Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Patijn en Ceulemans over het terugdraaien van de afbouw van de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting door minister Paul en het informeren van de Kamer hierover
Vragen van de leden Patijn (PRO) en Ceulemans (JA21) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het terugdraaien van de afbouw van de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting door Minister Paul en het informeren van de Kamer hierover (ingezonden 13 augustus 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 10 september
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2835.
Vraag 1
Bent u bekend met het Woo-verzoek van NRC Handelsblad aangaande het besluit van toenmalig
Minister Paul om het besluit van haar voorganger Van Hijum aangaande het afbouwen
van de mogelijkheid om 25 procent van het minimumloon in te houden terug te draaien
en de timing daarvan?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat het besluit van de Minister om deze maatregel terug te draaien reeds
op 30 september bekend was, dat op 7 oktober een concept-Kamerbrief aan de Minister
is voorgelegd, dat hier vervolgens twee weken overheen gingen en dat op 20 oktober
vervolgens intern bekend werd dat een betrokken ambtenaar met de Minister had besloten
om de brief pas na de verkiezingen te verzenden, dat daags erop door een andere ambtenaar
eveneens werd aangegeven dat de Minister tot na de verkiezingen wilde wachten met
communiceren over het niet afbouwen van de inhoudingsmogelijkheid per 1 januari 2026
en dat het communicatiebureau dat nieuwsberichten voor het ministerie verzorgt te
horen kreeg dat er «nog even geen momentum is om hier iets over naar buiten te brengen»,
zoals uit de reconstructie van NRC aan de hand van het Woo-verzoek blijkt1? Zo nee, wat klopt er volgens u niet aan deze reconstructie en hoe is een en ander
dan wél verlopen? Graag een concreet antwoord.
Antwoord 2
Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
– Op 30 september reageert de Minister op een ambtelijke nota. Zij neemt het besluit
om de regeling op dit moment niet af te bouwen.
– Op 1 oktober worden sociale partners in Stichting van de Arbeid op ambtelijk niveau
geïnformeerd over het besluit van de Minister.
– Op 6 oktober maakt SZW op ambtelijk niveau een tekstvoorstel. De tekst wordt toegevoegd
aan de brief over de Bouwplaats-ID, die vóór 1 november 2025 is toegezegd aan de Kamer.
– Op 7 oktober geeft het Ministerie van VRO op ambtelijk niveau akkoord op de tekst.
SZW gaat er daarmee vanuit dat de brief niet langs de Minister van VRO moet.
– Op 7 oktober wordt een met ambtelijk VRO afgestemde tekst voorgelegd aan de Minister
van SZW.
– Op 9 oktober reageert de Minister van SZW op de brief. Ze vraagt om tekstuele aanpassingen
in de brief en wil de brief opnieuw voorgelegd krijgen.
– Op 13 oktober is een aangepaste tekst naar de Minister gegaan.
– Op 14 oktober reageert de Minister met nog een nieuwe tekstuele aanpassing.
– Op 15 oktober zijn de aanpassingen verwerkt en gaat brief opnieuw naar de Minister
toe.
– Op 16 oktober wil de Minister nog één aanpassing van de brief en daarna kan de brief
verzonden worden naar de Tweede Kamer.
– Diezelfde dag is er ook brede discussie op het ministerie en met de Minister of het
versturen van de brief volstaat of dat er meer communicatie noodzakelijk is. Bijvoorbeeld
via het delen van een persbericht. Minister geeft aan geen persbericht te willen sturen.
Er wordt een nieuwsbericht voor op rijksoverheid.nl voorbereid.
– Op 20 oktober beslist de Minister om de brief na de verkiezingen uit te doen. Daarbij
is rekening gehouden met de staande parlementaire verhoudingen door terughoudend om
te gaan met het sturen van beleidsbrieven tijdens een (verkiezings-)reces wanneer
de Kamer deze niet in behandeling kan nemen.
– SZW schrijft zelf alle pers- en nieuwsberichten voor rijksoverheid.nl. Een extern
communicatiebureau schrijft algemene informatie voor arbeidsmigratieingoedebanen.nl.
Het communicatiebureau wordt geïnformeerd dat de brief pas na de verkiezingen uitgaat.
– Op 21 oktober laat ambtelijk VRO aan ambtelijk SZW weten dat de Minister van VRO toch
geïnformeerd moet worden over de brief voordat deze verzonden wordt.
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook
intern bespreken en afstemmen.
– Op 29 oktober gaat de Minister van VRO akkoord met de brief.
– Op 30 oktober wordt de brief verstuurd naar de Tweede Kamer, om zodoende de Tweede
Kamer en werkgevers tijdig te kunnen informeren over Bouwplaats-ID en dat de stapsgewijze
afbouw van de inhoudingsmogelijkheid per 1 januari 2026 niet doorgaat.
Vraag 3
Indien de gereconstrueerde gang van zaken klopt, erkent u dan dat deze niet in lijn
is met de verklaring die de Minister tijdens het Kamerdebat op 27 november gaf voor
de timing rond het informeren van de Kamer over haar besluit op 30 oktober -daags
na de Tweede Kamerverkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Nee. Het beeld is niet veranderd zoals de tijdlijn in het antwoord op vraag 2 ook
laat zien.
Vraag 4
Hoe duidt in het licht van de uitkomsten van het Woo-verzoek dat Minister Paul tijdens
dit debat in antwoord op vragen van het lid Ceulemans over deze timing aangaf: «We zijn terughoudend om met beleidsinhoudelijke brieven te komen, dus niet in een
reces, niet in een verkiezingsreces. Tegelijkertijd is de praktische kant van de zaak
dat de ambtelijke afstemming met VRO pas op 29 oktober afgerond was» en «De suggestie wordt gewekt dat ik gepland en bewust heb gedacht: zo, die drop ik de
dag na de verkiezingen. Dat is helemaal niet aan de orde. Dat is oprecht niet aan
de orde.2»Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit de Woo-verzoeken is gebleken, namelijk
dat expliciet wordt aangegeven dat de Minister pas na de verkiezingen de Kamer wilde
informeren en communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo
ja, hoe rijmt u dit?
Antwoord 4
Ja. In zowel de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden, als ook
in het debat met uw Kamer op 27 november is voornoemde terughoudendheid gemeld. Daarbij
is rekening gehouden met de staande parlementaire verhoudingen door terughoudend om
te gaan met het sturen van beleidsbrieven tijdens een (verkiezings-)reces wanneer
de Kamer deze niet in behandeling kan nemen.
Vraag 5
Hoe duidt u in het licht van de uitkomsten van het Woo-onderzoek tevens dat Minister
Paul tijdens hetzelfde debat in antwoord op vragen van het lid Patijn (PRO) aangaf:
«De suggestie wordt gewekt dat ik de timing heb laten afhangen van de campagne of
het feit dat er verkiezingen aankwamen. Daar heeft het werkelijk helemaal niks mee
te maken.» en «Nadat ik het besluit had genomen, zijn we aan de slag gegaan om die communicatie
voor te bereiden. Ik werk samen met fantastische ambtenaren, maar als ik concepten
voorgelegd krijg, vind ik er ook nog wat van. Dat gaat dan heen en weer. Vervolgens
vond er ambtelijke afstemming plaats met het Ministerie van VRO. Uiteindelijk waren
we er op 29 oktober ambtelijk uit. Toen is er een klap gegeven op die brief en is
die uitgestuurd.» Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit het Woo-verzoek is gebleken,
namelijk een expliciet besluit om pas na de verkiezingen de Kamer te informeren en
over de maatregel te communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid?
Zo ja, hoe rijmt u dit?
Antwoord 5
Ja. Deze weging blijkt ook uit de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden
en waarin melding wordt gemaakt van voornoemde terughoudendheid. Ook in het debat
noemt de Minister dat ze terughoudend is met beleidsinhoudelijke brieven tijdens een
verkiezingsreces.
De politieke afstemming vond plaats tot en met 29 oktober. Toen was de Minister van
VRO akkoord. De ambtelijke afstemming met VRO was op 7 oktober afgerond.
Vraag 6
Vindt u alles afwegende dat uw voorganger de Kamer juist en volledig heeft geïnformeerd
over de timing van haar besluit om de inhoudingsmogelijkheid terug te draaien? Zo
ja, hoe kunt u dit volhouden?
Antwoord 6
Voor zover ik kan beoordelen is er geen sprake van een afweging op basis van politieke
gronden om de brief pas na de verkiezingen te versturen. Zie voorts ook de eerdergenoemde
brief van 20 november aan uw Kamer.
Vraag 7
Zo nee, deelt de u de indruk dat het er alle schijn van heeft dat de Kamer door de
Minister bewust onjuist geïnformeerd is over de besluitvorming rond dit dossier? Zo
nee, waarom niet?
Antwoord 7
Zie antwoord op vraag 6.
Vraag 8
Was u bekend met de gang van zaken zoals blijkt uit het Woo-verzoek van NRC aangaande
het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over het terugdraaien van
de afbouw van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, heeft u overwogen om het beeld dat
uw voorganger hierover tijdens het Kamerdebat van 27 november schetste richting de
Kamer recht te zetten? Zo nee, waarom niet en zo ja, waarom is dit niet alsnog gebeurd?
Antwoord 8
Ik ben op 6 juli van dit jaar geïnformeerd dat er een Woo-verzoek lag en wanneer de
Woo-stukken met de indieners gedeeld zouden worden.
Vraag 9
Kunt u aangeven of indien nodig nagaan welke gesprekken uw voorganger heeft gevoerd
met welke betrokken partijen en belanghebbenden in aanloop naar haar besluit om het
verbod op inhoudingen voor huisvesting terug te draaien? Kunt u de Kamer voorzien
van alle beschikbare informatie hieromtrent?
Antwoord 9
In het Kamerdebat van 27 november 2025 is door mijn ambtsvoorganger aangegeven dat
de standpunten van alle stakeholders duidelijk waren door de eerder uitgevoerde verkenning
en ook nog eens bevestigd waren in de internetconsultatie. Er was dus geen nieuwe
aanleiding om daarover met hen in gesprek te gaan.
Vraag 10
Deelt u de conclusie dat het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer
over een reeds genomen besluit sterk de suggestie wekt dat dit politiek beter uitkwam?
Zo nee, waarom niet en welk andere motieven zijn dan volgens u aannemelijk?
Antwoord 10
Dit beeld herken ik niet, maar ik begrijp wel dat dit beeld is ontstaan. Hierover
is in de Kamer ook het debat gevoerd. De stukken uit het Woo-verzoek bevestigen de
uitgangspunten bij het besluit zoals die met uw Kamer zijn gedeeld in het debat en
de brief die voorafgaand aan het debat naar de Kamer is verstuurd.
Vraag 11
Hoe is het besluit om de Kamer pas na de verkiezingen te informeren tot stand gekomen,
welke personen en eventuele organisaties en andere partijen zijn hierbij -al dan niet
in adviserende vorm- betrokken geweest?
Antwoord 11
In het antwoord op vraag 2 is een tijdlijn opgenomen die beschrijft hoe het besluit
tot stand is gekomen.
Vraag 12
Bent u bereid het verbod op het inhouden van huur op het minimumloon, een maatregel
die volgens de Arbeidsinspectie een prikkel vormt om buitenlands in plaats van Nederlands
personeel aan te stellen, alsnog snel door te voeren en niet te wachten op het eventuele
aannemen van de aangekondigde wet op de huurbescherming, aangezien het nog zeker een
jaar zal duren voordat deze wordt ingevoerd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 12
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om
de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te
schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming.
Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer
over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een
brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het
minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met
de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.3
4
Toelichting
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Jimmy Dijk
(SP), ingezonden 7 augustus 2026 (vraagnummer 2026Z16772) en van het lid Boon (PVV), ingezonden 7 augustus 2026 (vraagnummer 2026Z16774)
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid