Voorstel van wet : Voorstel van wet
37 025 Wijziging van de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de internationaal overeengekomen veiligehavenregels in het Side-by-Side-pakket en een aantal overige technische wijzigingen (Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024)
ARTIKEL I
ARTIKEL II
ARTIKEL III
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om aanpassingen te doen
in de Wet minimumbelasting 2024 met het oog op de internationaal afgesproken veiligehavenregels;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Wet minimumbelasting 2024 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1.2, eerste lid, wordt in de alfabetische volgorde een begripsbepaling
ingevoegd, luidende:
kwalificerende fiscale stimuleringsregeling:
een algemeen beschikbare fiscale stimuleringsregeling voor zover het bedrag van deze
fiscale regeling wordt berekend op basis van de gemaakte uitgaven en het bedrag niet
hoger is dan de gemaakte uitgaven, of wordt bepaald aan de hand van de hoeveelheid
materiële goederen die in een staat worden geproduceerd.
B
Aan artikel 6.5 wordt toegevoegd «, tenzij er sprake is van een kwalificerende fiscale
stimuleringsregeling en de informatieaangifte-indienende groepsentiteit kiest voor
toepassing van de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel, bedoeld
in artikel 8.17».
C
Aan artikel 7.2, tweede lid, onderdeel d, wordt toegevoegd «, tenzij er sprake is
van een kwalificerende fiscale stimuleringsregeling en de informatieaangifte-indienende
groepsentiteit kiest voor toepassing van de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel,
bedoeld in artikel 8.17».
D
Artikel 8.8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «2026» vervangen door «2027» en wordt «2028» vervangen door
«2029».
2. In het twaalfde lid, onderdeel c, wordt na «2026» ingevoegd «en 2027».
E
Artikel 8.11 komt te luiden:
Artikel 8.11 Vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel
1. De bijheffing voor de in een getoetste staat gevestigde groepsentiteiten voor een
verslagjaar bedraagt nihil indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit
daarvoor kiest en voor die getoetste staat voor dat verslagjaar:
a. het vereenvoudigde effectieve belastingtarief ten minste gelijk is aan het minimumbelastingtarief;
of
b. sprake is van een vereenvoudigd verlies.
2. Het vereenvoudigde effectieve belastingtarief voor een getoetste staat voor een verslagjaar
wordt berekend volgens de formule:
VE = (VB/VI) x 100%
waarbij wordt verstaan onder:
VE: het vereenvoudigde effectieve belastingtarief voor een verslagjaar voor een getoetste
staat, uitgedrukt in een percentage dat rekenkundig wordt afgerond op vier decimalen;
VB: de vereenvoudigde belastingen, bedoeld in artikel 8.11b;
VI: het vereenvoudigde inkomen, bedoeld in artikel 8.11a.
3. Voor de toepassing van het eerste lid bestaat een getoetste staat uit groepsentiteiten,
daaronder mede begrepen vaste inrichtingen, joint ventures en met een joint venture
verbonden partijen, voor zover voor die entiteiten voor de desbetreffende staat een
afzonderlijke berekening van het effectieve belastingtarief is vereist.
4. Indien een informatieaangifte-indienende groepsentiteit daarvoor kiest, wordt voor
de toepassing van dit artikel voor een verslagjaar als een groepsentiteit in een getoetste
staat mede aangemerkt:
a. een groepsentiteit, niet zijnde een in minderheidsbelang gehouden groepsentiteit,
die op grond van artikel 1.3 in dezelfde staat is gevestigd; en
b. een beleggingsentiteit of verzekeringsbeleggingsentiteit die op grond van artikel
1.3 in dezelfde staat is gevestigd en waarvan:
1°. alle groepsentiteit-belanghouders op grond van artikel 1.3 in dezelfde staat zijn
gevestigd als die beleggingsentiteit of verzekeringsbeleggingsentiteit; en
2°. geen van die groepsentiteit-belanghouders een keuze heeft gemaakt voor de toepassing
van artikel 10.5 of artikel 10.6.
5. Het vereenvoudigde inkomen of verlies en de vereenvoudigde belastingen voor een getoetste
staat worden berekend op basis van de financiële verslaggevingsstandaard die is gebruikt
bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit.
6. In afwijking van het vijfde lid wordt het vereenvoudigde inkomen of verlies en de
vereenvoudigde belastingen voor een getoetste staat berekend op basis van een lokale
financiële verslaggevingsstandaard als bedoeld in artikel 8.13, tweede lid, onderdeel
c, indien de kwalificerende binnenlandse bijheffing in die staat wordt berekend op
grond van een lokale financiële verslaggevingsstandaard, tenzij:
a. die staat voor de toepassing van dit artikel toestaat dat wordt aangesloten bij de
financiële verslaggevingsstandaard die is gebruikt bij het opstellen van de geconsolideerde
jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit; en
b. de informatieaangifte-indienende groepsentiteit ervoor kiest die financiële verslaggevingsstandaard
toe te passen in alle jurisdicties waar dat is toegestaan.
De keuze, bedoeld in de vorige zin, is van toepassing voor alle verslagjaren. Indien
Nederland de getoetste staat is, kan de informatieaangifte-indienende groepsentiteit
voor de toepassing van dit artikel ervoor kiezen het vereenvoudigde inkomen of verlies
en de vereenvoudigde belastingen te berekenen op basis van de financiële verslaggevingsstandaard
die is gebruikt bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit.
7. Bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen of verlies en de vereenvoudigde belastingen
in dat verslagjaar is artikel 14.1, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Daarbij is het overgangsjaar voor een getoetste staat het verslagjaar waarin voor
die staat voor het eerst de keuze, bedoeld in het eerste lid, wordt gemaakt, mits
voor die getoetste staat niet reeds een overgangsjaar is vastgesteld op grond van
artikel 14.1, achtste lid.
8. De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan voor een verslagjaar ervoor kiezen
dat bij de toepassing van dit artikel tevens toepassing wordt gegeven aan artikel
8.17.
9. De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan de keuze, bedoeld in het eerste
lid, voor verslagjaren die aanvangen tussen 31 december 2025 en 31 december 2026 slechts
maken indien:
a. ten aanzien van de getoetste staat een kwalificerende binnenlandse bijheffing veilige
haven van toepassing is;
b. ten aanzien van de getoetste staat niet meer dan een jurisdictie gerechtigd is tot
bijheffing ingevolge deze wet of vergelijkbare regelgeving die is gebaseerd op de
OESO-modelregels; of
c. in alle jurisdicties die gerechtigd zijn tot bijheffing ten aanzien van de getoetste
staat ingevolge deze wet of vergelijkbare regelgeving die is gebaseerd op de OESO-modelregels,
de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel kan worden toegepast
met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2025 en de multinationale
groep, waartoe de informatieaangifte indienende groepsentiteit behoort, kiest voor
toepassing van deze veiligehavenregel in alle jurisdicties.
F
Na artikel 8.11 worden tien artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 8.11a Vereenvoudigd inkomen of verlies
1. Het vereenvoudigde inkomen of verlies van een getoetste staat over een verslagjaar
wordt bepaald door op de winst of het verlies voor belastingen over dat verslagjaar
de correcties, bedoeld in het derde lid, toe te passen.
2. De winst of het verlies voor belastingen over een verslagjaar is gelijk aan de nettowinst
of het nettoverlies volgens de financiële verslaggevingsstandaard van alle in een
getoetste staat gevestigde groepsentiteiten over dat verslagjaar, vermeerderd met
de belastinglast, bedoeld in artikel 8.11b, tweede lid, die in die nettowinst of dat
nettoverlies is begrepen.
3. De winst of het verlies voor belastingen wordt gecorrigeerd met:
a. uitgesloten dividenden als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, onderdeel b;
b. uitgesloten vermogenswinsten en -verliezen als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid,
onderdeel c;
c. niet-aftrekbare kosten als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, onderdeel g, alsmede
boetes en sancties voor zover die meer bedragen dan € 250.000;
d. betalingen en opbrengsten met betrekking tot aanvullend tier-1-kapitaal overeenkomstig
artikel 6.11;
e. inbegrepen herwaarderingswinsten en -verliezen als bedoeld in artikel 6.2, eerste
lid, onderdeel d, met dien verstande dat ingeval van een last of verlies geen correctie
wordt toegepast;
f. inkomen dat verband houdt met foutherstel en stelselwijzigingen ten opzichte van een
voorgaande periode als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onderdeel h, met dien verstande
dat ingeval van een last of verlies geen correctie wordt toegepast.
4. Bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen of verlies worden in aanmerking genomen:
a. de aanpassing overeenkomstig artikel 6.10, tenzij de informatieaangifte-indienende
groepsentiteit voor het verslagjaar ervoor kiest om deze aanpassing buiten toepassing
te laten;
b. de uitsluiting van inkomen uit internationale scheepvaart en inkomen uit gekwalificeerde
nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart, bedoeld in artikel 6.12, tenzij
de informatieaangifte-indienende groepsentiteit kiest om deze uitsluiting buiten toepassing
te laten voor een periode van vijf verslagjaren waarin de veiligehavenregel van artikel
8.11 van toepassing is en het gezamenlijke inkomen uit internationale scheepvaart
en inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart
positief is;
c. asymmetrische valutaresultaten als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, onderdeel f,
tenzij de informatieaangifte-indienende groepsentiteit voor een periode van vijf verslagjaren
ervoor kiest deze correctie niet toe te passen;
d. aangegroeide pensioenlasten als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, onderdeel i, tenzij
de informatieaangifte-indienende groepsentiteit voor een periode van vijf verslagjaren
ervoor kiest deze correctie niet toe te passen.
5. Een mutatie in verplichtingen aan polishouders van een verzekeringsmaatschappij die
verband houdt met een uitgesloten dividend als bedoeld in het derde lid, onderdeel
a, of een uitgesloten vermogenswinst of -verlies als bedoeld in het derde lid, onderdeel
b, ten aanzien van effecten die worden gehouden voor rekening van de polishouders,
wordt niet in aanmerking genomen als kosten bij de berekening van het vereenvoudigde
inkomen of verlies.
6. De correcties, bedoeld in het derde lid, onderdelen e en f, blijven buiten aanmerking,
indien:
a. het desbetreffende inkomen in de getoetste staat waarin de groepsentiteit is gevestigd,
belast is tegen een tarief dat ten minste gelijk is aan het minimumbelastingtarief;
en
b. de op het betreffende inkomen betrekking hebbende belasting in de financiële verslaggeving
in het eigen vermogen is verwerkt, met dien verstande dat indien de op het inkomen
betrekking hebbende belasting betrekking heeft op een passieve belastinglatentie,
sprake moet zijn van een passieve belastinglatentie als bedoeld in artikel 7.3, achtste
lid, die is gevormd tegen een tarief dat ten minste gelijk is aan het minimumbelastingtarief.
7. Bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen of verlies zijn de artikelen 6.2,
eerste lid, 6.3, eerste tot en met derde lid, 6.4, 6.6, eerste tot en met vierde lid,
6.7, eerste tot en met zesde lid, en 6.9, eerste en tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
8. De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan ervoor kiezen voor een verslagjaar
een vereenvoudigde berekening te maken voor een groepsentiteit die uitsluitend wegens
beperkte omvang of materialiteit niet is opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening
van de groep, waarbij:
a. het vereenvoudigde inkomen of verlies van die groepsentiteit gelijk wordt gesteld
aan de totale inkomsten van die groepsentiteit zoals gerapporteerd in het kwalificerende
landenrapport voor de betreffende staat; en
b. de vereenvoudigde belastingen van die groepsentiteit gelijk worden gesteld aan de
acute belastinglast over het verslagjaar zoals gerapporteerd in het kwalificerende
landenrapport voor de betreffende staat.
Artikel 8.11b Vereenvoudigde belastingen
1. De vereenvoudigde belastingen van een getoetste staat over een verslagjaar worden
bepaald door op de belastinglast van die getoetste staat over dat verslagjaar de correcties,
bedoeld in dit artikel, toe te passen.
2. De belastinglast van een getoetste staat over een verslagjaar is gelijk aan de som
van de acute belastinglast en de mutaties in belastinglatenties die in dat verslagjaar
bij de bepaling van de nettowinst of het nettoverlies van alle in die staat gevestigde
groepsentiteiten in aanmerking zijn genomen ter zake van betrokken belastingen, bedoeld
in artikel 7.1, eerste lid, vermeerderd met de op het niveau van de geconsolideerde
jaarrekening in aanmerking genomen mutaties in belastinglatenties die toerekenbaar
zijn aan die groepsentiteiten.
3. De belastinglast van een getoetste staat wordt gecorrigeerd door:
a. vermindering met de acute belastinglast en de mutaties in belastinglatenties die toerekenbaar
zijn aan belastingen die geen betrokken belastingen zijn, bedoeld in artikel 7.1,
tweede lid;
b. vermindering voor de acute belastinglast en de mutaties in belastinglatenties die
verband houden met een kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed, een kwalificerend
verhandelbaar belastingtegoed of een kwalificerend doorgeleid belastingvoordeel, bedoeld
in artikel 7.2, derde lid, onderdelen b en c;
c. vermindering met de acute belastinglast en de mutaties in belastinglatenties die toerekenbaar
zijn aan inkomensbestanddelen die niet in aanmerking zijn genomen bij de bepaling
van het vereenvoudigde inkomen of verlies, bedoeld in artikel 7.2, derde lid, onderdeel
a, en artikel 7.3, vijfde lid, onderdeel a;
d. vermindering voor de acute belastinglast en de mutaties in belastinglatenties die
verband houden met een onzekere belastingpositie, bedoeld in artikel 7.2, derde lid,
onderdeel d;
e. vermindering met de acute belastinglast en de mutaties in belastinglatenties ten aanzien
waarvan niet de verwachting bestaat dat deze binnen drie jaar na afloop van het verslagjaar
worden betaald, bedoeld in artikel 7.2, derde lid, onderdeel e; en
f. aanpassing voor de mutaties in belastinglatenties die betrekking hebben op een onzekere
belastingpositie of een uitdeling als bedoeld in artikel 7.3, negende lid, onderdeel
a, voor zover deze mutaties op grond van artikel 7.3, vijfde lid, onderdeel b, niet
in aanmerking zouden worden genomen bij de bepaling van de gecorrigeerde betrokken
belastingen.
4. Indien mutaties in actieve en passieve belastinglatenties in de toepasselijke financiële
verslaggevingsstandaard zijn berekend tegen een belastingtarief dat hoger is dan het
minimumbelastingtarief, worden de in het verslagjaar in aanmerking te nemen mutaties
in die belastinglatenties herrekend tegen het minimumbelastingtarief overeenkomstig
de wijze van herrekening van artikel 7.3, tweede lid en onder toepassing van het navolgende
vijfde lid.
5. De mutaties in actieve en passieve belastinglatenties worden in aanmerking genomen
met overeenkomstige toepassing van artikel 7.3, vierde lid, en vijfde lid, onderdelen
c tot en met e.
6. De mutaties in passieve belastinglatenties die geen betrekking hebben op een passieve
belastinglatentie als bedoeld in artikel 7.3, achtste lid, blijven bij de bepaling
van de vereenvoudigde belastingen buiten aanmerking, tenzij sprake is van:
a. een mutatie die voortvloeit uit de herziening van een passieve belastinglatentie die
toerekenbaar is aan een overdracht van activa en passiva en die overdracht overeenkomstig
artikel 8.11d in aanmerking is genomen bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen
of verlies en de vereenvoudigde belastingen; of
b. een mutatie die voortvloeit uit de herziening van een passieve belastinglatentie die
in een voorgaand verslagjaar in aanmerking is genomen bij de berekening van het effectieve
belastingtarief onder toepassing van een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel,
een kwalificerende onderbelastewinstmaatregel of een kwalificerende binnenlandse bijheffing.
7. Bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen worden tevens de aanpassingen toegepast
waarvoor de informatieaangifte-indienende groepsentiteit krachtens deze wet een keuze
heeft gemaakt, voor zover deze aanpassingen van invloed zijn op de berekening van
het vereenvoudigde inkomen of verlies dan wel de vereenvoudigde belastingen.
8. De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan voor een verslagjaar voor een
getoetste staat ervoor kiezen om bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen
overeenkomstig artikel 7.2, tweede lid, onderdeel a, mede in aanmerking te nemen het
bedrag aan betrokken belastingen dat in de toepasselijke financiële verslaggevingsstandaard
over dat verslagjaar als kosten is toegerekend aan dat verslagjaar, maar dat niet
is begrepen in de belastinglast van een getoetste staat, bedoeld in het tweede lid.
9. De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan voor een verslagjaar voor een
getoetste staat ervoor kiezen bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen mede
in aanmerking te nemen het bedrag aan betrokken belastingen dat betrekking heeft op
bestanddelen die volgens de toepasselijke financiële verslaggevingsstandaard rechtstreeks
in het eigen vermogen dan wel als overige resultaten zijn verwerkt en bij de bepaling
van het vereenvoudigde inkomen of verlies op grond van artikel 8.11a, derde lid, onderdelen
e en f, en vijfde lid, in aanmerking zijn genomen, voor zover deze belastingen niet
reeds op grond van het tweede of achtste lid in aanmerking zijn genomen.
10. De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan voor een verslagjaar voor een
getoetste staat ervoor kiezen om, in afwijking van het derde lid, onderdeel b, een
kwalificerend restitueerbaar belastingtegoed, een kwalificerend verhandelbaar belastingtegoed
of een kwalificerend doorgeleid belastingvoordeel dat in de toepasselijke financiële
verslaggevingsstandaard als vermindering van de belastinglast is verantwoord en dat
in het verslagjaar of in een eerder verslagjaar is ontstaan en nog niet volledig is
verrekend of terugontvangen, in aanmerking te nemen bij de bepaling van het vereenvoudigde
inkomen of verlies en de vereenvoudigde belastingen in het verslagjaar waarin de keuze
wordt gemaakt. Voor zover een bedrag op grond van dit lid in aanmerking is genomen,
blijft het buiten aanmerking bij de toepassing van het derde lid, onderdeel b. De
keuze blijft van toepassing totdat het belastingtegoed of het belastingvoordeel volledig
is verrekend of terugontvangen.
11. Bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen is artikel 7.4 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8.11bb Vereenvoudigde aanpassing voor negatieve belastingen in vereenvoudigde
verliesjaren
1. Voor de toepassing van artikel 8.11 wordt een bedrag aan vereenvoudigde aanpassing
voor negatieve belastingen vastgesteld indien in een verslagjaar voor een getoetste
staat een vereenvoudigd verlies en een negatief bedrag aan vereenvoudigde belastingen
worden vastgesteld.
2. Het bedrag aan vereenvoudigde aanpassing voor negatieve belastingen voor een verslagjaar
is, indien van toepassing, het negatieve bedrag waarmee de vereenvoudigde belastingen
voor dat verslagjaar lager zijn dan het vereenvoudigde verlies vermenigvuldigd met
het minimumbelastingtarief.
3. Het bedrag aan vereenvoudigde aanpassing voor negatieve belastingen wordt voortgewenteld
en in een volgend verslagjaar opgenomen in de berekening van de vereenvoudigde belastingen,
dan wel in de berekening van de gecorrigeerde betrokken belastingen in een verslagjaar
waarin de veiligehavenregel voor het vereenvoudigde effectieve belastingtarief van
artikel 8.11 niet van toepassing is, overeenkomstig de wijze waarop een voortgewentelde
bovenmatige negatieve belastinguitgave krachtens artikel 7.2, zesde lid wordt opgenomen
in de berekening van de gecorrigeerde betrokken belastingen. Het bedrag aan vereenvoudigde
aanpassing voor negatieve belastingen wordt op dezelfde voet verminderd.
4. In afwijking van het eerste tot en met derde lid kan een multinationale groep of
binnenlandse groep ervoor kiezen om voor een verslagjaar gedurende de overgangsperiode
een bedrag aan verlieslatentie-aanpassing vast te stellen, mits de groep in dat verslagjaar
en in elk daaraan voorafgaand verslagjaar gedurende de overgangsperiode een fiscaal
verlies, een vereenvoudigd verlies en per saldo negatieve belastingen heeft gehad.
5. Het bedrag aan verlieslatentie-aanpassing is gelijk aan de som van:
a. de actieve belastinglatentie ter zake van het fiscale verlies die is opgenomen in
de belastinglast van de getoetste staat en die toerekenbaar is aan permanente verschillen,
herrekend tegen het minimumbelastingtarief; en
b. de in het verslagjaar opgekomen passieve belastinglatenties die toerekenbaar zijn
aan goodwill en andere immateriële activa met een onbepaalde levensduur, herrekend
tegen het minimumbelastingtarief.
6. Het bedrag aan verlieslatentie-aanpassing wordt voortgewenteld en vermindert, maar
niet verder dan tot nihil, het bedrag van de aanwending van de actieve belastinglatentie
ter zake van een verlies zoals berekend bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen
of de gecorrigeerde betrokken belastingen in een volgend verslagjaar. Het bedrag aan
verlieslatentie-aanpassing wordt op dezelfde voet verminderd.
7. Voor de toepassing van dit artikel:
a. is sprake van per saldo negatieve belastingen indien voor een multinationale groep
of binnenlandse groep in een verslagjaar de belastinglast van een getoetste staat,
na correctie voor waarderingsvoorzieningen en voor verschillen in de boekhoudkundige
verwerking van actieve belastinglatenties, nihil of negatief is;
b. wordt onder overgangsperiode verstaan: de periode van vijf opeenvolgende verslagjaren
die aanvangt met het eerste verslagjaar waarvoor artikel 8.11 toepassing vindt.
Artikel 8.11bc Aanpassingen na afloop van het verslagjaar
1. In afwijking van artikel 7.6 worden, voor de toepassing van artikel 8.11, wijzigingen
in de betrokken belastingen of het inkomen die volgens de toepasselijke financiële
verslaggevingsstandaard na afloop van het verslagjaar waarop zij betrekking hebben
worden verwerkt, in aanmerking genomen bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen,
onderscheidenlijk het vereenvoudigde inkomen of verlies, van het verslagjaar waarin
zij worden verwerkt.
2. De informatieaangifte-indienende groepsentiteit kan ervoor kiezen om wijzigingen
in betrokken belastingen of inkomen, voor zover die betrekking hebben op een verslagjaar
en binnen twaalf maanden na afloop van dat verslagjaar volgens de toepasselijke financiële
verslaggevingsstandaard worden verwerkt, in afwijking van het eerste lid, in aanmerking
te nemen bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen, onderscheidenlijk het
vereenvoudigde inkomen of verlies, van dat verslagjaar. Deze keuze geldt voor alle
staten waarin de multinationale groep of binnenlandse groep actief is en waarop artikel
8.11 wordt toegepast maar is niet van toepassing op wijzigingen die verband houden
met verrekenprijsaanpassingen als bedoeld in artikel 8.11c.
3. In het verslagjaar waarin de keuze, bedoeld in het tweede lid, wordt gemaakt, worden
wijzigingen in betrokken belastingen of inkomen die betrekking hebben op het voorafgaande
verslagjaar, in aanmerking genomen bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen
onderscheidenlijk het vereenvoudigde inkomen of verlies van het verslagjaar waarin
de keuze wordt gemaakt.
4. In het verslagjaar waarin de keuze, bedoeld in het tweede lid, wordt herroepen, blijven
wijzigingen in betrokken belastingen of inkomen die op grond van die keuze reeds in
aanmerking zijn genomen bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen, onderscheidenlijk
het vereenvoudigde inkomen of verlies, van het voorafgaande verslagjaar, buiten aanmerking
bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen, onderscheidenlijk het vereenvoudigde
inkomen of verlies, van het verslagjaar waarin de keuze wordt herroepen.
5. Voor de toepassing van artikel 8.11 kan de informatieaangifte-indienende groepsentiteit
ervoor kiezen om een netto-afname van betrokken belastingen van een voorgaand verslagjaar
die meer dan twaalf maanden na afloop van dat verslagjaar volgens de toepasselijke
financiële verslaggevingsstandaard wordt verwerkt en die geen verband houdt met een
afname van het vereenvoudigde inkomen of verlies, in afwijking van het eerste lid,
buiten aanmerking te laten bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen van het
verslagjaar waarin die netto-afname wordt verwerkt, indien het in aanmerking nemen
van die netto-afname ertoe zou leiden dat het vereenvoudigde effectieve belastingtarief
lager is dan het minimumbelastingtarief, en:
a. na herrekening van de vereenvoudigde belastingen van het voorgaande verslagjaar voor
alle netto-afnames van betrokken belastingen en de aan die afnames toe te rekenen
mutaties in actieve en passieve belastinglatenties die in enig verslagjaar zijn verwerkt
ter zake van dat voorgaande verslagjaar, het vereenvoudigde effectieve belastingtarief,
bedoeld in artikel 8.11, voor dat voorgaande verslagjaar niet lager is dan het minimumbelastingtarief;
of
b. na herrekening van de gecorrigeerde betrokken belastingen van het voorgaande verslagjaar
voor alle netto-afnames van betrokken belastingen en de aan die afnames toe te rekenen
mutaties in actieve en passieve belastinglatenties die in enig verslagjaar zijn verwerkt
ter zake van dat voorgaande verslagjaar, het effectieve belastingtarief, bedoeld in
artikel 8.1, voor dat voorgaande verslagjaar niet lager is dan het minimumbelastingtarief.
Artikel 8.11c Vereenvoudiging verrekenprijzen
1. Indien als gevolg van toepassing van het arm’s-lengtbeginsel een aanpassing wordt
aangebracht in een transactie tussen groepsentiteiten die zijn gevestigd in verschillende
staten, wordt het bedrag van die aanpassing, indien deze volgens de toepasselijke
financiële verslaggevingsstandaard in een verslagjaar wordt verwerkt, in aanmerking
genomen bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen of verlies van de getoetste
staat over dat verslagjaar.
2. Onder het bedrag van de aanpassing wordt verstaan het verschil tussen:
a. het bedrag dat volgens de toepasselijke financiële verslaggevingsstandaard bij de
betrokken groepsentiteit in aanmerking is genomen ter zake van de transactie; en
b. het bedrag dat overeenkomstig het arm’s-lengthbeginsel voor die transactie in aanmerking
wordt genomen.
3. Indien bij een groepsentiteit een aanpassing op grond van het eerste lid in aanmerking
wordt genomen bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen of verlies en bij de
andere bij de transactie betrokken groepsentiteit geen corresponderende aanpassing
op grond van het eerste lid in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van het vereenvoudigde
inkomen of verlies, wordt bij de laatstgenoemde groepsentiteit een corresponderende
aanpassing in aanmerking genomen bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen of
verlies van de getoetste staat.
4. Een toename of afname van vereenvoudigde belastingen die voortvloeit uit een aanpassing
wordt overeenkomstig hoofdstuk 7 toegerekend aan hetzelfde verslagjaar en dezelfde
getoetste staat als waarin de belastinglast ter zake van die aanpassing volgens de
toepasselijke financiële verslaggevingsstandaard is verwerkt.
5. In afwijking van het eerste en vierde lid kan de informatieaangifte-indienende groepsentiteit
ervoor kiezen om aanpassingen, alsmede de daarmee samenhangende mutaties in vereenvoudigde
belastingen, toe te rekenen aan het verslagjaar waarop de onderliggende transactie
betrekking heeft, mits:
a. de aanpassing en de daarmee samenhangende mutaties in de vereenvoudigde belastingen
binnen twaalf maanden na afloop van dat verslagjaar volgens de toepasselijke financiële
verslaggevingsstandaard zijn verwerkt; en
b. deze keuze gedurende vijf opeenvolgende verslagjaren voor alle staten en alle groepsentiteiten
van de multinationale groep of binnenlandse groep op consistente wijze wordt toegepast.
6. Indien een transactie tussen groepsentiteiten die zijn gevestigd in verschillende
getoetste staten volgens de toepasselijke financiële verslaggevingsstandaard in aanmerking
is genomen tegen kostprijs, wordt bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen of
verlies van de getoetste staat van de overdragende groepsentiteit een correctie toegepast
tot het bedrag dat overeenkomstig het arm’s-lengthbeginsel voor die transactie in
aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de belastbare winst of het verlies.
7. De verkrijgende groepsentiteit bepaalt haar vereenvoudigde inkomen of verlies op
basis van de boekwaarden van de verkregen activa en passiva zoals verantwoord volgens
de toepasselijke financiële verslaggevingsstandaard, met dien verstande dat:
a. samenhangende actieve of passieve belastinglatenties overeenkomstig hoofdstuk 7 in
aanmerking worden genomen; en
b. voor immateriële activa wordt uitgegaan van het bedrag dat overeenkomstig het arm’s-lengthbeginsel
voor die activa in aanmerking wordt genomen.
8. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een overdracht van een activum tussen
groepsentiteiten die zijn gevestigd in dezelfde getoetste staat indien die overdracht
leidt tot een verlies en de overeengekomen prijs ter zake van die overdracht niet
in overeenstemming is met het arm’s-lengthbeginsel.
9. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder arm’s-lengthbeginsel verstaan hetgeen
daaronder wordt verstaan in artikel 6.4, derde lid.
Artikel 8.11d Vereenvoudiging bij overdracht van activa en passiva
1. Indien in een verslagjaar waarvoor artikel 8.11 wordt toegepast door een groepsentiteit
activa en passiva worden overgedragen, worden het vereenvoudigde inkomen of verlies
en de vereenvoudigde belastingen bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen
9.2 en 9.3, met dien verstande dat resultaten en vereenvoudigde belastingen die voortvloeien
uit verschillen in boekwaarden van die activa en passiva buiten aanmerking blijven.
2. In afwijking van het eerste lid blijven de resultaten en vereenvoudigde belastingen
die voortvloeien uit verschillen in boekwaarden van activa en passiva niet buiten
aanmerking indien:
a. de fiscale boekwaarden van de overgedragen activa, met uitzondering van goodwill,
en passiva voor en na de overdracht ongewijzigd blijven; en
b. met betrekking tot de verschillen in boekwaarden corresponderende actieve of passieve
belastinglatenties zijn verantwoord in de financiële verslaggevingsstandaard tegen
een belastingtarief dat ten minste gelijk is aan het minimumbelastingtarief.
3. Indien het tweede lid van toepassing is:
a. wordt het resultaat dat voortvloeit uit verschillen in boekwaarden van de overgedragen
activa en passiva in aanmerking genomen bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen
of verlies;
b. blijven de actieve en passieve belastinglatenties die ontstaan als gevolg van die
verschillen buiten aanmerking bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen; en
c. wordt de aanwending van die actieve en passieve belastinglatenties, daaronder begrepen
passieve belastinglatenties die geen passieve belastinglatenties als bedoeld in artikel
7.3, achtste lid, zijn, in aanmerking genomen bij de bepaling van de vereenvoudigde
belastingen.
4. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, worden afwaarderingen en afschrijvingen
van goodwill die voortvloeien uit een overdracht van activa en passiva bij de bepaling
van het vereenvoudigde inkomen of verlies bijgeteld, voor zover deze afwaarderingen
en afschrijvingen niet corresponderen met een passieve belastinglatentie die in aanmerking
is genomen tegen een belastingtarief dat ten minste gelijk is aan het minimumbelastingtarief.
5. In een verslagjaar waarvoor artikel 8.11 wordt toegepast kan de informatieaangifte-indienende
groepsentiteit een keuze maken als bedoeld in artikel 9.3, vierde lid, indien in dat
verslagjaar als gevolg van een gebeurtenis die leidt tot een overdracht van activa
en passiva de boekwaarden van activa en passiva voor fiscale doeleinden worden aangepast
aan de reële waarde.
6. De keuze, bedoeld in het vijfde lid, kan tevens betrekking hebben op een overdracht
van activa en passiva die heeft plaatsgevonden in een eerder verslagjaar, mits die
keuze in dat eerdere verslagjaar niet beschikbaar was.
7. Indien toepassing wordt gegeven aan het vijfde of zesde lid, wordt het resultaat
dat voortvloeit uit de aanpassing van de boekwaarden van activa en passiva in aanmerking
genomen bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen of verlies in het verslagjaar
waarin de keuze wordt gemaakt, dan wel gespreid over vijf verslagjaren overeenkomstig
artikel 9.3, vierde lid.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een overdracht van activa en passiva
verstaan een transactie waarbij activa en passiva worden overgedragen in samenhang
met:
a. de verwerving van een beslissend eigendomsbelang in een entiteit, niet zijnde een
transactie als bedoeld in artikel 9.2, tweede lid; of
b. een reorganisatie als bedoeld in hoofdstuk 9.
9. Dit artikel is van toepassing op een overdracht van activa en passiva die heeft plaatsgevonden
in het verslagjaar waarop artikel 8.11 wordt toegepast, alsmede op een overdracht
van activa en passiva die in een eerder verslagjaar heeft plaatsgevonden, indien en
zolang de overgedragen activa en passiva worden verantwoord in de financiële verslaggeving
die wordt gebruikt bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen of verlies.
Artikel 8.11e Grensoverschrijdende toerekening van inkomen en belasting
1. Het vereenvoudigde inkomen of verlies en de vereenvoudigde belastingen van een vaste
inrichting of een doorkijkentiteit wordt bepaald aan de hand van artikel 6.13, onderscheidenlijk
de artikelen 6.14 en 7.5, tweede lid.
2. Het bedrag aan betrokken belastingen dat is opgenomen in de financiële verslaggevingsstandaard
van een groepsentiteit, bedoeld in artikel 7.5, eerste, derde, vierde en vijfde lid,
blijft buiten aanmerking bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen in de getoetste
staten waarop de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel wordt
toegepast.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op belastingen die door inhouding worden geheven
ter zake van uitdelingen door een in een staat gevestigde groepsentiteit.
4. In afwijking van het tweede lid kan de informatieaangifte-indienende groepsentiteit
voor een verslagjaar en per getoetste staat ervoor kiezen dat bij de toepassing van
de vereenvoudigde effectieve belastingtarief-veiligehavenregel vereenvoudigde regels
worden toegepast ten aanzien van vaste inrichtingen van een hoofdentiteit die is gevestigd
in die staat (vereenvoudigingskeuze vaste inrichting). De vereenvoudigingskeuze vaste
inrichting kan uitsluitend worden toegepast indien in de staat van de hoofdentiteit:
a. de inkomsten uit een vaste inrichting die is gelegen in een andere staat, aan de belastingheffing
zijn onderworpen;
b. maatregelen gericht tegen hybride mismatches van toepassing zijn die vergelijkbaar
zijn met de bepalingen in afdeling 2.2a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
c. de uitgestelde belastingen die worden geheven over het inkomen van de hoofdentiteit,
met inachtneming van de uitgaven die toerekenbaar zijn aan de binnenlandse activiteiten,
niet zijn opgenomen in de acute en latente belastinglast tegen een lager tarief dan
het minimumbelastingtarief.
5. Bij toepassing van de vereenvoudigingskeuze vaste inrichting:
a. wordt het vereenvoudigde inkomen of verlies van de vaste inrichting begrepen in het
vereenvoudigde inkomen of verlies van de staat van de hoofdentiteit voor zover dit
inkomen of verlies overeenkomstig het belastingstelsel voor vaste inrichtingen in
die staat in aanmerking wordt genomen;
b. worden de acute en latente betrokken belastingen van de hoofdentiteit die verband
houden met het in onderdeel a bedoelde inkomen of verlies van vaste inrichtingen,
in aanmerking genomen bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen van de staat
waarin de hoofdentiteit is gevestigd;
c. wordt de verrekening of vermindering van belasting ter zake van het in onderdeel a
bedoelde inkomen van een vaste inrichting, in aanmerking genomen bij de vereenvoudigde
belastingen van de staat waarin de hoofdentiteit is gevestigd, met dien verstande
dat het aldus in aanmerking te nemen bedrag niet hoger is dan het nominale belastingtarief
in die staat vermenigvuldigd met het bij de hoofdentiteit in aanmerking genomen inkomen
van een vaste inrichting;
d. worden bij de bepaling van het vereenvoudigde inkomen en de vereenvoudigde belastingen
of het kwalificerende inkomen en de betrokken belastingen in de staat waar de vaste
inrichting is gelegen artikel 6.13, zesde lid, en artikel 7.5, achtste lid, buiten
beschouwing gelaten.
6. Indien bij toepassing van het vijfde lid een vereenvoudigd verlies van een vaste
inrichting wordt opgenomen in het vereenvoudigde inkomen van de staat van de hoofdentiteit,
wordt de vereenvoudigingskeuze vaste inrichting voortgezet in elk volgend verslagjaar
totdat in het vereenvoudigde inkomen van die staat een gelijk bedrag aan vereenvoudigd
inkomen van die vaste inrichting is begrepen.
7. Indien de door de hoofdentiteit in een verslagjaar gebruikte verrekening of vermindering
van in een andere staat geheven belasting betrekking heeft op verscheidene bestanddelen
van inkomen uit andere staten, wordt het aan een vaste inrichting toerekenbare deel
bepaald naar evenredigheid van de verhouding tussen het bij de hoofdentiteit in aanmerking
genomen inkomen van een vaste inrichting en het totale bij de hoofdentiteit in aanmerking
genomen inkomen uit een andere staat, met dien verstande dat het aldus in aanmerking
te nemen bedrag ten hoogste bedraagt het nominale belastingtarief in de staat van
de hoofdentiteit vermenigvuldigd met het bij de hoofdentiteit in aanmerking genomen
inkomen van een vaste inrichting.
8. De toepassing van de vereenvoudigingskeuze vaste inrichting heeft geen gevolgen voor
de bepaling van de vereenvoudigde belastingen van de getoetste staat waarin een vaste
inrichting is gelegen. Betrokken belastingen die door de hoofdentiteit ter zake van
aan een vaste inrichting toerekenbaar inkomen zijn verschuldigd blijven buiten aanmerking
bij de bepaling van de vereenvoudigde belastingen van die staat, tenzij toepassing
wordt gegeven aan de vijfjaarskeuze, bedoeld in het negende lid.
9. In afwijking van het tweede lid kan de informatieaangifte-indienende groepsentiteit
voor een periode van vijf verslagjaren ervoor kiezen dat de betrokken belastingen,
bedoeld in artikel 7.5, eerste, derde, vierde en vijfde lid, worden toegerekend overeenkomstig
artikel 7.5. Deze keuze is niet van toepassing op de betrokken belastingen, bedoeld
in artikel 7.5, eerste lid, gedurende verslagjaren waarin toepassing wordt gegeven
aan de vereenvoudigingskeuze vaste inrichting voor de staat waarin de hoofdentiteit
is gevestigd. Indien toepassing wordt gegeven aan deze keuze:
a. worden de aldus toegerekende betrokken belastingen in aanmerking genomen bij de vereenvoudigde
belastingen van de staat waarin de groepsentiteit waaraan wordt toegerekend, is gevestigd,
indien in die staat geen kwalificerende binnenlandse bijheffing van kracht is;
b. blijven de aldus toegerekende betrokken belastingen buiten aanmerking bij de bepaling
van de vereenvoudigde belastingen in alle staten waarvoor de vereenvoudigde effectieve
belastingtarief-veiligehavenregel wordt toegepast, indien in de staat waaraan de betrokken
belastingen toerekenbaar zouden zijn een kwalificerende binnenlandse bijheffing van
kracht is.
Artikel 8.11f Bijzondere entiteiten
1. Het vereenvoudigde inkomen of verlies en de vereenvoudigde belastingen van een uiteindelijkemoederentiteit
die een doorkijkentiteit is of een vaste inrichting als bedoeld in artikel 10.1, vierde
lid, worden verminderd overeenkomstig artikel 10.1.
2. Het vereenvoudigde inkomen of verlies en de vereenvoudigde belastingen van een uiteindelijkemoederentiteit
of een groepsentiteit als bedoeld in artikel 10.2, derde lid, die is onderworpen aan
een aftrekbaardividendstelsel, worden verminderd overeenkomstig artikel 10.2.
3. Het vereenvoudigde inkomen of verlies en de vereenvoudigde belastingen in de getoetste
staat worden geacht nihil te bedragen, indien:
a. het volledige belang van de uiteindelijkemoederentiteit, bedoeld in het eerste lid,
wordt gehouden door belanghouders als bedoeld in artikel 10.1, eerste en tweede lid;
b. het volledige belang in de uiteindelijkemoederentiteit, bedoeld in het tweede lid,
wordt gehouden door belanghouders als bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, en het
volledige inkomen is uitgekeerd als aftrekbaar dividend;
c. het inkomen en alle belastingen van een fiscaal transparante entiteit die geen uiteindelijkemoederentiteit
is, na toepassing van artikel 6.14, eerste lid, worden toegerekend aan:
1°. een of meer vaste inrichtingen op grond van de artikelen 6.14, tweede lid, en 7.5,
eerste lid; of
2°. een of meer groepsentiteit-belanghouders op grond van de artikelen 6.14, derde lid,
en 7.5, tweede lid.
4. De bijheffing in de getoetste staat wordt geacht nihil te bedragen, indien:
a. het vereenvoudigde effectieve belastingtarief, bedoeld in artikel 8.11, tweede lid,
na toepassing van het eerste en tweede lid ten minste gelijk is aan het minimumbelastingtarief;
b. het vereenvoudigde inkomen of verlies en de vereenvoudigde belastingen van alle entiteiten
in de getoetste staat ingevolge het derde lid nihil bedragen.
5. De bijheffing over een beleggingsentiteit of een verzekeringsbeleggingsentiteit wordt
geacht nihil te bedragen voor een verslagjaar indien zij ten aanzien van al haar groepsentiteit-belanghouders
als fiscaal transparant wordt aangemerkt of wordt behandeld als een fiscaal transparante
entiteit op grond van artikel 10.5 of daarmee vergelijkbare regelgeving in een andere
staat.
Artikel 8.11g Uitsluitingen
Artikel 8.11 is niet van toepassing ten aanzien van een getoetste staat die bestaat
uit groepsentiteiten:
1. die staatloze groepsentiteiten zijn, tenzij artikel 8.11f, vierde lid, van toepassing
is;
2. beleggingsentiteiten zijn, tenzij artikel 8.11f, vijfde lid, van toepassing is;
3. waarvoor de informatieaangifte-indienende groepsentiteit kiest voor toepassing van
artikel 10.3 of daarmee vergelijkbare regelgeving in een andere staat, en waarvoor
aan het begin van het verslagjaar een openstaand saldo aan veronderstelde uitdelingsbelasting
bestaat.
Artikel 8.11h Toepassingsvoorwaarden
1. Artikel 8.11 kan voor een getoetste staat voor het eerst worden toegepast in een
verslagjaar indien voor die getoetste staat in geen van de verslagjaren die zijn aangevangen
binnen vierentwintig maanden voorafgaand aan de eerste dag van dat verslagjaar een
bijheffing verschuldigd is geweest.
2. Indien artikel 8.11 voor een getoetste staat in een verslagjaar niet wordt toegepast
nadat het in een eerder verslagjaar voor die getoetste staat is toegepast, kan artikel
8.11 voor die getoetste staat opnieuw worden toegepast in een later verslagjaar, mits
voor die getoetste staat in geen van de verslagjaren die zijn aangevangen binnen vierentwintig
maanden na de eerste dag van het verslagjaar waarin artikel 8.11 niet wordt toegepast
een bijheffing verschuldigd is geweest.
3. Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit de keuze, bedoeld in artikel
8.11, vierde lid, maakt, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid slechts
voldaan indien de in die leden bedoelde periode geen bijheffing verschuldigd is geweest
ten aanzien van groepsentiteiten die in de getoetste staat gevestigd zijn en groepsentiteiten
waarop die keuze betrekking heeft.
4. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt een verslagjaar waarin voor
de desbetreffende getoetste staat geen bijheffing is berekend op grond van deze wet
of daarmee vergelijkbare regelgeving in een andere staat, aangemerkt als een verslagjaar
waarin geen bijheffing verschuldigd is geweest.
G
In artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a, wordt «eindigt vóór 31 december 2026» vervangen
door «eindigt op of vóór 3 januari 2027».
H
Na artikel 8.14 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 8.15 Kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel-veiligehavenregel
1. Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit van een multinationale groep
daarvoor kiest, bedraagt voor de toepassing van artikel 4.2, tweede lid, en artikel
5.2, tweede lid, de bijheffing voor iedere laagbelaste groepsentiteit voor een verslagjaar
nihil, indien de uiteindelijkemoederentiteit van de multinationale groep in het verslagjaar
is gevestigd in een staat met een kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel
als bedoeld in het derde lid.
2. De keuze kan worden toegepast voor verslagjaren die aanvangen op of na 1 januari
2026. Indien de keuze is toegepast, bedraagt voor de toepassing van artikel 4.2, tweede
lid, en artikel 5.2, tweede lid, de bijheffing eveneens nihil ter zake van elk belang
in een joint venture of een met een joint venture verbonden partij, voor zover dat
belang wordt gehouden door een groepsentiteit van de multinationale groep en de uiteindelijkemoederentiteit
van die multinationale groep is gevestigd in een staat met een kwalificerend equivalent
minimumbelastingstelsel.
3. Van een kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel in een staat is sprake indien
in die staat:
a. een kwalificerend binnenlands belastingstelsel van toepassing is dat vóór 1 januari
2026 in werking is getreden of dat na die datum in werking is getreden indien ten
aanzien van dat stelsel een verzoek bij het Inclusive Framework on BEPS is ingediend
in 2027 of 2028;
b. een kwalificerend wereldwijd belastingstelsel van toepassing is dat vóór 1 januari
2026 in werking is getreden of dat na die datum in werking is getreden indien ten
aanzien van dat stelsel een verzoek bij het Inclusive Framework on BEPS is ingediend
in 2027 of 2028; en
c. een regeling geldt op grond waarvan buitenlandse winstbelasting, waaronder kwalificerende
binnenlandse bijheffing, voor verrekening in aanmerking komt.
4. Van een kwalificerend binnenlands belastingstelsel in een staat is sprake indien:
a. een belasting naar de winst wordt geheven tegen een nominaal statutair tarief van
ten minste 20%;
b. een kwalificerende binnenlandse bijheffing of een alternatieve minimumwinstbelasting
van toepassing is die:
1°. gebaseerd is op het resultaat volgens de financiële verslaggevingsstandaard die is
gebruikt bij het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van de uiteindelijkemoederentiteit
met inachtneming van toepasselijke aanpassingen, mits deze in overeenstemming zijn
met de beleidsdoelstellingen van een minimumbelasting;
2°. een nominaal tarief hanteert van ten minste 15%; en
3°. van toepassing is op een substantieel deel van de winst van in die staat gevestigde
groepsentiteiten; en
c. het belastingstelsel niet in overwegende mate het risico met zich brengt van een belasting
naar de winst van in die staat gevestigde groepsentiteiten tegen een effectief belastingtarief
van minder dan 15%.
5. Van een kwalificerend wereldwijd belastingstelsel in een staat is sprake indien een
belastingstelsel:
a. van toepassing is op groepsentiteiten die in die staat belastingplichtig zijn voor
een belasting naar de winst ter zake van inkomen uit activiteiten gelegen in een andere
staat, waaronder wordt begrepen het inkomen van vaste inrichtingen en gecontroleerde
lichamen gelegen in een andere staat, ongeacht of dat inkomen wordt uitgekeerd, onder
voorbehoud van een beperkt aantal aanpassingen mits deze in overeenstemming zijn met
de beleidsdoelstellingen van een minimumbelasting;
b. voorziet in voldoende maatregelen tegen uitholling van de belastinggrondslag en winstverschuivingen;
en
c. niet in overwegende mate het risico met zich brengt van een belasting naar de winst
van in een andere staat gevestigde groepsentiteiten tegen een effectief belastingtarief
van minder dan 15%.
Artikel 8.16 Uiteindelijkemoederentiteit-veiligehavenregel
Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit van een multinationale groep
daarvoor kiest, bedraagt voor de toepassing van artikel 5.2, tweede lid, de bijheffing
voor iedere laagbelaste groepsentiteit die is gevestigd in de staat waarin de uiteindelijkemoederentiteit
is gevestigd voor een verslagjaar nihil, indien in die staat op 1 januari 2026 een
kwalificerend binnenlands belastingstelsel als bedoeld in artikel 8.15, vierde lid,
in werking en van toepassing is.
Artikel 8.17 Kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel
1. Indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit van een multinationale groep
daarvoor kiest, bedraagt de bijheffing in een staat die betrekking heeft op kwalificerende
fiscale stimuleringsregelingen in een verslagjaar nihil.
2. De bijheffing die betrekking heeft op kwalificerende fiscale stimuleringsregelingen
is het verschil tussen de bijheffing in een staat berekend volgens de behandeling
van kwalificerende fiscale stimuleringsregelingen overeenkomstig het derde lid, en
de bijheffing in een staat indien de keuze, bedoeld in het eerste lid, niet was gemaakt.
3. Voor de berekening van de bijheffing in een staat volgens de behandeling van kwalificerende
fiscale stimuleringsregelingen worden de betrokken belastingen van een groepsentiteit
voor een verslagjaar, berekend op de voet van hoofdstuk 7, vermeerderd met:
a. het bedrag aan verrekening of teruggave van een belastingtegoed dat is toe te rekenen
aan een kwalificerende fiscale stimuleringsregeling dat in het verslagjaar in aanmerking
is genomen als een vermindering van de belastinglast;
b. het bedrag van een verhoogde vergoeding of extra aftrek dat is toe te rekenen aan
een kwalificerende fiscale stimuleringsregeling vermenigvuldigd met het belastingtarief;
c. het bedrag aan inkomen dat is vrijgesteld van belastingheffing en dat is toe te rekenen
aan een kwalificerende fiscale stimuleringsregeling vermenigvuldigd met het belastingtarief;
en
d. het bedrag aan inkomen dat tegen een afwijkend voordelig tarief is belast dat is toe
te rekenen aan een kwalificerende fiscale stimuleringsregeling in het verslagjaar
waarop een voordelig belastingtarief van toepassing is, vermenigvuldigd met het verschil
tussen het nationale belastingtarief en het voordelige belastingtarief.
4. Voor de toepassing van het derde lid bedraagt de vermeerdering van de betrokken belastingen
van een groepsentiteit voor een verslagjaar ten hoogste het hoogste van de volgende
bedragen:
a. 5,5% van de in het verslagjaar in aanmerking komende loonkosten ter zake van de in
het verslagjaar in aanmerking komende werknemers die in die staat activiteiten verrichten
voor de multinationale groep of binnenlandse groep in de zin van artikel 8.3, dan
wel de afschrijvingen van de in het verslagjaar in aanmerking komende materiële activa
die in de staat zijn gelegen als bedoeld in artikel 8.3, met uitzondering van de afschrijvingen
op de materiële vaste activa die in aanmerking zijn genomen ingevolge onderdeel b;
b. indien de informatieaangifte-indienende groepsentiteit daarvoor kiest, 1% van de boekwaarde
van de in het verslagjaar in aanmerking komende materiële activa die in de staat zijn
gelegen, met uitzondering van gronden en andere materiële activa waarop niet wordt
afgeschreven.
I
Artikel 13.2 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «6.9, eerste lid,» ingevoegd «8.11a, vierde lid, onderdelen
b, c en d, 8.11c, vijfde lid, 8.11bc, tweede lid, 8.11e, negende lid, 8.17, vierde
lid, onderdeel b,»
2. In het tweede lid wordt na «8.11, eerste lid,» ingevoegd «8.11, vierde lid, 8.11a,
vierde lid, onderdeel a, 8.11a, achtste lid, 8.11b, achtste, negende en tiende, 8.11bb,
vierde lid, 8.11bc, vijfde lid, 8.11e, vierde lid, 8.17, eerste lid,»
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat:
a. artikel I, onderdelen A, B, C, D, H en I, terugwerkt tot en met 1 januari 2026 en
voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of
na 1 januari 2026;
b. artikel I, onderdelen E, F en G, terugwerkt tot en met 31 december 2025 en voor het
eerst toepassing vindt met betrekking tot verslagjaren die aanvangen op of na 31 december
2025.
ARTIKEL III
Deze wet wordt aangehaald als: Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Financiën,