Schriftelijke vragen : Het wolven – en natuurbeleid
Vragen van het lid Kostic (PvdD) aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het wolven- en natuurbeleid (ingezonden 4 augustus 2026).
Vraag 1
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat we in een biodiversiteitscrisis zitten
(zie onder andere de gezamenlijke conclusies van het Intergouvernementeel Wetenschaps-
en Beleidsplatform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) en het Intergovernmental
Panel on Climate Change (IPCC))? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert
u zich dan?
Vraag 2
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat wolven een belangrijke bijdrage kunnen
leveren aan herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland en daarmee bijdragen
aan een gezondere en veiligere toekomst voor de mens? Zo nee, op welke wetenschappelijke
bronnen baseert u zich?
Vraag 3
Bent u bereid om te werken aan initiatieven die meer bekendheid geven aan de positieve
bijdrage van wolven voor Nederland? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 4
Kunt u bevestigen dat wetenschappers van onder andere het Planbureau voor de Leefomgeving
(PBL) aangeven dat Nederland meer ruimte moet maken voor natuur?
Vraag 5
Hoeveel schapen houden we in Nederland en hoeveel worden er per jaar geslacht? Hoeveel
daarvan is voor de export?
Vraag 6
Kunt u bevestigen dat Nederland het meest veedichte land is van Europa?
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat daar iets aan moet veranderen en er zo meer ruimte moet komen
voor natuur en in het wild levende dieren, zoals wolven? Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Kunt u met de Kamer delen met welke diersoorten het niet goed gaat, welke extra maatregelen
er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om die negatieve trend aantoonbaar
te keren en welke tijdlijn daarbij hoort, aangezien er een duidelijke opdracht vanuit
de Kamer ligt (motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 21 501–08, nr. 942)) aan het kabinet om met maatregelen te komen om ervoor te zorgen dat de negatieve
trend voor verschillende dierpopulaties zo snel mogelijk wordt gekeerd en dat er extra
maatregelen worden getroffen om aan alle bestaande natuurafspraken te voldoen? Kunt
u met de Kamer ook delen aan welke bestaande (Europese) afspraken rondom natuur het
kabinet nog niet voldoet, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen
en worden genomen om hier alsnog aan te voldoen en welke tijdlijn daarbij hoort?
Vraag 9
Erkent u dat het belangrijk is dat we leren samenleven met de wolven en dat de overheid
een cruciale rol speelt in het faciliteren daarvan? Zo nee, waarom niet?
Vraag 10
Deelt u de opvatting dat samenleven met de wolf betekent dat wij mensen ons ook aanpassen
aan de aanwezigheid van wolven in Nederland, zoals we ons ook aanpassen aan andere
dieren (denk aan broedende vogels, zwanen met kleintjes, et cetera)? Welke wettelijke
of bestuurlijke aanpassingen, bijvoorbeeld in ruimtelijke ordening of recreatiegedrag,
gaat u in dat kader nemen?
Vraag 11
Deelt u de opvatting dat het uitbreiden van het natuurareaal en wegwerken van de versnippering
van natuur in Nederland de kans kleiner zou maken op zogenaamde «probleemsituaties
met een wolf»? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijk bronnen baseert u
zich? Zo ja, bent u bereid zich daar meer voor in te zetten en wat gaat u concreet
extra doen?
Vraag 12
Erkent u dat de algemene maatregel van bestuur (AMvB) wel nieuwe beoordelingsregels
introduceert voor de begrippen «probleemwolf» en «probleemsituatie met een wolf»,
maar niet concreet vastlegt welk handelingsprotocol geldt wanneer zich morgen een
incident met een wolf voordoet? Zo nee, waarom niet?
Vraag 13
Worden onafhankelijke wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts gevraagd
om advies bij verdere invulling van de AMvB en wordt dit advies leidend? Zo nee, waarom
niet? Hoe ziet de tijdlijn voor het vervolgproces eruit?
Vraag 14
Kunt u per situatie aangeven welke landelijke scenario’s, draaiboeken of protocollen
inmiddels gereed zijn voor situaties, zoals: een wolf nabij bebouwing, een wolf bij
honden, een wolf bij goed beschermd vee, een wolf op of nabij een speelplek, een wolf
die een mens verwondt? Wie gaat in zulke gevallen ter plaatse? Wie stelt de feiten
vast? Wie duidt het gedrag van de wolf? Wie communiceert met omwonenden en wie neemt
het besluit om op te schalen? Hoe wordt geborgd dat de betrokkenen geen jagersbelangen
hebben?
Vraag 15
Is het uitgangspunt om alles te doen om te voorkomen dat wolven moeten worden gedood
en dat dus eerst alle alternatieven moeten zijn uitgeprobeerd? Zo nee, waarom wordt
gemakzuchtig omgegaan met het doden van een prachtig dier dat recht heeft op ruimte
in Nederland?
Vraag 16
Klopt het dat door de gewijzigde beschermingsstatus verjaging of verstoring van wolven
in bepaalde situaties zonder omgevingsvergunning kan plaatsvinden, maar dat daarbij
nog steeds de specifieke zorgplicht geldt? Hoe voorkomt u dat deze wijziging in de
praktijk wordt opgevat als een vrijbrief voor burgers, dierhouders of andere partijen
om zelfstandig wolven te verjagen?
Vraag 17
Welke middelen zijn volgens u toegestaan om wolven te verjagen? Wie mag die middelen
inzetten? Onder wiens verantwoordelijkheid gebeurt dat? Wie handhaaft en wanneer komt
er een landelijk protocol voor zorgvuldige en deskundige aversieve conditionering?
Vraag 18
Kunt u zich herinneren dat de Raad van State erop heeft gewezen dat de rol, onafhankelijkheid
en expertise van de wolvendeskundige onvoldoende duidelijk waren uitgewerkt? Kunt
u aangeven aan welke harde criteria een onafhankelijke wolvendeskundige moet voldoen?
Hoe belangenverstrengeling met bijvoorbeeld jagers en agrarische sector wordt uitgesloten
en of provincies verplicht worden gebruik te maken van een landelijk deskundigenteam?
Vraag 19
Wanneer is duidelijk hoe dit deskundigenteam wordt samengesteld, welk mandaat het
krijgt, hoe het wordt gefinancierd en binnen welke termijn het na een incident ter
plaatse kan zijn?
Vraag 20
Bent u bereid om in lijn met de aangenomen motie-Podt/Kostic (Kamerstuk 33 576, nr. 438) een instructie mee te geven aan provincies om bij de oprichting van het landelijk
deskundigenteam mee te nemen in het advies van de kwartiermaker dat dit team multidisciplinair
moet zijn en de aanstelling van leden niet gebaseerd mag zijn op politieke voorkeuren,
maar gebaseerd moet zijn op objectieve profielen van deskundigheid en ervaring en
om te zoeken naar een organisatorische structuur die de onafhankelijkheid van het
team waarborgt? Zo nee, waarom niet?
Vraag 21
Kunt u bevestigen dat de Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat
in de toelichting een overtuigende motivering ontbreekt waarom een vergunning op voorhand
binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan
een individuele vergunning voor afschot van een «probleemwolf» en dat de Afdeling
ook opmerkt dat ook met een individuele vergunning snel en adequaat kan worden opgetreden?
Vraag 22
Waarom houdt u vast aan de mogelijkheid van een vergunning op voorhand voor het doden
van wolven die in toekomstige situaties mensen letsel toebrengen, terwijl de Raad
van State dus vragen heeft bij de meerwaarde, snelheid, rechtsbescherming en juridische
duiding van dit instrument?
Vraag 23
Kunt u alsnog een onderbouwde argumentatie geven waarom een vergunning op voorhand
binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan
een individuele vergunning voor afschot van een wolf? Kunt u daarbij concreet aangeven
hoeveel sneller de vergunning op voorhand in de praktijk zou werken dan een individuele
vergunning? Kunt u aangeven welke extra risico's op fouten daar tegenover staan?
Vraag 24
Aangezien de Raad van State zich afvraagt of de combinatie van het verlenen van de
vergunning op voorhand en het later «activeren» daarvan niet averechts kan werken,
doordat op twee momenten juridische procedures kunnen ontstaan, onderschrijft u dit
risico, en zo ja, hoe weegt u dit risico af tegen de beoogde snelheidswinst?
Vraag 25
Aangezien de Raad van State het een tekortkoming noemt dat het kabinet geen duidelijkheid
geeft over het rechtskarakter van de vaststelling dat een wolf letsel aan een mens
heeft toegebracht, kwalificeert u deze vaststelling als een zelfstandig appellabel
besluit, als een bestuurlijk rechtsoordeel of als een louter feitelijke handeling
en welke rechtsmiddelen staan in elk van die gevallen open voor belanghebbenden?
Vraag 26
Hoe waarborgt u dat ook bij gebruik van een koepelvergunning steeds een individuele,
feitelijke en ecologische beoordeling plaatsvindt, inclusief toetsing aan niet-dodelijke
alternatieven en de staat van instandhouding? Kunt u toelichten of en hoe u hier wetenschappers
bij gaat betrekken?
Vraag 27
Bent u bereid provincies te verzoeken geen koepelvergunning te verlenen of te gebruiken
zolang de juridische houdbaarheid, rechtsbescherming, onafhankelijke deskundigheid
en provinciale uitvoering niet aantoonbaar zijn geborgd? Zo nee, waarom niet?
Vraag 28
Bent u bereid om begrippen als «verstoring», «aversieve conditionering», «pogingen»,
«hetzelfde gebied» en «geïnteresseerd lijkt» alsnog nader te duiden in een ministeriële
regeling, beleidsregel of werkinstructie voor wolvendeskundigen en bevoegde gezagen,
om eenduidige toepassing tussen provincies te waarborgen en misbruik of rechtsonzekerheid
te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Hoe borgt u dan een eerlijke bescherming van de
wolven?
Vraag 29
Kunt u aangeven of het klopt dat nog steeds in meerderheid van gevallen van aanvallen
op landbouwdieren blijkt dat boeren hun dieren onvoldoende tot niet hadden beschermd?
Hoeveel aanvallen waren er op landbouwdieren afgelopen jaren en in hoeveel gevallen
hadden de boeren onvoldoende of geen maatregelen genomen om hun dieren te beschermen?
Kunt u de cijfers daarover per jaar (in de afgelopen vier jaar) met de Kamer delen?
Vraag 30
Kunt u ook delen hoeveel geld elk jaar is gegeven aan dierhouders ter compensatie
voor wolvenaanvallen?
Vraag 31
Wordt er op deze zorgplicht van dierhouders gehandhaafd? Hoeveel capaciteit staat
daarvoor ter beschikking? Hoe en hoe vaak wordt dan gecontroleerd en door wie? Kunt
u in details schetsen hoe dat precies in praktijk gaat?
Vraag 32
Hoe vaak zijn in afgelopen vier jaar straffen/boetes opgelegd aan boeren die hun landbouwdieren
niet volgens richtlijnen van experts hebben beschermd met wolfwerendemaatregelen en
dus niet aan hun zorgplicht hebben voldaan? Wat waren dan de straffen/boetes precies?
Vraag 33
Met welke extra maatregelen gaat u ervoor zorgen dat dierhouders hun dieren eindelijk
volgens adviezen van experts gaan beschermen en dus aan hun zorgplicht voldoen?
Vraag 34
Wanneer wordt het uitkeren van een schadevergoeding strikt gekoppeld aan naleving
van de preventienorm door dierenhouders? Kunt u een concrete tijdlijn schetsen? Zo
nee, waarom niet?
Vraag 35
Kunt u delen hoe de gesprekken met de provincies zijn verlopen over de rapporten die
ten gevolge van de aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33 576, nr. 436) zijn opgesteld? Welke concrete afspraken zijn er gemaakt? Was er ondersteuning van
het ministerie gewenst vanuit de provincies voor Europese aanvragen en is die ondersteuning
geboden? Zo ja, kunt u aangeven hoe vaak dit is voorgekomen?
Vraag 36
Welke rol van het ministerie is vastgelegd wat betreft de suggesties en conclusies
uit de rapporten? Kunt u een overzicht geven welke conclusies en suggesties uit de
rapporten zijn overgenomen en welke niet en uitleggen waarom wel en niet?
Vraag 37
Kunt u per jaar aangeven hoeveel geld er afgelopen vier jaar is besteed aan maatregelen
die helpen bij het leren samenleven met de wolf en het voorkomen van mens-wolfconflicten
en ook waar dat geld precies aan is besteed?
Vraag 38
Kunt u een overzicht geven hoeveel geld er binnen het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling (ELFPO), het Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE),
het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en Horizon Europa beschikbaar
is en hoeveel er in de afgelopen jaren (per jaar) in Nederland is benut, specifiek
óók voor preventie van wolf-mensconflicten en betere bescherming van landbouwdieren
door veehouders, ook per provincie?1
Vraag 39
Kunt u aangeven of uw verkenning naar aanleiding van aangenomen motie-Kostic c.s.
(Kamerstuk 33 576, nr. 436) ertoe heeft geleid dat meer houders van landbouwdieren hun dieren beter en volgens
officiële instructies zijn gaan beschermen? Wat heeft het kabinet precies gedaan in
het licht van de motie en wat waren de resultaten?
Vraag 40
Kunt u delen wat provincies hebben gedaan met uw oproep naar aanleiding van de aangenomen
motie-Kostic/Graus (Kamerstuk 33 576, nr. 437) om een tijdelijk stop in te stellen op beheer van en jacht op de belangrijkste prooien
van de wolf?
Vraag 41
Bent u bereid deze oproep opnieuw te doen aan de provincies en daar afspraken over
te maken, gezien uw leidende rol in het wolvenbeleid? Zo nee, waarom drukt u dan onder
het mom van «spoed» wel een AMvB zonder een debat door de Kamer, maar weigert u ervoor
te zorgen dat de meest basale, belangrijke maatregelen die wolf-mensconflicten kunnen
voorkomen (zoals het stoppen van jagen in bepaalde gebieden) worden genomen?
Vraag 42
Kunt u een overzicht geven van extra maatregelen die het kabinet heeft getroffen of
nog gaat treffen (met tijdlijn) in het kader van preventie van conflicten tussen mensen
en wolven en het leren samenleven met wolven, zoals (maar niet uitsluitend) goede
en wijdverspreide en makkelijk toegankelijke voorlichting over wat wel/niet te doen
en het afsluiten van natuurgebieden?
Vraag 43
Is er met onafhankelijke wolvenexperts en wetenschappers gesproken over welke maatregelen
het beste getroffen zouden kunnen worden voor het faciliteren van samenleven met wolven?
Welke van die maatrgelen zijn wel en niet overgenomen?
Vraag 44
Kunt u aangeven welke juridische risico’s werden bedoeld in de beslisnota over de
AMvB (Kamerstuk 2026D20155) in de zin: «De conclusie is dat er sowieso juridische risico's zitten aan de figuur
van de vergunning op voorhand»? Wie heeft deze risico-inschatting gemaakt en op basis
van welke analyse? Waarom is deze passage niet, of niet in vergelijkbaar expliciete
bewoordingen teruggekomen in de Kamerbrief van 24 april 2026 (Kamerstuk 33 576, nr. 480) zelf?
Vraag 45
Bent u bereid in het kader van Artikel 68 van de Grondwet de volledige beslisnota,
inclusief de hier geciteerde passage, ongeschoond openbaar te maken? Zo nee, waarom
niet en hoe verhoudt dat zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
Vraag 46
Kunt u uitleggen hoe een systeem van vooraf verleende vergunningen, die later moeten
worden «geactiveerd» na vaststelling dat de juiste wolf is betrokken, praktisch uitvoerbaar
is als het kabinet zelf erkent dat die identificatie in veel gevallen onmogelijk is?
Welke concrete identificatiemethode (bijvoorbeeld DNA-onderzoek of camerabeelden)
wordt bij activering van een vergunning op voorhand als minimaal vereist beschouwd,
door welke onafhankelijke actoren wordt dat uitgevoerd en binnen welke termijn moet
deze beschikbaar zijn voordat tot doden wordt overgegaan?
Vraag 47
Wat gebeurt er als bij twijfel over de identiteit van de wolf toch tot afschot wordt
overgegaan en achteraf blijkt dat de verkeerde wolf is gedood? Welke juridische en
beleidsmatige consequenties heeft dat en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Vraag 48
Erkent u dat een onbekende staat van instandhouding, gelet op vaste Europese rechtspraak
(waaronder ECLI:EU:C:2019:851), een verhoogde motiveringsplicht en een voorzorgsbenadering
met zich meebrengt bij elk voornemen tot versnelde of verruimde vergunningverlening
voor het doden van wolven? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke
adviezen onderbouwt u dat precies?
Vraag 49
Op welke datum wordt het in uw brief (Kamerstuk 33 576, nr. 480) aangekondigde aanvullende Staat van Instandhouding (SvI)-onderzoek aan de Kamer
toegezonden? Bent u, zolang dit onderzoek nog niet beschikbaar is, bereid de onderdelen
van de AMvB die zien op versnelde vergunningverlening niet toe te passen? Zo nee,
waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat
precies?
Vraag 50
Aangezien de wolvenpopulatie tussen vergunningverlening en daadwerkelijk gebruik (mogelijk
jaren later) kan zijn afgenomen en de staat van instandhouding nu al als ongunstig
geldt, op welk momenten vindt toets aan de staat van instandhouding plaats en kan
het bevoegd gezag een vergunning intrekken als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding
geeft? Zo nee waarom niet? Is bevoegd gezag daartoe verplicht als de populatieontwikkeling
daartoe aanleiding geeft? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke
adviezen onderbouwt u dat precies?
Vraag 51
Hoe beoordeelt u het risico dat het wettelijk vermoeden dat in een «probleemsituatie»
geen minder schadelijke alternatieven bestaan en een rechtvaardigingsgrond voor ingrijpen
aanwezig is, de bewijslast in bezwaar- en beroepsprocedures feitelijk verschuift van
het bevoegd gezag naar degene die het vermoeden wil weerleggen, zoals natuurorganisaties?
Vraag 52
Hoe verhoudt dit risico zich tot vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de
Europese Unie, waaronder de Finse wolvenzaak (ECLI:EU:C:2019:851), waarin is bepaald
dat de bewijslast voor het ontbreken van alternatieven bij het bevoegd gezag zelf
ligt?
Vraag 53
Welke concrete, verifieerbare gegevens moeten zijn vastgelegd voordat een beroep op
dit bewijsvermoeden gerechtvaardigd is en bent u bereid dit als toetsbare voorwaarde
in de AMvB of de onderliggende beleidsregel vast te leggen?
Vraag 54
Hoe waarborgt u dat het wettelijke vermoeden niet ertoe leidt dat de escalatieladder
uit de interventierichtlijnen in de praktijk wordt overgeslagen of onvoldoende wordt
gedocumenteerd, terwijl juist het bevoegd gezag moet aantonen dat minder schadelijke
alternatieven daadwerkelijk zijn benut of onderzocht?
Vraag 55
Deelt u de constatering dat het criterium voor een «probleemsituatie» met een wolf
dat deze «ten minste twee keer getolereerd heeft dat mensen naderen tot minder dan
30 meter» mede afhankelijk is van menselijk gedrag waar de wolf geen controle over
heeft en dat natuurlijk, niet-agressief gedrag van de wolf daardoor tot een probleemkwalificatie
kan leiden, terwijl de aanleiding (mede) in menselijk gedrag ligt? Denk aan de wolven
die voortdurend wordt opgezocht door recreanten en fotografen en wordt gevoerd met
pannenkoeken?2 3 Wat gaat u doen om te voorkomen dat wolven op deze manier worden bestraft voor verkeerd
gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet en met welke wetenschappelijke adviezen onderbouwt
u dat precies?
Vraag 56
Welke maatregelen zijn genomen of worden genomen om te voorkomen dat mensen die tegenstander
zijn van de aanwezigheid van wolven doelbewust dicht bij een wolf gaan staan, een
wolf benaderen of een wolf lokken om zo een «probleemsituatie» in de zin van dit artikel
te creëren? Kunt u dit uitgebreid toelichten en aangeven hoe de maatregelen zijn afgestemd
met wetenschappers en onafhankelijke wolvenexperts?
Vraag 57
Bent u bereid dit criterium te schrappen of te herformuleren zodat uitsluitend gedrag
van de wolven zelf, en niet het verkeerde gedrag van de mens, bepalend is voor de
kwalificatie en dus om te voorkomen dat wolven onnodig worden bestraft voor verkeerd
gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 58
U heeft tegen een aangenomen motie van de Kamer de AMvB zonder debat met de Kamer
definitief vastgesteld, maar was daarvoor de definitieve, na het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State van 20 mei 2026, aangepaste tekst van het ontwerpbesluit
met nader rapport aan de Kamer toegezonden (los van uw brieven) en was de door de
vaste commissie voor LVVN gevraagde reactie op de notitie van Werkgroep Wolf Leusden
van 12 mei 2026 daarvoor verzonden? Klopt het dat vragen vanuit de Eerste Kamer nog
niet waren beantwoord, voordat u de AMvB definitief had gemaakt? Kunt u een precieze
tijdlijn delen?
Vraag 59
Wie gaat toezicht houden, monitoren en handhaven op correcte en tijdige uitvoering
van de wet en Europese afspraken rondom wolven? Hoe wordt dit precies gecontroleerd?
Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Is er extra capaciteit door dit
kabinet vrijgemaakt hiervoor en zo ja, hoeveel en voor wat precies?
Vraag 60
Kunt u deze vragen één voor één voor het debat over de wolf beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Gericht aan
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Indiener
Ines Kostić, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.