Plenair verslag Tweede Kamer, 32e vergadering
Dinsdag 20 januari 2026

  • Begin
    14:00 uur
  • Sluiting
    0:00 uur
  • Status
    Ongecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Paulusma

Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:

De voorzitter:
Ik open de vergadering.

Vragenuur

Vragenuur

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.


Vragen Struijs

Vragen van het lid Struijs aan de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg over het bericht "Mantelzorgers overbelast maar overheid vraagt hen meer te doen".

De voorzitter:
Aan de orde zijn de mondelinge vragen. Ik heet de leden van de Kamer welkom. Ik heet ook de staatssecretaris in vak K van harte welkom. Wij beginnen met de eerste collega, de heer Struijs van 50PLUS, met zijn mondelinge vragen aan de staatssecretaris. Gaat uw gang.

De heer Struijs (50PLUS):
Dank u, voorzitter. In Nederland is ongeveer het ongelofelijke aantal van 5 miljoen mensen mantelzorger. We hebben het bij 50PLUS al eerder gezegd: zonder mantelzorgers en vrijwilligers stort de samenleving in elkaar. Zij zijn het cement dat de boel bij elkaar houdt. Een groot deel van hen zijn 50-plussers die voor hun ouder of ouders zorgen, maar ik wil hier zeker ook de jonge mantelzorgers benoemen. Ook op hun schouders rust namelijk een enorme last. Ook de werkende vrouwen in de zorg, die ook nog eens kinderen hebben, mogen niet vergeten worden. Zij worden driedubbel uitgewoond.

Een op de drie mantelzorgers werkt in de zorg. Vorige week bleek uit een onderzoek van de FNV dat de situatie van mantelzorgers steeds penibeler wordt. Bijna 50% geeft aan steeds vermoeider te raken. 10% geeft aan op omvallen te staan. Dit is erg zorgwekkend, en zelfs alarmerend te noemen. Je kunt niet én bezuinigingen op de zorg én ouderen langer thuis laten wonen, en dan verwachten dat de mantelzorgers als een duizenddingendoekje de klappen blijven opvangen. De balans is wat 50PLUS betreft weg. Met de toenemende vergrijzing zal de druk op mantelzorgers alleen maar toenemen. Daarom de volgende vragen.

Realiseert de staatssecretaris zich dat de rek er bij de inzet van mantelzorgers nu wel uit is? Langer thuis wonen en het te veel leunen op mantelzorgers zorgen ervoor dat niet alleen mensen, maar ook het systeem door het ijs zakken. Erkent zij het probleem en wat doet zij met dit gegeven?

Mantelzorgondersteuning, de Wmo, is nu belegd bij gemeenten, dus verschilt enorm. Is de staatssecretaris het eens met de stelling dat overbelasting van mantelzorgers een nationaal probleem is, dat veel meer met een ondergrens aan beleid landelijk zou moeten worden opgepakt?

In het bijzonder is er een probleem voor mantelzorgende werkende vrouwen in de zorg. Als zij omvallen, treft dit hun inkomen en pensioenopbouw, maar ook de inzet in de zorg. Hoe kunnen we zorgen voor een vangnet voor deze groep?

Als vervolg wil ik ook weten of er echt een brede erkenning is binnen het kabinet, omdat wij dit als een zeer cruciaal probleem zien.

Ik dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag de staatssecretaris het woord. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Pouw-Verweij:
Dank u wel, voorzitter. Heel hartelijk dank voor de vragen. Als allereerste zou ik willen zeggen dat ik het helemaal met de heer Struijs eens ben dat mantelzorgers het cement zijn. Ze zijn van onschatbare waarde. Ik denk bovendien dat mantelzorg eigenlijk de mooiste vorm van zorg is die je kunt krijgen. Het is zorg die je ontvangt van een geliefde, die als een warme mantel — daarom wordt het wellicht ook zo genoemd — om je heen gelegd wordt. Deze mantelzorgers zijn van onschatbare waarde en die moeten we waar mogelijk ondersteunen.

Ik zal nu de vragen adresseren. Is de rek eruit en erken ik het probleem? Ik herken de signalen dat er steeds meer mantelzorgers in de knel komen. Met name de opmerking over vrouwen in de zorg is er een die ik herken. Daarbij zie je ook dat er spanning is tussen verschillende soorten beleid die gevoerd worden. Aan de ene kant zie je dat er veel ingezet wordt op maximale arbeidsparticipatie, onder andere vanuit het ministerie van SZW. Tegelijkertijd zien wij bij VWS bepaalde ontwikkelingen op ons afkomen. Het aantal werknemers in de zorg stijgt niet gigantisch, terwijl we wel een stijging van de zorgvraag zien, onder andere door de vergrijzing. Dat zijn dingen die heel erg lastig te combineren zijn. We zien inderdaad dat heel veel mantelzorgers in de knel komen. Hierbij noemde de heer Struijs onder andere het langer thuis wonen. Daarbij wil ik ook wel noemen dat een deel hiervan het effect is van een maatschappelijke beweging. We zien dat steeds meer ouderen zelf de keuze maken om langer thuis te wonen. Toen ik zelf Kamerlid was, heb ik heel vaak gepleit voor de terugkomst van het verzorgingshuis. Inmiddels heb ik als staatssecretaris moeten erkennen dat uit onderzoek onder ouderen blijkt dat zij daar zelf eigenlijk veel minder behoefte aan hebben dan ik dacht. Ouderen willen ook liever niet naar het verpleeghuis. We zien de wachtlijsten daar teruglopen. Ook ouderen zelf kiezen er dus steeds vaker voor om minder formele zorg af te nemen en lang thuis te blijven wonen. Ze maken daardoor meer aanspraak op informele zorg. Dit is dus niet alleen een politieke beweging; hieraan ligt ook een maatschappelijke beweging ten grondslag.

Dat gezegd hebbende erken ik dat er steeds meer mensen in de knel komen. Ik heb daar absoluut oog voor. Ik zet dan meteen de stap naar uw laatste vraag, zeg ik via de voorzitter, over de erkenning door het kabinet. Die is er absoluut. We zijn niet voor niets afgelopen week gestart met de campagne ZIEN dat zij er voor iemand ZIJN. Die gaat heel specifiek over mantelzorgers en de erkenning die zij nodig hebben. Daarbij kijken we ook specifiek naar jonge mantelzorgers en werkende mantelzorgers, groepen die hier ook werden genoemd, en werken we samen met Mantelzorg.nl, sociaal werk, Alzheimer Nederland en nog veel meer ketenpartners.

Dan de vraag hoe we dit regelen. Ik herken dat dit een landelijk probleem is. We zien dat dit voorkomt in alle delen van Nederland en onder alle bevolkingsgroepen. Daarom doen we er ook landelijk dingen aan, onder andere vanuit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en vanuit de Mantelzorgagenda. Samen met OCW, SZW en Fin hebben we de SER gevraagd om met een onderzoek te komen over de combinatie mantelzorg en werk. Dat is allemaal landelijk beleid. Dat gezegd hebbende blijkt ook uit het FNV-onderzoek dat er juist behoefte is aan erkenning en ondersteuning dichtbij, onder andere op het werk maar ook in lokale kring. Ik denk dus dat het juist goed is dat er ook op een zo lokaal mogelijk niveau ondersteuning wordt geboden. Daarbij kijk ik naar werkgevers, maar ook naar de gemeenten, omdat die het beste maatwerk kunnen bieden dat past bij de lokale behoeften.

Ten slotte de vraag over het vangnet voor werkende vrouwen in de zorg. Ook dat herken ik. Zoals ik al aangaf, komt het SER-advies eraan. Naar verwachting wordt dat in het eerste kwartaal van 2026 gepubliceerd. Daarbij is de SER expliciet verzocht om in het advies oog te hebben voor eventuele ingrepen in wettelijke stelsels, zoals de sociale zekerheid. Ik verwacht dat zij het nieuwe kabinet van concrete aanbevelingen zullen voorzien om de combinatie werk en mantelzorg beter te faciliteren. Aangezien mijn tijd hier helaas beperkt is, kijk ik daarvoor nadrukkelijk naar het volgende kabinet.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik weet dat Kamerleden vaak een frisse wind zijn, maar ik ga de heer Struijs toch vragen om hier te gaan staan, want dan kunnen we uw tijd ook een beetje in de gaten houden en is er ook ruimte voor andere collega's. Gaat uw gang.

De heer Struijs (50PLUS):
Ik dacht: ik probeer dit trucje even om wat meer … Nee hoor.

De voorzitter:
Het is mislukt. Gaat uw gang.

De heer Struijs (50PLUS):
Ik ben blij met de erkenning, maar ik ben in deze periode toch op zoek naar een ondergrens die we vanuit de Tweede Kamer kunnen leggen. Ik zie te veel differentiatie bij werkgevers, zoals u terecht zegt, maar met name ook bij gemeenten. Ik ben zelf enorm geschrokken door wat ik in ons eigen empirische onderzoek las over die differentiatie. Sommige gemeenten doen aantoonbaar veel te weinig. Ik ben er dus naar op zoek om als Kamer, samen met dit kabinet maar ook het toekomstige kabinet, toch een ondergrens van zorg te bepalen waarmee gemeenten en werkgevers in de cao rekening moeten houden. Is dat een richting die u zelf al wilt inslaan, of is dat voor het volgende kabinet? Misschien zit ik daar zelf wel in; ik weet ook niet hoe de toekomst eruitziet. Kunt u het ondersteunen om die weg toch in te slaan? Natuurlijk hebben wij ook oog voor het SER-rapport, want daar zijn we met z'n allen heel erg nieuwsgierig naar. Mijn concrete vraag is dus of u bereid bent om de eerste stappen te zetten om gewijde grond te maken voor een stevige basis bij zowel gemeenten als werkgevers, en dan niet met een te vrijblijvend karakter.