Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ceulemans over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie van het massale uitvraagproces inzake een vordering tegen de Staat
Vragen van het lid Ceulemans (JA21) aan de Staatssecretaris van Financiën over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie van het massale uitvraagproces inzake een vordering tegen de Staat (ingezonden 1 juli 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 10 juli 2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2026, gepubliceerd
op 29 juni 2026, met zaaknummer C/16/595361 / HA ZA 25–314, inzake een vordering tegen
de Staat door kinderen van een moeder die als gedupeerde van de toeslagenaffaire erkend
is[1]?
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Bent u ermee bekend dat uit deze uitspraak blijkt dat aan de leden van dit gezin,
na het erkennen van de moeder als gedupeerde op basis van het ouderverhaal en op grond
van vermeend institutioneel vooringenomen handelen bij het terugvorderen naar aanleiding
van non-respons, respectievelijk 430.250,– euro is uitgekeerd aan de moeder (vaststellingsovereenkomst
van 7 maart 2025 met UHT), ruim 260.000,– euro aan de vader (via de regieroute VSO)
en respectievelijk twee keer 10.000,– euro aan de twee oudste kinderen en eenmaal
8.000,– euro aan het jongste kind, waarmee de compensatie voor het gezin als geheel
neerkomt op 718.250,– euro?
Antwoord 2
Ja
Vraag 3
Wat is uw reactie op het feit dat uit de brievenadministratie, waarnaar de ADR onderzoek
heeft gedaan, is gebleken dat er wel degelijk sprake is geweest van meerdere uitvraag-
en rappelbrieven, dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag volgens
het vonnis van de rechtbank mocht terugvorderen en derhalve niet is gebleken dat er
vooringenomen is gehandeld?
Antwoord 3
Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20261 geeft de verzend- en ontvangstadministratie geen sluitend en volledig beeld van het
geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien
dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd.
Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op
de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw
moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven
kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou
leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en
ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie
bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
De verzend- en ontvangstadministratie wordt al wel ingezet bij bezwaar, beroep en
andere procedures. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de ontvangen schadevergoeding
nooit wordt teruggevorderd.
Vraag 4
Deelt u de conclusie dat met deze uitspraak achteraf duidelijk is geworden dat dit
zeer hoge bedrag aan compensatie aan de leden van één gezin op onterechte grond is
uitgekeerd? Zo nee, waarom bent u niet bereid de conclusie te onderschrijven die de
Staat zelf juist wil aantonen met het inbrengen van deze gegevens in een rechtszaak?
Antwoord 4
In 2020 is het beleid vormgegeven op basis van de compensatie voor de Combiteam Aanpak
Facilitators (CAF) populatie. Daarbij was relevant dat in het zogenoemde kantoorproces
(handmatige behandeling van een dossier door een medewerker) een centrale administratie
van verzonden brieven en reacties ontbrak, en daarmee correspondentie niet altijd
traceerbaar was. Hierdoor ontstond de breed gedeelde aanname dat de administratie
ook in andere dossiers onvolledig zou zijn, ook in de massale processen waarbij brieven
(deels) geautomatiseerd worden aangemaakt en verzonden. Dit speelde een belangrijk
rol in de keuze die in 2020 is gemaakt voor generiek beleid waarbij het ouderverhaal
leidend is. Een lijn die ook brede steun had in uw Kamer.
Het is destijds een politieke keuze geweest om het niet hebben ontvangen van een brief
aan te merken als een grond voor gedupeerdheid. Over individuele gevallen doe ik verder
geen uitspraken.
Vraag 5
Waarom blijft u vooralsnog vasthouden aan de lijn dat op grond grond van de brievenadministratie
en het ADR-onderzoek niet is vast te stellen in hoeveel gevallen personen onterecht
als gedupeerde zijn aangemerkt aangezien hiervoor onder andere opnieuw oudergesprekken
gevoerd zouden moeten worden? Erkent u dat dit uitgangspunt niet in lijn is met deze
rechterlijke uitspraak, waarin op basis van het bestaande dossier in combinatie met
de brievenadministratie wél een dergelijke conclusie wordt getrokken? Wat is hierop
uw reactie?
Antwoord 5
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één
oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs
als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan
dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Daarom is het verhaal van
de ouder hierover altijd leidend in de beoordeling.
De rechtbank heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijs
toegestaan, maar heeft daaruit geen conclusie getrokken dat er sprake is van onterecht
aangemerkte gedupeerdheid. De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging
slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige
besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting
de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid,
dat is ook niet aan de civiele rechter, maar in laatste instantie aan de bestuursrechter.
De civiele rechter heeft hier geoordeeld dat eisers onvoldoende hebben aangetoond
welke besluiten onrechtmatig waarom en waarom, waardoor er in deze civiele zaak geen
sprake is van onrechtmatig handelen.
Vraag 6
Onderschrijft u dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar dat compensatie op grond
van vermeend vooringenomen handelen bij een aantal jaren van non-respons al snel tot
enorm hoge compensatiebedragen kan leiden?
Antwoord 6
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb aangegeven zijn de compensatiegronden een politieke
keuze geweest. Verder wil ik benadrukken dat de zaak op zichzelf staat, omdat iedere
casus anders is. De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft
vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden
en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid,
dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Een kwantificatie
van de relatie tussen het aantal jaren van non-response en de hoogte van de compensatie
is dan ook niet te maken.
Vraag 7
Hoe vaak is door de Staat tijdens rechtszaken gebruikgemaakt van gegevens uit deze
brievenadministratie sinds het uitkomen van het ADR-onderzoek? Wat waren de uitkomsten
hiervan en om welke -achteraf- onterecht uitgekeerde compensatiebedragen ging het
hierbij?
Antwoord 7
De Staat gebruikt sinds februari 2026 de verzend- en ontvangstadministratie in rechtszaken.
Tot en met 30 juni 2026 is de verzend- en ontvangstadministratie in 8 civiele zaken
gebruikt in processtukken. In alle 8 zaken is een ouder gecompenseerd wegens non-respons,
terwijl er wél vraagbrieven zijn aangetroffen.
Het is goed om te vermelden dat we in civiele procedures alleen zicht hebben op een
kleine groep ouders die een procedure starten. Dat is geen goede representatie van
de totale populatie van gedupeerde ouders.
De civiele rechter heeft tot en met 30 juni 2026 in één zaak geoordeeld dat er met
de kennis van nu geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen, omdat de ouders
wel vraagbrieven hebben ontvangen maar hierop niet is gereageerd. De civiele rechter
heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijsmiddel aanvaard,
maar daaruit niet afgeleid dat sprake is van ten onrechte vastgestelde gedupeerdheid
of onterecht uitgekeerde compensatie. De beoordeling van de mate van gedupeerdheid
is niet aan de civiele rechter maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. Het
is daarom niet inzichtelijk of de compensatie ten onrechte is uitgekeerd en om welke
bedragen dat zou gaan.
Voor overige rechtszaken wordt het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie
niet gemonitord.
Vraag 8
Bij hoeveel eventueel lopende zaken is hier sprake van?
Antwoord 8
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in 7 lopende civiele zaken als verweer
in processtukken gebruikt. In deze 7 zaken zijn vraagbrieven teruggevonden, terwijl
de ouder (gedeeltelijk) is gecompenseerd voor non-respons. Het is niet vast te stellen
of de ouder destijds een antwoord op de vraagbrief heeft verzonden.
Aangezien de rechtbank op 24 juni 2026 vonnis heeft gewezen in één zaak, wordt die
zaak niet meer als een lopende procedure beschouwd. Wel staat tegen het vonnis nog
hoger beroep open, zodat de procedure alsnog kan worden voortgezet en in dat geval
opnieuw als lopend kan worden aangemerkt.
Vraag 9
Op welke andere manieren is er sinds het verschijnen van het ADR-onderzoek gebruikgemaakt
van de desbetreffende brievenadministratie? Om hoeveel dossiers ging dit?
Antwoord 9
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in de volgende gevallen gebruikt:
– Integrale Beoordeling: bij nieuwe aanvragen (in het kader van de verschoonbare termijn).
– In specifieke gevallen voor personen die mogelijk recht hebben op de nabestaanderegeling
of ex- toeslagpartnerregeling.
– Bezwaar en beroep: bijvoorbeeld voor de (her)beoordeling van niet toegekende jaren.
– Civiele procedures: wordt voor de hele procedure gebruikt.
Er wordt buiten de civiele procedures om niet gemonitord in welke gevallen de administratie
wordt gebruikt. Het is daarom niet mogelijk om het aantal dossiers te noemen.
Zoals eerder aangegeven verken ik momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar
is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Vraag 10
Wordt de brievenadministratie nu standaard gebruikt bij nog niet afgeronde dossiers?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
De verzend- en ontvangstadministratie wordt nu standaard gebruikt voor de in antwoord
op vraag 9 genoemde gevallen.
Vraag 11
Garandeert u dat in geen enkel dossier met betrekking tot vermeend vooringenomen handelen
in relatie tot het massale uitvraagproces meer tot betaling of compensatie wordt overgegaan
zonder voorafgaande controle van de brievenadministratie? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
In antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven in welke gevallen de verzend- en ontvangstadministratie
wordt gebruikt. Hoewel in de genoemde processen voldoende waarborgen zijn ingericht,
kunnen er in een grote uitvoeringsorganisatie fouten gemaakt worden. Daarom kan ik
geen garantie geven dat dit altijd goed gaat.
Vraag 12
Hoeveel personen zijn in totaal als gedupeerd aangemerkt en gecompenseerd op grond
van «institutioneel vooringenomen handelen» in het kader van het massale uitvraagproces
en voor welk bedrag in totaal? Wilt u deze gegevens zo snel en zo precies mogelijk,
per toeslagjaar weergegeven, met de Kamer delen?
Antwoord 12
Circa 34.000 ouders zijn in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op
grond van institutioneel vooringenomen handelen. Hoeveel van de 34.000 daarvan in
het kader van het massale uitvraag proces als gedupeerde zijn aangemerkt kan alleen
worden vastgesteld als de individuele dossiers handmatig worden onderzocht. Het is
dan ook niet mogelijk om bedragen te noemen.
Vraag 13
Waarom is zo lang doorgegaan met het uitkeren van zeer hoge compensatiebedragen (in
het geval van deze rechtszaak op basis van een vaststellingsovereenkomst met UHT uit
maart 2025) terwijl het bestaan van de administratie binnen UHT toen al ruim vier
jaar bekend was, in de zomer van 2024 een intern onderzoek naar de administratie was
gestart en toenmalig Staatssecretaris Achachbar in november 2024 hierover een intern
memo ontving?
Antwoord 13
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid
van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven
niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan
van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn
steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het
ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen
over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen,
soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van
het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie
met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit
maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie,
is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te
laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw
Kamer gedeeld2. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Vraag 14
Deelt u de conclusie dat, de totale omvang van de hersteloperatie overziend, het uitkeren
van een astronomisch bedrag aan compensatie op onterechte gronden te voorkomen was
geweest wanneer eerder was geluisterd naar, en gehandeld naar aanleiding van, de jarenlange
waarschuwingen van UHT-medewerkers over het bestaan van een accurate brievenadministratie?
Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de conclusie dat het zeer laakbaar is dat dit
niet is gebeurd?
Antwoord 14
Er is zorgvuldig gehandeld naar aanleiding van de ontvangen signalen. Toen er een
concreet signaal kwam heb ik direct de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid
en volledigheid van de administratie.
De totale hoogte van de individuele compensatie vloeit voort uit de (deels forfaitaire)
schadekaders die een invulling vormen van werkelijke schade. Zo is dat in de wet bepaald.
Vraag 15
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 15
Ja
Ondertekenaars
S.T.P.H. Palmen, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.