Schriftelijke vragen : De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting)
Vragen van het lid Keijzer (Lid Keijzer) aan de Ministers van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over de antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) (ingezonden 16 juli 2026).
Vraag 1
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten
duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen,
ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Vraag 2
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen
gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de
meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een
onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Vraag 3
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen
euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte
Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting
(SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans?
Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en
met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies
opgebouwd?
Vraag 4
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028
in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee
maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro,
7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid?
Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Vraag 5
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar
is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts
een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Vraag 6
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO)
beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen
euro beschikbaar is?
Vraag 7
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande
van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per
aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Vraag 8
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding
tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee,
welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet
beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan
van eenzaamheid, te realiseren?
Vraag 9
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO)
uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo
ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om
deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren
hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Vraag 10
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten
zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het
beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee,
waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Vraag 11
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt
het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Vraag 12
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor
diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte
woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen
euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen
en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Vraag 13
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt?
Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden
gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk
deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Vraag 14
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor
alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen?
Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het
commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting,
maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Vraag 15
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg
aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029
tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in
Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek
ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Vraag 16
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro
voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor
zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar
is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000
ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Vraag 17
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare
middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans
dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo
ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting
dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Vraag 18
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen
dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar
de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Vraag 19
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig
is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover
staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Vraag 20
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage
te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen
van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming
tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel
specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte
Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting
(SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle
aandachtsgroepen?
Vraag 21
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne
verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder
het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Vraag 22
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen
of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke
middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Vraag 23
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare
middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen
heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt
u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden
aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indieners
-
Gericht aan
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Gericht aan
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Indiener
Mona Keijzer, Kamerlid