Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de informele Visserijraad 28 en 29 juli 2026
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1828
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 23 juli 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur over:
– de brief van 15 juli 2026 over «Geannoteerde agenda van de informele Visserijraad
28 en 29 juli 2026» (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1827),
– de brief van 3 juli 2026 over het Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 22-23 juni
2026 (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1825)
De voorzitter van de commissie, Steen
Adjunct-griffier van de commissie, Bosman
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en antwoord / reactie van de Minister van
Landbouw, Visserij,
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de informele Visserijraad van 28 en 29 juli 2026. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie zijn positief over het feit dat generatievernieuwing het
centrale thema is van deze informele Raad. Deze leden delen de opvatting dat jonge
vissers onmisbaar zijn voor een duurzame en toekomstbestendige visserijsector. Zij
vragen de Staatssecretaris om nader toe te lichten hoe hij tijdens de Raad zal bepleiten
dat generatievernieuwing hand in hand gaat met verduurzaming van de vloot, zoals de
energietransitie en verbetering van arbeids- en veiligheidsomstandigheden aan boord.
Antwoord
De Staatssecretaris zal tijdens de informele Visserijraad zowel Nederlandse best practices delen als de oproep doen om de visserij te verduurzamen en deze toekomstbestendig
te maken. Een essentieel onderdeel van een toekomstbestendige visserij is dat deze
visserij moet plaatsvinden binnen de ecologische grenzen van de natuur, dat er sprake
is van goede arbeids- en veiligheidsomstandigheden en dat de sector stabiel is en
voldoende verdienvermogen kent. Voorts is het van belang dat de visserijsector wordt
ondersteund in de energietransitie, dat er sprake is van stabielere vangstmogelijkheden,
er een gunstig innovatieklimaat wordt gecreëerd en dat regelgeving wordt vereenvoudigd.
Langs deze lijn, evenals de onlangs met de Tweede Kamer gedeelde brief (Kamerstuk
26 737, nr. 13), zal de Staatssecretaris zijn interventie doen.
De leden van de D66-fractie volgen de onderhandelingen over de sectorale verordening
voor visserij, aquacultuur en het Europees Oceaanpact met belangstelling. Deze leden
vragen de Staatssecretaris een actueel beeld te geven van het krachtenveld in de Raad
ten aanzien van het compromisvoorstel van het Iers voorzitterschap.
Antwoord
De onderhandelingen over het toekomstige Meerjarig Financieel Kader (2028–2034) zijn
nog gaande. In de Landbouw- en Visserijraad van 22–23 juni jl. hebben diverse lidstaten
zorgpunten geuit (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1825). Het is te vroeg in het Iers voorzitterschap om een actualisatie te geven van het
krachtenveld in de Raad. Vooralsnog is het krachtenveld ongewijzigd.
Zij hechten eraan dat eventuele steun voor nieuwe vissersvaartuigen strikt gekoppeld
blijft aan verduurzaming, veiligheid en generatievernieuwing en niet leidt tot overcapaciteit
of extra visserijdruk. Zij vragen de Staatssecretaris of hij de zorgen deelt die binnen
de Raad bestaan over de uitwerking van het Do No Significant Harm-principe en de volledige
omzetting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)-afspraken over visserijsubsidies en
hoe het kabinet zich hierin gaat opstellen.
Antwoord
Nederland kan zich vinden in het huidige Visserijakkoord (Fish I) van de Wereldhandelsorganisatie
(WTO), waarin afgesproken is dat er geen subsidie mag worden verstrekt aan Illegal, Unreported and Unregulated (IUU) bevorderende visserij. Het vervolgakkoord (Fish II) ziet op de hiaten die Fish
I openlaat wat betreft potentiële IUU bevorderende visserij. Hierover zijn de onderhandelingen
momenteel nog gaande. Naar verwachting zullen toekomstige afspraken niet verder gaan
dan de huidige kaders die al in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid zijn neergelegd.
Nederland maakt zich op dit moment dan ook nog geen zorgen dat dit de inzet op verduurzaming,
veiligheid en generatievernieuwing van de eigen vloot schaadt.
Zoals eerder met de Tweede Kamer is gedeeld (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1825), volgt Nederland de uitwerking van het Do No Significant Harm (DNSH)-principe nauwlettend. De onderhandelingen hierover zijn nog gaande. Nederland
zal zich in de verdere onderhandelingen inzetten voor een zorgvuldige en werkbare
toepassing van het DNSH-principe.
De leden van de D66-fractie vragen tot slot hoe de Staatssecretaris tijdens deze informele
Raad de Nederlandse inbreng voor de «Visie 2040 voor Visserij en Aquacultuur» zal
inbrengen en of hij verwacht dat de door Nederland bepleite prioriteiten op voldoende
steun van andere lidstaten en het Iers voorzitterschap kunnen rekenen.
Antwoord
De inzet van de Staatssecretaris tijdens de informele Raad zal in lijn zijn met de
Nederlandse inbreng inzake de «Visie 2040 voor Visserij en Aquacultuur», die naar
verwachting in de tweede helft van dit jaar zal worden gepubliceerd door de Europese
Commissie (hierna: Commissie). Het verbeteren van de energie-efficiëntie, een alternatief
voor de aanlandplicht, een duurzaam visserijbeheer en stabiliteit van de vangsten
en vereenvoudiging van visserijregelgeving zijn daarin prioriteiten (Kamerstuk 26 737, nr. 13).
De Staatssecretaris zet zich er zoveel mogelijk voor in om samen te werken met andere
Noordzeelanden. Hiervoor zijn de contactmomenten met de deelnemers aan deze informele
Raad van belang. In welke mate andere lidstaten en het Iers voorzitterschap de Nederlandse
prioriteiten steunen is afhankelijk van het onderwerp, maar voor de belangrijkste
onderwerpen zoals de aanlandplicht, de energietransitie en generatievernieuwing is
er brede steun binnen de Raad.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de informele Visserijraad van 28 en 29 juli 2026 en de onderliggende stukken.
Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
Generatievernieuwing
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van generatievernieuwing voor
een toekomstbestendige Nederlandse visserijsector. Deze leden delen het belang dat
de sector aantrekkelijk blijft voor een nieuwe generatie vissers en lezen dat Nederland
zich hiervoor onder meer inzet via het Koepelplan Onderwijs. Kan de Staatssecretaris
toelichten welke concrete resultaten hij van deze inzet verwacht en hoe deze volgens
hem zal bijdragen aan het aantrekken en behouden van een nieuwe generatie vissers?
Antwoord
Met het «Visserij Ontwikkel Plan» heeft een ambtsvoorganger van de Staatssecretaris
€ 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de ondersteuning van de visserijketen en visserijgemeenschappen
bij de transitie van de vloot (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1553). Hiervan is € 1 miljoen beschikbaar gesteld voor het verbeteren van visserijonderwijs,
waarmee het Koepelplan Vernieuwingsimpuls Visserijonderwijs (VIVO) is opgezet. Dit
Koepelplan is gericht op een structurele verbetering van de kwaliteit en aantrekkelijkheid
van het visserijonderwijs, zodat jongeren beter worden voorbereid op de veranderende
beroepspraktijk en de sector aantrekkelijker wordt voor een nieuwe generatie vissers
en andere werknemers in de sector.
Het Koepelplan bestaat uit vier delen: (1) Landelijk Platform Visserijonderwijs dat
de structurele samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en overheid versterkt
en het onderwijs vernieuwt met aandacht voor duurzaamheid, aquacultuur en ondernemerschap,
(2) een landelijk netwerk van practoraten dat praktijkgericht onderzoek verbindt met
onderwijs en het bedrijfsleven en bijdraagt aan innovatie, ondernemerschap en toekomstbestendige
leerlijnen, (3) het kennissysteem «Vistikhetmaar», dat actuele kennis en innovaties
toegankelijk maakt voor zowel het beroepsonderwijs als de beroepspraktijk en daarmee
een leven lang ontwikkelen ondersteunt, en (4) regionale leerplaatsen die studenten,
onderwijs en bedrijfsleven in de praktijk samenbrengen, de binding met de regionale
visclusters versterken en de aantrekkelijkheid van een loopbaan in de visserijsector
vergroten.
Verder heeft een ambtsvoorganger van de Staatssecretaris uw Kamer op 6 oktober 2025
geïnformeerd over de inzet met betrekking tot de nieuwe generatie (jonge boeren en
vissers) (Kamerstuk 30 252, nr. 210).
De leden van de VVD-fractie ontvangen signalen uit de sector dat de Europese harmonisatie
van opleidingseisen en certificering voor de zeevisserij achterblijft bij die van
de zeevaart. Deze leden begrijpen dat een aantrekkelijk toekomstperspectief voor jonge
vissers ook vraagt om een goed en internationaal herkenbaar opleidings- en certificeringssysteem.
Kan de Staatssecretaris aangeven hoe hij deze signalen beoordeelt?
Antwoord
Opleidingseisen en certificering van vissers is een beleidsverantwoordelijkheid van
mijn ambtsgenoot van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Ik kan hierover
aangeven dat er inderdaad een verschil is tussen de sector koopvaardij en de sector
visserij. In de koopvaardij is er sprake van het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering
en wachtdienst, hierna te noemen: het STCW-verdrag, aangaande de opleiding, training en certificering
van zeevarenden. Dat verdrag is door vrijwel alle zeevarende naties geratificeerd
en opgenomen in EU-wetgeving. Dat leidt tot een hoge mate van harmonisatie waarbij
sprake is van een duidelijk minimumniveau qua opleiding. Dit is anders voor de visserijsector.
Er is wel sprake van een soortgelijk verdrag voor de visserij, het Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst
van personeel van vissersvaartuigen, hierna te noemen: het STCW F-verdrag. Het STCW-F verdrag is momenteel slechts geratificeerd
door 35 landen, waaronder 10 EU-lidstaten inclusief Nederland. Er is geen EU-wetgeving
van toepassing. Deze feiten staan een goed functionerend internationaal opleidings-
en certificeringssysteem in de weg. Er zijn echter ontwikkelingen die positief zijn.
De Commissie heeft een aantal studies en projecten gedaan, onder andere naar de situatie
van de visserij opleidingen en de certificering van vissers conform het STCW F-verdrag
in de verschillende lidstaten. De verschillen tussen de lidstaten voor wat betreft
de kwaliteit van de opleidingen blijken in de praktijk groot te zijn. Nederland komt
hier goed uit. Positief is dat de Commissie een impact assessment laat uitvoeren om
te bekijken of het kan worden opgenomen in EU-wetgeving.
Ziet hij mogelijkheden om zich in Europees verband in te zetten voor verdere harmonisatie
van de STCW-F-standaarden en de wederzijdse erkenning van vaarbevoegdheden binnen
de zeevisserij?
Antwoord
Nederland ondersteunt dat de Commissie een impact assessment laat uitvoeren om te
bekijken of het STCW F-verdrag kan worden opgenomen in EU-wetgeving. Dat is immers
een voorwaarde voor verdere harmonisatie. De EU kan niet namens de lidstaten ratificeren,
dat is aan de lidstaten. Wel worden de lidstaten aangemoedigd om het verdrag te ratificeren.
Momenteel heeft Nederland alleen met België een overeenkomst voor de wederzijdse erkenning
van visserij vaarbevoegdheden. Dat is omdat België ook het STCW F-verdrag toepast
en een vergelijkbaar (kwaliteits-)niveau kent voor de opleiding en certificering van
vissers.
Toekomstperspectief van de visserijsector
De leden van de VVD-fractie onderschrijven de Nederlandse inzet voor de Visie 2040
voor Visserij en Aquacultuur. Deze leden delen het belang van een economisch sterke
en toekomstbestendige visserijsector, met oog voor een gezond verdienvermogen, voedselzekerheid
en ruimte voor innovatie. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke onderdelen van
deze inzet Nederland tijdens de informele Visserijraad de nadruk zal leggen?
Antwoord
Zoals in de geannoteerde agenda is aangegeven (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1827), zal de Staatssecretaris steun uitspreken voor de «Visie 2040 voor Visserij en Aquacultuur».
De Staatssecretaris zal in zijn interventie ingaan op de noodzaak voor een toekomstbestendige
visserij, die moet worden ondersteund in de energietransitie en die kan rekenen op
stabielere vangstmogelijkheden, een beter innovatieklimaat en vereenvoudigde regelgeving.
De leden van de VVD-fractie ontvangen daarnaast signalen uit de sector dat de huidige
Europese capaciteitssystematiek (GT/kW) onvoldoende aansluit bij de investeringen
die noodzakelijk zijn voor moderne, veilige en duurzame vissersschepen. Investeringen
in veiligheid, bemanningsvoorzieningen en alternatieve brandstoffen vragen in de praktijk
om meer ruimte, zonder dat dit automatisch leidt tot een grotere vangstcapaciteit.
Kan de Staatssecretaris aangeven hoe hij deze signalen beoordeelt? Ziet hij mogelijkheden
om in Europees verband te bezien of de huidige capaciteitssystematiek nog voldoende
aansluit bij de doelstellingen van vlootmodernisering en de energietransitie?
Antwoord
De Staatssecretaris herkent deze signalen uit de sector niet. Het Nederlandse capaciteitsplafond
kent voldoende ruimte om eventuele uitbreidingen van vaartuigen te accommoderen. Tegelijkertijd
wordt er door lidstaten in de Europese Unie (EU) opgeroepen tot aanpassing van het
capaciteitsplafond van de vloot omdat de situatie in deze lidstaten wel beperkend
kan zijn. De Staatssecretaris staat hier niet onwelwillend tegenover
Visserijakkoorden met derde landen
De leden van de VVD-fractie lezen in het verslag van de vorige Landbouw- en Visserijraad
dat Nederland de zorgen over de onderhandelingen met Mauritanië heeft onderschreven.
Deze leden vinden dat een sterke Europese visserijsector vraagt om stabiele en duurzame
visserijakkoorden met derde landen, die bijdragen aan voedselzekerheid, een gelijk
speelveld en de concurrentiekracht van de Europese visserij. Kan de Staatssecretaris
aangeven wat de actuele stand van zaken is van deze onderhandelingen? Welke inzet
kiest Nederland om te komen tot een duurzaam en economisch aantrekkelijk akkoord?
Antwoord
Tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 22-23 juni 2026 zijn er zorgen gedeeld over
de onderhandelingen met Mauritanië door diverse EU-lidstaten, waaronder Nederland.
De huidige stand van zaken is dat de Commissie (namens de EU) sinds een aantal jaren
met Mauritanië in onderhandeling is over een visserijakkoord. Hierbij ziet de Nederlandse
inzet op een duurzaam visserijakkoord op basis van wetenschappelijk advies en navenant
proportionele financiële bijdrage.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de geannoteerde agenda van de informele landbouw-
en visserijraad met interesse gelezen en hebben daarover een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissie (EC) in de evaluatie
van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) heeft aangegeven dat de doelstellingen
van de aanlandplicht niet zijn gehaald. Tegelijkertijd erkennen veel lidstaten dat
de aanlandplicht in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is en dat uitsluitend inzetten
op meer controle en handhaving geen oplossing biedt. Nederland heeft tijdens de Landbouw-
en Visserijraad aangegeven dat de aanlandplicht effectiever moet worden gemaakt en
werkt aan een AI-systeem voor automatische vangstregistratie. Kan de Staatssecretaris
aangeven of Nederland zich er tijdens de komende Visserijraad actief voor zal inzetten
om de afschaffing van de huidige aanlandplicht tot prioriteit te maken binnen de evaluatie
van het GVB, zodat wordt gekomen tot een uitvoerbaar systeem dat beter aansluit bij
de praktijk van de visserij?
Antwoord
De herziening van de aanlandplicht blijft een prioriteit voor de Staatssecretaris.
De Staatssecretaris heeft dit herhaaldelijk opgebracht in relevante EU-gremia als
één van de prioriteiten die hij heeft binnen het Gemeenschappelijk Visserijbeleid
en zal dit, waar passend, blijven doen, zo ook tijdens de komende informele Visserijraad
van 28–29 juli 2026.
De leden van de BBB-fractie vragen tevens wat de actuele stand van zaken is van het
Nederlandse onderzoek naar de terugkeer van de pulsvisserij. Kan de Staatssecretaris
aangeven of hierover inmiddels gesprekken plaatsvinden met de EC en andere lidstaten?
Antwoord
De Staatssecretaris heeft de Tweede Kamer geïnformeerd zich in te zetten voor het
gezamenlijk organiseren van pilots met andere landen (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1815). Daartoe worden gesprekken gevoerd met andere lidstaten. Omdat pulskorvisserij nog
steeds gevoelig ligt bij andere lidstaten zijn deze gesprekken vertrouwelijk. Op dit
moment vindt bureauonderzoek plaats of de huidige pulskortechniek met eventueel aanvullende
randvoorwaarden rendabel kan zijn en worden er labonderzoeken gedaan naar de doorontwikkeling
van het pulskortuig, gericht op de impact van de pulskortechniek op het voortplantingssucces
van kwetsbare soorten en mogelijke herintroductie.
De leden van de BBB-fractie vragen voorts hoe de onderhandelingen met derde landen
over de vangstmogelijkheden verlopen. Kan de Staatssecretaris aangeven welke inzet
Nederland daarbij kiest, hoe wordt ingezet op behoud van de historische verdeelsleutels
en welke risico's hij ziet voor de Nederlandse visserij indien tijdig geen evenwichtige
akkoorden worden bereikt?
Antwoord
Het zwaartepunt ten aanzien van de onderhandelingen met derde landen ligt over het
algemeen in het najaar. Op dit moment vallen er dus nog geen mededelingen te doen
over het verloop hiervan. Na de zomer zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over
de inzet van de Staatssecretaris bij de onderhandelingen. Nederland zal zich in ieder
geval inzetten voor robuuste verdeelsleutels en een duurzame visvangst, met oog voor
sociaaleconomische aspecten en een gelijk speelveld.
Indien er geen evenwichtige akkoorden worden bereikt, blijft er sprake van overbevissing
op de pelagische bestanden. Het risico daarvan voor de Nederlandse visserij, maar
ook voor die van andere EU-lidstaten en derde landen, is dat de vangstmogelijkheden
steeds verder zullen afnemen. De Staatssecretaris vindt het van groot belang dat er
de komende tijd een duurzaam akkoord wordt bereikt en dat overbevissing door derde
landen wordt tegengegaan. Daarnaast kan het niet tijdig bereiken van akkoorden met
derde landen ook onzekerheid opleveren voor de sector ten aanzien van toegestane vangsthoeveelheden,
toegang tot bepaalde wateren en eventuele maatregelen die gelden in deze wateren.
De Staatssecretaris acht het tijdig bereiken van akkoorden daarom ook van belang voor
de Nederlandse visserij in het kader van voorspelbaarheid en faciliteren van gedegen
bedrijfsvoering.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de onderhandelingen over het nieuwe
Europese fonds voor visserij en aquacultuur (2028–2034) wordt gesproken over het opnieuw
mogelijk maken van steun voor investeringen in vissersvaartuigen, waaronder de bouw
van nieuwe, veiligere en energiezuinigere schepen. Kan de Staatssecretaris aangeven
wat de Nederlandse inzet op dit punt is? Steunt Nederland het voorstel om onder voorwaarden
Europese steun voor nieuwbouw van vissersvaartuigen mogelijk te maken?
Antwoord
De Nederlandse inzet volgt de lijn zoals is uitgezet in het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4146). Een duurzame en toekomstbestendige vloot vraagt een grote inzet op energietransitie.
Nederland steunt daarom het voorstel om, onder voorwaarden, steun vanuit de EU voor
de modernisering en nieuwbouw van vissersvaartuigen mogelijk te maken.
De leden van de BBB-fractie constateren dat een groot deel van de Nederlandse vissersvloot
inmiddels sterk is verouderd en dat juist vlootvernieuwing noodzakelijk is om te kunnen
voldoen aan doelstellingen op het gebied van veiligheid, arbeidsomstandigheden, emissiereductie
en brandstofbesparing. Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat verduurzaming zonder
de mogelijkheid van vlootvernieuwing nauwelijks haalbaar is? Zo ja, hoe brengt hij
dit actief onder de aandacht in de Europese onderhandelingen?
Antwoord
De Staatssecretaris zet op korte termijn in op de verduurzaming van de huidige vissersvloot
gezien de economische voordelen van het verhogen van de energie- en brandstofefficiëntie.
Daarin wordt de sector ondersteund door een aantal subsidieregelingen (Kamerstuk 29 675, nr. 240). Richting 2050 zal er extra inzet nodig zijn. Daarom pleit de Staatssecretaris in
Brussel voor het onder voorwaarden mogelijk maken van het steunen van nieuwbouw. Tevens
worden er verschillende nationale initiatieven ontplooid om de energietransitie van
de visserijvloot vorm te geven. Deze inzet heeft de Staatssecretaris onlangs met de
Commissie gedeeld middels een brief waarover de Kamer is geïnformeerd (Kamerstuk 26 737, nr. 13). De Staatssecretaris zal in de relevante EU-gremia deze inzet onder de aandacht
blijven brengen.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris zich ervoor inzet dat de
financiering van wettelijke taken, zoals visserijcontrole, dataverzameling en wetenschappelijke
monitoring, ook in het nieuwe fonds volledig vanuit de Europese middelen kan worden
bekostigd en niet ten laste komt van de nationale begroting of de visserijsector zelf.
Antwoord
De onderhandelingen over het toekomstige Meerjarig Financieel Kader (2028–2034) zijn
nog gaande. De Staatssecretaris deelt in dit kader ook zijn zorgen rondom de financiering
van de wettelijke taken voor de visserij. De inzet, conform het BNC-fiche (Kamerstuk
22 112, nr. 4159), is ervoor te zorgen dat wettelijke taken zoals controle, handhaving en datacollectie
opgenomen moeten blijven worden als subsidiabele activiteit. Het kabinet hecht waarde
aan het principe van (in dit geval) publieke nationale cofinanciering, zoals ook in
het huidig fonds plaatsvindt. Daarbij zet het kabinet in op het verminderen van de
administratieve lastendruk en bijbehorende kosten.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij ervoor gaat zorgen
dat innovatieve visserijtechnieken, zoals bijvoorbeeld de FloMo-kuil, sneller in de
praktijk kunnen worden toegepast wanneer deze niet binnen de huidige Europese wet-
en regelgeving passen. Is de Staatssecretaris bereid zich er in Europees verband voor
in te zetten dat de regelgeving beter aansluit bij nieuwe, aantoonbaar duurzame en
innovatieve technieken, zodat waardevolle innovaties niet onnodig worden belemmerd
en sneller kunnen worden opgeschaald?
Antwoord
De Staatssecretaris zet zich in EU-verband in om innovatieve visserijtechnieken, waaronder
de Flomo-kuil, sneller in de praktijk toegepast te krijgen. Momenteel lopen er gesprekken
met de Commissie en diverse EU-lidstaten over de legalisering van de Flomo-kuil.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris in hoeverre sprake is van predatie
door de grijze zeehond, nu de populatie sterk toeneemt. Kan de Staatssecretaris tevens
aangeven of de grijze zeehond ook de gewone zeehond aanvalt?
Antwoord
Grijze zeehonden prederen op meerdere diersoorten. De voornaamste prooi is vis, maar
het is niet precies bekend welke vissoorten in welke mate deel uitmaken van hun dieet.
Vanuit het postmortaal onderzoek bij bruinvissen is bekend dat zij wel eens door grijze
zeehonden worden aangevallen. Aanvallen op gewone zeehonden door grijze zeehonden
komen voor zover bekend sporadisch voor, maar voor zeehonden wordt er momenteel geen
standaard postmortaal onderzoek uitgevoerd. Het dieet van gewone en grijze zeehonden
wordt ook niet standaard onderzocht. Het klopt dat de grijze zeehonden in de Nederlandse
Noordzee en Waddenzee toenemen, maar dit komt ook een groot deel door aanwas vanuit
de Britse wateren. Daarom is de toename niet enkel een vermeerdering, maar ook een
verplaatsing.
De leden van de BBB-fractie danken de Staatssecretaris voor het openstellen van de
subsidieregeling «Steun voor hogere bedrijfskosten visserij». De fractie waardeert
dat hiermee uitvoering is gegeven aan de ondersteuning van de visserijsector, die
de afgelopen periode is geconfronteerd met fors gestegen brandstofkosten als gevolg
van de onrust in het Midden-Oosten.
De leden van de BBB-fractie constateren echter dat er nog een knelpunt bestaat. Ondernemers
die met vissersvaartuigen varen die zijn uitgerust met een benzinemotor, zoals een
aantal kleinschalige buitenvissers, lijken buiten de regeling te vallen. Kan de Staatssecretaris
toelichten waarom ervoor is gekozen deze groep uit te sluiten van de subsidieregeling,
terwijl ook zij zijn geconfronteerd met aanzienlijk hogere brandstofkosten?
Antwoord
Het klopt dat onder de regeling «Steun voor hogere bedrijfskosten», onder het European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF), geen steun kan worden verleend voor gestegen kosten van benzine (Kamerstuk
29 675, nr. 241). Hoewel visserijondernemers met vissersvaartuigen die uitgerust zijn met een benzinemotor
ook gestegen kosten kunnen ervaren als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten,
is het niet vast te stellen dat de getankte benzine ook enkel en alleen gebruikt wordt
voor het desbetreffende vissersvaartuig. Omdat benzine niet bij specialistische bedrijven
wordt gebunkerd, zoals wel het geval is bij gasolie, kan er met de facturen geen koppeling
worden gemaakt met het desbetreffende vaartuig en visserij-activiteiten. Deze benzine
kan namelijk ook voor andere toepassingen worden gebruikt. Daarom kan onder de regeling
«Steun voor hogere bedrijfskosten» geen subsidie worden aangevraagd of verleend voor
kosten die visserijondernemingen hebben gemaakt bij het tanken van benzine.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Staatssecretaris bereid is of voor
deze groep alsnog een passende tegemoetkoming kan worden getroffen, bijvoorbeeld in
de vorm van een eenmalige compensatie of per logboek dag, zodat ook deze kleinschalige
vissers op een rechtvaardige wijze worden ondersteund en niet buiten de boot vallen.
Antwoord
Er is op dit moment geen andere regeling voorzien die op een andere wijze of aan andere
groepen een tegemoetkoming biedt voor de gestegen kosten als gevolg van het conflict
in het Midden-Oosten. In dit geval heeft de Staatssecretaris in overleg met betrokken
partijen gekozen voor het snel kunnen verlenen van steun, gericht op die vlootsegmenten
die de meest aanvullende kosten hebben gemaakt. Daarbij komt dat vanuit de Commissie
het een belangrijke vereiste is dat er voor een steunmaatregel zoals deze geen sprake
is van overcompensatie. Bij een eenmalige compensatie per logboek dag is overcompensatie
niet uitgesloten. Naar verwachting is dat dan ook geen maatregel waar de Commissie
goedkeuring voor zal verlenen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
J. Bosman, adjunct-griffier