Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Schilder over de voorgenomen aanscherping van de Wapenwet
Vragen van het lid Schilder (Groep Markuszower) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de voorgenomen aanscherping van de Wapenwet (ingezonden 19 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 8 september 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2538.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen
met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Antwoord 1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Vraag 2
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde
burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen,
controles, screenings en opslagvoorschriften?
Antwoord 2
Het stelsel rond legaal wapenbezit is in opzet stringent en legt aan (aanstaande)
verlofhouders verplichtingen op. De Wet wapens en munitie (WWM) gaat er immers vanuit
dat legaal wapenbezit en -gebruik risico’s voor anderen en de openbare orde en veiligheid
met zich brengen en het veiligheidsgevoel van burgers kunnen aantasten. Om die reden
zijn wapens dan ook bij uitgangspunt wettelijk verboden voor alle burgers. Zoals verankerd
in de WWM, staat de overheid een vergunning voor een wapen alleen toe wanneer er sprake
is van een redelijk belang en wanneer er geen vrees voor misbruik bestaat; dat laatste
is één van de belangrijkste weigeringsgronden. Deze waarborgen worden in de praktijk
vormgegeven via vergunningplichten, antecedenten- en betrouwbaarheidstoetsen, eisen
aan veilige opslag en periodieke herbeoordelingen.
De stringente uitgangspunten van de wet zijn in de praktijk niet op alle onderdelen
goed uitgewerkt. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid heeft in 2011 gesignaleerd dat
de toepassing van de criteria «redelijk belang» en «vrees voor misbruik» uiteenloopt
en dat onvoldoende helder is welke feiten en omstandigheden bij die beoordeling zwaarder
moeten wegen. Daarnaast zijn er zwakke plekken in stelsel en uitvoering benoemd en
blijkt dat het stelsel in de praktijk als ontoegankelijk wordt ervaren. In 2022 is
de e-screener opgeschort en is het WM32-formulier tijdelijk ingevoerd om de psychische
gesteldheid te toetsen. Deze werkwijze is gebaseerd op zelfverklaring en referenten
en heeft wel waarde heeft maar is geen toereikend instrument is voor het toetsen van
de fysieke en psychische gesteldheid.2 In 2024 ontving uw kamer het verslag van kennistafels die zich hadden gebogen over
suggesties voor een definitieve oplossing.3 Deze bevindingen worden meegenomen in de nadere uitwerking van de toetsen voor fysieke
en psychische gesteldheid.
Kortom: ik erken dat verlofhouders zijn onderworpen aan een uitgebreid stelsel van
vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften; die noodzakelijk zijn
gelet op het uitgangspunt «wettelijk verboden voor alle burgers». Tegelijk constateer
ik dat dit stelsel op onderdelen onvolledig, ineffectief, onduidelijk of juridisch
ontoereikend is. Daarom werk ik aan verduidelijking en versterking van de toepassing
van «redelijk belang» en «vrees voor misbruik», aan meer uniformiteit in de beoordeling,
aan een robuustere toetsing van de fysieke en psychische geschiktheid die verder gaat
dan zelfverklaring, en aan verbetering van de gebruikte instrumenten. Zo blijft de
bescherming van de openbare orde en de veiligheid van burgers leidend en wordt deze
in de praktijk beter geborgd.
Vraag 3
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers,
sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd
groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Antwoord 3
Dit is geen kwestie van óf-óf. De aanpak van illegaal wapenbezit en het borgen van
een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar
beide noodzakelijke sporen.
Ik zet in op de aanpak van illegale wapens. Per 1 juli 2026 is de maximumgevangenisstraf
voor onder meer het in strijd met de wet vervaardigen of voorhanden hebben van illegale
wapens verdubbeld van 4 naar 8 jaar4. Politie en OM zetten hier hard op in: tijdens een recente landelijke actiedag zijn
tientallen vuurwapens aangetroffen en 14 verdachten aangehouden. Daarnaast wordt gericht
geïnvesteerd in preventie, onder meer via een educatief pakket op scholen over «life
skills» zoals conflicthantering (Voel je veilig), om de weerbaarheid van jongeren
te vergroten en wapenbezit te voorkomen.
Het stelsel voor legaal wapenbezit zoals uitgewerkt in de Wet wapens en munitie is
een ander vraagstuk. In Nederland geldt een verbod op wapenbezit, via vergunningen
kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt voor een beperkt aantal gerechtvaardigde
toepassingen. Als overheid hebben we de verantwoordelijkheid om die uitzonderingen
zó in te richten dat toepassingen daadwerkelijk gerechtvaardigd kunnen worden naar
de samenleving en om te zorgen voor eisen en voorschriften die het risico op misbruik
beperken. De verplichtingen voor verlofhouders zijn noodzakelijke waarborgen om de
openbare orde en veiligheid te beschermen.
Vraag 4
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles
en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere
uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Antwoord 4
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om alleen vergunningen te verlenen aan personen
indien toereikende eisen en voorschriften worden gesteld aan de aanvrager of houder
van een vergunning en getoetst wordt of aan de eisen en voorschriften wordt voldaan.
De overheid dient ook te voorzien in controle en toezicht op de personen en na te
gaan of zij zich houden aan de eisen en voorschriften van de vergunning.
De aanpassingen voor nieuw beleid en wetgeving zijn erop gericht om heldere en eenduidige
eisen en voorschriften te stellen aan aanvragers en houders van een wapenvergunning.
Deze eisen en voorschriften zijn veelal een uitwerking van de uitgangspunten van de
huidige wet- en regelgeving. Zo dient een aanvrager of houder van een wapenvergunning
te worden getoetst op risicofactoren waaronder de psychische gesteldheid met het oog
op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen, zoals voorgeschreven in de Circulaire
wapens en munitie.
In aanloop naar nieuwe wetgeving wordt tussentijds gekeken naar, waar dat mogelijk
is, het verlichten van de administratieve druk, digitalisering van het administratieve
aanvraagproces wat ook voor de aanvragers en houders druk wegneemt, en het verbeteren
van de gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsdiensten. Het is de taak van de overheid
om te bepalen wat een zinvolle en gerechtvaardigde toepassing is voor wapens door
burgers en in welke gevallen we dus een uitzondering op het wapenverbod voor burgers
willen toestaan. De lastenverzwaring voor uitvoeringsdiensten zal zo veel mogelijk
worden beperkt door het opstellen van helder beleid op gerechtvaardigde toepassingen
van de betrokken ministeries.
Vraag 5
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke
keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Antwoord 5
Het door de overheid verlenen van een wapenvergunning is een uitzondering op het algemene
wapenverbod voor burgers. In de toekomst zal dit alleen gebeuren indien een psychologisch
onderzoek bij aanvragers en houders is afgenomen. De overheid heeft immers een actieve
plicht om ervoor te zorgen dat er enkel vergunningen worden verleend aan mensen die
daar psychisch gezien op een verantwoorde manier mee om kunnen gaan. Steeds meer Europese
landen stellen dergelijke psychologische onderzoeken verplicht aan aanvragers en houders
van vergunningen.
Net als mijn voorganger, hanteer ik het uitgangspunt dat de overheid geen wapenvergunningen
dient te verlenen aan personen met risicofactoren en dat hiertoe een psychologisch
onderzoek moet worden doorlopen om vast te stellen of bij personen al dan niet indicaties
van een risico aanwezig zijn.5 Het belang van de samenleving gaat altijd boven de aanvrager of houder van een wapenvergunning.
Vraag 6 en 7
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over
een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van
illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd
met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks
zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers
een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6 en 7
Zoals toegelicht bij het antwoord bij vraag 3 is dit geen kwestie van óf-óf. De aanpak
van criminaliteit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit
zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om zorgvuldig en uitlegbaar beleid te maken
bij het toestaan van uitzonderingen op het algemene verbod op wapens voor burgers.
Dit betekent dat de beoogde toepassingen van de wapens gerechtvaardigd kunnen worden
naar de samenleving en dat er toereikende eisen en voorschriften worden gesteld die
het risico op misbruik beperken.
Vraag 8
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande
bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
Antwoord 8
In mijn brief van 17 juni jl. zijn de contouren van de nieuwe wet omschreven die de
oorspronkelijke fundamenten van de wet beogen te herstellen en die de uitzonderingen
op het verbod strikt, uitlegbaar en navolgbaar beogen te begrenzen. Zoals uit de Kamerbrief
blijkt, gaat het over een stelselwijziging die invloed heeft op de uitgangspunten
en de opbouw van de wet. De maatregelen in de stelselwijziging adresseren onder meer:
het ontbreken van een toereikend instrument voor psychische beoordeling en het ontbreken
van eisen aan fysieke geschiktheid; het (tegenwettelijk) neerleggen van de feitelijke
beslissingsbevoegdheid bij verenigingen; ontbreken van verankerde bekwaamheidseisen
(m.u.v. jacht); risico’s van thuisbewaring en transport; onvoldoende zicht en traceerbaarheid
van munitie, en verhoging van gevaarzetting van wapens door technologische ontwikkelingen
(zoals zware luchtdrukwapens); inconsistente regelgeving en gegevensuitwisseling;
niet-kostendekkende uitvoering en wisselende kwaliteit bij uitvoeringsdiensten.
Vraag 9
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is
aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van
de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
In mijn brief van 17 juni jl. beschrijf ik de noodzaak van nieuw beleid en wetgeving
en een stelselherziening om de genoemde tekortkomingen te adresseren. Hierbij wordt
zorgvuldig gewerkt: maatregelen worden uitgewerkt met uitvoeringstoetsen op proportionaliteit
en haalbaarheid, en waar mogelijk worden knelpunten die geen wetswijziging vergen
eerder aangepakt. Daarmee wordt zowel handhaving versterkt als regelgeving verbeterd.
Tevens staat in mijn brief van 17 juni jl. opgenomen dat het uitgangspunt voor wetgeving
is dat degene die profijt heeft van de vergunning, de kosten die de overheid maakt
voor de vergunningverlening, controle en toezicht dient te vergoeden. Eerder heeft
de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid aangegeven dat een kostendekkend
stelsel gewenst is, zodat de financiële lasten niet bij de overheid liggen.6 Momenteel inventariseert een extern onderzoeksbureau de totale kosten van het stelsel
en wordt er een onderbouwd kostprijsmodel ontwikkeld ten behoeve van het innen van
onkostenvergoedingen.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid