Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Mathlout over de toename van explosies in woonwijken
Vragen van het lid Mathlouti (D66) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de toename van explosies in woonwijken (ingezonden 25 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 9 september 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2566.
Vraag 1
Bent u bekend met de berichtgeving over de recente explosies in Amsterdam, Breda,
Poortugaal, Eindhoven en Spijkenisse en het beeld dat explosies in woonwijken steeds
vaker voorkomen en zich op sommige locaties herhalen?
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving en ook met het beeld dat op sommige locaties
persoonsgerichte aanslagen met explosieven in woonwijken zich herhalen.
Vraag 2
Hoeveel explosies en pogingen daartoe hebben in de afgelopen tien jaar plaatsgevonden
in woonwijken? Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, politieregio en naar (vermoedelijk)
motief?
Antwoord 2
Vanaf 2023 nam het aantal aanslagen met explosieven enorm toe. Naar aanleiding van
deze toename heeft de politie op centraal niveau een landelijke definitie vastgesteld
en is het aantal aanslagen met explosieven op uniforme wijze vastgelegd. De aantallen
worden door de politie uitgesplitst naar (pogingen tot) aanslagen op woningen, bedrijven,
voertuigen, infrastructuren en een categorie «overige» (tabel 1). Ook wordt het aantal
(pogingen tot) aanslagen per politie-eenheid bijgehouden (tabel 2). Het (vermoedelijke)
motief van de aanslag wordt meestal later duidelijk, omdat dit meestal moet worden
herleid uit verhoren of digitale gegevensdragers (zie hiervoor ook het antwoord op
vraag 5). In diverse opsporingsonderzoeken is zicht verkregen op (vermoedelijke) motieven.
Deze variëren van sociale en zakelijke tot criminele conflicten (bijvoorbeeld een
rancuneuze ex-partner, conflicten tussen criminele jeugdgroepen, een ruzie over een
partij drugs). Voor een groot deel van de (pogingen tot) aanslagen is het motief onbekend.
Tabel 1 Aanslagen en pogingen tot aanslagen met explosieven per objecttype
Jaar
(poging) Aanslag woning
(poging) Aanslag bedrijf
(poging) Aanslag voertuig
(poging) Aanslag infra
(poging) Aanslag overige
Totaal
2023
599
196
85
1
21
902
2024
1.122
230
152
1
38
1.543
2025
1.043
254
203
4
30
1.534
20261
388
117
53
3
20
581
X Noot
1
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Tabel 2 Aanslagen en pogingen tot aanslagen met explosieven per politie-eenheid
Jaar
Noord-Nederland
Oost-Nederland
Midden Nederland
Noord-Holland
Amsterdam
Den Haag
Rotterdam
Zeeland West-Brabant
Oost-Brabant
Limburg
Totaal
2023
29
40
95
110
208
93
249
36
15
27
902
2024
68
126
192
194
269
166
304
86
91
47
1.543
2025
83
172
239
163
200
159
267
129
71
51
1.534
20261
24
65
104
49
102
57
84
48
24
24
581
X Noot
1
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Vraag 3
Hoe heeft het aantal explosies en pogingen daartoe in woonwijken zich in de afgelopen
tien jaar ontwikkeld en welke mogelijke trend ziet u daarin voor de komende jaren?
Kunt u daarbij aangeven welke factoren volgens politie, het Openbaar Ministerie en
andere betrokken instanties bijdragen aan deze ontwikkeling?
Antwoord 3
Het aantal aanslagen met explosieven en pogingen daartoe wordt door de politie niet
uitgesplitst op woonwijkniveau. Wel wordt het aantal (pogingen tot) aanslagen vastgelegd
op het niveau van politie-eenheid (tabel 2) en het aantal (pogingen tot) aanslagen
per objecttype (tabel 1).
Op landelijk niveau was in 2024 een aanzienlijke stijging van de aantallen ten opzichte
van het jaar 2023 waarneembaar. In 2025 lag het aantal (pogingen tot) aanslagen iets
lager dan in 2024. In de eerste zes maanden van 2026 zet deze daling door. Met 581
(pogingen tot) aanslagen met explosieven in Nederland zijn dit er 124 minder dan in
de eerste zes maanden van 2025. Het Offensief tegen Explosies (hierna: Offensief)
ligt daarmee op koers om in 2026 een afname van 10% te realiseren.1
De factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van de explosieproblematiek zijn met
name de brede beschikbaarheid van het middel (waaronder zwaar vuurwerk met flitspoeder),
de opdrachtgevers en tussenpersonen die regelmatig buiten beeld blijven en de toegankelijke
wijze waarop jongeren (veelal jongeren in een kwetsbare positie) worden gerekruteerd
om aanslagen te plegen. De faciliterende rol en het anonieme en afgeschermde karakter
van digitale platforms spelen een belangrijke rol bij het rekruteren van jongeren
door opdrachtgevers en tussenpersonen ten behoeve van het plegen van aanslagen en
bij de online handel in illegaal vuurwerk. Om deze redenen hebben de partners van
het Offensief hun aandacht en samenwerking in 2026 met prioriteit op deze factoren
gericht. De inzet op de andere onderdelen van de aanpak blijft hierbij ongewijzigd.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke impact van deze ontwikkeling op bewoners, in
het bijzonder in buurten waar herhaaldelijk explosies plaatsvinden en gevoelens van
onveiligheid langdurig aanwezig blijven?
Antwoord 4
De gevolgen van explosies zijn zeer ingrijpend voor slachtoffers, hun families, buurtbewoners
en ondernemers, met soms zelfs dodelijke slachtoffers, ernstig letsel of enorme schade
tot gevolg. Een explosie heeft dan ook een enorme impact op de veiligheidsgevoelens
bij bewoners, omwonenden en andere burgers in en betrokkenen bij de getroffen wijken.
Ondanks de huidige daling blijven explosies een ernstig veiligheidsprobleem. Ik zet
mij met het Offensief daarom onverminderd in voor een duurzame afname van het aantal
aanslagen op woningen, bedrijven en voertuigen. Gemeenten worden vanuit het Offensief
ondersteund bij een stevige lokale aanpak en bij de nazorg voor slachtoffers en omwonenden
(zie hiertoe ook de beantwoording van de vragen 7 en 8).
Vraag 5
Hoe verklaart u dat in meerdere gevallen in korte tijd opnieuw explosies konden plaatsvinden
in dezelfde straat of directe omgeving, zoals recent in Breda, Poortugaal en Spijkenisse?
Antwoord 5
In geval van lokale veiligheidsproblematiek, zoals de explosies in Breda, Poortugaal
en Spijkenisse, is het aan de veiligheidsdriehoek om op basis van de beschikbare feiten
passend op te treden. Het achterhalen van het doelwit en het exacte motief achter
incidenten met explosieven is voor de politie in de praktijk vaak complex. Betrokkenen
zijn geregeld terughoudend in het verstrekken van informatie. Daarnaast bemoeilijkt
de specifieke locatie, zoals een gedeeld portiek, soms het identificeren van het beoogde
doelwit. Ook incidenten op basis van foutieve informatie, zoals persoons- of adresverwarring,
komen voor, waardoor het daadwerkelijke motief vaak onduidelijk blijft. Deze specifieke
factoren maken het lastig om de kans op een herhaalaanslag in te schatten.
De prioriteit van de politie in deze aanpak, ligt bij het direct opsporen en aanhouden
van de uitvoerders en tussenpersonen. Dit vergroot de kans om tot de achterliggende
opdrachtgevers te komen. En daarmee mogelijk bij het motief voor de aanslag. Technologische
hulpmiddelen, zoals camera’s, worden ingezet om de effectiviteit van de opsporing
te verhogen en eventuele herhaalaanslagen te voorkomen.
Vraag 6
Beschikken gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie momenteel over een eenduidige
werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste explosie om herhaling
te voorkomen? Zo ja, hoe ziet die eruit en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Antwoord 6
Er bestaat geen eenduidige werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste
explosie om herhaling te voorkomen. Dit komt omdat de lokale context waarin de aanslagen
met explosieven plaatsvinden zeer divers is. De opvolging is afhankelijk van die context
en vergt dus maatwerk. Wel wordt steeds per incident, op basis van de lokale context,
beoordeeld welke maatregelen in dat specifieke geval genomen kunnen en zullen worden,
bezien vanuit opportuniteit, subsidiariteit en aanwezige middelen. Op basis hiervan
zet de burgemeester het bestuurlijk instrumentarium in (bijvoorbeeld sluiting van
een woning of bedrijfslocatie), en besluiten de politie en het OM tot eventuele additionele
maatregelen (bijvoorbeeld cameratoezicht of extra surveillance). In sommige gevallen
is de NCTV betrokken in het kader van het Stelsel Bewaken en Beveiligen. De veiligheidscontext
wordt onder andere bepaald door een inschatting van veiligheidsrisico’s door de politie.
Andere factoren zijn ook van invloed op de in te zetten maatregelen, zoals de aanwezigheid
van minderjarigen op locatie. Na een aantal dagen wordt binnen de driehoek beoordeeld
of de maatregelen moeten worden aangepast, beëindigd of voortgezet.
Vraag 7
Welke concrete maatregelen worden direct ingezet nadat sprake is van een explosie
bij een woning, bijvoorbeeld op het gebied van beveiliging, toezicht, informatievoorziening
en bescherming van bewoners en omwonenden?
Antwoord 7
Zoals is beschreven in het antwoord op vraag 6, is de inzet van maatregelen sterk
afhankelijk van de lokale context. Ter ondersteuning van de bestuurlijke aanpak, heeft
het Offensief op 6 november 2025 het «Landelijk handelingskader bij aanslagen met explosieven» gepubliceerd,2 dat is opgesteld door gemeenten, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de politie,
het Openbaar Ministerie (OM), het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid
(CCV), woningcorporaties en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het handelingskader
is gebaseerd op ervaringen en best practices van deze partners. Het bevat praktische
en juridische handvatten voor het opzetten van een effectieve aanpak bij aanslagen
op woningen, bedrijfspanden en voertuigen. Per fase van een aanslag, vooraf preventief,
bij dreiging van een (herhaal)aanslag, direct na een incident en nazorg, wordt in
het handelingskader aandacht besteed aan bestuurlijke bevoegdheden, praktische handelingen,
concrete maatregelen en zorg voor slachtoffers en omwonenden. Denk aan het inrichten
van noodopvang en slachtofferhulp en tijdige, eenduidige informatieverschaffing. Het
handelingskader belicht de complexe afwegingen die gepaard gaan met besluitvorming
in dergelijke situaties.3
Vraag 8
Welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten hebben burgemeesters op
dit moment om op te treden na een explosie en acht u dat instrumentarium toereikend?
Antwoord 8
In het, bij vraag 7 genoemde, «Landelijk handelingskader bij aanslagen met explosieven» is opgenomen welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten burgemeesters
momenteel hebben om op te treden bij een dreiging van en na een aanslag met explosieven.
Daarnaast is het «Overzicht bestuurlijke bevoegdheden. Bij aanslagen op woningen, bedrijfspanden en
voertuigen» gepubliceerd in 2025.4 Hierin wordt het bestuurlijk-juridisch instrumentarium van de burgemeester uiteengezet,
dat ook na een explosie kan worden ingezet. In het overzicht wordt tevens inzicht
gegeven in het overwegingskader en de voor- en nadelen van de inzet van de verschillende
bevoegdheden. Dit overzicht is ook opgenomen in het landelijk handelingskader. Tot
op heden heb ik geen signalen ontvangen dat burgemeesters niet uit de voeten kunnen
met de huidige bevoegdheden.
Vraag 9
Hoeveel explosiezaken zijn in de afgelopen tien jaar opgehelderd? Dat wil zeggen:
hoe veel verdachten zijn aangehouden en in hoeveel zaken is het daadwerkelijk gekomen
tot een veroordeling?
Antwoord 9
Tabel 3 Aantal aanhoudingen per jaar
Jaar
Aantal aanhoudingen1
2023
219
2024
449
2025
472
20262
261
X Noot
1
Het aantal ingezonden verdachten is niet gelijk aan het aantal aangehouden verdachten
in dat jaar. Dit wordt verklaard door de tijd die tussen een aanhouding en inzending
zit.
X Noot
2
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Vanaf 2023 is het aantal aanhoudingen voor en het aantal ingezonden verdachten van
(pogingen tot) aanslagen met explosieven bijgehouden (tabel 3 en tabel 4). Het aantal
ingezonden verdachten is niet gelijk aan het aantal aangehouden verdachten in datzelfde
jaar. Dit wordt verklaard doordat bij opsporingsonderzoeken sprake is van een langere
doorlooptijd tussen aanhouding en inzending. Het kan zo zijn dat het dossier van een
verdachte die in 2024 is aangehouden in 2025 wordt ingezonden. Ook leidt niet elke
aanhouding uiteindelijk tot een inzending, bijvoorbeeld in geval van onvoldoende bewijs.
Tot op heden betreffen de geregistreerde, openbaar gemaakte, cijfers alleen politiegegevens.
Het OM gaat in kaart brengen op welke manier zaken worden afgedaan, bijvoorbeeld via
een sepot, een OM-strafbeschikking of een gerechtelijke zitting. Dit wordt meegenomen
in de openbaarmaking van de cijfers over 2026. Het totaal aantal daadwerkelijke veroordelingen
door de strafrechter voor een (poging) tot aanslagen met explosieven is niet bekend.
Vraag 10
Acht u de huidige opsporings- en vervolgingscapaciteit binnen politie, forensische
opsporing en het Openbaar Ministerie voldoende om explosiezaken snel en zichtbaar
af te handelen? En zo ja, waar blijkt dat uit?
Antwoord 10
De explosieproblematiek is een van de prioriteiten van het OM en de politie. Hierbij
wordt door politie en OM al enkele jaren gewerkt met een landelijke aanpak die in
elke eenheid wordt toegepast. Er wordt voortdurend gewerkt aan een betere samenhang
in de aanpak. Hoewel de beschikbare capaciteit van de politie en het OM verdeeld moet
worden over een groot aantal veiligheidsdomeinen, gaat dit niet ten koste van de zaken
waarin (pogingen tot) aanslagen met explosieven worden gepleegd.
Momenteel is er binnen de politie een landelijke coördinatietafel Explosievenproblematiek
operationeel en is er een inventarisatie gemaakt van lopende activiteiten in alle
eenheden. Er wordt in het hele land veel inzet gepleegd op de explosieproblematiek:
van de recherche in basisteams tot aan de rechercheteams bij de Eenheid Landelijke
Opsporing en Interventies (LO) en de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX).
De opsporingsonderzoeken richten zich vaak op meerdere explosies en eventuele verbanden.
De onderzoeken hebben de doelstelling ook de opdrachtgevers in beeld te krijgen en
te vervolgen. De meeste aanhoudingen betreft uitvoerders. Diverse teams lukt het om
bij meerdere (herhaal)explosies beter zicht te krijgen op plegers, medeplegers, tussenpersonen
en opdrachtgevers en diverse aanhoudingen te verrichten. Dit is meestal alleen mogelijk
naar aanleiding van onderzoek op basis van de inhoud van inbeslaggenomen digitale
gegevensdragers zoals telefoons en laptops (zoals chats).
Vraag 11
Hoe vaak waren in de afgelopen tien jaar minderjarigen of jongvolwassenen betrokken
bij explosiezaken en welke inzichten bestaan over de rekrutering van jongeren voor
dit type geweld?
Antwoord 11
Tabel 4 Aantal ingezonden verdachten per leeftijdscategorie
Leeftijd ingezonden1 verdachten
2023
2024
2025
20262
11–17 jaar
48
149
215
152
18–24 jaar
64
158
229
110
25–29 jaar
16
46
58
20
30–39 jaar
24
44
70
27
40+
10
23
53
25
Onbekend
1
Eindtotaal
161
418
622
334
X Noot
1
Het aantal ingezonden verdachten is niet gelijk aan het aantal aangehouden verdachten
in dat jaar. Dit wordt verklaard door de tijd die tussen een aanhouding en inzending
zit.
X Noot
2
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Sinds de opkomst van de explosieproblematiek blijken bij veel incidenten minderjarigen
of jongvolwassenen betrokken te zijn (tabel 4). De rekrutering van (jonge) uitvoerders
verloopt deels via social media platforms en deels via sociale netwerken. Recent onderzoek
van Politie & Wetenschap naar de rol van social media bij de betrokkenheid van jongeren
bij zware en georganiseerde drugs- en geweldscriminaliteit laat zien dat rekrutering
van jongeren voornamelijk via het (in)directe sociale netwerk plaatsvindt, waarbij
online en offline in elkaar overlopen.5 Dit komt overeen met eerder onderzoek naar plegers van aanslagen met explosieven:
betrokkenheid verloopt meestal via bekenden (familie, school- of buurtgenoten) en
criminele klussen worden vooral via dat netwerk aangeboden, zowel off- als online.6 Uit het onderzoek van Politie & Wetenschap blijkt ook dat uit een representatieve
streekproef van jongeren tussen de 16 en 27 jaar 80% aangaf nooit oproepen op sociale
media gezien te hebben voor het plegen van een drugs- of geweldsdelict. Van de respondenten
gaf 6,1% aan ooit te zijn benaderd.
In de opsporing en vervolging is er ook aandacht voor mogelijke uitbuiting van (jonge)
uitvoerders. Een groot deel van deze, vaak minderjarige uitvoerders, verkeert in een
kwetsbare positie en kunnen naast dader ook slachtoffer zijn. In verschillende onderzoeken
wordt criminele uitbuiting ten laste gelegd aan de verdachten die de uitvoerders hebben
ingeschakeld of aangestuurd.
Vraag 12
Welke interventies worden ingezet om te voorkomen dat jongeren worden ingezet voor
intimidatie, geweld en explosies en hoe wordt de effectiviteit van die aanpak beoordeeld?
Antwoord 12
Het kabinet investeert in de landelijke aanpak van jeugdcriminaliteit via de aanpak
van High Impact Crimes (waaronder aanslagen met explosieven). Hierbij is specifieke
aandacht voor het tegengaan van rekrutering voor criminele activiteiten zoals het
plegen van aanslagen met explosieven. Hiervoor wordt er bij voorkeur ingezet op kansrijke
en bewezen effectieve interventies die multimodaal zijn (gericht op meerdere risico-
en beschermende factoren) en die langdurig met een mentor voor de jongeren wordt ingezet.
Voorbeelden zijn de bewezen effectieve gedragsinterventie Alleen jij bepaalt wie je
bent (AJB) en de kansrijke interventie Integrale Persoonsgerichte Toeleiding naar
Arbeid (IPTA), waarbij bekende risicofactoren worden aangepakt en beschermende factoren
worden gestimuleerd en daarmee jongeren kansen en perspectief biedt.
Daarnaast is er het programma Preventie met Gezag, structureel in 27 gemeenten en
tot en met 2027 in 20 incidentele gemeenten. Deze inzet is gericht op het voorkomen
dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen, daarin terecht komen en doorgroeien.
Zo worden justitiepartners als de reclassering en de Rechtspraak in het kader van
PmG gefinancierd om te voorkomen dat jongeren worden ingezet door criminelen of zelf
doorgroeien tot ronselaars. Politie en OM pakken bijvoorbeeld ronselaars en opdrachtgevers
aan die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten. Deze vorm van mensenhandel
is strafbaar gesteld in het wetboek van strafrecht artikel 273f. Ook is er binnen
het programma aandacht voor de ondersteuning van jongeren die vastzitten in de criminaliteit
of worden benaderd voor het plegen van criminele klussen. Hiervoor financiert mijn
ministerie vanuit de online chat Keerpunt. Via Keerpunt kunnen jongeren anoniem chatten
met een hulpverlener. Wanneer nodig wordt een jongere hulp aangeboden in zijn of haar
regio.
Vanuit het Offensief wordt aangesloten bij lopende initiatieven en projecten en wordt
de explosieproblematiek hierin opgenomen, voor zover daar specifiek aandacht voor
nodig is. Via het Offensief is op scholen en sportclubs en aan de deelnemers van de
gedragsinterventie AJB een extra workshop aangeboden om jongeren bewust te maken van
de risico’s van (online) rekrutering voor en het plegen van een aanslag met explosieven.
Daarnaast wordt communicatie ingezet om de kennis en bewustwording over dit onderwerp
te vergroten.
Voor 2026 is het terugdringen van (jonge) uitvoerders een van de drie benoemde prioriteiten
van het Offensief. Hiervoor worden gerichte acties, maatregelen en gedragsinterventies
op elkaar afgestemd en ingezet met als doel het aantal uitvoerders terug te dringen
en daarmee bij te dragen aan de bredere aanpak van jeugdcriminaliteit. Voor de inzet
van gedragsinterventies voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden de richtlijnen
vanuit het landelijk kwaliteitskader «effectieve interventies ter preventie van jeugdcriminaliteit»7 toegepast. Voor enkele acties wordt er samengewerkt met de wetenschap zodat de aanpak
afgestemd is op de doelgroep en kan worden gemonitord ten behoeve van een effectieve
aanpak. Er start bijvoorbeeld een pilot conflictbemiddeling om oplopende spanningen
en conflicten tussen (groepen) jongeren tijdig te de-escaleren, wat zou moeten leiden
tot minder excessieve geweldsincidenten waar jongeren bij betrokken zijn, waaronder
het plegen van aanslagen met explosieven.
De effecten van deze, maar ook andere acties, maatregelen en gedragsinterventies worden
op langere termijn zichtbaar. Het realiseren van effect, gedragsverandering en sociale
ontwikkeling hebben tijd nodig, evenals de uitvoering van betrouwbaar effectiviteitsonderzoek.
Hiervoor dient een aanpak of werkwijze (met jongeren) langdurig, integer en intensief
te worden gemonitord.
Vraag 13
Heeft u voldoende zicht op de herkomst, handel en verspreiding van de explosieve middelen
die worden gebruikt bij deze incidenten?
Antwoord 13
Door de samenwerking met nationale en internationale partners en de uitvoering van
opsporingsonderzoeken ontstaat er steeds beter zicht op de herkomst, handel en verspreiding
van de explosieve middelen. De politie werkt aan een nieuwe analyse over handel en
opslag van zwaar vuurwerk. Deze wordt in het najaar openbaar gemaakt en naar de Tweede
Kamer gestuurd.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid