Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ten Hove over het bericht: “Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies”
Vragen van het lid Ten Hove (Groep Markuszower) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het bericht «Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies» (ingezonden 22 juli 2026).
Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
2 september 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2623.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de mening dat de genoemde verpachtingsregeling zorgt voor een machtspositie
voor terrein beherende organisaties, waarbij ten koste van andere welwillende boeren,
de overheid bepaalde bedrijfsconstructies bevoordeelt? Indien nee, waarom niet?
Antwoord 2
Nee, die mening deel ik niet. Landbouwgronden worden door diverse grondeigenaren verpacht,
zoals door terreinbeherende organisaties en overheden, maar ook door voormalige melkveehouders
of akkerbouwers, landgoedeigenaren, verzekeringsmaatschappijen, kerken en andere (particuliere)
eigenaren van landbouwgronden.
De voorwaarden waaraan door overheden voldaan moet worden bij het uitgeven van pachtgrond
is in de jurisprudentie verder vormgegeven. Uit het Didam I-arrest (2021) volgt dat
overheden objectieve, toetsbare en redelijke criteria moeten opstellen voor het selecteren
van een nieuwe pachter in een openbare inschrijving. Particuliere verpachters zoals
Natuurmonumenten en andere particuliere natuurbeheerders zijn niet gebonden aan de
Didam I voorwaarden en hebben meer vrijheid in het bepalen op welke wijze zij hun
gronden uitgeven.
Staatsbosbeheer is als overheidsorganisatie bij het verpachten van grond wel gebonden
aan de Didam-I voorwaarden. Staatsbosbeheer hanteert onder andere criteria op het
gebied van afstand, kennis en opleiding, certificaten, ervaring met agrarisch natuur-
en landschapsbeheer (ANLb) of met particulier natuurbeheer (SNL) en het meedoen aan
ecoactiviteiten, omdat ze beheer van natuurpercelen over willen laten aan agrariërs
die hier ervaring mee hebben en het ook in hun eigen bedrijfsvoering willen toepassen.
Vraag 3
Klopt het beeld dat door de gunning van pachtrechten aan specifieke boeren (biologisch,
extensief, et cetera) in gebieden aangrenzend aan Natura 2000-gebieden er de facto
een subsidieregeling voor deze boeren is gecreëerd in plaats van een maatregel om
doorsnee boeren te compenseren voor geleden derving van inkomsten door overheidsbeleid?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Dat beeld klopt niet. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 2 is de regelgeving
rond gunning van pacht voor overheden strenger dan voor andere organisaties en particulieren.
Zowel overheden als andere organisaties vragen een marktconforme pachtprijs gekoppeld
aan de beheervereisten op de natuurpercelen en er is dus geen sprake van een verkapte
subsidie. Alleen de gunning zal door overheden via openbare inschrijving en zo nodig
een puntensysteem worden vormgegeven. Bij Staatsbosbeheer zijn de criteria voor pacht
van natuurpercelen mede gerelateerd aan de ervaring met natuurinclusieve landbouw.
Vraag 4
Deelt u de mening dat de subsidie is vastgesteld voor de inkomstenderving van een
gemiddeld bedrijf van 121 melkkoeien op 60 hectare, maar in de praktijk dus uitgekeerd
wordt aan boeren die door hun bedrijfskeuzes die inkomstenderving niet kennen? Zo
nee, waarom niet?
Antwoord 4
Het klopt dat de berekening van de WUR voor de vergoedingen in de subsidieregeling
Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden is gebaseerd op
een gemiddeld melkveehouderijbedrijf in de zone rond stikstofgevoelige Natura 2000
gebieden. Het gemiddelde bedrijf heeft 2 melkkoeien per hectare en berekend is dat
bij 150 kg N/ha in productie- en bemestingsvolume dit teruggaat naar gemiddeld 1 melkkoe
per hectare en bij 100 kg N/ha naar gemiddeld 0,7 melkkoe per hectare.
Ook biologische bedrijven kunnen gederfde inkomsten per hectare hebben doordat zij
een stap zetten van gemiddeld 170 kg N/ha naar 150 of 100 kg N/ha, maar de inkomstenderving
per hectare is minder dan voor een gangbare boer. Een deel van de aanvragers is inderdaad
biologisch. Bij de Natura 2000 overgangsgebieden ging het om ca. 55% van de aanvragers
bij de eerste openstelling. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de beantwoording
van de vragen van de SGP.2 Na deze beantwoording heeft een aanscherping plaatsgevonden en zijn ook minimale
reductievereisten opgenomen voor productie- en bemestingsvolume per hectare.
Vraag 5
Deelt u de mening dat het beeld over de goede inkomens van deze zogenaamde «voorbeeldboeren»
zwaar is vertroebeld door de grote hoeveelheid (verkapte) subsidie die zij door overheidskeuzes
ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Nee, ik deel deze mening niet. In 2025 waren er 544 biologische melkveehouderijbedrijven
(ca. 4,1%). Ongeveer een vijfde daarvan doet mee met de eerste openstelling van de
regeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden. Daarnaast
is subsidie via verpachten niet aan de orde, zie het antwoord bij vraag 2.
Deze regeling is tijdelijk (t/m 2028). Het is een bewuste keuze dat ook koplopers,
zoals biologische bedrijven, in een samenwerkingsverband mee kunnen doen. De inschatting
vooraf was dat koplopers de trekker zullen zijn van de samenwerkingsverbanden en daarin
anderen ook meenemen.
Vraag 6
Kunt u aangeven welk doel de subsidie «Samenwerking in veenweidegebieden en Natura
2000-overgangegebieden. Categorie 3: Extensivering in en rond stikstofgevoelige Natura
2000-gebieden» exact dient? Bent u van mening dat dit doel daadwerkelijk wordt behaald
en is er geen sprake is van vertroebeling van het subsidiedoel?
Antwoord 6
Het doel bij stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden is de reductie van de veldemissies
van ammoniak door extensivering van melkveehouderij- en akkerbouwbedrijven in en rond
stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden en daarmee de biodiversiteit in en rond stikstofgevoelige
Natura 2000 gebieden te versterken. Door de extensievere bedrijfsvoering komt er meer
ruimte op de percelen en op het bedrijf voor meer en zwaardere pakketten agrarisch
natuur- en landschapsbeheer.
De rangschikking van de samenwerkingsverbanden hangt onder andere af van:
– het niveau van het productie en bemestingsvolume (100 of 150 kg N/ha),
– de hoeveelheid weidegang per melkveehouderijbedrijf,
– het wel of niet kiezen voor alleen gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen van de
SKAL-inputlijst per akkerbouwbedrijf
– de afstand van de percelen van het samenwerkingsverband tot het stikstofgevoelige
Natura 2000 gebied.
De monitoring van de effecten van deze regeling zal zich hier dan ook op richten.
De verwachting is dat de doelen gehaald gaan worden, omdat alle deelnemende bedrijven
een reductie bereiken in de veldemissies ammoniak en ongeveer de helft van de bedrijven
van gangbare naar extensieve bedrijfsvoering omschakelen.
Vraag 7
Wat is uw reactie op de analyse van Stichting Agri Facts over uw reactie dat «Bij
het opstellen van de regeling is bewust gekozen voor openstelling in de overgangsgebieden
rondom Natura 2000-gebieden, omdat juist daar de opgave voor extensivering het grootst
is. Van boeren in de nabijheid van Natura 2000-gebieden wordt de komende jaren juist
meer gevraagd dan van andere agrariërs. De regeling biedt daarom geen voordeel, maar
is bedoeld om deze extra opgave te ondersteunen en de overgang naar een meer extensieve
bedrijfsvoering mogelijk te maken»? Indien de analyse in uw ogen niet juist is, kunt
u dit dan specifiek toelichten?
Antwoord 7
De analyse is deels juist, maar het was een bewuste keuze, zoals al in antwoord 5
is toegelicht. Ongeveer de helft van de deelnemers in de Natura 2000 overgangsgebieden
is biologisch. Ook zij moeten nog een stap zetten van 170 kg N/ha naar 150 of 100
kg N/ha. Dat is minder gederfde inkomsten per hectare dan voor gangbare boeren. De
biologische en gangbare boeren werken in de samenwerkingsverbanden juist samen om
hun kennis en ervaring met extensieve landbouw te delen.
Vraag 8
Welke maatregelen gaat u nemen om deze onterechte bevoordeling van deze «voorbeeldboeren»
ten opzichte van gemiddelde boeren op te heffen?
Antwoord 8
De subsidie is gericht op samenwerkingsverbanden waarin zowel koplopers als gangbare
boeren kunnen zitten. Het is een bewust keuze geweest om koplopers aan deze tijdelijke
regeling te laten deelnemen. De regeling is bij de tweede tranche al aangepast door
op bedrijfsniveau ook minimale reductievereisten op te nemen. Er is nu geen aanleiding
om de vergoedingensystematiek aan te passen.
Vraag 9
Welke (verdere) maatregelen gaat u nemen om de achtergestelde marktpositie van boeren
die verder van een Natura 2000-gebied hun bedrijf uitbaten te vereffenen met de marktpositie
van de genoemde voorbeeldboeren?
Antwoord 9
Pacht is geen subsidie, want er wordt een marktconforme pachtprijs gevraagd, passend
bij de beperkingen in het gebruik van de grond die worden gesteld. De gunning bij
verpachten van natuurpercelen is aan de verpachter. Ik zal daarom geen verdere maatregelen
nemen.
Vraag 10
Wilt u deze vragen beantwoorden minimaal één dag voor aanvang van het commissiedebat
ontwerpNatuurplan op 3 september aanstaande?
Antwoord 10
Ja.
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.