Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Tijs van den Brink en El Abassi over het bericht ‘Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw’
Vragen van de leden Tijs van den Brink (CDA) en El Abassi (DENK) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw» (ingezonden 3 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 22 juli 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2348.
Vraag 1
Bent u bekend met het NOS-bericht van 29 mei jl. «Zestal bekogelt moskee Rotterdam
met bierflesjes en urineert tegen gebouw»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis?
Antwoord 2
Vernieling van een gebedshuis is ernstig en onacceptabel. Dergelijke incidenten raken
niet alleen gebouwen, maar ook mensen. Ze veroorzaken gevoelens van onrust, angst
en onveiligheid binnen gemeenschappen.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat iedereen in Nederland, ongeacht geloofsovertuiging, zich
veilig moet kunnen voelen in en rondom zijn of haar gebedshuis en dat aanvallen op
moskeeën onaanvaardbaar zijn?
Antwoord 3
In Nederland moet iedereen zijn of haar geloof vrij en veilig kunnen belijden. De
vrijheid van godsdienst is een grondwettelijk recht. Aanvallen op gebedshuizen, waaronder
moskeeën, zijn onaanvaardbaar.
Vernieling van gebouwen, waaronder gebedshuizen, is strafbaar.2 Wanneer dergelijke strafbare feiten gericht zijn tegen een groep mensen vanwege bijvoorbeeld
hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met een discriminatoir aspect.3
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen
of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt
van het delict. Indien bij aangiften aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief,
kan dit worden betrokken in het opsporingsonderzoek conform de Aanwijzing discriminatie.4
Vraag 4
Kunt u aangeven hoe de regering gereageerd heeft op deze aanslag? Is er contact geweest
met het bestuur van de Mevlana-moskee?
Antwoord 4
De primaire verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie en het contact
met religieuze instellingen ligt bij het lokale gezag. De burgemeester van Rotterdam
heeft direct na het incident contact opgenomen met het bestuur van de Mevlana-moskee
om haar steun te betuigen en te bespreken welke ondersteuning passend is vanuit de
gemeente. Zij heeft ook een oproep gedaan aan getuigen om zich te melden bij de politie.
Vraag 5
Is er inmiddels meer bekend over de achtergrond en motieven van de daders?
Antwoord 5
Over de details van een lopend strafrechtelijk onderzoek worden geen uitspraken gedaan.
Vraag 6
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar moskeeën, kerken, synagogen en
andere gebedshuizen doelwit zijn geweest van vernieling, intimidatie of andere strafbare
feiten? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jaar, type incident en religieuze instelling?
Antwoord 6
Op basis van de registratiepraktijk bij officiële meldinstanties is een uitsplitsing
naar jaar, type incident en religieuze instelling niet beschikbaar.
Vraag 7
Welke maatregelen bestaan momenteel om de veiligheid van gebedshuizen te vergroten
en acht u deze maatregelen toereikend?
Antwoord 7
De verantwoordelijkheid voor het treffen van passende veiligheidsmaatregelen ligt
op de eerste plaats bij deze instellingen zelf. De lokale driehoek kan aanvullende
veiligheidsmaatregelen nemen als deze instellingen, redelijkerwijs op eigen kracht
geen, of onvoldoende, weerstand kunnen bieden tegen de dreiging en het risico. Het
treffen van aanvullende maatregelen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie
en risicobeeld.
Vanwege veiligheidsoverwegingen worden over (specifieke) maatregelen publiekelijk
geen mededelingen gedaan.
Vraag 8
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar dit
incident en eventuele lessen die hieruit kunnen worden getrokken voor de bescherming
van religieuze gemeenschappen in Nederland?
Antwoord 8
Het is primair aan het OM om te beoordelen wanneer en op welke wijze over (de afdoening
van) individuele zaken kan worden gecommuniceerd. Indien het onderzoek tot uitkomsten
leidt die van belang kunnen voor uw Kamer, zal ik er zorg voor dragen dat uw Kamer
daarover wordt geïnformeerd.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.