Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het bericht Europese regels zorgen voor problemen bij Zeeuws-Vlaamse brandweer
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Financiën over het bericht Europese regels zorgen voor problemen bij Zeeuws-Vlaamse brandweer: «Ik heb ze vol enthousiasme binnengehaald en nu in een bak ellende gesleurd» (ingezonden 23 juli 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 14 september
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2839.
Vraag 1
Bent u bekend met de berichtgeving van Omroep Zeeland en de brandbrief van de Vakvereniging
Brandweer Vrijwilligers over de circa dertig Zeeuwse brandweervrijwilligers die door
de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 in ernstige financiële en sociaalzekerheidsrechtelijke
problemen dreigen te komen?1
Antwoord 1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat mensen die zich vrijwillig inzetten
voor de openbare veiligheid hierdoor persoonlijk financieel nadeel kunnen ondervinden?
Antwoord 2
Ja, het is onwenselijk dat mensen die zich vrijwillig inzetten voor de openbare veiligheid
hier persoonlijk financieel nadeel door ondervinden. Het gaat in deze gevallen om
brandweervrijwilligers die in dienst zijn van een Nederlandse Veiligheidsregio in
de grensstreek en daarnaast in dienst zijn bij een werkgever in België. Dat mensen
bereid zijn zich in te zetten voor de vrijwillige brandweer is een groot goed. Zij
zijn essentieel voor de brandweerzorg in Nederland. Daarom werk ik aan oplossingen
op zowel de korte als de lange termijn. Met betrekking tot veel van de brandweerlieden
die nu bekend zijn bij de SVB is inmiddels gelukkig gebleken dat zij op basis van
de huidige regelgeving al sociaal onderworpen kunnen blijven in België (waar hun hoofdwerkgever
gevestigd is). Daarnaast wordt met België gekeken of in meer gevallen de wetgeving
van de hoofdwerkgever van toepassing kan blijven, wanneer er wordt gestart met een
klein dienstverband bij de vrijwillige brandweer in de andere lidstaat.
Het feit dat zij brandweervrijwilliger in Nederland en daarnaast werknemer in België
zijn, hoeft geen persoonlijk financieel nadeel te betekenen. Het is daarbij van belang
dat vanaf het begin van de werkzaamheden voor de brandweer nagegaan wordt in welk
land de brandweervrijwilliger sociaal verzekerd is en waar de betrokkene en zijn werkgever(s)
premies moeten afdragen. Iedereen die gaat werken in twee of meer (lid)staten is namelijk
op basis van Verordening 883/2004 verplicht om dat te melden bij de Sociale Verzekeringsbank
(SVB) of in dit geval een Belgisch bevoegd orgaan. Zo kunnen hun werkgevers direct
afdragen in het juiste stelsel en wordt voorkomen dat achteraf premie teruggevraagd
moet worden in het ene land, en alsnog moet worden betaald in het andere land. Hiermee
worden hoge na- en terugbetalingen voorkomen. Op het moment dat pas later gemeld wordt
dat iemand in meerdere landen werkt, kan het zijn dat achteraf blijkt dat iemand niet
onder het socialezekerheidsstelsel valt van het land waar premies zijn afgedragen.
Daarom zet ik ook in op betere communicatie richting deze doelgroep.
Vraag 3
U heeft inmiddels aangegeven2 dat Nederland en België verkennen of een structurele kaderuitzondering op grond van
artikel 16 van Verordening (EG) nr. 883/2004 mogelijk en wenselijk is en dat deze
verkenning naar verwachting ten minste een half jaar zal duren. Welke concrete stappen
worden in deze periode gezet, welke planning is hiervoor afgesproken en wanneer verwacht
u een definitief besluit?
Antwoord 3
Op basis van Verordening 883/2004 is iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd,
ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. Twee lidstaten kunnen
op grond van artikel 16 van deze verordening gezamenlijk besluiten om in een individueel
geval af te wijken van de aanwijsregels. Dit kan wanneer de aanwijsregels in een bepaald
individueel geval zouden leiden tot onwenselijke uitkomst die niet in lijn is met
de geest van de verordening.
Samen met België ben ik aan het verkennen of we een kaderovereenkomst kunnen sluiten
om het voor meer brandweervrijwilligers mogelijk te maken om in België te werken zonder
dat dit leidt tot een verandering van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel.
Bij een kaderovereenkomst spreken lidstaten met elkaar af onder welke voorwaarden
zij een verzoek voor een uitzonderingsovereenkomst altijd accepteren. Een kaderovereenkomst
wordt afgesloten voor een groep mensen en geeft deze groep dus op voorhand zekerheid
over het toe te passen socialezekerheidsstelsel als ze een aanvraag indienen om een
artikel 16-overeenkomst te sluiten.
Bij deze verkenning zoek ik daarom naar een oplossing in de geest van Verordening
883/2004 om af te wijken van de aanwijsregels, waarbij de uitvoering voor de SVB zo
min mogelijk verzwaard wordt. Dat doe ik omdat ik begrip heb voor deze doelgroep en
het belangrijk vind dat mensen zich in willen zetten voor de vrijwillige brandweer.
Maar iedere uitzondering op de hoofdregels maakt de uitvoering voor de SVB moeilijker,
waarbij de internationale dienstverlening al complex en arbeidsintensief is en er
juist bekeken wordt hoe we dit kunnen vereenvoudigen.3
Ik verwacht dat dit proces minimaal een half jaar in beslag zal nemen. Voor het afsluiten
van een kaderovereenkomst ben ik uiteraard afhankelijk van de bereidheid en medewerking
van alle betrokken partijen.
Vraag 4
Klopt het dat deze Europese regelgeving oorspronkelijk bedoeld is om grensoverschrijdend
werken te vergemakkelijken? Hoe verhoudt dat doel zich volgens u tot de huidige situatie,
waarin vrijwilligers juist worden ontmoedigd zich in te zetten voor de openbare veiligheid?
Antwoord 4
Het doel van Verordening 883/2004 is coördinatie van de verschillende nationale socialezekerheidsstelsels.
Onder andere door te voorkomen dat mensen in meerdere landen premies moeten afdragen,
of dat iemand juist nergens verzekerd is. Dit doel wordt ook gehaald. Deze regels
zijn echter in de praktijk dusdanig toegepast dat dit negatieve effecten heeft op
de mate waarin mensen zich beschikbaar willen stellen voor functies in de openbare
veiligheid. Dit is ongewenst, zowel vanuit persoonlijk alsook vanuit maatschappelijk
perspectief. Veiligheid en brandweerzorg in het bijzonder zijn immers ook grensoverschrijdend
georganiseerd.
De in de verordening neergelegde zogenaamde «aanwijsregels» schrijven voor welk nationaal
socialezekerheidsstelsel van toepassing is. Uitgangspunt is dat iemand altijd maar
in één lidstaat sociaal verzekerd is, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd
gewerkt wordt. De hoofdregel is dat personen verzekerd zijn in het land waar ze werken.
Voor werken in meerdere landen geldt voor ambtenaren de aanwijsregel dat zij verzekerd
zijn in het land waar ze voor werken. In dat land worden eventuele premies afgedragen
en zijn er eventuele aanspraken op uitkeringen.
Wanneer iemand twee banen in verschillende lidstaten heeft, moet één van beide werkgevers
voldoen aan de verplichtingen in de andere lidstaat (waaronder bijvoorbeeld premiebetaling).
In het geval van de brandweervrijwilliger bepaalt de verordening dat de Belgische
werkgever in het Nederlandse stelsel premies afdraagt (in plaats van dat de Veiligheidsregio
moet voldoen aan de verplichtingen van het Belgische stelsel). Dit komt omdat de brandweervrijwilligers
zijn aangemerkt als ambtenaren.
De Belgische werkgevers weigeren in voorkomende gevallen premies af te dragen in Nederland.
Hierdoor ontstaan er de volgende problemen:
– In het verleden zijn premies in het verkeerde stelsel afgedragen. Bij het herstellen
van deze situatie kunnen de brandweervrijwilligers met hoge na- en terugbetalingen
geconfronteerd worden.
– Een doorlopend probleem is dat brandweervrijwilligers hun vrijwilligersfunctie opzeggen
door druk van hun Belgische werkgever, waardoor het Belgische stelsel van toepassing
is en de paraatheid van de brandweerzorg in de grensstreek afneemt.
Vraag 5
Welke bewindspersoon voert op dit dossier de regie richting de Belgische autoriteiten
en op welke wijze werken de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW),
Justitie en Veiligheid (JenV) en Financiën hierin samen?
Antwoord 5
Als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heb ik de bevoegdheid om voor groepen
personen met andere lidstaten een kaderovereenkomst te sluiten op grond van artikel 16
van Verordening 883/2004. Waar nodig, sta ik bij dit dossier in contact met mijn collega’s
van Justitie en Veiligheid, Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Vraag 6
Bent u bereid om, vooruitlopend op een structurele oplossing, samen met Veiligheidsregio
Zeeland een tijdelijke voorziening te treffen waardoor betrokken vrijwilligers geen
financieel, fiscaal of sociaalzekerheidsrechtelijk nadeel ondervinden? Geldt deze
tijdelijke voorziening dan ook voor de ongeveer dertig vrijwilligers van wie een eerdere
uitzondering inmiddels is verlopen, of uitsluitend voor de twee à drie vrijwilligers
waarvan een lopende uitzondering binnenkort afloopt?
Antwoord 6
Met de verkenning naar de kaderovereenkomst zet ik mij in voor een structurele oplossing
die voor de toekomst regelt dat brandweervrijwilligers die ook in België werken tot
25 procent van hun werktijd of inkomen werkzaamheden voor de vrijwillige brandweer
kunnen verrichten zonder dat dit leidt tot een verandering van het toepasselijke sociale
zekerheidsstelsel.
Bij de SVB zijn op dit moment 16 gevallen bekend.
In het verleden zijn door middel van artikel 16-overeenkomsten ten onrechte uitzonderingen
gemaakt op de aanwijsregels voor structurele situaties. Voor deze gevallen werkt de
SVB mee aan een laatste artikel 16-overeenkomst voor een periode van twee jaar, vanwege
het gewekte vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel. Het gaat hierbij om bestaande
overeenkomsten die in 2026 aflopen. Tot nu toe zijn voor 2 mensen artikel 16-overeenkomsten
op deze basis verlengd. Na twee jaar kan met zekerheid gesteld worden dat de verkenning
is afgerond en is er duidelijkheid over het wel of niet bestaan van een structurele
oplossing. Betrokkenen hebben dan voldoende tijd gehad daarop te anticiperen.
De SVB onderzoekt ook voor brandweervrijwilligers of sprake is van marginale werkzaamheden.
Als de vrijwillige werkzaamheden als marginaal worden beschouwd (minder dan of gelijk
aan 5% van arbeidstijd/inkomen), worden ze niet in aanmerking genomen bij het bepalen
van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. Dit zal betekenen dat de brandweervrijwilligers
in België verzekerd zijn en hun situatie niet hersteld hoeft te worden. Dit geldt
in ieder geval voor 7 van de gevallen die bij de SVB bekend zijn.
Van de 16 bij de SVB bekende gevallen blijven 12 brandweervrijwilligers de komende
jaren (2) of structureel (10) onder de Belgische wetgeving vallen. Voor de overige
4 geldt dat nog wordt onderzocht of ze aan het Nederlandse- of aan het Belgische socialezekerheidsstelsel
onderworpen moeten worden.
Als geen sprake is van marginale werkzaamheden, dan kan regularisatie een oplossing
zijn. Dit houdt in dat als de Nederlandse wetgeving van toepassing moet zijn in plaats
van de Belgische, dat dit per toekomende datum wordt toegepast. Vanaf het moment dat
de situatie bekend is, moet in het Nederlandse stelsel worden afgedragen, maar van
na- en terugbetalingen is dan geen sprake.
Voor de nieuwe gevallen geldt dat de brandweervrijwilligers zich moeten melden bij
de SVB zodat de toepasselijke wetgeving kan worden vastgesteld. Nieuwe aanvragen zullen
worden beoordeeld volgens het reguliere beleid van de SVB. Als dit gebeurt voordat
de vrijwilligerswerkzaamheden starten, kan het probleem van hoge na- en terugbetalingen
worden voorkomen.
Vraag 7
U geeft aan dat bestaande uitzonderingen die binnenkort aflopen voorlopig worden gecontinueerd.
Waarom geldt deze oplossing niet voor de vrijwilligers van wie een eerdere uitzondering
inmiddels al is verlopen?
Antwoord 7
Bij vraag 6 is toegelicht waarom in bepaalde gevallen de uitzonderingen worden verlengd
en is toegelicht welke andere oplossing passend is voor overige brandweervrijwilligers
met een Belgische werkgever.
Vraag 8
Bent u bereid samen met de Sociale Verzekeringsbank (SVB), de Belgische Rijksdienst
voor Sociale Zekerheid (RSZ), Veiligheidsregio Zeeland en vertegenwoordigers van de
betrokken vrijwilligers een versnelde procedure in te richten voor de circa dertig
getroffen vrijwilligers?
Antwoord 8
Zoals aangegeven onder vraag 6 werk ik aan passende oplossingen voor brandweervrijwilligers
met een Belgische werkgever.
Vraag 9
Hoe beoordeelt u de positie van vrijwilligers die inmiddels een Nederlandse A1-verklaring
hebben ontvangen en daartegen bezwaar moeten maken?
Antwoord 9
Als de vrijwilligers geen bezwaar maken, wordt ervan uitgegaan dat ze het eens zijn
met het besluit dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Het is niet per definitie
onwenselijk of nadelig om in Nederland verzekerd te zijn en dus premies te betalen.
De oorzaak van het probleem ligt er veelal in dat de Belgische werkgever geen premies
in Nederland wil afdragen, waardoor de brandweervrijwilliger bezwaar moet aantekenen
tegen de vaststelling van de SVB dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Het
zou zelfs zo kunnen zijn dat het Nederlands socialezekerheidsstelsel gunstiger is
voor de brandweervrijwilligers. Deze problematiek heeft een arbeidsrechtelijk aspect.
Van de groep die in bezwaar is gegaan en die vervolgens meer informatie heeft aangeleverd
dan bij de initiële aanvraag, is bij het merendeel van de gevallen de uitkomst dat
de Nederlandse A1-verklaring weer zal worden ingetrokken en de Belgische wetgeving
van toepassing blijft (zie vraag 6).
Vraag 10
Heeft het bezwaar tegen een A1-verklaring een opschortende werking? Zo nee, hoe voorkomt
u dat vrijwilligers tijdens de bezwaarprocedure al met financiële of fiscale gevolgen
worden geconfronteerd?
Antwoord 10
Juridisch gezien is er een verschil tussen de A1-verklaring en het besluit van de
SVB tot afgifte van de A1-verklaring. Het bezwaar tegen het besluit heeft niet automatisch
een opschortende werking. De SVB houdt de beslissing op het bezwaar aan voor de duur
van de verkenning met België over de kaderovereenkomst. De belanghebbende kan zich
na het indienen van bezwaar tegen de afgifte van de A1-verklaring melden bij de inspecteur
van de Belastingdienst met het verzoek voor een individuele afspraak over uitstel
tot er duidelijkheid is over de A1-verklaring. De SVB kan de belanghebbende daarin
ondersteunen.
De A1-verklaringen die zijn afgegeven, waarvan inmiddels duidelijk is dat er sprake
is van marginale activiteiten zullen worden ingetrokken (zie voorgaande vragen).
Financiële gevolgen ontstaan op dit moment overigens ook door terugbetalingen aan
België. Zoals aangegeven bij vraag 6 zoek ik naar een passende oplossing voor betrokken
brandweervrijwilligers. Bij deze oplossing houd ik rekening met de gevolgen aan zowel
de Nederlandse als de Belgische kant.
Vraag 11
Hoe beoordeelt u de gevolgen die deze problematiek heeft voor Belgische werkgevers
van deze vrijwilligers? Acht u het wenselijk dat werkgevers worden geconfronteerd
met administratieve lasten en onzekerheid doordat werknemers zich vrijwillig inzetten
voor de Nederlandse brandweer?
Antwoord 11
Het doel van Verordening 883/2004 is onder andere om te voorkomen dat mensen in meerdere
landen premies moeten afdragen, of dat iemand juist nergens verzekerd is. Op basis
van deze regels is iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd, ook wanneer
in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. In dat land worden eventuele premies
afgedragen en zijn er eventuele aanspraken op uitkeringen.
Het is inherent aan dit systeem dat werkgevers die iemand in dienst hebben, die ook
werkt in een andere lidstaat soms moeten voldoen aan de verplichtingen die volgen
uit het socialezekerheidsstelsel van een andere lidstaat. Werkgevers mogen de verplichting
niet weigeren om premies in een ander land te betalen, of werknemers discrimineren
omdat zij in een andere lidstaat sociaal verzekerd zijn. Dit is essentieel voor het
functioneren van de vrije markt en voor het bevorderen van het vrije verkeer van werknemers.
Dit komt voor bij alle werknemers die een Nederlandse en een Belgische werkgever hebben
en is dus niet voorbehouden aan die gevallen waarbij mensen zich inzetten voor de
Nederlandse brandweer.
Nederlandse brandweervrijwilligers die in België werkzaam zijn als werknemer, hebben
door hun status als ambtenaar te maken met een wisseling van sociale zekerheidsstelsel
op het moment dat zij in dienst treden als brandweervrijwilliger. Om deze reden verken
ik samen met België een structurele oplossing middels een kaderovereenkomst.
Vraag 12
Klopt het dat Veiligheidsregio Zeeland sommige vrijwilligers heeft geadviseerd hun
vrijwilligersfunctie neer te leggen om verdere financiële en sociaalzekerheidsrechtelijke
problemen te voorkomen? Hoe beoordeelt u het dat mensen zich genoodzaakt voelen hun
inzet voor de brandweer te beëindigen vanwege de gevolgen van deze regelgeving?
Antwoord 12
Het klopt dat de veiligheidsregio Zeeland (VRZ) de brandweervrijwilligers die grensarbeider
zijn en die geen Belgische A1-verklaring hebben, hebben geadviseerd om tijdelijk,
met ingang van 1 juli 2026, met administratief ontslag te gaan. 10 van de 24 gedupeerde
brandweervrijwilligers hebben inmiddels om dit ontslag gevraagd. Zij hebben daarbij
de garantie gekregen om terug bij VRZ in dienst te komen op het moment dat voor grensarbeiders
is geregeld dat zij in het land waar hun hoofdwerkgever gezeteld is, voor hen de sociale
zekerheid in dat land van toepassing is.
Zoals hierboven aangegeven geldt dat van de 16 bij de SVB bekende gevallen 12 brandweervrijwilligers
de komende jaren (2) of structureel (10) onder de Belgische wetgeving blijven vallen.
Deze personen kunnen dus in ieder geval weer aan de slag zonder dat dit invloed heeft
op hun sociale zekerheidspositie.
Ook wanneer de Nederlandse wetgeving van toepassing zou worden lost dit ontslag het
probleem dat ziet op het verleden niet op. Voor de na- en terugbetalingen moet nog
steeds iets geregeld worden, zie voor de oplossing hiervoor vraag 6. Het primaire
probleem zou zich niet hebben voorgedaan als de Belgische werkgever zich vanaf begin
af aan had gehouden aan de Nederlandse en Europese regelgeving.
Vraag 13
Bent u bekend met het feit dat inmiddels vrijwilligers hun functie hebben neergelegd
én dat de brandweerposten Westdorpe en Koewacht onder andere bij een grote brand in
een paardenstal in Clinge niet konden uitrukken vanwege een tekort aan beschikbare
vrijwilligers? Hoe beoordeelt u dit voor de brandweerzorg en de openbare veiligheid?
Antwoord 13
Dit is bekend en uiteraard ongewenst. Het is goed om hierbij te realiseren dat onderbezetting
van een brandweerpost vaker voorkomt en diverse redenen kan hebben. Wanneer een post
onderbezet is, wordt een omliggende post gealarmeerd zodat de hulpverlening doorgang
kan vinden. Hierdoor zal de opkomsttijd echter toenemen. Daarnaast draagt de grensoverschrijdende
samenwerking met België (inzet van Belgische brandweerposten in Nederland) eraan bij
dat in delen van Zeeuws-Vlaanderen de snelst mogelijke hulpverlening mogelijk is.
Recent deed zich in Clinge inderdaad een incident voor waarbij de posten Koewacht
en Westdorpe niet konden uitrukken vanwege onderbezetting. Hierbij ging het om de
zesde en zevende tankautospuit in de opschalingsvolgorde en niet meer om het eerste,
levensreddende optreden. Verder zijn er tot nu toe geen incidenten bekend waarbij
brandweerposten niet konden uitrukken als gevolg van de grensproblematiek. De VRZ
doet er dan ook alles aan om de repressieve inzetbaarheid en beschikbaarheid binnen
Zeeland op peil te hebben en te houden.
Vraag 14
Welke gevolgen verwacht u dat deze problematiek heeft voor het werven en behouden
van brandweervrijwilligers in grensregio's als hiervoor niet op zeer korte termijn
een oplossing wordt gevonden? Waarom heeft deze problematiek, ondanks dat zij al geruime
tijd bekend is, nog niet geleid tot een structurele oplossing?
Antwoord 14
Indien er niet op korte termijn een oplossing gevonden wordt, zal de beschikbaarheid
van vrijwilligers verder afnemen en zullen enkele mensen mogelijk definitief afscheid
nemen van de vrijwillige brandweer. Dit acht ik zoals gezegd ongewenst en daarom zet
ik me in voor het vinden van zowel een tijdelijke als een structurele oplossing.
Ongeacht de tijdelijke en structurele oplossing is het bij het werven van brandweervrijwilligers
van belang dat nieuwe brandweervrijwilligers goed voorgelicht worden over hun situatie
wanneer zij ook werken in België. De veiligheidsregio kan hierin ondersteunen. Hierdoor
kan gezorgd worden dat direct in het juiste land premies afgedragen worden en wordt
voorkomen dat achteraf uit het ene land premies teruggevraagd moeten worden en in
het andere land alsnog betaald moeten worden. De SVB kan vaststellen in welk land
iemand verzekerd is, als de brandweervrijwilliger in Nederland woont. Als de brandweervrijwilliger
in België woont, dan wordt dit vastgesteld door de RSZ of de RSVZ. Hiermee kunnen
de gevolgen omtrent het werven en behouden van brandweervrijwilligers worden beperkt.
Er is nog geen structurele oplossing voor deze problematiek, omdat het tijd kost alle
relevante aspecten goed in kaart te brengen. Er moet onderbouwd worden waarom een
structurele uitzondering voor brandweervrijwilligers gerechtvaardigd is, met een duidelijke
afbakening die deze groep onderscheid van andere werkenden die uitzonderingen op de
aanwijsregels willen aanvragen. Verder moet duidelijk zijn hoe groot de groep is die
tegen deze problemen aanloopt en wat hun situatie is, om ervoor te zorgen dat de structurele
oplossing daadwerkelijk een uitkomst voor deze vrijwilligers biedt. Zo is bijvoorbeeld
uit het onderzoek naar marginale werkzaamheden, zoals genoemd in vraag 6, al gebleken
dat de werkzaamheden van bepaalde vrijwilligers marginaal zijn, waardoor zij in België
sociaal verzekerd zijn. Daarnaast moet de dekking per groep bepaald worden om te voorkomen
dat vrijwilligers onverzekerd achter blijven. Dit vraagt nadere analyses van het Nederlandse
en Belgische stelsel.
Vraag 15
Wanneer is het Rijk voor het eerst op de hoogte gebracht van deze problematiek? Welke
acties zijn sindsdien ondernomen en waarom heeft dit nog niet tot een oplossing geleid?
Antwoord 15
Eind 2024 is toenmalig Minister van Hijum benaderd door mijn Belgische collega. Op
dat moment leek dit zich alleen aan Belgische zijde van de grens voor te doen bij
casussen met Belgische brandweerlieden.
Naar aanleiding van deze signalen is een analyse gemaakt van de situatie en de mogelijke
gevolgen4. De betrokken bewindspersonen aan beide zijden van de grens, zijn op de hoogte gebracht
van de analyse en de achterliggende problematiek.
In oktober 2025 werd duidelijk dat dit ook in brede zin voor Nederlandse brandweervrijwilligers
speelde. Eind 2025 is ook begonnen met het verkennen van een overeenkomst met België
om deze groep te onderwerpen aan de sociale zekerheidswetgeving van de lidstaat waar
zij hun hoofdarbeidsverband hebben in plaats van aan de lidstaat waar zij als overheidsvrijwilliger
werken.
In januari jl. is mijn voorganger geïnformeerd dat enkele brandweervrijwilligers een
uitzonderingsovereenkomst hadden die binnenkort zou aflopen. Zie hierboven bij de
beantwoording van vraag 6 voor de reden waarom er in bepaalde gevallen nog voor maximaal
2 jaar een artikel 16-overeenkomst is gesloten om onder het Belgische stelsel te vallen.
Eind juni j.l. informeerde de SVB mijn medewerkers dat sindsdien 10 nieuwe verzoeken
voor uitzonderingsovereenkomsten zijn ingediend.
Vraag 16
Bent u bereid de Tweede Kamer op zeer korte termijn te informeren over de omvang van
deze problematiek, de voortgang van de gesprekken met België en de concrete maatregelen
die worden getroffen?
Antwoord 16
Met de beantwoording van deze vragen heb ik u geïnformeerd over de gevallen die op
dit moment bij de SVB bekend zijn van brandweervrijwilligers die ook een Belgische
werkgever hebben en bezwaar hebben aangetekend tegen de beslissing dat de Nederlandse
wetgeving van toepassing is.
Daarnaast zal de SVB de aanvragen van brandweervrijwilligers voor het verlengen van
reeds bestaande uitzonderingsovereenkomsten toekennen totdat de verkenning tussen
Nederland en België is afgerond en zoek ik naar een tussenoplossing voor de groep
waarvoor dit niet van toepassing is.
Na de zomer verwacht ik de gesprekken over een kaderovereenkomst met België verder
voort te zetten. Ik zal de Kamer informeren als deze verkenning is afgerond.
Vraag 17
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een structurele aanpassing
van de coördinatieregels, zodat een beperkte vrijwilligersfunctie bij een publieke
veiligheidsorganisatie niet langer automatisch leidt tot disproportionele gevolgen
voor de sociale zekerheidspositie uit het hoofdberoep?
Antwoord 17
Bij de Europese Commissie en in andere lidstaten zal ik onder de aandacht brengen
dat relatief beperkte werkzaamheden voor een publieke veiligheidsorganisatie in een
andere lidstaat dan het hoofdberoep leidt tot een verandering van de toepasselijke
sociale zekerheidswetgeving. Ik zal nagaan of er voldoende steun is op Europees niveau
voor een aanpassing van de coördinatieregels, en indien dat het geval is, zal ik mij
hiervoor inzetten.
Vraag 18
Kunt u toezeggen dat geen enkele brandweervrijwilliger uiteindelijk persoonlijk de
financiële rekening hoeft te betalen voor een systeemprobleem dat voortvloeit uit
Europese regelgeving en de uitvoering daarvan? Zo ja: hoe gaat u de individuele brandweervrijwilligers
ondersteunen die op dit moment problemen ondervinden? Zo nee: waarom niet en wat kunt
u wel toezeggen?
Antwoord 18
Zoals toegelicht bij vraag 4 coördineert Verordening 883/2004 de socialezekerheidsstelsels.
De verordening harmoniseert de stelsels niet en er kunnen daardoor financiële voor-
of nadelen voor betrokkenen bestaan wanneer zij grensoverschrijdend werken. Onderdeel
van deze coördinatieregels is het beginsel dat iemand onderworpen is aan de wetgeving
van één enkele lidstaat. Wanneer iemand werkt voor twee werkgevers betekent dit dat
één van beide werkgevers zich moet conformeren aan de wetgeving van een andere lidstaat.
Wel kan de vraag worden gesteld of relatief beperkte werkzaamheden voor een publieke
veiligheidsorganisatie in een andere lidstaat dan het hoofdberoep al zou moeten leiden
tot een verandering van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving.
Omdat deze regels op dit moment specifiek lijken te knellen met betrekking tot de
vrijwillige brandweer en aan de Belgisch-Nederlandse grens verken ik nu eerst een
kaderovereenkomst met onze Belgische collega’s. Ook zeg ik toe op zoek te gaan naar
een passende oplossing voor brandweervrijwilligers die nu geen uitzonderingsovereenkomst
hebben.
Vraag 19
Kunt u daarnaast toezeggen dat geen enkele brandweervrijwilliger persoonlijk financieel
nadeel zal ondervinden zolang Nederland en België nog werken aan een structurele oplossing?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 19
Zie vraag 18.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid