Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg inzake de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (vreemdelingen- en asielbeleid)
32 317 JBZ-Raad
Nr. 1024
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 september 2026
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Asiel en Migratie over de volgende brieven:
• Kabinetspositie over de stemming inzake het onderhandelingsakkoord voor de EU-Terugkeerverordening
(Kamerstuk 22 112, nr. 4363)
• Verslag JBZ-Raad 4 en 5 juni 2026 en overige JBZ-ontwikkelingen (Kamerstuk 32 317, nr. 1014)
• Kabinetsappreciatie op verlenging van de activering van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming
tot en met 4 maart 2028 (Kamerstuk 32 317, nr. 1015)
• Geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 1016).
De vragen en opmerkingen zijn op 10 juli 2026 aan de Minister van Asiel en Migratie
voorgelegd. Bij brief van 3 september zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, De Groot
De griffier van de commissie, Burger
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
6
II.
Reactie van de Minister
9
I. Vragen en opmerkingen uit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) op 16 en 17 juli
2026 en van de verder aangeleverde stukken. Zij hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat er tijdens de JBZ-Raad zal worden gesproken
over het visumbeleid, met als doel dit beleid beter aan te laten sluiten bij de doelstellingen
omtrent interne veiligheid. Deze leden ondersteunen de inzet van het visumbeleid richting
onwelgevallig gezinde derde landen. Steunt de Minister eventuele voorstellen om het
juridisch mogelijk te maken om van bepaalde landen, en met name Rusland, categorisch
onderdanen uit te sluiten van de mogelijkheid om een visum te verschaffen? Denkt de
Minister dat voor zo’n voorstel draagvlak in de EU bestaat? Is de Minister daarnaast
van plan om EU-lidstaten die op dit moment nog veel visa aan Russische onderdanen
afgeven, hierop aan te spreken en dan met name Frankrijk, Italië en Spanje? Is de
Minister daarnaast bereid om de nationale afgifte van Machtigingen tot Voorlopig Verblijf
(MVV) ook te beperken indien er sprake is van een categorisch risico voor de interne
veiligheid of indien de strategische belangen van Nederland daarmee in gevaar komen?
De leden van de VVD-fractie hebben voorts, omdat dit en marge ter sprake kan komen
tijdens de JBZ-Raad, nog enkele vragen over gesprekken die lopen met de Taliban in
het kader van afspraken over terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers. Deze leden
zijn van mening dat de Taliban verwerpelijke opvattingen hebben over mensenrechten
en dan met name de rechten van vrouwen, meisjes en journalisten. Zij begrijpen dat
gesprekken over terugkeer noodzakelijk zijn, vooral voor EU-lidstaten met veel Afghaanse
asielzoekers, maar willen hierbij wel markeren dat het beginsel van non-refoulement
buiten kijf moet staan. Van welke categorieën uitgeprocedeerde asielzoekers verwacht
de Minister dat er bij succesvolle gesprekken sprake kan zijn van terugkeer? Kan de
Minister een inschatting geven van de hoeveelheid uitgeprocedeerde asielzoekers die
mogelijk teruggestuurd zullen worden? Hoe zorgt de Minister er tot slot voor dat het
beginsel van non-refoulement voor uitgeprocedeerde asielzoekers uit Afghanistan gewaarborgd
blijft?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de kabinetsreactie op het onderhandelingsresultaat
voor de Terugkeerverordening ook onderdeel is van dit schriftelijk overleg. Deze leden
zijn net als het kabinet optimistisch over het onderhandelingsresultaat en willen
met name de onderhandelaars van het Europees Parlement bedanken voor het gevoerde
tempo. Voornoemde leden zullen een snelle parlementaire behandeling van de onderdelen
van de Terugkeerverordening die nationale omzetting behoeven, zoveel mogelijk bevorderen,
ook omdat het dezelfde leden waren die om een zo snel mogelijke inwerkingtreding hebben
gevraagd. Wanneer verwacht de Minister dat er voorstellen hiertoe met de Kamer gedeeld
zullen worden? Hoe is de Minister van plan om de Kamer te betrekken bij beleidsvrijheid
die de Terugkeerverordening op bepaalde onderdelen biedt, zoals de verhouding tussen
vrijwillig en gedwongen terugkeer en de wederzijdse erkenning van terugkeerbesluiten?
Is de Minister daarnaast voornemens om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid
om gedwongen terugkeer in te zetten bij uitgeprocedeerde migranten die een gevaar
vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, en bij uitgeprocedeerde migranten
die niet of onvoldoende meewerken aan terugkeer? Is de Minister tevens bereid om maximaal
gebruik te maken van de mogelijkheid om materiële voorzieningen, waaronder opvang,
voorwaardelijk te stellen aan de medewerking van de uitgeprocedeerde migrant aan het
terugkeerproces? Is het hierbij mogelijk om «medewerking» zo ruim mogelijk te interpreteren,
waardoor bijvoorbeeld het niet komen opdagen bij een afspraak met de Dienst Terugkeer
en Vertrek of een andere uitvoeringsinstantie al reden kan zijn om voorzieningen in
te trekken?
De leden van de VVD-fractie merken voorts op dat in Spanje ruim 1 miljoen illegale
migranten zich hebben aangemeld voor een pardonregeling, waardoor hun verblijf wordt
gereguleerd. Deze leden zijn van mening dat dit beleid vanwege het vrij verkeer van
personen binnen de Europese Unie het vertrouwen in het Europees migratiebeleid en
in de Europese Unie in zijn geheel ondermijnt. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Deelt
de Minister de mening dat het beleid van Spanje op gespannen voet staat met artikel
4, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie? Hoe gaat de Minister voorkomen
dat deze groep van ruim 1 miljoen gereguleerde migranten via het vrij verkeer van
personen naar Nederland zal komen? Zijn er andere lidstaten die net als de aan het
woord zijnde leden kritisch zijn op het beleid van Spanje? Is de Minister bereid om
samen met deze landen Spanje aan te spreken en om, indien mogelijk, juridische stappen
tegen Spanje te ondernemen?
De leden van de VVD-fractie hebben additioneel nog enkele vragen over de informatie
die de Minister heeft aangeleverd over de uitvoering van het Entry-Exit System (EES).
Deze leden zien dat de uitvoering hiervan vooralsnog gepaard gaat met de nodige kinderziektes.
Op welke termijn verwacht de Minister dat de problemen met de uitvoering van EES,
en dan met name de uitvoering hiervan op Schiphol, opgelost zullen worden? Hoe kijkt
de Minister aan tegen de oproep van verschillende lidstaten om de registratie van
biometrische gegevens ook na 6 september optioneel te maken? Tot welke datum zou er
dan mogelijk sprake zijn van vrijwillige registratie? Welke rol spelen overwegingen
omtrent nationale veiligheid en het tegengaan van overstay bij het standpunt van de
Minister hieromtrent?
De leden van de VVD-fractie merken ook op dat er recent een intentieverklaring is
ondertekend tussen Nederland en Italië om samenwerking op het gebied van migratie
te versterken. Deze leden ondersteunen deze ambitie. Wel merken zij hierbij op dat
het slechts gaat om een intentieverklaring en niet om harde afspraken. Dit wordt in
de laatste paragraaf nog eens expliciet bevestigd. In welke mate kan de Minister de
garantie afgeven dat Italië de tot uitdrukking gebrachte intentie daadwerkelijk nakomt?
Deelt de Minister de opvatting dat Nederland, indien Italië om wat voor reden dan
ook de afspraken niet nakomt, op grond van het EU Asiel- en Migratiepact alsnog verplicht
is om asielzoekers die via Italië naar Nederland afreizen, aan Italië over te dragen?
Deelt de Minister daarnaast de opvatting dat er hierbij moet worden uitgegaan van
naleving van mensenrechten, waaronder die voortvloeiend uit het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens (EVRM)? Op welke manier is de Minister voorts van plan om de
inzet op Assisted Voluntary Return and Reintegration programmes te vergroten? Wanneer
verwacht de Minister de eerste resultaten van deze inzet?
De leden van de VVD-fractie vragen naar aanleiding van het verslag van de vorige JBZ-Raad
die plaatvond op 4 en 5 juni 2026 hoe de Minister aankijkt tegen de wens van Cyprus
om zo snel mogelijk toe te treden tot het Schengengebied. Meent de Minister dat Cyprus
hier op basis van objectieve maatstaven inderdaad op korte termijn klaar voor is?
Hoe kijkt de Minister aan tegen de oproep van de Commissie om toetreding tot Schengen
een systematisch onderdeel uit te laten maken van het EU-uitbreidingsproces? In hoeverre
past deze oproep binnen de ambitie van het kabinet voortvloeiend uit de aangenomen
motie van het lid Becker c.s. (Kamerstuk 23 987, nr. 399) om in te zetten op graduele toetreding?
De leden van de VVD-fractie constateren dat er tijdens de vorige JBZ-Raad ook is gesproken
over migratiesamenwerking met Somalië. Deze leden lezen verheugd dat er op bilateraal
verband (beperkte) vooruitgang is geboekt op het gebied van terugkeerafspraken. Welk
percentage van door Nederland afgewezen en uitgeprocedeerde Somaliërs keert op dit
moment daadwerkelijk terug?
De leden van de VVD-fractie merken ook op dat er tijdens de vorige JBZ-Raad is stilgestaan
bij de migratiesituatie in het Kanaalgebied. De afgelopen jaren proberen illegale
migranten de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk vanaf steeds noordelijker gelegen
stranden te maken, waardoor het een kwestie van tijd lijkt voordat er ook vanuit Nederland
illegale migranten een poging zullen wagen. Welke stappen is de Minister bereid om
te nemen om deze oversteken zoveel mogelijk te voorkomen? In hoeverre wordt er om
dit te bereiken samengewerkt met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en België?
De leden van de VVD-fractie zien voorts nog dat de kabinetsappreciatie van de verlenging
van de activering van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) tot en met 4 maart
2028 op de agenda van het schriftelijk overleg staat. Deze leden ondersteunen hierbij
de inzet van het kabinet. Met de verlenging wordt het voor dienstplichtigen niet langer
mogelijk om zonder toestemming bescherming te claimen op grond van de RTB. Welke maatregelen
kan en is de Minister bereid te nemen om ervoor te zorgen dat deze uitgesloten groep
niet asiel in Nederland zal aanvragen? Hoe kansrijk acht de Minister een asielaanvraag
van een individu binnen deze groep? Acht de Minister daarnaast een landenbeleid op
basis van een breed scala aan objectieve en verifieerbare bronnen noodzakelijk om
asielaanvragen binnen deze groep adequaat en voortvarend te kunnen beoordelen? Hoe
kijkt de Minister daarnaast aan tegen het spanningsveld tussen artikel 5 en artikel
15 van de RTB? Meent de Minister net als de Commissie dat artikel 15 van de RTB niet
van toepassing is op groepen die worden uitgesloten van de RTB? Is het tevens zo volgens
de Minister dat dienstplichtigen geen beroep kunnen doen op een recht op familie-
en gezinsleven verankerd in artikel 8 van het EVRM? Hoe voorkomt de Minister een toename
van het aantal artikel 8 EVRM-aanvragen indien dit wel het geval is?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026. Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet voorstander is van het voorstel
om een grondslag te creëren voor het vaststellen van beperkende visummaatregelen.
Kan de Minister uitleggen hoe dit zich verhoudt tot het besluit om Palestijnen toegang
tot Nederland te verlenen? Waarom acht het kabinet het in dat geval wel verantwoord
om personen uit een conflictgebied toe te laten, terwijl het tegelijkertijd pleit
voor strengere visumbeperkende maatregelen uit veiligheidsoverwegingen, zo vragen
voornoemde leden. Deze leden vragen of iedere Palestijn die met een visum naar Nederland
is gekomen, onderworpen is aan een uitgebreide screening op terrorisme.
De leden van de PVV-fractie lezen in het verslag van de vorige JBZ-Raad dat verschillende
lidstaten nog kampen met uitdagingen, waaronder het tegengaan van ontduiking. Kan
de Minister dit verder duiden en aangeven welke lidstaten dit betreft? Daarnaast vragen
deze leden de Minister om een uitgebreid overzicht van de stand van zaken in alle
lidstaten ten aanzien van de implementatie en uitvoering van de gemaakte afspraken,
met bijzondere aandacht voor de lidstaten aan de buitengrenzen van de Europese Unie.
Kan de Minister daarbij tevens ingaan op de mate waarin deze lidstaten voldoen aan
hun verplichtingen op het gebied van grensbewaking, registratie, terugkeer en het
tegengaan van secundaire migratie?
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat vliegvelden moeten gaan vrezen voor
forse vertragingen vanwege operationele problemen met het EES. Kan de Minister duiden
waar deze problemen zich voordoen en welke lidstaten inmiddels de stekker eruit hebben
getrokken vanwege deze problemen? Klopt het dat de biometrische registratie momenteel
wordt overgeslagen? Zo nee, welke gegevens worden wel opgeslagen? Zo ja, is de Minister
het met de leden van de PVV-fractie eens dat wanneer niet alle lidstaten uitvoering
geven aan het grensproces en niet alle gegevens in het systeem geregistreerd worden,
het systeem enkel en alleen zorgt voor onnodige stress en ellenlange rijen voor Nederlandse
vakantiegangers?
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat er weer vluchten vanaf Schiphol naar
Damascus gaan. Deze leden vragen de Minister hoeveel passagiers inmiddels al gebruik
hebben gemaakt van deze route en welke nationaliteiten deze passagiers hebben? Deze
leden vragen ook waarom de Minister nog niet begonnen is om alle tijdelijke vergunningen
van Syriërs in Nederland in te trekken om vervolgens al die Syriërs op het vliegtuig
naar Damascus te zetten? Is de Minister het met deze leden eens dat nu er een directe
vlucht naar Damascus vanuit Nederland mogelijk is en Syrië weer veilig is, er geen
enkel excuus meer is om al die Syriërs terug te sturen?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het Spaanse Openbaar Ministerie heeft bewezen
dat 70% van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, die op hun leeftijd zijn
getest, in werkelijkheid ouder dan 18 jaar zijn. Nederland behoort tot de Europese
landen die de meeste alleenstaande minderjarige vreemdelingen opvangen. Kan de Minister
aangeven hoeveel amv’ers de afgelopen 5 jaar na hun leeftijdstest in werkelijkheid
ouder dan 18 bleken te zijn?
Ten slotte hebben de leden van de PVV-fractie kennisgenomen van de kabinetsappreciatie
over de verlenging van de Richtlijn Tijdelijke bescherming Oekraïners tot en met 4 maart
2028. Deze leden vragen de Minister wanneer de besluitvorming hierover exact geagendeerd
staat. Het is voor deze leden volstrekt onacceptabel dat deze Richtlijn opnieuw met
een jaar wordt verlengd, terwijl in het nieuwe landenbeleid grote delen van Oekraïne
worden aangemerkt als binnenlands beschermingsalternatief. Het is ook algemeen bekend
dat veel Oekraïners regelmatig op en neer reizen naar Oekraïne voor vakantie of familiebezoek.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 in Dublin en hebben de recente ontwikkelingen
in de EU en de lidstaten aandachtig gevolgd. Het Europees asielstelsel moet naar het
oordeel van deze leden fundamenteel worden hervormd, waarbij asiel een gunst wordt
die regeringen kunnen verstrekken en geen afdwingbaar recht, en met hulp, opvang en
procedures buiten Europa. Zij hebben over de inzet van het kabinet in de Raad, alsmede
over enkele recente Europese ontwikkelingen, de volgende vragen en opmerkingen.
Het enige migratieonderwerp dat het Ierse voorzitterschap agendeert, betreft de relatie
tussen het EU-visumbeleid en de veiligheid, waarbij twee instrumenten voorliggen:
gerichte restrictieve visummaatregelen tegen onderdanen van derde landen en een nieuw
beoordelingskader voor visumvrijstellingen. Kan de Minister uiteenzetten met welke
concrete inzet hij de Raad ingaat en welke positie hij inneemt ten aanzien van beide
instrumenten, zo vragen de leden van de JA21-fractie. Deze leden menen dat het artikel
25bis-mechanisme van de Visumcode sneller en steviger moet kunnen worden ingezet wanneer
een derde land onvoldoende meewerkt aan terugkeer en overname, wanneer de veiligheidssituatie
verslechtert of wanneer sprake is van hybride dreigingen. Deelt de Minister deze opvatting
en welke concrete voorstellen doet hij hiertoe in de Raad?
Nu het Europese visum- en screeningsinstrumentarium nadrukkelijk in het teken van
veiligheid staat, dringt zich ook de vraag op naar de uitvoering van de aangenomen
motie van het lid Boomsma c.s. over het voortzetten van het uitlezen van gegevensdragers
zoals mobiele telefoons (Kamerstuk 19 637, nr. 3590). De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat de praktijk
van «Quick Checks» en het controleren van de telefoons conform de wens van de meerderheid
van de Kamer inderdaad is hervat. Wat is de planning? En wanneer komt de regering
met het aangekondigde wetsvoorstel om de juridische grondslag te verstevigen?
In het verslag van de JBZ-Raad van 4–5 juni 2026 meldt het kabinet voorts dat wordt
«verkend» of de mogelijkheden tot het uitlezen van gegevensdragers in het kader van
mensensmokkel kunnen worden verruimd. Wat is de stand van zaken van deze verkenning
en wordt deze meegenomen in de juridische grondslag voor het uitlezen van mobieltjes
waaraan wordt gewerkt, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
Aangaande de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact constateren de leden van de
JA21-fractie dat de implementatie in een aanzienlijk aantal lidstaten nog onvolledig
is, met name wat betreft de grensprocedures, de opvang- en detentiecapaciteit en de
nationale asielprocedures. Herkent de Minister dit beeld en welke gevolgen heeft dit
naar zijn oordeel voor de werking van het nieuwe stelsel in de eerste maanden? De
Europese Commissie komt op 12 juli met een beoordeling van de mate waarin lidstaten
hun grensprocedures op orde hebben, als input voor de solidariteitscyclus in het najaar.
Kan de Minister toezeggen deze beoordeling met de Kamer te delen? Welke inzet en consequenties
verbindt hij aan het uitblijven van adequate implementatie door andere lidstaten?
Kan hij daarbij bevestigen dat Nederland geen solidariteitsbijdrage zal leveren ten
aanzien van lidstaten waarvan de Commissie vaststelt dat sprake is van systemische
tekortkomingen in de naleving van het Dublin-/AMbV-acquis, zoals eerder aan de Kamer
is gemeld?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat Dublinclaimanten
in ieder geval vanaf de datum van inwerkingtreding van het Pact weer worden teruggestuurd
naar Italië en Griekenland. Kan de Minister de Kamer op de hoogte houden van het verloop
van deze terugkeer en ook specifiek van eventuele rechtszaken waarin deze terugkeer
wordt aangevochten en de uitkomsten daarvan?
De leden van de JA21-fractie verwelkomen zoals gezegd de hervatting van de overdrachten
van Dublin-/AMbV-claimanten aan Italië, maar constateren dat de precieze grondslag
en reikwijdte daarvan onduidelijk blijven. Kan de Minister nauwkeurig uiteenzetten
welke afspraken op dit moment precies gelden ten aanzien van het overdragen van claimanten
aan Italië én aan Griekenland, wanneer die precies zijn gemaakt en welke afspraken
precies zijn gemaakt over eerdere Dublinclaimanten? Gelden deze afspraken voor alle
categorieën claimanten, dus ook voor bijvoorbeeld gezinnen, en zowel voor overname-
als terugnamezaken of zijn bepaalde groepen daarvan uitgezonderd? Zijn er afspraken
gemaakt over aantallen, quota of het tempo van overdrachten en, zo ja, welke? Het
kabinet baseert de hervatting op de mondelinge bevestiging van de Italiaanse Minister
tijdens het gesprek van 3 juni 2026 dat Italië adequate opvang zal bieden. Beschikt
de Minister over een schriftelijke toezegging op dit punt en, zo nee, acht hij een
mondelinge bevestiging een voldoende robuuste grondslag? Bevat de op 3 juni 2026 ondertekende
Declaration of Intent tussen Nederland en Italië een concrete, afdwingbare garantie
over adequate opvang van overgedragen claimanten of ziet die verklaring uitsluitend
op bredere samenwerking? Kan de Minister de relevante passages met de Kamer delen?
Wat gebeurt er indien Italië, ondanks de mondelinge toezegging, in de praktijk opnieuw
geen adequate opvang blijkt te bieden? Op welke wijze monitort de Minister dit en
welke gevolgen verbindt hij daaraan voor lopende en toekomstige overdrachten?
Ten aanzien van Griekenland achten de leden van de JA21-fractie het een zeer goede
zaak dat overdrachten naar Griekenland inmiddels daadwerkelijk zijn hervat. Kan de
Minister dit bevestigen en kan hij de precieze ingangsdatum van deze hervatting noemen?
Klopt het dat dit per vrijdag 12 juni 2026 is ingegaan? Ziet deze hervatting alleen
op nieuwe Dublin-/AMbV-claims en is de reeds bestaande voorraad aan Griekenland- en
Italië-claimanten hiervan uitgezonderd? Wanneer is deze afspraak gemaakt en welke
inzet had het Nederlandse kabinet daarbij? Heeft het Nederlandse kabinet überhaupt
geprobeerd om in ieder geval Dublinclaimanten waarvan de termijn nog niet was verstreken
per inwerkingtreding van het Pact ook te betrekken bij de overeenkomst? Waarom is
dat niet geprobeerd of waarom is dat niet gelukt?
De leden van de JA21-fractie wijzen in dit verband ook op de recent gemelde groep
van naar verluid ongeveer 600 Palestijnse asielzoekers die als Griekse statushouder
naar Nederland zijn gekomen. Worden zij, ondanks hun recente aankomst, tot de uitgezonderde
bestaande voorraad gerekend of tellen zij al mee als nieuwe instroom en worden zij
dus wél overgedragen?
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre het continueren van de hervatting
van Dublinoverdrachten afhankelijk is van Nederlandse financiële en andere inzet ter
plekke.
De leden van de JA21-fractie vragen om hoeveel Dublin-/AMbV-claimanten uit Griekenland
en Italië het thans in totaal gaat van wie de overdrachtstermijn nog niet is verstreken
en hoeveel daadwerkelijke overdrachten sinds 12 juni 2026 hebben plaatsgevonden. Welke
inzet pleegt de Minister om te voorkomen dat lopende termijnen van juist deze recent
gearriveerde groepen ongebruikt verstrijken, waardoor Nederland alsnog van rechtswege
zelf verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling?
De leden van de JA21-fractie beschouwen de Terugkeerverordening als noodzakelijk onderdeel
van het EU Asiel- en Migratiepact en hechten aan een voortvarende toepassing. Kan
de Minister nauwkeurig aangeven welke bepalingen bij inwerkingtreding van toepassing
worden en welke pas (twaalf maanden) later? Klopt het dat onder meer de grondslagen
voor het realiseren en operationeel maken van terugkeer- of transithubs, de bepalingen
inzake terugkeer van minderjarigen en de externe dimensie direct van toepassing zijn?
De verordening maakt ook de overdracht van gezinnen met minderjarigen naar een terugkeer-
of transithub mogelijk, terwijl dit in het oorspronkelijke Commissievoorstel uitdrukkelijk
was uitgesloten. Kan de Minister bevestigen dat Nederland van deze mogelijkheid gebruik
wil maken? Op welke manier wordt daarbij toegezien op voorzieningen voor gezinnen?
Ten aanzien van terugkeerhubs vragen deze leden de Minister de actuele stand van zaken
te schetsen van de Nederlandse inzet op terugkeerhubs en het veilig-derde-landconcept,
sinds zijn brief aan de Kamer van mei 2026 (Kamerstuk 22 112, nr. 4327). Welke rol vervult Nederland binnen de kopgroep (Nederland, Duitsland, Oostenrijk,
Denemarken, Zweden en Griekenland) en welke concrete toezeggingen of inzet heeft Nederland
tot nu toe gepleegd? Is binnen de kopgroep reeds sprake van afspraken over financiën,
locaties en andere aanverwante zaken en, zo ja, hoe luiden deze en welke verplichtingen
brengt dat voor Nederland met zich? Indien nog niet overeengekomen en/of nog vertrouwelijk:
op basis van welke criteria wordt deze naar verwachting vormgegeven en kan dit worden
betrokken bij de technische briefing op 10 september 2026? De Deense en Oostenrijkse
bewindspersonen spreken van principeovereenkomsten vóór het einde van het jaar en
de Duitse Minister wil uiterlijk eind 2026 afspraken met derde landen, met het oog
op operationele hubs in 2027. Hanteert Nederland eenzelfde concrete einddatum en acht
de Minister 2027 haalbaar? Zijn naar het oordeel van de Minister verdere aanpassingen
van de Vreemdelingenwet 2000 of andere nationale wetten nodig om terugkeerhubs operationeel
en juridisch houdbaar te laten zijn? En, zo ja, wanneer verwacht hij deze wetswijziging
in consultatie te brengen?
In het kader van het Britse Rwanda-plan zijn verschillende centra gebouwd, waarbij
het Verenigd Koninkrijk al honderden miljoenen euro’s zou hebben uitgegeven, zo merken
de leden van de JA21-fractie op. Ziet de Minister mogelijkheden om gebruik te maken
van het «voorwerk» en/of de voorzieningen die daaraan al zijn uitgegeven, om vergelijkbare
afspraken te maken dan wel deze faciliteiten te benutten voor het inrichten van een
terugkeerhub? Welke lessen heeft de Minister getrokken uit het verloop van deze plannen
en ook de plannen die Italië heeft met centra in Albanië?
Hoeveel van de vier maal 10 miljoen euro per jaar (voor de jaren 2025–2028) voor migratiepartnerschappen
is beschikbaar voor terugkeer en terugkeerhubs? Kan de Minister bevestigen dat hij,
indien sprake is van meerkosten, hiertoe een voorstel zal doen aan de Kamer? Voornoemde
leden merken op dat de Minister meldde dat er tevens geld zou worden vrijgemaakt in
de BHO-begroting voor het realiseren van terugkeerhubs en dat BHO-programmering wordt
ingezet om tegemoet te komen aan de ontwikkelbelangen van (beoogde) partnerlanden.
Kan de Minister ondanks de voorbereidende fase een indicatieve bandbreedte geven van
de omvang van de BHOS-/ODA-middelen die met de realisatie van terugkeerhubs gemoeid
zullen zijn? Welke vormen van deze eventuele extra fondsen kwalificeren volgens de
OESO-DAC-richtlijnen als ODA en op welke grondslag?
Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie aandacht voor Afghanistan. Kan de Minister
bevestigen dat Nederland heeft deelgenomen aan de technische gesprekken met de Afghaanse
feitelijke autoriteiten en toelichten wat de Nederlandse inzet en positie daarbij
was? Deze leden menen dat het mogelijk maken van terugkeer van Afghanen zonder rechtmatig
verblijf, in het bijzonder van strafrechtelijk veroordeelden en personen die een veiligheidsrisico
vormen, prioriteit verdient. Deelt de Minister deze opvatting en welke concrete resultaten
beoogt hij met deze gesprekken?
II. Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) op 16 en 17 juli
2026 en van de verder aangeleverde stukken. Zij hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de kabinetsreactie op het onderhandelingsresultaat
voor de Terugkeerverordening ook onderdeel is van dit schriftelijk overleg. Deze leden
zijn net als het kabinet optimistisch over het onderhandelingsresultaat en willen
met name de onderhandelaars van het Europees Parlement bedanken voor het gevoerde
tempo. Voornoemde leden zullen een snelle parlementaire behandeling van de onderdelen
van de Terugkeerverordening die nationale omzetting behoeven, zoveel mogelijk bevorderen,
ook omdat het dezelfde leden waren die om een zo snel mogelijke inwerkingtreding hebben
gevraagd.
Vraag 1
Wanneer verwacht de Minister dat er voorstellen hiertoe met de Kamer gedeeld zullen
worden? Hoe is de Minister van plan om de Kamer te betrekken bij beleidsvrijheid die
de Terugkeerverordening op bepaalde onderdelen biedt, zoals de verhouding tussen vrijwillig
en gedwongen terugkeer en de wederzijdse erkenning van terugkeerbesluiten?
Antwoord
Gelet op de kortere implementatietermijn van 1 jaar, zet het kabinet zich in om de
periode die resteert tussen het moment van goedkeuring en officiële publicatie van
de verordening, naast de implementatietermijn zo optimaal als mogelijk te benutten
met als doel om zo snel als mogelijk een voorstel voor een uitvoeringswet in consultatie
te geven. De verwachting is dat de verordening in het begin van het najaar gepubliceerd
zal worden en daarmee reeds ten dele van toepassing wordt.
Het wetsvoorstel waarin onder andere ook invulling zal zijn gegeven aan de beleidsvrijheid
die de verordening biedt gaat na verwerking van de consultatiereacties naar de Afdeling
advisering van de Raad van State. Het wetsvoorstel, inclusief het advies van de Raad
van State en het nader rapport zal vervolgens integraal ter behandeling aan uw Kamer
worden aangeboden.
Vraag 2
Is de Minister daarnaast voornemens om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid
om gedwongen terugkeer in te zetten bij uitgeprocedeerde migranten die een gevaar
vormen voor de openbare orde en nationale veiligheid, en bij uitgeprocedeerde migranten
die niet of onvoldoende meewerken aan terugkeer? Is de Minister tevens bereid om maximaal
gebruik te maken van de mogelijkheid om materiële voorzieningen, waaronder opvang,
voorwaardelijk te stellen aan de medewerking van de uitgeprocedeerde migrant aan het
terugkeerproces? Is het hierbij mogelijk om «medewerking» zo ruim mogelijk te interpreteren,
waardoor bijvoorbeeld het niet komen opdagen bij een afspraak met de Dienst Terugkeer
en Vertrek of een andere uitvoeringsinstantie al reden kan zijn om voorzieningen in
te trekken?
Antwoord
Het kabinet geeft de voorkeur aan zoveel mogelijk vrijwillige terugkeer. Indien een
vreemdeling echter niet vrijwillig terugkeert of dat om andere redenen niet mogelijk
is, behoort terugkeer in een gedwongen kader tot de mogelijkheden, en daar zal het
kabinet maximaal op inzetten. Die systematiek wordt gevolgd in de verordening. Daarnaast
wordt in de verordening duidelijk uiteengezet welke verplichtingen er gelden voor
vreemdelingen die moeten vertrekken Als een vreemdeling geen medewerking verleent
aan de bevoegde autoriteit en/of niet meewerken aan terugkeer, kan worden overgegaan
tot gedwongen vertrek. Daarnaast kan de bevoegde autoriteit op grond van de verordening
bijvoorbeeld de vertrektermijn verkorten, bepaalde uitkeringen of toelagen verminderen/weigeren
of andere financiële sancties treffen bij niet-naleving van de verplichting tot medewerking,
niet meewerken aan terugkeer komt dus gedwongen terugkeer in beeld.
Het kabinet is voornemens om bij de implementatie van de nieuwe terugkeerverordening,
in lijn met de motie Ceulemans en Boomsma1, de in de Terugkeerverordening geboden ruimte voor aanscherping zo volledig mogelijk
benutten. Hoe de nationale beleidsruimte precies wordt ingevuld zal de komende maanden
in samenwerking met de uitvoeringspartners nader worden uitgewerkt in het wetsvoorstel
ter uitvoering van de terugkeerverordening. Zie verder het antwoord op de vorige vraag.
De leden van de VVD-fractie merken voorts op dat in Spanje ruim 1 miljoen illegale
migranten zich hebben aangemeld voor een pardonregeling, waardoor hun verblijf wordt
gereguleerd. Deze leden zijn van mening dat dit beleid vanwege het vrij verkeer van
personen binnen de Europese Unie het vertrouwen in het Europees migratiebeleid en
in de Europese Unie in zijn geheel ondermijnt.
Vraag 3
Hoe kijkt de Minister hiernaar? Deelt de Minister de mening dat het beleid van Spanje
op gespannen voet staat met artikel 4, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese
Unie? Hoe gaat de Minister voorkomen dat deze groep van ruim 1 miljoen gereguleerde
migranten via het vrij verkeer van personen naar Nederland zal komen? Zijn er andere
lidstaten die net als de aan het woord zijnde leden kritisch zijn op het beleid van
Spanje? Is de Minister bereid om samen met deze landen Spanje aan te spreken en om,
indien mogelijk, juridische stappen tegen Spanje te ondernemen?
Antwoord
Een bijzondere administratieve regularisatieprocedure is een nationale bevoegdheid
van de lidstaten. Het gaat hier om een Spaanse verblijfsvergunning aan een groep die
al is gevestigd in Spanje. De door Spanje afgegeven vergunning geeft recht op verblijf
en werk in Spanje. Op grond van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst mag de houder
van een dergelijke vergunning maximaal 90 dagen in andere Schengenlanden verblijven,
voor zover aan de toepasselijke voorwaarden voor binnenkomst wordt voldaan. Iemand
met een dergelijke vergunning heeft geen recht om zich in Nederland te vestigen. Uiteraard
houdt Nederland de situatie nauw in de gaten. Nederland en Spanje nauw in contact
over dit traject om, indien dat nodig is, negatieve gevolgen te mitigeren.
De leden van de VVD-fractie hebben additioneel nog enkele vragen over de informatie
die de Minister heeft aangeleverd over de uitvoering van het Entry-Exit System (EES).
Deze leden zien dat de uitvoering hiervan vooralsnog gepaard gaat met de nodige kinderziektes.
Vraag 4
Op welke termijn verwacht de Minister dat de problemen met de uitvoering van EES,
en dan met name de uitvoering hiervan op Schiphol, opgelost zullen worden?
Antwoord
Op luchthaven Schiphol verloopt de verdere invoering van de biometrische registraties
minder snel dan voorzien als gevolg van technische uitdagingen bij de ontwikkeling
van ICT-systemen. Er wordt op Europees en nationaal niveau hard gewerkt aan het verder
verbeteren van de stabiliteit en functionaliteit van het systeem om zo snel en verantwoord
mogelijk tot volledige implementatie van het Enty/Exit Systeem te komen. Samen met
de Koninklijke Marechaussee, het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat en Schiphol werken we eraan om de verdere invoering van de biometrische
registraties zo snel mogelijk, zorgvuldig en verantwoord te laten plaatsvinden. Het
kabinet verwacht hier enkele maanden voor nodig te hebben.
Vraag 5
Hoe kijkt de Minister aan tegen de oproep van verschillende lidstaten om de registratie
van biometrische gegevens ook na 6 september optioneel te maken? Tot welke datum zou
er dan mogelijk sprake zijn van vrijwillige registratie?
Antwoord
Nederland heeft zich in EU-verband aangesloten bij de oproep om ook na 6 september
2026 gebruik te kunnen blijven maken van de in de verordening opgenomen flexibiliteit
voor tijdelijke gedeeltelijke opschorting van de biometrische registratie. Hierover
is op dit moment nauw contact tussen de Commissie en desbetreffende lidstaten. De
inzet van Nederland is erop gericht dat EES zo snel mogelijk op stabiele en verantwoordelijke
wijze wordt geïmplementeerd. Volledige implementatie inclusief biometrische registratie
blijft hierbij het uitgangspunt.
Vraag 6
Welke rol spelen overwegingen omtrent nationale veiligheid en het tegengaan van overstay
bij het standpunt van de Minister hieromtrent?
Antwoord
Het EES draagt bij aan betere grensbewaking, het tegengaan van illegale migratie en
het detecteren en tegengaan van overstay. Daarmee levert het systeem een belangrijke bijdrage aan de nationale en Europese
veiligheid. Deze doelstellingen blijven onverminderd van kracht. De tijdelijke mogelijkheid
om de biometrische registratie gedeeltelijk op te schorten is uitsluitend bedoeld
om stabiele en verantwoordelijke implementatie van het EES te waarborgen. Bovendien
worden alle derdelanders biografisch geregistreerd, waardoor overstay gemonitord blijft, ook bij de tijdelijke opschorting van biometrische registratie.
Ook gedurende deze tijdelijke maatregel worden derdelanders die de grens passeren
gecontroleerd in de nationale en Europese datasystemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem.
Personen die een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid
wordt de toegang geweigerd. Het uitgangspunt blijft dat zo spoedig mogelijk wordt
toegewerkt naar volledige toepassing van de biometrische registratie.
De leden van de VVD-fractie merken ook op dat er recent een intentieverklaring is
ondertekend tussen Nederland en Italië om samenwerking op het gebied van migratie
te versterken. Deze leden ondersteunen deze ambitie. Wel merken zij hierbij op dat
het slechts gaat om een intentieverklaring en niet om harde afspraken. Dit wordt in
de laatste paragraaf nog eens expliciet bevestigd.
Vraag 7
In welke mate kan de Minister de garantie afgeven dat Italië de tot uitdrukking gebrachte
intentie daadwerkelijk nakomt? Deelt de Minister de opvatting dat Nederland, indien
Italië om wat voor reden dan ook de afspraken niet nakomt, op grond van het EU Asiel-
en Migratiepact alsnog verplicht is om asielzoekers die via Italië naar Nederland
afreizen, aan Italië over te dragen?
Antwoord
De intentieverklaring onderstreept dat Nederland en Italië nauw samen werken om het
volledige Pact uit te voeren, en waar nodig elkaar te ondersteunen. Het uitvoeren
van het Pact, inclusief het terugnemen van asielzoekers waar de lidstaat voor verantwoordelijk
is volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) een wettelijke verplichting
voor alle EU-lidstaten. Om een overdracht te kunnen realiseren is het noodzakelijk
dat de lidstaat waaraan de asielzoeker wordt overgedragen hieraan meewerkt. Het is
daarom van belang dat de Commissie, als hoeder van de verdragen, hierop toe ziet.
Nederland blijft daar aandacht voor vragen. Daarnaast moet Nederland zelf nog juridische
procedures doorlopen om overdrachten naar Italië weer mogelijk te maken.
Op 15 juli jl. heeft de Commissie een mededeling gepubliceerd met daarin de beoordeling
hoe Italië en Griekenland in de eerste maand van de implementatie van het Pact uitvoer
geven aan de overdrachten onder de AMbV. De Commissie concludeerde dat beide landen
significante voortgang hebben geboekt, maar dat de overdrachten moeizaam op gang komen.
Het is duidelijk dat in deze beginfase nog hordes zijn. Nederland werkt nauw met Italië
en Griekenland samen, en maakte hierover ook afspraken, zoals eerder aan uw Kamer
gemeld. Het weer opstarten van het proces kost echter tijd. De samenwerking met Italië
en ook Griekenland heeft tot nu toe nog maar zeer beperkt geleid tot daadwerkelijk
overdrachten. Ook moeten er in Nederland in veel zaken nog juridische procedures worden
doorlopen voordat de overdrachten kunnen worden geeffectueerd. Het kabinet zet maximaal
op in op het weer hervatten van de overdrachten naar deze landen, zowel in EU verband,
bilateraal en nationaal. Onderdeel hiervan is dat Nederland samen met gelijkgezinde
lidstaten optrekt om dit mechanisme zo snel als mogelijk te laten werken, en roept
hier ook continue de Commissie toe op. In oktober rapporteert de Commissie opnieuw
over de mate van implementatie van AMbV-overdrachten.
Vraag 8
Deelt de Minister daarnaast de opvatting dat er hierbij moet worden uitgegaan van
naleving van mensenrechten, waaronder die voortvloeiend uit het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens (EVRM)?
Antwoord
EU-lidstaten zijn gebonden aan de mensenrechten die voortvloeien uit het EVRM, die
ook zijn opgenomen in het EU Handvest. Er mag daarom vanuit worden gegaan dat lidstaten
hun verplichtingen nakomen die hieruit voortkomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel).
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is geen gegeven, maar juridisch weerlegbaar.
Indien blijkt dat er in de praktijk blijkt dat er een reëel risico bestaat dat de
grondrechten van asielzoekers worden geschonden kan niet langer een beroep worden
gedaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zoals o.a. blijkt uit de Chisinău-verklaring
moet hierbij spraken zijn van een minimumniveau van ernst.
Vraag 9
Op welke manier is de Minister voorts van plan om de inzet op Assisted Voluntary Return
and Reintegration programmes te vergroten? Wanneer verwacht de Minister de eerste
resultaten van deze inzet?
Antwoord
Terugkeer is een prioriteit van het kabinet. Om dit te stimuleren wordt ook ingezet
op het bieden van ondersteuning bij vrijwillige terugkeer en herintegratie in het
land van herkomst. Het kabinet biedt ook gerichte steun aan projecten die bijdragen
aan reintegratie en vrijwillige terugkeer binnen de EU. Daarnaast heb ik in mijn brief
van 22 juni jl.2 ik uw Kamer laten weten dat ik het Europees Migratie Netwerk heb gevraagd om onderzoek
te doen naar de terugkeer- en herintegratieprogramma’s in Nederland en andere Europese
lidstaten. Doel van dit onderzoek is om lessen te trekken voor Nederland. De resultaten
van dit onderzoeken worden in de loop van 2027 verwacht. De resultaten van het onderzoek
zal ik gebruiken om het beleid ten aanzien van vrijwillige terugkeer en herintegratie
te verbeteren.
De leden van de VVD-fractie vragen naar aanleiding van het verslag van de vorige JBZ-Raad
die plaatvond op 4 en 5 juni 2026 hoe de Minister aankijkt tegen de wens van Cyprus
om zo snel mogelijk toe te treden tot het Schengengebied.
Vraag 10
Meent de Minister dat Cyprus hier op basis van objectieve maatstaven inderdaad op
korte termijn klaar voor is?
Antwoord
Cyprus heeft in de afgelopen periode significante stappen gezet om te voldoen aan
de criteria voor Schengentoetreding en de volledige implementatie van het Schengen
acquis. Dit blijkt uit het rapport over de implementatie van het Schengen acquis door Cyprus door experts dat de Commissie recent via comitologie aangenomen heeft.
Het rapport is niet publiekelijk te raadplegen. Uit het rapport blijkt dat een groot
deel van de aanbevelingen ten aanzien van de implementatie van het Schengen acquis door Cyprus zijn geïmplementeerd. Daarnaast zijn er op dit moment ook nog enkele
openstaande aanbevelingen die Cyprus moet implementeren om volledig te voldoen aan
het Schengen acquis.
Voor toetreding van Cyprus daadwerkelijk aan de orde is moeten daarnaast nog verscheidene
stappen worden gezet. Indien het Schengen acquis voldoende geïmplementeerd is kan de Raad middels een Uitvoeringsbesluit van de Raad
beslissen tot het sluiten van de actieplannen op de verscheidene onderdelen van het
Schengen acquis. Na het sluiten van de actieplannen moet door de Raad de technische gereedheid van
Cyprus worden vastgesteld middels Raadsconclusies. Vervolgens moet de Raad met unanimiteit
besluiten over definitieve toetreding van Cyprus tot de Schengenzone en de bijbehorende
opheffing van controles aan de grenzen. Het kabinet zal elke stap in dit proces op
merites beoordelen en daarbij rekening houden met alle elementen die raken aan de
integriteit van het Schengengebied. Alvorens een volgende stap in dit proces wordt
gezet zal uw kamer hierover worden geïnformeerd.
Vraag 11
Hoe kijkt de Minister aan tegen de oproep van de Commissie om toetreding tot Schengen
een systematisch onderdeel uit te laten maken van het EU-uitbreidingsproces?
Antwoord
Schengentoetreding is een wettelijke verplichting voor alle EU-lidstaten onder het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met uitzondering van Ierland.
Als onderdeel van het EU-uitbreidingsproces moeten kandidaat-lidstaten hun nationale
kader in overeenstemming brengen met alle Schengenregels en capaciteit opbouwen om
deze regels uit te voeren. De voortgang hiervan wordt getoetst via het Schengen evaluatie
en monitoringmechanisme. Lidstaten besluiten vervolgens met unanimiteit over de volwaardige
toetreding tot het Schengengebied, met de afschaffing van controles aan de binnengrenzen
als laatste mijlpaal. Het kabinet beoordeelt deze Schengentoetreding op basis van
merites waarbij recente evaluatierapportages leidend zijn.
Vraag 12
In hoeverre past deze oproep binnen de ambitie van het kabinet voortvloeiend uit de
aangenomen motie van het lid Becker c.s. (Kamerstuk 23 987, nr. 399) om in te zetten op graduele toetreding?
Antwoord
Voor volledige EU-toetreding geldt dat kandidaat-lidstaten moeten voldoen aan de Kopenhagencriteria.
Voor volledige toepassing van alle Schengenregels gelden aanvullende eisen. Daarom
is dat in de regel een latere stap, die afhankelijk is van de mate van implementatie
van het Schengen acquis. Wel steunt het kabinet de inzet van de Europese Commissie om Schengen-vereisten vroegtijdig
en gestructureerd aan de orde te laten komen in het toetredingstraject. Volwaardige
deelname aan het Schengengebied blijft, zoals hierboven omschreven, onderworpen aan
separate besluitvorming door de lidstaten.
De leden van de VVD-fractie constateren dat er tijdens de vorige JBZ-Raad ook is gesproken
over migratiesamenwerking met Somalië. Deze leden lezen verheugd dat er op bilateraal
verband (beperkte) vooruitgang is geboekt op het gebied van terugkeerafspraken.
Vraag 13
Welk percentage van door Nederland afgewezen en uitgeprocedeerde Somaliërs keert op
dit moment daadwerkelijk terug?
Antwoord
In het algemeen ten aanzien van de terugkeersamenwerking met Somalië kan het volgende
worden aangegeven. In de terugkeersamenwerking tussen Nederland en Somalië is het
afgelopen jaar een positieve ontwikkeling waar te nemen naar aanleiding van de investeringen
in de relatie door het kabinet.
Zo is er sinds eind 2025 tot heden viermaal gedwongen terugkeer gerealiseerd naar
Somalië. Dit is het gevolg in investeringen in de brede relatie met Somalië. Het kabinet
blijft erop inzetten deze samenwerking de aankomende tijd verder te versterken ook
met het oog op vrijwillige terugkeer. De positieve ontwikkeling in de terugkeersamenwerking
geldt echter niet voor alle EU-lidstaten.
Vanwege de gebrekkige terugkeersamenwerking de afgelopen jaren tussen andere EU-lidstaten
en Somalië heeft de Raad van de EU in juni 2026 negatieve visummaatregelen onder artikel
25bis genomen tegen Somalië. Deze maatregelen moeten Somalië stimuleren om de terugkeersamenwerking
met EU-lidstaten te verbeteren. Nederland blijft zich onverminderd inzetten om de
terugkeersamenwerking met Somalië te verbeteren.
De leden van de VVD-fractie merken ook op dat er tijdens de vorige JBZ-Raad is stilgestaan
bij de migratiesituatie in het Kanaalgebied. De afgelopen jaren proberen illegale
migranten de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk vanaf steeds noordelijker gelegen
stranden te maken, waardoor het een kwestie van tijd lijkt voordat er ook vanuit Nederland
illegale migranten een poging zullen wagen.
Vraag 14
Welke stappen is de Minister bereid om te nemen om deze oversteken zoveel mogelijk
te voorkomen? In hoeverre wordt er om dit te bereiken samengewerkt met het Verenigd
Koninkrijk, Frankrijk en België?
Antwoord
Op 16 juni jl. heeft de Europese Commissie het Kanaalactieplan gepubliceerd. Het Kanaalactieplan
zet in op drie sporen: 1) het versterken van migratiediplomatie langs de routes om
vertrek uit het land van herkomst te vermijden en om terugkeer te bevorderen; 2) het
ontmantelen van smokkelnetwerken; en 3) het versterken van grensmanagement. Het kabinet
onderschrijft het belang van het Kanaalactieplan en zal zich hier actief voor inzetten.
Op zowel operationeel als politiek niveau wordt in Calais-groep verband – bestaande
uit het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Duitsland en Nederland – samengewerkt
om de problematiek op het Kanaal aan te pakken. Sinds begin 2026 hebben enkele groepen
migranten vanaf de Belgische kust de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk gemaakt.
Vanaf april is dit aantal weer afgenomen. Op dit moment is er geen sprake van een
toename van het aantal oversteken met «small boats» van Nederland naar het VK. Uiteraard
blijft het kabinet dit nauw monitoren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
informele JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026. Zij stellen nog enkele vragen.
Vraag 15
De leden van de PVV-fractie lezen in het verslag van de vorige JBZ-Raad dat verschillende
lidstaten nog kampen met uitdagingen, waaronder het tegengaan van ontduiking. Kan
de Minister dit verder duiden en aangeven welke lidstaten dit betreft?
Antwoord
Onderdeel van de verplichtingen van lidstaten bij het realiseren van de adequate capaciteit
voor screening en grensprocedures zijn het nemen van maatregelen om onttrekken aan
het toezicht en secundaire bewegingen tegen te gaan. De implementatie van het Pact
op 12 juni jl. was een belangrijk moment en de formele start van de uitvoering van
het Pact. Het gaat hier om een enorm en ingrijpend wetgevingspakket, dit heeft tijd
nodig om goed te functioneren. Het is daarom noodzakelijk dat de lidstaten blijven
investeren in de goede implementatie van het Pact. De Commissie monitort dit en ondersteunt
de lidstaten waar nodig, mede op aandringen van Nederland.
Over de laatste stand van zaken ten aanzien van de implementatie van het Pact heeft
de Commissie op 8 mei jl. een voortgangsrapport gepubliceerd. Hierin wordt ook verwezen
naar de uitdagingen per lidstaat. Uw Kamer heeft de kabinetsappreciatie over deze
voortgangsrapportage op 19 mei jl. ontvangen.3 In oktober publiceert de Commissie het jaarverslag over de migratiesituatie in de
EU, waarin ook de volgende voortgangsrapportage ten aanzien van de implementatie van
het Pact op wordt genomen. Een appreciatie van dit jaarverslag zal ik met t.z.t. met
de Kamer delen. Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat het Pact volledig en effectief
geïmplementeerd wordt en de Commissie ertoe oproepen te garanderen dat openstaande
uitdagingen worden aangepakt.
Vraag 16
Daarnaast vragen deze leden de Minister om een uitgebreid overzicht van de stand van
zaken in alle lidstaten ten aanzien van de implementatie en uitvoering van de gemaakte
afspraken, met bijzondere aandacht voor de lidstaten aan de buitengrenzen van de Europese
Unie. Kan de Minister daarbij tevens ingaan op de mate waarin deze lidstaten voldoen
aan hun verplichtingen op het gebied van grensbewaking, registratie, terugkeer en
het tegengaan van secundaire migratie?
Antwoord
Zoals in de beantwoording op vraag 22 reeds beschreven heeft het kabinet de Kamer
geïnformeerd over de stand van zaken van implementatie op basis van de voortgangsrapportage
van de Commissie die op 8 mei jl. is gepubliceerd. In oktober publiceert de Commissie
het jaarverslag over de migratiesituatie in de EU en zal hierin opnieuw rapporteren
over de voortgang t.a.v. de implementatie van het Pact. Hier zijn ook de verplichtingen
ten aanzien van screening, Eurodac en de grensprocedure onderdeel van. Een appreciatie
van dit jaarverslag zal het kabinet t.z.t. met de Kamer delen.
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat vliegvelden moeten gaan vrezen voor
forse vertragingen vanwege operationele problemen met het EES.
Vraag 17
Kan de Minister duiden waar deze problemen zich voordoen en welke lidstaten inmiddels
de stekker eruit hebben getrokken vanwege deze problemen? Klopt het dat de biometrische
registratie momenteel wordt overgeslagen? Zo nee, welke gegevens worden wel opgeslagen?
Zo ja, is de Minister het met de leden van de PVV-fractie eens dat wanneer niet alle
lidstaten uitvoering geven aan het grensproces en niet alle gegevens in het systeem
geregistreerd worden, het systeem enkel en alleen zorgt voor onnodige stress en ellenlange
rijen voor Nederlandse vakantiegangers?
Antwoord
Uit informatie van de Europese Commissie blijkt dat de implementatie van het EES over
het algemeen goed verloopt. Wel ervaren verschillende lidstaten, met name bij drukke
grensdoorlaatposten en tijdens piekmomenten, uitdagingen bij de biometrische registratie
van derdelanders, wat kan leiden tot langere wachttijden. Dit geldt ook voor Nederland
Het kabinet beschikt niet over informatie dat lidstaten de implementatie van het EES
hebben stopgezet.
Op grond van de EES-verordening kunnen lidstaten tijdelijk gebruikmaken van flexibiliteit
om excessieve wachtrijen te voorkomen. De registratie van biometrische gegevens (gezichtsopname
en vingerafdrukken) kan tijdelijk gedeeltelijk worden opgeschort. Ook in dat geval
worden de paspoortgegevens van de reiziger altijd in het EES geregistreerd.
Het EES is uitsluitend van toepassing op derdelanders. EU-burgers worden niet in het
EES geregistreerd en ondervinden daarom geen directe gevolgen van de registratie in
het EES. Eventuele gevolgen voor EU-burgers zijn hooguit indirect, bijvoorbeeld als
gevolg van de algemene doorstroming aan de grens.
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat er weer vluchten vanaf Schiphol naar
Damascus gaan.
Vraag 18
Deze leden vragen de Minister hoeveel passagiers inmiddels al gebruik hebben gemaakt
van deze route en welke nationaliteiten deze passagiers hebben? Deze leden vragen
ook waarom de Minister nog niet begonnen is om alle tijdelijke vergunningen van Syriërs
in Nederland in te trekken om vervolgens al die Syriërs op het vliegtuig naar Damascus
te zetten? Is de Minister het met deze leden eens dat nu er een directe vlucht naar
Damascus vanuit Nederland mogelijk is en Syrië weer veilig is, er geen enkel excuus
meer is om al die Syriërs terug te sturen?
Antwoord
Het beschikbaar zijn van een directe vlucht naar Damascus vormt op zichzelf geen grond
om verblijfsvergunningen in te trekken of tot terugkeer over te gaan. Besluiten over
verblijfsrecht en terugkeer worden genomen op basis van de geldende wet- en regelgeving,
een individuele beoordeling en de actuele situatie in Syrië.
Om tot herbeoordelingen over te gaan moeten de omstandigheden in het land van herkomst
van «voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter» zijn. Op basis van de huidige
beschikbare informatie kan dit nog niet worden geconcludeerd. Na het verschijnen van
het nieuwe ambtsbericht zal ik uw kamer informeren over het nieuwe landenbeleid alsmede
over de vraag of herbeoordeling aan de orde zou kunnen zijn. Het hervatten van directe
vluchten naar Damascus heeft geen directe invloed op dit proces. Informatie over de
aantallen passagiers en de nationaliteiten van deze personen is overigens niet voorhanden.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het Spaanse Openbaar Ministerie heeft bewezen
dat 70% van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, die op hun leeftijd zijn
getest, in werkelijkheid ouder dan 18 jaar zijn. Nederland behoort tot de Europese
landen die de meeste alleenstaande minderjarige vreemdelingen opvangen.
Vraag 19
Kan de Minister aangeven hoeveel amv’ers de afgelopen 5 jaar na hun leeftijdstest
in werkelijkheid ouder dan 18 bleken te zijn?
Antwoord
Het aantal personen dat zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft aangemeld,
maar achteraf meerderjarig bleek te zijn, is niet precies uit systemen te herleiden
omdat dit op verschillende momenten in het proces kan plaatsvinden. Naar schatting
werd in de afgelopen jaren ongeveer vijf procent van de vreemdelingen die een leeftijdsschouw
kreeg, meerderjarig verklaard. Ook onderzoek n.a.v. een registratie in een andere
EU-lidstaat kon leiden tot meerderjarigverklaring. Hierover zijn echter geen cijfers
beschikbaar.
Het Europese Unierecht bepaalt dat, voor toepassing van het medisch leeftijdsonderzoek,
eerst minder-invasieve methodes moeten worden toegepast. Enkel in die gevallen waarbij,
na het doorlopen van de eerdere stappen in het proces leeftijdsbepaling, de twijfel
over de leeftijd aanhoudt, kan het medisch leeftijdsonderzoek als sluitstuk worden
ingezet. Dat brengt met zich mee dat slechts een beperkt aantal vreemdelingen in aanmerking
komt voor het medisch leeftijdsonderzoek. Naar schatting werd ongeveer tien procent
van de vreemdelingen die uiteindelijk een medisch leeftijdsonderzoek heeft ondergaan,
meerderjarig verklaard.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de JBZ-Raad van 16 en 17 juli 2026 in Dublin en hebben de recente ontwikkelingen
in de EU en de lidstaten aandachtig gevolgd. Het Europees asielstelsel moet naar het
oordeel van deze leden fundamenteel worden hervormd, waarbij asiel een gunst wordt
die regeringen kunnen verstrekken en geen afdwingbaar recht, en met hulp, opvang en
procedures buiten Europa. Zij hebben over de inzet van het kabinet in de Raad, alsmede
over enkele recente Europese ontwikkelingen, de volgende vragen en opmerkingen.
Nu het Europese visum- en screeningsinstrumentarium nadrukkelijk in het teken van
veiligheid staat, dringt zich ook de vraag op naar de uitvoering van de aangenomen
motie van het lid Boomsma c.s. over het voortzetten van het uitlezen van gegevensdragers
zoals mobiele telefoons (Kamerstuk 19 637, nr. 3590).
Vraag 20
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat de praktijk
van «Quick Checks» en het controleren van de telefoons conform de wens van de meerderheid
van de Kamer inderdaad is hervat. Wat is de planning? En wanneer komt de regering
met het aangekondigde wetsvoorstel om de juridische grondslag te verstevigen?
Antwoord
Op 2 juli 2026 heb ik bij brief (Kamerstuk 19 637, nr. 3622) aan uw Kamer laten weten dat ik voeg mij naar het oordeel van de Inspectie Justitie
en Veiligheid dat voor de voortzetting van de quickcheck, ook in deze aangepaste vorm,
op dit moment een wettelijke grondslag ontbreekt. Daarnaast heb ik in dezelfde brief
laten weten uw Kamer kort na het zomerreces te informeren over de uitwerking van de
motie-Boomsma c.s (Kamerstuk 19 637, nr. 3590). en dat het streven is om na de zomer een wetsvoorstel in consultatie te brengen.
In het verslag van de JBZ-Raad van 4–5 juni 2026 meldt het kabinet voorts dat wordt
«verkend» of de mogelijkheden tot het uitlezen van gegevensdragers in het kader van
mensensmokkel kunnen worden verruimd.
Vraag 21
Wat is de stand van zaken van deze verkenning en wordt deze meegenomen in de juridische
grondslag voor het uitlezen van mobieltjes waaraan wordt gewerkt, zo vragen de leden
van de JA21-fractie.
Antwoord
De mogelijkheden tot het uitlezen van gegevensdragers in het kader van mensensmokkel
zullen in het lopende traject zoals hierboven geschetst nader worden onderzocht.
Aangaande de uitvoering van het Asiel- en Migratiepact constateren de leden van de
JA21-fractie dat de implementatie in een aanzienlijk aantal lidstaten nog onvolledig
is, met name wat betreft de grensprocedures, de opvang- en detentiecapaciteit en de
nationale asielprocedures.
Vraag 22
Herkent de Minister dit beeld en welke gevolgen heeft dit naar zijn oordeel voor de
werking van het nieuwe stelsel in de eerste maanden? Kan de Minister toezeggen deze
beoordeling met de Kamer te delen?
Antwoord
Zoals aangegeven in het antwoord op een gelijksoortige vraag van de leden van de PVV,
is de implementatie van het Pact op 12 juni jl. een belangrijk moment en de formele
start van de uitvoering van het Pact. Het gaat hier om een enorm en ingrijpend wetgevingspakket,
dit heeft tijd nodig om goed te functioneren. Het is daarom noodzakelijk dat de lidstaten
blijven investeren in de goede implementatie van het Pact. De Commissie monitort dit
en ondersteunt de lidstaten waar nodig. In oktober publiceert de Commissie het jaarverslag
over de migratiesituatie in de EU en zal daarbij ook rapporteren over de voortgang
van implementatie van het Pact. Een appreciatie van dit jaarverslag zal ik t.z.t.
delen met de Kamer.
Daarnaast heeft de Commissie op 15 juni jl. een mededeling gepubliceerd met daarin
de beoordeling hoe Italië en Griekenland in de eerste maand van de implementatie van
het Pact uitvoer geven aan de overdrachten onder de AMbV. Uw Kamer ontvangt hiervan
een appreciatie.
De Europese Commissie komt op 12 juli met een beoordeling van de mate waarin lidstaten
hun grensprocedures op orde hebben, als input voor de solidariteitscyclus in het najaar.
Vraag 23
Welke inzet en consequenties verbindt hij aan het uitblijven van adequate implementatie
door andere lidstaten? Kan hij daarbij bevestigen dat Nederland geen solidariteitsbijdrage
zal leveren ten aanzien van lidstaten waarvan de Commissie vaststelt dat sprake is
van systemische tekortkomingen in de naleving van het Dublin-/AMbV-acquis, zoals eerder
aan de Kamer is gemeld?
Antwoord
Het is de taak van de Europese Commissie om toe te zien op een goede uitvoering van
de afgesproken regels door de lidstaten. Het is voor de Commissie mogelijk om in uiterste
gevallen een inbreukprocedure te starten tegen lidstaten die zich niet aan de wet
houden. Nederland blijft continu aandringen op een nauwe monitoring door de Commissie,
en als de wetgeving niet adequaat wordt geïmplementeerd dat de Commissie hierop acteert.
Indien de Commissie systemische tekortkomingen vaststelt zal Nederland geen solidariteit
aan deze lidstaten leveren. De Commissie publiceerde op 15 juli jl. een mededeling
met daarin de beoordeling hoe Italië en Griekenland in de eerste maand van de implementatie
van het Pact uitvoer geven aan de overdrachten onder de AMbV. Over dit rapport ontvangt
uw Kamer een kabinetsappreciatie. Uit het rapport blijkt dat Italië en Griekenland
significante stappen hebben gezet richting de uitvoering van de AMbV. Het is nog te
vroeg om hier conclusies aan te verbinden. Dat geeft de Commissie ook aan in haar
rapport. In oktober rapporteert de Commissie opnieuw over de implementatie van de
AMvb-overdrachten.
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat Dublinclaimanten
in ieder geval vanaf de datum van inwerkingtreding van het Pact weer worden teruggestuurd
naar Italië en Griekenland.
Vraag 24
Kan de Minister de Kamer op de hoogte houden van het verloop van deze terugkeer en
ook specifiek van eventuele rechtszaken waarin deze terugkeer wordt aangevochten en
de uitkomsten daarvan?
Antwoord
Nederland heeft met ingang van het Pact het proces van overdrachten onder de AMbV
voor Griekenland en Italië hervat. Er moeten verschillende stappen doorlopen worden
voordat een overdracht geeffectueerd kan worden. Dit kost zeker in deze beginfase
tijd. Nederland heeft intussen de eerste stappen gezet om Dublinoverdrachten weer
in gang te zetten. Om dit te doen slagen staat Nederland in nauw contact met Griekenland
en Italië.
De rechtbank Den Haag heeft in twee zaken met betrekking op de AMbV overdrachten naar
Italië geoordeeld dat Nederland deze personen niet mag overdragen aan Italië. Tegen
deze uitspraken wordt hoger beroep ingesteld. Uw Kamer wordt geïnformeerd over relevante
uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die gevolgen
hebben voor het verdere proces.
De leden van de JA21-fractie verwelkomen zoals gezegd de hervatting van de overdrachten
van Dublin-/AMbV-claimanten aan Italië, maar constateren dat de precieze grondslag
en reikwijdte daarvan onduidelijk blijven.
Vraag 25
Kan de Minister nauwkeurig uiteenzetten welke afspraken op dit moment precies gelden
ten aanzien van het overdragen van claimanten aan Italië én aan Griekenland, wanneer
die precies zijn gemaakt en welke afspraken precies zijn gemaakt over eerdere Dublinclaimanten?
Gelden deze afspraken voor alle categorieën claimanten, dus ook voor bijvoorbeeld
gezinnen, en zowel voor overname- als terugnamezaken of zijn bepaalde groepen daarvan
uitgezonderd? Zijn er afspraken gemaakt over aantallen, quota of het tempo van overdrachten
en, zo ja, welke?
Antwoord
Nederland heeft met het van toepassing worden van het Pact de eerste stappen van het
proces van overdrachten onder de AMbV voor Griekenland en Italië hervat. Dit geldt
voor zaken waarvoor het Pact van toepassing is. De regels als vastgelegd in het AMbV
zijn hiervoor leidend.
Het kabinet baseert de hervatting op de mondelinge bevestiging van de Italiaanse Minister
tijdens het gesprek van 3 juni 2026 dat Italië adequate opvang zal bieden.
Vraag 26
Beschikt de Minister over een schriftelijke toezegging op dit punt en, zo nee, acht
hij een mondelinge bevestiging een voldoende robuuste grondslag? Bevat de op 3 juni
2026 ondertekende Declaration of Intent tussen Nederland en Italië een concrete, afdwingbare
garantie over adequate opvang van overgedragen claimanten of ziet die verklaring uitsluitend
op bredere samenwerking? Kan de Minister de relevante passages met de Kamer delen?
Wat gebeurt er indien Italië, ondanks de mondelinge toezegging, in de praktijk opnieuw
geen adequate opvang blijkt te bieden? Op welke wijze monitort de Minister dit en
welke gevolgen verbindt hij daaraan voor lopende en toekomstige overdrachten?
Antwoord
Tijdens het gesprek tussen de Minister van Asiel en Migratie van Nederland en de Minister
van Binnenlandse Zaken van Italië op 3 juni jl., heeft de Italiaanse Minister bevestigd
richting Nederland dat Italië het pact per ingang van 12 juni jl., waaronder ook de
AMbV, volledig zal implementeren. De Italiaanse inzet is net zoals de Nederlandse
inzet gericht op het goed laten werken van het pact. In dat kader benoemde de Italiaanse
Minister expliciet dat Italië asielzoekers adequate opvang zal bieden. Deze informatie
van de verantwoordelijke Italiaanse Minister is voor het kabinet aanleiding om overdrachten
van asielzoekers op grond van de AMbV te hervatten.4 In het rapport van de Commissie over de uitvoering van de AMbV overdrachten daterend
van 15 juli jl. schrijft de Commissie ook dat de opvangsituatie in Italië toereikend
is voor de opvang van AMbV-zaken.
Het uitvoeren van het Pact, inclusief het terugnemen van asielzoekers waar de lidstaat
voor verantwoordelijk is volgens de Asiel- en migratiebeheerverordening en het bieden
van adequate opvang cf. de Opvangrichtlijn, is tevens ook een wettelijke verplichting
voor alle EU-lidstaten. Om een overdracht te kunnen realiseren moet de lidstaat waaraan
de asielzoeker wordt overgedragen hieraan meewerken. Het is daarom van belang dat
de Commissie, als hoeder van de verdragen, hierop toe ziet. Nederland blijft daar
aandacht voor vragen.
Ten aanzien van Griekenland achten de leden van de JA21-fractie het een zeer goede
zaak dat overdrachten naar Griekenland inmiddels daadwerkelijk zijn hervat.
Vraag 27
Kan de Minister dit bevestigen en kan hij de precieze ingangsdatum van deze hervatting
noemen? Klopt het dat dit per vrijdag 12 juni 2026 is ingegaan? Ziet deze hervatting
alleen op nieuwe Dublin-/AMbV-claims en is de reeds bestaande voorraad aan Griekenland-
en Italië-claimanten hiervan uitgezonderd? Wanneer is deze afspraak gemaakt en welke
inzet had het Nederlandse kabinet daarbij? Heeft het Nederlandse kabinet überhaupt
geprobeerd om in ieder geval Dublinclaimanten waarvan de termijn nog niet was verstreken
per inwerkingtreding van het Pact ook te betrekken bij de overeenkomst? Waarom is
dat niet geprobeerd of waarom is dat niet gelukt?
Antwoord
Nederland heeft met ingang van het Pact het proces van overdrachten onder de AMbV
voor Griekenland en Italië hervat. Er moeten verschillende stappen doorlopen worden
voordat een overdracht geeffectueerd kan worden. Dit kost zeker in deze beginfase
tijd. Om dit te doen slagen staan we met Griekenland en Italië in nauw contact.
Deze hervatting geldt voor zaken waarvoor het Pact van toepassing is. Reeds bestaande
zaken maken hier geen onderdeel van uit. Dit gesprek is wel gevoerd met zowel Italië
als Griekenland maar heeft niet geleid tot een overeenkomst op dit punt. Het is prioriteit
van Nederland is nu dat het Pact gaat werken, de focus ligt daarom bij deze zaken
vanaf 12 juni jl.
De leden van de JA21-fractie wijzen in dit verband ook op de recent gemelde groep
van naar verluid ongeveer 600 Palestijnse asielzoekers die als Griekse statushouder
naar Nederland zijn gekomen.
Vraag 28
Worden zij, ondanks hun recente aankomst, tot de uitgezonderde bestaande voorraad
gerekend of tellen zij al mee als nieuwe instroom en worden zij dus wél overgedragen?
Antwoord
Personen die al internationale bescherming hebben gekregen in een andere lidstaat
(statushouders) vallen buiten de reikwijdte van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Op hen zijn dan ook niet de procedurele regels van die verordening van toepassing.
Zoals aan uw Kamer gemeld tijdens het Commissiedebat JBZ-Raad (4–5 juni 2026) van
27 mei jl. (Kamerstuk 32 317, nr. 1017) ter uitvoering van de motie van het lid Ellian5 worden de asielverzoeken van personen die al internationale bescherming hebben gekregen
in Griekenland (en die niet zelfredzaam zijn of niet kunnen terugkeren naar het land
van herkomst) op dit moment aangehouden tot er samen met Griekenland goede afspraken
zijn gemaakt over de terugkeer van deze doelgroep.
Vraag 29
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre het continueren van de hervatting
van Dublinoverdrachten afhankelijk is van Nederlandse financiële en andere inzet ter
plekke.
Antwoord
Zoals aangegeven in voorgaande vragen, is het hervatten van de overdrachten onder
de AMbV wettelijk verplicht. Dat is niet afhankelijk van de Nederlandse bilaterale
inzet.
Nederland heeft veel baat bij een goed functionerend EU-asiel en migratiesysteem,
en daarom investeert het kabinet in de brede migratierelatie met belangrijke partners
zoals Griekenland en Italië. Een belangrijk element daarin is het samenwerken op de
volledige en goede implementatie van het Pact, inclusief de uitvoering van de asielgrensprocedure
en het bieden van adequate opvang aan asielzoekers. Als dat gewenst is, kan Nederland
ook ondersteuning bieden. Dat doet Nederland onder andere in projecten in Griekenland
om de situatie van amv’s te verbeteren. Een ander element is dat Nederland met deze
lidstaten ook nauw samenwerkt op het bevorderen van de samenwerking met landen buiten
de Europese Unie. Hierbij wordt het tegengaan van mensensmokkel, het bevorderen van
terugkeer, het verminderen van irreguliere migratie richting de EU en de bescherming
van vluchtelingen en migranten nagestreefd. De gesprekken over deze bredere samenwerking
worden ook, indien nodig, gebruikt om
het operationaliseren van de overdrachten onder AMbV te bespreken.
Vraag 30
De leden van de JA21-fractie vragen om hoeveel Dublin-/AMbV-claimanten uit Griekenland
en Italië het thans in totaal gaat van wie de overdrachtstermijn nog niet is verstreken
en hoeveel daadwerkelijke overdrachten sinds 12 juni 2026 hebben plaatsgevonden.
Antwoord
Zoals hierboven aangegeven ligt de focus voor Nederland op zaken vanaf 12 juni jl.
Er moeten verschillende stappen doorlopen worden voordat een overdracht geeffectueerd
kan worden. Dit kost zeker in deze beginfase tijd. Om dit te doen slagen staan we
met Griekenland en Italië in nauw contact. Dit heeft tot nu toe zeer beperkt geleid
tot overdrachten.
Vraag 31
Welke inzet pleegt de Minister om te voorkomen dat lopende termijnen van juist deze
recent gearriveerde groepen ongebruikt verstrijken, waardoor Nederland alsnog van
rechtswege zelf verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling?
Antwoord
Deze hervatting geldt voor zaken waarvoor het Pact van toepassing is, met andere woorden
zaken vanaf 12 juni jl. Reeds bestaande zaken maken hier geen onderdeel van uit. Dit
gesprek is wel gevoerd met zowel Italië als Griekenland maar heeft niet geleid tot
een overeenkomst op dit punt. Het is prioriteit van Nederland is nu dat het Pact gaat
werken, de focus ligt daarom bij deze zaken vanaf 12 juni jl.
De leden van de JA21-fractie beschouwen de Terugkeerverordening als noodzakelijk onderdeel
van het EU Asiel- en Migratiepact en hechten aan een voortvarende toepassing.
Vraag 32
Kan de Minister nauwkeurig aangeven welke bepalingen bij inwerkingtreding van toepassing
worden en welke pas (twaalf maanden) later? Klopt het dat onder meer de grondslagen
voor het realiseren en operationeel maken van terugkeer- of transithubs, de bepalingen
inzake terugkeer van minderjarigen en de externe dimensie direct van toepassing zijn?
Antwoord
Op moment van schrijven is de eindversie van de verordening nog niet bekend. De verwachting
is dat de verordening in het najaar wordt gepubliceerd. Op basis van het onderhandelingsresultaat
gaat het kabinet ervan uit dat bepaalde artikelen, die geen tot weinig wijziging van
regelgeving of beleid behoeven, direct van toepassing worden op moment dat de verordening
in werking treedt. Het gaat dan onder andere om bepalingen inzake de definitie van
terugkeer, de juridische grondslag voor de terugkeer- of transithub, het waarborgen
van fundamentele rechten en de externe dimensie. De overige artikelen worden één jaar
na inwerkingtreding van toepassing.
De verordening maakt ook de overdracht van gezinnen met minderjarigen naar een terugkeer-
of transithub mogelijk, terwijl dit in het oorspronkelijke Commissievoorstel uitdrukkelijk
was uitgesloten.
Vraag 33
Kan de Minister bevestigen dat Nederland van deze mogelijkheid gebruik wil maken?
Op welke manier wordt daarbij toegezien op voorzieningen voor gezinnen?
Antwoord
Door de nieuwe terugkeerverordening worden de terugkeermogelijkheden uitgebreid en
wordt een solide juridische basis gecreëerd voor de ontwikkeling van terugkeer- en
transithubs. Dit sluit aan bij de inzet van het kabinet op meer innovatieve oplossingen
om meer grip te krijgen op migratie. De verordening biedt de mogelijkheid om ook gezinnen
met minderjarigen terug te sturen naar een transit- en terugkeerhub. Dit acht het
kabinet van belang om te voorkomen dat de kwetsbare positie van minderjarigen wordt
misbruikt om de terugkeerprocedure te frustreren. De concrete invulling van het concept
moet nog nader worden uitgewerkt, ook in samenwerking met andere lidstaten. Het is
van belang te benadrukken dat teugkeer- en transithubs aan Europese wetgeveing, internationale
mensenrechten standaarden en aan principes van het internationaal recht moeten voldoen,
zoals ook in de verordening is vastgelegd.
Ten aanzien van terugkeerhubs vragen deze leden de Minister de actuele stand van zaken
te schetsen van de Nederlandse inzet op terugkeerhubs en het veilig-derde-landconcept,
sinds zijn brief aan de Kamer van mei 2026 (Kamerstuk 22 112, nr. 4327).
Vraag 34
Welke rol vervult Nederland binnen de kopgroep (Nederland, Duitsland, Oostenrijk,
Denemarken, Zweden en Griekenland) en welke concrete toezeggingen of inzet heeft Nederland
tot nu toe gepleegd? Is binnen de kopgroep reeds sprake van afspraken over financiën,
locaties en andere aanverwante zaken en, zo ja, hoe luiden deze en welke verplichtingen
brengt dat voor Nederland met zich? Indien nog niet overeengekomen en/of nog vertrouwelijk:
op basis van welke criteria wordt deze naar verwachting vormgegeven en kan dit worden
betrokken bij de technische briefing op 10 september 2026?
Antwoord
Nederland werkt in de kopgroep samen met de andere lidstaten om een terugkeerhub te
operationaliseren. In de kopgroep wordt gesproken over mogelijke partnerlanden, wordt
besproken op welke manier een terugkeerhub onderdeel kan zijn van een brede, wederkerige
samenwerking, en wordt overlegd over de mogelijke modaliteiten voor de inrichting
van een hub. Ook is de kopgroep in verkennende gesprekken met mogelijke partnerlanden.
De precieze invulling van een terugkeerhub is mede-afhankelijk van partnerlanden.
Het is belangrijk dat dit proces zorgvuldig, en vertrouwelijk wordt vormgegeven. Uw
Kamer wordt over de voortgang verder geïnformeerd tijdens de vertrouwelijke technische
briefing van 10 september as.
De Deense en Oostenrijkse bewindspersonen spreken van principeovereenkomsten vóór
het einde van het jaar en de Duitse Minister wil uiterlijk eind 2026 afspraken met
derde landen, met het oog op operationele hubs in 2027.
Vraag 35
Hanteert Nederland eenzelfde concrete einddatum en acht de Minister 2027 haalbaar?
Zijn naar het oordeel van de Minister verdere aanpassingen van de Vreemdelingenwet
2000 of andere nationale wetten nodig om terugkeerhubs operationeel en juridisch houdbaar
te laten zijn? En, zo ja, wanneer verwacht hij deze wetswijziging in consultatie te
brengen?
Antwoord
De Europese kopgroep die momenteel de mogelijkheden verkend voor het operationaliseren
van een terugkeerhub is voornemens om voor het einde van het jaar een concreet resultaat
te kunnen laten zien met een derde land. Er is geen aanpassing in de nationale wetgeving
noodzakelijk voor het juridisch houdbaar inrichten en operationaliseren van een terugkeerhub.
In het kader van het Britse Rwanda-plan zijn verschillende centra gebouwd, waarbij
het Verenigd Koninkrijk al honderden miljoenen euro’s zou hebben uitgegeven, zo merken
de leden van de JA21-fractie op.
Vraag 36
Ziet de Minister mogelijkheden om gebruik te maken van het «voorwerk» en/of de voorzieningen
die daaraan al zijn uitgegeven, om vergelijkbare afspraken te maken dan wel deze faciliteiten
te benutten voor het inrichten van een terugkeerhub? Welke lessen heeft de Minister
getrokken uit het verloop van deze plannen en ook de plannen die Italië heeft met
centra in Albanië?
Antwoord
De ontwikkeling en operationalisering van een terugkeerhub gebeurt niet in een vacuüm.
Vanzelfsprekend kijkt het kabinet naar bruikbare voorbeelden voor de Nederlandse positiebepaling.
De precieze invulling van een terugkeerhub is mede-afhankelijk van partnerlanden.
Het kabinet kan niet vooruitlopen op dit diplomatieke traject.
Vraag 37
Hoeveel van de vier maal 10 miljoen euro per jaar (voor de jaren 2025–2028) voor migratiepartnerschappen
is beschikbaar voor terugkeer en terugkeerhubs? Kan de Minister bevestigen dat hij,
indien sprake is van meerkosten, hiertoe een voorstel zal doen aan de Kamer?
Antwoord
Tot en met 2028 is er op begroting van JenV voldoende dekking voor de operationalisering
van een eerste pilot voor innovatieve oplossingen.
Voornoemde leden merken op dat de Minister meldde dat er tevens geld zou worden vrijgemaakt
in de BHO-begroting voor het realiseren van terugkeerhubs en dat BHO-programmering
wordt ingezet om tegemoet te komen aan de ontwikkelbelangen van (beoogde) partnerlanden.
Vraag 38
Kan de Minister ondanks de voorbereidende fase een indicatieve bandbreedte geven van
de omvang van de BHOS-/ODA-middelen die met de realisatie van terugkeerhubs gemoeid
zullen zijn? Welke vormen van deze eventuele extra fondsen kwalificeren volgens de
OESO-DAC-richtlijnen als ODA en op welke grondslag?
Antwoord
De ontwikkeling van terugkeerhubs zal worden ingebed in de brede relatie met de betreffende
landen. Om aan gebalanceerde partnerschappen te werken waarin ook oog is voor de belangen
van de partner, zal ook BHOS-programmering worden ingezet om in de ontwikkelbelangen
van de beoogde partners tegemoet te kunnen komen, waar mogelijk aansluitend op EU-inzet.
Die behoeftestelling moet nog plaatsvinden en een indicatieve bandbreedte van de omvang
van de BHOS-/ODA-middelen die met de realisatie van terugkeerhubs gemoeid zullen zijn
kan dan ook nog niet gegeven worden. De middeleninzet zal vanaf 2027 plaatsvinden
en hangt met name af van de behoeften van potentiële partnerlanden. Dit kan dus ook
andere thema’s dan migratie beslaan. Daarbij blijft het uitgangspunt dat ODA-financiering
voldoet aan de OESO-DAC criteria voor ontwikkelingssamenwerking.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie -
Mede ondertekenaar
M.C. Burger, adjunct-griffier