Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Schenk over het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan het werk te helpen
Vragen van het lid Schenk (FVD) aan de Ministers van Werk en Participatie en van Asiel en Migratie over het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen (ingezonden 22 juni 2026).
Antwoord van Minister Aartsen (Werk en Participatie) en de Minister van Asiel en Migratie
(ontvangen 8 september 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 2460.
Vraag 1
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december
2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval
is?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders
en asielzoekers aan werk te helpen?
Antwoord 2
Het is belangrijk dat iedereen in Nederland die kan werken actief moet deelnemen en
bijdragen aan onze samenleving. Veel mensen willen niet aan de kant staan, maar graag
meedoen. Ondanks de hoge arbeidsparticipatie zijn er nog altijd mensen niet aan het
werk, terwijl zij wel zouden kunnen of willen werken.1 Dit geldt ook voor nieuwkomers voor wie het vinden en behouden van een baan niet
vanzelfsprekend is. Werken is niet alleen goed voor de samenleving, maar ook in het
belang van deze mensen zelf: het geeft voldoening, eigenwaarde en vergroot de zelfredzaamheid.
Daarnaast stelt werk hen in staat een bijdrage te leveren aan de kosten van de opvang
en het bevordert de integratie en latere arbeidsdeelname, terwijl het de afhankelijkheid
van sociale voorzieningen in een later stadium verkleint en tekorten op de arbeidsmarkt
vermindert. Langdurig aan de zijlijn staan bereikt het tegenovergestelde en zorgt
voor een langere bijstandsafhankelijkheid dan nodig. Het is dus in het belang van
onze samenleving, arbeidsmarkt en de mensen zelf om asielzoekers en statushouders
eerder en sneller aan het werk te helpen.
Vraag 3
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en
niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Antwoord 3
Ja. De asielopvang dient primair om asielzoekers onderdak en basisvoorzieningen te
bieden gedurende de behandeling van hun asielverzoek door de IND en in de periode
dat zij een verblijfsvergunning hebben gekregen en in afwachting zijn van huisvesting.
Als het asielverzoek wordt afgewezen dient de asielzoeker de asielopvang te verlaten
en terug te keren naar het land van herkomst. Daarmee is de opvang dus nadrukkelijk
geen structureel arbeidsmarktinstrument.
Tegelijkertijd laat het Europese kader, de Opvangrichtlijn, zien dat arbeidsdeelname
van asielzoekers niet volledig losstaat van het opvangsysteem. Lidstaten worden aangemoedigd
om asielzoekers met een grote kans op inwilliging van het asielverzoek zo vroeg mogelijk
toegang tot de arbeidsmarkt te geven. Bovendien geldt als norm dat deze asielzoekers
zo snel mogelijk, maar uiterlijk zes maanden na registratie van hun aanvraag, mogen
werken. Vanuit dat perspectief is het met oog op de onder antwoord 2 genoemde voordelen
waardevol om asielzoekers waar mogelijk te laten werken.
Vraag 4
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 4
Zie antwoord op vraag 3.
Vraag 5
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure
zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
Antwoord 5
In het coalitieakkoord is opgenomen dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning
na drie maanden in de asielprocedure aan het werk mogen. Zij krijgen vanaf het begin
hulp en bemiddeling naar werk om sneller te kunnen integreren én bij te kunnen dragen
aan de kosten van de opvang. Asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek
wordt ingewilligd hebben, ook overeenkomstig de Europese regels uit de herschikte
Opvangrichtlijn, geen recht om te werken. Daarnaast wil het kabinet direct aan het
begin van de asielprocedure starten met taalles voor asielzoekers met een kansrijke
asielaanvraag. Deze plannen worden verder uitgewerkt in de Taskforce Asiel en Migratie.
Vraag 6
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk
geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Antwoord 6
Asielaanvragen van asielzoekers met een kansrijke aanvraag stroomden voor de inwerkingtreding
van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026 in spoor 4 in. Spoor 4 omvatte dus alle
vreemdelingen die geen Dublinclaimant zijn (spoor 1) en niet afkomstig zijn uit een
veilig land van herkomst en ook geen bescherming elders in de EU genieten (spoor 2).
In aanvulling op de doelgroepen die voorheen werden aangeduid als sporen 1 en 2 worden
nu ook alle nationaliteiten met een gemiddeld EU inwilligingspercentage van minder
dan 20% toegevoegd aan de doelgroep «kansarm», terwijl een aantal van deze «kansarme»
nationaliteiten, zoals Moldavië en Algerije, tot 12 juni 2026 onder spoor 4 werden
behandeld, omdat deze niet voldeden aan de voorwaarden voor afhandeling in spoor 1
en 2.
In onderstaande tabellen is de afdoening weergegeven van zowel eerste als opvolgende
aanvragen waarop in spoor 4 is beslist. Bij de tabel wordt opgemerkt dat een aanvraag
in een eerder jaar kan zijn ingediend dan het jaar waarin op de aanvraag is beslist.
Gegevens van voor 2013 zijn vanwege technische redenen niet beschikbaar.
Tabel 1, afdoeningen eerste aanvragen spoor 4 2013–2026
Jaar
Totaal afdoeningen
Waarvan ingewilligd
Inwilligingspercentage
2013
9.580
4.800
50%
2014
17.150
12.000
70%
2015
21.850
16.790
77%
2016
25.610
19.700
77%
2017
11.510
6.000
52%
2018
6.510
3.170
49%
2019
8.100
4.510
56%
2020
11.270
8.480
75%
2021
15.810
11.740
74%
2022
17.150
14.500
85%
2023
18.570
14.020
76%
2024
22.610
15.620
69%
2025
17.060
7.170
42%
2026 (tot 12 juni)
9.450
2.340
25%
Tabel 2, afdoeningen opvolgende aanvragen spoor 4 2013–2026
Jaar
Totaal afdoeningen
Waarvan ingewilligd
Inwilligingspercentage
2013
3.200
1.120
35%
2014
2.490
840
34%
2015
1.730
510
30%
2016
1.620
420
26%
2017
2.100
430
20%
2018
2.410
360
15%
2019
3.680
350
9%
2020
1.540
190
12%
2021
1.350
300
22%
2022
1.510
680
45%
2023
1.490
480
32%
2024
1.790
350
19%
2025
2.080
270
13%
2026 (tot 12 juni)
880
60
7%
Vraag 7
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk,
scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te
verlenen?
Antwoord 7
Het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie speelt
geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming.
Uit onderzoek van Regioplan2 naar Nederlandse rechtspraak over privéleven opgebouwd tijdens onrechtmatig of onzeker
verblijf zijn geen uitspraken naar voren gekomen waarin een arbeidsrelatie of sociale
banden als een bijzondere omstandigheid wordt gezien op grond waarvan een verblijfsvergunning
zou moeten worden verleend. Een arbeidsrelatie geldt niet als bijzondere omstandigheid
op basis waarvan een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8
EVRM zou moeten worden ingewilligd.
Vraag 8
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 8
N.v.t.
Vraag 9
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke
organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een
asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Antwoord 9
Zie antwoord op vraag 7.
Vraag 10
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen
die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse
arbeidsmarkt te verkrijgen?
Antwoord 10
Het onderhavige kabinetsplan heeft als doel om asielzoekers en statushouders die in
Nederland verblijven sneller aan het werk te helpen. Dit voorstel strekt niet tot
het wijzigen van voorwaarden voor toelating tot Nederland of de Nederlandse arbeidsmarkt.
De asielaanvraag van asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt
ingewilligd, wordt versneld behandeld. Daarbij geldt dat voor een aantal categorieën
asielzoekers binnen die versnelde procedure de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten.
Ook voor asielzoekers met een overdrachtsbesluit is de toegang tot de arbeidsmarkt
uitgesloten.
In Nederland mogen asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten
na zes maanden betaald werk verrichten. Er ligt een voorstel om deze wachttermijn
te verkorten naar drie maanden. Dit sluit aan bij ons omringende lidstaten. Onder
andere Duitsland en Oostenrijk hebben ook een wachttermijn van drie maanden. België
en Luxemburg hanteren een wachttermijn van vier maanden.
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het migratieproces van asielmigranten.
In 2023 publiceerde het Verwey-Jonker Instituut een wetenschappelijk WODC-onderzoek
naar de wijze waarop asielmigranten een bestemmingsland «kiezen», waaruit geen eenduidige
conclusie kon worden getrokken, maar waaruit wel blijkt dat met name andere factoren
dan arbeidsmogelijkheden, namelijk op het gebied van veiligheid en sociale netwerken,
een rol kunnen spelen bij de komst van asielzoekers naar het land van bestemming.3 Tegen die achtergrond en het feit dat het Nederlandse beleid aansluit bij dat van
omringende landen verwacht het kabinet niet dat het onderhavige plan ervoor zal zorgen
dat dit Nederland aantrekkelijker maakt voor het doen van een asielaanvraag dan ons
omringende lidstaten.
Vraag 11
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Antwoord 11
N.v.t.
Vraag 12
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller
naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie
druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op
de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Antwoord 12
Het kabinet zet erop in dat iedereen in Nederland mee kan doen en wil het arbeidspotentieel
van mensen die reeds in Nederland zijn zoveel mogelijk benutten. In dat kader maakt
het kabinet zich ook hard om asielmigranten sneller naar werk te begeleiden. Dit draagt
bij aan hun integratie en participatie in de samenleving en op de arbeidsmarkt als
zij voor een langere termijn in Nederland verblijven. Dat helpt om de druk op de arbeidsmarkt
te verlichten, zeker als de nieuwkomers werk vinden in de cruciale opgaven uit de
Talentstrategie. En dit kan tevens een bijdrage leveren aan het verminderen van de
noodzaak om arbeidskrachten uit het buitenland aan te trekken, hetgeen in lijn is
met het advies voor gematigde bevolkingsgroei van de Staatscommissie Demografische
Ontwikkelingen 2050.
Vraag 13
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren
afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich
de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers
daarop zal hebben?
Antwoord 13
Het klopt dat de arbeidsmarktkrapte afgelopen jaar licht is afgenomen. Desondanks
is er nog steeds sprake van een krappe arbeidsmarkt. Tabel 3 geeft de vacaturegraad,
het aantal openstaande vacature per duizend banen, per sector in de afgelopen 10 jaar
weer.4 De vacaturegraad is het afgelopen jaar in de meeste sectoren gedaald. Op de lange
termijn is te zien dat de vacaturegraad voor alle sectoren nog steeds hoger ligt dan
10 jaar geleden.
Kijkend naar de langere termijn voorspelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen
2050 dat, mede door demografische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt op lange termijn
krap zal blijven. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) geeft inzicht
in waar de toekomstige knelpunten op de arbeidsmarkt zich bevinden via de berekening
van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep.5 Deze indicator is te vertalen als de mate waarin een toekomstige baanopening voor
een beroep gevuld kan worden door nieuw arbeidsaanbod met een daarvoor geschikte opleiding,
maar is niet direct te vertalen naar tekorten in aantallen banen. De indicator baseert
zich op historische patronen en verwachte economische ontwikkelingen, maar kan geen
rekening houden met beleidsaanpassingen en gedragsaanpassingen op de arbeidsmarkt
als gevolg van de verwachte knelpunten.
De ontwikkeling van de arbeidsmarkt is van veel factoren afhankelijk, zoals conjunctuur,
de vraag naar bepaalde producten maar ook de geopolitieke situatie en laat zich hierdoor
lastig voorspellen. Zo is het bijvoorbeeld nog onzeker wat de economische impact van
de inval in Iran zal zijn op de arbeidsmarkt. Het CPB onderzocht dit en verwacht dat
de werkloosheid stijgt naar tussen de 4,5 en 4,9 procent in 2027 aan de hand van verschillende
scenario’s.6
De instroom van 75.000 extra werknemers kan bijdragen aan het verlichten van gerichte
tekorten. Deze werknemers zullen in Nederland echter ook producten en diensten consumeren,
wat zorgt voor extra vraag naar arbeid. Dit verkleint het verminderende effect op
de arbeidsmarktkrapte.
Tabel 3, Vacaturegraad naar sector, Q1 2016–2026
Vacaturegraad naar sector
2016 1e kwartaal
2017 1e kwartaal1
2018 1e kwartaal1
2019 1e kwartaal1
2020 1e kwartaal1
2021 1e kwartaal1
2022 1e kwartaal1
2023 1e kwartaal1
2024 1e kwartaal1
2025 1e kwartaal1
2026 1e kwartaal1
Alle economische activiteiten
20
24
29
33
26
30
51
49
46
44
41
Landbouw, bosbouw en visserij
12
16
19
26
20
23
35
31
32
33
33
Nijverheid en energie
18
24
34
38
30
35
56
53
52
55
51
Commerciële dienstverlening
24
27
33
38
27
33
60
53
48
46
44
Zakelijke dienstverlening
20
20
24
27
23
28
43
43
41
40
39
Niet-commerciële dienstverlening
14
18
21
24
23
24
36
40
40
36
35
Delfstoffenwinning
20
22
24
25
29
29
71
53
45
36
26
Industrie
17
21
27
31
24
27
46
44
42
42
40
Energievoorziening
27
28
25
34
42
35
69
65
57
52
35
Waterbedrijven en afvalbeheer
16
24
36
28
23
23
54
48
50
48
54
Bouwnijverheid
20
32
50
59
42
54
76
72
72
81
74
Handel
21
28
33
39
29
32
64
57
51
49
48
Vervoer en opslag
15
20
28
35
22
26
48
45
41
39
33
Horeca
35
42
48
55
23
44
112
77
66
63
60
Informatie en communicatie
52
53
64
68
52
64
91
69
60
55
52
Financiële dienstverlening
28
32
43
44
34
36
53
50
44
44
32
Verhuur en handel van onroerend goed
16
19
31
31
21
24
52
45
42
35
35
Specialistische zakelijke diensten
35
37
43
46
36
45
70
64
58
54
51
Verhuur en overige zakelijke diensten
12
12
15
17
15
17
28
30
29
30
29
Openbaar bestuur en overheidsdiensten
14
18
23
25
28
29
37
43
48
36
31
Onderwijs
8
9
10
13
11
12
19
21
22
17
16
Gezondheids- en welzijnszorg
17
22
24
27
27
27
42
45
45
45
44
Cultuur, sport en recreatie
16
23
20
32
23
27
51
47
37
39
34
Overige dienstverlening
22
23
29
29
20
28
47
57
52
50
44
X Noot
1
Voorlopige cijfers
Vraag 14
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van
Nederlandse werknemers?
Antwoord 14
De vergrijzende bevolking leidt tot een structurele krapte op de arbeidsmarkt, waardoor
veel vacatures onvervuld blijven. Met name in sectoren als het onderwijs, de kinderopvang,
de zorg en de woningbouwsector is sprake van een toenemende vraag. Tegen deze achtergrond
leidt de instroom van nieuwkomers over het algemeen niet tot verdringing van Nederlandse
werknemers, maar vormt deze juist een aanvulling op de arbeidsmarkt.
Vraag 15
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie
en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende
uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Antwoord 15
Het kabinet wil de samenleving en economie versterken door randvoorwaarden voor toekomstige
welvaart op orde te brengen. Doel is dat de economie gemiddeld 1,5% per jaar blijft
groeien. Om deze doelstelling te behalen is essentieel de arbeidsproductiviteit te
verhogen en innovatie aan te jagen. We zullen namelijk meer werk met relatief minder
mensen moeten doen. Dat komt omdat de vraag naar mensen zeer waarschijnlijk harder
groeit dan het aantal mensen dat beschikbaar is. Onder andere door vergrijzing, maar
ook door een mismatch tussen gevraagde en beschikbare vaardigheden. Maar de concurrentie
om talent is internationaal hoog, vooral om technisch en digitaal talent. Tegelijkertijd
laat het advies «Gematigde groei» door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen
2050 zien dat een vermindering van alle vormen van migratie nodig is. Tegen deze achtergrond
werkt het kabinet aan een Talentstrategie om schaars talent op te leiden en te begeleiden
naar een aantal cruciale opgaven waar Nederland voor staat.
Vraag 16
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante
werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek
of zorg?
Antwoord 16
Er wordt geen statistiek bijgehouden over de aansluiting van werkervaring of diploma’s
uit het land van herkomst op tekortsectoren. Ook over de richtingen waarin statushouders
in Nederland hun diploma’s behalen, is geen statistiek voorhanden. Dat betreft zowel
de afstudeerrichting van hier behaalde diploma’s in het reguliere onderwijs, als deelname
aan zij- en voorschakeltrajecten voor statushouders, waar door tekortsectoren in wordt
geïnvesteerd.
Op basis van beschikbare data over formele diploma’s (CBS Dashboard Wet Inburgering,
CBS Dashboard Asiel en Integratie), is de schatting in de orde van grootte van minimaal
25 à 30% van de statushouders vanaf 18 jaar een in Nederland erkend diploma heeft
om op mbo-niveau of hoger aan het werk te kunnen Dit percentage is gebaseerd op de
volgende data:
– Een deel van de statushouders heeft relevante diploma’s behaald in het buitenland.
Eén op de vijf inburgeringsplichtige asielstatushouders heeft een in het buitenland
behaald diploma laten waarderen door Nuffic/SBB. Op basis van deze diplomawaarderingen,
heeft minimaal 15% van de recente inburgeringsplichtige asielstatushouders een diploma
behaald in het land van herkomst op het niveau van mbo, hbo of wo.7
– Daarnaast behalen statushouders diploma’s in Nederland. Ongeveer tien procent van
de inburgeringsplichtige asielstatushouders (vanaf 18 jaar) volgt de Onderwijsroute,
die gericht is op doorstroom naar een Nederlandse vervolgopleiding op mbo-2-niveau
of hoger. En van de statushouders uit cohorten 2022 en 2023 die op 1 oktober 2025
minimaal 18 jaar waren, beschikte op dat moment respectievelijk 11% en 17% over een
Nederlands diploma op mbo-niveau en hoger. Naarmate een cohort langer in Nederland
is, lopen deze percentages en de hoogst behaalde onderwijsniveaus op.
Vraag 17
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot
deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de
grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Antwoord 17
Niet iedere nieuwkomer zal direct beschikken over de kwalificaties die in de grootste
tekortsectoren worden gevraagd. Tegelijkertijd geldt dat een deel van de nieuwkomers
relevante werkervaring of een opleiding uit het land van herkomst heeft, waardoor
met gerichte ondersteuning doorstroom naar werk in deze sectoren mogelijk is.
Dit vraagt om investeringen in het leren van de Nederlandse vaktaal en het ontwikkelen
van basisvaardigheden via praktijkgerichte scholing. Werken in deze sectoren vereist
vaak een toereikend niveau van de Nederlandse taal en voldoende beroepsvaardigheden.
Via een voorschakeltraject, gevolgd door een (leer)baan, kunnen nieuwkomers doorgroeien
naar werk op niveau. Om deze ontwikkeling te ondersteunen, verken ik de mogelijkheden
om tussen arbeidsmarktregio’s en tekortsectoren afspraken te maken over de inzet van
voorschakeltrajecten en praktijkgerichte scholing voor (instap)functies binnen de
Ontwikkelpaden. Hier zet ik ook op in via de landelijke werkgeversdeals.
Vraag 18
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in
met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden
en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam
zijn?
Antwoord 18
In hoeverre de instroom van 75.000 extra werknemers effect heeft op de gestelde factoren
is onzeker. Dit hangt af van het beroep, de sector, de baanduur en andere kenmerken.
Wel heeft het CPB vorig jaar geconcludeerd dat de effecten van arbeidsmigratie op
lonen en baankansen van ingezetenen tot nu toe over het algemeen beperkt lijken.8 Dat heeft ermee te maken dat arbeidsmigranten veelal werk verrichten dat bestaande
arbeid aanvult in plaats van deze te vervangen, ook omdat ingezetenen naar andere
banen en functies bewegen.
Vraag 19
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van
de inburgering onder druk komt te staan?
Antwoord 19
In de aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers is geen sprake van een flexibilisering van
de inburgeringseisen. Het streefniveau blijft immers taalniveau B1. Ook de andere
verplichte onderdelen (KNM, MAP, PVT) blijven in stand.
De aanpak Werk en Meedoen ziet wel toe op flexibilisering van de manier waarop de
inburgeraar aan de inburgeringseisen kan voldoen. Zo verkent de Minister van Werk
en Participatie de mogelijkheden om meer tijd te creëren voor werkende inburgeraars
om aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Ook het inburgeringsaanbod dient flexibeler
te worden, zodat inburgeraars hun inburgeringslessen beter kunnen combineren met werk.
Hierbij denk ik aan het uitbreiden van het lesaanbod in het weekend en de avonduren,
online onderwijs, duale trajecten (bijvoorbeeld startbanen), vier dagen werk en één
dag taalles of (non-formeel) taalonderwijs organiseren op de werkvloer. De kwaliteit
van de inburgering komt dus niet in het geding, want de uitgangspunten van de wet
veranderen niet.
Vraag 20
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren
maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist
wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders
zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal
blijft?
Antwoord 20
Ik vind dat het spreken van de Nederlandse taal op de werkvloer het uitgangspunt moet
zijn. Dat is voor de beroepen waar asielmigranten in terecht komen niet anders dan
voor andere doelgroepen. Voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bedrijven
is Nederlands ook nog steeds de primaire interne voertaal. Het aandeel bedrijven met
Engels als primaire interne voertaal ligt rond de 10–15%. 36% van de werknemers werkt
op een werkplek waar meer dan één taal wordt gesproken. In die meertalige werkomgevingen
is Engels na Nederlands de meest gebruikte taal (23%).9
Het combineren van klassikale taallessen met werken in een Nederlandstalige context
zorgt ervoor dat de taal sneller wordt geleerd. Een veel gebruikte werkvorm hiervoor
zijn duale trajecten. Gemeenten zorgen in de uitvoering van de Wet inburgering 2021
voor een aanbod van participatie-activiteiten. Deze schrijft bovendien voor dat deze
activiteiten plaatsvinden in een Nederlandstalige omgeving.
Daarnaast zet ik via het plan van aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers ook in op het
leren van de Nederlandse taal op de werkvloer. Ik ga afspraken maken met werkgevers,
waarin ik nadrukkelijk de wens zal meenemen dat asielmigranten in een Nederlandstalige
context behoren te werken. Daarnaast ondersteun ik initiatieven zoals van Stichting
Het Begint met Taal, die werkgevers kunnen ondersteunen middels het opleiden van taalbuddies
op de werkvloer.
Verder is om werkgevers te ondersteunen bij het aannemen en begeleiden van statushouders,
de subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) ingericht.
Deze regeling helpt werkgevers bij het overbruggen van taal- en cultuurverschillen
op de werkvloer. In 2025 is in totaal € 2,8 miljoen aan subsidie verstrekt. Uit de
evaluatie van het eerste tijdvak (2024) door Regioplan, opgenomen in de bijlage, blijkt
dat werkgevers tevreden zijn over de regeling. Het vermindert de drempel om statushouders
aan te nemen.
Vraag 21
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de
regio waar zij werkzaam zijn?
Antwoord 21
Ja. Dit is staand beleid en wordt «kansrijke koppeling» genoemd. Binnen de kansrijke
koppeling wordt expliciet gekeken naar factoren die de kans op snelle participatie
en integratie vergroten, waaronder werk, opleiding, of de aanwezigheid van een sociaal
netwerk. Als een statushouder al werk heeft, is het uitgangspunt dat bij de koppeling
met een gemeente zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de regio waar die arbeid
wordt verricht, zodat werk kan worden behouden en voortgezet. Deze kansrijke koppeling
kan in 80% van de gevallen worden gevolgd. De koppelingssystematiek als zodanig is
samen met medeoverheden vastgesteld.
Vraag 22
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van
statushouders over gemeenten?
Antwoord 22
Zoals onder vraag 21 toegelicht, spelen arbeidsmarktoverwegingen een rol bij de huisvesting
van statushouders, maar het is niet de enige of doorslaggevende factor. Binnen de
koppeling wordt breder ook gekeken naar andere factoren zoals kwetsbaarheid of opleiding.
Arbeid is dus één van de elementen die meewegen bij de plaatsing van statushouders
bij gemeenten, met als doel hun integratie en participatie te bevorderen.
Vraag 23
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt
dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en
niet uit economische belangen?
Antwoord 23
De inzet van arbeidsmarktoverwegingen bij de koppeling van statushouders aan gemeenten
en vervolgens de huisvesting van deze groep staat niet op gespannen voet met het uitgangspunt
dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming. Economische
belangen spelen geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale
bescherming. Ook de asielopvang en de daaropvolgende huisvesting van statushouders
vloeien primair voort uit diezelfde humanitaire bescherming en de daaruit voortvloeiende
wettelijke rechten.
Zoals onder vraag 3 toegelicht, is het tegelijkertijd belangrijk om te benadrukken
dat binnen die kaders het wél van grote maatschappelijke waarde is om voor asielzoekers
die een goede kans hebben op inwilliging van hun asielaanvraag en voor statushouders,
zo goed mogelijk aansluiting te vinden met werk en participatie. Wanneer statushouders
sneller en beter kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt, versterkt dat hun zelfredzaamheid
en integratie. Bovendien is de samenleving als geheel gebaat bij een goede benutting
van talent en arbeidspotentieel, zeker in een context van arbeidsmarktkrapte.
Vraag 24
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de
uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Antwoord 24
Op dit moment zijn er nog geen separate middelen voor het plan van aanpak Werk en
Meedoen gereserveerd. Zodra ik hier meer over weet, informeer ik uw Kamer hierover.
De inzet op vergroting van de arbeidsdeelname van nieuwkomers kent, naast relatief
beperkte kosten, ook potentieel grote maatschappelijke baten. Dit betreft bijvoorbeeld
directe inverdieneffecten via de inkomstenbelasting, REBA-inkomsten en lagere uitkeringslasten.
Acties met financiële gevolgen zullen worden vormgegeven binnen de financiële kaders
van het coalitieakkoord. Daarbij zullen we ook aandacht hebben voor de (financiële)
opbrengsten van het plan.
Vraag 25
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Antwoord 25
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie -
Mede ondertekenaar
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie