Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Asten over woningbouwplannen in Hardinxveld-Giessendam die dreigen vast te lopen door provinciale regels
Vragen van het lid Van Asten (D66) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over woningbouwplannen in Hardinxveld-Giessendam die dreigen vast te lopen door provinciale regels (ingezonden 11 juni 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 10 juli 2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Hardinxveld-Giessendam in de knel door provinciale
regels»?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de gemeente Hardinxveld-Giessendam aangeeft ruimte
te zien voor circa 2.500 extra woningen, terwijl volgens de gemeente provinciale regelgeving
verdere ontwikkeling van woningbouwlocatie ’t Oog na de eerste fase van 170 woningen
belemmert?
Antwoord 2
Ik ben bekend met de situatie in Hardinxveld-Giessendam en heb contact gehad met betrokken
partijen zoals deze gemeente, de provincie Zuid-Holland en de regionale versnellingstafel
over de actuele ontwikkelingen.
De verdere ontwikkeling van de woningbouwlocatie ’t Oog is niet opgenomen op de «3
hectare lijst» van grotere buitenstedelijke locaties van de provincie Zuid-Holland.
In het project spelen diverse factoren een rol waaronder het beleid op buitenstedelijk
bouwen, maar ook infrastructurele knelpunten zoals de spoorwegovergang over de Merwede
Linge-lijn en de belasting van de op- en afritten van de A15. Ook zijn er uitdagingen
op het gebied van water en bodem. De provincie en de gemeente zijn ambtelijk in gesprek
over de verdere ontwikkeling van woningbouw in deze regio waaronder de locatie ’t
Oog.
In deze regio is voldoende plancapaciteit om de regionale woningbouwopgave tot en
met 2030 te realiseren.
Over de belemmeringen ten aanzien van buitenstedelijk bouwen in de provincie Zuid-Holland
heb ik recent een brief2 gestuurd naar de Provincie Zuid-Holland. Daarover en ook over de aanvullende woningbouwopgave
tot en met 2036 ben ik met de provincie in gesprek.
Vraag 3, 4 en 5
Deelt u de opvatting dat locaties die aantoonbaar bijdragen aan het terugdringen van
de woningnood en waarvoor lokaal bestuurlijk draagvlak bestaat, niet onnodig door
provinciale regels zouden moeten worden geblokkeerd? Zo ja, welke mogelijkheden ziet
u om dit te bevorderen?
Hoe verhoudt de bescherming van open ruimte en landschap zich volgens u tot de nationale
woningbouwopgave, in het bijzonder in situaties waarin gemeenten onderbouwen dat een
gebied feitelijk al mede wordt gebruikt door bestaande infrastructuur, bedrijvigheid
en bebouwing?
Welke ruimte biedt de huidige wet- en regelgeving aan provincies om woningbouwlocaties
te beperken die door gemeenten als logisch en noodzakelijk voor de woningbouwopgave
worden beschouwd?
Antwoord 3, 4 en 5
Vanzelfsprekend is het niet de bedoeling dat woningbouw onnodig wordt geblokkeerd
door beleid en regelgeving. Tegelijkertijd is de fysieke ruimte in Nederland beperkt
en moeten keuzes worden gemaakt. Daarbij is ook de provincie aan zet. De lijn van
de ontwerpNota Ruimte is dan ook dat meervoudig ruimte gebruik noodzakelijk is. Maar
ook dat bedrijventerreinen en hoogwaardige landbouwgronden beschermd moeten worden.
Woningbouw moet ook goed ontsloten kunnen worden.
Kortom, er zijn afspraken en regels nodig over hoe de ruimte wordt verdeeld. In de
ontwerpNota Ruimte geeft het Rijk aan hoe we die verdeling zien. Provincies leggen
in hun omgevingsvisie en verordeningen hun verdeling en regels vast. Het ruimtelijk
beleid moet op elkaar afgestemd zijn. Daar hoort ook bij dat provincies zorgen dat
er voldoende ruimte is voor woningbouwlocaties ten opzichte van de bestuurlijk afgesproken
aantallen woningen: binnenstedelijk en buitenstedelijk. In het ontwerpbesluit Versterking
regie volkshuisvesting regel ik daarom ook dat de ladder voor duurzame verstedelijking
niet meer van toepassing is voor nieuwe woningbouwlocaties.
Waar er sprake is van belemmeringen zijn de regionale versnellingstafels bedoeld om
belemmeringen naar voren te brengen en projecten weer vlot te trekken.
De focus ligt daarbij primair op het realiseren van de beschikbare locaties.
Als daar belemmeringen geconstateerd worden die komen door strijd met landelijke uitgangspunten
kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren. Dat begint altijd
bij bestuurlijk overleg.
Vraag 6
Kunt u aangeven hoeveel woningbouwlocaties in Nederland momenteel worden vertraagd
of beperkt als gevolg van provinciale ruimtelijke regels of beleidskeuzes? Zo nee,
bent u bereid dit in kaart te brengen?
Antwoord 6
Hier is geen totaaloverzicht van. Vertraging van woningbouwprojecten wordt immers
vaak veroorzaakt door een combinatie van factoren, zoals problemen met netcongestie
en complexiteit in procedures. Zoals in mijn antwoord op vraag 3, 4 en 5 beschreven,
wordt aan de regionale versnellingstafels gezamenlijk gezocht naar oplossingen voor
belemmeringen in woningbouwprojecten. Ook bespreek ik belemmeringen in de realisatie
van de woningbouwopgave tijdens de bestuurlijke overleggen Woondeals. Ik ben bovendien
op diverse manieren in gesprek met provincies over hun omgevingsbeleid in het kader
van de NOVEX-tafels. Dit betreft ook de wederkerige afspraken die Rijk en Regio jaarlijks
maken in het ruimtelijk arrangement.
Vraag 7
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Zuid-Holland over de gevolgen
van het herziene omgevingsbeleid voor woningbouwlocaties zoals ’t Oog, en daarbij
te bezien of maatwerk mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Ik ben momenteel in het kader van het herziene omgevingsbeleid dat onlangs in provinciale
staten van Zuid-Holland is vastgesteld, al in gesprek met de provincie. Daarbij zal
ik specifiek aandacht besteden aan de uitvoering van diverse aangenomen amendementen
en moties die gaan over meer ruimte voor woningbouw en aan mogelijke flexibiliteit
in de uitvoering van het omgevingsbeleid.
Vraag 8
In uw recente brief aan provinciale staten van Zuid-Holland heeft u aangegeven dat
woningbouwlocaties die bijdragen aan de nationale woningbouwopgave niet onnodig moeten
worden geblokkeerd door provinciale regels. Welke concrete resultaten verwacht u naar
aanleiding van deze oproep?
Antwoord 8
Ik heb de genoemde brief aan de provinciale staten van Zuid-Holland gestuurd in de
verwachting dat die voor de leden belangrijke input zou zijn in hun bespreking en
stemmingen. Ik constateer dat er bij de behandeling onder meer een wijziging is aangenomen
die als strekking heeft het beleid rond een straatje erbij te verruimen. Ik ben met
de provincie in gesprek om te vernemen hoe men verder gaat met de buitenstedelijke
locaties en met de uitvoering van het herziene beleid.
Vraag 9
Deelt u de zorg dat gemeenten die bereid en in staat zijn om extra woningen te realiseren,
ontmoedigd kunnen raken wanneer planologisch voorbereide locaties alsnog vastlopen
in bestuurlijke procedures en beleidsmatige beperkingen? Zo ja, welke consequenties
verbindt u daaraan?
Antwoord 9
Het vastlopen in bestuurlijke procedures dienen we te voorkomen. De wet Versterking
regie volkshuisvesting is daar al een belangrijke stap in, onder meer door via aanpassingen
in het stelsel duidelijkheid te creëren over de betaalbaarheidsverdeling en waar en
voor wie we bouwen. Bij ruimtelijk beleid moeten – zoals hierboven al is beschreven
– altijd meerdere belangen worden afgewogen.
Vraag 10
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid
beter aansluit bij de ambitie om landelijk ten minste 100.000 woningen per jaar te
realiseren, met name in provincies waar de woningdruk het hoogst is?
Antwoord 10
Zoals in mijn voorgaande antwoorden beschreven vind ik het belangrijk dat provincies
voldoende ruimte bieden voor woningbouwlocaties en geen onnodige belemmeringen opwerpen.
Ik houd daarbij de vinger aan de pols, mede door concepten van omgevingsvisies en
verordeningen te bezien en daar waar nodig het gesprek over aan te gaan. Daarbij let
ik erop dat de regelgeving en de uitvoering van regelgeving en beleid in lijn zijn
met het Rijksbeleid en -regelgeving. Als dat niet het geval is, gebruik ik mijn instrumentarium
om te interveniëren. Ik voer daarover dan allereerst een bestuurlijk gesprek.
Daarnaast maak ik in de actualisering van de Woondeals gericht afspraken om de ambitie
van 100.000 woningen per jaar te realiseren.
Vraag 11
Bent u bereid te onderzoeken of de Omgevingswet en de provinciale instructieregels
voldoende ruimte bieden voor lokaal maatwerk bij woningbouwlocaties die aansluiten
op bestaande infrastructuur en voorzieningen? Zo ja, wanneer kan de Kamer hierover
worden geïnformeerd?
Antwoord 11
Zoals het tweede reflectierapport «Werk aan de winkel» van de Evaluatiecommissie Omgevingswet
laat zien, geeft de Omgevingswet voldoende ruimte.
Ik heb u het rapport van de Evaluatiecommissie Omgevingswet op 10 maart 2026 gezonden
en op 19 juni 2026 heb ik u de kabinetsreactie hierop gezonden3. Hierbij heb ik aangegeven dat de Omgevingswet alle bevoegde gezagen een wenkend
perspectief biedt om te komen tot een balans tussen het beschermen en benutten van
de fysieke leefomgeving. Ik zie geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.
Vraag 12
Herkent u het beeld dat provinciale beleidskeuzes in sommige gevallen leiden tot het
schrappen of beperken van woningbouwlocaties die door gemeenten als kansrijk, uitvoerbaar
en maatschappelijk gewenst worden beschouwd? Zo ja, welke mogelijkheden heeft het
Rijk om ervoor te zorgen dat provinciaal beleid de nationale woningbouwopgave ondersteunt
in plaats van belemmert?
Antwoord 12
Ik werk samen met provincies en gemeenten aan het realiseren van voldoende woningen
in Nederland. Daarbij ligt de focus op het realiseren van de locaties die al in beeld
zijn. Als belemmeringen voor de woningbouw voortvloeien uit provinciale keuzes, dan
ga ik eerst bestuurlijk in gesprek. Wanneer bestuurlijk overleg niet tot het gewenste
resultaat leidt, kan ik waar nodig mijn bevoegdheden inzetten om te interveniëren.
Voor al die woningzoekenden die dringend behoefte hebben aan een thuis.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.