Schriftelijke vragen : Team Diverse Instroom en het selectiebeleid bij de politie.
Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over Team Diverse Instroom en het selectiebeleid bij de politie (ingezonden 9 september 2026).
Vraag 1
Wat hield de informele toetsing van de werkwijze rond diverse instroom bij het College
voor de Rechten van de Mens concreet in, wanneer heeft deze plaatsgevonden, welke
informatie is daarbij aan het College voor de Rechten van de Mens voorgelegd en welke
conclusies of adviezen heeft het College voor de Rechten van de Mens gegeven?
Vraag 2
Is het beleid waarbij tussen 2020 en 2025 streefcijfers van minimaal 35 procent respectievelijk
15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond werden gehanteerd formeel
juridisch getoetst aan Artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling?
Zo ja, door wie, wanneer en wat was de conclusie? Zo nee, waarom is volstaan met een
informele toetsing?
Vraag 3
Op welke grond weigert u de gevraagde interne beleidsstukken, instructies, juridische
adviezen, evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom aan de Kamer
te verstrekken en hoe verhoudt deze weigering zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
Vraag 4
Bent u alsnog bereid de gevraagde beleidsstukken, instructies, juridische adviezen,
evaluaties en budgetoverzichten over Team Diverse Instroom en de gehanteerde streefcijfers
aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, welke concrete grond bestaat voor het niet verstrekken
van deze informatie?
Vraag 5
Aan de hand van welke concrete resultaten of prestatie-indicatoren wordt de doelmatigheid
en doeltreffendheid beoordeeld van de inzet van de ongeveer 17 fte die landelijk werkzaam
zijn voor Team Diverse Instroom?
Vraag 6
Hoeveel geld is sinds de oprichting daadwerkelijk besteed aan Team Diverse Instroom
en welke externe bureaus, consultants, trainers of onderzoekers zijn daarbij ingezet?
Bent u bereid dit alsnog door de politie te laten inventariseren en de Kamer hierover
te informeren?
Vraag 7
Hoe verhoudt het uitgangspunt dat politieteams herkenbaar moeten zijn voor en moeten
passen bij de lokale bevolkingssamenstelling zich tot het hanteren van streefcijfers
van 15 tot 20 procent voor aspiranten met een migratieachtergrond in alle overige
politie-eenheden?
Vraag 8
Betekent het uitgangspunt dat politieteams moeten passen bij de lokale bevolkingssamenstelling
dat in gebieden waar relatief weinig mensen met een migratieachtergrond wonen ook
naar een relatief lage vertegenwoordiging van politiemedewerkers met een migratieachtergrond
zou moeten worden gestreefd? Zo nee, waarom geldt het argument van een afspiegeling
van de lokale bevolkingssamenstelling volgens u slechts één kant op?
Vraag 9
Kunt u uitsluiten dat tussen 2020 en 2025 geschikte kandidaten zonder migratieachtergrond
direct of indirect niet zijn aangenomen of een nadeliger positie hebben gehad met
als doel de streefcijfers van 35 procent respectievelijk 15 tot 20 procent voor aspiranten
met een migratieachtergrond te behalen? Zo nee, waarom kunt u dit niet uitsluiten?
Vraag 10
Waarom heeft u de eerdere vraag of u kunt uitsluiten dat sollicitanten vanwege hun
ras, huidskleur, afkomst, migratieachtergrond, culturele achtergrond of geloof een
voorkeurs- of achterstandspositie hebben gekregen niet met ja of nee beantwoord, en
kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
Vraag 11
Waarom acht u gegevens over herkomst en migratieachtergrond relevant voor het monitoren
en evalueren van diversiteitsbeleid bij de politie, en welke objectieve criteria hanteert
u om te bepalen wanneer dergelijke achtergrondkenmerken relevant zijn voor registratie,
analyse en publicatie door de overheid?
Vraag 12
Welke concrete doelstelling rechtvaardigde volgens u het registreren en monitoren
van de etnisch-culturele samenstelling van de politie, en waarom was het daarvoor
noodzakelijk om onderscheid te maken naar migratieachtergrond?
Vraag 13
Op welke objectieve en wetenschappelijke onderzoeken baseert u uw stelling dat een
diverse en inclusieve politie de legitimiteit en het vertrouwen van burgers in de
politie vergroot, en kunt u deze onderzoeken afzonderlijk noemen en aan de Kamer doen
toekomen?
Vraag 14
Uit welke wetenschappelijke onderzoeken blijkt specifiek dat een hogere etnisch-culturele
diversiteit van het Nederlandse politiekorps op zichzelf leidt tot meer vertrouwen
in en legitimiteit van de politie, en hoe groot is dit effect ten opzichte van factoren
als politieprestaties, bereikbaarheid, responsiviteit en de wijze waarop burgers door
de politie worden behandeld?
Indieners
-
Gericht aan
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Indiener
Ingrid Coenradie, Kamerlid