Schriftelijke vragen : Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het voornemen van de provincie Noord-Brabant om natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB) (ingezonden 20 juli 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is
de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en
de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation
for the Environment (MOB)?1
Vraag 2
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat
zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders
of bedrijven zonder vergunning?
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende
vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en
hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet
plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Vraag 4
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie
uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen,
vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met
het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Vraag 5
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken
aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel
gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk
kwijt te raken?
Vraag 6
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket
handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die
uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen
van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen
bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Vraag 7
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke
en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en
versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid
van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt
hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets
gaan doen voor de vergunningverlening?
Vraag 8
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen
noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe
verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande
vergunningen in te trekken?
Vraag 9
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen
hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid
alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Vraag 10
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal
opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning
op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Vraag 11
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer
verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven
zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Vraag 12
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen
tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels
hebben voldaan?
Vraag 13
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens
investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen
in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Vraag 14
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning
en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die
eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor
het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig
bij individuele ondernemers neerlegt?
Vraag 15
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn
rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die
bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Vraag 16
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen
dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de
betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Vraag 17
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument
dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen
volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande
vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Vraag 18
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige
natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk
betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Vraag 19
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen
onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten
vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen
aan te vechten?
Vraag 20
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers
voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie
wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Vraag 21
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water,
gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang
in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende
regelgeving voldoen?
Vraag 22
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief
natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke
factoren?
Vraag 23
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende
gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden
en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de
natuur?
Vraag 24
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor
natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken,
terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming
en naleving van alle geldende regels?
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Koorevaar
(CDA), ingezonden 20 juli 2026 (vraagnummer 2026Z)
Indieners
-
Gericht aan
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Indiener
Caroline van der Plas, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.