bewindspersonen moeten wat doen" en "u als Kamer moet wat doen". Wij roepen hier als Kamer dat er dingen gedaan moeten worden. De ministers zijn het daarover niet altijd met de Kamerleden eens. We hebben keer op keer aangegeven dat er niemand verantwoordelijk is. We kunnen gewoon een verantwoordelijke persoon aanwijzen. Ook nu hoor ik de minister zeggen: we komen erop terug; we geven antwoord. Ik weet al wat het antwoord gaat worden. Niemand wordt verantwoordelijk. Keer op keer wordt er naar anderen verwezen. Daarmee lossen we het probleem niet op. Is de minister het daarmee eens?
Minister Sterk:
Ik denk dat ook u begrijpt, meneer El Abassi, dat als wij hiernaar gaan kijken, we dat echt zorgvuldig moeten doen. We willen namelijk precies weten waar het is misgegaan. Vervolgens komen we bij de vraag, die u ook heeft, of het helpt als we daar één coördinerende persoon voor aanstellen of dat we het op een andere manier moeten oplossen. Ik heb u net toegezegd dat ik daar in de brief op zal ingaan. Volgens mij is het aan u als Kamer om daar vervolgens iets van te vinden. U heeft zelf de instrumenten in handen. Volgens mij willen we uiteindelijk allemaal toewerken naar een situatie waarin we de kans dat dit soort dingen gebeuren, zo klein mogelijk maken, want niemand in Nederland wil dit nog een keer in de krant lezen.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen Vliegenthart
Vragen van het lid Vliegenthart aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht "Een apotheek stuurt vrouwen en trans personen weg, maar niemand grijpt in".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Vliegenthart voor haar vragen namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Haar heet ik van harte welkom in de Kamer.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Afgelopen zondag verscheen het bericht dat een apotheek wegens gewetensbezwaren weigert anticonceptie en transzorg te leveren. Het gaat nog verder: ook wordt medisch noodzakelijke antibiotica geweigerd als een vrouw die nodig heeft na een abortus. Na dit artikel kwamen er tientallen reacties van mensen die ook door zorgverleners geweigerd worden. Zij wilden bijvoorbeeld een soatest, waarna een afwijzing volgde, omdat de patiënt in kwestie homo was. Zijn leefstijl zou ingaan tegen de principes van de behandelend huisarts en als homoman zou het een risico van het vak zijn. Het zijn allemaal voorbeelden waarin het toewijzen van zorg niet werd bepaald op basis van de behoefte van en noodzaak voor de cliënt, maar op basis van een mening van een zorgverlener over de identiteit of seksuele geschiedenis van een patiënt. Dat gebeurt allemaal onder het mom van gewetensbezwaren.
Voorzitter. Is de minister het met me eens dat het verwerpelijk is dat noodzakelijke zorg wordt geweigerd en dat patiënten de toegang tot deze zorg wordt ontnomen puur om wie ze zijn? Kan de minister hier en nu, nadrukkelijk vanuit haar positie, achter alle mensen die hiermee te maken krijgen gaan staan en zeggen dat ze dit afkeurt? We hebben het hier immers over iemands identiteit en noodzakelijke zorg.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Dank aan mevrouw Vliegenthart voor de vragen naar aanleiding van het artikel. Ik heb het gelezen. Daarna had ik ook veel vragen. Ik vroeg me af: wat gebeurt hier?
Laat ik met de eerste vraag van mevrouw Vliegenthart beginnen. Mevrouw Vliegenthart had het over noodzakelijke zorg. Ik zou het "reguliere zorg" willen noemen. Het gaat om zorg waarvan we met elkaar hebben afgesproken, op grond van richtlijnen en standaarden, dat het reguliere zorg is. Mag je die weigeren? Nee, daar moet iedereen toegang toe hebben. Dat is ook het uitgangspunt in de Code van apothekers. Als ik het uit mijn hoofd goed zeg, is het regel 4. Die gaat uit van gelijkwaardigheid: gelijke toegang voor alle patiënten, ongeacht hun achtergrond, religie, levensovertuiging, genderidentiteit of politieke overtuiging. Gewoon voor iedereen moet er toegang zijn tot die zorg.
Voorzitter. Dan is er het begrip "gewetensbezwaren". Dat wordt in de Code van apothekers onder regel 14 nader toegelicht. Er kunnen gewetensbezwaren zijn. Daar kan sprake van zijn in het geval van bijzonder medisch handelen. Euthanasie en abortus vallen daaronder. Maar hier wordt op grond van de code, terwijl gelijkwaardigheid eigenlijk het vertrekpunt is van de hele code — het is niet voor niks regel 4 — de toepassing van dat begrip opgerekt in het kader van deze vormen van zorg. De KNMP zegt dat ook zelf. Zij is hier ook direct mee aan de slag gegaan.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik ben blij dat de minister de beroepscode noemt. Ik heb het ook in mijn papieren staan: "Als apotheker streef je een gelijkwaardige behandeling voor alle patiënten na, ongeacht bijvoorbeeld huidskleur, geslacht, genderidentiteit, seksuele oriëntatie, etniciteit, religie of politieke overtuigingen." Nu zien we inderdaad gebeuren dat die mensen keihard worden geweigerd op basis van die identiteit of oriëntatie. Ik hoor de minister meteen al wijzen naar de beroepsgroep, maar mijn vraag aan de minister is wat zij hier precies aan gaat doen en waar zij de streep trekt. Ik ben heel benieuwd wanneer het volgens de minister nog gewetensbezwaren zijn en wanneer het discriminatie en uitsluiting is op basis van identiteit, waar we het eigenlijk al over hebben. Waar trekt de minister de lijn en wat gaat ze doen?
Minister Hermans:
Ik begon niet voor niks met het belang van gelijkwaardigheid en gelijkwaardige toegang tot de zorg, ongeacht je achtergrond, je genderidentiteit, je levensovertuiging en alles wat ik net noemde. Je moet als patiënt gewoon toegang hebben tot zorg, of dat nou in het ziekenhuis is of in de apotheek. Er zijn gevallen waarin een zorgverlener op grond van gewetensbezwaren kan zeggen: ik kom hier in gewetensnood. Dat is bijzondere medische zorg, abortus en euthanasie. Die twee voorbeelden worden ook in de code genoemd. Dan ben je als zorgverlener wel verplicht om de patiënt actief te wijzen op waar de patiënt die zorg wél kan krijgen, want de patiënt heeft recht op toegang tot die zorg. We hebben daar een aantal dingen in geregeld in wetten, zoals de Wkkgz, maar ook het BIG-register stelt daar een aantal eisen en voorwaarden aan, die vervolgens worden uitgewerkt in richtlijnen en beroepscodes. We hebben de apothekerscode al een aantal keren genoemd. Ook de KNMP zelf zegt dat het toepassen van gewetensbezwaren hier wordt opgerekt. Natuurlijk zullen zij dus in gesprek gaan met deze apotheker, maar zij zullen zelf ook via een van hun commissies, de commissie ethiek, bekijken of dit nu duidelijk genoeg is geregeld in hun beroepscode.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik wil hier heel goed benadrukken dat we het hebben over een groep die in de samenleving heel vaak te maken krijgt met discriminatie op straat, op school, op hun werk en nu ook in de spreekkamer of bij een apotheek. Ik vind het dus heel goed dat de KNMP hiermee aan de slag gaat, maar dit is niet iets nieuws. Dit is wat al jarenlang gebeurt. Al jaren geleden zei deze huisarts, zelfs met trots, in een interview en in allerlei uitingen dat er bijvoorbeeld antibiotica na een abortus was geweigerd. Ik vind het dus goed om te horen dat de KNMP hiermee aan de gang gaat, maar we hebben ook nog een non-discriminatiebeginsel. De minister en de Kamer zijn verantwoordelijk voor de toegang van mensen tot zorg en welzijn, maar zijn er ook verantwoordelijk voor om te zorgen dat we hier niet aan discriminatie doen. Ik vraag het dus nogmaals: wat gaat de minister vanuit haar rol als eindverantwoordelijke voor zorg en welzijn doen voor de toegang tot zorg en tegen de discriminatie van al die mensen die al met zoveel discriminatie te maken hebben? Wat gaat zij daar ook vanuit haar rol doen om dit niet alleen maar aan de beroepsgroep te laten?
Minister Hermans:
Volgens mij begint het bij wat wij hier volgens mij in het debat met elkaar uitspreken over de waarden die wij met elkaar hebben afgesproken in de zorg, zoals de zojuist al door mij omschreven gelijkwaardige toegang en het bewaken van de toepassing van dat begrip en het inzetten van gewetensbezwaren. Dat is iets goeds wat wij hebben in de zorg en wat we hebben geregeld in wetten. Daar sta ik ook voor, maar dit moet wel op een eerlijke en goede manier worden toegepast. Juist daar zit nu de vraag en rijst de twijfel, ook bij mij persoonlijk. Dit is niet bedoeld voor reguliere zorg, gewoon zorg die vastgelegd is in onze standaarden en procedures. Dat is ook precies het gesprek dat de KNMP gaat voeren met de betreffende apotheker en ook in de eigen organisatie, natuurlijk met de code in de hand. Die is twee jaar geleden, in 2025, geactualiseerd. Is dat nou duidelijk genoeg over wat dit betekent in de apotheek, aan de balie?
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik hoop hiermee te kunnen concluderen dat ik de minister echt aan mijn zijde heb en dat ook zij dit onacceptabel vindt als uit onderzoeken blijkt, bijvoorbeeld van de inspectie — daarover heb ik ook nog een vraag, want ik hoop dat er ook inspectie plaatsvindt: welke informatie is er bij de inspectie, is de inspectie hier al mee aan de gang en wat kunnen we doen? — dat dit niet alleen binnen de beroepsgroep plaatsvindt maar dat er ook zorgwetten aangepast moeten worden om duidelijker te maken hoever die gewetensbezwaren mogen reiken met het oog op discriminatie. Ik hoop hier dus van de minister te horen dat zij op onze lijn zit en dat zij dit ook als haar verantwoordelijkheid ziet. Het gaat niet alleen om de beroepsgroep. Mogelijk moeten we die wetten verduidelijken. Vind ik haar aan mijn zijde? Kan ik dat concluderen?
Minister Hermans:
In die wetten zijn die uitgangspunten bij mijn weten heel strikt en heel duidelijk geformuleerd. Vervolgens vindt er een uitwerking plaats in die codes. Ik vind het dus heel goed en ik sta er ook achter dat de KNMP dat gesprek met de apotheker gaat voeren over wat hier nu precies gebeurt. Ik vind het ook netjes dat dat gesprek wordt gevoerd. Daarnaast hebben ze bij hun eigen commissie ethiek de vraag neergelegd of de manier waarop ze het hebben opgeschreven in de code duidelijk genoeg is. Ik heb daar vandaag even met de KNMP over gesproken en ik zal dat gesprek natuurlijk de komende periode blijven voeren. Ik zeg mevrouw Vliegenthart heel graag toe dat ik daarop terugkom in een brief die ik nog voor de zomer moet sturen over de uitkomsten van die gesprekken en over wat dat mogelijk betekent voor acties die daaruit voortvloeien. Dat komt dus nog voor de zomer.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Dank. Ik kijk ernaar uit om te horen wat de minister gaat doen, welke verantwoordelijkheid zij neemt, maar ook naar wat het veld gaat doen. Concluderend: deze mensen hebben in hun hele leven vaak te maken met discriminatie in de samenleving. Zoals ik al zei gebeurt dat op scholen en op werk. Het kan echt niet zo zijn dat deze mensen om wie zij zijn te maken krijgen met discriminatie in de spreekkamer of apotheek.
De heer Flach (SGP):
Ik zou willen beginnen met een puntje van orde, voorzitter, want volgens mij hebben we hier te maken met een nieuw precedent. Er worden mondelinge vragen gesteld op basis van een opinieartikel in een krant. Een hardwerkende apotheker en zijn team worden daardoor niet op basis van feiten, maar naar aanleiding van een mening in een kwaad daglicht gesteld. Ik zou de voorzitter willen vragen om te kijken of dat nou de bedoeling is van mondelinge vragen. Dat is even het punt van orde dat ik wilde maken. Daarover zou ik dan vervolgens nog wel een vraag aan de minister hebben.
De voorzitter:
Het is niet bepaald een punt van orde, want het staat de voorzitter conform het Reglement van Orde vrij om ingediende Kamervragen, mondelinge vragen, toe te wijzen. Kamerleden gebruiken daarvoor verschillende bronnen, zoals u kunt zien in de lijst die wekelijks wordt verspreid. Deze afgevaardigde heeft deze bron gebruikt zoals uw fractie ook weleens andere bronnen gebruikt bij het indienen van Kamervragen.
De heer Flach (SGP):
Oké, helder. Dan trek ik daar zelf de conclusie uit dat ik het onzorgvuldig vindt om op basis van een opiniestuk een vraag te stellen.
De voorzitter:
Uw vraag aan de minister?
De heer Flach (SGP):
Dan mijn vraag aan de minister. Ik schrik wel van de bespreking zojuist. In wat voor land leven we, vraag ik me inmiddels af. Gaat de progressieve drammerij inmiddels echt zover dat we mensen dwingen om middelen te verstrekken die echt ingaan tegen hun eigen overtuigingen? Dwingen dus? Ik heb het over gewetensdwang. Erkent de minister dat er niet zoiets bestaat als een leveringsplicht? Dat woord heb ik namelijk niet gehoord. Die bestaat niet. Er bestaat geen leveringsplicht. Er is wel een zorgplicht, maar geen leveringsplicht. Daar heeft deze ondernemer gewoon aan voldaan.
Minister Hermans:
De heer Flach heeft gelijk dat er geen leveringsplicht bestaat. Die geldt niet. Maar volgens mij is hier een andere vraag aan de orde. De vraag hier is de volgende. Iemand komt bij de apotheek en heeft een bepaalde zorgvraag en een bepaalde vraag voor medicatie. Dan heeft de apotheker een zorgplicht. In eerste instantie ga je natuurlijk kijken of je die zorg zelf kunt leveren. Soms zijn er gevallen van bijzonder medisch handelen waarin je op grond van gewetensbezwaren kunt zeggen: ik kan of wil deze zorg niet leveren, maar ik verwijs u door naar een collega in de buurt. De vraag hier is nu van wat voor type zorg hier sprake is. Het gaat hier om reguliere zorg. Wordt dan het toepassen van het begrip "gewetensbezwaren" niet te ver opgerekt? Dan komt de gelijkwaardigheid en de gelijkwaardige behandeling van elke patiënt, ongeacht iemands achtergrond, onder druk en onder spanning te staan. Dat is op geen enkele manier de bedoeling. Dat is ook niet de bedoeling van hoe we dat in de wet en in de beroepscodes geregeld hebben. Dat gesprek gaat de KNMP nu met deze apotheker voeren. De KNMP heeft aan haar eigen commissie ethiek ook de vraag gesteld hoe zij dit in de code precies heeft opgeschreven en geformuleerd, hoe dit precies uitwerkt en of dit verduidelijkt moet worden.
De voorzitter:
Uw tweede vraag.
De heer Flach (SGP):
Is de minister het dan met de SGP eens dat je vrijgesteld bent van een leveringsplicht? Als je aan je zorgplicht voldoet, en dat doet deze ondernemer, dan ben je niet verplicht om alles aan te bieden wat er te koop is in de medische wereld. Die vrijheid is er gewoon voor de apotheker, mits er voldoende zorg op andere plekken kan worden aangeboden enzovoorts. Je hoeft iemand niet de toegang tot zorg te ontzeggen, maar je kunt wel zeggen: die middelen verkoop ik niet. Is die vrijheid er in Nederland nog voor mensen die op basis van hun eigen overtuiging een apotheek proberen te runnen?
Minister Hermans:
Ik zei zojuist tegen de heer Flach dat die leveringsplicht er niet is. Maar er is wel een zorgplicht. Ik wil ervoor waken dat we langs de lijn van woorden of via een andere invalshoek voorbijgaan aan een heel belangrijk uitgangspunt, namelijk de gelijkwaardigheid en het feit dat alle patiënten in Nederland, ongeacht hun achtergrond, genderidentiteit of seksuele overtuiging, toegang moeten hebben tot zorg en gezondheid. Dat is wat we hier moeten bewaken, ik vanuit de wet en de beroepsgroep vanuit de codes die hij heeft. Dat is nu de vraag: is de code hier voldoende helder over?
De heer Russcher (FVD):
Ik deel de lezing van de heer Flach dat een hardwerkende apotheker hier eigenlijk zwart wordt gemaakt op basis van een opiniestuk. Daar gaat mijn vraag over. Deze apotheker uit Vreeswijk heeft keurig aan alle regels voldaan en doet een beroep op gewetensbezwaren op basis van zijn religie, het christendom. Vervolgens voldoet hij ook nog eens aan de zorgplicht door de mensen die voor bepaalde producten komen naar een andere apotheek in hetzelfde dorp te verwijzen. Forum voor Democratie staat achter deze apotheker. Zo zijn er nog veel meer apothekers in Nederland voor wie hetzelfde geldt.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Russcher (FVD):
Ik hoop dat de minister kan aangeven dat zij ook achter deze apothekers staat en hen niet in de steek laat.
Minister Hermans:
In algemene zin draag ik alle beroepsgroepen in de zorg een warm hart toe, ook apothekers. Ik ben vorige week op bezoek geweest bij een apotheek in Amersfoort en heb gezien hoe daar met hart en ziel zorg wordt geleverd door de apothekers zelf en de apothekersassistenten, die daar "farmaceutische adviseurs" heten. Er wordt echt gekeken naar wat een patiënt nodig heeft en wat de vraag is van die patiënt, ongeacht hun achtergrond, ongeacht hun seksuele identiteit, ongeacht hun genderidentiteit. Dát is waar deze vraag over gaat. Ik ken niet alle details van deze casus. De KNMP zegt dat zij heel graag het gesprek met deze apotheker wil voeren en heeft deze vraag aan haar commissie ethiek gesteld. Ik denk dat dat goed is om elke discussie hierover uit de weg te nemen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik zou toch willen pleiten voor een heel zuiver debat, want er is echt een verschil tussen gewetensbezwaar en discriminatie. Op het moment dat een zorgverlener zegt dat hij vanuit zijn diepste overtuiging bepaalde middelen niet kan verstrekken en iemand doorverwijst naar een andere zorgverlener, verwijst hij iemand dus door. Het houdt dus geen halt bij zijn persoonlijke gewetensbezwaar. Dat vind ik het ingewikkelde van de zojuist gestelde vragen. Ik zie namelijk iemand oprecht proberen om vanuit zijn diepste overtuiging een praktijk te hebben en ook zijn best doen om zorg te leveren. Voor je het weet, zetten we mensen die een gewetensbezwaar hebben in het verdachtenbankje, terwijl ze ook naar hun beste overtuiging zorg proberen te leveren, maar daarbij niet voorbij kunnen gaan aan hun diepste motivatie. Hoe weegt de minister dat?
Minister Hermans:
In de Wet afbreking zwangerschap hebben we bijvoorbeeld geregeld dat zorgverleners met gewetensbezwaren niet verplicht kunnen worden tot het verlenen van die vorm van zorg. Maar zoals ik al zei: je hebt wel de zorgplicht om iemand door te verwijzen naar een zorgverlener die die zorg wel kan bieden. Dat gaat om de zogenaamde bijzondere medische handelingen, de bijzondere medische zorg. Daarbij kun je dat gewetensbezwaar inroepen. Voor reguliere zorg, gewoon zorg waarover we in standaarden met elkaar hebben afgesproken dat het reguliere zorg is — dit zijn dus niet de bijzondere medische handelingen — moet iedereen overal terechtkunnen. Dat is het gelijkwaardigheidsbeginsel dat in de Code van apothekers het vertrekpunt vormt voor hun werk: hoe zorgen we dat alle patiënten in Nederland toegang hebben tot zorg en gezondheid? En de vraag is nu — de KNMP zegt dat zelf ook en ik deel dat — of de toepassing van gewetensbezwaren te ver wordt opgerekt. Dat gesprek wordt nu met de apotheker gevoerd en dat gesprek voert de KNMP intern in haar commissie ethiek, om te zien of dit zijn uitwerking moet hebben in een mogelijke aanpassing van de code of een andere werkwijze.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het is altijd goed om te kijken of de werkwijze in de apotheek op orde is. Alle begrip hiervoor, maar we moeten er echt voor waken dat we mensen met gewetensbezwaren die naar eer en geweten hun werk doen, nu allemaal in het verdachtenbankje zetten. Daar zou ik echt voor willen waarschuwen. Dat vind ik ook het zorgelijke van de manier waarop deze vragen nu gesteld worden. De desbetreffende apotheker kan zich hier ook niet verweren. Daarom zou ik de minister ook willen vragen om, als het gaat over het thema van gewetensbezwaren, daar ook mensen bij te betrekken die vanuit die gewetensbezwaren allerintegerst hun werk proberen te doen, zodat we ook die kant kunnen horen en kunnen onderscheiden of hier sprake is van gewetensbezwaren of dat er meer aan de hand is, want ik denk dat we elkaar anders echt tekortdoen.
Minister Hermans:
Ik denk dat de aanpak die de KNMP heeft gekozen, en waarover ik zojuist ook contact met hen heb gehad, een heel zorgvuldige is. Aan de ene kant gaan zij in gesprek met de apotheker, die ook lid is van de KNMP — ik vind het ook logisch, terecht en zorgvuldig dat dit gesprek wordt aangegaan — en aan de andere kant leggen zij dit vraagstuk voor aan hun commissie ethiek. Dat is een commissie die ook betrokken is geweest bij de totstandkoming of actualisering van de code in 2025. Toen is er heel bewust voor gekozen om genderidentiteit onderdeel te maken van regel 4 van de code. Zorgvuldigheid, alle kanten op, is hierbij dus zeker van belang. Gewetensbezwaren kunnen aan de orde zijn, maar, zoals ik zojuist al zei, is het heel belangrijk om hierbij onderscheid te maken tussen bijzondere medische handelingen en reguliere zorg.
Mevrouw Wendel (VVD):
Een apotheker die geen morning-afterpil verstrekt. Een apotheker die weigert een spiraaltje te verstrekken. Een apotheker die weigert hormonen aan transpersonen voor te schrijven. Wat de VVD betreft wordt hier veel te rekkelijk omgegaan met het beroep op gewetensbezwaren, en ik maak mij daar zorgen om, zeg ik tegen de minister. Volgens mij hebben apothekers namelijk een zorgplicht en wordt daar op deze manier niet aan voldaan. Ik wil de minister, uiteraard via de voorzitter, specifiek het volgende vragen. De KNMP gaat nu in gesprek. Vindt de minister dit voldoende en heeft de KNMP voldoende handelingskader om ook echt wat te doen wanneer dat nodig blijkt?
Minister Hermans:
Ik zal, ook omwille van de tijd, niet alles herhalen wat ik eerder heb gezegd over het belang van gelijkwaardige toegang tot zorg en gezondheid voor alle patiënten in Nederland. Dat deel ik namelijk met mevrouw Wendel. Ik heb vertrouwen in de aanpak die de KNMP kiest. Die gedragscode is natuurlijk de kern van hoe de beroepsgroep uitvoering geeft aan wat wij met elkaar in wetten hebben afgesproken. Het gaat over het gesprek met de apotheker zelf, over de vraag "hoe oefenen wij ons beroep uit?" en het gesprek binnen de commissie ethiek over de vraag "wat vinden wij een ethische manier om hiermee om te gaan?" Ik heb afgesproken dat wij daarover contact houden en dat ik u daarover informeer in mijn brief voor de zomer, zoals ik zojuist heb toegezegd aan mevrouw Vliegenthart. Ik denk dat dat een zorgvuldige aanpak is die hoort en past bij zo'n vraagstuk.
Mevrouw Paulusma (D66):
Alvast dank aan de minister, want ik snap dat het een dunne lijn is om op te balanceren, maar ik ben ook heel erg blij dat zij afstand neemt van wat hier gebeurt. Het mag wat mij betreft nog wel wat steviger; dat proefde ik ook bij mevrouw Vliegenthart. Dit betreft reguliere zorg die mensen wordt ontzegd en waartoe mensen geen toegang hebben. Ja, we moeten zorgvuldig omgaan met gewetensbezwaren, maar dit is een hellend vlak. Mijn zorg is: waar gaat dit nu nog meer naartoe? Het gaat over het afkeuren van mensen, het afkeuren van de eigen keuzes van mensen en het afkeuren van de leefstijl van mensen. Ik zeg dit met het risico om het plat te slaan, maar als er een vrouwelijke apotheker is die denkt "ik schrijf geen viagra meer voor en ik schrijf geen middelen meer voor tegen kaalheid bij mannen, omdat mij dat niet zint of niet aanstaat", dan is de wereld te klein. Ik snap dat de minister een bepaalde route moet volgen, maar nu wordt mensen zorg niet geboden. Ik zou wel iets meer tempo willen dan "voor de zomer", want mensen lopen hierdoor ook het gevaar dat hun gezondheid wordt geschaad.
Minister Hermans:
Ik kies de lijn die ik kies bewust en zorgvuldig, omdat ik niet alle details van deze specifieke casus ken. Als ik een stapje terugdoe en kijk naar hoe wij de zorg met elkaar hebben geregeld en wat voor mij daarbij het leidende principe is, dan begint het bij gelijkwaardigheid. Alle patiënten in Nederland, ongeacht hun achtergrond, genderidentiteit of seksuele identiteit, moeten toegang hebben tot elke vorm van zorg, of dat nu in de apotheek, in het ziekenhuis of bij de huisarts is. Er kan sprake zijn van gewetensbezwaren in bijzondere vormen van zorg, zoals bij abortus en euthanasie. De vraag die hierbij rijst en het gevoel dat ik en de KNMP hebben, ontstaan doordat het in dit geval gaat over reguliere zorg die wordt geweigerd, niet gegeven wordt of waarvan de toegang beperkt wordt. Juist bij de reguliere zorg is de ruimte voor gewetensbezwaren veel beperkter. Dáár gaat hier de discussie en de vraag over. De KNMP gaat daarover in gesprek met de apotheker en het wordt besproken in die commissie. Ik zal daar zo snel mogelijk … Ik heb heel goed gehoord wat mevrouw Paulusma zegt en zag mevrouw Vliegenthart vanuit mijn ooghoek knikken. Als het sneller kan, zal ik dat zeker sneller doen. Zorgvuldigheid is hier echter wel bij gebaat, juist om dit op de lange termijn goed te regelen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik beeld me in dat je voor een vraag komt te staan op je kwetsbaarste moment. Je hebt zorg nodig en die krijg je niet. Ik vind dat heel erg kwalijk. Ik wil gewoon dat de minister, als zij toch die brief toezegt, ook kijkt hoe vaak dit voorkomt. Zijn dit nou uitzonderingen, of gebeurt dit vaker? Hoeveel mensen komen daarmee in aanraking? 50PLUS vindt dat echt meer dan verschrikkelijk.
Minister Hermans:
Ik deel de woorden van mevrouw Van Brenk. Je bent kwetsbaar, zeker in het geval van genderidentiteitsvraagstukken, als die aan de orde zijn. Als je dan zorg nodig hebt … Het vraagt te allen tijde heel veel respect en een zorgvuldige behandeling van de zorgverlener, maar zeker in deze gevallen. Ik zal dat proberen na te gaan. Ik weet niet hoe gedetailleerd ik daarop in kan gaan, maar wat we daarover weten zal ik uiteraard in de brief delen. In algemene zin is het wel goed om daarbij te zeggen dat de zorgplicht te allen tijde blijft gelden. Als de zorgverlener zegt deze zorg niet te kunnen leveren, heeft die de plicht om door te verwijzen naar een zorgverlener waar je wel terechtkan. Dit laat onverlet of dit wenselijk is, of dit klopt en of gewetensbezwaren hier te ver worden opgerekt. Wel vind ik het belangrijk om hierbij te zeggen dat de zorgplicht onverkort van kracht blijft, ook terwijl wij dit gesprek voeren en dit uitzoeken.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen Vermeer
Vragen van het lid Vermeer aan de minister van Klimaat en Groene Groei over onbeantwoorde schriftelijke vragen inzake windturbines en netaansluitingen.
De voorzitter:
Ik kijk of de minister van Klimaat en Groene Groei al in het gebouw der Kamer aanwezig is. O, ik zie haar zitten. Van harte welkom, zeg ik vanaf deze plek. Ik geef het woord aan de heer Vermeer voor zijn vragen namens de BBB. Gaat uw gang.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik sta hier om twee redenen. De eerste reden is dat ik antwoorden op schriftelijke vragen wilde, maar de tweede reden is dat de termijn voor beantwoording behoorlijk overschreden is. Dat is ook al zo met een set vragen, die op 9 maart naar dezelfde minister is gestuurd, over de groei van het aantal windturbines op land. Dit is dus een winstwaarschuwing, anders staan we hier volgende week weer. Als ik toch bezig ben: mijn vragen over groen gas van 15 april zijn nog niet beantwoord. Ik wil de voorzitter vragen om toch weer eens een regel in te stellen dat we hier een middag mondelinge vragen gaan opvoeren om alle niet-beantwoorde schriftelijke vragen per direct beantwoord te krijgen.
Voorzitter. Dan het onderwerp zelf. In diverse gebieden in Nederland — Flevoland, Gelderland en Utrecht — hebben we inmiddels grote problemen met netcongestie. Die problemen zijn zo groot dat er zelfs een aansluitstop is. De situatie op het net is zodanig krap dat scherpe keuzes onvermijdelijk zijn en we voorrang geven aan bestaande huishoudens, bedrijven, instellingen en ziekenhuizen, zodat die verzekerd blijven van elektriciteit, zo schrijft de staatssecretaris. Parallel hieraan worden er in allerlei provincies en gemeentes plannen ontwikkeld om mogelijk nieuwe windturbines aan te sluiten en zonneparken te openen. Daarom heb ik deze vragen gesteld. Mijn eerste vraag aan de minister was ook: klopt het dat een windturbine zonder netaansluiting geen aanspraak kan maken op SDE-subsidie en dat die aansluiting binnen een wettelijke realisatietermijn gerealiseerd moet zijn? Welke termijn is dat dan? Is een leveringsovereenkomst geen voorwaarde voor verlening van de subsidie? Daarnaast is er wat ons betreft een transportgarantie nodig bij de aanvraag van de subsidie. Klopt dit? Is dat een van de noodzakelijke eisen die gesteld is aan het verlenen van subsidie? Of maakt het helemaal niet uit of dat ding nooit aangesloten kan worden en wordt er evengoed een subsidie verleend?
Voorzitter. De allerbelangrijkste vraag is of de netcongestiesituatie in Flevoland, Gelderland en Utrecht ook betekent dat nog niet aangesloten windturbines, zonneparken et cetera ook geen aansluiting op het net krijgen en dus nooit in aanmerking zullen komen voor subsidie. Is dat ook bekend bij alle fracties in de gemeenteraden en Provinciale Staten? Er worden nu namelijk volop bedragen in geïnvesteerd. In het mooie Harderwijk, waar ik woon, is het college nog volop geld aan het investeren in plannen voor windturbines die niet eens aangesloten kunnen worden. Wie gaat deze mensen in het land vertellen dat het één grote farce is en dat ze deze projecten moeten stoppen?
Daar wil ik het voor nu eventjes bij laten, voorzitter.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister, maar niet voordat ik u antwoord dat de toewijzing van uw mondelinge vragen inderdaad gezien kan worden als winstwaarschuwing in de richting van de departementen. Ik heb de Griffier vanochtend verzocht om richting alle ministeries het signaal uit te laten gaan dat schriftelijke vragen waarvoor de termijn is verstreken, snel dienen te worden beantwoord, en dat ik inderdaad voornemens ben om binnenkort een extra mondeling vragenuur in te plannen. We hebben namelijk niet voor niets een termijn afgesproken. Daar hebben alle ministeries zich aan te houden. Het woord is aan de minister.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Overigens heb ik daar alle begrip voor. Ik was in de veronderstelling dat de antwoorden op deze vragen al bij uw Kamer waren, maar die zijn ergens in het systeem blijven hangen. Dat is eigenlijk pas naar boven gekomen door dit rappel, vandaar dat ze meteen, met een druk op de knop, verzonden konden worden.
Wat betreft de vragen over groen gas hoor ik net dat daar morgen de laatste antwoorden op komen, dus die kunt u echt snel tegemoetzien. Op de andere vragen over wind, die te maken hebben met het milieukader, heb ik u in het commissiedebat geantwoord dat de beantwoording op het punt van de milieunormering bij de staatssecretaris van IenW ligt en dat zij daarover voor de zomer met een brief zal komen. De staatssecretaris van IenW bekijkt op dit moment dus of de antwoorden zoals ik die heb goedgekeurd, voor haar voldoende ruimte laten om voor de zomer met haar brief te komen. Dat is dus het enige waarop dat hangt. Ook met de omschakeling van het ene kabinet naar het andere zijn er soms nog dingen uit te zoeken, maar deze antwoorden komen ook uw kant op.
Dan naar aanleiding van de inhoud van de vraag. U vroeg: wat betekent netcongestie voor windturbines die een netaansluiting hebben? Volgens mij was de eerste vraag eigenlijk: krijgen ze subsidie als ze niet draaien? Het antwoord daarop is nee. Als een windmolen niet draait, wordt er daarvoor dus ook geen SDE-subsidie uitgekeerd, ondanks dat er in principe SDE-subsidie toegekend kan zijn. Maar als de windmolen niet draait, wordt er geen stroom geleverd. De subsidie is gekoppeld aan de stroom die daadwerkelijk geleverd wordt, dus een stilstaande windmolen krijgt geen SDE-subsidie.
Dan de relatie met netcongestie. Daar zitten twee kanten aan. Door netcongestie kan het voorkomen dat windturbines worden afgeschakeld. Maar ja, dan is dat in die zin een flexibele manier om netcongestie aan de aanbodkant op te lossen. Aan de andere kant, onder bepaalde voorwaarden en natuurlijk afhankelijk van de vraag, kunnen windmolens ook een oplossing zijn voor netcongestie daar waar er meer vraag is dan er aanbod geleverd kan worden. Ik geef een concreet voorbeeld. De staatssecretaris was recent in gesprek met een bedrijf. Dat was een grote supermarkt; ik zal niet zeggen welke. Die verzocht om de mogelijkheid om een windmolen te plaatsen nabij de plek waar die zijn vrachtwagens zou willen elektrificeren. Die heeft die vraag al lange tijd. Er kan door netcongestie niet geleverd worden omdat die stroom niet getransporteerd kan worden, maar als die lokaal zou kunnen worden opgewekt, zou die dus niet via het net hoeven en meteen een bijdrage kunnen leveren aan deze onderneming, die graag zijn kosten wil verlagen via elektrificatie. Windmolens kunnen, afhankelijk van de situatie, dus ook een oplossing zijn als er nu door de netcongestie niet geleverd kan worden.
Zijn er windturbines die niet kunnen leveren? Nee, die zijn er niet, naar wij weten.
Dan de vraag over de transportovereenkomst en de leveringsovereenkomst. De transportindicatie wordt door de netbeheerder afgegeven. Die geeft aan dat er op het moment van afgeven nog ruimte is op het net, maar dat is een indicatie, dus het geeft geen garantie dat die transportruimte er daadwerkelijk is op het moment dat de windturbine wordt aangesloten. Dat is dan het risico voor de ondernemer die die windturbine plaatst, want nogmaals: als die niet draait, krijgt die geen subsidie. Dat doet dan dus iets met de businesscase voor de ondernemer. Ook een leveringsovereenkomst speelt geen rol bij de SDE+. Maar ja, als je als ondernemer je stroom niet kwijt kunt, ben je er niet met de subsidie alleen. Ook dan heb je dus geen reden om toch een windmolen te plaatsen, aangezien dat ten koste gaat van je businesscase.
De heer Vermeer (BBB):
De minister beantwoordde een aantal heel formele vragen over de subsidie. Ze gaf ook aan dat windmolens een oplossing voor congestie kunnen zijn als er meer vraag is dan aanbod, maar dat is een heel ander vraagstuk dan we hier hebben. Het gaat erom dat er in drie provincies helemaal geen aansluiting te krijgen is en dat raden en fracties in dit land moeten weten dat het dan ook volstrekt zinloos is om nog geld te steken in deze projecten. Daar heeft de minister nog niet op gereflecteerd. Kan ze dat nog even doen?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Volgens mij heb ik dat in ieder geval wel geprobeerd te doen door aan te geven dat het, afhankelijk van hoe wind wordt ingepast, soms wel een oplossing kan zijn voor netcongestie. Neem het voorbeeld van de grote supermarkt die graag zijn wagenpark wil elektrificeren en nu op een wachtlijst staat in verband met netcongestie. Daarvoor is de plaatsing van zo'n windmolen op een bedrijventerrein echt een oplossing voor die netcongestie. Als er geen transportcapaciteit is, dan is de netbeheerder degene die aangeeft dat er geen ruimte is voor het bijplaatsen van windmolens. Daar hoeven de raden zich dus geen zorgen over te maken, want dan zal er gewoon geen transportindicatie worden afgegeven. Dan heeft een bouwer ook geen enkele incentive om te bouwen. Als die transportindicatie wel wordt afgegeven, dan mag er ook vertrouwen zijn dat die ruimte er is.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dit is het kabinet van de modellenwerkelijkheid, volledig losgezongen van de samenleving. Op asiel gaan ze gewoon door. Er komt weer een stikstofkaartje aan, heb ik me laten vertellen. Hier kan het net het niet aan, maar men bouwt gewoon door. Wordt het nou niet eens tijd om pas op de plaats te maken en je af te vragen of de snelheid waarmee de elektrificering van onze energievoorziening voortgaat niet te hoog is, of de omvang niet te groot is en of dit op deze manier de problemen in Nederland niet erger maakt?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Nee, omdat de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen uit het Midden-Oosten ook bepaald niet zonder risico's of consequenties is, ook niet voor de Nederlandse economie. De energie van eigen bodem kan toch een bijdrage leveren. Nogmaals, daar waar het net het niet aankan, zal geen transportcapaciteitsverklaring worden afgegeven. Daar waar het wel een oplossing kan zijn voor een ondernemer die graag door wil, willen we natuurlijk zorgen dat het kan. Als het niet kan, mevrouw Keijzer — er zullen zeker ook plekken zijn waar het niet kan — dan komt er geen transportcapaciteitsafgifte en dan heeft een ondernemer ook echt geen prikkel om daar een windmolen te bouwen. Als hij zijn stroom niet kwijt kan, dan staat daar namelijk kapitaal.
De heer Van den Berg (JA21):
Het klopt inderdaad dat er invoedingscongestie is in zowel Flevoland en Gelderland als Utrecht. Er is geen ruimte meer op dat netwerk. Nu bereikte mij het bericht dat het in al die provincies nog steeds mogelijk is voor windturbineparken om een vergunningsaanvraag in te dienen bij de provincie. Dat kost ongelofelijk veel geld en bovendien ambtelijke capaciteit. Dat lijkt mij onzinnig als er op dit moment in die drie provincies helemaal geen ruimte meer is op het netwerk. Ik wil de minister het volgende vragen: kan zij ervoor zorgen dat we daar dan ook mee kunnen stoppen, zodat we dat geld kunnen besparen en die ambtelijke capaciteit ergens anders voor kan worden ingezet?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Nee, omdat het aan de ene kant dus afhangt van de vraag wat voor soort netcongestie daar speelt. Ik gaf het voorbeeld van de grote supermarkt die eigenlijk heel graag op de eigen locatie een windmolen zou willen om juist een deel van de netcongestie op te lossen. Waar er sprake is van aanbodcongestie, daar ... De provincie, de bevoegde gezagen gaan daar zelf over. Die kunnen natuurlijk zelf altijd bepalen daar even niet mee verder te gaan. Maar wat betreft de vraag of er capaciteit is op het net: daar wordt dus die leveringscapaciteitsverklaring voor afgegeven. Als die niet wordt afgegeven, heeft een bouwer geen enkele incentive om te gaan bouwen. Dan staat daar namelijk gewoon een windmolen stil te staan. Dat is kapitaal dat niets oplevert. Ik denk dus dat de marktprikkels hier voldoende hun werk doen. Verder wil ik natuurlijk de verhouding met de andere overheden respecteren en hun bevoegdheden bij hen laten.
De heer Vermeer (BBB):
Dit gaat niet alleen over het businessmodel van de exploitant. Dit gaat ook over kosten die gemeenteraden en provincies moeten maken. Eigenlijk zegt de minister: er kan niet gebouwd worden als er geen directe afnemer is die ook zelf dat project wil doen. Is het niet verstandiger als de minister gewoon een moratorium afgeeft op nieuwe aanvragen voor windturbines in gebieden waar het net vol zit?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Nee, want ik heb net al uitgelegd dat windenergie niet alleen per provincie, maar ook in relatie tot de lokale omstandigheden soms ook een oplossing kan zijn voor de netcongestie. Ik denk dat het zeer onverstandig zou zijn om dan met een generiek moratorium te gaan werken. Bovendien heb ik echt alle vertrouwen in de bevoegde gezagen en daarnaast in de netbeheerders, die eigenlijk aangeven wanneer er een businesscase is en of de ruimte op het net nog zo is dat er nog een fatsoenlijke businesscase te bouwen is. Dan is het aan de ondernemer, de markt en natuurlijk aan de bevoegde gezagen om daarin een afweging te maken.
De heer Klos (D66):
Het is weer veel gegaan over de vraag hoe we windmolens kunnen frustreren. Ik zou graag willen kijken naar wat er wél kan. Iedere extra windmolen is namelijk ook een symbool van onze onafhankelijkheid. Daar moeten we er dus meer van hebben. Het rapport waar de minister net over sprak, liet ook zien dat er heel veel ondernemers zijn die graag een extra windmolen willen om te kunnen elektrificeren. Mijn vraag aan de minister is: wat kan het kabinet doen om dat te faciliteren? Hoe kan het daarbij helpen?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Daar moet ik eigenlijk bijna hetzelfde antwoord op geven, maar dan spiegelbeeldig. Het is echt aan de regio, samen met de netbeheerder, om te kijken of het past en of de capaciteit beschikbaar is. Het is natuurlijk wel belangrijk dat die bedrijven weten dat ze met zo'n vraag naar de provincie en de gemeente toe kunnen gaan, om echt uit te zoeken of het kan bijdragen aan het oplossen van netcongestie. Nogmaals, de winstwaarschuwing is wel dat het natuurlijk vooral geldt voor de plekken waar productie en vraag echt op dezelfde plek zitten. Als daar mogelijkheden voor zijn, dan kun je natuurlijk meer doen. Als het, afhankelijk van de vraag of er vraag- of aanbodcongestie is, weer via het netwerk moet, dan kan het juist ingewikkeld zijn. Nogmaals, ik denk dat de markt dan zo werkt dat er niet veel interesse zal zijn om daar een windmolen te plaatsen.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Er wordt hier elke week een nieuwe aanval op windenergie geopend. Deze keer zou windenergie de oorzaak zijn van netcongestie, terwijl windenergie juist een enorme motor kan zijn om netcongestie tegen te gaan door energie lokaal op te wekken. Dat gaf de minister net zelf ook al aan. Tot mijn grote schrik was afgelopen week in het nieuws dat er een historisch dieptepunt is bereikt wat betreft wind op land en dat er netto slechts negen windturbines bij zijn gekomen.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is: wat gaat de minister doen om dat historische dieptepunt weer naar een hoogtepunt te duwen, juist om ons nog onafhankelijker te maken en te zorgen voor de goedkope groene energie die we zo nodig hebben?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Ik heb die gegevens uiteraard ook gezien. Mijn indruk is dat het vooral komt doordat er in de markt nu zo veel onduidelijkheid is, met name over het punt van de milieunormering, de afstandsnormen, waarover uw Kamer inderdaad nog op een brief wacht. Als we die duidelijkheid eenmaal geven, dan denk ik dat er ook meer duidelijkheid is, ook voor provincies en gemeenten, over de vraag waar het nou echt zin heeft en waar we echt aan de slag kunnen gaan. Het allerbelangrijkste is dat we die duidelijkheid zo snel mogelijk geven. Ik ben daarover in overleg met mijn collega van IenW. Zij heeft dus beloofd om nog voor de zomer met een brief te komen. Hopelijk kunnen we daarmee duidelijkheid geven. Dan is het ook weer een kwestie van het maximaal benutten van wind als de gepaste oplossing voor netcongestie, met name om zo veel mogelijk ondernemers die graag willen vergroenen, daarvoor de ruimte te geven. Dat maakt ze ook minder afhankelijk van de hoge brandstofprijzen waar ze op dit moment mee geconfronteerd worden.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het vragenuur. Ik schors een kort ogenblik. Daarna gaan we over tot de beëdiging van een nieuw lid van de fractie van Forum voor Democratie. De vergadering is kort geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Beëdiging van de heer Schenk
Beëdiging van de heer Schenk
Aan de orde is de beëdiging van de heer M. Schenk (FVD).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en ik verzoek de leden hun plaatsen in te nemen, zodat ik het woord kan geven aan de heer Ellian tot het uitbrengen van verslag namens de commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven. Het woord is aan de heer Ellian. Ik verzoek stilte in de zaal.
De heer Ellian (voorzitter van de commissie):
Voorzitter. De commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven heeft de stukken onderzocht die betrekking hebben op de heer M. Schenk te Voorhout. De commissie is tot de conclusie gekomen dat de heer M. Schenk te Voorhout terecht benoemd is verklaard tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De commissie stelt u daarom voor om hem toe te laten als lid van de Kamer. Daartoe dient hij wel eerst de eden zoals die zijn voorgeschreven bij de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal van 27 februari 1992, Staatsblad nr. 120, af te leggen.
De commissie verzoekt u tot slot om de Kamer voor te stellen het volledige rapport in de Handelingen op te nemen.
De voorzitter:
Ik dank de commissie voor haar verslag en stel voor dienovereenkomstig te besluiten.
Daartoe wordt besloten.
(Het rapport is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De voorzitter:
Ik verzoek de leden en de overige aanwezigen in de zaal en op de publieke tribune, voor zover dat mogelijk is, te gaan staan. De heer Schenk is in het gebouw der Kamer aanwezig om de voorgeschreven eden af te leggen.
Ik verzoek de Griffier hem binnen te geleiden.
(De heer Schenk wordt binnengeleid door de Griffier.)
De voorzitter:
De door u af te leggen eden luiden als volgt:
"Ik zweer dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet.
Ik zweer dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen."
De heer Schenk (FVD):
Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
De voorzitter:
Ik wens u van harte geluk met het lidmaatschap van de Kamer. Ik heb het genoegen om u als eerste te feliciteren met uw beëdiging. Ik verzoek u daarna felicitaties voor het rostrum in ontvangst te nemen. De vergadering is voor een kort ogenblik geschorst.
De vergadering wordt van 15.15 uur tot 15.20 uur geschorst.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering.
Ik deel aan de Kamer mee dat het volgende lid zich heeft afgemeld:
Ceder.
Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.
De voorzitter:
Voordat we gaan stemmen, deel ik u nog even mee dat het morgen Verantwoordingsdag is. Die start, zoals gebruikelijk, met het Verantwoordingsontbijt om 9.00 uur in het Ledenrestaurant hier in het Tweede Kamergebouw. De Griffier zal vroeg aanwezig zijn om voor u allen eieren te bakken. We verwachten u daar dus allemaal morgenochtend. U bent van harte uitgenodigd. Ik zie ernaar uit. De eieren zullen zelfs met spek komen, hoor ik. Het kan morgenochtend dus niet op. U bent van harte welkom.
Regeling van werkzaamheden (stemmingen)
Regeling van werkzaamheden (stemmingen)
Regeling van werkzaamheden (stemmingen)
De voorzitter:
Ik stel voor zo dadelijk ook te stemmen over de aangehouden motie-Keijzer/Boomsma (31288, nr. 1240).
Ik zie meneer Graus staan.
De heer Graus (PVV):
Over aangehouden moties gesproken: ik wil graag twee moties aanhouden onder punt 7, de stemmingen over moties ingediend bij het tweeminutendebat Luchtvaart. Het gaat over twee moties van het lid Graus: die op stuk nr. 1282 (31936) en die op stuk nr. 1283 (31936). Ik wil geen broedende kippen van de nesten af schoppen.
De voorzitter:
Dat is altijd onverstandig, zeker in het broedseizoen, want dat is het nu. Dat weet u als woordvoerder.
Op verzoek van de heer Graus stel ik voor zijn moties (31936, nrs. 1282 en 1283) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Stemmingen
Stemmingen
Stemming motie Toegankelijkheid van de huisartsenzorg
Aan de orde is de stemming over een aangehouden motie, ingediend bij het tweeminutendebat Toegankelijkheid van de huisartsenzorg,
te weten:
- de gewijzigde motie-Dobbe over onderzoeken welke stappen moeten worden gezet om voldoende praktijkruimtes voor huisartsen te waarborgen (33578, nr. 177, was nr. 173).
(Zie vergadering van 26 maart 2026.)
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Dobbe stel ik voor haar gewijzigde motie (33578, nr. 177, was nr. 173) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Stemming motie Voorjaarsnota 2026
Aan de orde is de stemming over een aangehouden motie, ingediend bij het debat over de Voorjaarsnota 2026,
te weten:
- de motie-Vermeer over de versterking van de financiële positie van regionale ziekenhuizen als primair einddoel hanteren bij het ingroeipad voor budgetbekostiging (36915, nr. 27).
(Zie vergadering van 23 april 2026.)
De voorzitter:
De motie-Vermeer (36915, nr. 27) is in die zin gewijzigd (36915, nr. ??) en nader gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat partijen met het ingroeipad voor budgetbekostiging van de spoedeisendehulpposten beogen het versterken van de financiële positie van SEH's in regionale ziekenhuizen (31765, nr. 927);
verzoekt de regering om bij alle vervolgstappen richting de SEH-budgetbekostiging te werken aan een passende financiële positie van SEH's in regionale ziekenhuizen binnen het daarvoor geldende VWS-begrotingskader en binnen het huidige normenkader, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. ??, was nr. ?? (36915).
Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.
In stemming komt de nader gewijzigde motie-Vermeer (36915, nr. ??, was nr. 27).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze nader gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Stemmingen moties Leefomgeving
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Leefomgeving,
te weten:
- de motie-Wiersma/Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (30015, nr. 145);
- de motie-Wiersma/Van der Plas over zorgen voor eenvoudige, betaalbare en proportionele vergunningverlening voor paasvuren (30015, nr. 146);
- de motie-Kostić/Wiersma over aan Rijkswaterstaat vragen om bij waterbouwprojecten geen staalslakken meer te gebruiken (30015, nr. 147);
- de motie-Kostić over uiteenzetten hoe de stapeling van compliancetekortkomingen van Tata Steel wordt beoordeeld in het licht van artikel 15.3 van de joint letter of intent (30015, nr. 148);
- de motie-Zalinyan c.s. over de potentiële risico's onderzoeken van secundaire bouwstoffen uit industriële restproducten (30015, nr. 149);
- de motie-Zalinyan over het voorbereiden van een aanpassing van de toepassingsregels voor staalslakken (30015, nr. 150);
- de motie-Huidekooper c.s. over het opstellen van een innovatieagenda voor innovatieve toepassingen die bijdragen aan de veilige en hoogwaardige verwerking van staalslakken (30015, nr. 151).
(Zie vergadering van 12 mei 2026.)
In stemming komt de motie-Wiersma/Kostić (30015, nr. 145).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Wiersma/Van der Plas (30015, nr. 146).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Kostić/Wiersma (30015, nr. 147).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de ChristenUnie, JA21 en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Kostić (30015, nr. 148).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Zalinyan c.s. (30015, nr. 149).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de SGP, de ChristenUnie, Lid Keijzer en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Zalinyan (30015, nr. 150).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en JA21 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Huidekooper c.s. (30015, nr. 151).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Stemmingen moties Openbaar vervoer en taxi
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Openbaar vervoer en taxi,
te weten:
- de motie-Van der Plas over een landelijk kader en implementatietraject voor de inzet van slimme technologieën ter ondersteuning van sociale veiligheid in het openbaar vervoer (23645, nr. 885);
- de motie-Van der Plas over een campagne starten voor meer medewerkers Veiligheid & Service bij de NS (23645, nr. 886);
- de motie-Van der Plas over de Kamer voor het kerstreces de eerste resultaten van het bodycamgebruik door hoofdconducteurs sturen (23645, nr. 887);
- de motie-Beckerman over het presenteren van verregaande voorstellen bij de begroting van 2027 om het ov betaalbaarder te maken (23645, nr. 888);
- de motie-El Abassi over het in kaart brengen van mogelijkheden om het ov betaalbaar te houden (23645, nr. 889);
- de motie-El Abassi over verkennen tegen welke knelpunten taxiondernemers aanlopen en welke maatregelen mogelijk zijn om de sector te ondersteunen (23645, nr. 890);
- de motie-El Abassi over een overzicht van maatregelen in andere EU-landen om de brandstofprijzen te beïnvloeden en de toepasbaarheid hiervan voor Nederland beoordelen (23645, nr. 891);
- de motie-El Abassi over beleidsopties in kaart brengen om de brandstofprijsdruk te beperken (23645, nr. 892);
- de motie-Schutz c.s. over versneld toewerken naar een rapportage over de toegankelijkheid van het openbaar vervoer (23645, nr. 893);
- de motie-Van Leijen over bestaande fiscale regelingen voor woon-werkverkeer uitzoeken en daarbij bezien hoe fietsgebruik en het ov aantrekkelijker gemaakt kunnen worden (23645, nr. 894);
- de motie-Jumelet/Schutz over op te nemen zaken in een convenant sociale veiligheid in het ov (23645, nr. 895);
- de motie-Goudzwaard over reductie van de toelatingskosten van autonome bussen (23645, nr. 896);
- de motie-Goudzwaard over boa's in het openbaar vervoer toegang geven tot het rijbewijsregister, de Basis Voorziening Vreemdelingen en de strafrechtketendatabank (23645, nr. 897);
- de motie-Heutink over een toekomstvisie ov met daarin een veel grotere rol in het ov-systeem voor de markt (23645, nr. 898).
(Zie vergadering van 12 mei 2026.)
De voorzitter:
De motie-Schutz c.s. (23645, nr. 893) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Schutz, De Kort, Jumelet, Van Leijen, Goudzwaard, De Hoop en Grinwis.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 893 (23645).
Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.
In stemming komt de motie-Van der Plas (23645, nr. 885).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van der Plas (23645, nr. 886).
De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van der Plas (23645, nr. 887).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Beckerman (23645, nr. 888).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de ChristenUnie, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-El Abassi (23645, nr. 889).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat de uitslag bij handopsteken niet kan worden vastgesteld.
We doen 'm nog een keer.
In stemming komt de motie-El Abassi (23645, nr. 889).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-El Abassi (23645, nr. 890).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, DENK, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-El Abassi (23645, nr. 891).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, Volt, DENK, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-El Abassi (23645, nr. 892).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
Meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter, ik had bij de moties op de stukken nrs. 890 en 891 eigenlijk tegen moeten stemmen.
De voorzitter:
Genoteerd. Dank u wel.
In stemming komt de gewijzigde motie-Schutz c.s. (23645, nr. ??, was nr. 893).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van Leijen (23645, nr. 894).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Jumelet/Schutz (23645, nr. 895).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Goudzwaard (23645, nr. 896).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Goudzwaard (23645, nr. 897).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Heutink (23645, nr. 898).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
Stemmingen moties Luchtvaart
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Luchtvaart,
te weten:
- de motie-Kröger/Grinwis over een belangenafweging over de inzet van schaarse vrijkomende stikstofruimte met prioriteit voor woningbouw en PAS-melders (31936, nr. 1272);
- de motie-Kröger over een scenario uitwerken waarin Lelystad Airport louter wordt gebruikt voor militaire doeleinden en General Aviation (31936, nr. 1273);
- de motie-Kröger over een gezondheidseffectrapportage in opdracht geven die breder en completer kijkt naar de gezondheidseffecten van Schiphol op omwonenden en werknemers (31936, nr. 1274);
- de motie-Van der Plas/Wiersma over voor de voorhang van het Luchthavenbesluit Lelystad Airport inzichtelijk maken of aannames over onder andere vliegroutes en -hoogtes uitvoerbaar en handhaafbaar zijn (31936, nr. 1275);
- de motie-Van der Plas/Wiersma over voor PAS-melders even voortvarend als voor Lelystad Airport de beschikbare en benodigde stikstofruimte inzichtelijk maken (31936, nr. 1276);
- de motie-Peter de Groot/Goudzwaard over een analyse van Groningen Airport Eelde en Maastricht Aachen Airport naar hun concurrentiepositie in relatie tot luchthavens over de grens (31936, nr. 1277);
- de motie-Grinwis/Van der Plas over zonder onherroepelijke natuurvergunning geen nieuwe streefdatum communiceren voor commerciële vluchten van en naar Lelystad Airport (31936, nr. 1278);
- de motie-Grinwis c.s. over borging van de afspraak dat de totale CO2-uitstoot van de burgerluchtvaart op Schiphol en Lelystad Airport in 2030 lager moet zijn dan in 2024 op Schiphol (31936, nr. 1279);
- de motie-Graus over het vergroten van de kerosinereserves zolang strategische schaarste en dreigingen voortduren (31936, nr. 1280);
- de motie-Graus over inzetten op geluidsreductie in plaats van krimp en nachtsluiting (31936, nr. 1281);
- de motie-Beckerman over vergunningsprocedures voor luchtvaartprojecten waarbij de Staat partij is niet voortzetten zolang er onvoldoende stikstofruimte beschikbaar is voor woningbouw en de legalisatie van PAS-melders (31936, nr. 1284);
- de motie-Kostić over alle denkrichtingen van de ILT over absolute emissiegrenswaarden vóór het commissiedebat over Schiphol met de Kamer delen (31936, nr. 1285);
- de motie-Kostić over de parallelle voorbereiding van Lelystad Airport staken (31936, nr. 1286);
- de motie-Köse/Zwinkels over zich maximaal inspannen om de SDL zo spoedig mogelijk in 2026 open te stellen en verdere vertraging te voorkomen (31936, nr. 1287);
- de motie-Heutink over onderzoeken welke maatregelen genomen kunnen worden om de achterstand bij de ILT weg te werken (31936, nr. 1288).
(Zie vergadering van 12 mei 2026.)
In stemming komt de motie-Kröger/Grinwis (31936, nr. 1272).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, de SGP, de ChristenUnie, BBB en Lid Keijzer voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Kröger (31936, nr. 1273).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Kröger (31936, nr. 1274).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, DENK, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Van der Plas/Wiersma (31936, nr. 1275).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, de SGP, de ChristenUnie, BBB en Lid Keijzer voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Van der Plas/Wiersma (31936, nr. 1276).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Peter de Groot/Goudzwaard (31936, nr. 1277).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Grinwis/Van der Plas (31936, nr. 1278).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, de SGP, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Grinwis c.s. (31936, nr. 1279).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Graus (31936, nr. 1280).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van DENK, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Graus (31936, nr. 1281).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, DENK, de VVD, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Beckerman (31936, nr. 1284).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Kostić (31936, nr. 1285).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Kostić (31936, nr. 1286).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Köse/Zwinkels (31936, nr. 1287).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB en Lid Keijzer voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Heutink (31936, nr. 1288).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Stemmingen moties Food and Feed Safety Simplification Omnibus
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over de Food and Feed Safety Simplification Omnibus,
te weten:
- de motie-Kostić c.s. over niet instemmen met een voorstel dat leidt tot een verslechtering van het huidige beschermingsniveau van mens, dier en milieu (22112, nr. 4328);
- de motie-Kostić over zich ervoor inzetten dat het uiteindelijke voorstel geen afbreuk doet aan de bescherming van bestuivers (22112, nr. 4329);
- de motie-Kostić/Bromet over laten uitzoeken wat ongeveer de extra capaciteitsvraag en kosten voor Nederland zijn die voortvloeien uit het voorstel (22112, nr. 4330);
- de motie-Beckerman over in Europa pleiten voor het behoud van periodieke herbeoordelingen voor alle stoffen (22112, nr. 4331);
- de motie-Beckerman over in Europa pleiten tegen het verruimen van de respijtperiodes voor gewasbeschermingsmiddelen (22112, nr. 4332);
- de motie-Beckerman over verder inzetten op het ontwikkelen van green lanes voor biocontrols (22112, nr. 4333);
- de motie-Bromet/Kostić over bij de Omnibus Food and Feed voorstellen doen die Nederland in staat stellen om de doelen van de Kaderrichtlijn Water sneller te behalen (22112, nr. 4334);
- de motie-Bromet c.s. over voorafgaand aan de stemmingen over de Omnibus Food and Feed de Kamer een definitief beslismoment voorleggen (22112, nr. 4335);
- de motie-Van der Plas over voedselzekerheid, teeltzekerheid en strategische autonomie en weerbaarheid volwaardig meenemen bij de onderhandelingen over het Omnibusvoorstel (22112, nr. 4336);
- de motie-Van der Plas over bij de eerstvolgende actualisatie van de verwachte teeltknelpunten een concreet actieplan per kwetsbare teelt aan de Kamer sturen (22112, nr. 4337);
- de motie-Lohman over gericht inzetten op onderzoek en ontwikkeling voor teelten en plagen waar nu nog geen effectieve alternatieven voor beschikbaar zijn (22112, nr. 4338);
- de motie-Podt c.s. over pleiten voor een versnelde beoordeling van biocontrol (22112, nr. 4339);
- de motie-Podt/Bromet over extra financiering vinden voor capaciteit bij de EFSA (22112, nr. 4340).
(Zie vergadering van 12 mei 2026.)
De voorzitter:
De motie-Bromet/Kostić (22112, nr. 4334) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland nog een grote opgave heeft om vanaf 2027 te voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit die volgen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW);
overwegende dat het versoepelen van regels voor de herbeoordeling van stoffen, waaronder mogelijk de prioritaire stoffen uit de KRW, pfas en tfa, afbreuk doet aan de voorwaarde die het kabinet en de Kamer stellen om de waterkwaliteit, de volksgezondheid en het milieu onverminderd te beschermen;
van mening dat Nederland goede wil moet tonen dat het zich committeert aan de juridisch bindende doelen van de KRW, en dat het hiertoe van belang is dat de Omnibus Food and Feed in geen enkel geval deze opgave bemoeilijkt;
verzoekt de regering om bij de Omnibus Food and Feed gerichte voorstellen te doen die Nederland bewezen in staat stellen om de doelen van de Kaderrichtlijn Water sneller te behalen, en in ieder geval niet in te stemmen met voorstellen die dat bewezen bemoeilijken,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 4334 (22112).
Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.
In stemming komt de motie-Kostić c.s. (22112, nr. 4328).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de ChristenUnie en JA21 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Kostić (22112, nr. 4329).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de ChristenUnie, JA21, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Kostić/Bromet (22112, nr. 4330).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de ChristenUnie en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Beckerman (22112, nr. 4331).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Beckerman (22112, nr. 4332).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Beckerman (22112, nr. 4333).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Bromet/Kostić (22112, nr. ??, was nr. 4334).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Bromet c.s. (22112, nr. 4335).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de fractie van Lid Keijzer ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van der Plas (22112, nr. 4336).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Van der Plas (22112, nr. 4337).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Lohman (22112, nr. 4338).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Podt c.s. (22112, nr. 4339).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Podt/Bromet (22112, nr. 4340).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
Stemming motie Begrotingen Economische Zaken en Nationaal Groeifonds 2026
Aan de orde is de stemming over een aangehouden motie, ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 2026 en het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Nationaal Groeifonds voor het jaar 2026 (36800-L),
te weten:
- de motie-Flach c.s. over de maritiemesectoragenda na 2026 continueren (36800-XIII, nr. 33).
(Zie vergadering van 21 januari 2026.)
De voorzitter:
De motie-Flach c.s. (36800-XIII, nr. 33) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de maritieme sector van groot belang is voor onze strategische autonomie en de Nederlandse hoogwaardige maritieme en defensie-industrie ook bijdraagt aan ons verdienvermogen;
verzoekt de regering de in het coalitieakkoord omarmde sectoragenda na 2026 te continueren en nadrukkelijk te verankeren in het gerichte industriebeleid,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. ??, was nr. 33 (36800-XIII).
In stemming komt de gewijzigde motie-Flach c.s. (36800-XIII, nr. ??, was nr. 33).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.
Stemmingen moties Regio's en grensoverschrijdende samenwerking
Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Regio's en grensoverschrijdende samenwerking,
te weten:
- de motie-Boelsma-Hoekstra over inzichtelijk maken hoe strategische agenda's om samen met regio's grote opgaven te realiseren opgesteld worden (29697, nr. 182);
- de motie-Vermeer over een herkenbare passage plattelandstoets bij nieuw beleid met mogelijke gevolgen voor het platteland (29697, nr. 183);
- de motie-Clemminck/Flach over meer passende doelstellingen rond de spreiding van rijkswerkgelegenheid (29697, nr. 184).
(Zie vergadering van 13 mei 2026.)
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Vermeer stel ik voor zijn motie (29697, nr. 183) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
In stemming komt de motie-Boelsma-Hoekstra c.s. (29697, nr. 182).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
In stemming komt de motie-Clemminck/Flach (29697, nr. 184).
De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.
Stemming motie Onderzoeks- en wetenschapsbeleid
Aan de orde is de stemming over een aangehouden motie, ingediend bij het tweeminutendebat Onderzoeks- en wetenschapsbeleid,
te weten:
- de motie-Keijzer/Boomsma over objectiviteit en waarheidsvinding weer als normatief uitgangspunt of zelfstandig kernbegrip hanteren in de wetenschappelijke gedragscode (31288, nr. 1240).
(Zie vergadering van 16 april 2026.)
In stemming komt de motie-Keijzer/Boomsma (31288, nr. 1240).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
Dat waren de stemmingen. Ik schors een enkel ogenblik, waarna we verdergaan met de regeling van werkzaamheden.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering.
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
Regeling van werkzaamheden
De voorzitter:
Aan de orde is de regeling van werkzaamheden.
Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:
- het wetsvoorstel Wijziging van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg en de Jeugdwet in verband met digitale identificatie en authenticatie in de zorg (36702);
- het wetsvoorstel Wijziging van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg in verband met Richtlijn (EU) 2011/24 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PbEU 2011, L 88) (36825);
- het wetsvoorstel Goedkeuring van de op 15 november 2023 te Apia, Samoa tot stand gekomen Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de leden van de Organisatie van Staten in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan, anderzijds (Trb. 2024, 47) (36857).
Op verzoek van een aantal leden stel ik voor de volgende door hen ingediende moties opnieuw aan te houden: 36812-91 en 36848-81.
Ik deel aan de Kamer mee dat voor de volgende debatten de termijn voor toekenning is verlengd:
- het dertigledendebat over de stijgende brandstofprijzen;
- het dertigledendebat over het gebruik van een onjuist en discriminerend algoritme om de herhalingskans bij verdachten in te schatten;
- het debat over de hoge verkeersboetes;
- het debat over de situatie van de Palestijnen;
- het dertigledendebat over het rapport van het VN-comité over vrouwenrechten in Nederland;
- het dertigledendebat over de opkomst van privéklinieken;
- het debat over het bericht dat de medische zorg aan mensen zonder zorgverzekering tekortschiet;
- het dertigledendebat over toenemend vandalisme tegen kerken en christelijke symbolen;
- het debat over de betekenis van AI en technologie voor de samenleving;
- het dertigledendebat over het bericht dat een half miljoen mensen die door ziekte of handicap niet kunnen werken geen passende arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen;
- het debat over de toenemende schulden van huishoudens;
- het dertigledendebat over het UWV en de WIA-beoordelingen;
- het dertigledendebat over de verkorting van de duur van de WW;
- het debat over het bericht dat meer dan de helft van de Nederlanders de verwarming niet aanzet vanwege de hoge energiekosten.
Op verzoek van de fractie van Forum voor Democratie benoem ik:
- in de commissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven het lid Schenk tot plaatsvervangend lid;
- in de vaste commissie voor Economische Zaken het lid Schenk tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Digitale Zaken het lid Schenk tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Financiën het lid Schenk tot lid in de bestaande vacature;
- in de commissie voor de Rijksuitgaven het lid Schenk tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid het lid Schenk tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat het lid Schenk tot lid in de bestaande vacature;
- in de contactgroep Verenigde Staten het lid Schenk tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties het lid Schenk tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Asiel en Migratie het lid Schenk tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken het lid Schenk tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Defensie het lid Schenk tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het lid Schenk tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature.
Ik stel voor toe te voegen aan de agenda het tweeminutendebat Vreemdelingen- en asielbeleid (CD d.d. 13/05), met als eerste spreker het lid Westerveld van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Bromet voor haar voorstel namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank u wel. Wij hebben een brief van de minister van LVVN gekregen waarin staat dat hij in de week voor het zomerreces komt met een pakket om de stikstofcrisis aan te pakken. Mevrouw Van der Plas van de BBB heeft al eerder een debat hierover aangevraagd. Mijn verzoek is erop gericht om dit debat plenair te houden in de laatste week voor het reces.
De voorzitter:
Ik kijk of u daar steun voor heeft.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Het is heel belangrijk dat dit voor het zomerreces gebeurt, want wij hebben gezien dat er echt dramatische plannen aankomen voor boeren. Wij willen dit debat dus natuurlijk graag zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor het zomerreces.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik hoop dat de plannen vooral goed nieuws zijn voor de natuur en de boeren helpen om te schakelen. Dus ik zeg: vooruit met de geit. Steun voor het verzoek.
Mevrouw Podt (D66):
Voorzitter. Vol verwachting klopt ons hart. Laten we het doen.
De heer Van Baarle (DENK):
Steun voor het verzoek.
De heer Chris Jansen (PVV):
Het lijkt mij zeer wenselijk. Dus steun.
De heer Koorevaar (CDA):
Steun voor het verzoek.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Steun voor het verzoek.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Steun.
De heer Flach (SGP):
Steun.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Steun.
De heer Ceulemans (JA21):
Ook steun.
Mevrouw De Vos (FVD):
Steun.
De voorzitter:
U heeft een meerderheid.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ja, voorzitter. Ik heb de plannen nog niet gezien, maar anderen hebben ze misschien wel gezien. Ik ben benieuwd.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer El Abassi voor zijn verzoek namens DENK. Het is erg onrustig in het confessionele blok. Mag ik een beetje rust? Gaat uw gang, meneer El Abassi.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. Mensen levend in brand willen steken door terroristen die de brandweer vervolgens weer tegenhouden; dat is wat er in Loosdrecht is gebeurd. Vluchtelingen, agenten en raadsleden worden belaagd met vuurwerk en fakkels. Keer op keer heb ik gewaarschuwd voor de gevolgen van extreemrechtse ophitsing en complottheorieën, zoals omvolking, ook vanuit dit huis. Burgemeesters en bestuurders worden bedreigd en spreken inmiddels ook van "terreur en intimidatie". Voor de zoveelste keer verzoek ik om een debat met de minister van Justitie en Veiligheid.
De voorzitter:
Voor de duidelijkheid en de goede orde: dit is het tweede verzoek dat op de lijst staat.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Geweld is altijd af te keuren; dat kunnen we hier niet vaak genoeg zeggen. Volgende week, op 27 mei, is er echter een commissiedebat Terrorisme/extremisme. Daar is de minister al bij. Ik denk dat dat de snelste weg is daarvoor. Over het demonstratierecht komt er ook nog een debat op 21 mei; dat zeg ik uit mijn hoofd. Daar zou de minister van Justitie dan bij gevraagd kunnen worden. Maar goed, dat kan je in de commissie regelen.
De voorzitter:
Dat loopt via de commissie. Dan noteren we nu: geen steun.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik sluit me aan bij de woorden van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Wat we zagen, was opnieuw extreemrechts geweld. Het kabinet moet keihard normeren, begrenzen en optreden. Dat doet het niet. Daar moeten we dus een debat over voeren, maar straks vraagt de heer Klaver over dit afschuwelijke geweld een breder debat aan, met ook de minister-president erbij. Dat heeft dus onze voorkeur, maar we vinden absoluut dat hier een debat over gevoerd moet worden.
Mevrouw Faber (PVV):
Geen steun; kan bij het commissiedebat.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Er was een aanvraag voor het vragenuurtje van mevrouw De Vos, die net even wat eerder was dan ik, om vragen te stellen over het statement van de minister-president, dat volstrekt wereldvreemd en onder de maat was. Er staat van mevrouw De Vos een verzoek om heel snel een asieldebat te hebben, evenals van de heer Klaver. Ik denk dat we die bij elkaar kunnen stoppen. Volgens mij komt daar steun voor. Maar geen steun voor dit aparte verzoek. Ik dacht trouwens dat de heer El Abassi het had over het rapport van de Civil Commission over 7 oktober …
De voorzitter:
Jajaja, uw positie is helder.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
… maar dat was niet zo.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Geen steun.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Voorzitter. Als het debat nou ook ging over het geweld dat de overheid tegen demonstranten gebruikt, hadden we het kunnen steunen, maar dit is zo'n eenzijdig verzoek, dus geen steun.
Mevrouw Biekman (D66):
Voorzitter. Ik sluit me aan bij de woorden van mevrouw Ouwehand: gooi het allemaal in één debat. Dus voor dit verzoek geen steun.
De heer Dassen (Volt):
Steun.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter. Ik sluit me aan bij vorige sprekers die zeiden dat we hier één debat over kunnen voeren. Volgens mij zit de beste samenvatting hiervan in het verzoek van de heer Klaver.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik steun straks het verzoek van collega Klaver. Wat mij betreft kan dit eronder gevat.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Ik sluit me aan bij mevrouw Bikker.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid, meneer El Abassi.
Uw volgende verzoek.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, ik vind het schandalig. Laat ik het daarbij houden.
Voorzitter. Dan mijn volgende verzoek. Ook hiervoor heb ik hier bijna wekelijks gestaan en sta ik hier bijna wekelijks. Er vinden wekelijks aanvallen op moskeeën plaats. Opnieuw is een moskee beklad met intimiderende en discriminerende symbolen. Inmiddels zijn extra cameratoezicht en politiebewaking nodig. Keer op keer kaart ik hier de groeiende moslimhaat aan. Burgemeesters spreken over aantasting van het veiligheidsgevoel en groeiende spanningen in de samenleving, maar vanuit de Kamer blijft het steeds stil. Ik verzoek om een debat met de minister van Justitie en Veiligheid over de toename van moslimhaat en de angstaanjagende aanvallen op moskeeën, waar ikzelf echt bang van word, iedere keer weer.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ook hier geldt: er is een commissiedebat Discriminatie en racisme op 21 mei. Daar past dit onderwerp heel goed tussen. Het is ook sneller. Hetzelfde geldt voor 27 mei. Dan is er een debat Terrorisme en extremisme. De heer El Abassi zou kunnen overwegen om bij het commissiedebat van 21 mei ook de minister van Justitie en Veiligheid erbij te vragen. Dus we keuren alles af wat de heer El Abassi naar voren brengt, in de zin van de acties die zijn gepleegd, de davidsterren. Laat daar geen misverstand over bestaan. Dat is afschuwelijk, maar laten we dit gewoon in de commissiedebatten bespreken.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Er staan heel veel brieven op de agenda van het komende commissiedebat. De toename van moslimhaat verdient echt een apart debat. Dus van harte steun namens de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Faber (PVV):
Geen steun.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Geen steun.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Voorzitter. Afgelopen week waren er Palestijnse vrienden van meneer El Abassi op de Dam, die nota bene de fractievoorzitter van Groep Markuszower, de heer Markuszower, met schoenen bekogelden. Maar daar hoor ik hem niet over.
De voorzitter:
Steun of geen steun?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Geen steun voor dit verzoek.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
We hebben twee keer per jaar vier minuten spreektijd over discriminatie. Het lijkt mij echt goed om een keer een apart debat over moslimhaat te voeren. Dus van harte steun.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Is een davidster discriminatie? Is dat wat de heer El Abassi zei? Geen steun. En moslimhaat? Laten we daar ook eens mee stoppen. Dat bestaat gewoon niet.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Het kan donderdag in het commissiedebat. Geen steun.
De heer Dassen (Volt):
Steun.
Mevrouw Biekman (D66):
Geen steun.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, de heer Heutink heeft mijn naam genoemd en heeft wat gezegd. Daar mag ik op reageren, voorzitter.
De voorzitter:
Heel kort. Heel, heel kort.
De heer El Abassi (DENK):
Hij heeft het over "vrienden". De vrienden die ik op beelden heb gezien, zijn de vrienden van de heer Heutink zelf, die de massa oproepen tot het soort gewelddadige acties waar ik het eerder over heb gehad …
De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt.
De heer El Abassi (DENK):
… namelijk mensen in de fik steken en de brandweer tegenhouden. Dat zijn de vrienden van de heer Heutink. Dat zijn niet mijn vrienden.
De voorzitter:
Jajaja, ik heb u gelegenheid gegeven. We houden het hierbij.
Het woord is aan de heer Klaver voor zijn verzoek namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
De heer Klaver (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank. De bonden hebben een ultimatum gesteld aan het kabinet. Er was een meerderheid voor een debat. Ik heb inmiddels begrepen dat een brief aanstaande is en op korte termijn naar de Kamer komt. Ik zou u willen verzoeken om zodra die brief er is, direct een debat in te plannen en er niet te lang overheen laten gaan.
De voorzitter:
Ik kijk of u steun heeft.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat steun ik.
De heer Wilders (PVV):
Het ligt er natuurlijk aan wanneer die brief komt, maar zo snel mogelijk.
De heer Vermeer (BBB):
Steun.
De heer Russcher (FVD):
Steun.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Steun.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Steun, maar volgens mij hadden we dit vorige week ook al kunnen regelen. Nog een keer steun, wat ons betreft.
Mevrouw Biekman (D66):
De heer Klaver zegt het anders: hij wacht eerst de reactie van het kabinet af. Dus wat D66 betreft doen we dat ook en wachten we eerst de reactie af. Op dit moment dus geen steun.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Steun. Ik sluit me aan bij de woorden van de heer Wilders.
De heer Van Baarle (DENK):
Steun voor het verzoek.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
De heer Klaver zegt hier iets anders dan ik op de regeling lees. Ik denk dus dat het van belang is, want het luistert nauw, dat we scherp hebben waarvoor we hier steun geven. Vorige week hebben we vanuit de coalitie ook gezegd dat we een brief willen van het kabinet en dat we daarna een debat kunnen hebben. In de regeling staat: we willen zo snel mogelijk een debat hebben. Daar hoort u nu ook een reactie op. Wat mij betreft gaan we met het kabinet in debat nadat er een brief is gekomen, dus niet daarvoor, en hebben we dus ook niet "zo spoedig mogelijk" een debat.
De voorzitter:
Ik heb de heer Klaver volgens mij horen zeggen: een brief en dan een debat, zo snel mogelijk. Zo heb ik het gehoord, maar we gaan eerst het ordedebat even afronden en dan krijgt hij het woord.
De heer Ceulemans (JA21):
Onze lijn is dezelfde als die van vorige week: er valt iets te bespreken op het moment dat er een reactie van het kabinet is. Daarvoor een debat is een totale herhaling van zetten. We willen dus eerst de reactie van het kabinet afwachten. Als die er is, dan kan daarover het debat gevoerd worden.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat was volgens mij wat de heer Klaver ook zei. Voorzitter, steun.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Steun.
De heer Dassen (Volt):
Steun.
De heer Struijs (50PLUS):
Steun.
De voorzitter:
U heeft een meerderheid om het zo snel mogelijk na de brief in te plannen.
De heer Klaver (GroenLinks-PvdA):
Top!
De voorzitter:
Dank!
Dan is het woord aan mevrouw Bikker voor haar verzoek namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Afgelopen week vergaderde de Kamer in eerste termijn over de herindeling van Hilversum en Wijdemeren. Dat kregen we niet af. Gezien de planning, de verkiezingen die in november ingepland staan en het feit dat dit ook op tijd door de Eerste Kamer behandeld moet worden, wil ik volgens mij met brede steun van de commissie vragen om dit debat nog deze week te houden en volgende week te stemmen over dit wetsvoorstel.
De voorzitter:
We hadden het verzoek zien aankomen, maar ik ga het toch even ter bespreking voorleggen aan de leden.
De heer Vermeer (BBB):
Ja, graag, want dat was ook de voorwaarde waaronder we het vorige week opgeschort hebben.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Exact.
De heer Flach (SGP):
Daar sluit ik me bij aan.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Steun.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Steun.
De heer Meulenkamp (VVD):
Steun.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Steun.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Steun.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik weet niet of het allemaal haalbaar is qua agenda, maar in ieder geval steun voor de poging.
De heer Stöteler (PVV):
Ja, steun.
De voorzitter:
U heeft een meerderheid en we gaan dat organiseren.
Het woord is aan de heer Heutink voor zijn verzoek namens de Groep Markuszower.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Vorige week stond ik hier om een debat aan te vragen over DigiD. Omdat we geen tijd meer te verliezen hebben, sta ik hier vandaag opnieuw. Vorige week gaven een aantal fracties aan dat ze de BTI-toets willen afwachten, of de technische briefing over de risicoanalyse, maar wachten is geen optie, want nu blijkt dat Solvinity bij Binnenlandse Zaken per brief heeft aangegeven helemaal niet te gaan wachten op ons. Wij kunnen dus met z'n allen wachten tot we een ons wegen, maar dan zijn we DigiD gewoon kwijt. Ik wil dus een brief van het kabinet en ik wil deze of volgende week een debat hebben met de staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Economische Zaken en Klimaat, over DigiD.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u een meerderheid heeft voor het voorstel dat voorligt.
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
De Kamer is verkeerd geïnformeerd, blijkt uit nieuwe informatie. Daar blijkt ook uit dat we echt geen tijd meer hebben. Er liggen heel stevige, bijna unanieme Kameruitspraken dat DigiD volledig in Nederlandse handen gebracht moet worden. De tijd is echt heel beperkt, dus we moeten het debat over DigiD zo snel mogelijk voeren. Steun.
De heer Vermeer (BBB):
We zijn DigiD niet kwijt. Daar gaat het niet om. Het gaat om waar het beheerd wordt, en door wie, maar dat terzijde. Steun.
De heer Van den Berg (JA21):
Voorzitter. Toch even voor de feitelijkheid, zowel tegen Kathmann als Vermeer als Heutink. Het gaat niet om DigiD, zeg ik even voor de feitelijkheid. Er zijn op 17 april Kamervragen ingediend, zowel door de heer Heutink als door mij. Laten we die eerst afwachten.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Steun.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mede namens de SGP: steun.
Mevrouw El Boujdaini (D66):
Geen steun, want zoals we vorige week ook al hebben gezegd, willen we echt eerst de resultaten van de BTI-toets afwachten. Daarna willen we ook nog een kabinetsreactie. Zo hebben we alle informatie om het debat echt goed met elkaar te kunnen voeren. Het is heel belangrijk. Daarom kunnen we dit niet doen wanneer de informatie die we hebben onvolledig is.
De heer Struijs (50PLUS):
Alle steun.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Steun.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Steun.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Steun.
Mevrouw Zwinkels (CDA):
Geen steun, voorzitter. We willen echt de BTI-toets eerst afwachten en daarna een debat gaan voeren met elkaar.
De heer Verkuijlen (VVD):
Daar sluit ik me bij aan. Geen steun.
De heer Dassen (Volt):
Steun.
De heer Stöteler (PVV):
Steun.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Voorzitter. Het is echt ontzettend naïef om te denken dat we met elkaar kunnen wachten. Dat is echt ontzettend naïef. We gaan het volgende week gewoon weer proberen.
De voorzitter:
Uw volgende verzoek.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
O, ik heb nog een verzoek!
De voorzitter:
Ja! Het hoeft niet, maar het mag wel.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Die ga ik u niet geven, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dacht: ik probeer het gewoon.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik kan het wel kort houden, voorzitter.
De gasopslag is vandaag voor 12,7% gevuld, terwijl dat vorig jaar nog het dubbele was. Nu zijn de gasprijzen torenhoog, moeten we duur gas inkopen en dat mogelijk goedkoop weer verkopen als de prijzen dalen. Wie draait daarvoor op? Dat is juist de belastingbetaler. Tegelijkertijd zal wachten resulteren in een gasopslag die niet voldoende gevuld zal zijn. Je kunt immers maar zoveel gas per dag opslaan. Ik wil dat we ervoor zorgen dat er voldoende gas is, maar ook dat de Nederlandse belastingbetaler niet de dupe wordt van deze systematiek. Daarom wil ik een debat met de minister van Klimaat en Groene Groei hierover.
De voorzitter:
Ik kijk of u daar steun voor heeft.
Mevrouw Müller (VVD):
Ik maak me hier ook zorgen over, maar op 4 juni hebben we hier een commissiedebat over. Daarbij kunnen we dit sneller behandelen. Geen steun.
De heer Jumelet (CDA):
Voorzitter. 4 juni is het commissiedebat. Geen steun.
De heer Van den Berg (JA21):
We hebben inderdaad het debat op 4 juni. Er komt ook al een plenair debat aan over de leveringszekerheid, dat door ons is aangevraagd. Laten we het daar voeren.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Geen steun. Er komt binnenkort dus een commissiedebat.
De heer Vermeer (BBB):
Geen steun. Over twee weken is het commissiedebat.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. Ook ik zou kunnen verwijzen naar het commissiedebat, maar het is urgent, dus steun.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Steun.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Geen steun. Dit kan bij het commissiedebat.
De heer Kops (PVV):
Dit kan bij het commissiedebat.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid.
Het woord is aan de heer Dassen voor zijn verzoek namens Volt.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Vorige week stond ik hier ook om een debat aan te vragen met de minister van Justitie en Veiligheid over het verkeerd informeren van de Kamer ten aanzien van contracten met Palantir, een bedrijf dat AI gebruikt en waar de Nederlandse overheid zaken mee doet, terwijl we weten dat dit bedrijf is opgericht door mensen met een antidemocratisch geluid, en wordt ingezet voor deportaties en voor het moorden in Gaza. Het lijkt me goed om hier als Kamer zo snel mogelijk een debat over te hebben. Vorige week waren er partijen zoals de PVV, de VVD en het CDA die niet naar voren kwamen omdat ze niet bereid waren steun te geven. Ik bied ze graag een herkansing.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u steun heeft.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Alweer van harte steun.
Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):
Ook hierover is de Kamer verkeerd geïnformeerd. Het lijkt me echt zaak dat we zo snel mogelijk hierover een debat gaan voeren als we onszelf een beetje serieus nemen. Steun.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Geen steun.
De heer El Abassi (DENK):
Dit kun je uiteraard niet níét steunen. Steun.
De heer Russcher (FVD):
Niet om de redenen niet de heer Dassen noemde, maar wel steun voor het debat.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Geen steun.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Steun.
Mevrouw Straatman (CDA):
Steun.
Mevrouw Faber (PVV):
Geen steun.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Geen steun.
De heer Van den Berg (JA21):
Geen steun.
De heer Struijs (50PLUS):
Steun.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid.
De heer Dassen (Volt):
Wel dertig leden, voorzitter. Ik zou het graag op de lijst willen zetten.
De voorzitter:
U heeft nog een verzoek.
De heer Dassen (Volt):
Zeker. De overheid wil graag 2 miljard investeren in Tata Steel. Afgelopen week kwam er weer verschillend nieuws naar buiten. Dat ging onder andere over een verlies van 150 miljoen en een nieuwe rechtszaak die is gestart. Maar er was ook het nieuws dat de vergunning voor de kooksgasfabrieken mogelijk wordt ingetrokken. Dat gaat wel degelijk een heel grote invloed hebben op de transitie naar groen staal. Ik zou graag een reactie van het kabinet ontvangen over wat de gevolgen hiervan zijn voor de maatwerkafspraken en voor het plan dat Tata heeft ingeleverd. Ik zou hier vervolgens graag een debat over willen voeren met de minister van KGG.
De voorzitter:
Het informatieverzoek geleiden we sowieso door. Ik ga kijken of u steun heeft voor een debat.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Tata lapt alle regels aan de laars, dus heel goed om hier een debat over te hebben. Steun.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Geen steun.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Volledige steun. Het is belangrijk dat we snel duidelijkheid hebben over wat dit betekent voor de maatwerkafspraken.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Geen steun, voorzitter. Ik hoop dat u mijn informatieverzoek van zojuist ook gaat doorgeleiden naar het kabinet.
De voorzitter:
Sowieso; absoluut. Dat wordt ook doorgeleid naar het kabinet.
De heer Van den Berg (JA21):
Voorzitter. We hebben voor het reces een heel debat gevoerd over Tata. Na het reces zijn de definitieve maatwerkafspraken beschikbaar. Dan kunnen we het erover hebben.
Mevrouw Müller (VVD):
Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Van den Berg.
De heer Chris Jansen (PVV):
Voorzitter. Er is volgens mij net een motie aangenomen over afstemming met de Kamer over het integrale plan. Daar krijgt de heer Dassen alle ruimte, dus geen steun.
Mevrouw Biekman (D66):
Geen steun.
De heer Jumelet (CDA):
Voorzitter. Zojuist heeft de Kamer een brief ontvangen. Geen steun.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Net zo lang emmeren totdat dit soort bedrijven vertrekken of failliet gaan. Geen steun.
De heer Flach (SGP):
Ik ben een beetje bang voor herhaling bij een debat als dit. We hebben een goede brief gehad. Geen steun voor dit debat.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid.
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter, toch even kort. Dit is allemaal recent nieuws. De consequenties hiervan zijn vrij groot voor de maatwerkafspraken. Het lijkt me goed als we daar als Kamer over zouden debatteren, maar helaas zien de collega's dat anders.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Tseggai voor haar verzoek namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het is de afgelopen tijd heel veel gegaan over noodpakketten, voedselvoorraden en gasvoorraden in Europees Nederland. Het wordt tijd dat we het ook gaan hebben over Caribisch Nederland. De Algemene Rekenkamer concludeerde recent dat er bij rampen nauwelijks voorraden in Caribisch Nederland zijn. Op Saba is er bijvoorbeeld drinkwater voor maar één dag. Dat is overigens ook tegen de Europese regels in. Het lijkt mij dan ook goed om een debat te hebben over weerbaarheid op de BES-eilanden, ook vanwege het verhoogde risico in het gebied op natuurgeweld, dat wij hier in Europees Nederland niet hebben.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u steun heeft.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Steun.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Steun en goed dat u dit aankaart.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Volgens ons is de snelste weg het commissiedebat van volgende week. Mede namens de SGP: geen steun.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Ik sluit mij aan bij mevrouw Bikker.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik sluit mij ook aan bij mevrouw Bikker.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ook.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik ook.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik steun het verzoek.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, wenst u zich ook uit te spreken?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Geen steun, maar wel even een advies daarbij. Het klopt inderdaad wat mevrouw Bikker zegt. Op 4 juni is er nog een natuurdebat en op 15 juni is er nog een waterdebat in de commissies. Dat zijn dus drie momenten waarop dit aan de orde gesteld kan worden.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik ben mij bewust van het bestaan van de commissiedebatten. Ik ben mij ook zeer bewust van het bestaan van plenaire debatten. Ik zou dit dus graag willen aanmelden voor een dertigledendebat.
De voorzitter:
Zeker, we zetten 'm erbij, mevrouw Tseggai.
Het woord is aan mevrouw Vondeling voor haar verzoek namens de PVV.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dank. 43% van de 130.000 Oekraïners wil in Nederland blijven, ook als de oorlog ten einde komt. Zij willen niet terug naar Oekraïne. Ze willen zelfs het liefst een Nederlands paspoort. Driekwart van de Oekraïners wil graag een Nederlands paspoort. Ons land zit propvol, overvol. Nederland kan het niet meer aan. Oekraïners moeten terug naar Oekraïne, beginnend met de Oekraïense mannen die hun thuisland kunnen helpen verdedigen en heropbouwen. Daarom wil ik graag een debat met de minister van Asiel en Migratie.
De voorzitter:
Ik kijk of u daar steun voor heeft.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Van harte steun. Er is ons altijd voorgehouden dat ze weer terug zouden gaan als dat kon, of dat ze zelf graag terug wilden. Uit rapporten die we nu hebben gezien, blijkt dat dat niet het geval is. Steun voor het debat.
De heer Ceulemans (JA21):
Er staat al een plenair debat over asiel, maar dit is echt een ander onderwerp. Het is ook een heel grote opgave. Steun dus voor dit losse debat.
De heer Van Baarle (DENK):
Er staan voldoende debatten over het onderwerp asiel en migratie. Deze week is er nog best wel een uitgebreid debat over een wetswijziging. Geen steun dus om daar nóg een debat aan toe te voegen.
De heer Ellian (VVD):
Er zijn heel veel debatten. Mede namens het CDA: geen steun.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Steun.
De heer Russcher (FVD):
Steun.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor de PVV altijd klagen over mensen die zich niet aanpassen en niet integreren. Nu een groep dat wel doet, is het ook niet goed. Bovendien zijn er heel veel asieldebatten, dus geen steun.
Mevrouw Biekman (D66):
Voorzitter. Ook geen steun vanuit D66. Er zijn al veel asieldebatten.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Steun.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Graag wel een dertigledendebat.
De voorzitter:
We zetten 'm erbij.
Het woord is aan de heer Stultiens namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Het kabinet was van plan om de hypotheekrenteaftrek te verruimen, met maar liefst 280 miljoen. Vorige week hebben we dat met een meerderheid van de Kamer teruggefloten en gevraagd die niet te verruimen. Binnen een uur zei de VVD: deze motie gaat niet worden uitgevoerd. Het kabinet heeft nog geen brief gestuurd waarin het zegt die wel uit te gaan voeren. Daarom is het de hoogste tijd voor een debat met de staatssecretaris van Financiën, want moties dienen gewoon uitgevoerd te worden.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u steun heeft.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter, geen steun voor dit debat.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Geen steun.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Mede namens Volt: steun.
De heer Ceulemans (JA21):
Geen steun.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Geen steun.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Geen steun.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter. Wel steun. Het valt me op dat aangenomen moties de laatste tijd niet of heel karig worden uitgevoerd. Ik zou het fijn vinden als collega-Kamerleden toch dit soort debatten gaan steunen, ook als moties misschien niet heel erg in hun lijn liggen. Anders houdt het wel een keertje op. Dan zijn die stemmingen, waar we net een uur mee bezig zijn geweest, weinig waard.
De heer Van Baarle (DENK):
Steun voor het verzoek.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid, meneer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Maar volgens mij wel 30 leden.
De voorzitter:
Ja.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dan zet ik die graag op de lijst.
De voorzitter:
We zetten 'm erbij.
Het woord is aan mevrouw Van Meetelen voor haar verzoek namens de PVV.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Voorzitter, dank. Nederland werd afgelopen weekend weer opgeschrikt door een vreselijke zaak rond de mishandeling van kinderen, ditmaal in Stadskanaal. We hebben het er vanmiddag in het vragenuurtje ook over gehad. De casussen stapelen zich op. Er is Kamerbreed al overeenstemming over een debat over jeugdzorg en jeugdhulpverlening. De vraag is om dit zo spoedig mogelijk in te plannen. Ook wil ik een minuut extra spreektijd aanvragen voor dat debat.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u daar steun voor heeft.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Voorzitter. Van harte steun voor het debat dat ik toentertijd heb aangevraagd. Wel wil ik daar de kanttekening bij maken dat ik, mochten de rapporten later zijn, opnieuw een debat ga aanvragen. Ik hoop dat de betreffende bewindspersonen mede uitgenodigd worden door de nu uitgenodigde bewindspersoon, want we moeten iedereen erbij hebben.
Mevrouw Biekman (D66):
Steun voor het verzoek.
De heer Russcher (FVD):
Steun.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Steun, maar wel met het dilemma dat de kans natuurlijk groot is dat de inspectie dit nog moet onderzoeken en dat die rapporten later komen. Zo snel mogelijk inplannen is wat in strijd daarmee, dus ik zou heel graag willen dat dit debat snel wordt ingepland. Ik heb straks zelf ook nog het voorstel om een apart debat te hebben over jeugdbescherming, voor als die rapporten er zijn. Dan kunnen we een uitgebreid debat over het stelsel voeren.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik ga eigenlijk mee met het voorstel van het lid Westerveld. Volgens mij moeten we als we de situatie in Stadskanaal hierbij willen betrekken, wel eerst de feiten boven tafel hebben. Maar wel steun voor het debat.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Steun voor de redenatie en de lijn van de twee voorgaande sprekers.
De heer Hamstra (CDA):
Ja, hetzelfde. Steun voor het voorgaande.
De heer El Abassi (DENK):
Steun.
De heer Ceulemans (JA21):
Steun voor het verzoek.
De heer Struijs (50PLUS):
Steun.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Steun voor het debat.
De voorzitter:
U heeft een meerderheid.
Het woord is aan mevrouw Heera Dijk, namens D66.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Voorzitter. Gelijkwaardigheid binnen het Koninkrijk vraagt om meer dan goede intenties. Het vraagt om elkaar tijdig betrekken en samen optrekken, zeker bij gevoelige onderwerpen als het slavernijverleden. Het bericht dat er geen contact is geweest met de Caribische landen in ons Koninkrijk in aanloop naar de stemmingen over de VN-resolutie over de slavenhandel, is zorgelijk. Nederland is dit formeel verplicht. Ook moreel gezien zou dat gepast zijn geweest. Juist in internationale dossiers die ons allemaal raken, is gezamenlijke afstemming van groot belang.
De voorzitter:
En uw verzoek?
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Daarom verzoek ik om een debat met de minister van Buitenlandse Zaken.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik ben het ermee eens dat het zeer zorgelijk is dat dit überhaupt kon voorkomen. Het kan niet worden afgedaan met puur alleen "sorry en we gaan door", dus zeker steun voor dit debat.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Steun voor het verzoek.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Geen steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Onze landgenoten en rijksgenoten bij dit zeer gevoelige onderwerp niet consulteren getuigt wat mij betreft echt van een totaal verkeerde voorstelling van wat gelijkwaardigheid zou moeten zijn, dus steun voor het verzoek.
De heer Dassen (Volt):
Steun.
De heer De Roon (PVV):
Geen steun.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid, mevrouw Dijk.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Kan het dan op de lijst, die andere lijst?
De voorzitter:
Hebben we 30 leden? Ja. We zetten het erbij op de dertigledenlijst. Dat is inmiddels een beruchte lijst.
Het woord is aan de heer Jimmy Dijk voor zijn verzoek namens de SP.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter. Het zal niet voor het eerst zijn dat er een debatverzoek komt om ervoor te zorgen dat ouders, gedupeerden van het toeslagenschandaal, de informatie krijgen waarop gebaseerd is dat zij zouden hebben gefraudeerd en waardoor ze door de mangel en ellende heen zijn gehaald. Er stond een belangwekkend artikel in de krant, waarin stond dat de Ombudsman heeft aangegeven dat de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen en het ministerie nog steeds te weinig oog hebben voor de informatiebehoefte van ouders, en dat het niet per se alleen maar gaat over de documenten en alle dossiers, maar dat ook vragen van ouders moeten worden beantwoord op een heel menselijke manier.
De voorzitter:
En uw verzoek?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Mijn verzoek is om hier een debat over te gaan voeren met staatssecretaris Palmen, omdat er echt andere manieren zijn om recht te doen aan mensen dan alleen maar dossiers overdragen.
De voorzitter:
Ik kijk of u steun heeft.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat verzoek steunen wij.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Van harte steun.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Geen steun. Dat kan bij een commissiedebat.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Steun.
De heer Ceulemans (JA21):
Nee, voorzitter. We hebben onlangs een uitgebreid debat gehad over informatievoorziening richting toeslagenouders, en ook daarna hadden we nog een debat waarin toezeggingen zijn gedaan. Dus geen steun voor een apart debat.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Na dat debat kwamen er weer nieuwe berichten binnen, dus steun voor dit debat.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Exact. Daarom steun.
Mevrouw Biekman (D66):
Geen steun voor dit debat. Het kan eventueel betrokken worden bij het debat over de datakluis.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Als het goed is, hopelijk, komt er een plenair debat over de datakluis. Dan zouden we het wat mij betreft wat breder kunnen trekken.
De heer Dassen (Volt):
Steun.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid, meneer Dijk.
Maar u heeft nog wel een tweede verzoek.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dan mijn tweede verzoek, voorzitter. We hebben al jarenlang mooie politieke Haagse termen als "prachtwijken", "krachtwijken" en "kwetsbare wijken". Er zijn allerlei "wijken", waarbij heel vaak wordt gesproken over mensen en te vaak niet met mensen. In het verleden vond veel werk dicht bij de mensen plaats, in de buurten en wijken zelf. Dat was niet alleen goed voor de samenhang van wijken, maar ook voor jonge mensen die een goede en rijke toekomst wilden hebben. Daarom zou ik graag namens de SP een debat willen aanvragen over het organiseren van werk in wijken. Het gaat om kracht voor de wijkeconomie en om werkplaatsen, ondernemers, winkeliers en middenstand in onze buurten en wijken. We moeten ervoor zorgen dat mensen echt werk hebben in hun eigen wijken en buurten. Dat versterkt de samenhang.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u daar steun voor heeft.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Wijken? Mensen herkennen zich niet meer in hun wijken. Laten we dat eerst maar eens oplossen. Geen steun.
De voorzitter:
De heer Van Baarle?
De heer Jimmy Dijk (SP):
En als ze in die wijken werken … Het werkt juist heel bevorderend als je werkt in je eigen wijk.
De voorzitter:
Meneer Jimmy Dijk, u praat toch niet door de leden heen wanneer ik een ordevoorstel voorleg over steun voor een verzoek dat u doet?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Pardon, voorzitter.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik kan het steunen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Steun.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb grote waardering voor de heer Dijk en zijn strijd voor recht, op lokaal niveau, op wijkniveau. Echter is er heel binnenkort een commissiedebat over arbeidsmarktbeleid. Dit onderwerp daarin bespreken lijkt mij de snelste manier.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik beluister dit als een verzoek ten aanzien van het belang van het midden- en kleinbedrijf, juist in de steden. Het midden- en kleinbedrijf gaat kapot aan regels en belastingen. Het is dus heel goed om daar een debat over te voeren. Steun.
Mevrouw Biekman (D66):
Steun.
De heer Hamstra (CDA):
Steun.
De heer De Beer (VVD):
Geen steun, voorzitter. We hebben al heel veel SZW-debatten gehad. Volgens mij zijn er nog voldoende gelegenheden voor.
De heer Ceulemans (JA21):
Er staan ook nog heel veel SZW-debatten op de rol, dus ik denk dat het echt handiger als de heer Dijk dit onderwerp gewoon bij een van de aanstaande debatten betrekt.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Steun. Van harte steun zelfs.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Het is wel zo dat er nog heel veel debatten zijn, dus geen steun.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dan zet ik 'm wel op de dertigledenlijst.
De voorzitter:
We zetten 'm erbij.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel.
Het woord is aan de heer Van Baarle voor zijn verzoek namens DENK.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Afgelopen week waren we allemaal getuige van uitspraken van de heer Markuszower, die weer een nieuw dieptepunt vormden van de demonisering van Palestijnen. Hij zei: "De Nederlandse overheid moet ze met geweld tegenhouden, misschien met nog meer geweld dan waar ze vandaan zijn gekomen. Die mensen moet je met geweld, echt met geweld en desnoods maximaal geweld, tegenhouden."
De voorzitter:
Wat is uw verzoek?
De heer Van Baarle (DENK):
Dit is niet normaal rechts, maar extreemrechts. Dit is oproepen tot het gebruiken van geweld tegen Palestijnen. Ik vind dat we een lijn moeten trekken tegen dit soort drek die geuit wordt over een volk.
De voorzitter:
Wat is uw verzoek?
De heer Van Baarle (DENK):
Ik wil een brief van de minister-president waarin staat wat het kabinet vindt van deze uitspraken en of het kabinet nog met zo'n soort politieke partij wenst samen te werken. Ik wil ook graag een brief van het Presidium. Wat vindt het Presidium ervan dat dit soort uitspraken in het gebouw van de Kamer worden gedaan? Ik wil zo snel mogelijk een debat met de minister-president om dit soort demonisering, oproepen tot geweld en taalgebruik te stoppen.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Het kabinet moet optreden tegen de structurele ontmenselijking van en de genocide op de Palestijnen, en consequenties verbinden aan de weerzinwekkende uitspraken, de oproepen tot geweld tegen Palestijnse vluchtelingen, dus steun daarvoor. Ik heb al Kamervragen gesteld. Ik kreeg een nietszeggend antwoord terug. Ik wil een brief van het kabinet, een brief van het Presidium en een debat. De heer Klaver gaat straks een wat breder debat aanvragen over de normalisering van geweld, extreemrechts en deze uitspraken. Onze voorkeur heeft het om dat bredere debat te voeren, maar de heer Van Baarle heeft er absoluut gelijk in dat we hier de grens moeten trekken.
De heer Wilders (PVV):
Volgens mij is de context allemaal wat anders dan de collega doet voorkomen. Ik wil graag een principiëler punt maken, zowel nu als dadelijk voor de heer Klaver. Wij zijn Kamerleden en wij controleren het kabinet. Wij houden hier debatten over uitspraken en voorstellen van het kabinet. Wij gaan geen debatten voeren over collega's of uitspraken van collega's. Wij steunen dit verzoek dus niet en het verzoek van de heer Klaver ook niet. Ik moet er goed over nadenken of ik wel mee ga doen aan het debat als er een meerderheid voor is, want nogmaals, wij controleren als Kamerleden het kabinet en niet elkaar. Het staat iedereen vrij om te zeggen wat hij wil.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Om daarop te reageren: daar heeft de heer Wilders natuurlijk gelijk in, totdat je de grens overgaat en oproept tot geweld. Dat maakt dit natuurlijk anders. Wij steunen het verzoek om een brief van het kabinet met daarin een reactie hierop. Wel willen wij graag een breder debat, dus het verzoek daarvoor gaan wij straks zelf indienen.
Mevrouw De Vos (FVD):
Ik sluit mij geheel aan bij de woorden van de heer Wilders. Geen steun.
De heer Dassen (Volt):
Steun. Op het moment dat het kabinet steunt dat bepaalde partijen in de Kamer verwerpelijke uitspraken doen, kunnen wij het kabinet daar wel degelijk op aanspreken en ook verwachten dat het daar een bepaalde grens stelt.
De heer Ellian (VVD):
We gaan niet debatteren over uitspraken van collega's. Als er een grens zou zijn overschreden, dan horen we dat van het Openbaar Ministerie. Geen steun.
De heer Krul (CDA):
Het staat de heer Van Baarle vrij om informatieverzoeken te doen, zowel aan het Presidium als aan het kabinet, maar de stijlfiguur voor een plenair debat over uitspraken van een ander Kamerlid kunnen wij niet volgen. Het verzoek van Klaver voor een breder debat vinden wij in die zin veel passender, maar hiervoor geen steun.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik sluit me aan bij de woorden van de heer Ellian en de heer Wilders. Wij gaan hier niet spreken over de uitspraken van een collega; wij controleren hier inderdaad het kabinet. Bovendien zijn er heel veel commissiedebatten waarbij dit onderwerp aan de orde kan komen. Dat zijn er elke week wel een aantal.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik vond die uitspraken verwerpelijk en ik zie de verharding en verruwing, maar ik denk juist dat we ook een debat hebben te voeren over hoe we daar naar de toekomst toe beter mee omgaan. Dat vind ik een vraag richting het kabinet. Daarom zal ik straks het verzoek van collega Klaver steunen, maar het verzoek dat nu alleen hierop is gericht niet.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Geen steun. Ik sluit mij aan bij de woorden van mijn collega van het CDA.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wat de heer Wilders en Ellian, en nog een aantal mensen, gezegd hebben. Geen steun voor dit verzoek.
De heer Jimmy Dijk (SP):
De SP zal het bredere debatverzoek van de heer Klaver steunen, waarin de heer Van Baarle dit ook kwijt kan.
De heer Ceulemans (JA21):
Geen steun. Eens met wat de heer Wilders erover zei.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Ook eens en dank aan de heer Wilders, maar ik wil hier toch ook gezegd hebben dat ik nooit burgers heb opgeroepen tot het plegen van geweld, tegen niemand. Het geweldsmonopolie ligt echt alleen bij de overheid. Ik heb me misschien onhandig uitgedrukt. Daar neem ik afstand van. Dat spijt mij ook. Ik heb niet opgeroepen tot geweld, maar ik vind wel dat we naar een asielstop moeten werken en dat die asielstop maximaal moet worden gehandhaafd, conform de geldende fingerende geweldsinstructie. De context waaruit verkeerd wordt geciteerd, werp ik echt verre van mij.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid voor dit debat.
De heer Van Baarle (DENK):
Kijk, voorzitter …
De voorzitter:
Ik stel echt voor dat u naar het volgende debatverzoek gaat.
De heer Van Baarle (DENK):
Anderen mogen wel …
De voorzitter:
We gaan niet alsnog dit debat doen. U heeft nog een tweede verzoek.
De heer Van Baarle (DENK):
Kijk, voorzitter. Dat is weer een mooi voorbeeld van gelijke behandeling. Ik constateer …
De voorzitter:
Heel even. U heeft bij uw introductie en toelichting voor dit debat ook de ruimte gekregen. U heeft een collega aangesproken, en ik heb die collega de gelegenheid gegeven zich ook uit te laten. Ik stel daarom voor dat we nu verdergaan naar het tweede verzoek dat u op de lijst heeft staan.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Ik mag toch als ik mijn debatverzoek gedaan heb nog even vaststellen dat ik ook twee informatieverzoeken heb gedaan, één in de richting van de minister-president en één in de richting van het Presidium? Daarbij is het gebruikelijk dat het verzoek nog even formeel doorgeleid wordt. Ik wilde dat checken. Ik zie dat andere mensen wel vaak de ruimte krijgen om zo'n opmerking te maken. Dan constateer ik dat u …
(Hilariteit)
De voorzitter:
U weet dat hier in de Kamer de modus operandi is dat conform artikel 68 van de Grondwet informatieverzoeken voor alle 150 leden worden doorgeleid naar het kabinet, dus ook uw verzoek. Ik stel voor dat u nu echt naar uw tweede verzoek gaat.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat verzoek ga ik doen.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil een punt van orde maken. Ik wil u hierin gewoon steunen als Kamerlid. U bent hier de Voorzitter van deze Kamer en u bewaakt de orde van het debat. Ik vind het wel stuitend dat hier door een Kamerlid …
De heer Van Baarle (DENK):
Kom op, zeg.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
… eigenlijk tegen de Voorzitter wordt gezegd dat een Kamerlid niet gelijk behandeld wordt. Ik vind dat nogal wat, eerlijk gezegd. Ik wilde dat gezegd hebben. Ik vind dat we dat niet moeten doen. Je kunt het ermee eens zijn of je kunt het er niet mee eens zijn, maar ik vind niet dat we onze voorzitter moeten betichten van discriminatie. Dat is ongehoord.
De voorzitter:
Dat was uw punt van orde. Dank u wel. Waarvan akte.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat woord heb ik niet in de mond genomen, voorzitter. Dat werp ik ook verre van me.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we gewoon verdergaan naar uw volgende verzoek.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat lijkt mij ook, meneer de voorzitter.
De voorzitter:
Gaat uw gang, meneer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik heb zojuist gesproken met de familie van de opvarenden van de Global Sumud Flotilla. De verhalen zijn echt enorm zorgelijk. We horen dat het Israëlische bezettingsleger Nederlandse staatsburgers heeft mishandeld, dat mensen met verwondingen terugkomen naar Nederland en dat er ook nog sprake van is dat er op dit moment Nederlandse staatsburgers ontvoerd zijn op open zee. Dat is illegaal, en de Nederlandse regering doet er helemaal niks aan.
De voorzitter:
Uw verzoek.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik wens daar graag zo snel mogelijk een brief over. Ik wens daar ook zo snel mogelijk een debat over te voeren met de minister van Buitenlandse Zaken.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u steun heeft.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. De familieleden van de opvarenden van het schip dat is geënterd, hebben nu geen contact met hun geliefden. De opvarenden van het vorige schip dat is geënterd, hebben 40 uur in detentie gezeten, waar ze zijn mishandeld door het Israëlische leger. We weten niet welke extra druk het Nederlandse kabinet op Israël zet om de gevangenen zo snel mogelijk vrij te krijgen. De Partij voor de Dieren steunt dit debat dus van harte. We moeten hier echt de druk gaan opvoeren. Dit zijn Nederlandse staatsburgers.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik heb net ook gesproken met familieleden en vrienden van de opvarenden. Als je het vergelijkt met andere Europese landen, is het echt schandalig hoe Nederland hiermee omgaat. Er is geen enkel bericht, geen enkele actieve communicatie naar de familieleden van de acht opvarenden en geen enkele veroordeling, zoals we uiteraard gewend zijn van regering op regering, van de illegale activiteit van Israël. Steun voor het debat, en ook steun voor een brief. Ik wil verzoeken om dat voor 18.00 uur te doen. De families willen gewoon antwoorden over wat het kabinet nu aan het doen is. Dus steun, en graag voor 18.00 uur vanavond.
De voorzitter:
We geleiden het verzoek door naar het kabinet.
De heer Dassen (Volt):
Daar sluit ik me volledig bij aan. Het is namelijk oorverdovend stil, terwijl Israël Nederlandse staatsburgers van boten op internationaal water afhaalt. Dat is ongeoorloofd.
De heer De Roon (PVV):
Het is een goede actie van Israël om die vriendenvloot van Hamas te enteren. Als ze verzet willen plegen, zijn de gevolgen voor hun eigen rekening. Geen steun.
De heer Van Lanschot (CDA):
Geen steun, voorzitter.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Daar sluit ik me bij aan.
Mevrouw Maes (VVD):
Ik sluit me daar ook bij aan.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Ook hier zijn er legio commissiedebatten waar dit aan de orde gesteld kan worden. Als die er al niet zijn, worden dit soort dingen in alle debatten wel betrokken. Volgens mij is er dus elke dag de kans om het hierover te hebben.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Volledige steun voor het debat.
Mevrouw Biekman (D66):
Geen steun voor dit debat, omdat er ook schriftelijke vragen zijn gesteld. Er is deze week ook schriftelijk overlegd met de Raad Buitenlandse Zaken.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid voor het debat.
De heer Van Baarle (DENK):
Zou ik zo vrij mogen zijn om u de suggestie mee te geven om het op de lijst van dertigledendebatten te plaatsen?
De voorzitter:
Dat gaan we voor u doen, meneer Van Baarle. Bij dezen.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank daarvoor.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Van Duijvenvoorde voor zijn verzoek namens Forum voor Democratie.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Voorzitter. Ik was een beetje verbaasd dat er dit weekend allerlei afspraken zijn gemaakt tussen Nederland en India. Dat waren namelijk afspraken over snellere en flexibelere visa, dus het eenvoudiger maken voor Indiase studenten en professionals om naar Nederland te komen, inclusief langetermijnvisa. Kortom, meer migratie. Dit speelt ook tegen de achtergrond van de afspraken tussen de Europese Unie en India en de relatie tussen Nederland en de Europese Unie, want we kunnen het zelf invullen. Maar het grootste punt is dat wij dit hebben moeten vernemen via New Delhi. Dat is echt absurd, want het is aan de Kamer. Ik wil dus graag een debat met de minister, zodat we echt kunnen gaan kijken wat er speelt tussen Nederland en India en tussen de Europese Unie en India. Wij hebben gewoon recht op duidelijkheid daaromtrent.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u daar steun voor heeft.
Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):
In ieder geval steun om dit in een commissiedebat te doen. Ik denk dat het heel terecht is om de minister daarop te bevragen, want de premier is hier geweest, maar wat mij betreft kan dat gewoon in een commissiedebat.
De heer De Roon (PVV):
Graag eerst een brief, maar ook steun voor het debat.
De heer Flach (SGP):
Steun, voorzitter.
De heer Van Lanschot (CDA):
In lijn met mevrouw Piri geen steun voor plenair, wel voor een commissiedebat.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Geen steun.
Mevrouw Maes (VVD):
Geen steun van de VVD.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Geen steun voor het verzoek. Dit kan ook in andere debatten aan de orde komen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Voorzitter. Terwijl daar gemeenschappen van mensen gebroken worden door oorlog en geweld en mensen op de vlucht raken, worden hier heel erg moedwillig, vanwege economische belangen, mensen uit hun gemeenschap getrokken. Voor economisch gewin worden er gemeenschappen stukgemaakt. Arbeids-, kennis- en studiemigratie is het overgrote deel van het totale aantal migratie. Ik vind het erg goed om hierover een debat aan te vragen, temeer omdat we al jaren horen van verschillende kabinetten dat we iets moeten gaan doen aan kennis-, studie- en arbeidsmigratie, maar daar helemaal niets aan gedaan wordt.
De voorzitter:
Ja.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Sterker nog, die grenzen worden vol opengezet.
De voorzitter:
U steunt het verzoek. U heeft geen meerderheid voor een debat, meneer Van Duijvenvoorde.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
30 leden?
De voorzitter:
Dat wel.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Dan doen we dat.
De voorzitter:
We zetten 'm erbij.
Het woord is aan mevrouw De Vos voor haar verzoek namens Forum voor Democratie.
Mevrouw De Vos (FVD):
Dank, voorzitter. Zeven weken geleden is hier tijdens de regeling het verzoek gedaan om een plenair debat te organiseren over het asielbeleid. Dat is tot op heden nog niet ingepland. Wel is er gisteravond een spoedoverleg geweest met de premier en leden van het kabinet, met als enige uitkomst om een vliegend team van experts op te tuigen om gemeenten te helpen om opvang te realiseren. Maar volgens mij vraagt Nederland om duidelijkheid en concrete maatregelen. Daarom is het van het grootste belang dat de Kamer hierover bij elkaar komt. Mijn verzoek is dan ook om het debat naar aanleiding van dat eerder gedane verzoek zo spoedig mogelijk daadwerkelijk in te plannen, namelijk volgende week en anders de week daarna, en ook de premier daarbij aanwezig te laten zijn.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u daar steun voor heeft.
De heer Wilders (PVV):
Dit is precies het debat dat we hier moeten voeren, niet dat verzoek van DENK of wat de heer Klaver dadelijk namens PRO gaat zeggen, met allemaal zijstraten erbij. Het gaat over asiel. Ons land staat in brand en het kabinet doet er helemaal niets aan. Mevrouw De Vos heeft helemaal gelijk: hoe eerder dat debat is, hoe beter.
De heer Ceulemans (JA21):
Steun om dit zo snel mogelijk in te plannen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Voorzitter, steun voor dit verzoek.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Dit is ons eigen debat, toch? Het gaat om ons eigen debat? Ja? Oké. Van harte steun. Goed verzoek van mevrouw De Vos. Laten we er snel over spreken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat debat is al eerder aangevraagd, al een hele tijd geleden. Er gebeurt nu van alles; daar ging de heer Wilders ook op in. We kunnen het elke dag in de krant lezen. Goed om dit snel in te plannen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We hadden vorige week een debat, we hebben donderdag een debat en we hebben volgende week weer een debat. Ik begrijp dit verzoek dus niet zo goed.
De heer Flach (SGP):
Ik kan kort zijn: steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Er wordt op vrij regelmatige basis in dit huis over dit onderwerp gesproken, dus geen steun voor het verzoek.
De heer Bamenga (D66):
Geen steun.
De heer Ellian (VVD):
Voorzitter. Volgens mij zou het debat voor de zomer ingepland worden. We zullen dit verzoek niet steunen, omdat we het verzoek hierna wel zullen steunen. Dat is namelijk wat breder, en ziet ook op asiel en migratie.
Mevrouw Straatman (CDA):
Geen steun. Zoals mevrouw Westerveld zei, hebben we geen tekort aan asieldebatten.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas. O, u was al geweest. Mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Sorry, dat was een verrassing! Ik dacht dat mevrouw Van der Plas twee keer aan bod kwam. Dit debat wordt volgens mij al voor de zomer ingepland. Ik vind dat de heer Klaver de actualiteit gewoon nog iets breder neerzet, dus dat debatverzoek zal ik straks ook steunen. Volgens mij gaan we het hier voor de zomer ook over hebben.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid voor het voorstel dat u zojuist heeft gedaan.
Mevrouw De Vos (FVD):
Heel jammer. Het verzoek van de heer Klaver gaat niet over asiel. Dat heeft hier dus ook niet zo veel mee te maken. Dank u wel.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Klaver voor zijn verzoek namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
De heer Klaver (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Er is grote onrust in Nederland. We zien overal rellen, al dan niet aangemoedigd door rechts-extremistische clubs. We zien brandstichting bij vluchtelingen in Loosdrecht, oproepen om vluchtelingen met geweld tegen te houden en een vuurwerkbom bij het partijkantoor van D66. Het is de hoogste tijd voor een plenair debat met de minister-president en de minister van Justitie en Veiligheid over het normaliseren van geweld in politiek en samenleving. Dat zou ik graag nog deze week willen houden.
De voorzitter:
Ik kijk of u daar steun voor heeft.
De heer Bamenga (D66):
Steun, voorzitter. Er zijn ook nog andere debatten over asielwetten die we ook nog deze week zouden willen voeren.
De heer Wilders (PVV):
Absoluut geen steun, voorzitter. We moeten een debat hebben over asiel, de asielinstroom, hoe we onze grenzen sluiten en hoe we een asielstop krijgen. De heer Klaver heeft op papier ook nog staan, tenzij hij dat nu weg heeft gehaald, dat hij het wil hebben over de uitspraken van meneer Markuszower en de reactie van de premier daarop. Dat maakt het voor ons al helemaal staatsrechtelijk onjuist. De uitspraken van collega Markuszower — dat zei hij net zelf al — zijn in een andere context geplaatst. Wij gaan geen Kamerleden controleren en erover debatteren. Geen steun. Als dit een meerderheid haalt, weet ik eerlijk gezegd ook niet of ik er zal zijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Vorige week heb ik een soortgelijk debat aangevraagd. Alleen, ik heb het toen "een gezags- en gedragscrisis" genoemd. Toen heeft GroenLinks het niet gesteund. Ik vind het dus opmerkelijk dat deze debataanvraag er nu wél komt. Ik wil het steunen, maar ik wil daar wel het volgende bij opmerken, meneer Klaver. Er worden nu een paar voorbeelden genoemd, maar de heer Baudet heeft een bierflesje op zijn kop gegooid gekregen en er werd gedreigd dat ons partijkantoor in de fik gestoken zou worden. Ik heb van bijna niemand in de Kamer daar wat over gehoord, zelfs niet persoonlijk. Verschillende Kamerleden aan de rechterzijde worden ernstig bedreigd. Kijk bijvoorbeeld naar de heer Wilders, die al ruim twintig jaar in een soort van lockdown zit en geen normaal leven heeft. Er komen ook … Nou ja, "geen normaal leven heeft" … Dat bedoel ik niet zo. Ik bedoel het serieus. Dus …
De voorzitter:
U steunt dit debat.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
… ik steun het debat, maar ik wil dit hier wel opgemerkt hebben. Er wordt hier namelijk vanuit een selectieve hoek gekeken.
De voorzitter:
Dat heeft u gezegd.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Vanuit de links-extremistische hoek zijn er ook grote bedreigingen. Dat punt moet ook in het debat meegenomen worden. Maar uiteindelijk steun voor het debat.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Steun.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Het kabinet lijkt het extreem moeilijk te vinden om gewoon een duidelijke grens te trekken tegen extreemrechts en gaat tegen de adviezen van onze veiligheidsadviseurs en andere experts in. Zeker steun voor dit debat. Er worden nu namelijk zelfs oproepen gedaan tot geweld tegen Palestijnse vluchtelingen. Het loopt écht de spuigaten uit.
De heer Flach (SGP):
Elke vorm van geweld en dreiging wijzen we nadrukkelijk af. Maar dit is niet het type debat waar Nederland op dit moment op zit te wachten, dus geen steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Wat we in dit land zien gebeuren, is antivluchtelingenterreur, opgehitst door extreemrechtse uitspraken, waarbij ook uitspraken gedaan worden waarmee direct opgeroepen wordt tot het gebruiken van maximaal geweld tegen Palestijnen. Dat is ziek. We moeten een lijn trekken. Steun om daar zo snel mogelijk over te debatteren.
Mevrouw De Vos (FVD):
De heer Klaver bewijst hier precies het probleem van de politiek, namelijk dat het de hele tijd gaat over een paar uitschieters. Iedereen is het erover eens dat geweld niet door de beugel kan, maar laten we het vooral hebben over de zorgen die honderdduizenden vreedzame mensen in Nederland hebben. Daar zou het over moeten gaan. Daarom zou er een inhoudelijk debat moeten komen. De heer Klaver bewijst precies dat hij daar niet in geïnteresseerd is door mijn verzoek niet te steunen. Geen steun dus voor dit debat.
De heer Ceulemans (JA21):
Het vertrouwen in de politiek is al tot een dieptepunt gedaald, en dit debat gaat daar alleen maar verder afbreuk aan doen. Dit wordt één groot moddergevecht waarin de Kamer weer de hele dag met zichzelf bezig is en dat helemaal niets gaat oplossen. Laten we onze tijd nuttig besteden. Geen steun dus voor dit verzoek.
De heer Dassen (Volt):
Steun.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Als de burgemeesters, zoals gisteren, vragen om spoedoverleg met het kabinet, vind ik het alleszins logisch dat we dat debat hier voeren. Daarom steun ik het verzoek van collega Klaver ook. Ik vraag het kabinet wel om aan de Kamer goed toe te lichten wat er sindsdien, en ook sinds dat spoedoverleg met de burgemeesters, gewisseld en afgesproken is.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Voorzitter. Ik vind het eigenlijk heel jammer dat het op deze manier wordt aangevraagd, want dan doe je niet wat er nodig is, namelijk zorgen dat de instroom naar beneden gaat. Ik ga in dat debat voorstellen doen om dat voor elkaar te krijgen en ik hoop ook dat links eindelijk eens bij zichzelf te rade gaat. Links houdt namelijk al vijf, tien, twintig jaar strenge instroombeperkende maatregelen tegen.
De heer Ellian (VVD):
Sorry, er werd wat geroepen, dus ik was even afgeleid. Ik kan het verzoek steunen. Dit debat is wat ons betreft breder, dus de minister van Asiel en Migratie moet er wat ons betreft ook bij zijn. Je kunt dat niet los zien. Wel wil ik het volgende opmerken. Deze week zouden we een wetsbehandeling hebben over de wet terugkeer en de wijziging van de Vreemdelingenwet. Die wetsbehandeling moet wat ons betreft wel doorgaan.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Steun.
De heer Krul (CDA):
Voorzitter. Als dit niet het debat is waar Nederland op zit te wachten, is dit wel het debat dat Nederland gewoon nodig heeft. Er is gisteren een spoedberaad geweest in het Catshuis, waarin gemeentes en bestuurders aangaven dat de maat voor hen ook vol is en dat ze zich onveilig voelen. Natuurlijk moet de Tweede Kamer daar dan over debatteren. Ik voel wel wat voor het verzoek dat de heer Ellian daarbij doet, want het is natuurlijk wel aanpalend aan de discussie rondom de opvang en de asielketen. Wij kunnen dus begrijpen dat de minister van Asiel daarbij gevraagd wordt. Steun voor dit verzoek.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
De heer Klaver heeft natuurlijk wel lef. De man die Wijnand Duyvendak, die veroordeeld is voor geweld tegen de overheid, als zijn beste vriend heeft omarmd en als campagneleider heeft aangezocht, de man die Sam Pormes in de fractie van GroenLinks …
De voorzitter:
Steunt u het debat of steunt u het niet?
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Nee, natuurlijk niet.
De voorzitter:
Oké, geen steun. U heeft wel een meerderheid, meneer Klaver.
De heer Klaver (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, fijn dat er een meerderheid is. Het verzoek was inderdaad om het ook deze week in te plannen. Mijn verzoek gaat over de minister-president en de minister van Justitie en Veiligheid, maar het kabinet gaat natuurlijk over de afvaardiging.
De voorzitter:
Dank u wel.
Dan is het woord aan de heer Ceder voor een vooraankondiging. Nee, het is mevrouw Bikker. Het betreft een vooraankondiging uit het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Handel, volgens mij.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, voorzitter, en zie het als Lea in plaats van collega Ceder. Daar ben ik. Inderdaad, dit is de vooraankondiging voor dat tweeminutendebat, met het verzoek om ook deze week te stemmen. Ook wil ik rappelleren rondom de antwoorden waarvan de Griffie had verzocht om ze voor 12.00 uur naar de Kamer te sturen, zodat die er in ieder geval zo snel mogelijk zijn.
De voorzitter:
Wij gaan daar rekening mee houden, mevrouw Bikker.
Het woord is aan de heer Tony van Dijck voor zijn verzoek namens de PVV. Gaat uw gang.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Gisteren kregen we een brief van de staatssecretaris van Financiën waarin hij aankondigde dat er een Bulgarenfraude bezig is in dit land. Meer dan 400 Bulgaren hebben ons inmiddels voor 6,7 miljoen opgelicht. Dit vereist een debat. Ik kreeg een déjà vu van 2013, toen staatssecretaris Frans Weekers is opgestapt. Toen ging het ook over toeslagen en Bulgaren en slechts over 4 miljoen, en nu gaat het over 6,7 miljoen. Ik verwacht hier dus met spoed een debat over te voeren.
De voorzitter:
Ik ga kijken of u steun heeft.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik begrijp het verzoek. Binnenkort hebben we een tweeminutendebat Belastingdienst. Daar kunnen de meest urgente vragen worden gesteld. Ik heb begrepen dat de staatssecretaris ons op de hoogte houdt. Dus geen steun voor dit debat.
De heer Flach (SGP):
Ik denk dat we nogal wat herinneringen hebben aan de vorige keer dat we een Bulgarenfraude bediscussieerden, maar het is wel goed om in bredere zin te kijken hoe we nu met fraude omgaan, dus ik steun voor nu dit debat om die reden.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Inderdaad, lang geleden in deze Kamer werd er vaak over gesproken en dat werd dan geframed als "de Bulgarenfraude". Die druk vanuit de politiek, zo lezen we in onderzoeken, heeft onder andere geleid tot de toeslagenmisdaad. Een debat met een dergelijke insteek kan ik dus niet steunen.
De heer Markuszower (Groep Markuszower):
Steun.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik sluit me aan bij de woorden van de VVD: geen steun.
Mevrouw Biekman (D66):
Geen steun. Binnenkort is het commissiedebat Fiscaliteit.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Van harte steun.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Geen steun.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid, meneer Van Dijck.
De heer Tony van Dijck (PVV):
Nee, voorzitter. De Bulgaren kunnen gewoon hun gang gaan en plunderen onze schatkist. We staan erbij en kijken ernaar. Dat is deze Kamer anno 2026. Graag een dertigledendebat dan.
De voorzitter:
Ja, dat zetten we erbij.
Het woord is aan mevrouw Moorman met haar verzoek namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Gisteren werd de Staat van Gezinnen 2026 gepresenteerd in Nieuwspoort. Daar waren ook vele leden van de Kamer bij. Het biedt helaas een zorgelijk beeld. We zien dat heel veel gezinnen steeds meer stress ervaren, inmiddels zelfs tot het niveau van de coronapandemie, en dat de ongelijkheid toeneemt. In het rapport worden ook meerdere aanbevelingen gedaan. Het lijkt me dus heel zinvol om dit rapport hier plenair te behandelen, ook omdat het heel integraal is en over veel onderdelen gaat. Ik hoop dus op steun van de Kamer.
De voorzitter:
Ik kijk of u steun heeft.
Mevrouw Biekman (D66):
Voorzitter. Gisteren was ik ook bij de presentatie. Het is een heel mooi rapport, dus ik steun het verzoek van mevrouw Moorman.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Ook ik was daarbij. Van harte steun. Wel zou ik voorafgaand aan het debat graag een reactie van het kabinet op het rapport willen hebben.
De voorzitter:
Dat verzoek geleiden we door.
De heer Flach (SGP):
Als SGP hebben we al heel vaak geprobeerd een debat over gezinnen op de agenda te krijgen. Dat is helaas tot nu toe nog niet gelukt, maar daarom sluit ik me wel aan bij deze poging. Want hoe je er ook over denkt, het is goed om hier goed over te discussiëren.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Helemaal eens met de woorden van de heer Flach, maar ik wil het verzoek van de heer Hamstra onderstrepen om voor het debat een kabinetsreactie te krijgen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. De ChristenUnie voert heel graag het debat over de Staat van Gezinnen. Ik dank collega Moorman dus dat ze dat aanvraagt. Ook wij willen graag een reactie van het kabinet voordien, zodat we daarna in de breedte een heel goed debat kunnen voeren over al die gezinnen in Nederland.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Steun.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Voorzitter. Er staan veel debatten op de planning voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en VWS. Wij zouden het eigenlijk liever daarbij betrekken, dus geen steun.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Steun.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Jonge mensen beginnen niet meer aan gezinnen. Dat is gewoon het eind van een beschaving. Van harte steun voor dit verzoek.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Steun.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Steun.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Steun.
De voorzitter:
U heeft een meerderheid, mevrouw Moorman.
Het woord is aan mevrouw Teunissen voor haar verzoek namens de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. Als de aarde een patiënt was, dan lag ze nu op de intensive care. Uit een nieuw rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie blijkt dat klimaatverandering een catastrofale bedreiging vormt voor onze volksgezondheid en onze veiligheid. We zien de gevolgen nu al: hittesterfte, meer overstromingen, meer infectieziektes en een zorgstelsel dat steeds verder onder druk komt te staan.
De voorzitter:
Uw verzoek.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Hoeveel rapporten zijn er nog nodig voordat het kabinet-Jetten in actie komt? Daarom vraag ik nu graag een debat aan met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Klimaat en Groene Groei over de gevolgen van klimaatverandering voor de volksgezondheid, in te plannen vóór het zomerreces.
De voorzitter:
Ik kijk of u daar steun voor heeft.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Zeker steun.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Geen steun.
Mevrouw Wendel (VVD):
Geen steun.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Geen steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Steun.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Steun.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid, mevrouw Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Nee, helaas, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Claassen voor zijn verzoek namens Groep Markuszower.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. In Congo en Uganda woedt een ebola-uitbraak met 88 doden en ruim 300 besmettingen. Er is geen vaccin. De WHO spreekt van een internationale noodsituatie. Ons eigen zorgstelsel staat al op omvallen. Er zijn tienduizenden onvervulde vacatures, het ziekteverzuim ligt boven de 7% en de wachttijden zijn ver boven de norm. Er is geen enkele marge. Ondertussen weten we dat de verplichte infectiescreening in de asielopvang gaten heeft. In de crisisopvang wordt lang niet iedereen gecheckt. Dit kabinet hoopt op geluk in plaats van op een plan. Om tot plannen of inzichten in die plannen te komen, wil ik graag een debat voeren met de minister van VWS.
De voorzitter:
Ik kijk of u daar steun voor heeft.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Steun. Maar we willen wel voorafgaand aan het debat een brief over de hele situatie aangaande de ebola-uitbraak.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik snap de noodzaak van het debat, maar we hebben voor binnenkort een technische briefing staan over het hantavirus. Ons voorstel is om dat te verbreden naar ook het ebolavirus. Daarna kunnen we kijken wat er nog nodig is en of we verder moeten met een debat.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Steun voor het debat.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Deze uitbraak is buitengewoon zorgelijk. Tegelijkertijd is het op dit moment het meest nijpend voor de mensen waar het op dit moment uitgebroken is. Ik zou willen meegeven dat het van belang is om niet alleen de implicaties hier te bespreken — dat moet zeker — maar ook hoe we de mensen daar het beste kunnen ondersteunen om de verspreiding tegen de houden. Dus steun voor het verzoek, maar wel met die kanttekening.
Mevrouw Wendel (VVD):
Steun voor het verzoek, maar wat ons betreft kan het ook in een commissiedebat. We zullen dat dus voorstellen. Als het sneller kan, heeft dat onze voorkeur. Maar toch steun, overigens ook namens CDA.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Graag een brief waarin het kabinet ook ingaat op hoe er ingezet wordt op de bestrijding van dit virus. Daarnaast wil ik dat het kabinet, gelet op eerdere bezuinigingen op pandemische paraatheid, waarvan het grootste deel gerepareerd is, ingaat op de vraag of alles op orde staat. Pas na die brief wil ik beoordelen of we hier of in de commissie een debat hebben te voeren.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Steun.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Steun.
De voorzitter:
U heeft een meerderheid, meneer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja. Als ik geen meerderheid had gehad, had ik een informatieverzoek, maar dat hebben collega's al gedaan, dus het is prima.
De voorzitter:
U weet het: informatieverzoeken geleiden wij altijd door naar het kabinet.
Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor een verzoek namens de BBB. Gaat uw gang, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter, ik heb twee verzoeken. Mijn eerste verzoek is om het door mij aangevraagde en ook toegekende debat over de wolf — vorige week is de meerderheid van de Kamer daarmee akkoord gegaan — volgende week in te plannen. De reden daarvoor is als volgt. Misschien denken de leden: "Waarom moet dat allemaal? Wat is de haast?" De haast is dat de plannen van de staatssecretaris eigenlijk zo snel mogelijk ingevoerd moeten worden en uitgevoerd moeten kunnen worden. Daarbij is het op dit moment ook nog eens de tijd dat er welpjes worden geboren. We krijgen dus alleen nog maar meer wolven. Het moet dus zo snel mogelijk, zodat we deze plannen ook snel kunnen implementeren.
De voorzitter:
Ik kijk of u steun heeft.
De heer Flach (SGP):
De productie van nieuwe wolfjes draait op volle toeren, dus we hebben geen dag te verliezen! Steun.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. We vinden met elkaar ontzettend veel onderwerpen belangrijk en we vinden van ontzettend veel onderwerpen dat ze spoed moeten hebben. Dat het debat snel ingepland wordt, kan ik begrijpen, maar het hoeft van ons niet volgende week, dus geen steun voor het verzoek.
Mevrouw Biekman (D66):
D66 sluit zich aan bij de woorden van de heer Van Baarle.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Steun.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Steun.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het hoeft niet volgende week. Geen steun.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter, we willen het debat graag snel, maar ik laat het wel aan u hoe dat in te plannen.
De heer Russcher (FVD):
Steun.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Eens. Het is belangrijk, maar het hoeft niet volgende week.
De voorzitter:
U heeft geen meerderheid, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Zou ik dan een verzoek aan de voorzitter mogen doen om wel te kijken naar het snel inplannen hiervan, zeker vanwege de tijd van het jaar?
De voorzitter:
U mag mij alles verzoeken, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dit kan namelijk niet heel lang wachten. Het verzoek aan de voorzitter is dus om te kijken naar de plenaire agenda en dit snel in te plannen.
De voorzitter:
Wij doen altijd ons best; u weet het.
Uw volgende verzoek. Nou, eigenlijk is het een vooraankondiging.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Ik doe hierbij een vooraankondiging voor een tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad, inclusief stemmingen, deze week in te plannen.
De voorzitter:
Daar gaan we rekening mee houden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u.
De voorzitter:
Daar gaan we rekening mee houden.
Het woord is aan de heer Klos voor een vooraankondiging. Dat mag bij de interruptiemicrofoon.
De heer Klos (D66):
Voorzitter. We hebben vandaag een commissiedebat over de Raad Algemene Zaken. Die vindt plaats op 26 mei. Hierbij een vooraankondiging van het tweeminutendebat, graag deze week, inclusief stemmingen.
De voorzitter:
Daar gaan we rekening mee houden, meneer Klos.
Tot slot is het woord aan mevrouw Westerveld voor haar verzoek namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Wij hebben eerder hier besproken dat er een debat moet komen over de jeugdzorg. Daar ben ik het helemaal mee eens. Er zijn heel veel onderwerpen die om bespreking vragen. Ik zou ook graag een debat over jeugdbescherming willen met de staatssecretaris Rechtsbescherming en ook met de minister van Jeugd, omdat het beiden betreft. De reden is dat de inspecties al vanaf 2019 alarm slaan en zeggen dat heel veel kinderen in onveilige situaties terecht zijn gekomen. Wij zijn hier elke keer wel boos als er een afschuwelijke mishandeling is gebeurd, maar dit vraagt ook om een aanpak in het stelsel. Daar zou ik graag een debat over willen. Ik kan me ook voorstellen dat we eerst de inspectierapporten afwachten, niet omdat ik het per se alleen over de situatie in Groningen wil hebben, maar ik denk wel dat het goed is om het in te plannen als de inspectierapporten binnen zijn. Dan hoeven we niet met elkaar te speculeren, maar kunnen we op basis van volledige informatie een debat met elkaar voeren.
De voorzitter:
Ik kijk of u steun heeft voor het verzoek.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Voorzitter, steun. En inderdaad, als de rapporten binnen zijn, moeten we aan de gang en stappen zetten op dit dossier.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Fijn dat collega Westerveld op deze manier het verzoek doet. In die volledigheid van harte steun, mede namens de collega's van de SGP.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Steun.
De heer Van Baarle (DENK):
Steun voor het verzoek.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Steun, nadat die rapporten binnen zijn gekomen. Dan hoop ik dat het debat waar we het eerder over gehad hebben, eerder ingepland kan worden.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Voorzitter, steun. Het lijkt me wel goed om het, als het mogelijk is, ook bij de brede debataanvraag over jeugdzorg te betrekken, zodat we in één keer alles echt goed kunnen bespreken. Dank u wel.
De heer Hamstra (CDA):
Blij met het informatieverzoek, dat eerst de rapporten komen. Dat is heel goed, denk ik. Mogelijk kan dit samengevoegd worden met het debat dat mevrouw Van Meetelen eerder heeft aangevraagd. Als dat niet kan, dan steunen we dit verzoek.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Steun.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Steun.
De heer Russcher (FVD):
Steun.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Geen steun, omdat er al eerder een debat is aangevraagd over jeugdzorg. Het is ook een goed idee om de brief af te wachten.
De voorzitter:
U heeft een meerderheid.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik wil heel graag dat dat eerdere debat snel wordt gepland. Daar zit mijn dilemma, want we weten niet of dan alle rapporten binnen zijn. Ook ik hoop oprecht dat we het al eerder gaan hebben over de jeugdzorg in brede zin.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de regeling van werkzaamheden.
Boa-stelsel
Boa-stelsel
Aan de orde is het tweeminutendebat Boa-stelsel (CD d.d. 12/03).
Termijn inbreng
De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Boa-stelsel. Ik zie dat de minister van Justitie en Veiligheid in ons midden verkeert. Ik heet hem van harte welkom en geef als eerste het woord aan mevrouw Martens-America. De heer El Abassi heeft blijkbaar verzocht om eerst het woord te krijgen. Dat geef ik hem.
De heer El Abassi (DENK):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb inderdaad een ander debat. Ik hoop dat ik daar op tijd kom. Dank aan mevrouw Martens-America dat ik even voor mocht dringen.
Voorzitter. Ik ga meteen beginnen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat veel gemeenten kampen met grote tekorten aan boa's, waardoor handhavingstaken blijven liggen;
constaterende dat de instroom van nieuwe boa's mede wordt beperkt door een tekort aan opleidingsplekken binnen mbo-opleidingen;
overwegende dat boa's essentieel zijn voor de leefbaarheid en veiligheid in buurten en wijken;
verzoekt de regering in gesprek te gaan met mbo-instellingen, gemeenten en vakorganisaties om te komen tot een plan van aanpak voor het vergroten van de instroom en opleidingscapaciteit van boa's,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 25 (36395).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het nieuwe boa-stelsel werkgevers een grotere verantwoordelijkheid krijgen voor toezicht en klachtbehandeling;
overwegende dat voor zowel burgers als boa's duidelijk moet zijn waar klachten terechtkunnen en hoe onafhankelijk toezicht wordt georganiseerd;
overwegende dat verschillen tussen werkgevers kunnen leiden tot ongelijkheid en onduidelijkheid in klachtprocedures;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe onafhankelijke en laagdrempelige klachtbehandeling over het optreden van boa's landelijk beter geregeld kan worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 26 (36395).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Raad van State heeft geoordeeld dat een hoofddoekverbod voor boa's een beperking vormt van de vrijheid van godsdienst en onvoldoende wettelijke grondslag heeft;
overwegende dat het College voor de Rechten van de Mens stelt dat neutraliteit moet worden beoordeeld op gedrag en professioneel handelen, niet op religieuze kleding;
overwegende dat een hoofddoekverbod stigmatiserend werkt en vrouwen uitsluit van publieke functies;
verzoekt de regering af te zien van een landelijk verbod op religieuze uitingen voor boa's,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 27 (36395).
Mevrouw Faber heeft een interruptie.
Mevrouw Faber (PVV):
Meneer El Abassi geeft aan dat je iemand niet moet beoordelen op zijn uiterlijk, maar op het gedrag. Maar het dragen van een hoofddoek is een vorm van gedrag. Dan is de motie volgens mij enigszins tegenstrijdig.
De heer El Abassi (DENK):
Het lopen met een bepaald kapsel kan ook gezien worden als bepaald gedrag. Sommige mensen hebben een kapsel dat niet iedereen goed ligt. De reden om een hoofddoek te dragen, zegt niks over gedrag maar gewoon over wat vrouwen graag willen. En ik respecteer dat.
Voorzitter. Dan mijn laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat boa's steeds vaker te maken krijgen met agressie, geweld en intimidatie;
constaterende dat dit negatieve gevolgen heeft voor het imago van het beroep en het behoud van personeel;
constaterende dat de instroom van nieuwe boa's mede wordt beperkt door een tekort aan opleidingsplekken binnen mbo-opleidingen;
overwegende dat boa's essentieel zijn voor de leefbaarheid en veiligheid in buurten en wijken;
verzoekt de regering samen met gemeenten, vakorganisaties en onderwijsinstellingen een landelijke campagne op te zetten ter verbetering van het imago van boa's en het bevorderen van respect voor hun werk,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 28 (36395).
De heer El Abassi (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer El Abassi. Het woord is aan mevrouw Martens-America namens de VVD. Gaat uw gang.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat zorgverlening of acute hulpverlening geen formele taak van groene boa's is;
constaterende dat groene boa's slecht begaanbare natuurgebieden als geen ander kennen en vaak al in natuurgebieden aanwezig zijn voor de uitoefening van hun werk;
overwegende dat groene boa's daardoor in gevallen het snelst ter plaatse kunnen zijn om hulp te verlenen in natuurgebieden;
verzoekt de regering te bewerkstelligen dat groene boa's op meldingen af kunnen gaan en hulp zouden kunnen verlenen bij ongelukken of reanimaties totdat de hulpdiensten zijn gearriveerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Martens-America.
Zij krijgt nr. 29 (36395).
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dan mijn laatste, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat groene boa's vaak 's nachts alleen op pad gaan in natuurgebieden en daar geconfronteerd worden met zware (drugs)criminaliteit;
overwegende dat de Kamer al veelvuldig uitspraken heeft gedaan om ervoor te zorgen dat groene boa's op een veilige manier hun werk kunnen doen;
overwegende dat het in de praktijk nu zo uitwerkt dat bij de aanvraag van een vuurwapen groene boa's hun diensthond moeten inleveren;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat groene boa's tegelijkertijd over zowel een dienstwapen als een diensthond zouden kunnen beschikken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Martens-America.
Zij krijgt nr. 30 (36395).
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Faber voor haar inbreng namens de PVV. Nee, er is een shuffle in de volgorde van de lijst: mevrouw Van der Plas gaat voor mevrouw Faber. Als u het daar met elkaar over eens bent, dan heb ik daar ook geen bezwaren tegen. Het woord is aan mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank daarvoor. Ik heb ook een debat over Schiphol, dat al gaande is. Daar moet ik zo natuurlijk naartoe. Dus dank aan de collega's dat ik even voor mag.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat boa's steeds vaker optreden in situaties waarin snelle informatie, directe rugdekking en goede afstemming met de politie noodzakelijk zijn;
overwegende dat de samenwerking tussen boa's en politie nu nog te vaak lokaal, versnipperd en afhankelijk van toevallige afspraken is;
overwegende dat toegang tot actuele politie-informatie, onder meer via het Real-Time Intelligence Center, kan helpen om incidenten sneller in te schatten, escalatie te voorkomen en politiebijstand gerichter in te zetten;
verzoekt de regering de wettelijke en praktische belemmeringen in kaart te brengen voor een boa-meldkamerfunctie die landelijk, gemeentelijk of per politie-eenheid kan worden ingericht en gekoppeld is aan de politie en het RTIC;
verzoekt de regering tevens de Kamer voorstellen te doen om deze belemmeringen weg te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 31 (36395).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Alstublieft.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Dan is nu wel het woord aan mevrouw Faber voor haar inbreng namens de PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering voornemens is de aangepaste beleidsregels voor de boa in werking te laten treden;
constaterende dat de datum van de inwerkingtreding steeds wordt opgeschoven;
verzoekt de regering zo snel mogelijk de aangepaste beleidsregels voor de boa in werking te laten treden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Straatman.
Zij krijgt nr. 32 (36395).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat boa's zich ieder jaar tijdig moeten hercertificeren voor het behoud van hun bevoegdheden en de toetsingscapaciteit sterk afneemt doordat de Politieacademie het hercertificeren afbouwt;
verzoekt de regering de BOA Academie ook te voorzien in de bevoegdheid van certificering van de boa,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 33 (36395).
Mevrouw Faber (PVV):
Dat was het.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Dan is het woord aan mevrouw Straatman. Zij spreekt namens het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat boa's een belangrijke rol spelen in het veilig houden van de publieke ruimte en dat zij helaas steeds vaker te maken krijgen met agressie en geweld;
overwegende dat bevoegdheden zoals toegang tot bepaalde registratiesystemen bijdragen aan de veiligheid van boa's en aan de goede uitvoering van hun werkzaamheden;
constaterende dat met het nieuwe boa-stelsel de informatiepositie van publieke boa's wordt verbeterd door hen toegang te geven tot registratiesystemen, zoals het rijbewijzenregister, maar dat private boa's deze toegang nog niet hebben;
constaterende dat er plannen zijn om op korte termijn een groep private boa's, waaronder ov-boa's, toegang te geven tot informatiesystemen, terwijl andere private boa's, zoals private groene boa's, deze toegang nog niet krijgen;
overwegende dat juist private groene boa's regelmatig in afgelegen gebieden en risicovolle situaties werken en dat beperkte toegang tot informatiesystemen kan leiden tot gevaarlijke situaties voor deze boa's;
verzoekt de regering om de informatiepositie van private groene boa's zo snel mogelijk te verbeteren door hen ook toegang te geven tot relevante informatieregistratiesystemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman en Mutluer.
Zij krijgt nr. 34 (36395).
Dank u wel, mevrouw Straatman. Dan is het woord aan mevrouw Lammers. Zij ziet af van haar spreektijd. Dan is het woord aan mevrouw Mutluer voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat boa's in hun publieke taak steeds vaker worden geconfronteerd met agressie, geweld en ingrijpende incidenten, met risico op PTSS;
overwegende dat boa's bij verschillende werkgevers werken, waardoor preventie, begeleiding en nazorg versnipperd zijn georganiseerd;
verzoekt de regering in overleg met boa-werkgevers en vertegenwoordigers uit te werken hoe kan worden gekomen tot landelijke erkenning van PTSS als beroepsgerelateerde aandoening voor boa's, inclusief een uniform kader voor preventie, begeleiding en nazorg, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer en Straatman.
Zij krijgt nr. 35 (36395).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat NS op stations experimenteert met een interventiemedewerker voor mensen met onbegrepen gedrag, die in de kern functioneert als een gespecialiseerde boa;
verzoekt de regering om dit jaar samen met NS, andere vervoersbedrijven en betrokken partijen uit te werken hoe de inzet van boa's voor mensen met onbegrepen gedrag op stations structureel kan worden ondersteund en uitgebreid, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.
Zij krijgt nr. 36 (36395).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan heb ik nog een motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat NS-boa's te maken hebben met agressie en geweld en dat onduidelijkheid bestaat over hun rol bij aanhoudingen en arrestantenvervoer;
verzoekt de regering om, in overleg met politie, vervoerders en bevoegd gezag, landelijke kaders op te stellen voor de taakverdeling bij aanhoudingen en arrestantenafhandeling door ov-boa's,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.
Zij krijgt nr. 37 (36395).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. Ik ga niet vaak zoveel moties indienen als nu. Ik weet dat vier veel is.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat boa's voor toepassing van artikel 17 van de Wet op de economische delicten naast hun opsporingsbevoegdheid afhankelijk zouden zijn van aanvullende aanwijzingen door het bevoegd gezag;
overwegende dat deze interpretatie gevolgen kan hebben voor de huidige handhavingspraktijk van groene boa's, onder meer bij handhaving op afvaldumpingen, visserij, dierenwelzijn, vuurwerk, meststoffen et cetera;
verzoekt de regering te borgen dat de toepassing van artikel 17 van de Wet op de economische delicten voor groene boa's de bestaande uitvoerbare handhavingspraktijk niet onnodig beperkt en hierover duidelijkheid te geven aan werkgevers en boa's,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer en Straatman.
Zij krijgt nr. 38 (36395).
Dank u wel.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Mathlouti namens D66.
De heer Mathlouti (D66):
Dank, voorzitter. Drie moties van D66.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat met de invoering van het nieuwe boa-stelsel de verantwoordelijkheid voor nazorg bij verschillende werkgevers komt te liggen;
constaterende dat boa's in hun werk regelmatig te maken krijgen met ingrijpende en soms traumatische situaties;
van mening dat iedere boa moet kunnen rekenen op goede ondersteuning en nazorg, ongeacht bij welke werkgever hij of zij werkzaam is;
overwegende dat verschillen tussen werkgevers niet mogen leiden tot verschillen in de kwaliteit of de beschikbaarheid van nazorg;
verzoekt de regering bij de verdere uitwerking van het nieuwe boa-stelsel een duidelijk minimumkader voor nazorg op te stellen en daarbij actief te verkennen hoe samenwerking tussen regiogemeenten, Staatsbosbeheer en kleinere werkgevers kan worden gestimuleerd, zodat goede nazorg voor elke boa toegankelijk blijft,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mathlouti.
Zij krijgt nr. 39 (36395).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in onder meer Noord-Holland wordt geëxperimenteerd met intensievere samenwerking tussen politie en boa's, onder andere via de handhavingstafel Noord-Holland;
overwegende dat betere samenwerking en informatie-uitwisseling kan bijdragen aan een effectievere inzet van zowel politie als boa's;
overwegende dat een goede afstemming op en rond meldkamers kan zorgen voor snellere opvolging van meldingen en betere inzet van capaciteit;
verzoekt de regering naar voorbeeld van de proef in Noord-Holland te bezien hoe de samenwerking op meldkamers in verschillende regio's kan worden versterkt, daarbij actief te stimuleren hoe politie en boa's effectiever en complementair kunnen worden ingezet, en de Kamer te informeren over succesvolle werkwijzen, waaronder de ervaringen met de handhavingstafel Noord-Holland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mathlouti.
Zij krijgt nr. 40 (36395).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het nieuwe boa-stelsel werkgevers verantwoordelijk worden voor het aanstellen van een onafhankelijke interne toezichthouder op de kwaliteit, integriteit, proportionaliteit en rechtmatigheid van de taakuitvoering;
constaterende dat nog wordt gewerkt aan de inrichting van tweede- en derdelijnstoezicht binnen het nieuwe boa-stelsel;
overwegende dat onafhankelijk en herkenbaar toezicht van groot belang is voor het maatschappelijk vertrouwen in de taakuitvoering van boa's;
verzoekt de regering bij de uitwerking van het tweede- en derdelijnstoezicht met een voorstel te komen voor onafhankelijke klachtenprocedure binnen het boa-stelsel, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mathlouti.
Zij krijgt nr. 41 (36395).
De heer Mathlouti (D66):
Dan heb ik nog één vraag.
De voorzitter:
U bent door uw spreektijd heen.
De heer Mathlouti (D66):
Kort?
De voorzitter:
Nee, nee, nee, dat gaat niet gebeuren.
De heer Mathlouti (D66):
Helaas.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Coenradie voor haar termijn namens JA21. Gaat uw gang.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er recentelijk achterstanden zijn ontstaan in de toetsing van boa's voor het gebruik van geweldsmiddelen door capaciteitsproblemen bij de Politieacademie;
constaterende dat de minister heeft aangegeven dat de eerdere inhaalslag inmiddels is uitgevoerd, maar dat de Politieacademie heeft aangegeven voor het jaar 2026 onvoldoende capaciteit te hebben om de toetsing voor boa's opnieuw volledig uit te voeren;
overwegende dat het onwenselijk is als boa's door organisatorische of capaciteitsproblemen tijdelijk hun bevoegdheden verliezen, terwijl zij noodzakelijk zijn voor de veiligheid en handhaving in de publieke ruimte;
overwegende dat de minister werkt aan structurele oplossingen, zoals alternatieve toetsingsmogelijkheden of een aparte boa-academie, maar dat dergelijke oplossingen mogelijk niet tijdig beschikbaar zijn;
verzoekt de regering om, indien opnieuw achterstanden ontstaan in de toetsing van boa's voor geweldsmiddelen en er geen tijdige alternatieve oplossingen voorhanden zijn, tijdelijk de mogelijkheid te creëren om de geldigheidsduur van de toetsing te verruimen, zodat boa's hun werkzaamheden kunnen blijven uitvoeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 42 (36395).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Tot slot willen wij graag de aangehouden motie-Boomsma/Van der Plas op stuk nr. 166 (29659), die is ingediend op 24 maart 2026, in stemming brengen bij het tweeminutendebat Boa-stelsel. Dit is toentertijd ook afgestemd tussen de heer Boomsma en staatssecretaris Erkens. Ook is het bekend bij het team van minister Van Weel. Bij dezen heb ik dat gezegd.
De voorzitter:
We zullen dan vervolgens de aangehouden motie direct na het agendapunt bij de stemmingen van volgende week dinsdag in stemming brengen. Ik schors de vergadering voor zeven minuten, voor de beantwoording van de zijde van het kabinet.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de minister.
Termijn antwoord
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng in dit tweeminutendebat. Ik zal meteen overgaan tot het beoordelen van de moties.
De motie op stuk nr. 25 van de heer El Abassi geef ik oordeel Kamer. Wij vinden gesprekken met de mbo-instellingen onderdeel van de nieuwe inrichting, dus dat gaan we doen.
De motie op stuk nr. 26, over de klachtenprocedures, geef ik ook oordeel Kamer. De eerste lijn is aan de werkgever, maar de tweede lijn verloopt via de Ombudsman. Dat wordt meegenomen in het nieuwe bestel. Daarmee loop ik al vooruit op een motie van de heer Mathlouti.
De motie op stuk nr. 27 van de heer El Abassi verzoekt af te zien van een landelijk verbod op religieuze uitingen. Die moet ik ontraden. Het uitwerken van het initiatiefwetsvoorstel laten we aan de Kamer; dat zullen we als kabinet niet doen. Maar het gaat mij te ver om nu het tegenovergestelde van het initiatiefwetsvoorstel te omarmen. Daarom ontraad ik deze motie.
De motie op stuk nr. 28 van de heer El Abassi moet ik ontraden. Een natuurlijk moment om eventueel een campagne te doen, zou na invoering van het nieuwe stelsel zijn. Daar zijn we nu nog niet, vandaar het oordeel.
De motie op stuk nr. 29 van mevrouw Martens-America geef ik oordeel Kamer. We zullen zorgen dat EHBO ook in het basispakket zit, maar we willen het geen formele taak maken. Waar zij ertegenaan lopen, moeten zij dat inderdaad kunnen doen en zullen we ze daar ook voor toerusten. Een formele taak zou echter een te grote belasting zijn voor de boa's. Met die toelichting geef ik de motie oordeel Kamer.
Dan de diensthond en de boa's.
De voorzitter:
Dat is de motie op stuk nr. 30.
Minister Van Weel:
Ja, de motie op stuk nr. 30. Die geef ik oordeel Kamer. Het blijkt dat bij het opstellen van de nieuwe beleidsregels het woord "automatisch" is weggevallen. Zo simpel is het. Er staat dat je niet automatisch bij een vuurwapen ook een diensthond krijgt. Als je bij "niet automatisch" het woord "automatisch" weglaat, krijg je dus geen diensthond. Dit is bij één boa gebeurd. We gaan zoeken naar een passende oplossing. Daarmee geef ik de motie oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 31, over de boa-meldkamer, van mevrouw Van der Plas geef ik oordeel Kamer. Op dit moment is er een pilot in voorbereiding in het kader van het samenwerken in de meldkamer. Ook op andere plekken wordt al goed samengewerkt. Bij het boa-deel van het halfjaarbericht politie kom ik terug op hoe ik hieraan invulling geef. Ook daarmee loop ik al een beetje vooruit op een vraag die de heer Mathlouti had.
Mevrouw Faber wil met de motie op stuk nr. 32 de beleidsregels voor de boa zo spoedig mogelijk in werking laten treden: oordeel Kamer. Overigens zijn in de Staatscourant van 12 maart de beleidsregels met betrekking tot de geweldsmiddelen al in werking getreden, dus dat deel loopt en is al van kracht.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 33 van mevrouw Faber. Ja, we moeten de bevoegdheid van de certificering van de boa gaan regelen, maar u kadert dat hier iets te strak in op de BOA Academie. Het kan zijn dat we ook op andere opties uitkomen. Daar kom ik op terug bij de motie van mevrouw Coenradie. Zo strak geformuleerd moet ik de motie ontraden.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Faber (PVV):
Maar zou u de motie ook kunnen zien, vraag ik via de voorzitter, als een onderdeel? Het hoeft niet per se alleen de BOA Academie te zijn. Het kan parallel zijn. Er kan daarnaast natuurlijk een andere certificering zijn.
Minister Van Weel:
Kijk, die certificering moeten we regelen. Voor de zomer kom ik in het halfjaarbericht bij de Kamer terug op de wijze waarop we dat gaan doen. Alleen verzoekt u hier echt om de BOA Academie te voorzien in die bevoegdheid. Dat vind ik te strak geformuleerd; daarom ontraad ik deze motie. Ik kom hier straks bij de motie van mevrouw Coenradie op terug. Die kan ik wel oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 33: ontraden. Dan de motie op stuk nr. 34.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 34 van mevrouw Straatman geef ik oordeel Kamer. Ik moet wel aan iets van verwachtingsmanagement doen richting mevrouw Straatman over de private boa's. Daar is het gewoon moeilijker om bepaalde gevoelige informatie te delen, gewoon omdat daar wettelijke bezwaren in de weg staan. Met dat verwachtingsmanagement geef ik de motie oordeel Kamer.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter, dat u me nog even het woord geeft. Ik wil toch nog even terugkomen op mijn motie op stuk nr. 33. Het dictum is: verzoekt de regering de BOA Academie óók te voorzien in de bevoegdheid. Door het woord "ook" kan dat dus ook naast een andere organisatie zijn. In mijn ogen is de motie dus niet te eng geformuleerd, want er staat "ook". Als "ook" er niet zou staan, was het een ander verhaal, zeg ik u via de voorzitter.
Minister Van Weel:
Dan zeg ik via de voorzitter weer tegen u dat "ook" impliceert dat de BOA Academie sowieso die certificeringsbevoegdheid krijgt. Dat weet ik ook nog niet. We gaan daar echt op terugkomen in het halfjaarbericht.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 35.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 35 van mevrouw Mutluer over PTSS geef ik oordeel Kamer. Werkgevers moeten bij incidenten passende opvang en nazorg bieden. Dat is ook een verplichting uit de Arbowet. De verantwoordelijkheid kan ik niet overnemen van de werkgever. Ook het vastleggen van PTSS als beroepsziekte moet daar liggen. Maar ik ga wel met de werkgevers in overleg om hen daartoe aan te moedigen en er het gesprek over aan te gaan. Daarmee kan ik de motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 36.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 36 gaat over onbegrepen gedrag. Die moet ik ontraden. Daar wil ik wel iets aan toevoegen. Ik vind datgene wat de NS doet met de interventiemedewerkers zeer sympathiek. Net als overal in de maatschappij hebben ook zij te maken met meer mensen met verward en onbegrepen gedrag. Ik vind het daarom een logische actie, maar ik wil die niet koppelen aan de boa-status. Die gaat namelijk over handhaving en repressie, terwijl ik vind dat dit soort interventies meer vanuit de preventieve hoek moeten worden gezien. Ik breng dit alternatief van de NS heel graag onder in het bredere debat dat we hebben onder leiding van de minister van BZK over de omgang met mensen met verward en onbegrepen gedrag, maar ik vind niet dat dit per se in het boa-stelsel hoort.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dit initiatief werkt, omdat we zien dat er zich op vele stations ontzettend veel mensen met verward en onbegrepen gedrag bevinden. Deze gespecialiseerde boa's kunnen ze ook helpen om naar de desbetreffende zorginstelling te gaan. Daarom vind ik de reactie van de minister vrij teleurstellend. Je zou dit eigenlijk landelijk moeten uitrollen. Ik hoop dat de andere collega's dit ook inzien.
Minister Van Weel:
Mijn antwoord blijft hetzelfde. Ik omarm het initiatief ook, alleen vind ik dat de invalshoek niet vanuit de boa's moet komen. Ik probeer ook om de politie meer weg te halen bij datgene wat we doen voor mensen met verward en onbegrepen gedrag.
De heer Mathlouti (D66):
Ik meen me te herinneren dat we deze discussie ook hebben gehad in het commissiedebat over mensen met verward gedrag. Als het goed is, hebt u toen de toezegging gedaan om initiatieven zoals dat van NS bij goed bevinden uit te rollen. Klopt dat nog?
Minister Van Weel:
Dat klopt, maar dat is in het kader van de aanpak van verward gedrag en niet noodzakelijkerwijs in het kader van het boa-stelsel. Dat is het onderscheid dat ik maak. We hebben het hier nu over het boa-stelsel.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 36: ontraden.
Minister Van Weel:
Dan de motie op stuk nr. 37. Ook die moet ik ontraden. In het huidige bestel moeten boa's ook al voldoen aan de eisen om verdachten zelf te kunnen aanhouden en overbrengen naar de plaats van verhoor. Ik vind dat deze rol bij het arrestantenvervoer juist ook past in de verzelfstandiging van de rol van de boa. Landelijke afspraken over hoe dat wordt verdeeld met de politie kan ik ook niet maken, omdat lokale eenheden uiteindelijk gaan over hoe zij dat inrichten. Ik kan dus alleen een gesprek tot stand brengen en niet afdwingen dat er politie beschikbaar is om deze taak van boa's over te nemen. In beginsel vind ik ook dat boa's dat moeten kunnen doen.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 38.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 38 van mevrouw Mutluer geef ik oordeel Kamer. Wij gaan checken of er inderdaad geen onbedoelde belemmeringen zitten in de Wet op de economische delicten. Daar zal ik uw Kamer over informeren in het halfjaarbericht.
De motie op stuk nr. 39 van mevrouw Mutluer geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
Die is van de heer Mathlouti.
Minister Van Weel:
Excuus, van de heer Mathlouti. Zo veel had u er niet, mevrouw Mutluer. Die motie geef ik oordeel Kamer. In 2024 is op initiatief van ons ministerie de Richtlijn psychosociale ondersteuning binnen hoogrisicoberoepen opgesteld door kenniscentrum ARQ. Daar vallen de boa's ook onder. Die richtlijn geeft aanwijzingen voor bijvoorbeeld het adequaat melden, registreren en monitoren van incidenten, de meldingsbereidheid en hulp bij aangifte als er een mogelijk strafbaar feit heeft plaatsgevonden. We zullen deze bij de werkgeversvertegenwoordigers nogmaals nadrukkelijk onder de aandacht brengen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 40.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 40 geef ik oordeel Kamer. Dat sluit ook aan bij de eerdere appreciatie van de motie rondom meldkamers en informatie van mevrouw Van der Plas.
Dan de motie op stuk nr. 41, over onafhankelijk toezicht. Ook die geef ik oordeel Kamer, ook met verwijzing naar mijn eerdere appreciatie over de klachtenprocedure.
Dan de motie op stuk nr. 42 van mevrouw Coenradie. Die geef ik oordeel Kamer, met verwijzing naar de eerdere beantwoording wat betreft de motie van mevrouw Faber.
Dan de motie op stuk nr. 166 (29659), die nog moet worden ingediend. Wilt u dat ik die ook apprecieer?
De voorzitter:
Die is al ingediend, maar mevrouw Coenradie geeft aan die in stemming te willen laten brengen. Wellicht kunt u daar dus inderdaad nog wat over zeggen.
Minister Van Weel:
Ik geef 'm oordeel Kamer, maar ook weer met verwachtingsmanagement waar het gaat om informatiedeling met private boa's, omdat dat wettelijk gewoon moeilijk is.
Dat was het.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording in zijn termijn. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
De stemmingen over de moties zullen plaatsvinden op dinsdag 26 mei.
Verbeteren van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten
Verbeteren van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten
Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met het verbeteren van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten (36036).
Termijn inbreng
De voorzitter:
Dan is aan de orde de wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met het verbeteren van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten (36036). Er hebben zich maar liefst negen sprekers van de zijde van de Kamer gemeld. Ik kijk even rond en ik zie dat vrijwel alle woordvoerders aanwezig zijn, dus ik wil voorstellen met het debat te beginnen, als u ook zover bent. Ik zie dat dat het geval is.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan mevrouw Mutluer voor haar inbreng in de eerste termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Voor het spoorboekje zou mijn voornemen eigenlijk zijn om zo veel mogelijk van de inbreng van de Kamer in de eerste termijn voor de dinerschorsing te laten plaatsvinden. Het moet haalbaar blijven, maar laten we kijken of we een heel eind komen voor de dinerschorsing. Het woord is aan mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Wie ooit heeft meegemaakt dat zijn fiets is gestolen of wie ooit na een inbraak dierbare spullen kwijt is geraakt, wil eigenlijk maar twee dingen, namelijk dat de daders worden gepakt en dat de spullen terugkeren naar de rechtmatige eigenaar. Dat raakt aan een heel basaal rechtvaardigheidsgevoel. Helaas gebeurt dat zelden. Ik vind het daarom erg goed dat de minister van Justitie en Veiligheid initiatieven neemt om deze criminele markt aan te pakken. Maar doe het dan wel goed, zeg ik daarbij.
De Kamer heeft een wetenschapstoets laten uitvoeren over dit wetsvoorstel. In dat kader dank ik professor Antoinette Verhage en professor Van Wingerde hartelijk voor hun werk. Dat geldt eveneens voor onze ondersteuning, de rapporteurs vanuit de commissiegriffie, de kenniscoördinatoren en Bureau Wetgeving. De uitkomsten van die wetenschapstoets, waarin ook wordt teruggegrepen op eerder onderzoek, waaronder Focus op heling, geven namelijk te denken. Ten eerste laat internationaal onderzoek naar de markt van gestolen goederen zien dat heling via handelaren in tweedehands goederen al sinds 2012 afneemt.
Ten tweede raakt dit wetsvoorstel, als we afgaan op geregistreerde helingzaken tussen 2011 en 2015, slechts een beperkt deel van de totale helingmarkt. Ten derde vinden de meeste helinggevallen plaats op de openbare weg, online of in het privédomein. Dat roept wezenlijk de vraag op welke gevolgen de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen hebben voor het overgrote deel van de helingpraktijk. Dat gaat om de klassieke situatie waarin spullen spreekwoordelijk van de vrachtwagen zijn gevallen en rond cafés, op straat, of vanuit een kofferbak illegaal van eigenaar wisselen. In hoeverre zullen helers in dit soort situaties hierdoor daadwerkelijk worden afgeschrikt? Is het bekend of helers alternatieve verkoopkanalen zullen gebruiken zodra deze route moeilijker wordt gemaakt? En zo ja, is het bekend welke kanalen dit zijn? Ik wil graag een reactie van de minister hierop.
Voorzitter. Tot nu toe is er natuurlijk niet stilgezeten, want veel van de voorgestelde maatregelen worden in sommige gemeenten al toegepast. Dat weten we. In diverse gemeenten geldt al een registratieplicht voor opkopers en handelaren in tweedehands goederen, evenals de verplichting om een administratie van ingekochte goederen bij te houden. Je zou dus kunnen zeggen dat een nulmeting niet heel bijzonder en ingewikkeld hoeft te zijn. Een uitvraag bij deze gemeenten zal al veel inzicht kunnen geven. Ik lees daar eigenlijk heel weinig over. Hoe kan dat?
In de door de Kamer gevraagde uitvoeringstoets, opgenomen in de brief van voormalig minister Yeşilgöz van 14 december 2022, werden al heel veel cijfers opgesomd. Juist wat betreft de veronderstelde effecten van dit wetsvoorstel, dus het opsporen van daders en het terugbrengen van goederen naar de rechtmatige eigenaar, vind ik het nog heel erg gaan over hele vage aannames. Zo lees ik dat slachtoffers een grotere kans hebben om hun goederen terug te krijgen naarmate er meer aangifte wordt gedaan en dat de pakkans toeneemt naarmate er meer informatie over de ontvreemde goederen in Stop Heling wordt opgenomen. Statistisch gezien zal dat ongetwijfeld kloppen, maar ik lees nog geen hele concrete en op feiten en cijfers gebaseerde onderbouwing van de effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. Dat zijn dus nota bene maatregelen die ook in bepaalde gemeenten worden toegepast. Ik wil graag een reactie van de minister daarop. Ook ontvang ik graag een uiteenzetting van de ervaringen tot nu toe met deze maatregelen en van de effecten ervan op de lokale bestrijding van de vermogenscriminaliteit.
Dan wil ik het hebben over de verhouding tot de privacywetgeving. Wij hebben gisteren een nogal alarmerende brief ontvangen van de Autoriteit Persoonsgegevens over dit wetsvoorstel, met daarbij het eerder uitgebrachte advies. Wat zegt de Autoriteit Persoonsgegevens? Die zegt dat het een wetsvoorstel is met substantiële impact op de bescherming van persoonsgegevens. "Een situatie waarin met een aantal belangrijke adviezen weinig tot niets is gedaan, gesignaleerde risico's die niet zijn weggenomen, geen dragende onderbouwing van proportionaliteit, twijfels over de noodzaak en zelfs onderdelen van onrechtmatige wetgeving die mogelijk niet voldoen aan het EU-Handvest." Ik vind dat nogal wat. De AP is in haar eigen woorden "bezorgd". Ik vind dat een beetje een understatement. Hoe kijkt de minister naar deze fundamentele kritiek? Hoe onderbouwt hij de proportionaliteit van de maatregel waarbij opkopers zich digitaal moeten registreren in een centrale database? Hoe worden privacyschendingen dan concreet voorkomen?
Voorzitter. Dan wil ik nog iets zeggen over de concrete en de praktische kant. De maatregelen raken namelijk ook de legale branches, zoals de autohandel, metaalbewerkers en met name kringloopwinkels. Het zal u uiteraard niet verrassen dat onze fractie het hergebruik van goederen stimuleert. Juist daarom kijken wij kritisch naar een voorstel dat om aanzienlijke administratieve investeringen vraagt. Ik kan op dit moment echt niet goed beoordelen of deze proportioneel zijn. Ik wil stilstaan bij de kringloopwinkels. Mijn fractie heeft niet de indruk dat kringloopwinkels de plekken zijn waar grootschalig goederen worden geheeld. Integendeel, want vaak gaat het om organisaties die grotendeels gedragen worden door vrijwilligers en spullen een tweede leven geven. Het gaat om het kansen bieden aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Opbrengsten worden vaak besteed aan hele goede doelen. In veel steden draaien dagbesteding, vervoer van en naar het ziekenhuis en andere maatschappelijke voorzieningen mede op vrijwilligers en mede op inkomsten uit de kringloopwinkels. Kortom, het gaat hier om voorzieningen en sociale structuren die de afgelopen decennia door overheden zijn afgeschaald en afgebouwd, maar voor heel veel mensen eigenlijk onbetaalbaar zijn geworden. Die mensen moet je in mijn beleving de hemel in prijzen. Die moet je niet opzadelen met heel veel bureaucratische rompslomp en impliciete verdachtmakingen, precies wat dit wetsvoorstel, als je niet oppast, dreigt te doen. Dit kabinet heeft zich bovendien voorgenomen om ten minste 500 bureaucratische regels af te schaffen. Voor die branches neemt de administratieve lastendruk met dit voorstel juist toe. Wringt dat dan niet, vraag ik heel oprecht aan de minister.
Ik zal er heel eerlijk over zijn: ik twijfel aan de proportionaliteit van dit wetsvoorstel. Ik vraag me af of we niet terughoudender zouden moeten zijn richting met name organisaties met een evident maatschappelijk doel. Daarom staan wij ook als fractie onder het amendement van collega Diederik van Dijk om een uitzondering te maken voor organisaties met bijvoorbeeld aan anbistatus. Maar ik ga verder: ik vraag de minister of het niet goed is om ook andere aantoonbaar bonafide organisaties met een betrouwbaar, onafhankelijk keurmerk — ik noem bijvoorbeeld Keurmerk Kringloop Nederland — voor een uitzondering in aanmerking te laten komen. Zij maken zich enorme zorgen, ook als het gaat om bijvoorbeeld het registreren van persoonsgegevens. Ik wil daar echt een inhoudelijke reactie van de minister op.
Dan rond ik af. Vanuit een brede kring hebben wij signalen ontvangen met serieuze twijfels over de proportionaliteit en effectiviteit van de voorgestelde maatregelen. Die maatregelen betekenen extra administratieve lasten voor kringlooporganisaties, maar ook voor commerciële sectoren. Daarnaast bestaan er bij onze nationale privacywaakhond fundamentele zorgen over de bescherming van persoonsgegevens. Ik vind dat we dat niet moeten passeren. Het laatste wat wij willen, is dat de maatschappelijke urgentie rondom de bestrijding van heling en witwassen ondergesneeuwd wordt door administratieve eisen die uiteindelijk hun doel voorbijschieten. Vandaar mijn kritische houding nu. Ik wacht uiteraard heel constructief op de antwoorden van de minister, en op basis daarvan zullen wij uiteindelijk een afweging maken. Ik hoop dat de minister snapt, op basis van de wetenschapstoets en al het andere dat we hebben gezien, dat we wel kritisch zijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp de kritische houding van GroenLinks-Partij van de Arbeid heel goed, zeker als het gaat om kringloopwinkels. Als ik mevrouw Mutluer goed begrijp, zegt zij dat ze verder wil gaan dan het amendement. Ze noemt daarbij het keurmerk. Ik zal dat in mijn bijdrage zo dadelijk ook noemen. Dat keurmerk ziet alleen op niet-commerciële organisaties. Wil mevrouw Mutluer ook daar die scheiding aanbrengen, of zegt zij: ik wil nog meer organisaties eventueel uitsluiten van die registratieplicht?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik wil naast niet-commerciële kringloopwinkels met een anbistatus per AMvB ook andere, niet-commerciële kringloopwinkels met dat keurmerk of een sbbi-status — vergeef me dat ik het even niet precies weet; u snapt het — uitzonderen van de registratieplicht wanneer zij goederen niet hebben verworven of omhanden hebben. Daar heb ik een motie voor. Die zal ik zo meteen ook even delen met collega Straatman, zodat zij kan bepalen of ze 'm eventueel mede wil indienen.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Mutluer. Dan is het woord aan mevrouw Martens-America voor haar inbreng in eerste termijn namens de VVD.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. Het onderzoek Focus op heling heeft laten zien hoeveel schade diefstal en heling jaarlijks veroorzaken in Nederland. Volgens het rapport gaat het om 1,2 miljard euro schade per jaar, en daarbij te bedenken dat er jaarlijks ongeveer 364.000 diefstallen worden geregistreerd, maar nog geen 7.000 helingzaken. Dat laat zien hoe groot het probleem is waar we het vandaag over hebben. Wat de VVD betreft is het daarom goed dat we spreken over het wetsvoorstel en over hoe we het lastiger kunnen maken voor criminelen om gestolen goederen door te verkopen. Helemaal platgeslagen is dat waar we het vandaag over hebben.
Als heling moeilijker wordt gemaakt, maken we diefstal ook een stuk minder aantrekkelijk. We hebben allemaal de brieven en reacties gelezen die zijn binnengekomen vanuit het veld, vanuit het land en vanuit bedrijven en organisaties die met deze nieuwe wet in aanraking zullen komen, van de kringloop tot aan de autobranche. De direct zichtbare rode draad door al deze zorgen over het wetsvoorstel in de huidige vorm is de uitvoering. Die uitvoering is op papier wellicht af te doen met "het is beter want het is digitaal", maar de mensen thuis, de ondernemers en de mensen van de stichting weten direct dat het risico op een papieren tijger toch wel groot is. Dat is beleid gemaakt met de beste intenties, maar waarbij de uitvoering wellicht ontzettend lastig is. De hoofdvraag in mijn bijdrage is dan ook: hoe zorgen we ervoor dat de extra bureaucratie die met dit wetsvoorstel wordt opgetuigd, uiteindelijk wel opweegt tegen de voordelen van de opsporing en bestrijding van criminaliteit? Wanneer we besluiten dat deze wel proportioneel is, hoe gaan we dan om met de zorgen vanuit het veld, bijvoorbeeld die van de kleine ondernemers?
Een ander punt, gelinkt aan het punt dat ik zojuist heb willen maken, is de bestaande uitvoering. We tuigen namelijk een nieuw, landelijk instrument op, terwijl er al instrumenten bestaan om een groot gedeelte van deze risico's te ondervangen. In de ene gemeente wordt al enige tijd gewerkt met het DOR en in de andere nog niet. Ook tussen gemeentes bestaan er grote verschillen in verplichtingen, zoals of er al een RDW-registratie bestaat. De voertuigenbranche heeft aangegeven dat er met de RDW-registratie al een uitgebreide registratie bestaat om diefstal en doorverkoop van auto's tegen te gaan. Bij de verkoop van voertuigen gelden al een identificatieplicht, meerdere controles op de kentekens, de tenaamstellingscodes en noem maar op. Er bestaat dus al een instrument om diefstal van voertuigen tegen te gaan. Daarom vraag ik de minister: waarom wordt er voor deze sector alsnog een extra registratieplicht via het DOR opgezet? Waarom kan het bestaande systeem niet worden behouden om al die extra administratieve lasten achterwege te laten?
Om die reden heb ik vandaag ook een amendement ingediend, om een uitzondering te maken voor de gekentekende voertuigen die al worden opgenomen in het RDW-register. Met het amendement zouden de opsporingsdiensten nog steeds gebruik moeten kunnen maken … Daarmee voorkomen we dat er tegelijkertijd ondernemers met onnodige extra administratieve lasten worden opgezadeld. Ik benadruk hierbij dat het amendement niet ziet op diefstalgevoelige voertuigonderdelen of voertuigen zonder kenteken. Daarvoor is het DOR wat ons betreft wel van meerwaarde.
Voorzitter. Daarnaast wil ik ook stilstaan bij de kringloopsector — het is inmiddels al meerdere keren genoemd — en dan specifiek de niet-commerciële kringlopen, die grotendeels draaien op vrijwilligers. Ook die sector moeten we niet onnodig opzadelen met administratieve lasten die uiteindelijk nauwelijks bijdragen aan het bestrijden van criminaliteit. Daarom heeft de VVD ook het amendement van de SGP medeondertekend, om voor deze sector een uitzondering te maken.
Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over de verdere uitwerking via de algemene maatregel van bestuur. Mijn fractie vindt het ingewikkeld dat wij vandaag spreken over een wetsvoorstel, terwijl nog niet alle gevolgen duidelijk zijn in de praktijk. Zo is het nog niet volledig duidelijk welke categorieën wellicht zouden worden uitgezonderd. Ik wil voorkomen dat we hier over een jaar exact hetzelfde debat met z'n allen voeren over allerlei nieuwe categorieën en regels en de eventuele bijkomstige administratieve lastendruk, zonder dat daar eerst een goed gesprek over is gevoerd. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Welke gesprekken zijn er de afgelopen jaren precies gevoerd met de sectoren en brancheorganisaties over de categorieën en andere regels die mogelijk via de AMvB op hen af zouden kunnen komen? Kan de minister daar vandaag wellicht al iets meer inzicht in geven, zodat de Kamer ook beter kan beoordelen waar dit wetsvoorstel uiteindelijk in de praktijk toe leidt?
Dan rond ik af met mijn laatste twee zinnen, als mevrouw Mutluer het goed vindt.
De voorzitter:
Ja, prima hoor. Gaat uw gang.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Mijn fractie overweegt, gelet op alle onduidelijkheden bij verschillende sectoren, het amendement van de SP, die er nu niet is, te steunen en de AMvB voor te hangen bij de Kamer.
Dat was mijn bijdrage. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik zou graag mijn collega dezelfde vraag willen voorleggen als de vraag die ik zojuist aan de minister heb gesteld. Door dit wetsvoorstel ontstaat toch wel een enorme administratieve lastendruk voor een aantal commerciële en niet-commerciële instellingen. Ik weet dat de VVD, en zeker dit kabinet, al heel lang aan het zoeken is naar manieren om regels te kunnen schrappen en afschaffen.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag aan de minister is: wringt dit wetsvoorstel niet met de gedachte dat we af moeten van die regels? Hoe kijkt mijn collega daarnaar?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, mevrouw Mutluer, zeg ik via de voorzitter. Ik heb gepoogd om dat de rode draad in mijn hele bijdrage te laten zijn: het spanningsveld dat mijn fractie ziet tussen het tegengaan van regeldruk en ... U kent mijn partij natuurlijk ook als de partij die mensen die zich schuldig maken aan bijvoorbeeld heling heel hard wil aanpakken. Ik denk dat dit voorstel laat zien dat het soms heel lastig is om beide te willen nastreven. Daarom hebben we zelf ook een amendement geschreven, waarin staat dat al bestaande instrumenten voor uitzonderingen kunnen zorgen. Ik ben ook benieuwd naar de antwoorden van de minister op de vragen die mevrouw Mutluer heeft gesteld. Ik heb zelf ook een hoop vragen gesteld. Ik denk dat we uiteindelijk, aan het einde van dit debat, moeten wegen in hoeverre dit het waard is. Ik hoop het wel. Ik hoop ook dat we kunnen zorgen voor die paar uitzonderingen, bijvoorbeeld voor organisaties die geen winstoogmerk hebben. Maar ik vind het heel lastig, vandaar al mijn vragen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Als het gaat om de aanpak van heling en witwassen, vindt collega Martens-America mij echt naast haar. Mijn vraag gaat alleen met name om de enorme lastendruk die ontstaat. Als wij met allemaal amendementen komen om een aantal partijen, commercieel of niet-commercieel, uit te zonderen, vraag ik me af of er nog wel iets overblijft van het wetsvoorstel dat door de minister wordt voorgelegd.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik had net met een aantal collega's buiten de camera een gesprek hierover. Het gevaar is dat er, als wij met de beste intenties aan de slag gaan met amendementen, uiteindelijk wellicht een wet overblijft die niet meer zo goed werkt of in de praktijk een hele andere uitwerking heeft. Ik denk ook, gezien de woordvoerders die hier zitten en de inhoud hiervan, dat we met z'n allen moeten kijken of dit het nog waard is, of dit zin heeft. Ik poog hier, zonder de intentie van de wet te ondermijnen, te kijken of we uitzonderingen kunnen maken voor branches waar al systemen zijn, zodat wij hen in ieder geval niet met dubbele regelgeving opzadelen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ja, tot slot. Door al die uitzonderingen wordt de handhaving wel héél ingewikkeld, is mijn beleving. We weten dat een aantal gemeenten zelf ook een registratieplicht en een register hebben. Is mijn collega het met mij eens dat er eerst naar de praktijk moet worden gekeken, naar hoe het werkt, wat er nodig is en of het straks wel handhaafbaar is? Daar maak ik me namelijk enorme zorgen over.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Mevrouw Mutluer en ik kijken hier volgens mij hetzelfde naar. We hebben dezelfde zorgen over de handhaafbaarheid, de regeldruk en wat er overblijft van alle amendementen. Ik sta er niet zo geharnast in. Ik denk dat we goed moeten luisteren naar de beantwoording van de minister en dat we goed moeten kijken naar de amendementen die worden ingediend. Volgens mij moeten we elkaar straks aankijken en bedenken of dit zin heeft. Maar we delen precies dezelfde zorgen, dus volgens mij gaan we hier een goed debat over hebben.
Mevrouw Straatman (CDA):
Het CDA deelt dezelfde zorgen over de regeldruk. Daarom begrijp ik dit amendement van mevrouw Martens-America ook heel goed. Tegelijkertijd wil ik ook scherp hebben wat we verliezen als we de gekentekende voertuigen niet meer opnemen in het DOR. Ik lees in de memorie van toelichting een aantal argumenten, bijvoorbeeld dat er niet precies dezelfde informatie in staat, dat het inzicht in bedrijfsvoorraad verloren gaat en dat verdachte patronen minder inzichtelijk gemaakt kunnen worden. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Martens-America naar die argumenten kijkt.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Het is natuurlijk ook lastig, omdat je het over voertuigen met een kenteken, over onderdelen en over voertuigen zonder een kenteken hebt. Dat maakt dat het, ook in het debat dat wij hier met elkaar hebben, best wel lastig is om te begrijpen waar we het over hebben. Het DOR is bijvoorbeeld wel degelijk een aanvulling voor voertuigen zonder kenteken. Dat lukt niet bij de RDW. Wat ons betreft vullen die elkaar dus aan. De registratie bij de RDW is echter al zo omvangrijk dat de doorverkoop of heling van auto's met kenteken al tegengegaan kan worden. Laten we eerlijk zijn: dat is de grootste groep waar we het hier over hebben. Daarmee kunnen we de regeldruk verlagen. U stelt echter een terechte vraag, want het is inderdaad heel complex.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Mevrouw Martens geeft aan dat het belangrijk is, ook als Kamer, om de vinger aan de pols te houden als het gaat om de AMvB. Daarom is er in de voorhangprocedure positief voorgesorteerd op het amendement-Van Nispen. Ik heb nog een vraag. Het Openbaar Ministerie heeft toch een vrij pittige reactie geschreven. Het is een uitzonderlijke constructie: een AMvB, gebaseerd op een strafrechtsartikel, waarin heel veel wordt geregeld. Kan mevrouw Martens daarop ingaan? Knelt dat niet? Zou er, heel simpel gezegd, toch eigenlijk niet veel meer geregeld moeten worden in een formele wet, en zeker dat kader?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ook hier zien we, denk ik, gelijk weer wat deze hele wet zo lastig maakt. Aan de ene kant zou ik namelijk graag blind willen instemmen met deze wet en de minister willen vragen om te werken aan de verschillende categorieën en om ons die te doen toekomen in de algemene maatregel van bestuur, maar dan hebben we geen idee of er naar de mening van mijn partij voldoende categorieën worden opgeschreven en hoe de uitvoering moet plaatsvinden. De oplossing daarvoor is wel dat wij hier met z'n allen nog een keer een debat voeren over de vraag of het doelmatig en voldoende is. Dat vind ik het spanningsveld. Daarom geef ik ook aan dat ik positief tegenover het amendement van Van Nispen sta. Ik denk dat we het nog een keer goed moeten bekijken. De antwoorden van de minister zullen daarin ook echt wel een grote en belangrijke rol spelen, want ook hij zal hierin een stap in onze richting moeten zetten met betrekking tot de vraag hoe we dit met z'n allen willen oplossen. Het is een spanningsveld waar ik nu, aan het begin van dit debat — dat hebben we hier niet zo vaak — nog niet zo geharnast in sta. Het kan dus heel goed zijn dat u mij op andere gedachten brengt tijdens dit debat.
De voorzitter:
Ik denk dat u meneer Diederik van Dijk bedoelt.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Sorry, excuses.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Toch nog even het principiële punt met betrekking tot het Openbaar Ministerie, namelijk dat wij eigenlijk niet zo veel aan een AMvB zouden moeten willen ophangen en dat zeker die meer algemene bepalingen en het in werking laten treden van opkopersregisters, een opkopersloket et cetera, gewoon thuishoort in een formele wet en niet in een AMvB.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dat klopt. Deze wet stamt wel uit het jaar 2017, dus ik denk dat we inmiddels wel zijn ingehaald door de realiteit en door hoe de markt er vandaag de dag uitziet. Je kan dan twee dingen doen. Je kan zeggen: we gaan de hele wet niet meer bespreken. Nou, het heeft dus tien jaar geduurd voordat we die wet hier uiteindelijk wel gingen bespreken. Of je kijkt naar een tussenoplossing. Mij is ook in een interruptie gevraagd — volgens mij was u dat zelf, zeg ik via de voorzitter — of we niet te veel amendementen indienen en of er nog wat overblijft van de wet. Volgens mij is dat de balans die we hier vandaag met z'n allen moeten bespreken. Ik merk nu al dat we, volgens mij, hetzelfde doel nastreven. Dat gebeurt niet vaak, hè, voorzitter?
De voorzitter:
Dat is ook weleens mooi, toch, in dit huis?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ja.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng in de eerste termijn namens het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag bespreken we het wetsvoorstel ter verbetering van de bestrijding van heling, witwassen en de daaraan ten grondslag liggende vermogensdelicten. Het is een wetsvoorstel dat misschien wat technisch aandoet, maar in werkelijkheid raakt aan een fundamentele vraag: hoe voorkomen we dat criminaliteit blijft lonen doordat gestolen goederen eenvoudig kunnen worden afgezet?
Voorzitter. De afzetmarkt van heling is groot. Heling vormt de noodzakelijke schakel tussen vermogenscriminaliteit en het verdienmodel. Als een gestolen auto, telefoon of sieraad door de mazen in de wet ongezien verkocht kan blijven worden, blijven diefstal, inbraak en ondermijnende criminaliteit namelijk aantrekkelijk. Dit wetsvoorstel maakt het criminelen moeilijker door uniforme registratie en meldplichten in te voeren die digitaal gekoppeld zijn aan het informatiesysteem Stop Heling van de politie. We zijn zo slechts één hit verwijderd van het traceren van gestolen goederen, op papier althans.
Het CDA steunt dan ook het uitgangspunt van deze wet. Wie criminaliteit wil terugdringen, moet ook de infrastructuur voor het verdienmodel aanpakken. Maar dat doet niets af aan het feit dat we wel een aantal vragen hebben bij dit wetsvoorstel, want de nieuwe regels moeten wel proportioneel zijn en mogen niet tot onnodige regeldruk leiden. Daarbij geldt ook: uniformering is geen doel op zich. Voor het CDA is de kernvraag of deze wet in de praktijk ook daadwerkelijk bijdraagt aan het verkleinen van de afzetmarkt, een hogere pakkans en een betere bescherming van slachtoffers. Die effectiviteit wordt in de stukken wel verondersteld, maar is moeilijk meetbaar. Dat blijkt ook uit de uitvoeringstoets. De effecten van landelijke uniformering zullen pas op termijn zichtbaar worden. Vandaar de overkoepelende vraag aan de minister: is hij bereid de Kamer periodiek te informeren over deze effecten, zodat wij niet alleen op goede bedoelingen, maar ook op uitkomsten kunnen sturen?
Voorzitter. In het vervolg van mijn bijdrage zal ik ingaan op de regeldruk, de uitvoerbaarheid, de verwerking van persoonsgegevens, de effectiviteit en enkele technische aspecten. Maar allereerst die regeldruk. Dat is het belangrijkste punt. Voor het CDA is het namelijk belangrijk dat aanvullende regels, zeker voor het midden- en kleinbedrijf, proportioneel zijn. De goede bedoelingen van de wet mogen niet leiden tot een grote toename van administratieve lasten, want de effectiviteit van die aanvullende regels moet buiten kijf staan. Tegelijkertijd zien we ook dat met deze wet gepoogd wordt om maatwerk te leveren, want die digitale systemen zijn gebruiksvriendelijk, en de categorie goederen die onder die registratieplicht valt is beperkter dan onder de huidige wet.
Die poging tot maatwerk is weliswaar belangrijk, maar wat het CDA betreft kan dat nog veel scherper. Zoals mevrouw Mutluer zojuist ook zei, focussen we daarbij met name op de niet-commerciële partijen. Verschillende kringloopwinkels hebben namelijk hun zorgen geuit over de regeldruk en de administratieve lastendruk die dit wetsvoorstel zou kunnen veroorzaken. Wij begrijpen die zorgen goed, zeker ook omdat wij de kans zeer klein achten dat criminelen direct of indirect gratis goederen zullen aanleveren bij die kringloopwinkels. Graag hoor ik hoe de minister dit ziet.
Wat ons betreft moet die proportionaliteitseis dan ook anders uitslaan. Het door de SGP ingediende amendement om niet-commerciële kringloopwinkels uit te zonderen van de registratieplicht, kan dan ook op onze steun rekenen. Wij begrijpen echter dat niet álle niet-commerciële kringloopwinkels, zoals mevrouw Mutluer zojuist ook zei, nu gedekt zijn met dit amendement, omdat enkele geen anbistatus hebben. Is de minister daarom bereid toe te zeggen in lagere regelgeving in te regelen dat in lijn met het amendement van de SGP ook die andere niet-commerciële kringloopwinkels van een registratieplicht worden uitgezonderd? Wat betreft regeldruk zien we ook dat vanuit de BOVAG verschillende zeer kritische vragen gesteld worden over die registratieplicht voor gekentekende auto's. Kan de minister concreet maken wat het ontbreken van die gekentekende auto's in het DOR voor de praktijk gaat betekenen?
Voorzitter. Dan kom ik bij de uitvoerbaarheid van de wet. Uit die uitvoeringstoets blijkt dat de wet uitvoerbaar wordt geacht, maar tegelijkertijd blijven er heel veel vragen over capaciteit en handhaving, met name bij de politie en gemeenten. Maar zonder handhaving en capaciteit tuigen we alleen een papieren tijger op waar geen crimineel minder van gaat slapen. De wet veronderstelt dat bij een hit in het Digitaal Opkopers Register snel kan worden opgetreden. Die bewaarplicht van vijf dagen wordt daarbij in de memorie van toelichting in beginsel voldoende geacht. Tegelijkertijd is de verwachting en gehoopte uitkomst dat landelijke uniformering leidt tot een toename van hits en dus ook van inzet van de politie. Het CDA wil daarom helderheid over de vraag wie in de praktijk gaat optreden bij welke signalen en of de politie hier eigenlijk wel voldoende ruimte voor heeft. Hoe kijkt de minister daarnaar? Bovendien zien we op dit moment ook dat er geen cijfers beschikbaar zijn over de mate waarin de hits via het DOR-register en Stop Heling tot vervolging door de politie leiden. Kan de minister dit inzichtelijk maken en betrekken bij de evaluatie van de wet?
Voorzitter. Ook de digitale en grensoverschrijdende handel blijft een aandachtspunt. Zolang buitenlandse registratiesystemen niet gekoppeld zijn en onlineplatforms buiten beeld blijven, bestaat het risico op verplaatsingseffecten. Het CDA vraagt de minister hoe hij dit risico inschat en welke aanvullende stappen gezet worden om heling via deze routes tegen te gaan. Voor gemeenten geldt bovendien dat niet iedere gemeente dezelfde uitvoeringskracht heeft. Het CDA vindt het belangrijk dat kleine gemeenten en grensregio's niet overvraagd worden. Hoe ondersteunt de minister deze gemeenten?
Voorzitter. De effectiviteit van de wet hangt niet alleen samen met de handhaving vanuit de politie, maar is ook afhankelijk van andere factoren, zoals de aangiftebereidheid van slachtoffers, de bereidheid van burgers en bedrijven om diefstalchecks uit te voeren en de mogelijkheden van de politie om handmatig te zoeken in het DOR naar ontvreemde goederen zonder uniek nummer. Een effectief systeem vraagt daarom ook niet alleen om informatie in dat DOL en DOR, maar vooral ook om voldoende informatie in de politiesystemen, om tijdig hits met de landelijke registers te kunnen krijgen. Mijn vraag is daarom aan de minister: hoe staat het met de bekendheid van het gebruik van diefstalchecks? En welke stappen wil hij zetten om die bekendheid te vergroten? Hoe staat het met de ontwikkeling om beeldherkenning bij Stop Heling mogelijk te maken? En hoe staat het met de aangekondigde pilot, waarbij alle waardevolle goederen een uniek kenmerk krijgen? Die pilot zou in 2023 van start gaan. Om het verdienmodel van criminelen aan te pakken, ziet het CDA het ook als een goede stap dat binnen het DOR slachtoffers ook gewezen worden op de civiele mogelijkheid om schadevergoedingsclaims via de SODA in te dienen. Kan de minister aangeven of van deze mogelijkheid meer gebruik wordt gemaakt? De cijfers ten tijde van de nota naar aanleiding van het verslag zijn al van een heel tijdje terug, maar die waren tot nu toe nog niet zo denderend. Wat het CDA betreft valt hier nog veel winst te behalen.
Voorzitter. Tot slot op dit punt. Ziet de minister ook veiligheidsrisico's voor opkopers en handelaren als zij te maken krijgen met criminele aanbieders? Hoe kan hij die veiligheidsrisico's, die ook uit de wetenschapstoets bleken, voor hen beperken?
Voorzitter. Nu kom ik bij de verwerking van persoonsgegevens. Het Digitaal Opkopers Register bevat gegevens van aanbieders van goederen, terwijl het in het overgrote deel van die gevallen gaat om burgers die te goeder trouw handelen. In de wet wordt de bestrijding van heling en witwassen expliciet genoemd als legitiem doel voor de verwerking van persoonsgegevens. Tegelijkertijd wordt in de toelichting gewezen op een bredere aanpak rond de aanpak van de georganiseerde misdaad. Kan de minister verduidelijken hoe deze doelbinding juridisch is afgebakend? Waar ligt precies de grens voor het gebruik van deze gegevens in bredere opsporingsonderzoeken?
Voorzitter. Ik rond af, maar niet zonder nog een paar hele technische punten te maken. Ik excuseer me alvast daarvoor. Allereerst de bescherming van bonafide aanbieders online. Steeds meer handel vindt online plaats. De wet gaat ervan uit dat professionele opkopers ook dan kunnen voldoen aan de registratieplicht, maar het is niet altijd duidelijk hoe ze in die situaties überhaupt aan de vereiste persoonsgegevens komen. Het CDA vraagt de minister om toe te lichten hoe dit in de praktijk gaat. Hoe wordt voorkomen dat goedwillende ondernemers in een juridisch onmogelijke positie terechtkomen?
Ten tweede de registratieplicht voor goederen in vuistpand. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de registratieplicht ook voor die goederen geldt. Tegelijkertijd zegt de minister dat het eigenlijk alleen maar beperkt is tot goederen die in eigendom worden overgedragen. Hoe verhouden die twee zaken zich tot elkaar?
Ten derde de aanvullende strafbaarstelling van het opkopen van goederen van personen die kennelijk onder invloed zijn. Wat het CDA betreft gaan we de denormalisering van het gebruik van drugs tegen. De vraag is alleen hoe. Is het de verantwoordelijkheid van de opkoper om de gebruiker van drugs te behoeden voor onverstandige transacties? Wat het CDA betreft niet. Daarom heb ik op dat terrein samen met de SGP een amendement ingediend. We horen graag hoe de minister daarnaar kijkt.
Voorzitter, ik rond af. Het CDA ziet dit wetsvoorstel als een noodzakelijke stap in de bestrijding van heling en witwassen en daarmee als schakel in de aanpak van vermogensdelicten en de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Maar het moet wel proportioneel blijven. Daarbij ligt het zwaartepunt bij de uitvoering. Alleen bij voldoende capaciteit bij de politie en voldoende mogelijkheden tot handhaving kunnen het DOL en het DOR echt tanden krijgen.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Straatman. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij in de eerste termijn.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Een oud spreekwoord zegt: de dief en de leugenaar wonen onder één dak. Als we ergens het huwelijk tussen diefstal en leugen belichaamd zien, dan is het wel in de praktijk van heling en witwassen. De steler en de heler spelen met elkaar onder één hoedje. Wie bovendien op de omvang van die praktijk let, krijgt helaas de indruk dat het gezegde dat gestolen goed niet gedijt, vaak niet klopt. Er gaan honderden miljoenen door onrechtmatige handen, helaas ook handen die te goeder trouw zijn. Het is daarom een goed streven van de regering om ervoor te willen zorgen dat helers en witwassers vaker tegen de lamp lopen. Het is winst als we uiteindelijk mede door de inzet van de overheid kunnen zeggen: al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel. Het geeft voldoening als rechtmatige eigenaars zelf hun goederen weer in handen krijgen of tenminste een schadevergoeding ontvangen.
Voorzitter. Het voorstel dat we nu bespreken, stamt nog uit de coronatijd. De voorgeschiedenis is zelfs nog langer. Dat heeft ook iets te maken met veel terechte bezwaren en zorgen vanuit de praktijk. Die maken dat de SGP toch ook kritisch kijkt naar dit voorstel. Een goede wijn moet je soms langer laten liggen, maar eenmaal geopend is het geen aanbeveling om de fles te lang te laten staan. De SGP heeft op verschillende punten de indruk dat we nog geen rijpe wijn hebben.
Voorzitter. De SGP hoort graag een toelichting van de regering op het verschil tussen de theorie van de regelgeving en de praktijk in het land. De regering benadrukt dat veel verplichtingen al bestaan, dat veel gemeenten en bedrijven al werken met digitale registers en dat bepaalde verplichtingen juist ingeperkt worden. Dat klinkt natuurlijk erg mooi, maar in hoeverre werden die systemen en regels ook consistent nageleefd? Is de eerlijke werkelijkheid niet dat de consequente naleving van het wetsvoorstel voor veel betrokkenen een behoorlijke verzwaring van de lasten gaat betekenen, zeker als men nog met papieren registers werkt?
Voorzitter. Het Openbaar Ministerie vraagt aandacht voor de systematiek van het wetsvoorstel en de algemene maatregel van bestuur. We zien die kritiek van het OM vanzelfsprekend niet terug in de consultatie van de concept-AMvB — dat zeg ik maar alvast tegen de regering — omdat de fundamentele keuze gemaakt wordt in het wetsvoorstel dat we nu bespreken. Het OM constateert dat artikel 437 Strafrecht de enige strafbepaling is waarin ook een grondslag voor een AMvB te vinden is. Dat is dus bijzonder. Tot op heden was die AMvB heel beknopt en was er daarom met die uitzonderlijke situatie heel goed te leven. De SGP constateert echter dat de AMvB duidelijk van karakter verandert. Het wordt een uitgebreid stuk, waarin naast de beschrijving van categorieën goederen nu ook het opkopersregister en het opkopersloket worden geregeld. Het OM geeft beeldend aan dat er nu wel erg veel gewicht komt te hangen aan het kleine draadje dat door artikel 437 is geweven. Zou het toch niet voor de hand liggen en wenselijk zijn om het kader daarvoor in de formele wet te regelen? Het zou niet heel veel tijd hoeven te vergen om dit te regelen na alle voorbereidingen. En ik zou zeggen dat er al zoveel tijd is verstreken dat dit er ook nog wel bij kan.
De SGP steunt het amendement-Van Nispen om in ieder geval een voorhang te regelen, maar het is de vraag of we hiermee voldoende recht doen aan de wetssystematische vraag die voorligt en of een ander systeem de behoefte aan een voorhang niet had kunnen voorkomen. Als specifiek bezwaar ziet de SGP dat in het concept van de algemene maatregel van bestuur bepalingen staan die zo algemeen zijn dat ze eigenlijk gewoon in de formele wet thuishoren. Dat geldt volgens de SGP in ieder geval voor de regel dat goederen geen waarde hebben als ze als afval worden aangeboden. Denk aan de milieuwerven, waar talloze Nederlanders dagelijks spullen dumpen. Door dit uitgangspunt helder in de wet te zetten, maken we glashelder dat we voor dit soort situaties geen regelcircus optuigen. Het is ook een prachtig spiegelbeeld van de bepaling dat goederen enige waarde van betekenis moeten hebben om geregistreerd te worden. Ik hoor graag de reactie van de regering op mijn amendement op stuk nr. 18.
Voorzitter. Het Openbaar Ministerie benoemt ook terecht het belang van een heldere, eenvoudige en goed handhaafbare regeling. Wie door die bril naar het concept van de AMvB kijkt, fronst zijn wenkbrauwen. De regering ziet juist de charme dat zaken concreter worden en daardoor duidelijker zouden zijn. Natuurlijk is van sommige zaken duidelijk dat ze niet onder de verplichtingen vallen. Het wetsvoorstel gaat bijvoorbeeld niet over witgoed en ondergoed. Het verschil tussen een koelkast en een krultang is ook helder. Maar hoe zit het met een kleine grastrimmer in de tuin en een neustrimmer in de badkamer? U ziet dat ik mij goed heb verdiept in de materie. Is dit echt eenvoudig uitvoerbaar of vergt dit een behoorlijke module scholing om alles uit elkaar te houden? Als ik iets boven het wetsvoorstel ga hangen, kom ik tot de vraag of we niet een beetje doorschieten met deze regeling. Zouden we niet met een onsje minder genoegen moeten nemen om de regeling meer doeltreffend te maken?
De SGP staat hier nog specifiek stil bij de nieuwe categorie lithiumaccu's. Die categorie is makkelijk opgeschreven en mooi bij de tijd gebracht, maar er kleven allerlei moeilijkheden aan voor wie de praktijk een beetje op zich laat inwerken. Het is duidelijk dat fietsaccu's duur en diefstalgevoelig zijn, maar dat geldt voor veel accu's niet. In 2024 werd bijna 363.000 kilo aan lithiumaccu's en -batterijen ingezameld. Als hierbij slechts 10% zonder betaling zou gebeuren, zou dat al een enorme berg zinloze registratie en bewaring betekenen. Als er wel sprake is van betaling, gebeurt dat overigens vaak niet om winst te maken, maar om de brandveiligheid te kunnen waarborgen door gescheiden opslag. Zou dit niet veel beter afgebakend moeten worden, bijvoorbeeld door een minimumvermogen te regelen?
Voorzitter. De SGP vraagt in het bijzonder aandacht voor de organisaties die goed werk leveren vanuit en voor de samenleving en voor het milieu, namelijk de kringloopwinkels. Ik ben daarin niet de enige; voorgaande sprekers hebben daar ook aandacht voor gevraagd. Ook voor deze winkels geldt dat er nauwelijks risico bestaat op heling en witwassen als goederen gratis worden aangeboden. De verplichtingen om te registreren en te bewaren voegen niet meer toe dan alleen overlast en hinderen dus onnodig goede maatschappelijke initiatieven. Met een brede ondertekening door collega's heb ik daarom een amendement ingediend om deze kringloopwinkels uit te zonderen van het wetsvoorstel. Ruim baan voor deze mooie winkels. Ik hoor graag de reactie van de minister op het amendement op stuk nr. 19.
Voorzitter. Passend bij de aandacht voor belangrijke maatschappelijke initiatieven, zoals kringloopwinkels, eindig ik, om enig tegenwicht te bieden aan dit toch wel technische verhaal, met een gedicht over een activiteit die erop lijkt, namelijk de rommelmarkt. Ik ga het voordragen.
Ik stond laatst op een rommelmarkt.
Ik had nog zo veel troep.
Daar vond ik een mooi plaatsje op een brede stoep.
Links plaatste ik de barbies, wat weckflessen en een sprei.
En op de rest mijn boeken; dat was een hele rij.
Toen ik ze daar zag liggen, ging er van alles door mij heen:
geen enkel kon ik missen.
Ik bekeek ze een voor een:
die kreeg ik van de zondagsschool en die van een vriendin,
deze van mijn pa en moe; 'k was weer terug bij het begin.
Tot zover. Voorzitter, ik weet niet of de minister ooit op een rommelmarkt gestaan heeft en of hij er gevoel bij heeft, maar kan hij in ieder geval bevestigen dat dit soort prachtige praktijken geen last krijgt van het wetsvoorstel? En een slotvraag om de noodzaak van een eventuele novelle meteen uit te sluiten, want ik heb eerder zaken mogen doen met deze minister: kan de minister bevestigen dat er geen sprake kan zijn van medeplichtigheid of medeplegen als een minderjarige op een rommelmarkt een soepkop verkoopt aan een handelaar?
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Meneer Diederik van Dijk, ik ben na uw bijdrage vooral nieuwsgierig naar welke van alle genoemde attributen u zelf in huis heeft, maar misschien kunnen we het daar straks in de dinerpauze even over hebben. Dan zien we de minister misschien met een decanteerkaraf terugkomen voor de wijn waar u het over had in eerste termijn. Het woord is aan de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Gaat de voorzitter nu joligheid aanmoedigen?
De voorzitter:
Excuses.
De heer Sneller (D66):
Nee, heel goed. Voorzitter. Veel van wat ik te zeggen had, hebben de vorige sprekers al gezegd, maar dan beter en uitgebreider. Dus ik ga er relatief snel doorheen. Ik denk dat het dilemma waar we voor staan voor ons allemaal hetzelfde is: de gestolen fiets, met dat lege gevoel in de maag, maar ook meer op macroniveau, zoals mevrouw Martens-America zei, namelijk de bizarre aantallen en bedragen die omgaan in heling, wat de criminaliteit in stand houdt. Ik denk dat we dat allemaal effectief willen kunnen aanpakken.
Aan de andere kant kennen we ook onszelf in de rol van verkoper of koper. We vinden de circulaire economie belangrijk en we vinden het belangrijk dat mensen met een kleine beurs, en soms ook wijzelf, een voordelig koopje kunnen vinden. Er staan dus verschillende dingen tegenover elkaar die we hier moeten afwegen, zeker omdat we in andere debatten klagen over de torenhoge lastendruk, zowel voor ondernemers als voor burgers. De Autoriteit Persoonsgegevens werd al aangehaald, want het gaat natuurlijk ook om het opslaan van persoonlijke informatie. Dat soort kosten blijft vaak in eerste instantie verborgen, maar ze stapelen zich wel op.
Voorzitter. Dan de doeltreffendheid. Er is al gezegd dat dit ongeveer tien jaar geleden is aangekondigd. De collega's van de VVD haalden dit ook aan in het verslag. In de wetenschapstoets wordt dan gezegd dat het percentage van de heling die verloopt via de kanalen die hier worden gereguleerd en die onder dit wetsvoorstel komen te vallen al sinds 2012 daalt, omdat het via andere kanalen wordt verkocht. Dan doemt de vraag op: is dit wetsvoorstel dan in zekere zin niet yesterday's news? Daarom heb ik de volgende vraag. Wat heeft het kabinet gedaan sinds dit wetsvoorstel aanhangig is gemaakt om te kijken of het nog bij de tijd is? Dat is misschien ook de kernvraag: wat verandert er met dit wetsvoorstel ten opzichte van hoe het nu geregeld is in veel gemeenten? Hoeveel gemeenten zijn dat er op dit moment? Voegen wij administratieve lasten toe voor opkopers die er nu nog niet zijn? Of moeten die opkopers nu voldoen aan een wirwar aan regels van verschillende gemeenten? Wat komt er dan per saldo extra bij? Ik denk dat dat voor mijn fractie een belangrijk element zal zijn in de afweging om dit wel of niet te steunen.
Dan de uitzondering bij bepaalde onlineverkoopplatforms. Wat verwacht de minister? Hoe ondervangt hij eventuele verplaatsingseffecten? In de wetenschapstoets wordt ook gezegd dat het risico van verplaatsing wel opdoemt, zeker als je verkoop via aliassen online, maar ook via particulieren online, niet onder deze wet brengt.
Er zijn ook allemaal terechte vragen over de kringloopwinkel gesteld.
Tegen de achtergrond van onlineverkoop ook nog de volgende vraag. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt expliciet gezegd dat de registratieverplichting niet zou moeten afhangen van "de aard van het bedrijf, maar van de soort goederen". Tegelijkertijd lijkt dat niet helemaal consistent door te werken voor bijvoorbeeld particuliere verkopers of de andere organisaties die online verkopen. Hoe zit dat dan precies?
Dan het Adviescollege toetsing regeldruk. Het verbaasde me eigenlijk dat er bij de stukken geen toets van het ATR zat. We hebben dat adviescollege permanent gemaakt. De 500 te schrappen regels werden al genoemd. Ik had dus eigenlijk verwacht in de stukken die toets aan te treffen. Ik ben benieuwd of hierover in de afgelopen jaren contact is geweest met het ATR, of waarom dat niet gebeurd zou zijn.
Dan de Metaal Recycling Federatie, die eigenlijk zegt: vijf dagen bewaren is voor ons problematisch; het is onuitvoerbare regelgeving. Hoe wordt volgens de minister de balans tussen het behalen van het doel van de wet en de regeldruk die uit dat punt voortkomt nu goed getroffen in dit wetsvoorstel?
De Autoriteit Persoonsgegevens brengt opnieuw vragen onder de aandacht. Ze werden al aangehaald. Ik schaar me daarachter.
Alles wat mevrouw Martens-America over de BOVAG heeft gezegd, snap ik. Tegelijkertijd staat in de stukken dat onderdelen die verkocht worden er wel door worden afgedekt. Ik ben dus heel benieuwd naar de appreciatie van de minister op dat punt. Over de administratieve lasten wordt ook op dat punt weer —ik zeg het even huiselijk — gezegd: "Daar moet u zich niet te veel zorgen om maken. Daar is een voorgenomen webservice voor bedacht." Bij andere wetsvoorstellen heb ik me af en toe iets te rijk gerekend met de ICT-oplossing die bij de behandeling van die wetsvoorstellen in het vooruitzicht werd gesteld, ook een keer door mezelf. Ze bleken uiteindelijk minder makkelijk van de grond te komen. In welke mate zijn dat dus tien vogels in de lucht of is dat ding ook echt wel operationeel?
Tegen de achtergrond van de sympathieke amendementen op deze punten vroeg ik mij nog het volgende af. Ik hoop dat de minister daar in zijn termijn ook op kan reageren. Blijft er voldoende over als we die uitzonderingen maken? Hoe ziet hij dat?
Ten slotte nog het volgende, voorzitter. Ik schaar mij achter het amendement-Van Nispen over de voorhangbepaling. Ik heb zelf nog een evaluatie-amendement ingediend om die evaluatie iets specifieker en explicieter te laten ingaan op de punten die ook in de wetenschapstoets worden benoemd. Ik hoop dat de minister daarop kan reageren.
Dat gezegd hebbende kijk ik uit naar de beantwoording.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Sneller. Dan is het woord aan mevrouw Faber in de eerste termijn namens de PVV.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Hoe verdorvener de staat, des te meer wetten. Dat is een citaat van de Romeinse consul Tacitus. Hoe toepasselijk is dat voor dit wetsvoorstel, dat in feite een vorm is van symptoombestrijding? Inbraak en andere vormen van diefstal zijn aan de orde van de dag. Dieven moeten die gestolen goederen kwijt. Geld is immers hun motivatie. Het begint vaak klein. Aangezien de pakkans en de straf laag zijn, gaat het van kwaad tot erger en schuiven daders steeds vaker op naar de rand van de samenleving, van heling, drugs en mensenhandel, om vervolgens af te glijden in een netwerk van criminaliteit. Laat justitie nou geïnteresseerd zijn in die netwerken. Dat zou een van de drijfveren zijn van dit wetsvoorstel.
Maar hoe is het zo ver gekomen? Het komt door slap beleid, open grenzen en gebroken gezinnen. Om dat aan de achterkant te repareren, is er nu een systeem opgetuigd waarin opkopers en handelaren een deel van de tweedehands en ongeregelde goederen moeten vastleggen. Zo moeten opkopers en handelaren zich nu al laten registreren in het Digitaal Opkopers Loket, afgekort DOL, tenminste, als de gemeente waarin je handel drijft dat voorschrijft. Hetzelfde geldt voor het Digitaal Opkopers Register, afgekort DOR, waarin bepaalde categorieën goederen geregistreerd dienen te worden. In het geval dat de gemeente dat voorschrijft, bepaalt het lokaal gezag welke goederen geregistreerd moeten worden en hoelang de bewaartermijn is.
Voorzitter. Het DOR en het systeem Stop Heling zijn aan elkaar gekoppeld. Zodra een goed ingevoerd wordt in het DOR, wordt er automatisch een check gedaan in Stop Heling. Dat is een systeem waarin burgers hun goederen kunnen registreren, ook als zij die nog in hun bezit hebben. Ik heb alleen niet de indruk dat veel burgers hier gebruik van maken. Laten we niet vergeten dat dit juist fundamenteel is voor het systeem, want als men deze goederen niet registreert in Stop Heling, dan stopt alles. Ik heb dus niet de indruk dat veel burgers hier gebruik van maken, want het risico bestaat dat deze gegevens bij de verkeerde personen terechtkomen. Voordat je het weet, wordt het systeem namelijk gehackt en weet het inbrekersgilde wie er dure spullen in huis heeft. Is er een hit, dan krijgt de politie een melding. Er moet dan binnen vijf werkdagen actie worden ondernomen. Dat is immers de voorgestelde bewaartermijn. Om te voorkomen dat de goederen in de handen van de volgende partij komen en uit beeld raken, is het gewenst dat de politie direct actie onderneemt. De grote vraag is: gaat de politie dit doen? Op dit moment zijn er namelijk geen cijfers bekend over de mate waarin hits leiden tot opvolging door de politie. Klopt dat, of zijn er nu wel cijfers beschikbaar? Hoeveel gestolen goederen zijn er weer teruggekomen bij de rechtmatige eigenaar? Als dit succesvol is, zijn er ook meer burgers bereid om hun waardevolle spullen te registreren. Campagne voeren voor het gebruik van Stop Heling heeft geen zin als het resultaat teleurstellend is. Graag een reactie van de minister.
De politie is al dusdanig overbelast dat zij in 2024 45.000 aangiftes niet in behandeling nam en 42.000 zaken vroegtijdig heeft beëindigd wegens capaciteitsgebrek. Dit betreft ook zaken als mishandelingen en zedenzaken. Denkt u nu echt dat de politie achter een staafmixer of een tosti-ijzer aan gaat, terwijl mishandelingen en zedenzaken op de plank blijven liggen? Deze apparaten hebben immers een stekker en een serienummer en moeten geregistreerd worden. Dit wordt zelfs opgelegd aan de kringloopwinkels, ook als deze om niet zijn verkregen. Het is toch niet aannemelijk dat gratis weggegeven goederen onderdeel zijn van crimineel handelen. In dat licht is het logisch dat de kringloopbedrijven die zijn aangesloten bij Branchevereniging Kringloop Nederland, BKN, niet verplicht zijn de identificerende persoonsgegevens van de aanbieder te registreren. Het kan ook voorkomen dat burgers goederen registreren in Stop Heling en dat deze goederen later een hit vormen in het DOR, terwijl ze niet gestolen zijn, maar zelf zijn weggegeven. Dan lijkt het op een valse bingo. Ook kan de situatie zich voordoen dat de hit komt uit de inboedel van een overleden persoon, waarbij de kinderen de inboedel naar de kringloop hebben gebracht. Of er wordt in Stop Heling aangegeven dat het goed is gekenmerkt als gestolen. Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. Terwijl de overheid juist recycling promoot, vraag ik mij af of dit wetsvoorstel het echt gemakkelijker maakt voor de kringloopwinkels. Aangezien het beleid per gemeente verschilt, rijst de vraag in hoeverre inzichtelijk is welk percentage van de kringloopwinkels momenteel al verplicht is gesteld via lokaal beleid. Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. Nu voert iedere minister zijn of haar eigen beleid. Snoodaards zoeken dan de gemeente op waar ze hun buit het beste kunnen slijten. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt een gelijk speelveld te creëren. Iedere opkoper en handelaar moet zich laten registeren in het DOL. Alle categorieën van goederen worden voorgeschreven middels een AMvB en moeten dan ook geregistreerd worden in het DOR. Ik vraag mij af of het lokaal bestuur na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel nog extra beleid kan toevoegen met bijvoorbeeld een algemene plaatselijke verordening of anderszins. Indien dat het geval is, vervalt het argument van een gelijk speelveld. Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. Uit de toelichting blijkt dat een groot deel van de opkopers en handelaren te goeder trouw zijn. Het zijn vooral de bonafide handelaren die meewerken en zich laten registeren. Zij geven ook aan dat er minder gespuis in hun zaak komt sinds zij de goederen registeren in het DOR. Zodra zij om ID-gegevens vragen, maken verdachte aanbieders zich snel uit de voeten. Maar het is mij niet duidelijk of de opkoper kan volstaan met enkel inzage in het ID-bewijs of ook het nummer van het ID-bewijs moet registeren. Dit omdat in artikel 437, eerste lid, onder b, is te lezen dat een opkoper of handelaar strafbaar is als die een gebruikt of ongeregeld goed van iemand verwerft zonder dat hij diegene een identiteitsbewijs ter inzage heeft laten aanbieden of zonder dat hij het nummer van het bewijs en de in dat bewijs vastgelegde identificerende persoonsgegevens in het bestand heeft verwerkt. Dus wat is het nu? Kan de minister dit nader duiden? Zit hier soms een lek?
Voorzitter. Dieven moeten toch hun gestolen goederen kwijt. Het aantal diefstallen neemt niet af. Deze goederen zullen dan via een andere weg van de hand worden gedaan. Het internet en sociale media zijn een sterk gegroeid afzetkanaal voor illegaal verkregen goederen, maar illegale handel vindt ook plaats binnen de horeca, garages of op het schoolplein. Ook kunnen handelaren een zogenaamde typefout maken bij het invoeren van het serienummer of goederen buiten de administratie houden. Opsporing hiervan is lastig, omdat de bevoegdheid tot binnentreden zonder vermoeden van een strafbaar feit niet zo ver gaat dat ze in kasten en laden mogen zoeken naar verborgen goederen. Zeker in de grensstreek is de kans reëel dat goederen hun weg vinden naar het buitenland. Binnen de EU is er incidenteel sprake van een registratieplicht, maar dat is niet vergelijkbaar met het Nederlandse registratiesysteem. Dat verklaart ook dat de politie geen signalen over gestolen spullen ontvangt via een digitaal inkoopsysteem uit het buitenland. Wel bestaat voor specifieke goederen de mogelijkheid tot internationale diefstalsignalering, zoals via het Schengen Informatie Systeem.
Voorzitter. De totale omvang van heling is moeilijk vast te stellen. Er wordt niet altijd aangifte gedaan van diefstal. Heling kan ook plaatsvinden buiten het beoogde systeem om. Ook binnen het systeem kunnen bewust fouten gemaakt worden om buiten zicht te blijven. Daarnaast kan het gebrek aan draagvlak onder de ondernemers het effect van het wetsvoorstel ondermijnen, zo is te lezen in de wetenschapstoets. Je kan een systeem optuigen, maar dan moet er ook capaciteit zijn om te handhaven, niet enkel door de politie, maar in de hele strafrechtketen. Gezien de grote werkdruk in de gehele strafrechtketen is de verwachting dat de prioriteit in de strafrechtketen elders ligt.
Voorzitter, ik rond af. Het is niet duidelijk wat het effect is van dit wetsvoorstel. Zoals de minister zelf ook aangeeft, is wel duidelijk dat de meeste handelaren en opkopers te goeder trouw zijn. Juist zij worden in de meeste gevallen belast met extra regeldruk, terwijl kwaadwillenden onder de radar blijven. De hamvraag is dan ook: wat is het doel van het wetsvoorstel nu? Is het om de burgers te helpen hun gestolen goed terug te krijgen of wil men de burger voor het justitiële karretje spannen om criminele netwerken in kaart te brengen?
Tot zover. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik had wat andere woorden gekozen dan mevrouw Faber, maar volgens mij vinden we uiteindelijk grotendeels hetzelfde. Ik zou daar graag een heel klein beetje boven willen hangen. Per jaar hebben we namelijk 364.000 geregistreerde gevallen van diefstal en maar 7.000 geregistreerde gevallen van heling. Tegelijkertijd hoor ik mevrouw Faber ook heel terecht zeggen dat we grote tekorten hebben bij de politie. We zullen dus op zoek moeten naar wetten en manieren om hier wat aan te doen. Mevrouw Faber is tegen een hoop van wat we bespreken vanavond, maar wat zou voor de PVV dan een andere optie zijn om te zorgen dat we dit oplossen?
Mevrouw Faber (PVV):
Nou, kijk. Weet u? Als ik dat ga zeggen, begint de hele zaal weer te steunen. Dan zeg ik "grenzen dicht", want we importeren gewoon heel veel ellende. We zien ook in de strafrechtketen dat 69% van de gedetineerden een allochtone of migrantenachtergrond heeft. Nou ja, dat is het paradepaardje van ons, maar dat is natuurlijk wel een feit. Er blijven er maar binnenstromen. In Ter Apel loopt het helemaal over. Ik weet niet wie er allemaal aankomen vanuit Verweggistan, maar ik denk dat dat de beste oplossing is.
Ik denk niet dat mevrouw Martens-America daarop doelt, maar ik denk het volgende. Natuurlijk moet je de zaken aanpakken, maar we hebben gewoon een chronisch capaciteitstekort. Ik heb ook gezegd dat er tienduizenden zaken bij de politie blijven liggen. Daar zitten ook zware misdrijven bij. Daar zitten zedenzaken en geweldsmisdrijven bij. Laten we eerlijk zijn. Als ik de keuze heb om achter een tosti-ijzer of een zedendelinquent aan te gaan, kies ik wel voor die laatste. Dat is natuurlijk een beetje erg tegenovergesteld; dat begrijp ik ook wel. Ik ben natuurlijk ook tegen heling. Dat snap ik ook wel, maar ik zoals ik het nu zie, denk ik niet dat dit de oplossing is.
Er is namelijk ook een koppeling tussen het DOR en Stop Heling, dus op het moment dat ik mijn goederen daarin niet registreer, komt er ook nooit een hit. Ik moet ook eerlijk zijn: voordat ik met dit wetsvoorstel aan de gang ging, wist ik helemaal niet dat dat systeem van Stop Heling bestond. Laat staan dat je er dan iets in registreert. Ik vraag me ook af hoeveel mensen bekend zijn met het systeem. Op het moment dat het niet geregistreerd wordt in Stop Heling, gaat de hele boel op de helling. Dan kunnen we inrichten wat we willen, maar dan gaat het gewoon niet werken. Ik hoor dan dat er weinig goederen geregistreerd zijn in Stop Heling. Dat aantal moet bekend zijn; daar kan de minister misschien antwoord op geven. Dat is in verhouding heel laag. Er zijn namelijk 7.000 zaken van heling naar boven gekomen en 364.000 gevallen van diefstal. Ja, zijn die geregistreerd? Ik weet het niet.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank voor dit zeer uitgebreide antwoord. We zijn van "open grenzen" naar "stopheling.nl" gegaan. Ik wil toch nog heel even teruggaan. Ik ben namelijk op zoek en volgens mij is dat ook de toon waarop we dit debat hier voeren. Er zijn meerdere voorstellen ingediend, ook vanuit de Kamer, om het beter te maken. We hebben het over een aantal feiten, namelijk grote tekorten bij de politie. Ze gaan hopelijk niet achter een trimapparaat aan, zeg ik tegen de heer Van Dijk. Wat is het alternatief? Mijn vraag is heel simpel: wat is het alternatief om hieraan bij te dragen?
Mevrouw Faber (PVV):
Zoals ik al zei: laten we beginnen met de grenzen dicht te doen. Dan hou je namelijk een heleboel criminaliteit buiten de deur. Ik denk alleen niet dat dat het antwoord is dat u zou willen. Zoals ik het nu zie, denk ik niet dat dit iets gaat oplossen. Wel kan het nog veranderen, want ik sta er open in. Zoals ik al zei, valt en staat alles met de registratie in Stop Heling. Dat is een van de zwakke schakels. Stel dat iedereen het registreert, dan vraag ik me het volgende af. Ik mag de voorzitter er niet zomaar bij betrekken, maar heeft de voorzitter bij wijze van spreken zijn baardtrimmer daar dan ook in geregistreerd? Ik noem ook maar iets. We kunnen er een beetje om meesmuilen, maar de vraag is natuurlijk wel wie het nou geregistreerd heeft. Ik ga mijn staafmixer niet registreren. Het kost mij meer tijd om dat ding erin te stoppen. Ik moet het serienummer registeren. Het zijn zulke nummers, dus daar begin ik gewoon niet meer aan. Ik koop gewoon een nieuwe als die gestolen wordt. Het zet geen zoden aan de dijk. Als ik een schilderij heb van een half miljoen, dan ga ik dat echt niet registreren. Ik laat dat gewoon verzekeren. Maar ik heb dat niet, hoor, zeg ik voor de duidelijkheid en voordat iemand getriggerd wordt.
De voorzitter:
Nou, anders was ik wel even langsgekomen om te kijken, mevrouw Faber!
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, dat begrijp ik!
De voorzitter:
Als kunstliefhebber had ik u dan zeker gebeld.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik denk dat we er nu zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Coenradie. Wil zij nog interrumperen of begint ze met haar bijdrage? Ze begint met haar bijdrage. Ze spreekt namens JA21 in de eerste termijn. Ik scheer mezelf trouwens met messen, mevrouw Faber. Gaat uw gang, mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter, ik ben zo ontzettend benieuwd naar de beantwoording van de diverse vragen die zijn gesteld.
Voorzitter. Vandaag spreken we na jaren eindelijk over het wetsvoorstel om heling, witwassen en vermogensdelicten beter aan te kunnen pakken. Dat wetsvoorstel is begin februari 2022 naar de Kamer gestuurd door de toenmalige minister van Justitie en Veiligheid. We zijn inmiddels twee Kamerverkiezingen en twee gemeenteraadsverkiezingen verder. Het blijft opmerkelijk dat een wetsvoorstel dat juist inzet op digitalisering en modernisering, meer dan vier jaar nodig heeft om plenair behandeld te worden. Ik vraag mij hardop af of dit niet ergens in het jarenlange proces beter had gekund.
Voorzitter. Ik ga over tot de inhoud van de wet. Als de senaat en de Tweede Kamer deze wet aannemen, gaan we, even plat gezegd, drie zaken anders of op een nieuwe manier regelen. We gaan over tot een landelijke digitale registratieplicht, we hebben dan een meldplicht bij gemeenten en er komt een bewaartermijn van vier jaar voor gegevens in het Digitaal Opkopers Register. Laat ik beginnen bij de landelijke digitale registratieplicht. Het is goed dat we met onze tijd meegaan en zaken digitaal en uniform gaan regelen. Met het DOR moeten gegevens makkelijker en sneller kunnen worden gekoppeld aan opsporingssystemen zoals Stop Heling. Hierdoor krijgt de politie betere informatie om gestolen goederen te traceren en verdachten op te sporen. Dat lijkt een goede ontwikkeling.
Wel heb ik hier nog enkele vragen over. Welke extra capaciteit en middelen zijn er beschikbaar voor politie en gemeenten om deze wet daadwerkelijk te handhaven? Het kabinet stelt dat digitalisering van het opkopersregister de handhaving efficiënter maakt en daarom binnen de bestaande capaciteit kan plaatsvinden. Digitalisering verplaatst echter vooral de administratieve lasten en vervangt niet het menselijke oordeel dat nodig is voor toezicht, controle en bewijsvoering. Hoe onderbouwt het kabinet concreet dat de digitalisering van het DOR leidt tot de daadwerkelijke vermindering van de benodigde handhavingscapaciteit, in plaats van een verschuiving van administratief werk naar tijdsintensieve analyse en opvolging door politie en gemeenten? Is dit objectief getoetst? Hoe verwacht de minister dat overtredingen in artikel 437, lid 1, onderdelen c en d, in de praktijk bewezen moeten worden? Het gaat daarbij onder meer om het inkopen van goederen van minderjarigen, persoonlijk die kennelijk onder invloed zijn en personen van wie men redelijkerwijs zou moeten vermoeden dat zij in een inrichting of een psychiatrisch ziekenhuis verblijven, zeker nu in de wet geen objectieve criteria of vastleggingsverplichtingen zijn opgenomen.
Dan wil kort ingaan op de regeldruk voor bedrijven. Die is al genoeg benoemd door mijn collega's. Het doel van de wet valt zeer te prijzen, maar die moet voor bonafide ondernemers niet tot onnodige lasten en regels leiden. Dat kan een dun lijntje zijn. Vandaar een aantal vragen hierover aan de minister. Hoe kan de minister stellen dat de regeldruk per saldo niet toeneemt, terwijl het wetsvoorstel leidt tot landelijke digitalisering, langere bewaartermijnen en uitgebreidere gegevensverwerking dan in veel gemeenten nu het geval is? Ik lees in de stukken rondom dit wetsvoorstel dat er geen mkb-toets is gedaan. Waarom eigenlijk niet? Is het mogelijk om dit, parallel aan het huidige proces, alsnog uit te voeren, bijvoorbeeld in combinatie met de definitieve AMvB?
De scope van de wet leidt bij sommige ondernemers of ondernemersbranches tot vragen. Slaat de wet niet door als het gaat om welke typen ondernemingen hieronder vallen? Voor wat betreft de niet-commerciële kringloopwinkels is het antwoord ja. Daarom steunen wij ook het sympathieke amendement van collega Diederik van Dijk om deze winkels uit te zonderen van deze registratieverplichting. Het is mooi om te zien dat dit amendement op breed draagvlak kan rekenen. Wel heb ik over de scope van de wet een aantal vragen. De Metaal Recycling Federatie stelt dat vooral contante inkopen van diefstalgevoelige metalen risico's op heling opleveren, terwijl bulkstromen in de professionele metaalrecyclingsector al goed herleidbaar zijn via bestaande geld- en goederenstromen. Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om ook deze bulkstromen onder het DOR-regime en de vijfdaagse bewaarplicht te brengen? Hoe beoordeelt het kabinet de door de MRF, oftewel Metaal Recycling Federatie, geuite zorgen dat de verplichte registratie van NAW-gegevens van beroepschauffeurs die schroot vervoeren, mogelijk disproportioneel is in verhouding tot het doel van de wet?
Hoe rechtvaardigt de minister dat merkkleding, ondanks de omvangrijke helingsmarkt, buiten de registratieplicht blijft vanwege bewijs- en herleidbaarheidsproblemen, terwijl tegelijkertijd geen alternatief model voor toezicht of handhaving wordt ontwikkeld? Creëren we hiermee niet het risico dat criminelen uitwijken naar een markt waarvan bekend is dat toezicht en bewijsvoering beperkt is? Zou het niet beter zijn om binnendoor meer op patronen te handhaven, door niet te registreren op elk shirt, maar door te kijken of iemand structureel veel verdachte partijen koopt? Normale kledingzaken raak je hier niet mee, omdat je alleen kijkt naar tweedehandsinkoop van particulieren en pas ingrijpt bij extreme en herhaalde afwijkingen. Graag een reactie van de minister.
Tot slot. Het kabinet erkent zelf dat een groot deel van de helingsmarkt inmiddels online plaatsvindt. Waarom krijgen platforms zoals Marktplaats en Vinted dan ogenschijnlijk geen enkele signalerings- of zorgplicht, terwijl juist zij zicht hebben op verdachte handelsstromen en patronen?
Voorzitter. Wij zien de wet als een stap in de goede richting voor wat betreft de strijd tegen heling, witwassen en handel in gestolen goederen. We zijn blij dat we met een uniform digitaal systeem eindelijk met onze tijd meegaan. Gezien onze vragen hebben wij nog wel wat vraagtekens rondom de uitvoering, de regeldruk en de scope van de wet, met name voor wat betreft de onlinemarkt. Ik wil ervoor waken dat we achter de feiten aan blijven lopen en in de toekomst hier weer staan om over het probleem te praten, maar dan over onlineplatforms.
Tot zover.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb een vraag aan mevrouw Coenradie, want mevrouw Coenradie weet ook dat de politie gebrek heeft aan capaciteit. Ze heeft altijd warme woorden voor de politie, maar wat denkt mevrouw Coenradie nou zelf? Weinig capaciteit wil je inzetten voor de zwaarste zaken. Zou het dan niet logisch zijn dat de politie de capaciteit eerder inzet voor zware geweldsdelicten, in plaats van achter dat tosti-ijzer aan te gaan?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Deze wet nu reduceren tot iets dat alleen de heling van een tosti-ijzer aanpakt, vind ik te kort door de bocht. Ik heb begrepen dat de politie dit aanmoedigt, dat men blij is dat deze wet hier wordt besproken en dat we hier inmiddels, vier jaar later, hopelijk stappen in kunnen maken. Ik vind het niet goed als wij zeggen: de politie is er wel voor hele zware zaken, maar de zaken waarvan wij hier bepalen dat die iets lichter zijn, die moeten we maar even buiten de handhaving houden. Als het gaat om de capaciteit van de politie, dan vind ik dat we dat gesprek zeker op een volwaardige manier moeten voeren. Hoe zetten we die capaciteit in en welke prioriteiten geven we daaraan? Maar dat betekent niet dat wij hier vooraf al een selectie moeten maken van wat we wel oké vinden en wat niet. Dit is strafbaar. Mijns inziens kun je alleen maar zeggen dat iets strafbaar is als je vervolgens ook zegt: we gaan hierop handhaven en we gaan hier daadwerkelijk wat mee doen. Anders heeft deze hele wet of de strafbaarstelling daarvan geen enkel nut.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik ben het er ook helemaal mee eens dat je moet handhaven, maar de vraag is: gaat er gehandhaafd worden? Daar heb ik namelijk gewoon sterke twijfels over. Dan is het ook nog zo dat als de goederen niet geregistreerd worden in Stop Heling, het gewoon ophoudt! Ik heb nou niet het idee dat burgers er warm voor lopen om dat allemaal te registreren. Is mevrouw Coenradie het met mij eens dat op het moment dat er niet geregistreerd wordt in het systeem Stop Heling, in feite het hele systeem op de helling gaat?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dat is een beetje hetzelfde als wanneer er iets van jou gestolen is, je vervolgens geen aangifte doet, of dat je iets overkomt en je geen aangifte doet. Ik vind dat op het moment dat we hier met elkaar praten over dat we dit niet willen — daarom zijn we op dit moment met de minister in gesprek en hebben we een wet voorhanden — we het gewoon met elkaar moeten uitvoeren. Dat betekent ook dat als je wilt dat dat bekend wordt bij het grote publiek — dat is dan blijkbaar niet zo, zoals ik ook eerder in de bijdrage van mevrouw Faber hoorde — je daar ook aan zal moeten werken, zodat mensen de weg weten te vinden. Daar is dit debat voor. Er zijn allerlei manieren om dat naar buiten te brengen. Misschien kan de minister ook iets zeggen over de vraag hoe we mensen zover krijgen dat ze de weg naar Stop Heling weten te vinden, zodat wanneer er sprake is van heling, ze daar vervolgens ook de informatie in stoppen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, afrondend. Dan kan ik dus wel concluderen dat het van belang is dat alle goederen in Stop Heling worden geregistreerd, en dat het anders, als het er niet in staat, toch ophoudt.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Het begint met de bekendmaking van wat heling is. Datzelfde geldt voor aangifte doen, als je wilt dat er mogelijk een vervolging uit komt of dat de politie iets oppakt. Het begint met dat mensen in ieder geval aangifte doen of ergens melding maken van dit gegeven.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Coenradie. Dan is het woord aan mevrouw Schilder voor haar bijdrage namens Groep Markuszower in de eerste termijn. Gaat uw gang.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Veel is al gezegd door mijn collega's, dus ik zal proberen het kort te houden.
Laat ik beginnen door te zeggen dat DNA het doel van deze wet begrijpt. Niemand wil dat gestolen spullen worden doorverkocht of dat heling criminaliteit in stand houdt. Een begrijpelijk doel betekent echter niet automatisch dat de gekozen oplossing de juiste is. Er wordt gedaan alsof deze wet vooral een technische update van bestaande regels is, maar dit is te makkelijk voorgesteld. Het huidige systeem draait grotendeels om lokale toepassing. Dit wetsvoorstel gaat, met een landelijk, uniform systeem waarin gegevens centraal toegankelijk worden voor opsporingsinstanties en waarin koppelingen worden gemaakt met databanken als Stop Heling, veel verder. Juist omdat veel gemeenten al met het DOR werken, roept dat voor DNA extra vragen op. Wij lezen vooral verwachtingen en aannames, maar we zijn nu een aantal jaar verder, dus ik vraag aan de minister: waar blijven de harde cijfers die aantonen dat deze landelijke uitbreiding daadwerkelijk leidt tot minder criminaliteit? Kan het kabinet concreet aantonen in hoeverre vermogensdelicten in gemeenten met het DOR zijn teruggedrongen ten opzichte van gemeenten zonder dit systeem?
Voorzitter. Ook vanuit de sectoren zijn stevige zorgen geuit. Zij krijgen namelijk te maken met een enorme administratieve last. Dit zijn geen organisaties die criminaliteit willen beschermen. Het zijn sectoren die zeggen: zorg dat er regelgeving is die werkbaar en proportioneel blijft.
Op het gebied van privacy en proportionaliteit hebben wij serieuze vragen. Opnieuw zien we een wet waarbij het antwoord op een veiligheidsprobleem vooral wordt gezocht in meer registratie, meer gegevensverwerking en meer digitale controle. Deze registraties moeten nota bene worden uitgevoerd door burgers, die er met deze registraties voor zorgen dat de overheid criminelen beter kan bestrijden. Veruit de meeste van die gegevens worden opgeslagen en gekoppeld aan een centraal toegankelijk systeem. Deze gegevens behoren voor het grootste gedeelte toe aan onschuldige burgers. Ik vraag de minister welke meetbare resultaten het kabinet van deze wet verwacht en op basis van welke cijfers men ervan overtuigd is dat deze verregaande vorm van digitale gegevensregistratie, de lange bewaartermijn en de controle noodzakelijk en vooral ook proportioneel zijn. Want het kabinet presenteert deze wet alsof die automatisch zal leiden tot minder criminaliteit.
Juist hier zit voor mijn fractie de kern van het probleem. Want wie gaat zich daadwerkelijk houden aan deze regels? Dat zijn de bona fide handelaren en opkopers, de ondernemers die zich nu ook al aan de regels houden. Mensen die bewust gestolen goederen inkopen en doorverkopen, gaan die goederen natuurlijk niet netjes registreren in een systeem van de overheid. Die gaan zich niet vrijwillig zichtbaar maken voor opsporingsinstanties. Criminelen passen zich aan, zoeken andere routes en blijven buiten beeld opereren.
Er is gewezen op het risico dat de handel zich verplaatst naar onlineplatforms of buitenlandse markten. Dat lijkt ons geen vergezocht scenario. Misschien was dat het nog wel toen deze wet ooit is ingediend, maar in 2026 is dat allang niet meer het geval. Daarom vraag ik de minister: hoe effectief is deze wet als de verwachte verschuiving naar onlineplatforms en naar het buitenland nog meer dan nu al het geval is plaatsvindt?
Voorzitter. De meest fundamentele vraag aan de minister is hoe groot de daadwerkelijke pakkans is. Deze wet staat of valt uiteindelijk met toezicht en controle. De vraag is alleen of de politie en gemeenten daar wel voldoende capaciteit voor hebben. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat de wet ook daadwerkelijk gehandhaafd wordt? We weten immers allemaal hoe groot de druk op de politie is. Gemeentes kampen eveneens met een beperkte handhavingscapaciteit. Tegelijkertijd lezen we dat er beperkt inzicht bestaat in de landelijke cijfers over controles, sancties en daadwerkelijke handhaving onder het huidige systeem. Daarom vraag ik de minister: leidt deze wet daadwerkelijk tot substantieel minder criminaliteit?
Voorzitter. Onze fractie is daar op dit moment nog onvoldoende van overtuigd. Want als de handhaving beperkt is en kwaadwillenden zich eenvoudig aan registratie kunnen onttrekken, dan komen de lasten van deze wet alleen terecht bij de ondernemers die wél bereid zijn zich aan de regels te houden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 19.30 uur, waarna we gaan luisteren naar de beantwoording van de zijde van het kabinet in de eerste termijn. De vergadering is geschorst tot 19.30 uur.
De vergadering wordt van 18.38 uur tot 19.30 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister voor zijn beantwoording in eerste termijn. Wellicht kan hij ons meenemen in de wijze waarop hij zijn beantwoording heeft gestructureerd.
Termijn antwoord
Minister Van Weel:
Voorzitter, met alle plezier neem ik u mee in de wijze waarop ik mijn beantwoording heb gestructureerd. Allereerst dank aan de leden voor hun inbreng in de eerste termijn over een wetsvoorstel dat natuurlijk al even in voorbereiding is en dat wij nu uiteindelijk behandelen. Ik zal daar zo inhoudelijk op ingaan. Ik zal beginnen met een inleiding. Dan heb ik een blokje over de meerwaarde van dit wetsvoorstel. Daar was een aantal vragen over. Dan komt de reikwijdte, daarna de uitvoering en ten slotte de privacy en gegevensverwerking. Daarna zal ik aan het einde van mijn termijn de ingediende amendementen appreciëren.
Voorzitter. Mijn inleidende spreektekst. Ik ben blij dat we vandaag dit wetsvoorstel behandelen. Ik ben namelijk echt van mening dat dit wetsvoorstel een belangrijke bijdrage zal leveren aan de bestrijding van heling, witwassen en vermogensdelicten zoals diefstal. Het wetsvoorstel doet dit door landelijke uniformering en digitalisering van in principe al bestaande verplichtingen voor opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen. Deze verbeteringen dragen eraan bij dat de afzetmarkt voor criminelen wordt verkleind en dat opkopers en handelaren die te kwader trouw zijn en malafide aanbieders van gebruikte of ongeregelde goederen sneller tegen de lamp lopen en kunnen worden vervolgd en berecht. Ook voor de aanpak van ondermijning is dat van belang. De hier genomen maatregelen dragen er ook aan bij dat plegers van vermogensdelicten en witwassen beter kunnen worden opgespoord en dat personen van wie goederen zijn gestolen, die goederen ook weer kunnen terugkrijgen.
Om hiervan meteen een heel recent voorbeeld te geven: gisteren verscheen het bericht in de media dat de politie iemand heeft aangehouden die voor ongeveer €67.000 aan gouden sieraden bij goudinkopers in Rotterdam verkocht. Van in ieder geval een deel van deze sieraden staat nu al vast dat die zijn gestolen. De vrouw, in dit geval een zorgmedewerker, wordt ervan verdacht deze sieraden te hebben gestolen van cliënten. Ook wordt ze verdacht van het witwassen van deze sieraden. Zij kwam inderdaad in beeld na een controle van het digitale opkopersregister bij een goudinkoper. In Rotterdam wordt namelijk al met het digitale register gewerkt. Natuurlijk moeten we nog afwachten hoe het verdergaat in deze zaak, maar ik denk wel dat het een sprekend voorbeeld is van dat er bij een opkoper die te goeder trouw is waarschijnlijk bij individuele transacties geen alarmbellen afgaan, maar waardoor er door het feit dat er een match ontstaat met stopheling.nl een belangrijke bijdrage geleverd kan worden. Ik kom straks nog terug op de vraag of mensen dat wel of niet invullen.
Daaraan wil ik meteen koppelen dat dit is waarom ik meerwaarde zie in het uniformeren en digitaliseren van wat nu al in delen gebeurt. Dit register bestaat al, maar op dit moment staat het gemeenten nog vrij om dat op een andere manier, zelfs op papier, in te vullen. Dit voorbeeld geeft al aan dat als je dit op papier zou moeten matchen, de kans dat iemand op deze manier tegen de lamp loopt een stuk kleiner is. Tegelijkertijd zijn dat ook weer administratieve lasten voor gemeenten, die al die papieren moeten gaan controleren, matchen et cetera, terwijl deze handel zich natuurlijk landelijk afspeelt, zo niet internationaal. Dus het automatisch kunnen matchen van systemen, het hebben van een automatisch register, is eigenlijk voor gemeenten een verlichting. Daarom zie je dat grotere gemeenten die daar al wel de middelen voor hadden, dit wel hebben ingericht. Hiermee ben ik van mening dat we ook kleinere gemeenten een verlichting van administratieve lasten geven. Op het moment dat die opkoper eenmalig geregistreerd staat — daar hebben we ook een centraal register voor, het DOL — houdt voor de gemeente namelijk de administratieve last op, kunnen de opkoper en de handelaar zelf hun informatie invullen en registeren in het onlinesysteem, en vindt daar de automatische toets plaats met Stop Heling, waarbij uiteindelijk notificaties terechtkomen bij de politie. Het is 2026 en velen van u zeiden het al: het is dus eigenlijk een proces dat op papier al bestond op basis van de oude wet nu naar 2026 brengen, waarin we dit gewoon digitaal kunnen doen en hopelijk matches kunnen hebben.
Ik ben dan ook van mening dat dit een aantal vormen van verlichting gaat brengen in de administratieve lasten, bijvoorbeeld voor de metaal- en de kunstbranche, de voertuigenbranche en de kringloopwinkels. Waarom is dat? Omdat alleen nog maar de goederen die we bij AMvB aanwijzen als diefstalgevoelige goederen onder de registratieplicht vallen, terwijl nu in principe alles onder die registratieplicht valt. De registratieplicht vervalt dus voor goederen die geen waarde hebben in het economisch verkeer en om niet worden aangeboden om als afval te worden vernietigd of te worden gerecycled. Dat is meteen een antwoord op de vraag van de heer Diederik van Dijk, maar ik kom nog uitvoeriger terug op dat punt.
Daarmee wil ik meteen doorstappen naar het wetsvoorstel en de meerwaarde daarvan.
Mevrouw Faber (PVV):
De minister geeft aan dat het een al bestaand systeem is. Er werd in het verslag gevraagd bij hoeveel gemeenten dat DOR nou verplicht is. Uit de nota naar aanleiding van het verslag bleek dat het maar bij 56% van de gemeenten verplicht is. Daar kom ik uiteindelijk op uit. Daar zou je toch haast uit concluderen dat een kleine helft van de gemeentes daar dus geen brood in ziet.
Minister Van Weel:
Zo zou je dat kunnen zeggen, maar dat is te kort door de bocht. Dat kan ook zijn omdat die gemeenten er gewoon niet aan toe zijn gekomen om dit op een goede manier te regelen in een lokale verordening of in hun apv. Daarmee laten ze een opkoper of een handelaar "wegkomen" met een papieren registratie van goederen. Als je daar iets uit wil halen, dan zou dat uiteindelijk vereisen … Stel dat ik hier papier heb liggen, met alle goederen die ik heb opgekocht en de kenmerken daarbij, en u komt niet langs om dat te controleren of om dat langs een database te houden. Dat gebeurt natuurlijk niet bij kleine gemeenten, want waarom zou je daar je politiecapaciteit dan wel opsporingscapaciteit of anderszins aan opofferen, maar dan mis je dus ontzettend veel. Mijn mening is dat die gemeenten ons dankbaar gaan zijn dat ze nu gewoon de aansluiting bij het DOR vinden. Dat ontlast hen namelijk. Zij hebben daar geen werk aan. De registraties van de handelaar daarentegen belanden nu in een landelijk systeem.
U vroeg zich af of mensen dat wel invullen, en of Stop Heling nou wel wordt gebruikt. In 2025 ging het om 9.500 hits; 9.500 matches van goederen die dus geregistreerd stonden als gestolen en die een hit hebben met registraties in het DOR. Als we die andere helft van de gemeentes ook zover krijgen dat alle handelaren die in die gemeentes zitten dat DOR vullen, dan kunt u zich voorstellen dat die database groter wordt, dat het aantal hits daarmee naar verwachting groter wordt en dat we dus meer zaken en meer criminaliteit kunnen oplossen. Dat allemaal zonder arbeid, want de arbeid komt pas kijken op het moment dat er een notificatie komt, want dan moet de politie natuurlijk langskomen om daadwerkelijk het goed in beslag te gaan nemen en aan verdere strafrechtelijke vervolging te doen.
Mevrouw Faber (PVV):
Nou wordt het wel interessant, want de minister geeft aan: 95.000 hits.
Minister Van Weel:
Nee, 9.500.
Mevrouw Faber (PVV):
195.000?
Minister Van Weel:
Nee, 9.500.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vond het al zoveel. Ik dacht al: nou, dat zet wel zoden aan de dijk. Oké, het is 9.500. Maar aan hoeveel van die hits is opvolging gegeven? Daar waren namelijk geen cijfers van bekend. Het is natuurlijk wel belangrijk om die te kennen.
Minister Van Weel:
Dat wordt dus op die manier niet geregistreerd, behalve in één geval: in Amsterdam. Daar hebben we dat gezien. Ik kom er straks uitgebreider op terug, maar uit mijn hoofd zeg ik: 244 van de 273 hits zijn opgevolgd en hebben geleid tot het teruggeven van gestolen goed. Dan is dus rond de 85%.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Faber (PVV):
Dan heeft u het alleen over de stad Amsterdam, maar dat is maar één gemeente. Waarom wordt het dan niet bij die andere gemeenten bijgehouden? Dan vraag ik mij wel af in hoeverre dat prioriteit heeft in die andere steden. Het valt in ieder geval niet te bewijzen dat men actie onderneemt.
Minister Van Weel:
Nou, het wordt niet geregistreerd, maar dat wil niet zeggen dat de politie geen actie onderneemt. De enige stad waar men daadwerkelijk geregistreerd heeft hoeveel hits er in een bepaalde periode zijn afgehandeld en hoeveel er hebben geresulteerd in het teruggeven van een goed — dat is dus een heel hoog percentage — is Amsterdam geweest. Daarmee is niet gezegd dat de politie geen opvolging zou geven aan hits van andere gemeenten. Daar is het gewoon niet op die manier geregistreerd.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, ik had eigenlijk gezegd: afrondend. Heel kort dan.
Mevrouw Faber (PVV):
Heel kort. Is de minister dan niet van mening dat we zouden moeten kijken of er ook daadwerkelijk opvolging aan gegeven wordt? Want dan weten we waar we mee bezig zijn en of het zoden aan de dijk zet.
Minister Van Weel:
Ja. Ik kan dat dus nu al zeggen voor Amsterdam. Ten tweede … Daar komt die bewaartermijn … Ja, alles gaat door elkaar heen lopen op een gegeven moment, voorzitter, als je zo'n wetsvoorstel behandelt, maar dat is ook het mooie daarvan, want het hangt ook allemaal samen. Daarvoor heb je die bewaartermijn van vijf dagen nodig, om de politie wel de tijd te geven om ergens in het schema de tijd te vinden om ook daadwerkelijk daarheen te gaan en daar opvolging aan te geven. Dat is ook meteen waarom we menen dat, hoewel we ergens sympathie hebben voor de metaalbranche, we dat uniform moeten gaan maken. Gemeenten vullen dat nu zelf in, en dat loopt uiteen van drie tot veertien dagen. Dat geeft weer een ongelijk speelveld voor handelaren en opkopers. En dat willen we juist graag gelijktrekken.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik ben nog steeds een beetje op zoek naar de effectiviteit en de proportionaliteit. Ik weet dat dat gedurende het debat zeker nog meer aan de orde komt. In dat licht begon de minister met best wel een sprekend voorbeeld van een zorgmedewerker die sieraden van cliënten doorverkocht. Daarbij was er sprake van heling, maar in hoeverre is een dergelijk voorbeeld maatgevend voor de totale aanpak die nu wordt voorgesteld, is dan mijn vraag.
Minister Van Weel:
We weten allemaal dat we te maken hebben met beperkte opsporingscapaciteit. Tegelijkertijd weten we dat dit soort high-impact crimes veelvuldig voorkomen. Alleen al in mijn eigen straat — ik ga het adres hier niet noemen — zijn het afgelopen kwartaal vier of vijf spiegels van auto's af gehaald om vervolgens verkocht te worden op de markt. Twee auto's zijn helemaal uit de straat verdwenen. Dit is het soort criminaliteit dat impact heeft op het leven van mensen. We willen ook niet dat we daar niets aan doen in onze rechtsstaat. We moeten er dus opvolging aan geven.
Stel dat u me dan vraagt op welke manier we er opvolging aan gaan geven. Willen we dat agenten, vingerafdrukken zoekend op de auto's waar de spiegels vanaf zijn gehaald, kijken of daarmee inderdaad opeens iemand gevonden kan worden? Willen we daarvoor een strafrechtelijk onderzoek inzetten, met een opsporingsteam? Nee, zeg ik dan in alle eerlijkheid. Ik denk niet dat dat is hoe we onze schaarse opsporingscapaciteit willen inzetten.
Dan ga je dus op zoek. Hoe kun je nou wél voor gerechtigheid zorgen in het geval van heling? Hoe kun je het nou zo moeilijk mogelijk maken voor de mensen die gestolen goederen proberen weg te zetten in de markt? Dat kan door de afzetmarkt zo klein mogelijk te maken. Hoe maak je de afzetmarkt zo klein mogelijk? Door te zorgen dat je checks-and-balances en waarborgen hebt op de portalen waar de goederen mogelijk doorheen gaan. Die portalen zijn primair professionele mensen. Want dat zeg ik al meteen in reactie op wat er gezegd wordt over een kom soep van minderjarigen: het gaat om mensen die het als beroep uitoefenen. Zij dienen zich dus als handelaar te registreren. Het gaat niet om iedereen die op een rommelmarkt staat. Die kanalen probeer je te reguleren. Hoe doe je dat? Door een match te hebben tussen goederen die daardoorheen gaan en goederen waarvan je weet dat ze gestolen zijn. Door dat te doen en door het te koppelen aan een verplichting om de identiteit te noteren bij degene die de goederen aanbiedt, kun je bij opkopers al heel snel malafide aanbieders van gestolen goederen eruit filteren. Dat is nou precies wat er gebeurd is met deze mevrouw. Wat mij betreft hebben we hier dus een arbeidsextensieve manier gevonden om dat belangrijke kanaal van heling op een eenvoudige manier dicht te zetten. Bovendien voegen we door de wetsvoorstellen die we hier doen niets toe aan de plichten die al bestonden. In sommige gevallen werden die heel versnipperd, heel verschillend of op een hele ondoelmatige manier ingevuld. Ik noem bijvoorbeeld de papieren registratie van geregistreerde goederen. Daar kan natuurlijk nooit iemand naar kijken.
Als u mij dus vraagt wat het grote nut en de meerwaarde hiervan is, zeg ik het volgende. Ik denk echt dat we die kanalen dicht kunnen zetten op de meest efficiënte manier en met de minst mogelijke opsporingscapaciteit, terwijl we toch voor gerechtigheid zorgen voor de mensen die gewoon hun spullen terug willen.
De voorzitter:
De antwoorden mogen iets bondiger, zeg ik de minister.
Minister Van Weel:
Excuus.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik volg het, zeker als je daarmee slachtoffers helpt om hun goederen terug te krijgen en als je, zoals in dit geval, opsporing helpt. Aan de andere kant is de zorg van velen van ons vandaag: Schiet je niet met een kanon op een mug? Streef je daarmee niet je doel voorbij? In dat licht is mijn vraag dan ook als volgt, zoals ik in mijn bijdrage heb gesteld. Het is van belang om bij de gemeenten die dit al uitvoeren, om inzichten te vragen over hoe het in de praktijk werkt. Is die nulmeting er dus ooit geweest, zodat je met dit wetsvoorstel tot goeie voorstellen kunt komen?
Minister Van Weel:
Natuurlijk gaan we de effectiviteit van dit wetsvoorstel meten. Ik denk dat het voorbeeld dat ik net noemde, al een heel sprekend voorbeeld is. Maar ik noem ook de aantallen: 9.500 hits door het DOR. Tja, schaf het maar af. Dan los je dus 9.500 zaken minder op. Van al die zaken doen mensen aangifte, maar de politie kan daar natuurlijk nooit actief iets mee doen. We gaan onze opsporingscapaciteit niet inzetten voor een gestolen ketting. Alleen al daarmee zie ik de meerwaarde van een centraal nationaal register. Nogmaals, die registratieplicht bestaat al. Elke handelaar, elke opkoper, moet nu al registreren wat hij aan goederen verkoopt, gecombineerd met een bewaartermijn die er alleen maar is om te zorgen dat we de politie niet bij nacht en ontij belasten met spoedmeldingen, maar dat zij ook de tijd heeft om dit op te kunnen volgen. Het schrikt ook af. Helers weten dat zij traceerbaar zijn als ze hun identiteit moeten afgeven op het moment dat zij bepaalde goederen verkopen bij een opkoper. Dat is precies wat we willen. De goedwillenden vinden dat niet erg.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Naderhand de effectiviteit onderzoeken is het antwoord op een andere vraag dan mijn vraag. Ik vroeg namelijk: wat heb je vooraf gedaan, ook op het punt van de nulmeting, uitvraag doen bij gemeenten en vragen waarom een aantal gemeenten een dergelijk register juist niet in hun apv hebben opgenomen? Dat had namelijk wat meer handvatten gegeven of inzichten verschaft waar wij als Kamerleden ook iets mee hadden kunnen doen. Wellicht wil de minister daar nog even op reflecteren of reageren.
Minister Van Weel:
Door de lange tijd dat dit wetsvoorstel er heeft gelegen, zijn we eigenlijk in de unieke gelegenheid dat er überhaupt al gegevens bestaan over een verplichting die nog helemaal niet bestaat, namelijk over het DOR en over het DOL. Een aantal grote gemeentes hebben dit wel opgepakt, omdat de problematiek daar groter is en omdat ze meer mankracht hebben gehad om dit daadwerkelijk om te zetten in apv's, lokale verordeningen et cetera. Ik zie het eigenlijk meer als een service, waarbij we dit niet meer bij alle individuele gemeentes leggen, maar waarbij we dat centrale register tot de norm maken. Dat heeft voor kleine gemeentes dus heel weinig impact. Dat gaat eigenlijk om die eenmalige registratie. Het CCV gaat hen ook nog helpen om dit desgewenst te implementeren, waarbij de database, waarvan we nu al kunnen zien dat die effect heeft — ook wat problemen, die we proberen op te lossen — eigenlijk bijna verdubbelt in de statistieken van mevrouw Faber.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik wil toch nog even doorgaan op die regeldruk en de toenemende administratieve lasten. Het valt mij op dat de minister zegt dat het allemaal over bestaande verplichtingen gaat, dat het dus allemaal niet zo nieuw is en dat het een kwestie van uniformeren en bij elkaar schuiven is; dat kwamen we ook vaak tegen in de schriftelijke ronde. Is dat niet een klein beetje een theoretisch antwoord? Want is het voor de huidige praktijk niet kenmerkend dat er geen sprake is van een consequente naleving van die verplichtingen en dat het letterlijk een papieren werkelijkheid is? Als we nu met dit wetsvoorstel doorgaan, ga ik ervan uit dat er sprake is van een consequente naleving van alle verplichtingen en registratieplichten en dat dat dus wel degelijk tot een flinke verzwaring voor de gebruikers en de betrokkenen kan leiden.
Minister Van Weel:
De heer Diederik van Dijk suggereert nu dat de wet niet wordt nageleefd — dat weiger ik als minister van Justitie als waarheid te accepteren — en dat het wel naleven van de wet onwenselijk zou zijn omdat dat zou leiden tot een verhoogde registratiedruk. Nogmaals, die registratieplicht bestaat al. Als boa's of politieagenten nu in een willekeurige gemeente bij een opkoper langsgaan, kunnen zij ook vragen om die registratielijst. Het probleem is dat de lijst niet uniform is en dat die inderdaad daadwerkelijk papier kan zijn, maar ze kunnen daadwerkelijk boetes uitschrijven als die registratie niet op orde is. Dat gebeurt ook. Natuurlijk zal de wet niet overal worden nageleefd. Dat wordt makkelijker met de manier waarop we het hier regelen, omdat die meer uniform is, omdat die centraal is en omdat duidelijk opvalt wie dit wel of niet doet. In die zin is het makkelijker voor de wetgever en de handhavingsinstanties om hier toezicht op te houden, maar netto is dit geen verzwaring ten opzichte van de verplichtingen die er waren en die er komen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik hoor wat de minister zegt. De geluiden die ik gehoord heb, geven aan dat er nu toch veel meer sprake zou zijn van een papieren werkelijkheid dan waar we nu naartoe gaan en dat dat een verzwaring zou zijn. Voor het overige geldt in ieder geval ook dat er nu een heel aantal goederen onder die verplichting gaan vallen die nu, als ik het goed heb begrepen, nog niet onder andere verplichtingen vallen.
Minister Van Weel:
Eigenlijk perken we het juist in door nu met een AMvB aan te geven welke goederen we er wel onder willen laten vallen. Hoe heette het ook alweer? De neus…
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De neustrimmer.
Minister Van Weel:
O ja, de neustrimmer. Dank; ik was het woord even kwijt. Ik stel me niet voor dat die daarop terechtkomt. Het gaat dus echt om diefstalwaardige goederen. Juist daarmee verkleinen we de bandbreedte van het soort goederen en het aantal goederen dat daadwerkelijk moet worden geregistreerd.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog een opvolging op de vraag die mevrouw Faber zojuist stelde. De minister suggereerde net dat de effectiviteit blijkt uit het aantal hits, maar aan die hits moet ook opvolging gegeven worden en daar hebben we eigenlijk heel weinig gegevens over, behalve dan van de gemeente Amsterdam. Als we de werking van deze wet willen kunnen toetsen, welke stappen kan de minister dan zetten om die gegevens ook bij andere gemeentes inzichtelijk te maken, zodat we in ieder geval achteraf kunnen kijken aan welke van die 95 hits — hopelijk worden dat er meer — opvolging is gegeven buiten Amsterdam?
Minister Van Weel:
9.500 hits. Nogmaals, dat is echt significant. Dat zijn 9.500 goederen die gestolen zijn, waarvan aangifte is gedaan en die weer teruggekomen zijn zonder dat er opsporingswerk aan te pas is gekomen. Dat vind ik echt een significant getal. Als je kijkt naar de gemeenten waar wel onderzocht is hoeveel er is opgevolgd, dan zie je percentages boven de 80% aan daadwerkelijk teruggekomen goederen. Ik vind dat goed. Desondanks moeten we natuurlijk gaan meten wat het netto-effect is van de invoering hiervan. Dat zit 'm in de hits, maar dat zit 'm ook in de opvolging die daaraan gegeven wordt en waarin het uiteindelijk heeft geresulteerd. Hoeveel helers zijn er bijvoorbeeld aangepakt, hoeveel goederen zijn er teruggekomen, hoeveel manuren heeft dat de politie gekost et cetera? Ik kan me zomaar voorstellen dat we dat bij de evaluatie van de wet daadwerkelijk als een meetpunt gaan meenemen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ja, want die verplichting om ook daadwerkelijk de opvolging te registreren volgt nu niet uit de wet. Is dat een taak van de politie of van de individuele gemeentes? Hoe ziet de minister dat voor zich?
Minister Van Weel:
Daar wil ik niet op vooruitlopen, maar ik kan me voorstellen dat wat de gemeente Amsterdam nu heeft gedaan, dus daadwerkelijk kijken naar de hits en naar wat daarmee gedaan is, wel informatie is die we willen hebben, ook graag op landelijk niveau.
Mevrouw Faber (PVV):
Een verhelderende vraag aan de minister, om het even duidelijk te hebben: op dit moment is het toch nog niet overal verplicht om de goederen te registreren in het DOR, of heb ik dat verkeerd begrepen?
Minister Van Weel:
Nee, het is nu aan de gemeenten gelaten hoe ze die registratie willen laten plaatsvinden. Je ziet gemeenten die een DOR verplicht hebben gesteld per lokale verordening, maar dat is nog niet voorgeschreven. Met dit wetsvoorstel zeggen we tegen gemeenten dat dit de manier is waarop het gaat gebeuren.
Mevrouw Faber (PVV):
En als het nou niet verplicht is via het DOR? Wordt het dan altijd bijgehouden op papier of hoeft dat niet per se?
Minister Van Weel:
De gemeente zou zelf ook een ander systeem kunnen hebben. Het nadeel daarvan is wel dat je dan verschillende databases krijgt. Dat is een voordeel van dit wetsvoorstel, want je wilt uiteindelijk heel graag dat die landelijke Stop Helingdatabase wordt gekoppeld aan een landelijke registratiedatabase, want daar krijg je de automatische hits uit.
De voorzitter:
De minister is aan het einde van zijn inleiding. Ik stel de leden voor dat we de interrupties steeds toestaan na afronding van ieder inhoudelijk onderdeel om enige vaart in het debat te houden. De minister.
Minister Van Weel:
Ik ben in mijn blokje over nut en noodzaak en dat zal ik afmaken.
Er waren vragen over kringloopwinkels. Ik kom daar bij de appreciatie van de amendementen ook nog op terug, maar die zorgen bij de kringloop kan ik me voorstellen. Nogmaals, op dit moment vallen zij onder de algehele registratieplicht. De volledige registratieplicht die geldt voor alle opkopers, geldt nu ook voor kringloopwinkels. Die administratieve lasten willen we met dit wetsvoorstel juist verminderen. We vinden het wel van belang om een verschil te maken tussen commerciële en niet-commerciële kringloopwinkels. Als we aan een commerciële kringloopwinkel minder registratieplicht opleggen dan aan een gebruikelijke opkoper, dan weet ik dat het aantal commerciële kringloopwinkels in no-time zal verveelvoudigen. Dan wordt dat natuurlijk een nieuw kanaal voor het witwassen van spullen.
Diefstalgevoelige goederen waarvoor betaald wordt, zou ik nog steeds onder de registratieplicht willen laten vallen, maar ik zou zeggen dat dat absoluut niet geldt voor gratis verkregen spullen in deze winkels. Ik zou dat ook willen laten vallen, zeg ik tegen mevrouw Mutluer, voor kringloopbedrijven met een anbistatus of een sbbi-keurmerk.
Dan de volgende vraag onder nut en noodzaak: is dit niet een beetje een achterhaalde werkelijkheid nu alles online verloopt? Nee. Overigens stamt artikel 437 al uit 1886, dus in die zin werd het hoog tijd voor iets van modernisering hierin. Maar ook bij de onlinehandel blijft de registratieplicht valide. Dat betekent dat de handelaren en de opkopers die daar actief zijn, nog steeds de registratieplicht met hun cliënten zullen moeten doorlopen. Daarmee kunnen er ook mogelijke hits gevonden worden voor de goederen die daar worden aangeboden. Voor de ondernemers is het juist fijn, zeker als ze online werken, dat we afstappen van verschillende verplichtingen tussen de ene gemeente en de andere, want als een onlineverkoper die in Rotterdam woont op andere voorwaarden zijn spullen moet aanbieden dan een verkoper in Appingedam, creëert dat een ongelijk speelveld. Dat trekken we hiermee recht. Ze hebben dus beiden dezelfde administratieve lasten, die bovendien niet meer op papier hoeven te gebeuren.
Dan de vraag of er contact is geweest met het ATR hierover. Waarom is er geen toets toegevoegd, vroeg de heer Sneller. Het is ongebruikelijk dat strafbaarstellingen of de uitwerking daarvan in lagere regelgeving aan het ATR worden voorgelegd. Daarom is dit hier dus ook niet gebeurd. De belangrijkste reden is dat dit wetsvoorstel er alleen maar in voorziet dat opkopers en handelaren de verplichtingen die ze al hebben, nu op dezelfde manier gaan doen. Daar hadden we het net over. In die zin zien we het ook niet als een toename, los van de signalen die de heer Diederik van Dijk noemde, waarbij er op dit moment niet wordt voldaan aan de registratieplicht. In dat geval is de winst van dit wetsvoorstel dat dat nu wel gaat gebeuren, maar dan wel op een uniforme manier, waardoor we hopelijk het aantal helingszaken kunnen terugdraaien. Door digitale loketten te gebruiken, zowel het DOL als het DOR, in plaats van fysiek of met papierwerk aan de gang te gaan, hoeft de regeldruk er uiteindelijk naar mijn mening niet onder te lijden.
Mevrouw Straatman vroeg hoe onlineverkopers aan persoonsgegevens kunnen komen. Hoe werkt dat? In het geval van onlinehandel kan de aanbieder van het goed zich identificeren via de KopieID-app, die het ministerie van Binnenlandse Zaken beschikbaar heeft gesteld. Die zorgt voor een veilige kopie van het identiteitsbewijs, waarin alleen de benodigde gegevens staan. Als er via een bank wordt betaald, zit er al een identiteitsverificatie in vanuit de bank. Dan voldoen die gegevens voor de registratie. Dus ook online zou dit niet heel veel extra stappen met zich mee hoeven brengen.
Dat brengt mij aan het einde van nut en noodzaak en bij het begin van het blokje reikwijdte. Hoe rechtvaardig is de registratieplicht bij goederen in vuistpand, aangezien het eigendom nog niet formeel is overgegaan? Dat was een van de vragen van mevrouw Straatman. Het feit dat het eigendom nog niet is overgegaan, wil niet zeggen dat de goederen niet gestolen zijn. Je kunt vrij eenvoudig een gestolen Rolex in onderpand geven bij een bedrijf. Op dat moment hebben we natuurlijk toch te maken met een vorm van heling. Nog vaker zien we dat dure goederen juist verpand worden om drugshandel te financieren, waarna de goederen weer uit onderpand worden gehaald als de drugshandel geslaagd is. Hier ligt dus ook daadwerkelijk een link met ondermijnende criminaliteit. Op grond van dit wetsvoorstel moet een opkoper of handelaar de goederen inschrijven die hij heeft verworven of voorhanden heeft. Onder het kopje "voorhanden" valt dus ook het onderpand. Dat geldt ook voor goederen die in consignatie worden verkocht of via een veiling worden aangeboden. Dan geldt de verplichting om deze goederen te registreren. We weten dat vooral bij de veilingcategorie van voertuigen en vaartuigen geprobeerd wordt om de registratie te omzeilen. Dat proberen we dus ook te ondervangen met dit wetsvoorstel.
De rommelmarkt noemde ik al even. Ja, dat kan ik bevestigen, zeg ik tegen de heer Van Dijk. De organisatie van een rommelmarkt heeft zelf geen registratieplicht. Zij zijn namelijk geen opkoper of handelaar. Ook een particulier die daar incidenteel wat koopt of verkoopt, minderjarig of meerderjarig, hoeft dat niet te registreren. De soepkom valt er daarmee dus buiten en vereist geen novelle, zeg ik geruststellend tegen de heer Van Dijk. Het gaat dus echt niet om het verkoopkanaal of de -locatie, maar om de aard van degene die het verhandelt of opkoopt. Als het een beroepsmatig karakter heeft, geldt die registratieplicht en begint dit wetsvoorstel te tellen. Iemand die beroepsmatig of gewoontematig in goud en sieraden handelt op een rommelmarkt — ook dat zien we natuurlijk weleens gebeuren — valt formeel gezien wel onder dit wetsvoorstel, maar dat zouden we ook moeten willen, denk ik.
Dan de voertuigen. Daar waren een hoop vragen over. Er ligt ook een amendement over, waar ik zo meteen nog uitgebreid op inga. Waarom is er in het wetsvoorstel zoals het er nu ligt een vereiste registratie in het DOR terwijl ze ook via de RDW worden geregistreerd? Wij zien het niet als dubbelop, omdat het DOR een aantal aanknopingspunten en gegevens biedt die het RDW-kentekenregister op dit moment niet biedt. Het RDW-kentekenregister heeft geen persoonsgegevens van de aanbieder, en ook niet de inkoop- en verkoopprijs. Met name de inkoop- en verkoopprijs zijn in het geval van witwassen vaak een indicatie van het goed. De persoonsgegevens van de aanbieder zijn weer belangrijk omdat bij geïmporteerde, omgekatte of gekloonde voertuigen met een Nederlands kenteken het diefstalsignaal niet adequaat is.
Ik heb goed gekeken naar de wens achter het amendement. Wij zijn van mening dat er met het gebruik van de webservice geen sprake is van dubbele administratielasten met het RDW-register. Als u mij desondanks vraagt waar binnen het amendement voor ons het zwaartepunt ligt, dan kan ik aangeven wat je zou moeten willen behouden. Dat staat los van de voertuigonderdelen. Ik noemde al even de spiegels die uit mijn straat zijn verdwenen en die uit veel straten verdwijnen. Een aantal onderdelen die we nu classificeren, zou je dus moeten willen behouden. Maar dat is prima. Het andere wat we graag zouden willen behouden, is het importeren van auto's op kenteken, omdat we in Europa steeds vaker zien dat huurauto's en leaseauto's de grens over worden gebracht en worden verkocht. Als de aanbieder of verkoper dan niet wordt geregistreerd, kan iemand die betrapt wordt met een naar zijn mening legitiem gekochte gestolen leaseauto geen verhaal meer halen bij degene die dat uiteindelijk heeft gedaan. Dat laat dus een route over voor internationale criminaliteit binnen Europa die ik wel zou willen dichtzetten. Met die kanttekening kom ik er straks nog op terug met een uitgebreidere appreciatie.
Volgens mij heb ik daarnet genoeg gezegd over de kringloopwinkels. Ik kom daar zo op terug bij de appreciatie van het amendement.
De heer Sneller vroeg nog wat er overblijft met alle uitzonderingen die nu worden voorgesteld. Grofweg gaat het hierbij om vier categorieën goederen. De eerste categorie is goederen met een stekker. De tweede categorie is goederen voor vervoer, dus fietsen, vaar- en voertuigen. Ik heb net al even gezegd hoe ik erin sta als het gaat om voertuigen. De derde categorie zijn goederen van waarde, zoals kunst, muziek, sieraden en horloges. De vierde categorie betreft goederen met een gevaarzetting. Dat betreft met name de metaalbranche. De uitzonderingen zijn bedoeld om onbedoelde effecten te voorkomen, namelijk wanneer ze niet bijdragen aan de doelen van het wetsvoorstel. In die zin zien we het als een beperking van de lasten en meer toespitsing op waar we daadwerkelijk heling zien plaatsvinden, maar ook waar we er, laten we eerlijk zijn, wat aan kunnen doen. Dan kom ik terug bij het punt van de merkkleding. Op het moment dat jij merkkleding als gestolen opgeeft maar er geen manier is om te zien of die merkkleding daadwerkelijk van jou is als die wordt aangetroffen, wordt het heel moeilijk om er binnen de reikwijdte van dit wetsvoorstel iets sluitends voor te maken. Dat neemt niet weg dat de politie natuurlijk wel acteert als die vermoedens heeft van een misdaad bij het aantreffen van grote hoeveelheden merkkleding of valse merkkleding. Maar dat valt dan buiten het nut van de reikwijdte van dit wetsvoorstel.
Mevrouw Faber vroeg of het lokaal bestuur uiteindelijk nog extra beleid kan toevoegen? Ja, die mogelijkheid blijft er. Ik denk wel dat dat langzaam zal verdwijnen. Ik denk dat een heleboel gemeentes nu juist nog niks hebben gedaan, omdat ze worstelen met de lasten die dat met zich meebrengt. Hiermee maken we dat eenvoudiger voor die gemeentes. Daarna is het eigenlijk een fire-and-forget voor veel gemeentes en dus ook een no-regret. Het betekent namelijk dat de spullen die worden verheeld binnen jouw gemeente via dat register nu automatisch leiden tot een notificatie. De gemeente hoeft dan verder niks anders te doen dan binnen die vijf dagen met de politie langsrijden. Dat is dan wel ten gunste van de burger, die daarmee zijn spullen terugkrijgt.
Personen onder invloed. De gedachte van de wet was duidelijk, maar die zult u ook niet betwisten. Eigenlijk hadden we hiermee willen voorkomen dat mensen misbruik maken van mensen in een kwetsbare positie door op dat moment transacties te doen. Tegelijkertijd heb ik zeer veel sympathie voor wat mevrouw Straatman zegt over in hoeverre je de belasting bij een koper neer moet leggen, om te beoordelen of iemand daadwerkelijk onder invloed is en niet in staat is om die verkoop te doen. U zult van mij dus een positieve appreciatie van uw amendement terugzien. Nogmaals, de geest snappen we denk ik allemaal. Tegelijkertijd is het zeer complex waar we de bewijslast nu neerleggen.
Dat brengt mij bij het kopje uitvoering, voorzitter.
De heer Sneller (D66):
Ergens tussen de kopjes meerwaarde en reikwijdte zit de vraag die ik heb. Ik wil namelijk toch nog even terug naar dat onlinedomein. De minister zegt dat het begrijpelijk is dat die opkoper, als die online onder zijn eigen naam gaat verkopen, ook gewoon plichtig is voor de producten die in die categorieën vallen. De vraag over reikwijdte, verschuiving en uitwijking is natuurlijk: hoeveel andere manieren zijn er om online op een spreekwoordelijke marktplaats toch actief te zijn, als je niet bonafide bent en juist onder de verplichtingen van deze wet uit wilt komen? Hoe makkelijk is dat nou? Dat vraag ik tegen het licht van de effectiviteit van deze wet. Zou de minister daar nog op kunnen reflecteren?
Minister Van Weel:
Particulieren die, mogelijk ook nog eens niet onder hun eigen naam, incidenteel een gestolen goed proberen te verkopen, zul je hier niet mee vangen. Die vangen we nu in het echte leven ook niet met deze wet. Die onttrekken zich namelijk gewoon überhaupt aan de plicht. We vinden hen niet in een DOL en zij registreren ook niks in een DOR. Dat doen ze op dit moment ook niet. Je probeert hier de grotere kanalen voor heling dicht te zetten. Een groter kanaal is bijvoorbeeld die goudopkoper in Rotterdam, waardoor dit uiteindelijk via deze registratie aan het licht is gekomen. Die man is een bonafide opkoper, een bonafide handelaar. Hij voldoet dus aan de registratieplicht en draagt daarmee bij aan een schoner economisch milieu. Dat zie ik online hetzelfde voor me, want daar zijn deze mensen ook actief. Ik zou niet weten waarom zij online niet op dezelfde manier aan hun wettelijke plichten zouden voldoen als ze nu offline doen. Dan heb je nog de nuances. De vraag is ook waar de handel dan plaatsvindt. Op het moment dat die opkoper of handelaar online opkoopt, krijgt die dus te maken met wat ik net noemde. Dan zal die een ID-verificatie moeten doen, want dat valt onder de registratieplicht bij het opkopen van goederen. Dan moet die dus ook weten van wie die dat heeft gekocht. Die informatie gaat vervolgens in het DOR. Als dat een hit oplevert, dan heb je dus een daadwerkelijk identificatiebewijs waarmee je een malafide verkoper op een onlinekanaal kunt traceren. Op het moment dat die online verkoopt, moeten we ervan uitgaan dat die alle goederen die hij online aanbiedt, heeft geregistreerd in het DOR, op dezelfde manier als die dat heeft gedaan met de goederen in zijn winkel. Nogmaals, dat zijn vaak dezelfde goederen, want die biedt hij natuurlijk online en ook offline aan.
De heer Sneller (D66):
Ik probeer u goed te begrijpen. De mensen die nu gestolen goederen aanbieden bij een bonafide opkoper, zouden eventueel als een uitwijking onder hun eigen naam of onder een alias online kunnen verkopen, omdat dit systeem dicht wordt gezet. Dat is een uitwijk die we accepteren met deze wet. Waar we nu voor de mensen die daarvoor kiezen ook niks aan het doen zijn, proberen we het op andere manieren natuurlijk nog steeds te voorkomen. De malafide opkopers, voor zover het de bedoeling is om die dicht te zetten, kunnen onder een alias nog steeds verkopen. De minister zegt dat we die via de registratie in het DOR toch kunnen achterhalen, omdat die wel verplicht is voor de opkoper, hoewel die malafide is.
Minister Van Weel:
Ik probeer het even simpel te maken, ook voor mezelf. We moeten uitgaan van het goede vertrouwen van de meeste opkopers, verkopers en handelaren die we hebben. Dit is een beroep dat mensen uitoefenen. Dat doen ze heel graag hun leven lang. Dat doen ze heel graag in bulk, want ze leven van de marge en de winst die ze maken. Zij weten dus welke wettelijke verplichtingen er voor hen gelden. Ze zitten dus ook niet te wachten op gestolen goederen, maar krijgen die wel in handen. Dat kan online en offline precies hetzelfde zijn. Zij hebben nu dus de registratieplicht. Op het moment dat zij goederen kopen, online van iemand op marktplaats — het maakt niet uit of dat malafide of bonafide is — of in de winkel, zeggen zij: dank u wel, graag een ID-bewijs, digitaal dan wel hier in mijn winkel; dat registreer ik en ik registreer dat goed. Zowel bij een online aankoop als bij een offline aankoop in de winkel zal de politie uiteindelijk actie ondernemen als er bij die registratie in het DOR een hit is met Stop Heling. Zowel online als offline kun je dan de malafide aanbieder van deze goederen vinden. Malafide groothandels gaan meestal niet zo heel lang mee, omdat daarbij in de echte wereld en in de online wereld vrij snel duidelijk is dat er iets aan de hand is wat niet klopt. Grote hoeveelheden spullen, geen registratie en niet bekend zijn bij gemeentes zijn online en offline de red flags waar de opsporingsinstanties achteraan gaan.
De voorzitter:
Als leek in de materie klinkt het alsof we al bij de uitvoering terecht zijn gekomen in de beantwoording.
Minister Van Weel:
Een naadloze overgang.
De voorzitter:
Ja, hè.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb toch nog een vraag over dat vuistpand. Ik begrijp dat de minister zegt dat dat valt onder de definitie van "verworven of voorhanden hebben". Een goed in vuistpand heb je ook voorhanden; dat kan ik goed volgen. Ik heb er ook geen bezwaren tegen dat die goederen onder de registratieplicht vallen. Ik denk dat de minister dat heel duidelijk uitgelegd heeft in de aanpak van georganiseerde misdaad. Maar als ik dan naar de memorie van toelichting kijk, zie ik dat andere categorieën, zoals goederen die ter reparatie of taxatie worden aangeboden — dat zijn ook goederen die voorhanden zijn — er niet onder vallen, omdat in de memorie van toelichting staat dat die goederen niet worden overgedragen. Daar zit natuurlijk wel een inconsistentie in de wet. Mijn vraag zou dus zijn of we dat niet in lagere regelgeving moeten verduidelijken, zodat heel duidelijk is wat nu wordt bedoeld met "voorhanden hebben".
Minister Van Weel:
De memorie is onderdeel van de wetsbehandeling, dus in die zin zal datgene wat daar staat, uiteindelijk ook worden meegenomen in de weging van de wet in rechtszaken. Datgene wat in de memorie van toelichting staat, is juist bedoeld om te voorkomen dat redelijk onschuldige zaken … Je brengt je horloge weg voor een reparatie. Daar krijg je geen geld voor. Sterker nog, dat kost je geld op het moment dat je het weer op gaat halen. Dat zijn niet de zaken waarbij heling kan plaatsvinden, terwijl dat bij onderpand nou juist wel het gegeven is. Ik noemde net het voorbeeld van het in onderpand geven van een dure Rolex om daarmee een eerste drugsaankoop te financieren. Dat zien we wel gebeuren, dus vandaar dat onderscheid. Ik zou denken dat de memorie genoeg houvast biedt. Ik ben er ook niet tegen om dat verder te specificeren in een AMvB.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat lijkt mij voor de duidelijkheid in de toekomst goed, zodat er geen discussie kan bestaan over wat er mogelijk nog meer valt onder "voorhanden hebben". In die zin kun je de memorie namelijk ook interpreteren als een niet-limitatieve lijst van onderwerpen die daaronder vallen.
Ik had nog één vraag over een ander onderwerp, namelijk het kentekenregister. De minister zei dat hij het amendement van mevrouw Martens-America vergaand kan volgen, behalve op het punt van de import van auto's.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Straatman (CDA):
Mijn vraag is de volgende. In de brief van de BOVAG lees ik dat die zegt dat het op dit moment met het kentekenregister eigenlijk feitelijk onmogelijk is om een gestolen auto die in het kentekenregister ingeschreven moet worden, te kunnen verkopen. Waarom is dat anders voor geïmporteerde auto's dan voor auto's op de binnenlandse markt?
Minister Van Weel:
Dat is omdat het diefstalsignaleringssysteem op een Europees niveau niet altijd werkt en niet altijd snel werkt. Zeker als het gaat om leaseauto's of huurauto's kan het echt wel enige tijd duren voordat het signaal van de diefstal uiteindelijk geregistreerd wordt, terwijl het doel van deze mensen nou juist is om ervoor te zorgen dat voordat dat signaal doorkomt, de auto allang weer weg is, en zij ook. Dat is dus de loophole die ik bedoelde.
Dan verplaatsingseffecten. Gaan helers niet massaal naar het buitenland? Ik denk het niet. Stelers en helers willen in de meeste gevallen gewoon heel snel geld verdienen, zo makkelijk mogelijk, zo dichtbij mogelijk en zo laagdrempelig mogelijk. Ik denk dat die 9.500 matches ook wel aangeven dat dat zo is, maar natuurlijk heb je in de grensregio risico's op verplaatsingseffecten. Die zullen we nooit helemaal kunnen uitsluiten. Uiteindelijk zul je een Europees dekkend systeem moeten hebben om dat overal even goed dicht te zetten. Dat is er niet. Er zijn slechts enkele landen die net als wij werken met een DOR-achtig registratiesysteem. Met die landen zullen we de samenwerking zoeken. Bij de rest zullen we het entameren. Het helemaal dichtzetten kunnen we niet. Dat levert overigens niet meer werk op voor grensregio's. Het betekent gewoon dat spullen nou net daar even de grens over gaan en helaas daar worden verhandeld en hopelijk worden gepakt. Voor horloges bestaat er overigens inmiddels wel een internationaal watch register; dat heb ik vandaag geleerd. Daarop zijn we Stop Heling aan het aansluiten, om te zorgen dat we in ieder geval de internationale signalering van horloges daar kunnen vinden. U weet dat die erg populair kunnen zijn.
De evaluatie en het opvolgen van de hits. Nogmaals, in Amsterdam gaat het om 90%, maar we gaan bij de evaluatie echt zorgen dat we dat breder meenemen. Wanneer doen we die evaluatie? Ik weet dat bij enkelen van u de wens bestaat om die termijn niet op vijf jaar te zetten, maar op drie jaar. Omdat dit een redelijk eenvoudige implementatie is, omdat hier al op een hoop plekken mee gewerkt wordt en omdat er dus ook al een hoop informatie voorhanden is, denk ik dat drie jaar een termijn is waarmee ik zou kunnen leven.
De voorzitter:
Was u aan het einde gekomen van het onderdeel uitvoering?
Minister Van Weel:
Nee.
De voorzitter:
Dan ronden we dat nog even af. Daarna geven we weer ruimte voor interrupties.
Minister Van Weel:
Hoe staat het met de bekendheid en het gebruik van diefstalchecks en welke stappen ondernemen we? Dat is een vraag van mevrouw Straatman, maar dit geldt natuurlijk ook voor mevrouw Faber. Burgers en bedrijven hebben 19 miljoen diefstalchecks gedaan via stopheling.nl. Dat is echt een aanzienlijk aantal. Tegelijkertijd is er nog ruimte voor verbetering. Uit campagne-effectonderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de ondervraagden weet dat je op basis van een serienummer een diefstalcheck kunt uitvoeren. Waar ze dat precies kunnen doen, is bij een groot aantal dan weer niet bekend. Hier is dus sprake van frappez toujours: we moeten continu aan die bekendheid blijven werken. Twee campagneperiodes liggen nog in het verschiet dit jaar, eentje over de diefstalcheck en een over de registratie van je waardevolle eigendommen.
Voorzitter. Is het niet heel veel gedoe om je gestolen eigendommen te registreren, vraagt mevrouw Faber. Als je aangifte doet, dan worden die gegevens automatisch meegenomen op stopheling.nl. Daarnaast kun je het zelf doen. Als je geen aangifte wil doen en je het goed dat je kwijt bent niet wil registreren, dan wil je het blijkbaar ook niet terug. Ik denk dat we die drempel daar wel minimaal kunnen inbouwen.
Hoe staat het met de ontwikkeling van beeldherkenning? Tot nu toe kun je daarmee alleen maar goederen met unieke kenmerken zoals serienummers et cetera terugvinden. Er is inmiddels beeldherkenning ontwikkeld waarmee ook een diefstalcheck van niet-unieke goederen zoals sieraden en kunst mogelijk wordt. Die maakt gebruik van dezelfde software als de app ID-Art van Interpol. Een foto van het aangeboden goed wordt geüpload en vergeleken met de foto's van ontvreemde goederen die bij de aangifte zijn aangeleverd. In eerste instantie gaan we dat doen in een pilot met ontvreemde kunstvoorwerpen. Er staan nu al ruim 7.000 afbeeldingen in de database die met de beeldherkenning kan communiceren.
We hebben inderdaad ook een pilot gedaan met een uniek kenmerk dat al bij juweliers aan de kopers zou kunnen worden meegegeven. Dat hebben we destijds gedaan bij juweliersketen GASSAN. Technisch gezien bleek het inderdaad mogelijk om een QR-code mee te geven aan de kopers, maar per type kassasysteem moest dat apart worden ingebouwd. Dat werd toch te veel administratieve en technische rompslomp met alle verschillende kassasystemen die we landelijk hebben. Daarom is ervoor gekozen om dat niet op die manier voort te zetten.
Het verdienmodel aanpakken. Mevrouw Faber vroeg nog of het een goede stap is om slachtoffers te wijzen op de mogelijkheid van schadevergoedingsclaims en of daar meer gebruik van kan worden gemaakt. Ja, slachtoffers kunnen natuurlijk via het strafproces dan wel langs civiele weg hun schade op de dader verhalen. Daarnaast lijden natuurlijk ook de opkopers, die te goeder trouw een ontvreemd goed hebben opgekocht, onder de schade die zij daarmee derven. Voor hen bestaat de mogelijkheid om centraal via de stichting SODA, Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling, een civiele claim voor de schade te laten indienen tegen de heler of tegen de witwasser. In het geval van heling en witwassing gaat het om een bedrag van €206 aan indirecte schade, boven op de kosten van het gestolen goed.
Ik zei het al even: de heer Sneller vroeg naar de vijf dagen voor de metaalrecycling en naar hoe die balans gevonden wordt. De Metaal Recycling Federatie is de enige die in de internetconsultatie heeft gepleit voor een beperking tot drie werkdagen. Omwille van de te korte tijd voor de politie om daar naast hun overige werkzaamheden op te kunnen acteren, hebben we besloten om daar niet op in te gaan en die vijf dagen als redelijk te zien. Zoals het nu werkt, hebben sommige, gezien de apv, een bewaartermijn van wel veertien dagen, omdat ze die nodig denken te hebben voor de registratie. In die zin is het dus een kwestie van: you lose some, you win some. In ieder geval uniformeren we de termijn nu op vijf dagen.
De voorzitter:
Ga zo door met pagina's overslaan!
Minister Van Weel:
Ik voelde uw goedkeurende blik, voorzitter. Door de goede interventies die we hebben gehad, hebben we al heel veel vragen kunnen beantwoorden.
De heer Sneller vroeg naar de administratieve lasten door de webservice. Hij vroeg of die zaken nu wel goed werken. Ja, de webservice reduceert echt de administratieve last, ook als de gegevens al in het eigen kassysteem staan, want dan kun je het automatisch van het kassysteem doorsturen naar de registratie. Op dit moment zijn er al 1.853 handelaren die daar naar tevredenheid gebruik van maken. In die zin helpt die dus juist tegen de regeldruk.
Mevrouw Straatman vroeg naar de veiligheidsrisico's. Zij vroeg of handelaren nu meer risico lopen op intimidatie of meer te maken krijgen veiligheidsrisico's. Sinds de uitrol van het DOR hebben we daar geen signalen van gekregen, maar er zijn wel opkopers en handelaren die vertellen dat aanbieders zich uit de voeten maken op het moment dat ze hun persoonsgegevens moeten opgeven. In die zin denk ik dat het een goed teken is dat hoe breder we het DOR uitrollen, hoe minder loketten er zijn voor dit soort malafide aanbieders om afstand te doen van hun spullen. Die informatie gaan we dus ook toevoegen aan het systeem.
Dan ben ik al bij het laatste blokje gekomen, voorzitter. Dat is privacy en de dataverwerking.
De voorzitter:
Mevrouw Faber had nog een interventie. Daarna mag de heer Diederik van Dijk.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb even heel kort twee onderwerpen. Ik ben er net achter gekomen dat de koppeling met Stop Heling pas wordt gelegd als je aangifte doet van gestolen goederen. Dan moet je natuurlijk wel de serienummers weten. Ik vraag me af of iedereen die weet. Dat is mijn eerste vraag. Mijn tweede vraag is de volgende. Het lijkt erop dat Amsterdam het vrij goed onder controle heeft en de andere gemeenten een stuk minder. Hoe kan dat? Is het misschien een idee dat die een keer gaan samenwerken en gaan overleggen over de vraag hoe Amsterdam dat in dezen doet?
Minister Van Weel:
Om de laatste vraag te beantwoorden: Amsterdam heeft onderzoek gedaan naar hoe ze het doen. Dat is altijd goed. Dat andere gemeentes dat niet hebben gedaan, wil niet zeggen dat ze het niet goed doen. Dat wil dus nog niet zeggen dat ze niet hebben gereageerd op die hits. We willen graag voor al die gemeentes gaan kijken naar de landelijke opvolgingsgraad naar aanleiding van hits in het DOR. Dat heb ik toegezegd wat betreft de evaluatie.
Om de eerste vraag te beantwoorden: als je geen serienummer hebt, is het object niet meer traceerbaar zijnde van jou, ook niet als het gevonden wordt. Dat is de uitdaging. Bij dezen is mijn oproep aan iedereen: zorg ervoor dat je de serienummers van je waardevolle goederen noteert, want het serienummer is nou juist het kenmerk waarmee je die goederen ooit weer terug kunt krijgen als je die bent kwijtgeraakt.
Mevrouw Faber (PVV):
Een kleine vervolgvraag: is het mogelijk om je spullen in Stop Heling alvast te registeren? Volgens mij is dat ook mogelijk, alleen is er dan nog geen koppeling gelegd met of het een gestolen goed is. Die koppeling wordt pas gelegd op het moment dat je aangifte doet. Klopt dat?
Minister Van Weel:
Dat zou best kunnen, maar daar kom ik in de tweede termijn op terug.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Positieve opmerkingen van de PVV over Amsterdam; we maken toch een bijzondere avond mee, denk ik! In alle ernst: de minister gaat zo over naar het puntje privacy. Ik vroeg me af of hij nog apart terugkomt op de toch best stevige kritiek van het OM op de gekozen wetssystematiek en de AMvB. Komt dat nog?
Minister Van Weel:
Ja. Het OM had er kritiek op, maar had uiteindelijk geen kritiek op de opzet van de AMvB. In die zin vonden wij het vanuit wetgevingsoptiek ook geen vreemde constructie om dit te hangen onder artikel 437. Ook de Raad van State heeft daar uiteindelijk geen kritische opmerkingen over gemaakt. Wat ons betreft is het OM nu aan boord met de manier waarop we het doen. Het voordeel is natuurlijk dat we flexibiliteit behouden in bijvoorbeeld het opstellen van de reikwijdte van de diefstal van goederen. De markt verandert, de helingsmarkt verandert, en daar hoeven we dan geen wetswijziging voor te doen, maar slechts een AMvB-wijziging. In algemene zin kan ik u nu al toezeggen dat ik die AMvB in voorhang aan uw Kamer zal aanbieden, juist omdat er natuurlijk ook een uitwerking is, bijvoorbeeld met betrekking tot kringloopwinkels en hoe om te gaan met RDW-registratie, die we voornemens zijn daarin vast te pinnen. Ik vind het niet meer dan correct om dat dan ook met uw Kamer te delen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik denk dat we de kritiek van het OM nu iets te gemakkelijk parkeren. Even los daarvan: hoe dan ook blijft het inhoudelijke punt dat we inmiddels een uitgebreide AMvB hebben, met daarin dus ook een opkopersregister, een opkopersloket en dergelijke. Hoort dat kader niet gewoon echt in de formele wet, als we gewoon kijken vanuit goede regelgeving?
Minister Van Weel:
Nogmaals, ik vaar hier op het advies van mijn wetgevingsjuristen. Die zeggen dat dat niet hoeft. Ik kan me zelf praktisch gezien ook nog het volgende voorstellen. We hebben nu het DOR, een softwarematig portaal waarmee we dat doen. Wellicht vinden we daar op enig moment een doorontwikkeling van, of combineren we de twee. Het gaat erom dat je de registratie vastlegt op wettelijk niveau. Dan heb ik het dus over de registratieplicht voor goederen en de registratieplicht voor de opkopers en de handelaren. Dan kun je dit, de manier waarop je dat doet met het DOR en het DOL, zien als uitvoering en dus geschikt voor een AMvB. Zo hebben we dat beschouwd.
Mevrouw Straatman (CDA):
Mijn vraag ging over de veiligheid voor werknemers. De minister zegt zojuist dat uit cijfers blijkt dat ze eigenlijk heel snel vertrekken op het moment dat criminelen zich aanbieden, maar de wetenschapstoets concludeert dat er eigenlijk helemaal geen onderzoek is gedaan naar die neveneffecten. U doet wel de aanbeveling om initiatieven om de veiligheid te verbeteren in kaart te brengen. Hoe kijkt de minister naar die aanbeveling?
Minister Van Weel:
Wat we al doen, is tips meegeven op het moment dat een opkoper in de diefstalcheck ziet dat een goed als gestolen geregistreerd staat. Dat is een delicate situatie, op zo'n moment. Dan bestaan er al tips voor hoe je daarmee omgaat, hoe je voorkomt dat je daarmee slachtoffer wordt et cetera. Daar wil ik niet te veel over uitweiden, want dit soort tips geven natuurlijk ook criminelen weer ideeën. We hebben gezien dat er daadwerkelijk, feitelijk, nog geen intimidatie is geweest, dus dat er op het moment dat iemand vraagt of die iets moet registreren, gezegd is: dat doe je maar niet, want anders gebeurt er wat. Dat verhoudt zich toch ook een beetje tot het karakter van heling, namelijk dat je zoekt naar de weg van de minste weerstand. Het opwerpen van een barrière, zoals het moeten afgeven van je ID, schrikt af.
Mevrouw Straatman (CDA):
Op zich is dat goed, maar aan de andere kant hoef je niet te wachten tot die situatie zich voordoet terwijl mensen toch ook in heel penibele situaties terecht kunnen komen. Die aanbevelingen van handreikingen of een meldpunt van incidenten zijn, denk ik, heel low key. Zou de minister niet zeggen dat hij er wel heil in ziet om te voorkomen dat die situaties ontstaan?
Minister Van Weel:
Ik wil bij de invoering van deze wet best kijken naar een meldpunt voor incidenten. Laat ik het anders zeggen: ik denk dat het een van de dingen is die we mee moeten nemen in de evaluatie, namelijk het vergaren van informatie over incidenten die zich mogelijk hebben voorgedaan.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb nog een tweetal vragen die in mijn optiek nog niet zijn beantwoord. De minister heeft het namelijk wel gehad over de onlinehandelaren, maar niet over de platforms. Daar had ik wel een vraag over gesteld. Ik had gevraagd hoe we om moeten gaan met partijen zoals Marktplaats, Vinted of andere vergelijkbare platforms. Ik ben ook wel benieuwd naar de mkb-toets. Ik had gevraagd in hoeverre het haalbaar is om dat parallel aan lopende onderzoeken te doen en waarom daar in het verleden überhaupt geen uitvoering aan is gegeven.
Minister Van Weel:
Ik kijk even of ik op die mkb-toets een ... Nee. Daar kom ik dus op terug in de tweede termijn. Dan uw eerste vraag. Ik heb gepoogd aan te geven dat we onlinehandel beschouwen als offlinehandel. Daar gelden dus dezelfde verplichtingen. Op de platforms zelf rusten natuurlijk andere verplichtingen om aangifte te doen op het moment dat zij een verdenking hebben van strafbare feiten. Die verplichting rust daar dus wel op, maar zij hebben zelf niet de plicht om de goederen die op hun platform worden verhandeld allemaal te registreren. Dat is echt aan de professionele handelaren die dat op die platformen doen. Dat zou wettelijk ook heel moeilijk anders in te richten en ook heel moeilijk uitvoerbaar zijn voor dit soort platforms.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Wij zitten ook op die uitvoerbaarheid, want het moet allemaal uitvoerbaar zijn. Tegelijkertijd hebben zij wel een sleutelrol als het gaat om de signalering ervan. Wat zou de minister kunnen doen richting deze platforms, aangezien zij daarin dus toch wel een sleutelpositie hebben?
Minister Van Weel:
Ik denk dat we sowieso in overleg moeten blijven met dit soort platforms, ook om de trends die wij zien en de dingen die de politie op die platforms ziet gebeuren aan hen mee te geven. Nogmaals, die platforms zijn natuurlijk ook van goede wil; die willen ook niet bekendstaan als de witwaswebsite waar gestolen goederen op terechtkomen. Dat gesprek wil ik aangaan, maar die verplichting om te zeggen "u bent verantwoordelijk voor het checken of alles wat er op uw platform wordt verhandeld, legitiem is", lijkt me moeilijk uitvoerbaar. Daarom wil ik ook echt de verplichting laten bij de handelaren en de opkopers die dit professioneel doen. Dat is wat we met deze wet proberen te doen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik had nog een vraag over artikel 437. Dat artikel zegt dat de opkoper moet volstaan met vragen naar het ID of het registreren van de ID-gegevens. Wat is het nou? Moet de opkoper alleen het ID opvragen, of heeft hij echt de mogelijkheid om te registreren? Op deze manier kun je natuurlijk wel een lek creëren.
Minister Van Weel:
Nee, hij moet het registreren. Ik kom daar ook op in mijn laatste blokje, over de AP. Dat gaat namelijk over het verwerken van persoonsgegevens. Het gaat er juist om dat hij dat registreert, zodat als er een hit verschijnt, de politie ook traceerbare persoonsgegevens heeft om daar dan vervolgens in de opsporing opvolging aan te geven. Het gaat er niet om dat hij het ziet; hij moet daadwerkelijk traceerbare informatie opschrijven, zoals het rijbewijsnummer en het bsn.
Mevrouw Faber (PVV):
Maar dan staat er mijns inziens een fout in de wet. Want in artikel 437 1b staat echt iets over het opvragen, het inzien en de registratie. Dat staat in dat artikel. Ik verzien het allemaal niet zelf. Ik kan het niet mooier maken. Dat staat echt in artikel 437 1b.
Minister Van Weel:
Daar kom ik dan zo even op terug, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat begrijp ik.
Minister Van Weel:
Uiteindelijk is het doel van de registratie om bij een geconstateerde hit iemand te kunnen vinden. Het feit dat iemand dan slechts iets heeft ingezien, is dan niet voldoende. Het moet ook daadwerkelijk in de database zitten.
Over die database, over het DOR, heeft de AP inderdaad advies uitgebracht. De vraag is: welk regime is hierop van toepassing? Wij zijn van mening dat hierop de AVG van toepassing is. Het DOR en het DOL zijn registers waar deze private partijen zelf via een account informatie invoeren. Ze kunnen ook alleen hun eigen informatie inzien. Pas als er een hit komt en er een notificatie richting de politie gaat dat er sprake is van een hit met stopheling.nl, begint de politie een strafrechtelijk traject. Op dat moment is, wat ons betreft, de Wet politiegegevens van toepassing. Dan moeten gegevens die gebruikt worden om dat strafrechtelijke onderzoek te doen onder Wpg-regime worden behandeld. Met andere woorden: wij zijn van mening dat de AVG hierop van toepassing is, en niet de Wpg. Dat staat ook in de memorie van toelichting. In het DOR en het DOL gaat het namelijk niet om verwerkingen door bevoegde instanties, want dat gebeurt niet bij de informatie die erin wordt gezet. Dat is ook niet het doel van de richtlijn. Dat traject gaat pas spelen als de politie in beeld komt. Dan is er dus al een match geweest. Dan pas gaat er informatie uit die beide registers het strafrechtelijke traject in. Ik merk ook nog even op dat de Afdeling advisering van de Raad van State uiteindelijk geen kritische opmerkingen heeft gemaakt over de wijze waarop we dit in de memorie van toelichting hebben verwerkt. Dat zie ik dus als een dragende motivering.
Mevrouw Straatman vraagt: hoe borgen we dat de toegang beperkt blijft? Dat werkt volgens het AVG-regime. Dat betekent dat degenen die voeden — ik heb het dan over de handelaren, over de opkopers — alleen via hun eigen account met multifactorauthenticatie hun eigen gegevens, die ze zelf hebben ingevoerd, kunnen zien. Ze kunnen de gegevens van anderen niet zien. Wat ons betreft voldoet dit aan de eisen die daaraan worden gesteld.
Voorzitter. Dat brengt mij bij het einde van de beantwoording van de vragen. Dan rest mij nog de appreciatie van de amendementen.
De voorzitter:
Voordat we naar de appreciatie van de amendementen gaan, is er nog een interruptie van mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De kalme stem van de minister slaat af en toe het debat dood. Dat is een compliment, minister. Ik heb een vraag over de AP ... Sorry, het was een grapje, maar het was blijkbaar niet grappig. Ik bedoelde het aardig. Ik wilde de avond wat luchtiger maken ...
Minister Van Weel:
Ik ben blij dat het een grapje was!
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
... maar dat is niet gelukt, dus ik ga opnieuw beginnen.
De voorzitter:
Het kan er dus ook weleens rustiek aan toegaan in deze plenaire zaal! Ik vond het een mooie observatie van mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter!
De voorzitter:
Uw vraag.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik begin helemaal opnieuw, minister. Ik heb heel nadrukkelijk gewezen op de brief van de Autoriteit Persoonsgegevens, waarin aangegeven wordt dat de AP ondanks alle inspanningen die gepleegd zijn en ondanks het antwoord dat zojuist door de minister is gegeven, nog steeds een gebrek aan noodzaak ziet en zorgen heeft over de rechtsbescherming, omdat zij het risico ziet dat onschuldige burgers onterecht in politiesystemen dan wel in opsporingsregisters belanden. Voor mijn gevoel zijn die zorgen nog niet helemaal weggenomen. Mijn verzoek aan de minister is dus om daar nog nadrukkelijker op in te gaan.
Minister Van Weel:
Nogmaals, wat ons betreft zijn het DOR en het DOL systemen die niet door handhavingsinstanties worden ingezien. Daar zit een scheiding tussen. Die systemen worden gevuld door de handelaren, door de opkopers. Die kunnen alleen maar bij de gegevens die zij zelf hebben ingevuld. Breder dan dat gaat het niet. Vervolgens vindt er een geautomatiseerde match plaats met stopheling.nl. Pas als daar een hit uit komt — dan hebben we dus al een aanwijzing voor een mogelijk strafbaar feit — wordt de informatie ter beschikking gesteld aan de opsporingsinstanties. Op dat moment treedt wat ons betreft de Wpg in werking en moet de verwerking van persoonsgegevens, conform wat de AP zegt, volgens het Wpg-regime worden behandeld. Voor die tijd is dat niet het geval. Daarom beschouwen wij de systemen in die zin als databases onder het AVG-regime. Nogmaals, daar voelen we ons ook door de Raad van State in gesteund. We zijn het op dat punt dus niet eens met de AP. Ik heb geprobeerd aan te geven waarom wij het niet eens zijn, waarom wij vinden dat deze route niet voldoet aan wat de AP stelt, namelijk dat handhavingsinstanties hier toegang toe zouden hebben en dat er doelbinding zou zijn. Dat is op dat moment niet het geval. De politie gaat niet rondneuzen door het DOL of het DOR.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Feit blijft toch dat wij nog gisteravond een brief van een best wel belangrijk instituut hebben mogen ontvangen. Een van de kritiekpunten die het had, was dat bepaalde onderdelen van het voorstel zelfs onrechtmatige wetgeving zouden zijn, die mogelijk niet zou voldoen aan het EU-Handvest. Ook het EU-Handvest werd er dus bij gehaald. Wat is uw reactie daarop?
Minister Van Weel:
Wij zijn het daar dus niet mee eens. Dat is allemaal terug te leiden tot fundamentele verschillen van mening over welk regime van toepassing is op het DOL en het DOR. Daarover zijn wij, en met ons een ander gezaghebbend instituut van de overheid, namelijk de Raad van State, het eens. Wij vinden dat die beide onder het AVG-regime vallen. Daarmee zijn ze dus gedekt. De AP vindt van niet.
De voorzitter:
De appreciaties van de amendementen. Als u de nummers er luid en duidelijk bij kunt vermelden, wordt dat hogelijk gewaardeerd.
Minister Van Weel:
Het amendement op stuk nr. 11, van de heer Van Nispen. Het is goed om zijn naam weer een keer te kunnen noemen in deze Kamer.
De voorzitter:
Dat is altijd goed.
Minister Van Weel:
Het amendement op stuk nr. 11, van de heer Van Nispen, geef ik oordeel Kamer. Ik heb het al gezegd: vijf jaar was de insteek, maar met drie jaar kan ik prima uit de voeten.
Over het amendement op stuk nr. 13, van de heer Van Nispen, over de voorhangprocedure, heb ik in het debat al gezegd dat ik het oordeel Kamer geef.
Dan geef ik het amendement op stuk nr. 19, van de heer Diederik van Dijk, over de uitzondering op de registratieplicht voor niet-commerciële kringloopwinkels, oordeel Kamer, met één kanttekening. Ik begrijp de wens helemaal. Ik heb ook al in het debat gezegd dat ik de gedachte daarvan ondersteun. Ik zou het wel beter vinden om dit nou juist in die AMvB te doen, omdat we daarin die categorieën verder specifiëren. Dat doen we niet op het niveau van de wet, omdat je wellicht in een later stadium ook weer een aanpassing zou willen doen of een uitbreiding van de uitzonderingen. Dan is het wetstechnisch mooier om het in die AMvB te hebben. Die AMvB komt ook ter voorhang hier, heb ik zojuist in antwoord op het amendement op stuk nr. 13 gezegd. Dat geeft u ook de gelegenheid om te controleren of we dat op een juiste manier hebben verwerkt. Dus liever op die manier, maar ik geef het amendement wel oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dat ging over het amendement op stuk nr. 19.
Minister Van Weel:
Ja.
Het amendement op stuk nr. 17, van mevrouw Straatman, over het vervallen van de strafbaarstelling van een persoon die onder invloed is — ook dat heb ik in het debat genoemd — krijgt oordeel Kamer. Ik ben het ermee eens dat dit moeilijk handhaafbaar is.
Dan het amendement op stuk nr. 18, van de heer Diederik van Dijk. Ja, dat krijgt oordeel Kamer. Ik ben het helemaal met hem eens. Ook hierbij heb ik de voorkeur voor het regelen in een AMvB, omdat we daar alle categorieën in zetten, maar ik ga me niet verzetten als u dit als Kamer liever op deze manier doet.
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 20, van mevrouw Martens. Ik wil dat oordeel Kamer geven als ik in ieder geval een uitzondering mag maken voor de voertuigonderdelen en voor de import. Ik denk dat dit de twee belangrijkste categorieën zijn waarbij we de registratieplicht niet zouden willen verliezen. Als-dan, en ook voor het gemak, zou ik daarbij zeggen: laten we dit dan in een AMvB doen, omdat we daar al die categorieën en uitzonderingen in neerleggen. Daar zouden we deze dan in kunnen meenemen. Dat geeft ons ook iets meer tijd om dat ordentelijk te doen. De AMvB komt ook weer hier terug.
De voorzitter:
Ik kan de formulering van het amendement zelf niet helemaal goed overzien. Vereist dat nog wijziging van het amendement?
Minister Van Weel:
Het liefst dus het intrekken van het amendement en het verwerken in een motie, zodat we dat per AMvB gaan doen, waarbij dan die categorieën erbij zitten. Ik zeg dan maar even dat als u persisteert in het amenderen, de terugvaloptie wel een wijziging van het amendement vereist om die categorieën die ik noem dan ook op te nemen.
De voorzitter:
Dat geef ik dan maar even mee aan de indieners. Tot slot het amendement op stuk nr. 21.
Minister Van Weel:
Het amendement op stuk nr. 21, over de evaluatie, krijgt oordeel Kamer, omdat die vijf jaar natuurlijk oorspronkelijk de insteek was. Maar nogmaals, met de drie jaar zoals genoemd in het amendement op stuk nr. 11 kan ik ook leven.
De voorzitter:
En toch even in alle scherpte: welke amendementen vereisen dan volgens de minister nog een wijziging in formulering? Dan kunnen we dat goed optekenen in de Handelingen.
Minister Van Weel:
Ik heb suggesties meegegeven om een aantal zaken per AMvB te regelen. Daarbij geef ik de indieners mee dat amendement om te zetten in een motie die ons oproept tot hetzelfde en om dat dan vervolgens per AMvB te regelen of niet. En anders vereist alleen het amendement …
De voorzitter:
Het amendement-Martens-America op stuk nr. 20?
Minister Van Weel:
Ja, stuk nr. 20. Dat vereist aanpassing als het in de amendementsvorm moet.
De voorzitter:
En als dat niet wordt gewijzigd, dan is het amendement ontraden in zijn huidige vorm?
Minister Van Weel:
Dan is het ontraden in zijn huidige vorm.
De voorzitter:
Akkoord. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik dank de minister. Ik stel voor om meteen door te gaan met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Is mevrouw Mutluer zover? Ja? Dat is mooi. Als u zover bent, dan krijgt u het woord. Gaat uw gang.
Termijn inbreng
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik wil ook de minister bedanken voor zijn gedegen antwoorden. Maar ik moet eerlijk bekennen dat ik nog niet weet wat ik mijn fractie ga adviseren. Aan de ene kant achten wij het heel erg van belang dat we heling voorkomen en dat we alles op alles zetten om slachtoffers in bescherming te nemen en ervoor te zorgen dat zij de goederen die ze kwijt zijn geraakt door bijvoorbeeld diefstal, terugontvangen. Wat ik echter nog steeds lastig vind, en dat geef ik ruiterlijk toe, is de regeldruk die dit wetsvoorstel met zich mee gaat brengen, terwijl dit kabinet juist het voornemen heeft om het aantal regels te verminderen. Ook heb ik vragen bij de handhaving en met name bij de brief die we van de Autoriteit Persoonsgegevens hebben ontvangen; wie heeft dan gelijk? Dat vind ik een hele lastige afweging. Daar wil ik dus nog heel goed naar kijken voordat ik mijn fractie daaromtrent adviseer.
Wel heb ik een motie klaarliggen; die had ik eigenlijk al. Ik weet dat de minister daar enigszins wat over heeft gezegd, maar voor alle zekerheid dien ik 'm mede namens collega Straatman alsnog in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de beraadslaging is gebleken dat een Kamermeerderheid voorstelt om een uitzondering te maken op de registratieplicht ten behoeve van niet-commerciële kringloopwinkels met een anbistatus;
overwegende dat niet alle niet-commerciële kringloopwinkels een anbistatus hebben, maar vaak wel het Keurmerk Kringloop Nederland hebben en bijdragen aan de lokale (sociale) werkgelegenheid en hergebruik;
constaterende dat het Keurmerk Kringloop Nederland voorziet in een onafhankelijke audit die een professionele en integere bedrijfsvoering garandeert en ook in de nota naar aanleiding van het verslag wordt gezien als een duidelijke en werkbare afbakening;
verzoekt de regering om naast niet-commerciële kringloopwinkels met een anbistatus ook bij algemene maatregel van bestuur andere niet-commerciële kringloopwinkels met het Keurmerk Kringloop Nederland of een sbbi-status — "sbbi" staat voor een "sociaal belang behartigende instelling" —uit te zonderen van de registratieplicht wanneer zij goederen om niet hebben verworven of voorhanden hebben,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer en Straatman.
Zij krijgt nr. 22 (36036).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgende week hebben we het nog over de amendementen. We nemen nog even de tijd om heel goed na te denken over de antwoorden die door de minister zijn gegeven.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Martens-America voor haar inbreng namens de VVD in de tweede termijn.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor niet alleen de duidelijke beantwoording, maar ook de handreiking rond het door ons ingediende amendement om de onnodige regeldruk in de voertuigenbranche tegen te gaan. Ik benadruk nogmaals dat we aan dezelfde kant staan. We zijn echt op zoek naar een manier om te zorgen dat een branche die het al ontzettend zwaar heeft, het niet nog zwaarder krijgt.
Ik wil graag herhalen dat het amendement dat we vandaag hebben ingediend, niet over diefstalgevoelige onderdelen gaat. Daar heeft de DOR namelijk meerwaarde. Het gaat alleen over voertuigen die al geregistreerd zijn bij de RDW. Ik zal de komende dagen met de mede-indieners nadenken over de suggestie om het specifiek te richten op Nederlandse voertuigen en het reeds ingediende amendement al dan niet aanpassen.
Tot slot heb ik een oproep aan de minister. Wat mijn fractie betreft is het belangrijk dat we het Europese diefstalsignaleringssysteem, EUCARIS, breder gaan gebruiken in Europa. Zo wordt in heel Europa heling voorkomen, in plaats van alleen hier. Zou hij dit wellicht kunnen meenemen in het eerstvolgende gesprek of debat met zijn collega's in Europa?
Dat was het. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng namens het CDA in de tweede termijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de minister voor de heldere uitleg. Ik denk dat iedereen tegen dezelfde struggle aan loopt. Het doel van de wet is heel duidelijk. Tegelijkertijd loop je tegen allerlei problemen rond regeldruk aan. Het moet dus proportioneel blijven. Daarom is het ook heel belangrijk, denk ik, dat we in kaart blijven brengen hoe effectief deze wet is.
In het kader daarvan heb ik één motie. De andere motie gaat over de veiligheid van werknemers. Dat vond ik namelijk toch wel een heel belangrijk punt. Daarover was ook een heel duidelijk signaal uit de wetenschapstoets.
De moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de opvolging van hits in het Digitaal Opkopers Register op dit moment onvoldoende wordt geregistreerd;
overwegende dat de bestrijding van heling en witwassen alleen effectief is als opvolging wordt gegeven aan deze hits;
verzoekt de regering inzichtelijk te maken hoe op een effectieve en overzichtelijke manier opvolging gegeven wordt aan hits in het Digitaal Opkopers Register en dit mee te nemen in de evaluatie over de wet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Straatman.
Zij krijgt nr. 23 (36036).
Mevrouw Straatman (CDA):
De andere.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het kader van de bestrijding van heling en witwassen verplichtingen worden gesteld ten aanzien van registratie en informatieverstrekking;
overwegende dat deze verplichtingen kunnen leiden tot neveneffecten, waaronder veiligheidsrisico's voor werknemers in deze sectoren, zoals kringloopwinkels;
overwegende dat het van belang is dat werknemers en ondernemers voldoende worden ondersteund en beschermd bij de uitvoering van deze wettelijke taken;
verzoekt de regering om initiatieven te stimuleren richting opkopers en werknemers, zoals het aanbieden van handreikingen en trainingen die behulpzaam kunnen zijn wat betreft de omgang met weerstand en communicatie over de registratieplicht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Straatman.
Zij krijgt nr. 24 (36036).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng namens de SGP in de tweede termijn.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de gegeven antwoorden. Ik vond ze behulpzaam.
Voor een deel blijven er de dilemma's rond proportionaliteit, effectiviteit en lastendruk, zoals ik die ook wel terughoorde bij de vorige spreekster, mevrouw Straatman. Maar ze zijn in dit debat niet gegroeid, wil ik wel zeggen. Dat is mede dankzij de beantwoording van de minister.
We zullen ons er in de fractie op beraden welke kant het op valt. Dat gaan we volgende week dinsdag meemaken. Ik noem hierbij uitdrukkelijk dat de positieve appreciatie van de amendementen zeker helpt en dat ik daar oprecht blij mee ben, zeker wat betreft de kringloopwinkels.
Dan nog even de opmerking van de minister over de vraag of het niet beter per AMvB geregeld kan worden. Ik wil de twee amendementen even langslopen.
Het amendement op stuk nr. 18. Zoals ik in mijn eerste bijdrage al heb gezegd, vind ik wat hierin wordt geregeld, namelijk dat goederen geen waarde hebben als ze als afval worden aangeboden, van zo'n algemene aard dat het thuishoort in een formele wet. Ik neem in die zin de suggestie van de minister dus niet over.
Dan het punt van de kringloopwinkels. Ik vind het werk dat die winkels doen en het ook door meerdere collega's beklemtoonde belang dermate belangrijk dat ik dat heel graag verankerd zie in de wet. Als we er onverhoopt ooit vanaf zouden willen, zou dat gewoon een serieuze wetswijziging vergen. Dus nogmaals dank voor de positieve appreciatie. Ik handhaaf mede om die reden mijn amendementen.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u, meneer Van Dijk. Het woord is aan de heer Sneller voor zijn inbreng namens D66 in de tweede termijn.
De heer Sneller (D66):
Dank, voorzitter. Ook van mij dank aan de minister voor zijn beantwoording. Ik denk dat vooral heeft geholpen dat hij in de context heeft gezet wat de huidige situatie is en wat deze wet precies gaat veranderen. De nota naar aanleiding van het verslag was redelijk uitgebreid; ik had het er op die manier nog niet zo goed uit gehaald. Dus dank daarvoor. Dan blijven er alle afwegingen over de proportionaliteit die we zojuist terecht gehoord hebben.
Ik kijk even naar de voorzitter. Ik neem aan dat wij volgende week over de amendementen stemmen en vervolgens een week later ...
De voorzitter:
In principe staan de stemmingen over de moties, de amendementen én het voorstel gepland op dinsdag 2 juni, tenzij u een splitsing voorstelt.
De heer Sneller (D66):
Ja, het zou mij wel helpen om eerst over de amendementen te stemmen en een week later over het wetsvoorstel, als dat mogelijk is.
De voorzitter:
Zou ik daarvoor de leden dan even mogen vragen om naar de microfoon te komen om aan te geven of dat wordt gesteund? Want dan hoeven we dat niet meer in de volgende regeling van werkzaamheden te doen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ja, daar heb ik zeker behoefte aan, voorzitter.
Mevrouw Faber (PVV):
Geen bezwaar.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat lijkt me prima.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Prima.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Ja, prima.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Prima.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
We kijken niet op een weekje.
De voorzitter:
Bij dezen.
De heer Sneller (D66):
We kijken inderdaad niet op een weekje na drie à vier jaar. Dat werd opeens heel formeel, voorzitter, maar dank daarvoor, want ik denk dat dat nuttig is. En dan kan ik ook even spreken met de SP-collega's over het andere amendement over de evaluatie. Ik heb nu een aantal evaluaties gezien waarin wordt gesteld dat het nog te kort na de inwerkingtreding van de wet is om het effect te kunnen bepalen. Ik hecht er ook waarde aan dat we vastleggen waarop geëvalueerd wordt, waarover de minister ook een aantal toezeggingen heeft gedaan. Ik zal dus even met de SP-fractie over dat amendement spreken, want ik gun het de heer Van Nispen ook van harte.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Faber voor haar inbreng namens de PVV in de tweede termijn.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u, voorzitter. Ik zal het kort houden. In ieder geval wil ik de minister natuurlijk bedanken voor zijn beantwoording.
Gezien het gebrek aan politiecapaciteit vraag ik me in verband met de opvolging wel af of het echt gaat werken, want je hebt toch keuzes tussen high-impact crimes en low-impact crimes. Dat is gewoon iets waar we mee zitten. We bagatelliseren heling en diefstal niet. Natuurlijk is dat een punt en daar willen we het natuurlijk ook over hebben. De minister gaf het voorbeeld van de spiegels in de straat, maar volgens mij hebben die geen serienummer of zo, maar dat terzijde.
Maar goed, de resultaten en de opvolging zijn bij een heleboel gemeentes niet bekend. Ik weet wel dat ze het in de praktijk in Amsterdam redelijk goed op orde hebben. Waarschijnlijk is daar daarom beter geregistreerd wat de opvolging daarvan is. Je ziet dus dat je zelfs zonder dit wetsvoorstel de boel wel op orde kan brengen. Er zijn ook mogelijkheden om de regeldruk iets te verlagen door gewoon slimme koppelingen te maken met het DOR; die mogelijkheden zijn er.
Natuurlijk zijn er altijd mensen die buiten het systeem zullen werken. Er zitten zeker lekken in dit systeem. De bonafide eigenaren zijn wel vaak de klos, want die willen het allemaal goed doen. Het is net als bij de identiteitsbewijzen: ze kunnen ook met valse identiteitsbewijzen komen. Maar goed, dat zal altijd zo blijven.
Ik ga met mijn fractie overleggen, want ik vind dit eerlijk gezegd wel een moeilijk onderwerp.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. Dan is tot slot het woord aan mevrouw Coenradie als laatste spreker van de zijde van de Kamer. Zij ziet af van haar termijn.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors vijf minuten voor de beantwoording van de minister.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.
Termijn antwoord
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Ook dank aan de leden voor hun inbreng in tweede termijn en dank voor het debat van vanavond en de uitgebreide toelichting die we hebben kunnen geven op het wetsvoorstel zoals het voorligt.
Ik had nog een aantal vragen openstaan uit de eerste dan wel tweede termijn. Mevrouw Martens-America vroeg of we in het eerstvolgende debat EUCARIS mee willen nemen. Dat zeg ik bij dezen toe.
Mevrouw Faber vroeg of je ook preventief je spullen kunt registreren op Stop Heling. Dat kan inderdaad. Daarmee staan seriegegevens klaar. Er is geen koppeling totdat er aangifte wordt gedaan. Dan pas worden ze doorgezet. Dank u voor de tip en uw diepgaande kennis van het systeem.
Mevrouw Coenradie vroeg waarom er geen mkb-toets is gedaan. Er is wel een uitvoeringstoets gedaan. Daarbij zijn de verschillende sectoren bevraagd op hun input, bijvoorbeeld de metaalbranche die hiermee terugkwam. We hebben dus gekeken naar de administratieve lasten die het met zich meebrengt. Ik hoor dat thema toch terugkomen, dus daarom benadruk ik nogmaals dat het gaat om bestaande verplichtingen. Die harmoniseren en digitaliseren we nu. Nemen we dit wetsvoorstel niet aan, dan blijft de registratieplicht, maar is die minder geharmoniseerd en zorgt dat voor een slechtere vulling van het DOR. Daardoor hebben we een lagere kans op het terugvinden van geheelde spullen. Dat wilde ik toch nog een keer onder de aandacht brengen.
Ten slotte vroeg mevrouw Faber nog of het woordje "of" ervoor zorgt dat je "ofwel moet vragen om". Nee, in de wetgevingstechniek wordt het woordje "of" hier net anders gebruikt. Het betekent "zowel, als". Je moet dus én vragen om het ID én je moet het registreren. Dat staat ook heel ondubbelzinnig in de AMvB die hieronder valt.
Dan de moties, voorzitter. Daar kan ik kort over zijn.
De motie op stuk nr. 22: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 23: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 24: oordeel Kamer.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van het kabinet, en aan het einde van de behandeling van deze wet.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
De stemmingen over de amendementen vinden plaats op 26 mei. De stemmingen over het wetsvoorstel en de moties vinden plaats op dinsdag 2 juni.
Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid en ik dank de aanwezige leden voor het gevoerde debat.
Ik sluit de vergadering, maar niet voordat ik u nog een keer uitnodig voor het debat van morgenochtend. Het is dan Verantwoordingsdag. Ik noem het de spiegel van Prinsjesdag. Het is een belangrijke dag, de derde woensdag van mei. Ik hoop u morgenochtend allemaal te zien. Ik sluit de vergadering van 19 mei 2026.
Sluiting
Sluiting 21.03 uur.