Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Steen over het aanhoudende tekort aan studentenhuisvesting en de voortgang van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting
Vragen van het lid Steen (CDA) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het aanhoudende tekort aan studentenhuisvesting en de voortgang van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting (ingezonden 20 augustus 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 18 september 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oeverloos speuren naar een kamer van 950 euro? Dan maar uren reistijd» over de grote moeite die studenten ook dit jaar hebben om een betaalbare kamer te
vinden?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u, met het nieuwe studiejaar voor de deur, de huidige situatie op de
studentenwoningmarkt? Hoeveel studenten zijn naar uw huidige inschatting op zoek naar
woonruimte, maar hebben nog geen kamer of andere studentenwoning kunnen vinden?
Antwoord 2
In de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting (LMS) 2026, die ik begin deze maand
naar uw Kamer heb gestuurd, blijkt dat het voor het studiejaar 2025/2026 het huisvestingstekort
voor hbo- en wo-studenten in negentien studiesteden wordt geschat op circa 20.200
studentenwoningen.2 Daarmee ligt het tekort iets lager dan een jaar eerder, toen nog werd uitgegaan van
21.500 ontbrekende wooneenheden. Deze lichte daling van het tekort komt door de nieuwbouw,
een daling van het aantal studenten in het hoger onderwijs, een kleinere groep thuiswonende
studenten die de wens heeft om uitwonend te worden en een afname van het aantal internationale
studenten.
Het is van groot belang dat het tekort verder wordt ingelopen zodat studenten goed
kunnen starten aan hun studietijd. Ik zal mij daar de komende periode onverminderd
voor in blijven zetten, samen gemeenten, huisvesters, onderwijsinstellingen en studentenorganisaties.
Ik zal daarbij oog hebben voor de regionale verschillen.
Vraag 3
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat studenten vanwege het tekort aan
betaalbare kamers noodgedwongen langer thuis blijven wonen, lange dagelijkse reistijden
accepteren of hun studiekeuze mede laten afhangen van de beschikbaarheid van woonruimte?
Wat vindt u daarvan?
Antwoord 3
Net als in voorgaande jaren is het voor studenten, net als voor veel andere woningzoekenden,
moeilijk een woonruimte te vinden. Dit kan op verschillende wijzen invloed hebben
op de studiekeuze en studieomstandigheden. Ik vind dat het tekort aan studentenhuisvesting
teruggedrongen moet worden en werk daarom via het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting
samen met gemeenten, huisvesters, onderwijsinstellingen en studentenorganisaties om
het tekort aan studentenwoningen aan te pakken. Met dit actieplan streven de betrokken
partijen ernaar om tussen 2022 en 2030 in totaal 60.000 betaalbare studentenwoningen
te realiseren.
Vraag 4
Hoe heeft het tekort aan studentenhuisvesting zich sinds de start van het Landelijk
Actieplan Studentenhuisvesting ontwikkeld? Ligt de doelstelling om in de periode 2022–2030
60.000 extra studentenwoningen te realiseren nog op koers? Kunt u aangeven hoeveel
van deze 60.000 woningen inmiddels daadwerkelijk zijn gerealiseerd, hoeveel momenteel
in aanbouw zijn en hoeveel woningen zich in de planfase bevinden?
Antwoord 4
De beoogde 60.000 woningen extra woningen in de periode tussen 2022 en 2030 moeten
worden gerealiseerd via nieuwbouw en het betere benutten van de bestaande voorraad.
De afgelopen jaren werden er ieder jaar ongeveer 5.000 nieuwbouw studentenwoningen
opgeleverd. Ik heb geen zicht op het aantal woningen in aanbouw, wel is het aantal
geplande woningen bekend. Uit de LMS blijkt dat de negentien grootste studiesteden
definitieve bouwplannen hebben voor de bouw van ruim 17.100 extra studentenwoningen
in de periode 2026 tot en met 2034. Naast deze concrete plannen hebben gemeenten ruim
17.900 voorlopige bouwplannen. We liggen daarmee op koers. De aandacht mag echter
niet verslappen, we hebben de afgelopen jaren gezien dat ontwikkelingen als uitponden
grote invloed kunnen hebben op het aanbod.
Uit de LMS 2026 en de LMS 2022 blijkt dat het huisvestingstekort voor hbo- en wo-studenten
in de negentien grootste studiesteden is gedaald van 26.880 in het collegejaar ’21-’22
tot 20.200 in het collegejaar ’25-’26. Rekening houdend met de ontwikkeling van het
aanbod aan studentenhuisvesting, ligt het huisvestingstekort voor hbo- en wo-studenten
in deze negentien studiesteden in het collegejaar ’33-’34 naar verwachting op 9.500
woonruimten in het referentiescenario en op 36.500 woonruimten in het hoge-vraag scenario
(LMS 2026).
Vraag 5
Welke voortgang heeft u sinds de beantwoording van de eerdere vragen van het lid Steen
in april geboekt met de actualisering van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting?
Op welke wijze zijn de partners in het Landelijk Platform Studentenhuisvesting bij
deze actualisering betrokken? Wanneer kan de Kamer het geactualiseerde actieplan tegemoetzien?
Antwoord 5
Eerder heb ik aan uw Kamer toegezegd het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting
te actualiseren. Om deze actualisatie te ondersteunen, heb ik een tussentijdse evaluatie
laten uitvoeren. De partners van het Landelijk Platform Studentenhuisvesting (LPS)
zijn hierbij nauw betrokken en meegenomen in de gesprekken. Deze evaluatie is samen
met de Voortgangsbrief studentenhuisvesting 2026 met uw Kamer gedeeld. Op basis van
deze evaluatie ga ik met de leden van het LPS in gesprek om te beoordelen welke actualisatie
van het actieplan noodzakelijk is. Ik zal uw Kamer uiterlijk voor de zomer van 2027
informeren over de eventuele aanpassingen van het actieplan.
Vraag 6
Welke concrete aanvullende maatregelen bent u voornemens in het geactualiseerde actieplan
op te nemen om het tekort aan studentenhuisvesting sneller terug te dringen? Welke
bijdrage moeten deze maatregelen leveren aan het realiseren van de doelstelling van
60.000 extra studentenwoningen?
Antwoord 6
Ik neem zelf nu al extra maatregelen om het tekort aan studentenhuisvesting sneller
terug te dringen, zoals het opnemen van studentenhuisvesting in het proces van de
woondeals. Ook werk ik met universiteiten aan een groter aanbod van studentenhuisvesting
op campussen. Zoals aangegeven ga ik eerst met de leden van het LPS in gesprek om
te bekijken welke aanvullende maatregelen aan het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting
worden toegevoegd. Ik vind het belangrijk dat deze maatregelen breed worden gedragen.
In ieder geval wil ik het gesprek aangaan over een doorontwikkeling van de monitoring.
Met het opnemen van studentenhuisvesting in de woondeals is gerichtere informatie
nodig over planvorming en realisatie om goed te kunnen sturen. Daarnaast wil ik de
belangrijke rol die de studentenhuisvestingsregisseur vervult bespreken.
Vraag 7
Kunt u specifiek aangeven welke voortgang sinds april is geboekt met het ondersteuningsprogramma
studentenhuisvesting voor gemeenten buiten de G4, waar in de aangenomen motie van
het lid Steen c.s. om is gevraagd? Is dit ondersteuningsprogramma inmiddels operationeel?
Zo nee, wanneer zal dit het geval zijn?
Antwoord 7
In de kamerbrief Voortgang studentenhuisvesting 2026 heb ik u geïnformeerd over de
uitvoering van deze motie. Ik kan daaraan toevoegen dat er vanuit de studentenhuisvestingsregisseur
met alle regiogemeenten die voor huisvesting relevant zijn contact is geweest over
behoeften en bouwplannen. In november wordt er een kennisbijeenkomst georganiseerd
voor deze gemeenten, waar onderlinge uitwisseling, voorlichting, ondersteuning en
advies centraal staan. Er zijn hier meer dan 50 gemeenten voor uitgenodigd. Dergelijke
bijeenkomsten worden nu al succesvol gehouden voor de universiteits- en HBO-steden.
Deze formule schalen we dus verder op. Vanuit het team Regie op Studentenhuisvesting
en de studentenhuisvestingsregisseur is bovendien intensief contact met afzonderlijke
gemeenten.
Vraag 8
Welke concrete ondersteuning kunnen gemeenten vanuit dit programma krijgen bij het
realiseren van studentenhuisvesting?
Antwoord 8
Het Rijk stelt financiële ondersteuning ter beschikking aan gemeenten. De afgelopen
jaren konden gemeenten daarvoor een beroep doen op de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen
(RHA), waarvan de laatste tranches zich specifiek richtten op het stimuleren van onzelfstandige
eenheden. In het coalitieakkoord is afgesproken dat er objectsubsidies komen voor
gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten. In de miljoennota is opgenomen dat
het 60 miljoen euro beslaat in 2029 en 65 miljoen euro per jaar voor de jaren 2030
tot en met 2035. Daarnaast kunnen gemeenten een beroep doen op het Expertteam Woningbouw,
dat helpt met advies en praktische hulp. Gemeenten kunnen tevens deelnemen aan de
regiotafels die door de studentenhuisvestingsregisseur zijn georganiseerd.
Vraag 9
Met welke gemeenten is er inmiddels overleg en samenwerking in het kader van dit ondersteuningsprogramma,
over het delen van expertise en kennis over de bouw van studentenwoningen?
Antwoord 9
Vanuit de studentenhuisvestingregisseur is contact met alle gemeenten met een HBO
of WO instelling. Tijdens de bijeenkomsten die hij organiseert wordt expertise en
kennis over de bouw van studentenwoningen uitgewisseld. Daarnaast worden zij ook uitgenodigd
voor de woondealgesprekken.
Vraag 10
Op welke wijze wordt binnen het ondersteuningsprogramma specifiek ingezet op het versnellen
van de bouw van onzelfstandige studentenhuisvesting, zoals kamers met gedeelde voorzieningen?
Welke concrete belemmeringen bij gemeenten en woningcorporaties zijn sinds april geïdentificeerd
en welke daarvan zijn inmiddels weggenomen?
Antwoord 10
Alle partners van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting vinden het van belang
dat studentenhuisvesting niet alleen over een dak boven het hoofd gaat, maar dat er
ook oog is voor sociale aspecten. Onzelfstandige studentenhuisvesting, zoals kamers
met gedeelde voorzieningen, kan daaraan bijdragen. In de woondealafspraken die met
gemeenten worden gemaakt is de inzet dat 60% van de nieuwbouw studentenhuisvesting
onzelfstandig is. In de praktijk zijn ook veel goede voorbeelden waar onzelfstandige
huisvesting wordt gerealiseerd. Tegelijk is er een aantal redenen waarom huisvesters
ervoor kiezen om zelfstandige woonruimte te bouwen in plaats van onzelfstandige. Zoals
ik in mijn beantwoording van Kamervragen van 23 april jl. heb aangegeven, geven ontwikkelaars
en investeerders vaak aan dat de business case voor studio’s rendabeler is dan die
van onzelfstandige studentenhuisvesting. Daarnaast zijn studio’s volgens hen beter
voor een alternatieve doelgroep aan te wenden dan onzelfstandige eenheden. Om de business
case voor onzelfstandige woningen aantrekkelijker te maken is in het coalitieakkoord
afgesproken dat er een objectsubsidie komt voor gedeelde woonvormen voor jongeren
en studenten.
Vraag 11
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de in het coalitieakkoord aangekondigde
objectsubsidie voor gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten? Wanneer wordt
deze subsidieregeling opengesteld en vanaf welk moment kunnen woningcorporaties, studentenhuisvesters
en andere ontwikkelaars hiervan daadwerkelijk gebruikmaken? Kunt u daarbij aangeven
aan welke voorwaarden projecten moeten voldoen en hoeveel extra onzelfstandige woonruimten
voor studenten en jongeren u verwacht te kunnen realiseren?
Antwoord 11
In de Miljoenennota is aangekondigd dat de middelen worden ingezet voor verlenging
van de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen. Dit beslaat 60 miljoen euro in 2029
en 65 miljoen euro per jaar voor de jaren 2030 tot en met 2035. De regeling voorziet
in middelen voor de bouw van onzelfstandige woonvormen voor aandachtsgroepen.
Vraag 12
Deelt u de opvatting dat het, nu opnieuw duizenden studenten moeite hebben een kamer
te vinden, van groot belang is om bestaande plannen voor studentenhuisvesting zo snel
mogelijk tot realisatie te brengen? Welke concrete mogelijkheden ziet u om projecten
die momenteel vastlopen of vertraging oplopen te versnellen?
Antwoord 12
Zoals uit de LMS blijkt, hebben de grootste negentien studiesteden definitieve bouwplannen
voor de bouw van ruim 17.100 extra studentenwoningen in de periode 2026 tot en met
2034. Naast deze concrete plannen hebben gemeenten ook nog eens ruim 17.900 voorlopige
bouwplannen. Ik vind het van belang dat al deze plannen snel tot realisatie komen.
Het opnemen van studentenhuisvesting in de woondeals zal daarbij helpen. Daarnaast
hebben studentenhuisvesters de afgelopen jaren veel ervaring opgedaan met bouwen onder
tijdsdruk. De RHA-subsidie bevordert dat gemeenten en huisvesters een hoog tempo van
realisatie aanhouden. Het is dan ook de vraag of de bouwplannen die klaarliggen nog
veel sneller kunnen. In tijdelijke oplossingen is soms wel aanzienlijke versnelling
mogelijk. Ook die opties worden overal verkend.
Vraag 13
Welke voortgang is sinds de beantwoording van de eerdere vragen geboekt met de aanpak
Samen Slim op de veertien locaties waar nieuwe methodieken en instrumenten worden ontwikkeld
om maatschappelijke baten, zoals sociale cohesie en ontmoeting, beter mee te nemen
in woningbouwprojecten? Welke methodieken en instrumenten zijn inmiddels ontwikkeld?
Welke eerste lessen kunnen uit de aanpak op deze veertien locaties worden getrokken?
Antwoord 13
De aanpak Samen Slim draagt bij aan versnelling van bouwprojecten door o.a. vroegtijdig
duidelijkheid te creëren over de bekostiging van maatschappelijke voorzieningen. Voor
Groningen Suikerzijde is bijvoorbeeld een langjarige maatschappelijke businesscase
opgesteld. Hierin zijn maatschappelijke voorzieningen, zorggeschikte woningen en betaalbaar
werk gekoppeld aan baten voor corporaties, beleggers en overheden (op het gebied van
Wmo, Zvw, Participatiewet, Jeugdwet en Wlz). Daarnaast wordt samen met het Ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat een tool ontwikkeld om maatschappelijke baten te
berekenen en te vertalen naar financiële stromen. TNO valideert hiervoor de financiële
baten en onderzoekt wettelijke belemmeringen en geldstromen. Met NEPROM en marktpartijen
worden ook de baten voor marktpartijen uitgewerkt.
De eerste lessen zijn dat de grootste urgentie ligt op het grensvlak van wonen en
zorg. Gemeenten zien hoge kosten voor onder meer jeugdzorg, vergrijzing en personeelstekorten
in de zorg. Tegelijkertijd vraagt het overbruggen van schotten extra capaciteit, die
niet altijd beschikbaar is.
Vraag 14
Heeft de aanpak Samen Slim inmiddels geleid tot concrete voorstellen aan de Taskforce Versnelling Woningbouw
om belemmerende wet- en regelgeving aan te passen? Zo ja, welke? Zo nee, wanneer verwacht
u dergelijke voorstellen te kunnen doen?
Antwoord 14
De concrete voorstellen zijn op korte termijn om bij een vijftal nationaal grootschalige
gebieden expliciet in de praktijk te werken met gebiedsgerichte investeringsbudgetten
die zich richten op maatschappelijk voorzieningen en ruimte voor werk en beogen meer
sociale cohesie, minder eenzaamheid, lager zorgvraag en meer arbeidsparticipatie te
realiseren. Omdat deze nog moeten worden uitgewerkt, zijn ze niet aan de Taskforce
Versnelling Woningbouw voorgesteld.
Vraag 15
Op welke wijze wordt binnen deze aanpak gekeken naar vermeden zorg- en opvangkosten,
bouwkosten, rendement op verhuur, ruimtegebruik, huurtoeslag en woningbouwsubsidies
om de maatschappelijke baten van onzelfstandige woonruimte ten opzichte van studio’s
beter inzichtelijk te maken? Welke voortgang is hiermee inmiddels geboekt? Wanneer
verwacht u een methodiek beschikbaar te hebben waarmee deze maatschappelijke baten
daadwerkelijk kunnen worden meegenomen in de businesscase van studentenhuisvesting?
Antwoord 15
Ik zal dit meenemen in de aanpak die in het antwoord op vraag 14 is beschreven.
Vraag 16
Welke maatregelen heeft u sinds de beantwoording van de eerdere Kamervragen genomen
om gemeenten en projectontwikkelaars vaker te laten kiezen voor onzelfstandige studentenhuisvesting
en gemeenschappelijke ruimten? Wat is in het bijzonder de stand van zaken van de aangekondigde
objectsubsidie voor gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten en wanneer kan
hiervan gebruik worden gemaakt?
Antwoord 16
In de afspraken die ik met gemeenten maak over de herijking van de woondeals is ook
studentenhuisvesting opgenomen. Daarbij streef ik er naar dat 60% van de nieuwbouw
studentenwoningen onzelfstandig zijn.
In de Miljoenennota is aangekondigd dat de middelen voor de objectsubsidie worden
ingezet voor verlenging van de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen. Dit beslaat
60 miljoen euro in 2029 en 65 miljoen euro per jaar voor de jaren 2030 tot en met
2035. De regeling voorziet in middelen voor de bouw van onzelfstandige woonvormen
voor aandachtsgroepen.
Vraag 17
Welke concrete acties gaat u, gelet op de aanhoudende tekorten die aan de vooravond
van het nieuwe studiejaar opnieuw zichtbaar worden, de komende maanden ondernemen
om ervoor te zorgen dat meer studenten daadwerkelijk een betaalbare kamer kunnen vinden?
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van de begroting van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening te informeren over de voortgang van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting,
het ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting en de overige hierboven genoemde
maatregelen?
Antwoord 17
Het is van groot belang dat het tekort verder wordt ingelopen en daar maak ik werk
van. Ik ga, samen met de partners, door met de uitvoering van het Landelijk Actieplan
Studentenhuisvesting. Daarnaast zal ik bij de herijking van de woondeals studentenhuisvesting
opnemen. In de voortgangsbrief Studentenhuisvesting die ik u begin deze maand heb
gestuurd heb ik u geïnformeerd over de voortgang van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting.
Wat betreft de vraagpiek aan het begin van het studiejaar: het is een bekend fenomeen
dat enkele maanden na de start van het studiejaar de krapte in veel steden weer afneemt
en veel studenten alsnog een kamer vinden. Dit geldt helaas in mindere mate voor de
steden met de allergrootste druk, zoals Amsterdam en Utrecht.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening