Schriftelijke vragen : De inzet van politiedrones voor verkeershandhaving
Vragen van het lid Van Duyvenvoorde (FVD) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de inzet van politiedrones voor verkeershandhaving (ingezonden 17 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Je kunt nu ook worden bekeurd op basis van dronebeelden: «Op deze manier hebben we
veel meer overzicht»» van Het Parool van 16 september 2026, waarin wordt bericht dat de politie drones
inzet om vanuit de lucht verkeersovertredingen vast te stellen en op basis van de
gemaakte beelden bekeuringen uit te schrijven?
Vraag 2
Kunt u uiteenzetten op welke specifieke wettelijke grondslag de politie deze drones
inzet voor verkeershandhaving en het verzamelen van beeldmateriaal dat vervolgens
wordt gebruikt voor het opleggen van sancties?
Vraag 3
Klopt het dat deze inzet in beginsel wordt gebaseerd op Artikel 3 van de Politiewet
2012, in samenhang met de algemene opsporingsbevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering?
Zo ja, kunt u toelichten waarom deze algemene taakomschrijving naar uw oordeel een
voldoende specifieke wettelijke grondslag vormt voor het op afstand en voor betrokkenen
veelal onzichtbaar observeren, fotograferen en identificeren van weggebruikers met
moderne hoogwaardige camera-apparatuur?
Vraag 4
Erkent u dat Artikel 3 van de Politiewet volgens vaste rechtspraak alleen een voldoende
grondslag vormt wanneer de daarmee gepaard gaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer
beperkt is en dat bij stelselmatige observatie een specifieke wettelijke bevoegdheid
noodzakelijk is?
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat het voor de vraag of sprake is van stelselmatige observatie
in de zin van deze rechtspraak niet doorslaggevend kan zijn of de waarneming formeel
wordt ingezet in het kader van opsporing dan wel van generiek toezicht, maar dat bepalend
is of burgers feitelijk op identificeerbare, herkenbare wijze worden geobserveerd
en gevolgd met het oog op het opleggen van een sanctie? Zo nee, waarom zou dat onderscheid
hier wel doorslaggevend zijn, terwijl het feitelijk effect voor de betrokken burger
– herkenbaar in beeld gebracht, mogelijk gevolgd, en uiteindelijk beboet – in beide
gevallen identiek is?
Vraag 6
Welke criteria hanteert de politie bij deze vorm van dronehandhaving om te voorkomen
dat de observatie, gelet op de duur, intensiteit, frequentie, locatie en gebruikte
technische hulpmiddelen, het karakter krijgt van stelselmatige observatie?
Vraag 7
Wordt bij deze inzet continu beeld opgenomen van het verkeer en de aanwezige personen
en voertuigen, of worden uitsluitend beelden vastgelegd vanaf het moment dat een politiefunctionaris
een vermoedelijke overtreding constateert? Kunt u de volledige werkwijze uiteenzetten
vanaf het moment dat de drone opstijgt tot het moment waarop eventueel een sanctie
wordt opgelegd?
Vraag 8
Hoeveel voertuigen en personen worden gemiddeld tijdens één dergelijke drone-inzet
herkenbaar of identificeerbaar in beeld gebracht zonder dat zij enige overtreding
hebben begaan?
Vraag 9
Over welke technische mogelijkheden beschikken de gebruikte drones en camera’s precies
wat betreft optische en digitale zoom, beeldresolutie, kentekenherkenning, herkenning
van gezichten, volgen van individuele personen of voertuigen en het vastleggen van
beelden over grote afstand?
Vraag 10
Klopt het dat bij eerdere juridische beoordelingen van politiedrones mede van belang
werd geacht dat de destijds gebruikte camera’s geen beelden konden produceren waarop
gezichten herkenbaar waren? Zo ja, wanneer heeft u voor het laatst laten beoordelen
of de inmiddels sterk verbeterde technische mogelijkheden van moderne drones gevolgen
hebben voor de vraag of Artikel 3 van de Politiewet nog steeds een voldoende wettelijke
grondslag biedt?
Vraag 11
Is specifiek juridisch beoordeeld wat het betekent voor de omvang van de grondrechteninbreuk
dat moderne drones vanaf grote hoogte zeer gedetailleerde beelden kunnen maken en
daarmee personen of voertuigen kunnen observeren zonder dat betrokkenen redelijkerwijs
merken dat zij worden geobserveerd? Zo ja, kunt u deze beoordeling aan de Kamer doen
toekomen?
Vraag 12
Hoe verhoudt deze werkwijze zich volgens u tot Artikel 10 van de Grondwet en Artikel
8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder tot de eisen
van voorzienbaarheid, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Vraag 13
Welke concrete proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging wordt voorafgaand aan
een drone-inzet gemaakt? Wordt daarbij expliciet onderzocht of hetzelfde handhavingsdoel
met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt?
Vraag 14
Is voor deze specifieke vorm van verkeershandhaving met drones een gegevensbeschermingseffectbeoordeling
dan wel GEB/DPIA uitgevoerd? Zo ja, wanneer is deze vastgesteld, door wie en bent
u bereid deze, zo nodig met weglating van operationeel gevoelige gegevens, aan de
Kamer te verstrekken?
Vraag 15
Indien geen afzonderlijke gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB)/Data Protection
Impact Assessment (DPIA) is uitgevoerd, kunt u dan uitleggen waarom dit niet noodzakelijk
is geacht bij een vorm van gegevensverwerking waarbij op grote schaal beeldmateriaal
en kentekengegevens van burgers kunnen worden verzameld met behulp van relatief nieuwe
surveillancetechnologie?
Vraag 16
Welke categorieën persoonsgegevens worden bij deze drone-inzet verwerkt? Worden naast
kentekens eveneens gezichten, inzittenden, locaties, tijdstippen, rijroutes of andere
tot personen herleidbare gegevens opgeslagen?
Vraag 17
Welke bewaartermijnen gelden voor beelden waarop een overtreding is vastgesteld en
welke bewaartermijnen gelden voor beelden van personen en voertuigen die géén overtreding
hebben begaan?
Vraag 18
Worden beelden waarop geen relevante overtreding of ander strafbaar feit zichtbaar
is automatisch vernietigd? Zo ja, binnen welke termijn en op welke wijze wordt gecontroleerd
dat dit daadwerkelijk gebeurt?
Vraag 19
Voor welke andere doeleinden dan de oorspronkelijke verkeershandhaving mogen de gemaakte
beelden worden geraadpleegd of verder verwerkt? Kunnen beelden bijvoorbeeld worden
gebruikt voor andere opsporingsonderzoeken, intelligence-doeleinden, persoonsherkenning
of analyse van verplaatsingspatronen?
Vraag 20
Kunnen de met deze drones gemaakte beelden automatisch worden gekoppeld aan andere
politiebestanden of systemen, waaronder ANPR-gegevens? Zo ja, welke koppelingen zijn
technisch en juridisch mogelijk en welke daarvan worden daadwerkelijk toegepast?
Vraag 21
Wordt bij deze werkwijze gebruikgemaakt van geautomatiseerde beeldanalyse, kunstmatige
intelligentie, automatische kentekenherkenning, objectherkenning of andere algoritmische
technieken? Zo ja, welke systemen worden gebruikt en welke menselijke controle vindt
plaats voordat op basis daarvan handhavend wordt opgetreden?
Vraag 22
Geldt de werkwijze, dat bij drone-inzet waarschuwingsborden worden geplaatst om burgers
erop te wijzen dat met drones wordt gevlogen en beelden worden gemaakt, eveneens voor
verkeerscontroles zoals beschreven in het genoemde artikel? Zo nee, waarom niet?
Vraag 23
Hoe verhoudt het uitgangspunt dat burgers over drone-inzet worden geïnformeerd zich
tot de in het artikel beschreven handelwijze waarbij de drone bewust op een zodanige
hoogte wordt gebracht dat weggebruikers deze niet opmerken?
Vraag 24
Acht u het vanuit het oogpunt van rechtsbescherming wenselijk dat burgers in beginsel
niet weten dat zij door de overheid vanuit de lucht worden geobserveerd, terwijl de
verzamelde beelden vervolgens tegen hen kunnen worden gebruikt in een sanctieprocedure?
Vraag 25
Welke mogelijkheden heeft een burger die op basis van dronebeelden wordt beboet om
kennis te nemen van de gemaakte beelden, de context waarin deze zijn verkregen en
de rechtmatigheid van de inzet van de drone te betwisten?
Vraag 26
Wordt in het proces-verbaal of de beschikking vermeld dat de geconstateerde overtreding
met behulp van een drone is vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Vraag 27
Welke rol heeft het Openbaar Ministerie gespeeld bij het goedkeuren van deze werkwijze?
Kunt u de juridische beoordeling of beleidsmatige goedkeuring waarop deze landelijke
uitrol is gebaseerd aan de Kamer doen toekomen?
Vraag 28
Welke pilot is aan de landelijke uitrol voorafgegaan, waar en gedurende welke periode
heeft deze plaatsgevonden, hoeveel dronevluchten zijn daarbij uitgevoerd, hoeveel
overtredingen zijn geconstateerd en welke evaluatiecriteria zijn gehanteerd?
Vraag 29
Is bij de evaluatie van deze pilot uitsluitend gekeken naar effectiviteit en verkeersveiligheid,
of eveneens naar privacy, grondrechten, proportionaliteit, subsidiariteit en de mogelijke
maatschappelijke gevolgen van uitbreiding van overheidssurveillance?
Vraag 30
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken geweest bij de beoordeling van deze werkwijze
of vooraf geraadpleegd? Zo ja, welke opmerkingen of voorwaarden heeft zij meegegeven?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 31
Bestaat er een afzonderlijk landelijk inzetkader voor het gebruik van politiedrones?
Zo ja, kunt u dit inzetkader integraal aan de Kamer verstrekken en aangeven in hoeverre
daarin specifieke regels zijn opgenomen over verkeershandhaving, technische camera-capaciteiten,
herkenbaarheid, opname, opslag, toegang en verdere verwerking van beelden?
Vraag 32
Wie beslist in een concreet geval waar, wanneer en gedurende welke periode een drone
voor verkeershandhaving wordt ingezet en aan welke inhoudelijke voorwaarden moet voorafgaand
aan een dergelijke inzet zijn voldaan?
Vraag 33
Bestaat er een maximum voor de duur en frequentie waarmee één locatie, wegvak of gebied
door middel van drones mag worden geobserveerd? Zo nee, hoe wordt dan voorkomen dat
een opeenvolging van afzonderlijke drone-inzetten in de praktijk leidt tot structureel
cameratoezicht vanuit de lucht?
Vraag 34
Acht u het denkbaar dat dezelfde technische infrastructuur in de toekomst ook wordt
ingezet voor het constateren van andere gedragingen, zoals telefoongebruik achter
het stuur, gordelgebruik, overtreding van milieuzones of andere bestuurs- of strafrechtelijk
gesanctioneerde gedragingen? Waar ligt volgens u de wettelijke grens aan uitbreiding
van dit instrument?
Vraag 35
Deelt u de opvatting dat het feit dat een bepaalde technologie technisch in staat
is een overtreding waar te nemen, op zichzelf geen voldoende reden kan zijn om die
technologie zonder afzonderlijke wettelijke afweging ook voor dat doel in te zetten?
Vraag 36
Hoe voorkomt u dat door opeenvolgende afzonderlijke toepassingen van bestaande algemene
bevoegdheden geleidelijk een vorm van grootschalige surveillance ontstaat die de wetgever
nooit als samenhangend systeem heeft beoordeeld of uitdrukkelijk heeft gelegitimeerd?
Vraag 37
Bent u bereid, voordat deze werkwijze verder landelijk wordt opgeschaald, de Kamer
volledig te informeren over de wettelijke grondslag, de technische mogelijkheden,
het inzetkader, de gegevensbeschermingseffectbeoordeling, de bewaartermijnen, de juridische
beoordeling van het Openbaar Ministerie en de evaluatie van de pilot?
Indieners
-
Gericht aan
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Indiener
Peter van Duijvenvoorde, Kamerlid