Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Coenradie over het bericht ‘OM over racistische uitingen naar Oranjespelers: ‘Discriminatiezaken hebben prioriteit’
Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «OM over racistische uitingen naar Oranjespelers: «Discriminatiezaken hebben prioriteit»» (ingezonden 3 juli 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 1 september 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2604.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) naar aanleiding van
de racistische uitingen richting spelers van het Nederlands elftal heeft aangegeven
dat discriminatiezaken prioriteit hebben?1
Antwoord 1
Ja ik ben bekend met dit bericht.
Vraag 2
Hoe verhoudt de prioritering van het OM zich tot de bevindingen van de Algemene Rekenkamer
dat jaarlijks duizenden ernstige misdrijven, waaronder High Impact Crimes, niet of
niet tijdig worden opgepakt wegens capaciteitsgebrek?
Antwoord 2
Zoals ik in mijn reactie op het conceptrapport van de Algemene Rekenkamer (hierna:
AR) over prioritering in de opsporing heb toegelicht is de prioritering in de opsporing
gelaagd, afhankelijk van meerdere factoren en bedoeld om doelen van rechtsstatelijke
en maatschappelijke aard te dienen. Het maken van keuzes in de opsporing kent bij
uitstek een veelheid aan dimensies, ook vanwege de aard van ons politiebestel. Naast
landelijke criminaliteitsbeelden en fenomeenanalyses, spelen bijvoorbeeld ook regionale
en lokale context een belangrijke rol. Prioritering in de opsporing is dan ook een
doorlopend gesprek dat constante bijsturing vereist op nieuwe fenomenen.
De Aanwijzing voor de opsporing van het OM en het screenings- en selectiviteitskader
geven belangrijke richting bij de prioritering. Zoals hierboven aangegeven speelt
de lokale context een belangrijke rol. Keuzes in de opsporing worden onder andere
gemaakt tegen de achtergrond van het criminele speelveld binnen het werkgebied van
een team of het criminaliteitsbeeld van een district. Verder moet onder meer rekening
worden gehouden met de per definitie schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit,
de kansrijkheid en noodzaak van strafrechtelijk ingrijpen ten opzichte van andere
interventies, de individuele belangen van verdachten en slachtoffers en de eventuele
geschokte rechtsorde. Het OM dient een balans te vinden tussen het zorgdragen voor
een reële en voldoende aanwezige strafrechtelijke handhaving en het gegeven dat niet
elk individueel strafbaar feit tot een strafrechtelijke interventie kan leiden.
Dat specifiek het discriminatiebeleid is geprioriteerd bij het OM volgt uit de Aanwijzing
discriminatie (2025A003). Daarin staat onder meer dat de politie in beginsel elke
aangifte van discriminatie opneemt en dat er na elke aangifte een opsporingsonderzoek
volgt. Discriminatie is in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem,
waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen.2 De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals
de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in principe aangifte-gedreven
werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kan het OM ook deze zaken geprioriteerd
oppakken, naast andere prioriteiten.
Vraag 3
Kan het OM een overzicht verstrekken van delicten en zaakstromen die momenteel als
prioriteit of topprioriteit worden aangemerkt?
Antwoord 3
In aanvulling op het antwoord op vraag 2 over hoe de prioritering tot stand komt,
geldt dat er verschillende bestuurlijke afspraken over de prioritering van criminaliteitsfenomenen
zijn. Deze betrekt het OM bij de keuzes die het maakt in de prioritering. In het Bestuurlijk
Ketenberaad hebben ketenorganisaties samen met het ministerie afgesproken dat er drie
geprioriteerde zaakstromen zijn in de periode van 2022 tot en met 2027 op het gebied
van doorlooptijden: jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit.
In het kader van de Veiligheidsagenda3 2023–2026 zijn er landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering
van de politie vastgesteld op de volgende criminaliteitsfenomenen: ondermijning en
georganiseerde criminaliteit, mensenhandel en cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit,
waaronder online seksueel kindermisbruik. In die Veiligheidsagenda is ook aangegeven
dat deze keuzes niet afdoen aan dat de inzet van de politie op andere thema’s, zoals
discriminatie. Eerder heb ik u geïnformeerd over dat besprekingen in het Landelijk
Overleg Veiligheid en Politie hebben geleid tot breed draagvlak onder het OM, de regioburgemeesters
en de politie voor vaststelling van de volgende thema’s in de Veiligheidsagenda 2027–2030:
ondermijning en georganiseerde criminaliteit, cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit
(waaronder online seksueel kindermisbruik), relationeel geweld en geweld in afhankelijkheidsrelaties
(met name geweld tegen vrouwen, waaronder femicide) en mensenhandel.4 Op dit moment wordt bij de uitwerking van deze thema’s focus aangebracht en worden
concrete landelijke doelstellingen geformuleerd. Uw Kamer wordt in het najaar geïnformeerd
over de nieuwe Veiligheidsagenda.
Naast deze bestuurlijk tussen ketenpartners vastgestelde prioriteiten zijn er binnen
het strafvorderingsbeleid van het OM ook aandachtsgebieden die blijvend aandacht krijgen.
Denk daarbij aan het beleid rondom Veilige Publieke Taak en de aanpak van (online)
discriminatie. Bij dat type delicten krijgt de prioritering vorm door bijvoorbeeld
het eisen van hogere straffen.
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat slachtoffers van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven
vaak jarenlang de gevolgen van deze feiten ondervinden en dat de opsporing en vervolging
van dergelijke feiten altijd tot de hoogste prioriteiten van politie en OM zouden
moeten behoren?
Antwoord 4
Vanzelfsprekend heeft de opsporing en vervolging van ernstige gewelds-, zeden- en
vermogensmisdrijven grote aandacht van politie en OM. Dat betekent niet dat andere
feiten, zoals de aanpak van ondermijning, online seksueel misbruik, etc. anders geprioriteerd
dienen te worden. Het OM tracht daarbij steeds om de juiste zaken, in passende volumes
en in verhouding tot het criminaliteitsbeeld te laten instromen en deze adequaat en
voortvarend te vervolgen, om daarmee aan meer slachtoffers en verdachten sneller recht
te doen.
Vraag 5
Bent u bereid in overleg met het OM te bezien of High Impact Crimes expliciet als
topprioriteit kunnen worden aangemerkt binnen de bestaande capaciteitsverdeling?
Antwoord 5
High Impact Crimes is een verzamelnaam voor delicten als geweldsmisdrijven, woninginbraak,
overvallen en straatroof. De Aanwijzing voor de opsporing, dat beleid van het OM is,
bepaalt dat het uitgangspunt in High Impact Crimes is dat in principe altijd een opsporingsonderzoek
dient te worden ingesteld waarbij beslissingen door de politie altijd in afstemming
met het OM dienen te worden genomen. Ik meen dat hiermee in het beleid van het OM
voldoende prioriteit aan deze zaken wordt gegeven en zie geen aanleiding om hier aanvullend
over met het OM in gesprek te gaan.
Vraag 6 en 7
Hoe weegt u de inzet van schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit tussen online
discriminatiezaken enerzijds en ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven anderzijds?
Kunt u garanderen dat de inzet van politie- en OM-capaciteit voor het opsporen en
vervolgen van de racistische uitingen richting de Oranjespelers niet ten koste gaat
van de aanpak van ernstige misdrijven, zoals gewelds-, zeden- en andere High Impact
Crimes? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6 en 7
Zoals in vraag 2 toegelicht is discriminatie in omvang en aantallen een groot maatschappelijk
probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen. De drempel
om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans.
Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in beginsel aangifte-gedreven werkt
en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kunnen de politie en het OM ook deze
zaken geprioriteerd oppakken.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid