Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Stoffer over de overdracht school in Altforst
Vragen van het lid Stoffer (SGP) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en wetenschap over overdracht school in Altforst (ingezonden 28 juli 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
9 september 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2834.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Het besluit om basisschool De Tweestroom in Altforst
te sluiten wordt één jaar geschorst» en de aanvulling op het arrest door het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden?1
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
Kent u een precedent waarin de rechter op zo korte termijn voor aanvang van het schooljaar
het voortbestaan van een school heeft afgedwongen? Bent u bereid om in deze uitzonderlijke
situatie actief inhoudelijke ondersteuning te geven aan de school ten einde recht
te doen aan het arrest van het gerechtshof in het belang van goed onderwijs?
Antwoord 2
Bij mij is één ander recent voorbeeld bekend van een civielrechtelijke uitspraak naar
aanleiding van een vrijwillige opheffing van een school waarin de rechter een besluit
heeft geschorst. De schorsing was bedoeld om een uitspraak van de Landelijke Commissie
voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (WMS) af te kunnen wachten.2 In die zaak heeft de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS geoordeeld dat het
schoolbestuur het besluit mocht nemen om de school in kwestie te sluiten.3
Het komt daarnaast vaker voor dat een schoolbestuur pas kort van tevoren zeker weet
dat een school niet datzelfde jaar nog zal worden gesloten, bijvoorbeeld wanneer een
instandhoudingsverzoek wordt ingewilligd. Ook komt het voor dat schoolbesturen uit
eigen beweging een voorgenomen besluit tot sluiting weer intrekken. Het is in zo’n
geval aan het schoolbestuur om het belang van goed onderwijs te (blijven) waarborgen.
Op 10 augustus heb ik een brief ontvangen van de advocaat van de medezeggenschapsraad
van De Tweestroom en een ouder van een leerling van De Tweestroom. Naar aanleiding
daarvan hebben een van de regio-adviseurs en de inspectie contact opgenomen met het
schoolbestuur en is een gesprek gevoerd. Hieruit zijn geen signalen naar voren gekomen
die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. De
regio-adviseur en de inspectie zullen de situatie in de gaten blijven houden en hierover,
indien nodig, in gesprek gaan met het schoolbestuur.
Vraag 3
Welke les trekt u uit het feit dat het gerechtshof bij de schorsing van het besluit
tot sluiting van de laatste basisschool in het dorpje Altforst zwaar gewicht heeft
toegekend aan de zorgplicht van het bevoegd gezag jegens de ouders en hoge prioriteit
heeft gegeven aan de belangen van kinderen?
Antwoord 3
Bij wet geldt dat schoolbesturen een zorgplicht hebben richting leerlingen en hun
ouders of verzorgers. Ik trek hier de les uit dat de wettelijke zorgplicht zijn doel
dient als middel om besluiten van schoolbesturen te laten toetsen en daarmee de rechtszekerheid
van betrokkenen te waarborgen. In geval van een schoolsluiting, betekent dat bijvoorbeeld
dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking moeten kunnen voortzetten en dat
de overgang naar een nieuwe school dus goed wordt begeleid.
Deze civielrechtelijke zaak laat concreet zien dat de rechter bij sluitingsbesluiten
streng aan deze zorgplicht toetst. Blijft een schoolbestuur daarin in gebreke, dan
heeft dat reële gevolgen voor wat het wel en niet kan doen. Mocht het bestuur – wat
het in principe vrij staat – opnieuw een sluitingsbesluit willen nemen, dan is het
cruciaal dat het aantoont wél aan de zorgplicht te hebben voldaan, zodat de belangen
van leerlingen en ouders of verzorgers zijn geborgd. Dit kan achteraf door de rechter
worden getoetst.4 Dit laat zien dat het stelsel, waarin bewust een wettelijke zorgplicht is opgenomen
dat door de rechter kan worden getoetst, werkt.
Vraag 4
Schept de norm van artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag ook een zekere verantwoordelijkheid
voor u om waar mogelijk ondersteuning te leveren aan de gemeenschap van ouders rond
de school in Altforst, ten einde een goede uitvoering van het arrest in het belang
van ouders en kinderen te bevorderen? Welke rol kan de onderwijsinspectie spelen om
te waarborgen dat het bevoegd gezag tijdig maatregelen treft voor de goede voortgang
van het onderwijs in het komende schooljaar?
Antwoord 4
Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind volgt, zoals het hof
aangeeft, dat de belangen van een kind een hoge prioriteit hebben bij het nemen van
maatregelen waar kinderen bij zijn betrokken. De zorgplicht die onder meer voortvloeit
uit de Wet op het primair onderwijs is een voorbeeld van de nationale uitwerking van
de bepalingen uit het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof heeft in deze
casus de belangen afgewogen en geoordeeld dat de belangen van de kinderen die nu en
in de nabije toekomst worden geraakt zwaarder wegen dan de belangen van het schoolbestuur
om de school per 1 augustus 2026 te sluiten.5
De inspectie heeft in april 2026 een bestuursbezoek uitgevoerd bij het schoolbestuur
en daarbij onder andere aandacht besteed aan de bestuurlijke kwaliteitszorg. Uit het
rapport (dat te raadplegen is op de website van de inspectie) blijkt dat de inspectie
geen reden ziet om over te gaan tot nader onderzoek.
Naar aanleiding van de onder antwoord 2 genoemde brief van de advocaat heeft de inspectie
contact opgenomen met het schoolbestuur. Op basis van de door de inspectie verzamelde
informatie concludeert zij dat alle inspanningen van het schoolbestuur er, in lijn
met de rechterlijke uitspraken, op gericht zijn om vanaf de eerste schooldag van schooljaar
2026–2027 onderwijs te verzorgen aan De Tweestroom. De inspectie ziet geen aanleiding
voor aanvullend onderzoek en/of verscherpt toezicht. Wel neemt de inspectie deze informatie
mee in het reguliere toezicht op de school en het schoolbestuur.
Zoals eerder in de beantwoording aangegeven, houden de regio-adviseur en de inspectie
de situatie in de gaten en gaan zij hierover, indien nodig, in gesprek met het schoolbestuur.
Zo wordt waar nodig ondersteuning geboden aan het schoolbestuur, zodat de goede voortgang
van het onderwijs niet onder druk komt te staan. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid
van het schoolbestuur om de goede voortgang van het onderwijs te waarborgen en daarvoor
tijdig maatregelen te treffen. Mocht blijken dat de goede voortgang van het onderwijs
alsnog onder druk komt te staan, dan is het aan de inspectie om via de gebruikelijke
route hier toezicht op te houden.
Vraag 5
Wat vindt u ervan dat het door het handelen van het bevoegd gezag van de school zo
lang heeft geduurd voordat recht werd gedaan aan de wens van de lokale gemeenschap
en vrijwel alle ouders van de school? Vindt u ook dat de belangen van de lokale gemeenschap
en de schoolgemeenschap in het vervolg zwaar moeten wegen nu het voortbestaan van
de school door het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten minste gedurende
het aankomende schooljaar is verzekerd? Bent u ook van mening dat het belang van de
kinderen bij goed onderwijs het meest gediend is met een bevoegd gezag dat voluit
wil gaan voor de kwaliteit van het onderwijs op deze kleine school? Onderkent u dat
het huidige bevoegd gezag daarvoor geen geschikte partij meer lijkt nu het enerzijds
duidelijk heeft laten merken kleine scholen onder of zelfs boven de vijftig leerlingen
niet wenselijk te vinden en anderzijds tot op heden geen zichtbare, voortvarende actie
onderneemt om uitvoering te geven aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?6
Antwoord 5
Voor het sluiten van een school kan een schoolbestuur goede redenen hebben, zoals
het niet meer kunnen waarborgen van goed onderwijs, financiële problemen of personeelstekorten.
Of die keuze wordt gemaakt is gelet op de vrijheid van stichting in eerste instantie
aan het schoolbestuur. Zoals in de beantwoording van vraag 3 is te lezen, staat het
besturen vrij om besluiten te nemen. Ze moeten begrijpelijkerwijs dan wel aan alle
wettelijke voorwaarden, waaronder de zorgplicht, voldoen.
Zoals in de beantwoording van de vragen 2 en 4 is te lezen zijn geen signalen naar
voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk
zou staan. Ik vind het mede om die reden niet gepast om te oordelen over het handelen
en de positie van het schoolbestuur. Het besluit van het schoolbestuur is door de
rechter getoetst, waarbij is geoordeeld dat niet voldoende aan de zorgplicht is voldaan.
In deze civielrechtelijke procedure is het uiteindelijk aan de rechter om, via de
invulling van de wettelijke zorgplicht, te oordelen of het schoolbestuur juist heeft
gehandeld en of daarbij de belangen van de leerlingen en hun ouders of verzorgers
voldoende zijn meegewogen.
Vraag 6
Bent u bereid om, gezien de korte termijn tot de start van het nieuwe schooljaar en
het belang van goed onderwijs, te bemiddelen tussen het huidige bevoegd gezag en een
nieuwe rechtspersoon om een goede en snelle overdracht van de school te bevorderen?
Bent u bovendien bereid over deze situatie contact te zoeken met de gemeente West
Maas en Waal?
Antwoord 6
De keuze om een school wel of niet over te dragen is uiteindelijk aan het schoolbestuur.
Zoals gemeld in antwoord 2, kan het schoolbestuur zich laten adviseren door een van
de regio-adviseurs. Mocht daarbij blijken dat contact met de gemeente West Maas en
Waal wenselijk is, dan zal dat contact uiteraard tot stand gebracht worden.
Om een beeld te krijgen waar ouders in de praktijk tegenaan kunnen lopen wanneer zij
een school willen overnemen, hebben ambtenaren van het ministerie in april van dit
jaar een algemeen gesprek gehad met bestuursleden en adviseurs van Stichting PO De
Sprong. Het gesprek neem ik mee in de ontwikkeling van een handreiking om lokale initiatieven
die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen.
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap