Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over de verlenging mestuitrijd-seizoen
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over verlenging mestuitrij-seizoen (ingezonden 5 augustus 2026).
Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
13 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u op de hoogte van gevolgen van de droogte en warmte voor het uitrijden van mest?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Bent u ervan op de hoogte dat een droge bodem de opname remt van meststoffen doordat
mineralisatie en nutriëntentransport stagneren?
Bent u ervan op de hoogte dat planten voedingsstoffen niet kunnen oplossen of opnemen
via de wortels en het uitrijden van drijfmest op harde, droge grond zorgt voor extra
scheurvorming, gasverlies (ammoniakemissie) en verzouting rond de wortels?
Antwoord 2 en 3
Ja, door suboptimale vochtvoorziening wordt de groei van een gewas beperkt. Daarnaast
kan het uitrijden van drijfmest op droge grond inderdaad zorgen voor meer gasverlies
en verzouting rond de wortels. Deze emissies zijn onder natte en koude omstandigheden
lager dan onder de huidige droge en warme omstandigheden. Ook kan het voorkomen dat
het toedienen van drijfmest onder droge omstandigheden bijdraagt aan extra scheurvorming
op met name klei- en veengronden.
Vraag 4 en 5
Bent u ervan op de hoogte dat meststoffen essentieel zijn voor de groei van gras en
gewassen?
Acht u voedselproductie en voedselzekerheid van het grootste belang voor de weerbaarheid
en stabiliteit in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4 en 5
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid
en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard
een cruciale bijdrage aan.
Voor de groei van gewassen is het toedienen van voldoende nutriënten van belang. De
opname van nutriënten wordt bepaald door een combinatie van neerslag, vochtleverend
vermogen van de bodem en het gewastype. Het huidige neerslagtekort heeft een negatieve
invloed op de gewasproductie door de verminderde opname van nutriënten.
Vraag 6 en 7
Bent u ervan op de hoogte dat bij een gebrek aan mineralen en nutriënten oogsten minder
opbrengen en de voedselproductie kan stagneren dan wel oogsten kunnen mislukken?
Vindt u dit wenselijk? Zo ja, waarom?
Antwoord 6 en 7
De opname van nutriënten door gewassen is essentieel voor de gewasopbrengsten. Droogte
kan zorgen voor lagere opbrengsten. Het is uiteraard niet wenselijk dat oogsten mislukken.
Vraag 8 en 9
Deelt u de opvatting dat het vanuit zowel landbouwkundig als milieukundig oogpunt
onwenselijk is wanneer agrariërs vanwege een vaste einddatum voor het uitrijden van
mest feitelijk worden gedwongen mest uit te rijden op een moment waarop de weers-
en bodemomstandigheden daarvoor ongunstig zijn, terwijl uitstel tot gunstigere omstandigheden
kan leiden tot een betere benutting van nutriënten en minder verliezen naar het milieu?
Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat kalenderlandbouw moet worden voorkomen en dat de daadwerkelijke
weers- en bodemomstandigheden leidend zouden moeten zijn bij het bepalen van het moment
voor het uitrijden van mest? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8 en 9
De uitrijdperiodes voor dierlijke mest op bouwland en grasland zijn geregeld in Besluit
activiteiten leefomgeving (Bal) en komen voort uit een verplichting vanuit de Europese
Nitraatrichtlijn en richten zich op het doel om een goede grond- en oppervlaktewaterkwaliteit
te bewerkstelligen. De kalenderlandbouwmaatregel voor het inzaaien van vanggewassen
is opgenomen in het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn en is daarmee onderdeel van de afspraken die zijn
gemaakt met de Europese Commissie over dit actieprogramma.
Het hanteren van een uitrijdperiode heeft tot doel om de uitspoeling van nutriënten
uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te beperken. Dit brengt met zich
mee dat het zinvol is om uitrijdperiodes te reguleren, binnen welke de dierlijke mest
mag worden uitgereden en optimaal kan worden benut door de gewassen. In sommige jaren
leidt dit tot problemen voor de landbouwpraktijk, waarbij weers- en bodemomstandigheden
het uitrijden van dierlijke mest kunnen beperken met als gevolg dat de agrariër mogelijk
onvoldoende ruimte heeft om de gewassen optimaal te voorzien van dierlijke meststoffen.
Het vaststellen van uitrijddata is echter noodzakelijk vanuit milieukundig oogpunt,
waar slechts bij hoge uitzondering van kan worden afgeweken mits hiertoe een landbouwkundige
noodzaak is en er geen nadelige milieukundige effecten zijn.
Vraag 10
Bent u ervan op de hoogte dat in 2024 het mestuitrijseizoen in 2024 ook is verlengd
vanwege weersomstandigheden in die zomer?
Antwoord 10
Vanwege de extreem natte weersomstandigheden vanaf het najaar 2023 tot en met het
voorjaar van 2024 konden agrariërs niet tijdig alle dierlijke mest binnen de beschikbare
gebruiksruimte plaatsen. Vanwege deze extreme weersomstandigheden in het voorjaar
is op basis van een advies van een Expertcommissie, samengesteld uit wetenschappers
op het vlak van waterkwaliteit, plantengroei, het KNMI en vertegenwoordigers van sectorpartijen,
besloten om de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland te verlengen van
31 augustus naar 15 september1.
Vraag 11
Bent u bereid om zich in te spannen om het mestuitrij-seizoen dat tot 31 augustus
duurt, te verlengen en daarvoor de Commissie Deskundigen Meststoffen per omgaande
(met de grootste spoed) een advies te vragen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
Voor een uitstel van de uitrijddata dierlijke mest moet een afweging worden gemaakt
tussen de weersomstandigheden en hoe zich dit ontwikkelt tot en met eind augustus,
het effect van eventueel verlengen van de uitrijddata op de waterkwaliteit (en andere
milieukundige aspecten) en de landbouwkundige noodzaak voor de gewasgroei om de uitrijddata
te verlengen. In het verleden zijn in enkele jaren uitrijddata verlengd vanwege droogte
(2018, 2021) of juist natheid in het betreffende jaar (2024, zie antwoord vraag 10).
Ook zijn in andere jaren verzoeken gedaan, waarbij bovengenoemde afweging niet leidde
tot een uitstel van uitrijdperiodes. Bij een uitstel van een uitrijdperiode voor dierlijke
mest moet in ieder geval de Europese Commissie worden geïnformeerd, omdat hiermee
wordt afgeweken van eerdere afspraken over de vastgestelde uitrijddata.
Naast uw vragen heeft LTO Nederland op 11 augustus jongstleden een verzoek gedaan
voor het verlengen van de uitrijdperiode voor aanwending van mest op grasland.
Ik zal de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) vragen om een advies voor de
verlenging van de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland. Verder blijf
ik de weers- en bodemomstandigheden monitoren en daarbij blijf ik in nauw contact
staan met de sector. Zodra de CDM een advies heeft opgesteld zal ik op basis van dit
advies een afweging maken over een eventuele verlenging van de uitrijdperiode van
dierlijke mest. Indien ik zal besluiten tot een eventuele verlenging van de uitrijdperiode,
zal ik uw Kamer daarover informeren.
Vraag 12
Kunt u deze vragen, gezien de tijdsdruk, per omgaande beantwoorden, doch uiterlijk
vrijdag 7 augustus?
Antwoord 12
De beantwoording is zo spoedig als mogelijk naar uw Kamer verzonden.
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.