Plenair verslag
Tweede Kamer, 70e vergadering
Dinsdag 19 mei 2026
-
Begin14:00 uur
-
Sluiting0:00 uur
-
StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van Campen
Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:
De voorzitter:
Ik open de vergadering van dinsdag 19 mei 2026.
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Synhaeve
Vragen van het lid Synhaeve aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht "Zeer ernstige en langdurige kindermishandeling in Groningen: meisje (6) moest braaksel eten".
De voorzitter:
Aan de orde zijn de mondelinge vragen. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Synhaeve voor haar mondelinge vragen namens de fractie van D66 aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, die ik van harte welkom heet in ons midden, in vak K. Het woord is aan mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik begrijp dat in dit hele gebouw de printers het niet doen. Vandaar dat ik mijn iPad mee naar voren heb.
Voorzitter. Soms moet je als politiek woorden geven aan iets waar eigenlijk geen woorden voor zijn. Vandaag vind ik dat ontzettend moeilijk. Het gaat om twee kinderen die hadden moeten opgroeien in een fijn en veilig thuis. In plaats daarvan werd een 6-jarig meisje zo zwaar toegetakeld dat zij in het ziekenhuis in een kunstmatige coma moest worden gehouden. Ze moest haar eigen braaksel eten, werd kaalgeschoren en werd met een bezemsteel geslagen. Ze kreeg net als een 7-jarige jongen te weinig eten en werd opgesloten in een kelder.
Het is niet voor te stellen door welke hel deze kinderen zijn gegaan. Deze kinderen waren volledig afhankelijk van volwassenen, van instanties, van een overheid die er had moeten zijn, maar hard heeft gefaald. Dat is om ontzettend kwaad van te worden. De signalen waren er namelijk al anderhalf jaar lang. Het meisje sprak zich dapper uit op school. Er zijn meldingen gedaan bij Veilig Thuis. Er lagen rapporten. Er lagen adviezen. Toch heeft het anderhalf jaar lang geduurd voordat er is ingegrepen. Dit had nooit mogen gebeuren.
Daarom begin ik met de volgende vragen aan deze minister. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Waarom zijn deze moeders niet eerder opgepakt? Hoe gaat het nu met deze kinderen? Zijn ze nu wel veilig? Ik lees namelijk dat ze zijn ondergebracht bij Jeugdbescherming Noord en de William Schrikker Stichting, twee organisaties die tot voor kort nog onder toezicht stonden vanwege achterblijvende zorg en dienstverlening. Kan de minister garanderen dat ze daar nu veilig zijn en dat ze de beste zorg krijgen?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Sterk:
Voorzitter. Ik kan mij aansluiten bij de woorden die zojuist zijn uitgesproken: het is een afschuwelijke gebeurtenis. Ik vind het echt onbestaanbaar dat een moeder haar kind op deze manier kan mishandelen. Het roept natuurlijk herinneringen op aan eerdere gebeurtenissen waar we ook in deze Kamer over hebben gesproken. De gruwelijke details van wat wij hier net hebben gehoord, doen ons afvragen hoe dit opnieuw heeft kunnen gebeuren. Waarom heeft het zo lang geduurd voordat er is ingegrepen? Deze vragen heb ik ook. Het is ongelofelijk belangrijk dat de onderste steen boven komt. Wij staan op dit moment in nauw contact met alle instanties die hierbij betrokken zijn, om te zorgen dat wij zo snel mogelijk, maar wel zorgvuldig te weten komen hoe we hier zo hebben kunnen falen met elkaar en hoe het zover heeft kunnen komen dat deze kinderen nu bij hun ouders zijn weggehaald. Gelukkig zijn ze nu veilig; dat kan ik inderdaad zeggen. Ik heb daarover ook contact met mijn collega Van Bruggen van Justitie, die contact heeft met de GI's. Ik kan zeggen dat ze op dit moment veilig zijn én — dat is het andere ontzettend belangrijke en het eerste wat we nu kunnen doen — dat deze moeders in hechtenis zijn in afwachting van een strafrechtelijk onderzoek.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Nu kwamen de geprinte blaadjes binnen.
Voorzitter. De minister refereerde er net ook al aan: de vraag stellen hoe dit heeft kunnen gebeuren, is eigenlijk de vraag stellen hoe dit opnieuw heeft kunnen gebeuren. Want we hebben dit debat helaas al gevoerd. Keer op keer trekken we met elkaar de conclusie dat het systeem faalt en dat we onze meest kwetsbare kinderen in de steek laten. Dat is onacceptabel, omdat we weten dat het anders en beter kan. Elke keer gebeurt namelijk hetzelfde: Veilig Thuis, gecertificeerde instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming wijzen allemaal naar elkaar. Daarom pleiten we er allang voor om te zorgen dat er nou eindelijk eens één organisatie komt, die ook eindverantwoordelijkheid draagt en aanspreekbaar is als het fout gaat, in plaats van dit doolhof aan organisaties. We zien namelijk waar dat doolhof toe leidt: kinderen die we moeten beschermen, beschermen we niet of veel te laat en daar voelt niemand zich op dit moment verantwoordelijk voor. Daarom heb ik de volgende vraag aan de minister. Veilig Thuis vindt dat hen niets te verwijten valt. Deelt de minister deze opvatting, als anderhalf jaar lang signalen bij Veilig Thuis niet tot actie hebben geleid? Hoe zorgt de minister ervoor dat er één verantwoordelijke organisatie komt en dat die er snel komt? Hoe zorgt de minister ervoor dat Veilig Thuis wel binnen vijf dagen actie onderneemt? Geen enkel kind mag namelijk wachten op bescherming.
Minister Sterk:
Ook ik heb mij afgevraagd hoe dit heeft kunnen gebeuren. Dat Veilig Thuis niets te verwijten valt, is wat mij betreft een veel te vroegtijdige conclusie. Daarom is het ontzettend nodig dat we nu goed gaan kijken naar wie er gehandeld heeft, wat er gebeurd is en vooral naar wat er niet gebeurd is. We moeten kijken hoe we het in de toekomst gaan veranderen. U vroeg terecht hoe we ervoor kunnen zorgen dat er een soort eigenaarschap ontstaat en hoe we ervoor kunnen zorgen dat, als er zoiets gebeurt, iemand zich verantwoordelijk voelt om ervoor te zorgen dat die kinderen in veiligheid komen en dat er wordt geacteerd. Dat is een vraag die wij op dit moment bespreken met al die organisaties die hier een rol in spelen. U noemde al Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming, maar ook de sterke lokale teams spelen daarin een rol. Dat doen wij met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Op 8 juli hebben wij een laatste overleg met deze organisaties. Ik zal u meteen daarna doen toekomen welke acties wij in gang gaan zetten om ervoor te zorgen dat de hele keten, waarin dit plaatsvindt en waarin mensen moeten samenwerken om zo snel mogelijk in te kunnen grijpen als dat nodig is, gewoon goed gaat werken. Daarbij hoort ook de vraag waarom het niet lukt of waarom het niet gebeurt. We weten niet of dat in dit geval wel of niet zo is geweest, maar er moet binnen vijf dagen gehandeld worden.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Wat hier gebeurt, maakt me echt heel kwaad en verdrietig. Ik denk dat dit bij heel veel mensen in Nederland leeft. Voor mij en voor heel veel mensen geldt dat we de afgelopen dagen onze eigen kinderen nog een extra knuffel gegeven hebben, wetende dat we daarmee helaas niet alle kinderen kunnen beschermen. Het is goed dat de minister aangeeft dat er gekeken gaat worden naar het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, maar we weten ook dat we daar al jaren mee bezig zijn en dat we dat al jaren tegen elkaar zeggen. Hoe gaan we ervoor zorgen dat we daar nu echt keuzes in durven te maken en dat we snelheid maken, want het leidt ertoe dat we onze kinderen niet en onvoldoende beschermen. Ik hoop dat de minister daar ook op terug kan komen in de informatie die naar onze Kamer toe komt.
Minister Sterk:
Ik ben ook boos, net als u. Ook ik vind dat we dit zo snel mogelijk moeten oplossen. De weg die we in ieder geval nu lopen, is dat wij ervoor gaan zorgen dat de Kamer voor de zomer hoort welke acties we gaan nemen om ervoor te zorgen dat de hele keten beter gaat samenwerken. Ik ben blij dat we vandaag in ieder geval kunnen zeggen dat de kinderen veilig zijn en dat er goed voor hen wordt gezorgd. Volgens mij is dat op dit moment echt het allerbelangrijkste.
De heer Bikkers (VVD):
Tot iets meer dan een jaar geleden was ik zelf wethouder in Vlaardingen. Daar heb ik van dichtbij meegemaakt wat een impact het op een samenleving heeft als er zoiets gebeurt. We zeiden daar: dit nooit meer. Ook in deze Kamer zeggen we dat elke keer. Elke keer hebben we het in deze Kamer weer over een incident. Wat mij betreft is het geen incident, maar een patroon. Mijn vraag is dan ook de volgende. Jeugdbescherming Noord stond onder verscherpt toezicht. Wat hebben we nog meer nodig om te voorkomen dat we hier over een jaar weer staan? Welke stappen kunnen we echt in het systeem zetten om deze hulpeloze kinderen te helpen en beschermen en om ervoor te zorgen dat dit niet meer gebeurt?
Minister Sterk:
Wat betreft die ondertoezichtstellingen: dat klopt. Het goede is dat de inspectie daar nu op meekijkt, met alle slechte dingen die je daar natuurlijk verder over kunt zeggen. Ik deel het gevoel dat we er morgen voor moeten zorgen dat dit niet meer gebeurt. U bent ook wethouder, dus bestuurder, geweest, dus u weet ook dat sommige dingen zich niet in één dag laten oplossen. Veel van dit soort dingen gebeuren helaas achter gesloten deuren. Dat is het trieste hiervan. Heel veel kinderen, ook vandaag de dag, zitten misschien in moeilijkheden zonder dat de samenleving daarvan weet. Het is dus allereerst belangrijk dat er gemeld wordt. Als mensen het gevoel krijgen dat iets niet pluis is en dat er zaken gebeuren, is het belangrijk dat er gemeld wordt. Ook is het duidelijk dat er vervolgens geacteerd moet worden. Daar zijn we nu met al die partijen naar aan het kijken. We zijn al heel ver. Voor de zomer laat ik u weten welke acties we daarin gaan ondernemen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Eigenlijk zou ik het liefst willen dat er morgen iemand in de auto stapt en gewoon eens even langs al die gezinnen rijdt. We horen de excessen. Die komen naar boven. Dat is zo verschrikkelijk. Dat maakt dat hier sprake is van een patroon. Het functioneren van Veilig Thuis roept bij ons helaas al veel langer ernstige zorgen op. Om die reden wil ik graag de minister vragen of zij kan toezeggen dat parallel aan de lopende onderzoeken, op korte termijn onderzocht kan worden hoe onafhankelijk toezicht op Veilig Thuis kan worden ingericht, expliciet kijkend naar de mogelijkheden voor een onafhankelijk toezichthouder die Veilig Thuis daadwerkelijk kan controleren, aanspreken en bijsturen.
Minister Sterk:
In het hele traject dat we nu dus doorlopen, zijn we inderdaad aan het kijken naar de positie van Veilig Thuis. We zien gelukkig dat ze meer adviesaanvragen en meldingen krijgen. Dat is goed nieuws. Aan de andere kant zien we ook dat die niet altijd leiden tot interventie. We moeten natuurlijk snappen waar dat aan ligt. Er moet goed meegekeken worden. Dat is allemaal onderdeel van dat traject. Ik wil u toezeggen dat ik hier aandacht aan zal besteden in de brief die wij u sturen over de acties die we gaan ondernemen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het is weer ongelofelijk wat we het afgelopen weekend weer hebben moeten horen. Je wordt er misselijk van. Ik vraag aan de minister: hoeveel rapporten, inspecties, evaluaties en debatten zijn er nodig voordat die kinderen die in gevaar zijn écht worden beschermd?
Minister Sterk:
Wat mij betreft geen, want volgens mij heeft elk kind recht op bescherming en veiligheid. Dat zijn we gewoon aan ze verplicht. We weten dat dit helaas niet het geval is. Wij kunnen niet bij mensen achter de voordeur kijken. We hebben de dure plicht om, als we dat wel doen en zien dat daar dingen niet goed gaan, goed te interveniëren en te zorgen dat deze kinderen in veiligheid komen. Daar zet ik mij op dit moment hard voor in, samen met al die organisaties die daar een rol in hebben. Nogmaals, ik zal voor de zomer aangeven welke concrete acties we daarin gaan ondernemen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Weet u, iedere keer horen we: de keten moet beter werken en samenwerken. Maar de kinderen die nu in onveiligheid zitten, die hebben daar niks aan. Die hebben niks aan die ketentaal. Er wordt nu weer gekeken. Veilig Thuis heeft allemaal zaken die het moet en kan doen, maar het wordt gewoon niet gedaan. Er wordt structureel te laat ingegrepen. Er worden signalen afgegeven waar niet op wordt gereageerd. Daar moeten we nu wat aan gaan doen. Ik wil gewoon van de minister weten wie hiervoor de verantwoordelijke gaat zijn. Voelt u zich hier zelf verantwoordelijk voor? Hoe zit dat?
Minister Sterk:
Dat er bij deze gebeurtenissen dingen niet goed zijn gegaan, is afschuwelijk. Daarvan wil ik ook weten hoe we dat in de toekomst anders kunnen gaan doen. Daar hebben de kinderen van vandaag niks aan, maar dat zijn we wel verplicht aan de kinderen die mogelijk nog in deze situaties zitten. Ik wil ook wel het beeld rechtzetten dat er niks goed gaat en dat elk kind over wie een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis onveilig is. Er zitten daar heel veel mensen die met heel veel hart voor de zaak écht hun best doen om te zorgen dat de adviesvragen en meldingen terechtkomen bij de goede mensen. Maar we zien ook dat die samenwerking niet altijd goed genoeg loopt. Daarom zijn we ook aan het kijken hoe we dat kunnen verbeteren, zodat we veel eerder kunnen ingrijpen en er niet tevergeefs wordt gemeld.
De heer Hamstra (CDA):
De neiging bestaat nu natuurlijk om die casus in te duiken en dat snap ik ook heel goed. Ik moet heel eerlijk zeggen dat ook mijn maag omdraaide toen ik het nieuwsbericht las. Ik vond het verschrikkelijk om te lezen. Ik ben heel erg blij dat er nu een strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt vanuit het OM. We vinden het heel belangrijk dat kinderen veilig opgroeien in gezinnen. Gisteren kwam toevallig ook de Staat van Gezinnen 2026 uit. Kan de minister een reflectie geven op hoe we gezinnen misschien nog beter kunnen stutten in combinatie met de aansluiting op passende en toereikende jeugdzorg? Als dat nu niet lukt, zou zij dat dan kunnen meenemen in de brief die voor de zomer deze kant op komt?
Minister Sterk:
Dat laatste kan ik sowieso toezeggen. Wij zijn ook bezig om die sterke lokale teams te maken, waarbij je als er een vraag binnenkomt, niet alleen kijkt naar een kind, maar naar een heel gezin. Ook daar heb ik vragen over bij deze casus: wat speelde er nou in het gezin, is dat voldoende op waarde geschat en hebben we niet te lang gewacht met ingrijpen? Dus ja, die toezegging wil ik doen. Ik denk dat dat ontzettend belangrijk is.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het lijkt wel alsof we hier elke paar maanden staan na een verschrikkelijke mishandeling van een kind dat beschermd had moeten zijn en waarvan er al signalen waren dat er iets misging. Dan is het toch misgegaan en is er toch niet ingegrepen, met ontzettend onmenselijke gevolgen voor die kinderen van dien. Dan zegt deze staatssecretaris …
De voorzitter:
Minister.
Mevrouw Dobbe (SP):
Minister, excuses. Dan zegt deze minister: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Ze zegt ook: we kunnen het niet binnen een dag oplossen. Maar blijkbaar kan dat ook niet binnen zeven jaar. De inspectierapporten — dat waren volgens mij niet eens de eerste rapporten — van zeven jaar geleden zeiden namelijk al: "Het gaat mis in dit systeem. Het gaat mis. We kunnen dit niet meer goed doen." Is de minister het met mij eens over het volgende? Het is namelijk een fundamentele vraag: heeft de politiek hier gefaald?
Minister Sterk:
Of de politiek hier gefaald heeft, moeten we zien in deze zaak. Nogmaals, ik denk dat het heel erg belangrijk is dat we eerst de feiten op tafel krijgen voordat we allerlei aannames doen, behalve de aanname dat hier iets heel erg mis is gegaan, over hoe het heeft kunnen plaatsvinden. Ik denk dat wij, in ieder geval als politiek, met elkaar alles doen om te zorgen dat dit soort dingen niet meer kunnen gebeuren. Dat is ook gewoon een hele complexe zaak. Dat blijkt ook wel weer, want anders zouden we hier vandaag niet staan. Ik voel het als mijn dure plicht om er alles aan te doen om ervoor te zorgen dat we zo goed mogelijk regelen dat de kans dat zoiets gebeurt zo klein mogelijk is. Dat doe ik overigens samen met de staatssecretaris van JenV, die hier natuurlijk ook een deel van de verantwoordelijkheid draagt. Ik durf niet te zeggen dat dit nooit meer zal gebeuren, want die garanties kunnen we gewoon niet geven. Ik heb wel de plicht en het gevoel dat we daar echt het noodzakelijke aan doen, wat moet en kan gebeuren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit vind ik toch problematisch. Ik denk namelijk dat als we de antwoorden van precies een jaar geleden of van zeven jaar geleden terughalen, we zien dat de bewindspersonen toen ongeveer hetzelfde zeiden. Ik hoor ook deze minister zeggen: we doen er alles aan; de onderste steen moet boven. Maar ondertussen wordt het systeem niet fundamenteel gewijzigd. Op het moment dat deze minister zegt dat we nog maar even moeten zien of de politiek hiervoor verantwoordelijk is en of de politiek heeft gefaald, is dat problematisch. Het stelsel dat faalt, is namelijk ook de politiek die faalt. De minister neemt dan geen verantwoordelijkheid voor wat hier nu gebeurt. Dan kan de minister ook geen verantwoordelijkheid nemen voor een echte oplossing hiervoor. Wat is daarop het antwoord van deze minister?
Minister Sterk:
Laten we beginnen met vaststellen dat vooral de moeders die dit hebben gedaan verantwoordelijk zijn. Deze mensen, die dit hun kinderen aandoen, zijn ziek in hun hoofd. Wij moeten er alles aan doen om te voorkomen dat dit soort dingen opnieuw kunnen gebeuren of met andere kinderen kunnen gebeuren. Ik ben verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat we met alle partijen die hieraan werken de kans dat dit kan gebeuren zo klein mogelijk maken. Maar ik ga hier niet een garantie geven dat dit nooit meer kan gebeuren; dat kan gewoon niet. Maar ik ben inderdaad verantwoordelijk om toe te werken naar de best mogelijke oplossing. Daar zijn we volgens mij allemaal verantwoordelijk voor, ook u als Kamer.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Bij deze berichten schrok ik mij dood, alweer, voor de zoveelste keer. Weet u wanneer de zaak van het Meisje van Nulde was? Dat was in 2001. We zijn ondertussen 25 jaar verder. We zijn 25 jaar verder, en er is niks veranderd! Ik zal nog een paar namen opnoemen. Dat zijn de namen van Savanna, Jessica, Sharleyne, baby Rivano en het pleegmeisje uit Vlaardingen. Als we het als overheid niet voor elkaar kunnen krijgen om dit probleem na 25 jaar op te lossen, kunnen we de tent hier net zo goed sluiten. Ik vraag aan de minister: ziet u dat ook zo? Ik wil van deze minister binnen een week een concrete oplossing, echt binnen een week. Ik wil weten wat u gaat doen, wat u gaat inzetten en met wie u gaat praten, zodat dit nooit, maar dan ook nooit meer kan gebeuren en ik hier niet elke keer hoef te staan voor de rest van mijn Kamerlidmaatschap.
Minister Sterk:
Op die laatste vraag heb ik al antwoord gegeven. Dat hebben we vandaag en de afgelopen dagen al gedaan. We hebben gesproken met alle instanties die hier een rol in hebben. Er lopen op dit moment twee soorten onderzoeken. Er loopt namelijk een strafrechtelijk onderzoek naar de kindermishandeling en de wederrechtelijke vrijheidsberoving door de moeder en aan de andere kant is de inspectie nu bezig om de feiten op een rij te krijgen. Die zal deze week laten weten welke stappen ze gaan nemen. Dat is wat ik op dit moment kan doen. Ik denk dat het van belang is dat we goed in beeld krijgen wat er precies is misgegaan. Daar zijn we dus mee bezig. Maar we zullen er ook van moeten leren. We moeten leren wat we daardoor anders gaan doen. Dat wil ik u toezeggen. Daar zijn we vandaag al mee bezig.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Er is al veel gezegd over deze verschrikkelijke situatie. Dat ga ik niet herhalen. Er zijn verschillende meldingen gedaan, maar toch hebben twee kwetsbare kinderen maandenlang in deze vreselijke situatie gezeten. De minister geeft aan dat mensen het moeten melden, maar dat hebben ze gedaan. Kan de minister toezeggen dat zij mee gaat nemen dat er een wettelijke terugmeldplicht komt voor Veilig Thuis naar de melders?
Minister Sterk:
Ik wil in ieder geval toezeggen dat ik daar in de brief verder op inga. Ik begrijp dat we alles moeten onderzoeken, zodat we beter weten wat er gebeurt als er meldingen worden gedaan en zodat die echt opvolging krijgen. Dat is volgens mij de achterliggende vraag die u stelt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dit is geen incident. Het is het topje van de ijsberg. Duizenden kinderen wonen in Nederland en leven in gevaarlijke situaties. Dat weten we al sinds 2019. Toen trokken inspecties aan de bel en zeiden ze: politiek, grijp in, want het stelsel van jeugdzorg en jeugdbescherming loopt helemaal vast. Ik herinner me nog het debat van vorig jaar, toen we hier met z'n allen riepen … Alle partijen waren toen boos over het pleegmeisje uit Vlaardingen. Daar zijn al die oplossingen al besproken. Er is gesproken over een terugkoppeling. Er is gesproken over kortere lijnen. Er is gesproken over een toekomstscenario. Maar vervolgens zagen we dat er verder werd bezuinigd op de jeugdbescherming.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag aan de minister is: kan ze één, één echt concreet punt noemen dat sinds het debat van vorig jaar over het pleegmeisje in Vlaardingen nu echt is veranderd en dat deze kinderen heel concreet helpt?
Minister Sterk:
Er zit wel een verschil tussen het geval — ik moet "de gebeurtenis" zeggen — in Vlaardingen en dat waar we vandaag mee te maken hebben, namelijk dat het daarbij vooral ging over pleegzorg en de samenwerking met de jeugdbescherming en het hierbij gaat over moeders die hun eigen kinderen mishandelen. We moeten dus naar een ander type kijken. Er werd ook al gezegd dat er gesproken werd over een andere vorm van kindermishandeling. Ook dat moeten we gaan onderzoeken. Er zijn op dit moment een heleboel acties in gang gezet. De toekomstscenario's waarmee we nu bezig zijn, zijn een van die acties. Volgens mij is dat een ontzettend belangrijke. Waar het namelijk om gaat, is dat zo'n melding niet mag blijven liggen, dat die wordt opgepakt, dat er vervolgens mee aan de slag wordt gegaan en dat als het nodig is, die kinderen zo snel mogelijk in veiligheid worden gebracht. Er gebeurt dus van alles. We hebben echt een hele lijst van dingen die we hebben afgesproken en waar we mee bezig zijn. Ik kan u die voorlezen, maar dat lijkt me voor de mondelinge vragen wat ver gaan. Maar we zijn er nog niet. Dat laat vandaag ook wel weer zien. Dat betekent dus dat we alles moeten gaan doen om dit nog meer te verbeteren, ervoor te zorgen dat die samenwerking goed tot stand komt en dat geen kind tevergeefs om hulp vraagt of niemand iets tevergeefs meldt en er dus hele ernstige dingen kunnen gebeuren.
De heer Struijs (50PLUS):
Een vraag aan de minister na dit afschuwelijke incident: hebben we hier te maken met een structureel probleem? Onzes inziens is dat zo. Een tweede vraag die ik hieraan koppel is de volgende. Mensen in de uitvoering van Veilig Thuis geven massaal bij mij aan dat er geen veilige werksituatie is en dat de directie aan het praten is met juristen en niet met hen. Ze voldoen namelijk niet aan allerlei termijnen. Ze kunnen geen valide eerste inschatting maken. Dan wil ik nog een derde vraag heel graag beantwoord hebben. De politie klaagt steen en been bij mij dat zij veel te laat is geïnformeerd en dat dit ook een patroon is dat steeds terugkomt in het hele land. Kortom, is dit nu een structureel probleem? Is de minister bereid om daarnaar te kijken? Gaan we ook aan structurele oplossingen werken? Elke instantie geeft namelijk aan dat er veel kinderen in gevaar zijn.
Minister Sterk:
Om iets te kunnen zeggen over de vraag of dit een structureel probleem is, zullen we eerst gewoon alle feiten op tafel moeten hebben. Dat is waar we nu ons uiterste best voor doen en heel hard mee aan de slag zijn. Ik denk dat dit ook gaat over de vraag of bij deze gebeurtenis ook de onveilige situatie bij Veilig Thuis een rol zou kunnen hebben gespeeld. Ik weet het niet, maar dat is iets wat daarin meegenomen moet worden. Vervolgens moeten we bekijken wat we daar dan van leren en wat dit dan betekent voor de dingen die we anders moeten gaan doen.
Wat betreft uw vraag over de politie: het zou inderdaad zo moeten zijn dat Veilig Thuis doormeldt aan de politie. Mijn vraag is ook waarom dat blijkbaar niet eerder is gebeurd. Toen de politie hierover hoorde, op 14 mei, is gelukkig wel meteen een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. In die zin heeft de politie wel meteen gedaan wat ze moest doen, maar de vraag is natuurlijk wel waarom ze er niet eerder bij is gehaald. Dat is een vraag die ik ook heb. Wat mij betreft moet daar ook een antwoord op komen.
De heer El Abassi (DENK):
De minister geeft aan dat de meldingen opgepakt moeten worden. De minister geeft ook aan dat we er alles aan moeten doen om dit te voorkomen. Ik heb het gevoel dat we dit debat iedere keer weer opnieuw voeren. De minister moet nu nog gaan uitzoeken wat er allemaal heeft plaatsgevonden en wie mogelijk de schuldige is in deze casus. Alleen ontbreekt iedere keer weer het antwoord op de vraag wie er verantwoordelijk is. Volgens mij kunnen we heel veel tijd besparen als de minister gewoon bij één persoon had kunnen aankloppen, iemand die hierover de regie nam, maar die hebben we steeds niet. Dan had de minister deze vraag beter kunnen beantwoorden.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer El Abassi (DENK):
Kan de minister aangeven of ze met mij eens is dat we een regiehouder, een eindverantwoordelijke, moeten hebben voor dit soort gezinnen en situaties?
Minister Sterk:
Volgens mij moeten we vooral zorgen dat iedereen zijn rol pakt. De rol van sterke lokale teams, die vaak als eerste dit soort signalen binnenkrijgen en kunnen bekijken wat er nodig is, is weer een andere dan de rol van Veilig Thuis. Daarom is het zo belangrijk dat iedereen doet wat die moet doen. Mijn vraag is vooral: waarom heeft dat hier gewoon niet goed gewerkt? Waarom heeft het zo ver kunnen komen dat we nu twee kinderen uit de ouderlijke macht hebben moeten halen en veilig hebben moeten opvangen en er nu twee moeders bij de politie in hechtenis zitten. Ik wil gewoon weten hoe dat heeft kunnen gebeuren, want dit mag gewoon niet gebeuren hier. Of dat betekent dat we dan één regie-eigenaar moeten hebben, weet ik niet. Het moet in ieder geval zo zijn dat we dit soort dingen met elkaar tijdig zien, dat we interveniëren en dat we ze oplossen. In de brief die ik heb toegezegd, waarin ik de acties zal benoemen die we gaan ondernemen om dit beter op orde te krijgen, zal ik in ieder geval ook iets zeggen over wat u vraagt, namelijk een regie-eigenaar.
De heer El Abassi (DENK):
Natuurlijk moet iedereen zijn of haar rol oppakken. Natuurlijk moet iedereen doen wat die moet doen. Alleen hebben we daar niks aan. De vraag is: wat moeten we doen? De minister zei "wij als bewindspersonen moeten wat doen" en "u als Kamer moet wat doen". Wij roepen hier als Kamer dat er dingen gedaan moeten worden. De ministers zijn het daarover niet altijd met de Kamerleden eens. We hebben keer op keer aangegeven dat er niemand verantwoordelijk is. We kunnen gewoon een verantwoordelijke persoon aanwijzen. Ook nu hoor ik de minister zeggen: we komen erop terug; we geven antwoord. Ik weet al wat het antwoord gaat worden. Niemand wordt verantwoordelijk. Keer op keer wordt er naar anderen verwezen. Daarmee lossen we het probleem niet op. Is de minister het daarmee eens?
Minister Sterk:
Ik denk dat ook u begrijpt, meneer El Abassi, dat als wij hiernaar gaan kijken, we dat echt zorgvuldig moeten doen. We willen namelijk precies weten waar het is misgegaan. Vervolgens komen we bij de vraag, die u ook heeft, of het helpt als we daar één coördinerende persoon voor aanstellen of dat we het op een andere manier moeten oplossen. Ik heb u net toegezegd dat ik daar in de brief op zal ingaan. Volgens mij is het aan u als Kamer om daar vervolgens iets van te vinden. U heeft zelf de instrumenten in handen. Volgens mij willen we uiteindelijk allemaal toewerken naar een situatie waarin we de kans dat dit soort dingen gebeuren, zo klein mogelijk maken, want niemand in Nederland wil dit nog een keer in de krant lezen.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen Vliegenthart
Vragen van het lid Vliegenthart aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht "Een apotheek stuurt vrouwen en trans personen weg, maar niemand grijpt in".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Vliegenthart voor haar vragen namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Haar heet ik van harte welkom in de Kamer.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Afgelopen zondag verscheen het bericht dat een apotheek wegens gewetensbezwaren weigert anticonceptie en transzorg te leveren. Het gaat nog verder: ook wordt medisch noodzakelijke antibiotica geweigerd als een vrouw die nodig heeft na een abortus. Na dit artikel kwamen er tientallen reacties van mensen die ook door zorgverleners geweigerd worden. Zij wilden bijvoorbeeld een soatest, waarna een afwijzing volgde, omdat de patiënt in kwestie homo was. Zijn leefstijl zou ingaan tegen de principes van de behandelend huisarts en als homoman zou het een risico van het vak zijn. Het zijn allemaal voorbeelden waarin het toewijzen van zorg niet werd bepaald op basis van de behoefte van en noodzaak voor de cliënt, maar op basis van een mening van een zorgverlener over de identiteit of seksuele geschiedenis van een patiënt. Dat gebeurt allemaal onder het mom van gewetensbezwaren.
Voorzitter. Is de minister het met me eens dat het verwerpelijk is dat noodzakelijke zorg wordt geweigerd en dat patiënten de toegang tot deze zorg wordt ontnomen puur om wie ze zijn? Kan de minister hier en nu, nadrukkelijk vanuit haar positie, achter alle mensen die hiermee te maken krijgen gaan staan en zeggen dat ze dit afkeurt? We hebben het hier immers over iemands identiteit en noodzakelijke zorg.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Dank aan mevrouw Vliegenthart voor de vragen naar aanleiding van het artikel. Ik heb het gelezen. Daarna had ik ook veel vragen. Ik vroeg me af: wat gebeurt hier?
Laat ik met de eerste vraag van mevrouw Vliegenthart beginnen. Mevrouw Vliegenthart had het over noodzakelijke zorg. Ik zou het "reguliere zorg" willen noemen. Het gaat om zorg waarvan we met elkaar hebben afgesproken, op grond van richtlijnen en standaarden, dat het reguliere zorg is. Mag je die weigeren? Nee, daar moet iedereen toegang toe hebben. Dat is ook het uitgangspunt in de Code van apothekers. Als ik het uit mijn hoofd goed zeg, is het regel 4. Die gaat uit van gelijkwaardigheid: gelijke toegang voor alle patiënten, ongeacht hun achtergrond, religie, levensovertuiging, genderidentiteit of politieke overtuiging. Gewoon voor iedereen moet er toegang zijn tot die zorg.
Voorzitter. Dan is er het begrip "gewetensbezwaren". Dat wordt in de Code van apothekers onder regel 14 nader toegelicht. Er kunnen gewetensbezwaren zijn. Daar kan sprake van zijn in het geval van bijzonder medisch handelen. Euthanasie en abortus vallen daaronder. Maar hier wordt op grond van de code, terwijl gelijkwaardigheid eigenlijk het vertrekpunt is van de hele code — het is niet voor niks regel 4 — de toepassing van dat begrip opgerekt in het kader van deze vormen van zorg. De KNMP zegt dat ook zelf. Zij is hier ook direct mee aan de slag gegaan.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik ben blij dat de minister de beroepscode noemt. Ik heb het ook in mijn papieren staan: "Als apotheker streef je een gelijkwaardige behandeling voor alle patiënten na, ongeacht bijvoorbeeld huidskleur, geslacht, genderidentiteit, seksuele oriëntatie, etniciteit, religie of politieke overtuigingen." Nu zien we inderdaad gebeuren dat die mensen keihard worden geweigerd op basis van die identiteit of oriëntatie. Ik hoor de minister meteen al wijzen naar de beroepsgroep, maar mijn vraag aan de minister is wat zij hier precies aan gaat doen en waar zij de streep trekt. Ik ben heel benieuwd wanneer het volgens de minister nog gewetensbezwaren zijn en wanneer het discriminatie en uitsluiting is op basis van identiteit, waar we het eigenlijk al over hebben. Waar trekt de minister de lijn en wat gaat ze doen?
Minister Hermans:
Ik begon niet voor niks met het belang van gelijkwaardigheid en gelijkwaardige toegang tot de zorg, ongeacht je achtergrond, je genderidentiteit, je levensovertuiging en alles wat ik net noemde. Je moet als patiënt gewoon toegang hebben tot zorg, of dat nou in het ziekenhuis is of in de apotheek. Er zijn gevallen waarin een zorgverlener op grond van gewetensbezwaren kan zeggen: ik kom hier in gewetensnood. Dat is bijzondere medische zorg, abortus en euthanasie. Die twee voorbeelden worden ook in de code genoemd. Dan ben je als zorgverlener wel verplicht om de patiënt actief te wijzen op waar de patiënt die zorg wél kan krijgen, want de patiënt heeft recht op toegang tot die zorg. We hebben daar een aantal dingen in geregeld in wetten, zoals de Wkkgz, maar ook het BIG-register stelt daar een aantal eisen en voorwaarden aan, die vervolgens worden uitgewerkt in richtlijnen en beroepscodes. We hebben de apothekerscode al een aantal keren genoemd. Ook de KNMP zelf zegt dat het toepassen van gewetensbezwaren hier wordt opgerekt. Natuurlijk zullen zij dus in gesprek gaan met deze apotheker, maar zij zullen zelf ook via een van hun commissies, de commissie ethiek, bekijken of dit nu duidelijk genoeg is geregeld in hun beroepscode.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik wil hier heel goed benadrukken dat we het hebben over een groep die in de samenleving heel vaak te maken krijgt met discriminatie op straat, op school, op hun werk en nu ook in de spreekkamer of bij een apotheek. Ik vind het dus heel goed dat de KNMP hiermee aan de slag gaat, maar dit is niet iets nieuws. Dit is wat al jarenlang gebeurt. Al jaren geleden zei deze huisarts, zelfs met trots, in een interview en in allerlei uitingen dat er bijvoorbeeld antibiotica na een abortus was geweigerd. Ik vind het dus goed om te horen dat de KNMP hiermee aan de gang gaat, maar we hebben ook nog een non-discriminatiebeginsel. De minister en de Kamer zijn verantwoordelijk voor de toegang van mensen tot zorg en welzijn, maar zijn er ook verantwoordelijk voor om te zorgen dat we hier niet aan discriminatie doen. Ik vraag het dus nogmaals: wat gaat de minister vanuit haar rol als eindverantwoordelijke voor zorg en welzijn doen voor de toegang tot zorg en tegen de discriminatie van al die mensen die al met zoveel discriminatie te maken hebben? Wat gaat zij daar ook vanuit haar rol doen om dit niet alleen maar aan de beroepsgroep te laten?
Minister Hermans:
Volgens mij begint het bij wat wij hier volgens mij in het debat met elkaar uitspreken over de waarden die wij met elkaar hebben afgesproken in de zorg, zoals de zojuist al door mij omschreven gelijkwaardige toegang en het bewaken van de toepassing van dat begrip en het inzetten van gewetensbezwaren. Dat is iets goeds wat wij hebben in de zorg en wat we hebben geregeld in wetten. Daar sta ik ook voor, maar dit moet wel op een eerlijke en goede manier worden toegepast. Juist daar zit nu de vraag en rijst de twijfel, ook bij mij persoonlijk. Dit is niet bedoeld voor reguliere zorg, gewoon zorg die vastgelegd is in onze standaarden en procedures. Dat is ook precies het gesprek dat de KNMP gaat voeren met de betreffende apotheker en ook in de eigen organisatie, natuurlijk met de code in de hand. Die is twee jaar geleden, in 2025, geactualiseerd. Is dat nou duidelijk genoeg over wat dit betekent in de apotheek, aan de balie?
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik hoop hiermee te kunnen concluderen dat ik de minister echt aan mijn zijde heb en dat ook zij dit onacceptabel vindt als uit onderzoeken blijkt, bijvoorbeeld van de inspectie — daarover heb ik ook nog een vraag, want ik hoop dat er ook inspectie plaatsvindt: welke informatie is er bij de inspectie, is de inspectie hier al mee aan de gang en wat kunnen we doen? — dat dit niet alleen binnen de beroepsgroep plaatsvindt maar dat er ook zorgwetten aangepast moeten worden om duidelijker te maken hoever die gewetensbezwaren mogen reiken met het oog op discriminatie. Ik hoop hier dus van de minister te horen dat zij op onze lijn zit en dat zij dit ook als haar verantwoordelijkheid ziet. Het gaat niet alleen om de beroepsgroep. Mogelijk moeten we die wetten verduidelijken. Vind ik haar aan mijn zijde? Kan ik dat concluderen?
Minister Hermans:
In die wetten zijn die uitgangspunten bij mijn weten heel strikt en heel duidelijk geformuleerd. Vervolgens vindt er een uitwerking plaats in die codes. Ik vind het dus heel goed en ik sta er ook achter dat de KNMP dat gesprek met de apotheker gaat voeren over wat hier nu precies gebeurt. Ik vind het ook netjes dat dat gesprek wordt gevoerd. Daarnaast hebben ze bij hun eigen commissie ethiek de vraag neergelegd of de manier waarop ze het hebben opgeschreven in de code duidelijk genoeg is. Ik heb daar vandaag even met de KNMP over gesproken en ik zal dat gesprek natuurlijk de komende periode blijven voeren. Ik zeg mevrouw Vliegenthart heel graag toe dat ik daarop terugkom in een brief die ik nog voor de zomer moet sturen over de uitkomsten van die gesprekken en over wat dat mogelijk betekent voor acties die daaruit voortvloeien. Dat komt dus nog voor de zomer.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Dank. Ik kijk ernaar uit om te horen wat de minister gaat doen, welke verantwoordelijkheid zij neemt, maar ook naar wat het veld gaat doen. Concluderend: deze mensen hebben in hun hele leven vaak te maken met discriminatie in de samenleving. Zoals ik al zei gebeurt dat op scholen en op werk. Het kan echt niet zo zijn dat deze mensen om wie zij zijn te maken krijgen met discriminatie in de spreekkamer of apotheek.
De heer Flach (SGP):
Ik zou willen beginnen met een puntje van orde, voorzitter, want volgens mij hebben we hier te maken met een nieuw precedent. Er worden mondelinge vragen gesteld op basis van een opinieartikel in een krant. Een hardwerkende apotheker en zijn team worden daardoor niet op basis van feiten, maar naar aanleiding van een mening in een kwaad daglicht gesteld. Ik zou de voorzitter willen vragen om te kijken of dat nou de bedoeling is van mondelinge vragen. Dat is even het punt van orde dat ik wilde maken. Daarover zou ik dan vervolgens nog wel een vraag aan de minister hebben.
De voorzitter:
Het is niet bepaald een punt van orde, want het staat de voorzitter conform het Reglement van Orde vrij om ingediende Kamervragen, mondelinge vragen, toe te wijzen. Kamerleden gebruiken daarvoor verschillende bronnen, zoals u kunt zien in de lijst die wekelijks wordt verspreid. Deze afgevaardigde heeft deze bron gebruikt zoals uw fractie ook weleens andere bronnen gebruikt bij het indienen van Kamervragen.
De heer Flach (SGP):
Oké, helder. Dan trek ik daar zelf de conclusie uit dat ik het onzorgvuldig vindt om op basis van een opiniestuk een vraag te stellen.
De voorzitter:
Uw vraag aan de minister?
De heer Flach (SGP):
Dan mijn vraag aan de minister. Ik schrik wel van de bespreking zojuist. In wat voor land leven we, vraag ik me inmiddels af. Gaat de progressieve drammerij inmiddels echt zover dat we mensen dwingen om middelen te verstrekken die echt ingaan tegen hun eigen overtuigingen? Dwingen dus? Ik heb het over gewetensdwang. Erkent de minister dat er niet zoiets bestaat als een leveringsplicht? Dat woord heb ik namelijk niet gehoord. Die bestaat niet. Er bestaat geen leveringsplicht. Er is wel een zorgplicht, maar geen leveringsplicht. Daar heeft deze ondernemer gewoon aan voldaan.
Minister Hermans:
De heer Flach heeft gelijk dat er geen leveringsplicht bestaat. Die geldt niet. Maar volgens mij is hier een andere vraag aan de orde. De vraag hier is de volgende. Iemand komt bij de apotheek en heeft een bepaalde zorgvraag en een bepaalde vraag voor medicatie. Dan heeft de apotheker een zorgplicht. In eerste instantie ga je natuurlijk kijken of je die zorg zelf kunt leveren. Soms zijn er gevallen van bijzonder medisch handelen waarin je op grond van gewetensbezwaren kunt zeggen: ik kan of wil deze zorg niet leveren, maar ik verwijs u door naar een collega in de buurt. De vraag hier is nu van wat voor type zorg hier sprake is. Het gaat hier om reguliere zorg. Wordt dan het toepassen van het begrip "gewetensbezwaren" niet te ver opgerekt? Dan komt de gelijkwaardigheid en de gelijkwaardige behandeling van elke patiënt, ongeacht iemands achtergrond, onder druk en onder spanning te staan. Dat is op geen enkele manier de bedoeling. Dat is ook niet de bedoeling van hoe we dat in de wet en in de beroepscodes geregeld hebben. Dat gesprek gaat de KNMP nu met deze apotheker voeren. De KNMP heeft aan haar eigen commissie ethiek ook de vraag gesteld hoe zij dit in de code precies heeft opgeschreven en geformuleerd, hoe dit precies uitwerkt en of dit verduidelijkt moet worden.
De voorzitter:
Uw tweede vraag.
De heer Flach (SGP):
Is de minister het dan met de SGP eens dat je vrijgesteld bent van een leveringsplicht? Als je aan je zorgplicht voldoet, en dat doet deze ondernemer, dan ben je niet verplicht om alles aan te bieden wat er te koop is in de medische wereld. Die vrijheid is er gewoon voor de apotheker, mits er voldoende zorg op andere plekken kan worden aangeboden enzovoorts. Je hoeft iemand niet de toegang tot zorg te ontzeggen, maar je kunt wel zeggen: die middelen verkoop ik niet. Is die vrijheid er in Nederland nog voor mensen die op basis van hun eigen overtuiging een apotheek proberen te runnen?
Minister Hermans:
Ik zei zojuist tegen de heer Flach dat die leveringsplicht er niet is. Maar er is wel een zorgplicht. Ik wil ervoor waken dat we langs de lijn van woorden of via een andere invalshoek voorbijgaan aan een heel belangrijk uitgangspunt, namelijk de gelijkwaardigheid en het feit dat alle patiënten in Nederland, ongeacht hun achtergrond, genderidentiteit of seksuele overtuiging, toegang moeten hebben tot zorg en gezondheid. Dat is wat we hier moeten bewaken, ik vanuit de wet en de beroepsgroep vanuit de codes die hij heeft. Dat is nu de vraag: is de code hier voldoende helder over?
De heer Russcher (FVD):
Ik deel de lezing van de heer Flach dat een hardwerkende apotheker hier eigenlijk zwart wordt gemaakt op basis van een opiniestuk. Daar gaat mijn vraag over. Deze apotheker uit Vreeswijk heeft keurig aan alle regels voldaan en doet een beroep op gewetensbezwaren op basis van zijn religie, het christendom. Vervolgens voldoet hij ook nog eens aan de zorgplicht door de mensen die voor bepaalde producten komen naar een andere apotheek in hetzelfde dorp te verwijzen. Forum voor Democratie staat achter deze apotheker. Zo zijn er nog veel meer apothekers in Nederland voor wie hetzelfde geldt.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Russcher (FVD):
Ik hoop dat de minister kan aangeven dat zij ook achter deze apothekers staat en hen niet in de steek laat.
Minister Hermans:
In algemene zin draag ik alle beroepsgroepen in de zorg een warm hart toe, ook apothekers. Ik ben vorige week op bezoek geweest bij een apotheek in Amersfoort en heb gezien hoe daar met hart en ziel zorg wordt geleverd door de apothekers zelf en de apothekersassistenten, die daar "farmaceutische adviseurs" heten. Er wordt echt gekeken naar wat een patiënt nodig heeft en wat de vraag is van die patiënt, ongeacht hun achtergrond, ongeacht hun seksuele identiteit, ongeacht hun genderidentiteit. Dát is waar deze vraag over gaat. Ik ken niet alle details van deze casus. De KNMP zegt dat zij heel graag het gesprek met deze apotheker wil voeren en heeft deze vraag aan haar commissie ethiek gesteld. Ik denk dat dat goed is om elke discussie hierover uit de weg te nemen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik zou toch willen pleiten voor een heel zuiver debat, want er is echt een verschil tussen gewetensbezwaar en discriminatie. Op het moment dat een zorgverlener zegt dat hij vanuit zijn diepste overtuiging bepaalde middelen niet kan verstrekken en iemand doorverwijst naar een andere zorgverlener, verwijst hij iemand dus door. Het houdt dus geen halt bij zijn persoonlijke gewetensbezwaar. Dat vind ik het ingewikkelde van de zojuist gestelde vragen. Ik zie namelijk iemand oprecht proberen om vanuit zijn diepste overtuiging een praktijk te hebben en ook zijn best doen om zorg te leveren. Voor je het weet, zetten we mensen die een gewetensbezwaar hebben in het verdachtenbankje, terwijl ze ook naar hun beste overtuiging zorg proberen te leveren, maar daarbij niet voorbij kunnen gaan aan hun diepste motivatie. Hoe weegt de minister dat?
Minister Hermans:
In de Wet afbreking zwangerschap hebben we bijvoorbeeld geregeld dat zorgverleners met gewetensbezwaren niet verplicht kunnen worden tot het verlenen van die vorm van zorg. Maar zoals ik al zei: je hebt wel de zorgplicht om iemand door te verwijzen naar een zorgverlener die die zorg wel kan bieden. Dat gaat om de zogenaamde bijzondere medische handelingen, de bijzondere medische zorg. Daarbij kun je dat gewetensbezwaar inroepen. Voor reguliere zorg, gewoon zorg waarover we in standaarden met elkaar hebben afgesproken dat het reguliere zorg is — dit zijn dus niet de bijzondere medische handelingen — moet iedereen overal terechtkunnen. Dat is het gelijkwaardigheidsbeginsel dat in de Code van apothekers het vertrekpunt vormt voor hun werk: hoe zorgen we dat alle patiënten in Nederland toegang hebben tot zorg en gezondheid? En de vraag is nu — de KNMP zegt dat zelf ook en ik deel dat — of de toepassing van gewetensbezwaren te ver wordt opgerekt. Dat gesprek wordt nu met de apotheker gevoerd en dat gesprek voert de KNMP intern in haar commissie ethiek, om te zien of dit zijn uitwerking moet hebben in een mogelijke aanpassing van de code of een andere werkwijze.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het is altijd goed om te kijken of de werkwijze in de apotheek op orde is. Alle begrip hiervoor, maar we moeten er echt voor waken dat we mensen met gewetensbezwaren die naar eer en geweten hun werk doen, nu allemaal in het verdachtenbankje zetten. Daar zou ik echt voor willen waarschuwen. Dat vind ik ook het zorgelijke van de manier waarop deze vragen nu gesteld worden. De desbetreffende apotheker kan zich hier ook niet verweren. Daarom zou ik de minister ook willen vragen om, als het gaat over het thema van gewetensbezwaren, daar ook mensen bij te betrekken die vanuit die gewetensbezwaren allerintegerst hun werk proberen te doen, zodat we ook die kant kunnen horen en kunnen onderscheiden of hier sprake is van gewetensbezwaren of dat er meer aan de hand is, want ik denk dat we elkaar anders echt tekortdoen.
Minister Hermans:
Ik denk dat de aanpak die de KNMP heeft gekozen, en waarover ik zojuist ook contact met hen heb gehad, een heel zorgvuldige is. Aan de ene kant gaan zij in gesprek met de apotheker, die ook lid is van de KNMP — ik vind het ook logisch, terecht en zorgvuldig dat dit gesprek wordt aangegaan — en aan de andere kant leggen zij dit vraagstuk voor aan hun commissie ethiek. Dat is een commissie die ook betrokken is geweest bij de totstandkoming of actualisering van de code in 2025. Toen is er heel bewust voor gekozen om genderidentiteit onderdeel te maken van regel 4 van de code. Zorgvuldigheid, alle kanten op, is hierbij dus zeker van belang. Gewetensbezwaren kunnen aan de orde zijn, maar, zoals ik zojuist al zei, is het heel belangrijk om hierbij onderscheid te maken tussen bijzondere medische handelingen en reguliere zorg.
Mevrouw Wendel (VVD):
Een apotheker die geen morning-afterpil verstrekt. Een apotheker die weigert een spiraaltje te verstrekken. Een apotheker die weigert hormonen aan transpersonen voor te schrijven. Wat de VVD betreft wordt hier veel te rekkelijk omgegaan met het beroep op gewetensbezwaren, en ik maak mij daar zorgen om, zeg ik tegen de minister. Volgens mij hebben apothekers namelijk een zorgplicht en wordt daar op deze manier niet aan voldaan. Ik wil de minister, uiteraard via de voorzitter, specifiek het volgende vragen. De KNMP gaat nu in gesprek. Vindt de minister dit voldoende en heeft de KNMP voldoende handelingskader om ook echt wat te doen wanneer dat nodig blijkt?
Minister Hermans:
Ik zal, ook omwille van de tijd, niet alles herhalen wat ik eerder heb gezegd over het belang van gelijkwaardige toegang tot zorg en gezondheid voor alle patiënten in Nederland. Dat deel ik namelijk met mevrouw Wendel. Ik heb vertrouwen in de aanpak die de KNMP kiest. Die gedragscode is natuurlijk de kern van hoe de beroepsgroep uitvoering geeft aan wat wij met elkaar in wetten hebben afgesproken. Het gaat over het gesprek met de apotheker zelf, over de vraag "hoe oefenen wij ons beroep uit?" en het gesprek binnen de commissie ethiek over de vraag "wat vinden wij een ethische manier om hiermee om te gaan?" Ik heb afgesproken dat wij daarover contact houden en dat ik u daarover informeer in mijn brief voor de zomer, zoals ik zojuist heb toegezegd aan mevrouw Vliegenthart. Ik denk dat dat een zorgvuldige aanpak is die hoort en past bij zo'n vraagstuk.
Mevrouw Paulusma (D66):
Alvast dank aan de minister, want ik snap dat het een dunne lijn is om op te balanceren, maar ik ben ook heel erg blij dat zij afstand neemt van wat hier gebeurt. Het mag wat mij betreft nog wel wat steviger; dat proefde ik ook bij mevrouw Vliegenthart. Dit betreft reguliere zorg die mensen wordt ontzegd en waartoe mensen geen toegang hebben. Ja, we moeten zorgvuldig omgaan met gewetensbezwaren, maar dit is een hellend vlak. Mijn zorg is: waar gaat dit nu nog meer naartoe? Het gaat over het afkeuren van mensen, het afkeuren van de eigen keuzes van mensen en het afkeuren van de leefstijl van mensen. Ik zeg dit met het risico om het plat te slaan, maar als er een vrouwelijke apotheker is die denkt "ik schrijf geen viagra meer voor en ik schrijf geen middelen meer voor tegen kaalheid bij mannen, omdat mij dat niet zint of niet aanstaat", dan is de wereld te klein. Ik snap dat de minister een bepaalde route moet volgen, maar nu wordt mensen zorg niet geboden. Ik zou wel iets meer tempo willen dan "voor de zomer", want mensen lopen hierdoor ook het gevaar dat hun gezondheid wordt geschaad.
Minister Hermans:
Ik kies de lijn die ik kies bewust en zorgvuldig, omdat ik niet alle details van deze specifieke casus ken. Als ik een stapje terugdoe en kijk naar hoe wij de zorg met elkaar hebben geregeld en wat voor mij daarbij het leidende principe is, dan begint het bij gelijkwaardigheid. Alle patiënten in Nederland, ongeacht hun achtergrond, genderidentiteit of seksuele identiteit, moeten toegang hebben tot elke vorm van zorg, of dat nu in de apotheek, in het ziekenhuis of bij de huisarts is. Er kan sprake zijn van gewetensbezwaren in bijzondere vormen van zorg, zoals bij abortus en euthanasie. De vraag die hierbij rijst en het gevoel dat ik en de KNMP hebben, ontstaan doordat het in dit geval gaat over reguliere zorg die wordt geweigerd, niet gegeven wordt of waarvan de toegang beperkt wordt. Juist bij de reguliere zorg is de ruimte voor gewetensbezwaren veel beperkter. Dáár gaat hier de discussie en de vraag over. De KNMP gaat daarover in gesprek met de apotheker en het wordt besproken in die commissie. Ik zal daar zo snel mogelijk … Ik heb heel goed gehoord wat mevrouw Paulusma zegt en zag mevrouw Vliegenthart vanuit mijn ooghoek knikken. Als het sneller kan, zal ik dat zeker sneller doen. Zorgvuldigheid is hier echter wel bij gebaat, juist om dit op de lange termijn goed te regelen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik beeld me in dat je voor een vraag komt te staan op je kwetsbaarste moment. Je hebt zorg nodig en die krijg je niet. Ik vind dat heel erg kwalijk. Ik wil gewoon dat de minister, als zij toch die brief toezegt, ook kijkt hoe vaak dit voorkomt. Zijn dit nou uitzonderingen, of gebeurt dit vaker? Hoeveel mensen komen daarmee in aanraking? 50PLUS vindt dat echt meer dan verschrikkelijk.
Minister Hermans:
Ik deel de woorden van mevrouw Van Brenk. Je bent kwetsbaar, zeker in het geval van genderidentiteitsvraagstukken, als die aan de orde zijn. Als je dan zorg nodig hebt … Het vraagt te allen tijde heel veel respect en een zorgvuldige behandeling van de zorgverlener, maar zeker in deze gevallen. Ik zal dat proberen na te gaan. Ik weet niet hoe gedetailleerd ik daarop in kan gaan, maar wat we daarover weten zal ik uiteraard in de brief delen. In algemene zin is het wel goed om daarbij te zeggen dat de zorgplicht te allen tijde blijft gelden. Als de zorgverlener zegt deze zorg niet te kunnen leveren, heeft die de plicht om door te verwijzen naar een zorgverlener waar je wel terechtkan. Dit laat onverlet of dit wenselijk is, of dit klopt en of gewetensbezwaren hier te ver worden opgerekt. Wel vind ik het belangrijk om hierbij te zeggen dat de zorgplicht onverkort van kracht blijft, ook terwijl wij dit gesprek voeren en dit uitzoeken.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen Vermeer
Vragen van het lid Vermeer aan de minister van Klimaat en Groene Groei over onbeantwoorde schriftelijke vragen inzake windturbines en netaansluitingen.
De voorzitter:
Ik kijk of de minister van Klimaat en Groene Groei al in het gebouw der Kamer aanwezig is. O, ik zie haar zitten. Van harte welkom, zeg ik vanaf deze plek. Ik geef het woord aan de heer Vermeer voor zijn vragen namens de BBB. Gaat uw gang.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik sta hier om twee redenen. De eerste reden is dat ik antwoorden op schriftelijke vragen wilde, maar de tweede reden is dat de termijn voor beantwoording behoorlijk overschreden is. Dat is ook al zo met een set vragen, die op 9 maart naar dezelfde minister is gestuurd, over de groei van het aantal windturbines op land. Dit is dus een winstwaarschuwing, anders staan we hier volgende week weer. Als ik toch bezig ben: mijn vragen over groen gas van 15 april zijn nog niet beantwoord. Ik wil de voorzitter vragen om toch weer eens een regel in te stellen dat we hier een middag mondelinge vragen gaan opvoeren om alle niet-beantwoorde schriftelijke vragen per direct beantwoord te krijgen.
Voorzitter. Dan het onderwerp zelf. In diverse gebieden in Nederland — Flevoland, Gelderland en Utrecht — hebben we inmiddels grote problemen met netcongestie. Die problemen zijn zo groot dat er zelfs een aansluitstop is. De situatie op het net is zodanig krap dat scherpe keuzes onvermijdelijk zijn en we voorrang geven aan bestaande huishoudens, bedrijven, instellingen en ziekenhuizen, zodat die verzekerd blijven van elektriciteit, zo schrijft de staatssecretaris. Parallel hieraan worden er in allerlei provincies en gemeentes plannen ontwikkeld om mogelijk nieuwe windturbines aan te sluiten en zonneparken te openen. Daarom heb ik deze vragen gesteld. Mijn eerste vraag aan de minister was ook: klopt het dat een windturbine zonder netaansluiting geen aanspraak kan maken op SDE-subsidie en dat die aansluiting binnen een wettelijke realisatietermijn gerealiseerd moet zijn? Welke termijn is dat dan? Is een leveringsovereenkomst geen voorwaarde voor verlening van de subsidie? Daarnaast is er wat ons betreft een transportgarantie nodig bij de aanvraag van de subsidie. Klopt dit? Is dat een van de noodzakelijke eisen die gesteld is aan het verlenen van subsidie? Of maakt het helemaal niet uit of dat ding nooit aangesloten kan worden en wordt er evengoed een subsidie verleend?
Voorzitter. De allerbelangrijkste vraag is of de netcongestiesituatie in Flevoland, Gelderland en Utrecht ook betekent dat nog niet aangesloten windturbines, zonneparken et cetera ook geen aansluiting op het net krijgen en dus nooit in aanmerking zullen komen voor subsidie. Is dat ook bekend bij alle fracties in de gemeenteraden en Provinciale Staten? Er worden nu namelijk volop bedragen in geïnvesteerd. In het mooie Harderwijk, waar ik woon, is het college nog volop geld aan het investeren in plannen voor windturbines die niet eens aangesloten kunnen worden. Wie gaat deze mensen in het land vertellen dat het één grote farce is en dat ze deze projecten moeten stoppen?
Daar wil ik het voor nu eventjes bij laten, voorzitter.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister, maar niet voordat ik u antwoord dat de toewijzing van uw mondelinge vragen inderdaad gezien kan worden als winstwaarschuwing in de richting van de departementen. Ik heb de Griffier vanochtend verzocht om richting alle ministeries het signaal uit te laten gaan dat schriftelijke vragen waarvoor de termijn is verstreken, snel dienen te worden beantwoord, en dat ik inderdaad voornemens ben om binnenkort een extra mondeling vragenuur in te plannen. We hebben namelijk niet voor niets een termijn afgesproken. Daar hebben alle ministeries zich aan te houden. Het woord is aan de minister.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Overigens heb ik daar alle begrip voor. Ik was in de veronderstelling dat de antwoorden op deze vragen al bij uw Kamer waren, maar die zijn ergens in het systeem blijven hangen. Dat is eigenlijk pas naar boven gekomen door dit rappel, vandaar dat ze meteen, met een druk op de knop, verzonden konden worden.
Wat betreft de vragen over groen gas hoor ik net dat daar morgen de laatste antwoorden op komen, dus die kunt u echt snel tegemoetzien. Op de andere vragen over wind, die te maken hebben met het milieukader, heb ik u in het commissiedebat geantwoord dat de beantwoording op het punt van de milieunormering bij de staatssecretaris van IenW ligt en dat zij daarover voor de zomer met een brief zal komen. De staatssecretaris van IenW bekijkt op dit moment dus of de antwoorden zoals ik die heb goedgekeurd, voor haar voldoende ruimte laten om voor de zomer met haar brief te komen. Dat is dus het enige waarop dat hangt. Ook met de omschakeling van het ene kabinet naar het andere zijn er soms nog dingen uit te zoeken, maar deze antwoorden komen ook uw kant op.
Dan naar aanleiding van de inhoud van de vraag. U vroeg: wat betekent netcongestie voor windturbines die een netaansluiting hebben? Volgens mij was de eerste vraag eigenlijk: krijgen ze subsidie als ze niet draaien? Het antwoord daarop is nee. Als een windmolen niet draait, wordt er daarvoor dus ook geen SDE-subsidie uitgekeerd, ondanks dat er in principe SDE-subsidie toegekend kan zijn. Maar als de windmolen niet draait, wordt er geen stroom geleverd. De subsidie is gekoppeld aan de stroom die daadwerkelijk geleverd wordt, dus een stilstaande windmolen krijgt geen SDE-subsidie.
Dan de relatie met netcongestie. Daar zitten twee kanten aan. Door netcongestie kan het voorkomen dat windturbines worden afgeschakeld. Maar ja, dan is dat in die zin een flexibele manier om netcongestie aan de aanbodkant op te lossen. Aan de andere kant, onder bepaalde voorwaarden en natuurlijk afhankelijk van de vraag, kunnen windmolens ook een oplossing zijn voor netcongestie daar waar er meer vraag is dan er aanbod geleverd kan worden. Ik geef een concreet voorbeeld. De staatssecretaris was recent in gesprek met een bedrijf. Dat was een grote supermarkt; ik zal niet zeggen welke. Die verzocht om de mogelijkheid om een windmolen te plaatsen nabij de plek waar die zijn vrachtwagens zou willen elektrificeren. Die heeft die vraag al lange tijd. Er kan door netcongestie niet geleverd worden omdat die stroom niet getransporteerd kan worden, maar als die lokaal zou kunnen worden opgewekt, zou die dus niet via het net hoeven en meteen een bijdrage kunnen leveren aan deze onderneming, die graag zijn kosten wil verlagen via elektrificatie. Windmolens kunnen, afhankelijk van de situatie, dus ook een oplossing zijn als er nu door de netcongestie niet geleverd kan worden.
Zijn er windturbines die niet kunnen leveren? Nee, die zijn er niet, naar wij weten.
Dan de vraag over de transportovereenkomst en de leveringsovereenkomst. De transportindicatie wordt door de netbeheerder afgegeven. Die geeft aan dat er op het moment van afgeven nog ruimte is op het net, maar dat is een indicatie, dus het geeft geen garantie dat die transportruimte er daadwerkelijk is op het moment dat de windturbine wordt aangesloten. Dat is dan het risico voor de ondernemer die die windturbine plaatst, want nogmaals: als die niet draait, krijgt die geen subsidie. Dat doet dan dus iets met de businesscase voor de ondernemer. Ook een leveringsovereenkomst speelt geen rol bij de SDE+. Maar ja, als je als ondernemer je stroom niet kwijt kunt, ben je er niet met de subsidie alleen. Ook dan heb je dus geen reden om toch een windmolen te plaatsen, aangezien dat ten koste gaat van je businesscase.