Mededeling (uitstel antwoord) : Uitstel beantwoording vragen van het lid Van den Berg over de onderzoekskeuzes en conclusies van de TenneT-studies naar de netinpassing van nieuwe kerncentrales
Vragen van het lid Van den Berg (JA21) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over de onderzoekskeuzes en conclusies van de TenneT-studies naar de netinpassing van nieuwe kerncentrales (ingezonden 10 september 2026).
Mededeling van Staatssecretaris De Bat (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen
18 september 2026).
Vraag 1
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) het voorstel
van TenneT om de netinpassingsstudie integraal door te rekenen met het nieuwe scenario
van 30 gigawatt (GW) wind op zee niet heeft gevolgd, nadat TenneT had aangegeven dat
hierdoor de planning van het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) zou verschuiven?1
Vraag 2
Wie heeft besloten dit voorstel niet te volgen, op welke datum en op welk ambtelijk
of politiek niveau is dat besluit genomen, welke bewindspersoon is daarover geïnformeerd
en kunt u de bijbehorende opdracht, beslisnota en schriftelijke afweging aan de Kamer
verstrekken?
Vraag 3
In hoeverre was de planing van het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) doorslaggevend
voor dit besluit, hoeveel weken of maanden vertraging en welke extra kosten werden
verwacht, en waarom konden extra onderzoekscapaciteit, parallelle uitvoering of aanpassing
van de planning geen uitkomst bieden?
Vraag 4
Welke risico’s voor de betrouwbaarheid en onderlinge vergelijkbaarheid van de locatiebeoordelingen
zijn bij dit besluit onderkend, welke waarschuwingen of voorbehouden heeft TenneT
daarbij meegegeven en hoe zijn deze in de besluitvorming verwerkt?
Vraag 5
Met welk specifiek onderzoek is uitvoering gegeven aan de afspraak dat de samenhang
tussen kernenergie en wind op zee via PEH zou worden geborgd, wanneer is dat onderzoek
daadwerkelijk opgeleverd en kunt u de resultaten verstrekken die deze borging voor
ieder zoekgebied aantonen?2
Vraag 6
Waarom is vervolgens een kwalitatieve vergelijking van studies met verschillende uitgangspunten
gevraagd, en heeft TenneT schriftelijk bevestigd dat deze vergelijking, samen met
de latere aanvullende analyses, de voorgestelde integrale herberekening voor alle
locaties volwaardig vervangt? Zo ja, kunt u die bevestiging verstrekken, en zo nee,
welke beperkingen resteren?3
Vraag 7
Kunt u voor Sloegebied, Terneuzen, Eemshaven en Maasvlakte/Europoort in één overzicht
aangeven welke combinaties van kernvermogen, windaanlanding, elektriciteitsvraag en
netuitbreiding daadwerkelijk kwantitatief zijn doorgerekend, met per berekening het
scenario, de modelversie, de opleverdatum en de gebruikte beoordelingscriteria?
Vraag 8
Welke van deze vergelijkingen ontbraken nog toen het kabinet op 19 juni 2026 bekendmaakte
welke locatiealternatieven niet meer als voorkeursalternatief in aanmerking kwamen,
en op welke inhoudelijke grond achtte u de beschikbare netanalyses desondanks voldoende
voor die tussenconclusie?4
Vraag 9
Welke uitgangspunten heeft het ministerie vooraf als niet-onderhandelbaar aan TenneT
meegegeven, in het bijzonder voor windaanlandingen, bestaande productie, industriële
vraag en netuitbreiding, en kunt u per uitgangspunt onderscheiden of dit voortvloeide
uit een technische grens, een juridische verplichting of een (ideologische) beleidskeuze?
Vraag 10
Zijn beoordelingscriteria, kostengrenzen of kwalificaties voor de inpasbaarheid van
locaties gewijzigd nadat voorlopige rekenresultaten bekend waren; zo ja, welke wijzigingen
zijn aangebracht, door wie, om welke reden en met welk effect op de onderlinge beoordeling
van de locaties?
Vraag 11
Welke wijzigingen in onderzoeksvragen, aannames, conclusies en voorbehouden zijn op
verzoek van het ministerie aangebracht in concepten van de TenneT-rapporten, en kunt
u daarvan een gedateerd overzicht verstrekken met de oorspronkelijke tekst, de gewijzigde
tekst, de verzoekende instantie of (bewinds)persoon en de motivering?
Vraag 12
Kunt u een volledig varianten- en versieregister verstrekken, inclusief voorgestelde
maar niet doorgerekende varianten en wel doorgerekende maar niet gepubliceerde resultaten,
met per onderdeel de reden voor selectie of afwijzing, de beslisser en de datum, zodat
de Kamer kan toetsen of gunstige en ongunstige uitkomsten volgens dezelfde regels
zijn behandeld?
Vraag 13
Welke tekortkomingen die de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op 17 april 2026 benoemde
bij de scenario’s van het investeringsplan van TenneT werken door in de kernenergiestudies,
welke zijn vóór de locatiebeoordeling hersteld en wat veranderde daardoor aan de uitkomsten?
Kunt u dit per tekortkoming onderbouwen?5
Vraag 14
Heeft de ACM-brief van 17 april 2026 aanleiding gegeven om het eerdere besluit om
TenneTs voorgestelde integrale herberekening vanwege de PEH-planning niet te volgen,
opnieuw te beoordelen voordat de locatieconclusies van 19 juni 2026 werden getrokken?
Zo ja, kunt u die herbeoordeling verstrekken, en zo nee, waarom niet?6
Kunt u per zoekgebied onderscheiden welke belemmeringen een harde technische of veiligheidsgrens
vormen, welke met maatregelen oplosbaar zijn en welke uitsluitend samenhangen met
kosten, planning of scenarioaannames, en daarbij aangeven hoe de vuistregel van 0,5
TWh niet-transporteerbare energie is toegepast en waarom deze in de betreffende situatie
wel of geen uitsluiting rechtvaardigt?7
Vraag 15
Hoe verhoudt de conclusie op pagina 16 van de vergelijkingsnotitie dat 2,2 GW in het
Sloegebied niet kan worden ingepast zich tot de passage op pagina 27 dat dit vermogen
met stevige maatregelen inpasbaar zou kunnen worden gemaakt, en welke verschillen
in aannames, stationscapaciteit of maatregelpakketten verklaren deze formuleringen?
Welke rol speelt de beleidsmatige voorkeur voor wind op zee hierin?8
Vraag 16
Op welke aantoonbare projecten en aansluitmogelijkheden berust de voor Eemshaven veronderstelde
vraag van 1 GW basisvraag en 4 GW flexibele vraag, en kunt u voor alle onderzochte
regio’s met dezelfde definities aangeven welk deel reeds bestaat, is gecontracteerd, is aangevraagd of uitsluitend een
scenarioaanname is?9
Vraag 17
Zijn alle locaties getoetst op gelijke percentages achterblijvende nieuwe elektriciteitsvraag,
bijvoorbeeld 25%, 50% en 100% van de veronderstelde groei, met behoud van regionale
verschillen in bestaande vraag? Zo ja, wat zijn de resultaten per locatie, en zo nee,
bent u bereid deze gevoeligheidsanalyse alsnog te laten uitvoeren? En hoe kunt u dan
stellen dat het niet past in het Sloegebied?
Vraag 18
Is inmiddels de combinatie van kerncentrales in Eemshaven en windaanlandingen in Zeeland
en Moerdijk binnen één 30 GW-scenario kwantitatief doorgerekend, die volgens pagina
21 van de vergelijkingsnotitie niet was doorgerekend? Zo ja, wat zijn de resultaten,
en zo nee, welke conclusies over deze combinatie kunnen dan nog niet worden getrokken?10
Vraag 19
Bent u bereid alle locaties tevens te vergelijken in een consistent vertraagd-transitiescenario
waarin zowel elektriciteitsvraag als windontwikkeling achterblijven, met in ieder
locatiealternatief hetzelfde nieuwe kernvermogen en een gelijke behandeling van de
bestaande kerncentrale Borssele, en daarbij de onzekerheidsmarges en eventuele veranderingen
in de locatiebeoordeling te publiceren?
Vraag 20
Waarom stond aanvankelijk een veronderstelde waterstofpiekcentrale van 1 GW in Zeeland
in het model, terwijl verplaatsing naar Eemshaven de regionale redispatchraming voor
de Terneuzen-referentie verlaagt van € 62 miljoen naar € 477 miljoen per jaar, en
welke landelijke effecten en andere gevoeligheden voor de locatie van productiecentrales
zijn onderzocht?11
Vraag 21
Kunt u bevestigen dat de bedragen van € 477 miljoen voor de Terneuzen-referentie en
€ 6 miljoen voor verspreide kleine modulaire reactoren (SMR’s) uitsluitend knelpunten
in Zeeland en Noord-Brabant betreffen, en aangeven of en waar deze bedragen in de
beleidscommunicatie als landelijke kostenvergelijking zijn gebruikt?12
Vraag 22
Wat zijn per locatie de landelijke extra net- en congestiekosten ten opzichte van
dezelfde nulvariant zonder nieuwe kerncentrales, welke kosten blijven in die nulvariant
bestaan en hoe is geborgd dat de elektriciteitsvraag en leveringszekerheid ook daarin
worden gedekt, zodat bestaande knelpunten niet volledig aan de nieuwe kerncentrales
worden toegerekend?
Vraag 23
Hoe is de rekenwaarde van € 200/megawattuur (MWh) voor redispatch opgebouwd, op welk
prijsjaar en welke marktgegevens berust zij en hoe zijn inkoopvolume en het daadwerkelijke
ontlastende effect op het net verwerkt? Kunt u voor 2040 onderbouwde lage, centrale
en hoge ramingen verstrekken in plaats van uitsluitend één rekenwaarde?13
Vraag 24
Hoe wordt bij de kostenberekening voorkomen dat dezelfde elektriciteitsstroom of dezelfde
redispatchmaatregel meermaals wordt geteld wanneer meerdere verbindingen gelijktijdig
overbelast zijn, en kunt u de berekeningswijze en resultaten uitsplitsen naar niet-transporteerbare
energie, werkelijk ingekochte redispatch en daarmee opgeloste knelpunten?
Vraag 25
Kunt u bevestigen dat extra flexibele vraag en redispatch in de Terneuzen-analyse
deels alternatieve oplossingsroutes zijn, en per variant inzichtelijk maken hoeveel
redispatch bij oplopende flexibele vraag resteert, inclusief de investeringen, aansluitkosten
en eventuele publieke ondersteuning die nodig zijn om die extra vraag daadwerkelijk
te realiseren?
Vraag 26
Welke integrale afweging heeft u gemaakt naar aanleiding van de variant in de Terneuzen-analyse
waarin het weglaten van 2 GW windaanlanding de regionale redispatchraming bij behoud
van de nieuwe kerncentrales verlaagt van € 477 miljoen naar € 134 miljoen per jaar,
inclusief alternatieve aanlanding, vervangende productie, aangegane verplichtingen
en eventuele beëindigingskosten?14
Vraag 27
Welke productiebeperking is per variant nodig voor kerncentrales en windparken, uitgedrukt
in maximaal vermogen, aantal uren en werkelijk gemiste MWh per jaar, en hoe zijn technische
regelmogelijkheden, transportafspraken en economische gevolgen per technologie meegenomen
in de keuze van het voordeligste uitvoerbare maatregelpakket?
Vraag 28
Kunt u de effecten van totaal kernvermogen, reactorgrootte en geografische spreiding
afzonderlijk zichtbaar maken door de varianten van 3,2 GW, 2,2 GW, 1,6 GW en verspreide
SMR’s op dezelfde uitgangspunten te vergelijken, en daarbij voorkomen dat een modelmatige
vermogensvariant wordt gepresenteerd als bewijs van tijdige commerciële beschikbaarheid
of vergunbaarheid?
Vraag 29
Welke gerichte netmaatregelen zijn per locatie onderzocht, waaronder nieuwe stations,
aanpassing van de netconfiguratie, gelijkstroomverbindingen en beperking van kortsluitstromen,
en kunt u daarvan kosten en doorlooptijden geven, met een afzonderlijke onderbouwing
welk deel ook zonder nieuwe Zeeuwse kerncentrales nodig is voor het landelijke net?
Vraag 30
Waarom zou een beoordeling voor uitsluitend 2040 voldoende zijn voor een langdurige
uitsluiting van een locatie op grond van netinpassing, terwijl TenneT zelf de beperkte
tijdshorizon benoemt, en kunt u de inpasbaarheid voor 2045 en 2050 laten toetsen met
bijpassende netontwikkeling en realistische ingebruiknamedata van de kerncentrales?15
Vraag 31
Welke mogelijkheden zijn onderzocht om eventuele tijdelijke transportbeperkingen te
overbruggen met gefaseerde ingebruikname van reactoren, tijdelijke productiebeperking
of tijdig beschikbare netmaatregelen, en wat zijn per mogelijkheid de gevolgen voor
de bouwplanning, financiering, elektriciteitsproductie en totale kosten?
Vraag 32
Welke landelijke en regionale netprojecten zijn voor de gunstig beoordeelde locaties
als tijdig beschikbaar aangenomen, wat is hun actuele realisatiestatus en welke gevolgen
hebben vertraging of uitval van deze projecten voor de locatiebeoordeling? Is daarbij
voor alle regio’s dezelfde maatstaf voor uitvoerbaarheid gehanteerd?
Vraag 33
Welke aannames verklaren de verschillen tussen het TenneT-onderzoek en het regionale
onderzoek Systeemintegratie Elektriciteit Zeeland, en kunt u de vergelijking en bevindingen
van de aangekondigde werkgroep verstrekken, inclusief verschillen in geografische
reikwijdte, industriële vraag, productieprofielen en kosten, zonder één van beide
modellen op voorhand als doorslaggevend te behandelen?16
Vraag 34
Wanneer ontvangt de Kamer één integrale vergelijking van de locatiealternatieven waarin
naast netkosten ook bouw- en financieringskosten, vertraging, industriële ontwikkeling,
leveringszekerheid, importafhankelijkheid, systeemdiensten en draagvlak worden meegewogen,
met dezelfde prijsbasis en beoordelingsperiode en zonder subsidies of andere financiële
overdrachten dubbel als maatschappelijke kosten te tellen?
Vraag 35
Welke ruimtelijke, veiligheids- en milieubezwaren tegen Sloegebied 1 en 2 zouden elk
afzonderlijk nog tot uitsluiting leiden als de netinpassing gunstiger uitvalt, welke
zijn met maatregelen oplosbaar en welk gewicht heeft het kabinet aan ieder bezwaar
toegekend in de totale afweging?17
Vraag 36
Welke onderdelen van de studies zijn onafhankelijk gevalideerd, door welke partij
en op basis van welke opdracht, en omvatte die validatie ook de scenarioselectie,
de gelijkwaardigheid van de locatievergelijking en de beleidsconclusies? Kunt u tevens
verduidelijken welke rol DNV vervulde en de betreffende opdrachten en bevindingen
verstrekken?
Vraag 37
Bent u bereid vóór de voorkeurslocatiekeuze een onafhankelijke toets te laten uitvoeren
op de resterende onzekerheden en ontbrekende vergelijkingen, door deskundigen die
niet betrokken waren bij het opstellen van de studies, met toegang tot de benodigde
modellen en gegevens en met een openbaar rapport, inclusief opdracht, budget en opleverdatum?
Vraag 38
Kunt u bij de voor 1 oktober 2026 toegezegde informatieuitwisseling ook de opdrachten,
beslisnota’s, overlegverslagen, relevante zakelijke e-mails en chatberichten, conceptcommentaren
en variantenregisters verstrekken, met een documentenlijst waarop per ontbrekend of
niet-openbaar onderdeel de reden staat en wordt aangegeven of vertrouwelijke inzage
mogelijk is?18
Vraag 39
Bent u bereid de netgerelateerde locatieconclusies te herzien wanneer een gelijkwaardige
vergelijking daartoe aanleiding geeft, eventuele te stellige beleidscommunicatie te
corrigeren en daarbij afzonderlijk te motiveren welke andere locatiebezwaren blijven
gelden, voordat het kabinet zijn voorkeurslocatie vastlegt?
Vraag 40
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór 1 oktober 2026 beantwoorden, bij iedere verwijzing
naar eerder verstrekte informatie de exacte vindplaats en relevante passage noemen
en, voor zover nieuw rekenwerk nodig is, de reeds beschikbare antwoorden en stukken
niet laten wachten maar per ontbrekend resultaat een verantwoordelijke en een uiterste
leverdatum geven?
Mededeling
Met deze brief informeer ik over het uitstel van de beantwoording van de vragen van
het lid Van den Berg (JA21) over de onderzoekskeuzes en conclusies van de TenneT-studies
naar de netinpassing van nieuwe kerncentrales.
Het gaat om een omvangrijke set aan Kamervragen die afstemming vergen met o.a. TenneT.
Dit wil ik zorgvuldig doen en daarvoor vraag ik meer tijd. Ook heeft het lid Van den
Berg aanvullend op mijn toezegging19 aan het lid Vermeer gevraagd om alle informatie-uitwisseling met TenneT over dit
onderwerp te verstrekken. Om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan deze verzoeken
voor aanvullende informatie over de contacten met TenneT ben ik voornemens om de Kamer
in een brief de feitelijke informatie te verschaffen over de tijdlijn van de contacten
met TenneT en de inhoudelijke strekking van de contactmomenten, conform de toezegging
aan het lid Vermeer. Deze brief zal zo spoedig mogelijk worden verzonden.
Ondertekenaars
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat