Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 990 Wijziging van de Energiewet, de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet op de accijns, ter implementatie van het EU-wetgevingspakket inzake het verbeteren van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie en de verbetering van de bescherming van de Unie tegen marktmanipulatie op de groothandelsmarkt voor energie (Implementatiewet EMD-pakket)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
I
ALGEMEEN
2
1.
Context en hoofdlijnen
2
1.1
Inleiding
2
1.2
Doel van het Electricity Market Design-pakket
4
1.3
Relatie met andere wet- en regelgeving
5
1.3.1
Energiewet en de nieuwe Gasrichtlijn en Gasverordening
5
1.3.2
Lagere regelgeving Energiewet: Energiebesluit en Energieregeling
6
1.3.3
Overige EU-regelgeving
7
1.4
Rechtsbescherming
8
1.5
Reikwijdte implementatie EMD-pakket
9
1.6
Opbouw memorie van toelichting
10
2.
Het EMD-pakket op hoofdlijnen
10
2.1
EMD-richtlijn en EMD-verordening
10
2.1.1
EMD-richtlijn
10
2.1.2
EMD-verordening
11
2.2
Gewijzigde REMIT
13
3.
Inhoud van het wetsvoorstel
14
3.1
Wijze van implementatie EMD-pakket en belangrijkste wijzigingen voor de praktijk
14
3.1.1
Uitgangspunten voor de implementatie
14
3.1.2
Nationale beleidsruimte in de EMD-Richtlijn
15
3.1.3
Nationale beleidsruimte in de EMD-Verordening
20
3.1.4
Nationale beleidsruimte in de wijzigingsverordening van REMIT
22
3.2
Belangrijkste wijzigingen van de implementatie van het EMD-pakket voor de praktijk
22
3.2.1
EMD-Richtlijn en Verordening
22
3.2.2
Gewijzigde REMIT
35
3.3
Openbaredienstverplichting
41
4.
Gevolgen voor burgers en bedrijven
43
4.1
Het doenvermogen voor burgers
44
4.1.1
Algemeen
44
4.1.2
Wijze waarop rekening is gehouden met het doenvermogen
45
4.2
Regeldrukeffecten
47
4.2.1
Bescherming eindafnemers
48
4.2.2
Energiedelen met vrije leverancierskeuze
50
4.2.3
Verplichtingen systeembeheerders ten behoeve van flexibiliteit
54
4.2.4
Totale regeldrukkosten
57
4.3
Privacy-aspecten
57
4.3.1
Algemeen
57
4.3.2
Beoordeling risico's
58
4.3.3
Advies persoonsgegevens
58
5.
Toezicht, handhaving en sanctionering
58
6.
Publieke (internet)consultatie
59
6.1
Proces
59
6.2
Ontvangen reacties publieke internetconsultatie
59
6.3
Algemene uitkomsten
60
6.4
Reacties per onderwerp
60
6.4.1
Reikwijdte implementatie
60
6.4.2
Bescherming eindafnemers
62
6.4.3
Energiedelen
63
6.4.4
Wet belastingen op milieugrondslag
65
6.4.5
Flexibiliteit in het elektriciteitssysteem
67
6.4.6
Voorzieningszekerheid/capaciteitsmechanismen
70
6.4.7
Power Purchase Agreements (PPA's of stroomafnameovereenkomsten)
71
6.4.8
REMIT
71
7.
Toetsing en Adviezen
74
7.1
Uitvoerbaarheid- en handhaafbaarheidstoets ACM
74
7.2
Uitvoeringstoets Belastingdienst
76
7.3
Advies van de Adviescommissie Toetsing Regeldruk
76
7.4
Raad voor de Rechtspraak
77
8.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
77
II.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
77
III.
TRANSPONERINGSTABELLEN
103
1.
Transponeringstabel EMD-pakket
103
1.1
EMD-Richtlijn
103
1.2
EMD-Verordening
108
1.3
Wijzigingsverordening van REMIT
114
2.
Transponeringstabel nieuwe Gasrichtlijn
117
I ALGEMEEN
1. Context en hoofdlijnen
1.1 Inleiding
Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van Richtlijn 2024/1711 van het Europees
Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van de Richtlijnen 2018/20011 en 2019/9442 inzake de verbetering van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie (hierna:
EMD-richtlijn). Deze richtlijn maakt onderdeel uit van het pakket aan Europese regelgeving
dat zich richt op hervorming van de elektriciteitsmarkt (ook wel «Electricity Market
Design», hierna: EMD-pakket).3 Het EMD-pakket is onderdeel van de Europese Green Deal uit 2019. In de Green Deal
heeft de Europese Commissie een reeks aanpassingen van het klimaat-, energie-, vervoers-
en belastingbeleid van de Europese Unie voorgesteld.4 Die moeten het mogelijk maken om in 2030 netto 55% minder broeikasgassen uit te stoten
dan in 1990.
Om hernieuwbare energie te stimuleren, eindafnemers beter te beschermen en het concurrentievermogen
van de industrie te vergroten, heeft de Europese Commissie in 2023 een hervorming
van de huidige regels voor de elektriciteitsmarkt voorgesteld, als onderdeel van het
«Industrieel plan voor de Green Deal».5 Het doel van dit plan is om de Europese industrie concurrerender te maken en de transitie
naar klimaatneutraliteit te versnellen. De hervorming van de regels voor de Europese
elektriciteitsmarkt is gericht op het versnellen van de uitrol en integratie van meer
hernieuwbare energiebronnen in het energiesysteem en de versterking van regels gericht
op bescherming tegen marktmanipulatie, bevordering van de stabiliteit en voorspelbaarheid
van de energieprijzen. Op deze manier dragen de regels bij tot het concurrentievermogen
van de Europese industrie.
De nieuwe regels voor de opzet van de elektriciteitsmarkt in het EMD-pakket vormen
hiervan de uitwerking. De EMD-richtlijn bevat kort gezegd nadere regels voor energiedelen,
aanvullende bescherming van eindafnemers en nadere regels omtrent flexibiliteit in
het elektriciteitssysteem (zie nader paragraaf 3.2). De implementatietermijn betreft
zes maanden (tot 17 januari 2025), met uitzondering van de bepalingen omtrent energiedelen
waarvoor een implementatietermijn van 24 maanden is gesteld (tot 17 juli 2026).
Naast implementatie van de bovengenoemde richtlijn als onderdeel van het EMD-pakket,
voorziet het wetsvoorstel in de noodzakelijke aanpassingen die volgen uit twee verordeningen
die ook onderdeel uitmaken van het EMD-pakket:
(1) Verordening 2024/1747 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging
van Verordening 2019/9426 (hierna: Acer-Verordening) en 2019/9437 (hierna: Elektriciteitsverordening) wat betreft het verbeteren van de opzet van de
elektriciteitsmarkt van de Unie (hierna: EMD-Verordening).
(2) Verordening 2024/1106 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot
wijziging van de Verordeningen 1227/2011 en 2019/942 wat de verbetering van de bescherming
van de Unie tegen marktmanipulatie op de groothandelsmarkt voor energie betreft (wijzigingsverordening
REMIT).8
Voorts worden uit oogpunt van efficiëntie en wetstechnische consistentie enkele bepalingen
uit de nieuwe Gasrichtlijn geïmplementeerd waar deze inhoudelijk identiek zijn aan
het equivalent voor elektriciteit in de EMD-richtlijn (zie nader paragraaf 1.3.1).
Implementatie van de EMD-richtlijn en uitvoering van genoemde verordeningen krijgt
met dit wetsvoorstel voor het overgrote deel een plaats in de Energiewet en onderliggende
regelgeving. In de Energiewet zijn de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet gemoderniseerd
en samengevoegd in één nieuwe wet en is tevens de relevante EU-regelgeving geïmplementeerd.9 De Energiewet, het Energiebesluit en de Energieregeling zijn op 1 januari 2026 in
werking getreden.10 Daarnaast bevat dit wetsvoorstel wijzigingen in de bepalingen inzake energiebelasting
in de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet op accijns die noodzakelijk zijn
in verband met de implementatie van de richtlijnbepalingen omtrent energiedelen.
Ten slotte wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om met dit wetsvoorstel invulling
te geven aan een bestaande lidstaatoptie in artikel 9 van de Elektriciteitsrichtlijn
(richtlijn (EU) 2019/944) en artikel 6 van de Gasrichtlijn (richtlijn (EU) 2024/1788)
waarmee lidstaten een openbaredienstverplichting in het algemeen economisch belang
kunnen opleggen. Voorgesteld wordt om in de Energiewet de bevoegdheid op te nemen
tot het opleggen van een openbaredienstverplichting in het belang van nationale (economische)
veiligheid. Toevoeging van deze bevoegdheid aan de voorstellen voor de implementatie
van het EMD-pakket acht het kabinet passend, aangezien in beide gevallen uitwerking
wordt gegeven aan de Elektriciteitsrichtlijn, door middel van een wijziging van de
Energiewet. De voorgestelde bevoegdheid is in lijn met de ambities van het kabinet
om de weerbaarheid van Nederland tegen dreigingen tegen de nationale veiligheid te
vergroten.
1.2 Doel van het Electricity Market Design-pakket
Het EMD-pakket is het resultaat van inspanningen van de Europese Unie tot verdere
hervorming van de Europese elektriciteitsmarkt.11 Aanleiding van het EMD-pakket was de grote stijging in energieprijzen gedurende 2021
en 2022. Deze prijsstijging was met name toe te schrijven aan een acute schaarste
in het aanbod van fossiele brandstoffen uit Rusland, en aan tegenvallende productie
van kerncentrales en waterkrachtcentrales. Ook speelde de toegenomen vraag naar energie
als gevolg van economisch herstel na de COVID-pandemie een rol bij de prijsstijgingen.
De bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn en Elektriciteitsverordening
adresseren de zorgen van burgers, bedrijven en andere afnemers over prijsvolatiliteit
door hoge prijzen voor fossiele energie. De wijzigingen van de Elektriciteitsrichtlijn
richten zich op versterking van eindafnemers door onder meer een breder aanbod van
en betere transparantie over energiecontracten, strengere eisen voor leveranciers
voor het afdekken van financiële risico’s, en de mogelijkheid om gereguleerde elektriciteitsprijzen
vast te stellen in het geval van een prijscrisis. Daarnaast verbreedt de richtlijn
het recht om energie te delen waardoor eindafnemers, zoals kleine en middelgrote ondernemingen
(hierna: KMO) en overheidsinstanties, onderling elektriciteit kunnen uitwisselen.
De wijzigingen van de Elektriciteitsverordening bieden een grotere rol voor langere
termijnmarkten (naast de kortere termijnmarkten) die afnemers meer prijszekerheid
bieden en faciliteert investeringen in hernieuwbare energie en de integratie daarvan
in het energiesysteem. Ook bevat de verordening bepalingen gericht op de bevordering
van flexibiliteit in het elektriciteitssysteem.
De wijzigingen van REMIT en de Acer-Verordening richten zich op het goed blijven functioneren
van de groothandelsmarkt. Transparantie en integriteit van de energiemarkt alsmede
een goede monitoring en effectief toezicht op die markt zijn hiervoor van groot belang.
De in de verordening opgenomen wijzigingen richten zich op tekortkomingen in de bestaande
regelgeving om zo het vertrouwen van consumenten en marktdeelnemers in de integriteit
van de energiemarkt te behouden. Zo scherpt deze wijziging van REMIT het rapportageregime
aan, alsmede het verzamelen en delen van gegevens voor zowel toezichthouders, bevoegde
financiële autoriteiten als marktpartijen. Ook zorgen de wijzigingen uit de verordening
voor versterking van het toezicht op de markt van voor groothandel bestemde energieproducten.
Tot slot zorgen de wijzigingen voor bevordering van de (grensoverschrijdende) samenwerking
tussen nationale toezichthouders van de EU-landen, en voor verbetering van het proces
voor de verzameling van informatie over voorwetenschap en markttransparantie.
1.3 Relatie met andere wet- en regelgeving
1.3.1 Energiewet en de nieuwe Gasrichtlijn en Gasverordening
Een aantal beschermingsbepalingen voor eindafnemers uit de bij het EMD-pakket gewijzigde
Elektriciteitsrichtlijn komt inhoudelijk overeen met bepalingen uit de vastgestelde
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende gemeenschappelijke
regels voor de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en waterstof (hierna
«nieuwe Gasrichtlijn»). De nieuwe Gasrichtlijn heeft een implementatietermijn van
24 maanden en is onderdeel van het zogenoemde decarbonisatiepakket, waar ook een nieuwe
verordening op het terrein van gas en waterstof toe behoort.12 De nieuwe Gasrichtlijn en de nieuwe Gasverordening vormen de «evenknie» van de Elektriciteitsrichtlijn
en -verordening. De Energiewet bevat zowel elektriciteits- als gaswetgeving en hierin
zijn de bestaande Elektriciteitsrichtlijn (2019/944) en de vorige Gasrichtlijn (2009/73)
geïmplementeerd. Waar mogelijk zijn de in de Energiewet opgenomen bepalingen uit de
Elektriciteitsrichtlijn al gelijkgetrokken voor bepalingen die ook zien op gas (zie
ook hierna). Het is de verwachting dat de implementatie van het decarbonisatiepakket
eveneens voor het grootste deel zal plaatsvinden via aanpassing van de Energiewet.
De Implementatiewet herziene gasrichtlijn en uitvoering herziene gasverordening is
van medio juli tot eind september 2025 openbaar geconsulteerd.13 Eind 2025 is het wetsvoorstel voorgelegd aan onder andere de Autoriteit Consument
en Markt voor een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets. Waar de bepalingen
uit de nieuwe Gasrichtlijn inhoudelijk identiek zijn aan de met het EMD-pakket gewijzigde
Elektriciteitsrichtlijn, worden deze dan ook om redenen van efficiëntie en wetstechnische
consistentie meegenomen in het implementatietraject van het voorliggende EMD-wetsvoorstel.
Concreet gaat het hierbij om de bepalingen in de nieuwe Gasrichtlijn over toegang
tot betaalbare energie tijdens een gasprijscrisis (artikel 5), de bescherming tegen
afsluiting (artikel 28), de bepalingen over de noodleverancier (artikel 29) en de
definitie van energiearmoede (artikel 2, punt 74).14
Ten aanzien van het decarbonisatiepakket kan verder worden opgemerkt dat de nieuwe
Gasverordening bepaalt dat de regels van REMIT niet langer alleen van toepassing zijn
op de groothandelsmarkt voor elektriciteit en gas, maar ook op de markt voor waterstof.
Deze uitbreiding van het toepassingsbereik van REMIT zal worden meegenomen in het
implementatietraject van het decarbonisatiepakket. Niettemin zullen de regels van
de gewijzigde REMIT ook gelden voor waterstof. Dit betekent dat de bepalingen die
in voorliggend implementatiewetsvoorstel zijn opgenomen ten behoeve van de uitvoering
van de gewijzigde REMIT, in de toekomst ook zullen gelden voor (het toezicht op) de
groothandelsmarkt voor waterstof.
1.3.2 Lagere regelgeving Energiewet: Energiebesluit en Energieregeling
Enkele bepalingen van de bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn zijn
reeds geïmplementeerd en opgenomen in gedelegeerde regelgeving onder de Energiewet:
het Energiebesluit en de Energieregeling. Deze implementatiebepalingen zijn hiermee
sneller van kracht dan de bepalingen in het EMD-wetsvoorstel. Dit levert wetstechnisch
geen problemen op omdat er voor de uitwerking van deze bepalingen reeds een grondslag
bestaat in de Energiewet. Het Energiebesluit is, tegelijkertijd met de Energiewet
en de Energieregeling, op 1 januari 2026 inwerking getreden.15 In het Energiebesluit is reeds uitwerking gegeven aan een aantal bepalingen uit de
gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn alsmede de nieuwe Gasrichtlijn die betrekking hebben
op onder meer een definitie van energiearmoede, de informatieplicht van energieleveranciers,
risicobeheer door energieleveranciers, de noodleverancier en het gebruik van slimme
metersystemen ten behoeve van meerdere marktdeelnemers (zie ook de transponeringstabellen
opgenomen in onderdeel III van deze toelichting).16 Ook is in het Energiebesluit uitwerking gegeven aan enkele bepalingen van de gewijzigde
Elektriciteitsverordening.17 Deze bepalingen in het Energiebesluit vinden hun grondslag in de Energiewet (artikelen
1.7, 2.5, 2.6, 2.18, 2.25, 2.46 en 5.1). In afdeling 2.2 van de Energieregeling worden
nadere regels gesteld over de vereiste kwaliteiten en deskundigheid waarover vergunninghouders
moeten beschikken. Het onderwerp risicobeheer door energieleveranciers (artikel 18
bis van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn) raakt hieraan. Daarnaast zijn enkele
onderdelen van de bepalingen die zien op bescherming tegen afsluiting van eindafnemers,18 opgenomen in afdeling 2.4 en artikel 3.12 van de Energieregeling. De grondslag hiervoor
is opgenomen in de Energiewet (artikelen 2.25 en 3.79, onderdeel d).
1.3.3 Overige EU-regelgeving
RED-richtlijn
De Richtlijn 2023/2413 tot herziening van de Richtlijn hernieuwbare energie 2018/200119 is op 30 november 2023 in werking getreden en dient binnen 18 maanden te zijn omgezet
in de nationale regelgeving (hierna: gewijzigde RED-richtlijn).20 De richtlijn vormt onderdeel van het Fit-for-55-pakket dat invulling geeft aan het
juridisch bindende Europese broeikasgasreductiedoel van ten minste netto 55% in 2030
ten opzichte van 1990, zoals vastgelegd in de Europese Klimaatwet. De gewijzigde RED-richtlijn
verhoogt de bindende hernieuwbare-energiedoelstelling (op EU-niveau) van 32% tot 42,5%
(met 45% als indicatief streefcijfer). Verder scherpt de gewijzigde RED-richtlijn
de doelstellingen voor de sectoren vervoer en stadsverwarming en -koeling aan en introduceert
zij doelstellingen voor integratie van hernieuwbare energie in industrie en gebouwen.
Op dit moment wordt gewerkt aan de implementatie van de richtlijn.21 De gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn wijzigt artikel 4, derde lid, van de RED-richtlijn
(steunregelingen). De vorige versie van artikel 4 is in Nederland geïmplementeerd
op grond van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies, in het Besluit stimulering duurzame
energieproductie en klimaattransitie en in steunregelingen van verscheidene ministeries.22 Artikel 19 quinquies uit de gewijzigde Elektriciteitsverordening over directe prijssteun
in de vorm van tweerichtingscontracten houdt hier direct verband mee. Aangezien artikel
19 quinquies van de gewijzigde Elektriciteitsverordening niet in dit wetsvoorstel
wordt meegenomen (zie hierna in paragraaf 1.4), valt de wijziging van artikel 4 van
de RED-richtlijn buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel (zie voor nadere toelichting
hierna in paragraaf 1.4).
Europese Verordening Marktmisbruik
Vanwege de toegenomen samenhang tussen de financiële markten en groothandelsmarkten
voor energie, zoekt de (bij het EMD-pakket) gewijzigde REMIT-verordening aansluiting
bij de wetgeving voor financiële markten. Ten eerste brengt de wijzigingsverordening
diverse begrippen in lijn met de Europese Verordening Marktmisbruik (Market Abuse Regulation, ofwel MAR).23 Ten tweede worden de bestuurlijke minimale boetemaxima voor lidstaten in lijn gebracht
met de minimale boetemaxima voor vergelijkbare overtredingen van de MAR.24 Dit betekent dat ook de nationale implementatie van de bestuurlijke minimale boetemaxima
uit de gewijzigde REMIT-verordening bij de MAR aansluiten.
1.4 Rechtsbescherming
In de Energiewet zijn verschillende bevoegdheden opgenomen op grond waarvan de ACM
of de Minister een besluit neemt. Met de implementatie van het EMD-pakket in dit wetsvoorstel
wordt het toepassingsbereik van enkele van deze bevoegdheden van de ACM of toezichthoudende
ambtenaren van de ACM uitgebreid.
In zijn algemeenheid geldt dat de door genoemde bestuursorganen genomen besluiten
of toezichtshandelingen vallen onder bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Civielrechtelijke
rechtsbescherming is aan de orde voor zover het gaat om geschillen in de privaatrechtelijke
relatie tussen partijen. Een geschil over een overeenkomst tussen bijvoorbeeld een
leverancier en een eindafnemer, of tussen een systeembeheerder en een marktdeelnemer,
komt voor de civiele rechter. Daarnaast bestaan buitengerechtelijke geschilbeslechtingsmogelijkheden
(zie artikel 2.18 van de Energiewet) en is er een bestuursrechtelijke geschilbeslechtingsprocedure
bij de ACM voor klachten over de uitvoering van taken of verplichtingen door een systeembeheerder
(zie artikel 5.4 van de Energiewet).
De inrichting van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming in dit wetsvoorstel, zoals
hierna verder toegelicht, sluit aan bij de wijze waarop rechtsbescherming onder de
Energiewet is geregeld (zie de uitgangspunten in de memorie van toelichting, paragraaf
10.5, Kamerstukken II 2022/23, 36 378, nr. 3). Achtereenvolgens worden in deze paragraaf de wijzigingen die gevolgen hebben voor
de rechtsbescherming, namelijk energiedelen en de gewijzigde REMIT, toegelicht.
Energiedelen
Energiedelen wordt op basis van dit wetsvoorstel verplicht gefaciliteerd door leveranciers
en andere marktdeelnemers. Ook zijn er verplichtingen in verband met energiedelen
voor transmissie- of distributiesysteembeheerders. Handhavingsbesluiten van de ACM
bij overtreding van de publiekrechtelijke normen vallen onder het bestuursrechtelijke
rechtsbeschermingsregime. Civielrechtelijke rechtsbescherming is aan de orde voor
zover het gaat om de leveringsovereenkomst tussen een eindafnemer en een leverancier
of de overeenkomst inzake energiedelen tussen eindafnemers. Vergunningplichtige leveranciers
(leveranciers die leveren aan eindafnemers met een kleine aansluiting) zijn daarnaast
verplicht aangesloten bij een instantie voor buitengerechtelijke geschilbeslechting
(artikel 2.18 Energiewet). De bij de EMD gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn schrijft
tevens voor dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat actieve afnemers die energiedelen
toegang hebben tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting.
Gewijzigde REMIT
Met implementatie van de gewijzigde REMIT wordt de handhavingsbevoegdheid van de ACM
uitgebreid met enkele nieuwe bepalingen uit de gewijzigde REMIT. Handhavingsbesluiten
van de ACM bij overtreding van deze bepalingen vallen onder het bestuursrechtelijk
rechtsbeschermingsregime. Daarnaast is ook strafrechtelijke handhaving van deze nieuwe
bepalingen mogelijk onder de Wet economische delicten, zoals dat al geldt voor de
reeds bestaande nationaal te handhaven REMIT-bepalingen. Daarvoor geldt het strafrechtelijk
rechtsbeschermingsregime.
Het wetsvoorstel regelt dat toezichthoudende ambtenaren van de ACM bijstand kunnen
verlenen aan een onderzoek van het Agentschap van de EU voor de samenwerking tussen
energieregulators (Acer) in Nederland. De procedurele waarborgen tegen de uitoefening
van onderzoeksbevoegdheden door Acer – onderzoek ter plaatse, verzoek om informatie
en afnemen van een verklaring – zijn geregeld in REMIT (zie artikel 13 quinquies en
artikel 13 nonies van de gewijzigde REMIT). Deze gelden eveneens als toezichthoudende
ambtenaren van de ACM bijstand verlenen aan Acer. Tegen besluiten van Acer in het
kader van het onderzoek, waaronder besluiten tot het opleggen van een dwangsom, (zie
artikel 13 bis, vierde en zesde lid, en artikel 13 ter, tweede lid, en artikel 13
octies, eerste lid, van de gewijzigde REMIT) staat beroep open bij het EU Hof van
Justitie (zie artikelen 13 bis, tiende lid, laatste volzin, 13 ter, tweede lid, laatste
volzin, 13 octies, vijfde lid, en 13 undecies van de gewijzigde REMIT). Voorts staat
rechtsbescherming open indien op grond van een onderzoeksverslag van Acer een handhavingsbesluit
wordt genomen (zie artikel 13, elfde lid, van de gewijzigde REMIT). Daarnaast regelt
het wetsvoorstel dat toezichthoudende ambtenaren van de ACM, indien Acer of een andere
nationale regulerende instantie (NRI) daarom verzoekt, namens die toezichthouder een
inspectie kunnen verrichten of een verklaring kunnen afnemen. Zij kunnen ook namens
Acer of een andere NRI een door REMIT aan die toezichthouder toegekende taak of verantwoordelijkheid
uitvoeren wanneer deze op grond van REMIT aan de ACM is gedelegeerd. Voorts kunnen
toezichthoudende ambtenaren van de ACM bijstand verlenen om nakoming af te dwingen
van een verzoek om informatie van Acer of een NRI van een andere EU-lidstaat aan een
in Nederland gevestigde partij. Bij de uitvoering van deze taken maken de toezichthoudende
ambtenaren van de ACM gebruik van de nationale bevoegdheden uit de Algemene wet bestuursrecht
en de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en gelden de daarbij behorende
procedurele waarborgen. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming staat open indien op
basis van dergelijk onderzoek een handhavingsbesluit wordt genomen door de ACM (of
NRI van een andere EU-lidstaat).
1.5 Reikwijdte implementatie EMD-pakket
De bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsverordening schrijft voor dat lidstaten
die directe prijssteun geven voor hernieuwbare elektriciteit, die steun moeten geven
in de vorm van tweezijdige contracts for difference (hierna: CfD’s of tweerichtingscontracten) of gelijkwaardige regelingen met dezelfde
gevolgen (artikel 19 quinquies).25 De desbetreffende bepaling is van toepassing op contracten voor directe prijssteun
die zijn afgesloten op, of na drie jaar na inwerkingtreding van de Verordening.
Op 13 mei 2024 is de brief «Toekomstig stimuleringsbeleid zon-PV en wind op land na
de SDE++» aan de Tweede Kamer gestuurd.26 In deze brief geeft de toenmalige Minister voor Klimaat en Energie aan dat hij voornemens
is voor zon-PV en wind op land over te gaan op tweezijdige CfD’s. In de brief wordt
een voorbehoud gemaakt voor de juridische haalbaarheid en de uitvoerbaarheid ervan.
Ook worden er nog geen ontwerpkeuzes gemaakt voor de CfD’s of keuzes over de mate
waarin er in de toekomst gestimuleerd zal worden. Gelet hierop, alsmede de driejaarstermijn
voor implementatie van de betreffende bepaling uit de verordening, is besloten om
de eventuele uitvoering van artikel 19 quinquies niet mee te nemen in voorliggend
wetsvoorstel. De wetsaanpassing ten behoeve van de introductie van tweerichtingscontracten
is in een apart wetsvoorstel meegenomen, te weten het wetsvoorstel Wet toepassing
tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen voor Klimaat en Energie. Het
wetsvoorstel introduceert tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen
als een nieuw instrument ter ondersteuning van projecten voor de productie van hernieuwbare
elektriciteit, elektriciteit uit kernenergie en andere projecten die bijdragen aan
de vermindering van broeikasgassen. Het wetsvoorstel is van medio oktober tot medio
november 2025 openbaar geconsulteerd 27en de Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 29 april 2026 advies uitgebracht
over het wetsvoorstel.28
1.6 Opbouw memorie van toelichting
Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Paragraaf 2 gaat in op de belangrijkste elementen
van het EMD-pakket. Paragraaf 3 beschrijft de inhoud van het wetsvoorstel, te weten
de manier waarop het EMD-pakket wordt geïmplementeerd in het wetsvoorstel en de belangrijkste
wijzigingen voor de praktijk. Ook wordt in deze paragraaf ingegaan op de in dit wetsvoorstel
opgenomen bevoegdheid tot het opleggen van een openbaredienstverplichting. Paragraaf
4 geeft de gevolgen weer voor het bedrijfsleven en burgers waaronder ook gevolgen
voor privacy. Paragraaf 5 behandelt de uitvoeringsaspecten van het wetsvoorstel. Paragraaf
6 geeft de belangrijkste thema’s uit de internetconsultatie weer. Paragraaf 7 biedt
een overzicht van het toezicht, de handhaving en sanctionering van het wetsvoorstel.
Paragraaf 8 behandelt de overgangsbepalingen en het moment van inwerkingtreding. Daarna
volgt het artikelsgewijze deel, gevolgd door de transponeringstabellen.
2. Het EMD-pakket op hoofdlijnen
2.1 EMD-richtlijn en EMD-verordening
2.1.1 EMD-richtlijn
De in de EMD-richtlijn opgenomen wijzigingen van de bestaande Elektriciteitsrichtlijn
zijn gericht op betere bescherming van eindafnemers, verbreding van het recht op het
delen van energie, een snellere uitrol van hernieuwbare energie en efficiënter gebruik
van de transportcapaciteit.
Eindafnemers krijgen op grond van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn het recht
op een leveringsovereenkomst met een vaste looptijd en een vaste prijs, naast de bekende
mogelijkheid om te kiezen voor een leveringsovereenkomst op basis van dynamische prijzen.
Het recht op een leveringsovereenkomst met een vaste looptijd en een vaste prijs is
reeds opgenomen in artikel 2.23 van de Energiewet (het modelcontract). Daarnaast wordt
de informatievoorziening voor eindafnemers uitgebreid, doordat voorwaarden worden
gesteld aan de inhoud van de samenvatting die eindafnemers moeten ontvangen voorafgaand
aan het sluiten van een leveringsovereenkomst. In het kader van informatievoorziening
is in de wijzigingsrichtlijn ook opgenomen dat eindafnemers door leveranciers volledig
moeten worden geïnformeerd over de mogelijkheden, kosten en risico’s van de verschillende
typen leveringsovereenkomsten voor elektriciteit en gas, en dat leveranciers onder
meer moeten informeren betreffende de noodzaak om een passende meter te laten installeren.
Verder worden de regels voor afsluitbescherming alsmede de regels voor een noodleverancier
in geval van falende leverancier versterkt. Ook biedt de richtlijn lidstaten de keuze
om in geval van een Europese prijscrisis in te grijpen in de nationale leveringsprijzen.
De gewijzigde richtlijn voorziet in verbreding van het recht voor eindafnemers om
energie te delen met vrije leverancierskeuze. De richtlijn beoogt met energiedelen
voor afnemers veerkracht te creëren tegen de effecten van hoge en volatiele prijzen
en ook minder (financieel) draagkrachtige consumenten meer mogelijkheden te geven.29 Alle huishoudens, kleine en middelgrote ondernemingen en overheidsinstanties hebben
op basis van de richtlijn het recht om als actieve afnemers deel te nemen aan het
delen van energie. Dit wordt mogelijk op basis van particuliere overeenkomsten of
via een juridische entiteit. Kort gezegd kunnen eindafnemers die zelf hernieuwbare
elektriciteit opwekken, deze elektriciteit delen. En op hun beurt kunnen consumenten
en bedrijven die zelf geen elektriciteit kunnen opwekken gebruikmaken van door andere
eindafnemers of binnen een energiegemeenschap opgewekte elektriciteit. Dit versterkt
de positie van de consument en heeft bovendien een positief effect op het verbruik
van hernieuwbare energie. De wijzigingsrichtlijn biedt actieve afnemers de mogelijkheid
om gebruik te maken van een tussenpersoon die ondersteuning biedt bij het delen van
energie.
De distributiesysteembeheerders krijgen een grotere rol in de informatie- en meetstromen
die nodig zijn om een impuls te geven aan het zoveel mogelijk benutten van duurzame
energie en het zo goed mogelijk benutten van de beschikbare transportcapaciteit. Met
de extra informatieplichten voor distributiesysteembeheerders over de beschikbare
capaciteit op het distributiesysteem voor elektriciteit kan uitbreiding van dit systeem
worden beperkt. Dit draagt bij aan energie-efficiëntie en verlaging van de totale
energiekosten. Ook leiden de nieuwe informatieverplichtingen tot gemakkelijkere toegang
voor investeerders tot informatie over de beschikbaarheid van transportcapaciteit
binnen het distributiesysteem. Daardoor kan besluitvorming over eventuele uitbreiding
sneller verlopen en zou de vereiste uitrol van hernieuwbare energie sneller kunnen
verlopen. Ook het aanbod van een flexibele aansluitovereenkomst voor systeemgebruikers die graag een aansluiting met bijbehorende transportcapaciteit
op het transmissie- of distributiesysteem willen biedt, naast het reeds beschikbare
aanbod van alternatieve transportrechten, extra mogelijkheden tot efficiënter gebruik
van de beschikbare transportcapaciteit op het transmissie- of distributiesysteem.
Bij een flexibele aansluitovereenkomst wordt een aansluiting aangeboden echter zonder
de volledige vaste transportcapaciteit. De bij de aansluiting aangeboden transportcapaciteit
wordt beperkt; niet enkel contractueel, maar kan ook fysiek kan worden beperkt, bijvoorbeeld
door een lagere doorlaatwaarde van vermogen op de aansluiting.
2.1.2 EMD-verordening
De EMD-verordening bevat bepalingen waarmee de bestaande Elektriciteitsverordening
alsmede de Acer-verordening worden gewijzigd. De wijzigingen in de Acer-verordening
bevatten een uitbreiding van een aantal specifieke bevoegdheden van Acer op het terrein
van gegevens en analyses inzake flexibiliteitsbehoeften. De wijzigingen van de bestaande
Elektriciteitsverordening hebben betrekking op een grotere rol voor zowel korte als
de lange termijnmarkten met als doel de stabiliteit en voorspelbaarheid van energiekosten
te vergroten. Ook zijn de wijzigingen gericht op de bevordering van investeringen
in hernieuwbare energie en betere integratie daarvan in het energiesysteem.
Om deze doelen te bereiken, schrijft de EMD-verordening voor dat lidstaten die directe
prijssteun geven voor hernieuwbare elektriciteit, die steun moeten geven in de vorm
van tweezijdige contracts for difference (hierna: CfD’s) of gelijkwaardige regelingen met dezelfde gevolgen (zie hierboven,
paragraaf 1.5 «reikwijdte implementatie EMD-pakket»). Daarnaast schrijft de EMD-verordening
lidstaten voor het gebruik van stroomafnameovereenkomsten (hierna: power purchase agreements of PPA’s) te bevorderen. Bevordering kan plaatsvinden door het wegnemen van ongerechtvaardigde
belemmeringen en onevenredige of discriminerende procedures of heffingen. In dit licht
bepaalt de gewijzigde Elektriciteitsverordening dat lidstaten ervoor zorgen dat instrumenten,
zoals garantieregelingen (gericht op verlaging van de financiële risico's in verband
met wanbetaling door de afnemer), aanwezig zijn en toegankelijk zijn voor klanten
die te maken hebben met toetredingsdrempels tot de PPA-markt en die zelf niet in financiële
moeilijkheden verkeren. Om een beter beeld te krijgen van eventuele belemmeringen
tot het sluiten van PPA’s, bevatte de internetconsultatie een document waarin een
aantal vragen wordt gesteld over de PPA-markt teneinde te beoordelen of er sprake
kan zijn van beperkte of mogelijke belemmering voor toegang tot de PPA-markt voor
afnemers en/of producenten in Nederland. In paragraaf 6.4.7 wordt ingegaan op de verkregen
reacties.
Verder bevat de gewijzigde Elektriciteitsverordening een aantal bepalingen gericht
op bevordering van flexibiliteit in het elektriciteitssysteem. Flexibiliteit is het
vermogen om de actuele vraag en aanbod van elektriciteit in het transmissie- of distributiesysteem
voor elektriciteit omhoog of omlaag aan te passen. Bronnen van flexibiliteit zijn
bijvoorbeeld batterijen, regelbaar vermogen zoals gascentrales, vraagrespons en interconnectiecapaciteit.
De nationale regulerende instantie, of een andere instantie die wordt aangewezen door
de lidstaat, moet de behoefte aan flexibiliteit van het elektriciteitssysteem voor
de aankomende 5 tot 10 jaar in kaart te brengen. Eveneens moeten lidstaten een indicatief
nationaal doel voor niet-fossiele flexibiliteit, met inbegrip van de respectieve specifieke
bijdragen van vraagrespons en opslag aan die doelstelling, bepalen in hun nationale
energie- en klimaatplannen. Naast de nationale regulerende instanties kunnen ook transmissie-
en distributiesysteembeheerders bijdragen aan de eerdergenoemde doelstellingen. Zo
bepaalt de EMD-verordening dat transmissiesysteembeheerders inzichtelijk maken (en
regelmatig actualiseren) welke capaciteit er op het transmissiesysteem voor elektriciteit
beschikbaar is voor nieuwe aansluitingen van afnemers of producenten. De bij het EMD-pakket
gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn bevat een identieke bepaling voor distributiesysteembeheerders
voor elektriciteit. De transmissie- en distributiesysteembeheerders dienen hierbij
aan te geven of in gebieden met congestie er mogelijkheden zijn tot aansluitingen
met een niet-vast flexibel transportrecht (flexibele aansluitovereenkomsten). Ook
moeten transmissie- en distributiesysteembeheerders informatie met voldoende detailniveau
presenteren voor ontwikkelaars van hernieuwbare energieprojecten en andere gebruikers
van het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit. Daarnaast zorgt de
EMD-verordening voor wijziging van de tariefmethode waarmee de vergoeding voor transmissie-
en distributiesysteembeheerders voor gebruik van hun systemen wordt bepaald door de
nationale regulerende instantie, waardoor het voor transmissie- en distributiesysteembeheerders
eenvoudiger wordt om anticiperende investeringen te doen, en om flexibiliteitsdiensten
in te zetten om efficiënter gebruik van het (bestaande) transmissie- of distributiesysteem
voor elektriciteit te bevorderen.
De gewijzigde Elektriciteitsverordening introduceert de mogelijkheid om congestie-inkomsten30 in te zetten voor de compensatie van offshore elektriciteitsproductie in een offshore biedzone wanneer deze door een capaciteitsbeperking ten tijde van de capaciteitscalculatie
op een interconnector niet in staat is de eigen elektriciteitsproductie te exporteren
naar markten waarmee zij direct verbonden is. Ook biedt de gewijzigde Elektriciteitsverordening
de mogelijkheid om grensoverschrijdende handel korter op het moment van levering mogelijk
te maken. De gedachte daarbij is dat, doordat de daadwerkelijke productie van hernieuwbare
elektriciteit (door meer betrouwbare weerdata) beter te voorspellen is in de periode
vlak voor levering, het eenvoudiger en daarmee goedkoper wordt om het transmissiesysteem
te balanceren. Tenslotte verruimt de gewijzigde Elektriciteitsverordening de grondslag
voor lidstaten om ten behoeve van het waarborgen van de leveringszekerheid, capaciteitsmechanismen
in te kunnen voeren.
2.2 Gewijzigde REMIT
De bij het EMD-pakket gewijzigde verordening betreffende de integriteit en transparantie
van de groothandelsmarkt voor energie (Regulation on wholesale Energy Market Integrity and Transparency, hierna: gewijzigde REMIT) stelt regels voor het handelen van marktpartijen op de
groothandelsmarkten voor elektriciteit en gas en het toezicht daarop.31 De volgende voorschriften staan centraal in het toezicht op deze groothandelsmarkten.32 Ten eerste zijn dit de verboden op handel met voorwetenschap en op marktmanipulatie.
Hiermee wordt voorkomen dat er met voorwetenschap op de groothandel voor energieproducten
wordt gehandeld en tevens dat prijzen op een kunstmatig niveau worden gehouden dat
niet gerechtvaardigd wordt door de marktwerking van vraag en aanbod. Ten tweede zijn
marktdeelnemers geboden voorwetenschap te publiceren. Hiermee wordt de transparantie
op de groothandelsmarkt vergroot. Ten derde kent de gewijzigde REMIT registratieverplichtingen
voor marktdeelnemers en verplichtingen met betrekking tot het verstrekken van gegevens
aan regulerende instantie(s) om het toezicht op de groothandelsmarkten te faciliteren.
Er wordt toezicht gehouden en gehandhaafd door de nationale regulerende instanties.
In Nederland is de nationale regulerende instantie de Autoriteit Consument en Markt
(hierna: ACM).33
REMIT is gewijzigd omdat de energiemarkt sterk veranderd is sinds de verordening in
2013 van kracht is geworden. Zo zijn bijvoorbeeld de verhandelde producten op de groothandelsmarkt
complexer geworden en sloot REMIT niet meer aan bij de huidige handelspraktijk. Met
de in het EMD-pakket opgenomen wijzigingen van REMIT wordt beoogd de transparantie
op de groothandelsmarkt verder te waarborgen en de monitoringscapaciteiten verder
uit te breiden. Hiermee wordt bijgedragen aan de stabilisatie van de energieprijzen,
de consumentenbescherming en een doeltreffender onderzoek naar en handhaving van grensoverschrijdende
gevallen van marktmisbruik. De wijzigingen in REMIT schrijven op hoofdlijnen het volgende
voor.
Ten eerste wordt meer congruentie gecreëerd met wet- en regelgeving voor de financiële
markten. Dit is nodig gezien de inniger wordende verwevenheid tussen de financiële
markten en de groothandelsmarkten voor energie. De definities van voorwetenschap en
marktmanipulatie worden daarom in overeenstemming gebracht met de MAR.
Ten tweede wordt de transparantie vergroot op de groothandelsmarkt. Zo geldt dat zogenoemde
platformen voor voorwetenschap (hierna: Inside Information Platforms of IIP’s), waar voorwetenschap bekend wordt gemaakt, en geregistreerde rapportagemechanismen
(hierna: Registered Reporting Mechanisms of RRM’s), waar transacties aan Acer worden gemeld, alleen mogen opereren middels
een vergunning van Acer. Marktpartijen moeten hun voorwetenschap publiceren op een
IIP die over een ingevolge REMIT verleende vergunning beschikt. Ook is het verbod
op handelen met voorwetenschap verbreed. Voorts is Acer de wettelijke taak gegeven
om informatie en gegevens inzake de groothandelsmarkt te ontwikkelen, te onderhouden
en te publiceren. De LNG-prijsraming en -benchmark die Acer bekendmaakt op grond van de Verordening (EU) 2022/2576 van de Raad van 19 december
2022 inzake de bevordering van solidariteit via een betere coördinatie van de aankoop
van gas, betrouwbare prijsbenchmarks en de uitwisseling van gas over de grenzen heen
(PbEU 2022 L 335), wordt permanent verankerd in de gewijzigde REMIT.
Ten derde wordt het toezicht en de handhaving op de groothandelsmarkt verbeterd. Dit
wordt gedaan door de registratieverplichtingen uit te breiden. Zo moeten marktdeelnemers
uit derde landen een vertegenwoordiger aanwijzen in de Europese Unie en zich daarmee
registeren bij de nationale regulerende instanties. Voorts moeten marktdeelnemers
die zich bezighouden met algoritmische handel dit melden aan de NRI en moeten georganiseerde
markten gegevens met betrekking tot hun orderboek ter beschikking stellen aan Acer.
Om het toezicht op inbreuken met een grensoverschrijdende dimensie te verbeteren,
krijgt Acer de bevoegdheid om deze inbreuken te onderzoeken. Hiertoe krijgt Acer bepaalde
toezichtsbevoegdheden toegekend, maar blijft handhaving van die inbreuken exclusief
liggen bij de NRI. Om een uniform en consistent kader van handhaving op de REMIT te
verzekeren worden de handhavingsbevoegdheden van NRI’s geharmoniseerd, inclusief de
maximale hoogte van de bestuurlijke boetes onder de REMIT.
3. Inhoud van het wetsvoorstel
3.1 Wijze van implementatie EMD-pakket en belangrijkste wijzigingen voor de praktijk
3.1.1 Uitgangspunten voor de implementatie
Op veel punten voldoet de Nederlandse wetgeving al aan de gestelde eisen in het EMD-pakket.
Het wetsvoorstel beperkt zich tot de wijzigingen die noodzakelijk zijn om de bepalingen
uit het EMD-pakket te implementeren dan wel uit te voeren. Het gaat hierbij om wijzigingen
van de Energiewet en onderliggende regelgeving, en, voor zover noodzakelijk in verband
met implementatie van de bepalingen omtrent energiedelen, de Wet belastingen op milieugrondslag
en de Wet op de accijns. Alhoewel een wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag
en de Wet op de accijns niet één-op-één blijkt uit de EMD-richtlijn, zijn deze wijzigingen
nodig om energiedelen in Nederland te implementeren.
De EMD-richtlijn gaat voor het grootste deel uit van volledige harmonisatie. Dit betekent
dat het lidstaten niet is toegestaan om af te wijken van de beschermingsstandaard
die de richtlijn biedt. Op een aantal punten biedt de richtlijn lidstaten wel de mogelijkheid
om uitzonderingen te maken of verdergaande bescherming te bieden via de zogeheten
optionele bepalingen. Ook de EMD-verordening bevat een aantal optionele bepalingen.
De gewijzigde REMIT kent één optionele bepaling voor lidstaten. De richtlijn biedt
lidstaten op deze onderdelen expliciet de ruimte om de reikwijdte van bepaalde rechten
uit te breiden of bepaalde grenzen te verhogen of te verlagen. Er is alleen gekozen
om gebruik te maken van de geboden ruimte onder de richtlijn, wanneer dit aansluit
op bestaand nationaal beleid of wanneer dit de uitvoerbaarheid bevordert.
3.1.2 Nationale beleidsruimte in de EMD-Richtlijn
De EMD-richtlijn bevat de volgende hieronder schematisch weergegeven optionele bepalingen.
In de tabel wordt beknopt toegelicht of van de geboden beleidsruimte gebruik wordt
gemaakt in het wetsvoorstel (of al op een andere wijze mogelijk is).
Tabel 1: Optionele bepalingen in de EMD-richtlijn
Onderwerp
Vindplaats
Omschrijving bevoegdheid lidstaat
Opname in wetsvoorstel ja/nee
Het recht op een elektriciteitsleveringsover-eenkomst met een vaste looptijd en een
vaste prijs en op een leveringsovereenkomst op basis van een dynamische elektriciteitsprijs
Artikel 2, punt 4, onder b m.b.t. artikel 11, eerste lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
Lidstaten kunnen leveranciers, die enkel leveringsovereenkomsten aanbieden met een
dynamische elektriciteitsprijs en die meer dan 200.000 eindafnemers hebben, vrijstellen
van het verplicht aanbieden van een leveringsovereenkomst met een vaste prijs en vaste
looptijd
Nee
Recht op energiedelen
Artikel 2, punt 5 m.b.t. artikel 15 bis, eerste lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
Optie voor lidstaten om het recht op energiedelen uit te breiden naar grote ondernemingen
Ja (deels)
Artikel 2, punt 5 m.b.t. artikel 15 bis, vierde lid, laatste alinea, van de gewijzigde
Elektriciteitsrichtlijn
Optie voor lidstaten om de in de richtlijn opgenomen drempels (voor actieve afnemers
die hernieuwbare energie delen met een geïnstalleerde capaciteit tot 10,8 kW voor
eenpersoonshuishoudens en tot 50 kW voor appartementsgebouwen gelden geen leveranciers-verplichtingen
(nieuw artikel 15 bis, vierde lid, onder c), uit te breiden naar respectievelijk maximaal
30 kW voor eenpersoonshuishoudens en voor appartementsgebouwen te verlagen naar een
minimum van 40 kW of te verhogen naar maximaal 100 kW
Ja (deels)
Artikel 2, punt 5 m.b.t. artikel 15 bis, negende lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
Mogelijkheid voor lidstaten om de installatie van plug-in mini-zonne-energiesystemen
met een capaciteit van maximaal 800 W in en op gebouwen te bevorderen
Nee
Risicobeheer door de leverancier
Artikel 2, punt 6, m.b.t. artikel 18 bis, tweede lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
Lidstaten kunnen eisen dat een deel van de risico’s die leveranciers lopen wordt gedekt
door stroomafname-overeenkomsten voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen
(mits voldoende ontwikkelde markten voor stroomafname-overeenkomsten)
Nee
Noodleverancier
Artikel 2, punt 8 m.b.t. artikel 27 bis, vijfde lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn,
artikel 29, vijfde lid, van de nieuwe Gasrichtlijn
Lidstaten kunnen van een noodleverancier eisen dat hij elektriciteit/gas levert aan
huishoudelijke eindafnemers en kleine en middelgrote ondernemingen die geen marktgebaseerde
aanbiedingen ontvangen
Nee
Bescherming tegen afsluiting
Artikel 2, punt 9 m.b.t. artikel 28 bis eerste lid, eerste alinea, laatste zin, van
de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn en artikel 28, tweede lid, laatste zin van de
nieuwe Gasrichtlijn «misbruik van procesrecht/ rechtsmiddelen»)
Lidstaten kunnen passende maatregelen nemen om misbruik van rechtsmiddelen in geval
van klachten/gebruik van buitengerechtelijke geschilmechanisme, te voorkomen
Nee
Taken distributiesysteembeheerders
Artikel 2, punt 10 m.b.t. artikel 31, derde lid, ter, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
Lidstaten kunnen besluiten om de verplichting voor distributiesysteembeheerders om
aan hun systeemgebruikers de toegang te verstrekken die zij voor een efficiënte toegang
inclusief het gebruik nodig hebben, niet toe te passen op bepaalde geïntegreerde elektriciteitsbedrijven
Nee; in Nederland bestaan dergelijke geïntegreerde elektriciteitsbedrijven niet
Toegang tot betaalbare energie tijdens een elektriciteits- dan wel gasprijscrisis
Artikel 2, punt 14, m.b.t. artikel 66 bis, zevende lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn,
artikel 5, zevende lid, van de nieuwe Gasrichtlijn
Lidstaten kunnen tijdelijk ingrijpen in de leveringsprijzen van gas en elektriciteit
aan kleine en middelgrote ondernemingen als er door de Europese Raad een prijscrisis
is afgekondigd (zesde lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn; zesde lid, van
de nieuwe Gasrichtlijn); Lidstaten kunnen daarbij besluiten om een leveringsprijs
vast te stellen die onder de kostprijs ligt
Nee
Energiedelen – uitbreiding eindafnemers en drempels geïnstalleerde capaciteit
Uit bovenstaande tabel blijkt allereerst dat bij de implementatie van de richtlijn
in het wetsvoorstel gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid tot uitbreiding van
het recht op energiedelen voor andere eindafnemers dan huishoudens, kleine en middelgrote
ondernemingen. Nederland kiest ervoor om ook grote ondernemingen die zijn aangesloten
op een systeem van een distributiesysteembeheerder toe te staan om energie te delen.
De richtlijn stelt hiervoor wel een bovengrens aan het geïnstalleerd vermogen van
de energiegever (maximaal 6 MW; artikel 15 bis, vijfde lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn)
en grote ondernemingen mogen alleen energiedelen binnen een lokaal of beperkt geografisch
gebied. Het ook aan grote ondernemingen toestaan om energie te delen sluit goed aan
op het nationale beleid om zogeheten energiehubs te bevorderen. Energiehubs zijn vaak
voorzien op bedrijventerreinen en kunnen ook grote ondernemingen omvatten. Door gebruik
te maken van de ruimte onder de richtlijn om energiedelen ook toe te staan voor grote
ondernemingen kunnen ook grote ondernemingen die zijn aangesloten op een distributiesysteem
beter deelnemen aan energiehubs.
De richtlijn biedt lidstaten de ruimte om de in de richtlijn opgenomen drempels vanaf
welk vermogen actieve afnemers die energiedelen gebonden zijn aan de bepalingen inzake
consumentenbescherming te verhogen of te verlagen (artikel 15bis, vierde lid, laatste
alinea van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn). Van deze geboden ruimte is deels
gebruik gemaakt. Het voorstel is om aan te sluiten bij de doorlaatwaarde van de aansluiting.
De meeste huishoudens hebben een 3x25 A aansluiting, waarmee het mogelijk is om 17
kW af te nemen of in te voeden. Voor appartementsgebouwen is ervoor gekozen om de
grens kleine aansluiting / grote aansluiting te hanteren. Voor elektriciteit is de
grens van kleine naar grote aansluiting gelegd op een aansluitwaarde van 3x80 A. Als
een aansluiting een aansluitwaarde heeft van meer dan 3x80 A dan heeft de afnemer
een grote aansluiting. 3x80 Ampère komt overeen met een afname of invoeding van ongeveer
55 kW. Door aan te sluiten op deze objectieve en kenbare grenzen is deze regeling
beter uitvoerbaar en handhaafbaar. Ook is ervoor gekozen om de drempels voor consumentenbescherming
voor appartementsgebouwen van toepassing te verklaren op energiegemeenschappen.
De overige optionele bepalingen uit de bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
worden niet in het implementatiewetsvoorstel opgenomen. Hieronder volgt een nadere
motivering daarvoor.
Energiedelen – Plug-in mini zonne-energiesystemen
De reden dat geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om de installatie van
plug-in mini zonne-energiesystemen met een bepaalde capaciteit in en op gebouwen te
bevorderen, is dat er in Nederland geen onderscheid wordt gemaakt tussen kleine en
grotere zonne-energiesystemen. Al deze systemen vallen onder de nu nog geldende salderingsregeling
voor kleinverbruikers. Ook zijn er vraagtekens bij de veiligheid van dergelijke mini-zonnesystemen.
Risicobeheer door leverancier
Verder wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om leveranciers te verplichten
een deel van de risico’s die zij lopen als gevolg van veranderingen in groothandelsprijzen
voor elektriciteit, te dekken met stroomafnameovereenkomsten voor elektriciteit uit
hernieuwbare bronnen. Ten eerste is de markt voor PPA’s nog in ontwikkeling en ten
tweede worden deze stroomafnameovereenkomsten vaak voor langere periodes gesloten
(om risico’s voor investeerders in deze projecten te beperken) en sluit dit minder
goed aan op leveringsverplichtingen aan de consumentenzijde die normaal gesproken
tot maximaal drie jaar worden afgesloten.
Noodleverancier en uitzondering dynamische leveranciers
Verder geldt dat het niet nodig wordt geacht om noodleveranciers in te schakelen als
eindafnemers geen marktgebaseerde aanbiedingen ontvangen, omdat voor alle leveranciers
de verplichting geldt tot het doen van aanbiedingen die marktgebaseerd zijn. Energieleveranciers
moeten leveren tegen transparante en redelijke prijzen (artikel 2.5 van de Energiewet).
Een prijs is niet redelijk als deze niet concurrerend is. De ACM ziet erop toe dat
huishoudelijk eindafnemers en micro-ondernemingen verzekerd zijn van de levering van
elektriciteit of gas tegen concurrerende, eenvoudig en duidelijk vergelijkbare, transparante,
redelijke en niet-discriminerende prijzen (artikel 5.2, eerste lid, van de Energiewet).
Verder geldt dat op grond van artikel 2.23 van de Energiewet vergunninghoudende leveranciers
twee modelcontracten moeten aanbieden (met variabele tarieven voor onbepaalde tijd
en met vaste tarieven voor bepaalde tijd), waardoor er altijd aanbod is voor eindafnemers.
Daarnaast hebben vergunninghoudende leveranciers een leveringsplicht (artikel 2.22
van de Energiewet). Dit houdt in dat deze leveranciers altijd een aanbod tot levering
moeten doen. Een vergunninghoudende leverancier mag een eindafnemer met een kleine
aansluiting die om de levering van energie verzoekt, op basis van de leveringsplicht
dus niet weigeren. Mede in het licht hiervan is ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid
om voor dynamische leveranciers een uitzondering te creëren voor de verplichting tot
het aanbieden van een leveringsovereenkomst met een vaste prijs en looptijd. Gelet
op een hoog niveau van consumentenbescherming is het van belang dat alle vergunninghoudende
leveranciers voldoen aan de verplichting tot het aanbieden van een modelcontract met
variabele tarieven voor onbepaalde tijd en een modelcontract met vaste tarieven voor
bepaalde tijd, dus ook de dynamische leveranciers. Alle vergunninghoudende leveranciers
moeten voldoende robuust zijn en in staat zijn om deze twee modelcontracten te kunnen
aanbieden. Ook onder de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet gold dat dynamische leveranciers
een modelcontract moesten aanbieden met variabele tarieven voor onbepaalde tijd. De
tarieven van dit modelcontract wijzigen halfjaarlijks. Tot nu toe zijn er geen signalen
dat het aanbieden van dit modelcontract problemen oplevert voor dynamische leveranciers.
Bescherming tegen afsluiting
In het kader van klachtenprocedures dan wel andere juridische procedures in geval
van afsluitbescherming wordt het niet nodig geacht extra regels te stellen om misbruik
van rechtsmiddelen te voorkomen. Op dit moment is er geen aanleiding om te veronderstellen
dat er misbruik gemaakt wordt van de afsluitbescherming tijdens een klachtenprocedure
dan wel andere juridische procedure.
Taken distributiesysteembeheerders
Ten aanzien van de mogelijkheid voor lidstaten om de verplichting voor distributiesysteembeheerders
betreffende toegang tot het systeem niet toe te passen op bepaalde geïntegreerde elektriciteitsbedrijven,
geldt dat hier ook geen gebruik van wordt gemaakt. In Nederland zijn distributiesysteembeheerders
(en ook transmissiesysteembeheerders) volledig ontvlochten en bestaan er geen geïntegreerde
elektriciteitsbedrijven.
Prijscrisismechanisme
Ten slotte wordt geen gebruik gemaakt van de in de Richtlijn opgenomen mogelijkheid
voor lidstaten om energieprijzen te reguleren in geval van een regionale of Europese
energieprijscrisis. Indien er sprake is van een energieprijscrisis moeten ook andere
instrumenten worden overwogen die in het specifieke geval van de energieprijscrisis
gerichter ingezet kunnen worden, sneller compensatie kunnen realiseren, minder risico’s
kunnen meebrengen voor marktverstoring of overwinsten en volledig publiek kunnen worden
uitgevoerd. Andere, mogelijk meer gerichte of geschikte, instrumenten in het geval
van een energieprijscrisis komen niet in de richtlijn voor, maar dit betekent niet
dat zij niet ingezet kunnen worden.
Een prijsinterventie-instrument heeft bij een wettelijk opgelegde maximumprijs het
karakter van een prijsplafond, waarbij uit ervaring is gebleken dat dit instrument
zwaarwegende nadelen kent ten opzichte van andere mogelijke instrumenten. Het is daarom
onverstandig om opnieuw voor een dergelijk instrument te kiezen ingeval van een energieprijscrisis.
Zo leidt dit instrument onvermijdelijk tot marktverstoring, gezien er ingegrepen wordt
in de prijzen en onderlinge concurrentie volledig ontbreekt indien er onder de kostprijs
van energie moeten worden aangeboden door leveranciers. Onderlinge concurrentie en
vrije prijsvorming in de energiemarkt wordt juist gestimuleerd vanuit de Europese
Commissie en uit recente communicatie van de Europese Commissie blijkt geen bijzondere
aandacht te bestaan voor het uitroepen van een elektriciteitsprijscrisis.34 Als energie onder de kostprijs moet worden aangeboden door leveranciers, dan leidt
dit tot een verplichting voor de overheid om energiebedrijven te compenseren, wat
een aanmerkelijk risico oplevert op overwinsten. Of er daadwerkelijk overwinsten zullen
zijn, kan enkel achteraf via toetsen en handhaving worden tegengegaan, bijvoorbeeld
door het inzetten van een margetoets welke nu nog in uitvoering is voor de inzet van
het prijsplafond uit 2023. Bovendien is de inzet van prijsinterventie afhankelijk
van het uitroepen van een energieprijscrisis door de Europese Raad op voorstel van
de Europese Commissie. Eveneens is uit ervaring gebleken dat een prijsinterventie-instrument
ongericht is, waardoor de inzet ervan aanzienlijke budgettaire consequenties heeft
terwijl financiële ondersteuning via dit instrument niet altijd terecht komt bij groepen
die dit nodig hebben en juist afnemers die kwetsbaar zijn tijdens een prijscrisis
niet met een dergelijk instrument bereikt kunnen worden, zoals afnemers achter een
blokaansluiting.35Daarmee lijkt prijsinterventie geen bijzonder effectief instrument en wordt daarom
afgezien van een voorstel voor een wettelijke bevoegdheid daartoe.
Er zijn verschillende instrumenten denkbaar om effectief ondersteuning te bieden bij
hoge energieprijzen. Er kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de instrumenten die sinds
2022 één of meerdere keren zijn ingezet, zoals een belastingverlaging, een energietoeslag,
een lump sum-uitkering en het Noodfonds. Elk van deze instrumenten kent zijn eigen voor- en nadelen
die gewogen dienen te worden in het perspectief van de specifieke situatie waarin
de crisis plaatsvindt en het beoogde effect van de te nemen maatregelen.
Op 20 april 2026 heeft het kabinet in een Kamerbrief verschillende scenario’s geschetst
waar het kabinet op voorbereid is als reactie op de stijgende energieprijzen vanwege
de situatie in het Midden-Oosten. Daarnaast heeft het kabinet concrete maatregelen
genomen om afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen, verduurzaming te versnellen
en gerichte steun te bieden aan kwetsbare burgers en bedrijven.36 In de brief legt het kabinet uit dat maatregelen die de energieprijs dempen als nadeel
hebben dat dit de vraag vergroot of in stand houdt. Dit leidt bij een teruglopend
aanbod van (in dit geval) olie en gas tot een snellere toename van verdere schaarste
hiervan en een verdere opwaartse druk op de prijzen. De rol van de overheid is wel
om te zorgen dat mensen niet acuut in de problemen komen. Daarom heeft het kabinet
aangekondigd dat er een noodfonds energie wordt voorbereid. Tevens zet het kabinet
zich in om maatregelen te nemen om de weerbaarheid met betrekking tot de vraag naar
energie te vergroten, bijvoorbeeld door hulp te bieden in de vorm van energiebesparingsmaatregelen.37 Ten opzichte van de energiecrisis in 2022, ten gevolge van de oorlog in Oekraïne,
is de impact op de energieprijzen als gevolg van de onrust in het Midden-Oosten minder
groot. Dit komt onder meer doordat Nederland beduidend minder gas verbruikt (sinds
2020 is het aardgasverbruik met 28% afgenomen in Nederland).38
Het kabinet hecht eraan de Eerste en Tweede Kamer te allen tijde tijdig te informeren
bij sterk stijgende energieprijzen die de koopkracht onder druk zetten en mogelijk
kunnen leiden tot een energieprijscrisis volgens artikel 66 bis van de gewijzigde
Elektriciteitsrichtlijn en artikel 5 van de nieuwe Gasrichtlijn. Om hier bijtijds
op te kunnen acteren, zullen de Kamers bij dergelijke prijsstijgingen op de groothandelsmarkt
die naar verwachting meerdere maanden aanhouden39 zo spoedig mogelijk geïnformeerd worden over:
– De situatie op de energiemarkt en de mogelijke gevolgen van de sterk stijgende energieprijzen,
en;
– De mogelijkheid tot het uitroepen van een prijscrisis volgens de betreffende artikelen
uit de EMD en nieuwe Gasrichtlijn en de Nederlandse inzet40 hierbij, en;
– De mogelijk in te zetten instrumenten om de negatieve gevolgen van de sterk stijgende
prijzen op de koopkracht in te dammen.
Het doel is om hiermee tijdig te wegen of en, zo ja, welk instrument ingezet dient
te worden om te voorkomen dat de koopkracht onder druk komt te staan.
3.1.3 Nationale beleidsruimte in de EMD-Verordening
De EMD-Verordening bevat de volgende optionele bepalingen, hieronder schematisch weergegeven
inclusief een korte toelichting of van de geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt
in het wetsvoorstel (of al op een andere wijze mogelijk is).
Tabel 2: Optionele bepalingen in de EMD-verordening
Onderwerp
Vindplaats EMD-Verordening
Bevoegdheid lidstaat
Opname in wetsvoorstel ja/nee
Peak-shaving product
Artikel 2, punt 4: m.b.t. artikel 7 bis, eerste lid, van de gewijzigde Elektriciteitsverordening
Lidstaten mogen transmissiesysteembeheerders verzoeken om peak-shaving aan te bieden in geval van een prijscrisis
Nee
Indicatieve doelstelling voor niet-fossiele flexibiliteit
Artikel 2, punt 9: m.b.t. artikel 19 septies, 1e alinea, laatste zin, van de gewijzigde
Elektriciteitsverordening
Lidstaten kunnen voorlopige indicatieve nationale doelstellingen bepalen tot goedkeuring
van het verslag conform artikel 19 sexies, eerste lid
Nee
Artikel 2, punt 9 m.b.t. artikel 19 octies, eerste lid, van de gewijzigde Elektriciteitsverordening
Als investeringen in niet-fossiele flexibiliteit onvoldoende zijn om te voldoen aan
(voorlopige) indicatieve nationale doelstellingen, kunnen lidstaten steunregelingen
voor niet-fossiele flexibiliteit toepassen in de vorm van betalingen
Nee
Algemene beginselen inzake capaciteitsmechanismen
Artikel 2, punt 10a m.b.t. artikel 21, eerste lid, van de gewijzigde Elektriciteitsverordening
Lidstaten kunnen bij de uitvoering van artikel 20, derde lid (leveringszekerheid)
capaciteitsmechanismen invoeren
Ja
Capaciteitsmechanisme
Uit bovenstaande tabel blijkt dat alleen de mogelijkheid voor toepassing van een capaciteitsmechanisme
in het implementatiewetsvoorstel wordt opgenomen. Dit is een verruiming van het bestaande
artikel 5.12 van de Energiewet over het inrichten van een strategische reserve. Alhoewel
de bovengenoemde wijziging van artikel 21, eerste lid, van de Elektriciteitsverordening
dit niet noodzakelijk – maar dus wel mogelijk – maakt, is ervoor gekozen om de in
artikel 5.12 van de Energiewet genoemde mogelijkheid om de transmissiesysteembeheerder
voor elektriciteit een strategische reserve te laten inrichten uit te breiden naar
meer vormen van capaciteitsmechanismen. Daarmee biedt de Energiewet een ruimere mogelijkheid
om de leveringszekerheid te waarborgen indien dit nodig zou blijken, zonder dat nu
al keuzes worden gemaakt over de daadwerkelijke inzet van die mogelijkheid. Deze verruiming
is mede ingegeven door het feit dat de door TenneT gepubliceerde Monitor Leveringszekerheid
2024 en 2025 laat zien dat er vanaf 2033 en mogelijk zelfs eerder een verhoogd risico
voor het borgen van de leveringszekerheid ontstaat. De verruiming maakt het mogelijk
om de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op te dragen ook andere vormen
van een capaciteitsmechanisme dan een strategische reserve in te zetten zonder dat
daarvoor eerst de wet aangepast moet worden. Conform artikel 5.12, tweede lid, is
in het Energiebesluit nader richting gegeven aan de bij ministeriële regeling te stellen
regels over de inrichting van een strategische reserve. Het Energiebesluit en de Energieregeling
zullen worden aangevuld voor andere capaciteitsmechanismen.
Peak-shaving product
De extra mogelijkheid voor lidstaten om in geval van een prijscrisis de transmissiesysteembeheerder
voor elektriciteit te vragen om piekvraag verminderend in te kopen («peak-shaving-product»), wordt niet wettelijk vastgelegd. Via de groothandelsmarkt voor elektriciteit
en de prijsformatie aldaar reageren aanbod en vraag reeds op elkaar. Er bestaat dus
reeds een prikkel voor afnemers om hun elektriciteitsvraag aan te passen op de actuele
groothandelsprijs voor elektriciteit. Het peak-shaving-instrument grijpt in op de markt en is daarom niet passend binnen de taak van de
transmissiesysteembeheerder en kan kostenverhogend werken.
Indicatieve doelstelling niet-fossiele flexibiliteit
In het wetsvoorstel worden geen voorlopige indicatieve nationale doelstellingen opgenomen
voor niet-fossiele flexibiliteit. Het kabinet vindt het van belang dat de flexibiliteitsbehoeften
zorgvuldig worden geanalyseerd en bepaald. Het reguliere proces borgt dit door de
totstandkoming en toepassing van een methodologie voor de analyse van de flexibiliteitsbehoeften
door de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit en distributiesysteembeheerders
voor elektriciteit. Het kabinet ziet geen reden om vooruit te lopen op het reguliere
proces dat artikel 19 sexies voorschrijft, en maakt daarom geen gebruik van de mogelijkheid
om voorlopige indicatieve nationale doestellingen op te nemen in het wetsvoorstel.
In het Integraal Nationaal Energie en Klimaatplan (INEK) worden bovendien al de nationale
doelen ten aanzien van het Nederlandse klimaat- en energiebeleid vastgelegd, inclusief
het beleid dat volgt uit de Europese verplichtingen.41
Verder is het niet nodig om, als investeringen in niet-fossiele flexibiliteit onvoldoende
zijn om te voldoen aan de indicatieve nationale doelstelling, in het wetsvoorstel
te voorzien in de mogelijkheid van introductie van een steunregeling voor niet-fossiele
flexibiliteit. De Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies kan daar, indien nodig, voor
worden toegepast.
3.1.4 Nationale beleidsruimte in de wijzigingsverordening van REMIT
Tabel 3: Optionele bepalingen in de wijzigingsverordening van REMIT
Onderwerp
Vindplaats wijzigingsverordening REMIT
Bevoegdheid lidstaat
Opname in wetsvoorstel ja/nee
Delegatie van taken en verantwoordelijkheden door NRI
Artikel 1, punt 20 (m.b.t. artikel 16 bis van de gewijzigde REMIT)
Lidstaten kunnen specifieke regelingen betreffende de delegatie van verantwoordelijkheden
vaststellen waaraan voldaan moet zijn voordat hun NRI's delegatieovereenkomsten sluiten,
en kunnen de werkingssfeer beperken tot hetgeen nodig is om effectief toezicht op
marktdeelnemers of -groepen mogelijk te maken
Ja
Delegatie van taken en verantwoordelijkheden door NRI
De gewijzigde REMIT geeft de ACM, met instemming van de nationale regulerende instantie
aan wie de taken worden gedelegeerd (gedelegeerde), de bevoegdheid om taken en verantwoordelijkheden
aan Acer of aan een andere nationale regulerende instantie te delegeren. In het wetsvoorstel
is opgenomen dat de ACM hier gebruik van kan maken in bij algemene maatregel van bestuur
te bepalen gevallen waarin dat nodig is om een effectief toezicht mogelijk te maken.
De overdracht van taken of verantwoordelijkheden door de ACM naar een andere nationale
regulerende instantie of Acer kan van meerwaarde zijn bij het toezicht op grensoverschrijdende
zaken. Zo kan bijvoorbeeld dubbel werk voorkomen worden en de lasten voor marktdeelnemers
verminderd worden door rapportagebevoegdheden over te dragen. Voor handhavingsbevoegdheden,
zoals sanctiebevoegdheden, ligt dit anders (zie voor een uitgebreidere toelichting
hieronder in paragraaf 3.2.2).
3.2 Belangrijkste wijzigingen van de implementatie van het EMD-pakket voor de praktijk
3.2.1 EMD-Richtlijn en Verordening
Versterkte bescherming voor eindafnemers
Informatievoorziening
Artikel 11, eerste lid, van de bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
schrijft de inhoud voor die in de samenvatting moet komen die eindafnemers ontvangen
voordat een leveringsovereenkomst voor elektriciteit of gas wordt afgesloten of wanneer
een leveringsovereenkomst wordt verlengd. Deze samenvatting moet in het oog springend
zijn en bevat de belangrijkste contractuele voorwaarden in duidelijke en beknopte
taal. Dat eindafnemers een samenvatting moeten ontvangen voordat een leveringsovereenkomst
of leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel wordt afgesloten of wanneer de overeenkomst wordt verlengd, is reeds vastgelegd
in artikel 2.6, vierde lid, van de Energiewet. De nieuwe uitwerking van de inhoud
van de samenvatting is geïmplementeerd in artikel 2.3 van het Energiebesluit. Het
verstrekken van een samenvatting heeft tot doel de informatiepositie van eindafnemers
te versterken.
Ten aanzien van informatievoorziening voor eindafnemers geldt verder dat in artikel
11, tweede lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn is opgenomen dat de lidstaten
ervoor moeten zorgen dat eindafnemers door de leveranciers volledig worden geïnformeerd
over de mogelijkheden, kosten en risico’s van de verschillende typen leveringsovereenkomsten,
en dat leveranciers eindafnemers dienovereenkomstig informeren, onder meer betreffende
de noodzaak om een passende meter te laten installeren. Momenteel geldt voornoemde
informatieplicht enkel ten aanzien van leveringsovereenkomsten met dynamische prijzen.
Deze informatieplicht wordt in het wetsvoorstel uitgebreid naar alle typen leveringsovereenkomsten
met aanvullend de specificering dat over de noodzaak van het installeren van een passende
meter geïnformeerd moet worden. Dit onderdeel wordt geïmplementeerd in artikel 2.6
van de Energiewet.
Risicobeheer door de leverancier
Artikel 18 bis, eerste lid, van de bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
legt een plicht op aan de toezichthouder om ervoor te zorgen, rekening houdend met
de omvang van de leverancier of de marktstructuur, dat leveranciers die elektriciteit
en gas leveren aan eindafnemers over passende afdekkingsstrategieën beschikken en
deze ook uitvoeren. In het kader van het vergunningstelsel, dat in afdeling 2.2.4
van de Energiewet staat en ziet op leveranciers die elektriciteit of gas leveren aan
eindafnemers met een kleine aansluiting, geldt dat vergunninghoudende leveranciers
reeds moeten voldoen aan deze eis. Wanneer een vergunninghoudende leverancier niet
over een passende afdekkingsstrategie beschikt, kan de toezichthouder de vergunning
intrekken. In artikel 2.5 van de Energiewet wordt een nieuw zesde lid toegevoegd,
waarin wordt opgenomen dat leveranciers die elektriciteit en gas leveren moeten beschikken
over een passende afdekkingsstrategie. De reikwijdte van dit artikel strekt dus verder
dan alleen vergunninghoudende leveranciers. De toezichthouder, de ACM, bepaalt waar
de prioriteit zit ten aanzien van het uitvoeren van toezicht in het kader van dit
artikel.
Noodleverancier
De bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn (artikel 27 bis) en de nieuwe
Gasrichtlijn (artikel 29) bevatten diverse nieuwe bepalingen ten aanzien van het noodleveranciersregime.
Deze bepalingen zijn reeds geïmplementeerd in artikel 2.25 van de Energiewet en afdeling
2.3 van het Energiebesluit met betrekking tot eindafnemers met een kleine aansluiting.
Het gaat om:
(1) het recht van overgedragen afnemers om verzekerd te blijven van al hun rechten als
afnemer;
(2) de plicht voor noodleveranciers om hun algemene voorwaarden onverwijld aan de overgedragen
afnemers mede te delen en de dienstverlening aan die afnemers gedurende een periode
die nodig is om een nieuwe leverancier te vinden (ten minste zes maanden) ononderbroken
voort te zetten en;
(3) de plicht om ervoor te zorgen dat afnemers informatie krijgen en aangemoedigd worden
om op een marktgebaseerd aanbod over te stappen.
Ten aanzien van de periode van de levering die nodig is om een nieuwe leverancier
te vinden geldt dat gekozen is om de periode van ten minste zes maanden uit de gewijzigde
elektriciteitsrichtlijn over te nemen en daarmee «de periode die nodig is om een nieuwe
leverancier te vinden», zoals opgenomen in de nieuwe Gasrichtlijn, in te vullen. Hiervoor
is gekozen omdat de termijn verduidelijkt tot hoe ver het tijdelijke karakter van
de noodlevering strekt. Wanneer geen termijn gekozen wordt voor het voortzetten van
levering voor de periode die nodig is om een nieuwe leverancier te vinden bij noodlevering,
dan kan de voortzetting van de noodlevering eindeloos voortduren. Bovendien is een
langere termijn niet nodig, gelet op de verplichting voor leveranciers met een vergunning
om een aanbod tot levering te doen. Dit maakt in een situatie van noodlevering een
snelle overstap naar een reguliere levering mogelijk.
Bescherming tegen afsluiting
De gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn en de nieuwe Gasrichtlijn schrijven voor dat
in het bijzonder kwetsbare afnemers en afnemers die door energiearmoede worden getroffen
volledig beschermd moeten worden tegen afsluiting van energie. Deze bescherming wordt
momenteel al geboden onder de Energieregeling (en voorheen onder de Regeling afsluitbeleid
voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas). In de Energieregeling is de al geldende
bescherming voor alle eindafnemers met een kleine aansluiting, en ook het tweede lid
van het artikel 28 bis van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn alsmede artikel 28,
tweede lid, van de nieuwe Gasrichtlijn overgenomen.
Recht op energiedelen
Het doel van het delen van energie is om eindafnemers voor de levering van elektriciteit
minder afhankelijk te maken van reguliere leveranciers van elektriciteit en veerkracht
te creëren tegen de effecten van hoge en volatiele groothandelsprijzen. Daarnaast
biedt energiedelen de mogelijkheid aan een bredere groep eindafnemers om actieve afnemer
te worden door de uitwisseling van elektriciteit tussen eindafnemers makkelijker te
maken. Er zijn eindafnemers die zelf energie opwekken, bijvoorbeeld met zonnepanelen,
maar deze niet altijd zelf verbruiken. Zij voeden de energie die ze niet zelf verbruiken
in op het systeem. Tegelijkertijd zijn er afnemers die belangstelling hebben voor
deze energie en bereid zijn om (een deel van) deze energie af te nemen. Bijvoorbeeld
omdat ze zelf niet beschikken over zonnepanelen. Het delen van energie kan ook binnen
een energiegemeenschap of binnen een gebouw (bijvoorbeeld binnen een VvE) plaatsvinden.
Delen van energie vindt altijd plaats naast het afnemen van elektriciteit van een
reguliere leverancier of een marktdeelnemer die aan aggregatie doet. Energiedelen
is beperkt tot het delen van duurzame elektriciteit.
Eindafnemers die meer doen dan alleen elektriciteit afnemen van hun leverancier worden
actieve afnemers genoemd. Het gaat bijvoorbeeld om eindafnemers die ook zelf elektriciteit
opwekken, maar ook eindafnemers die energiedelen worden actieve afnemers genoemd.
Bij energiedelen kan onderscheid gemaakt worden tussen eindafnemers die elektriciteit
over hebben en deze invoeden op het systeem; «de energiegevers» en eindafnemers die
deze energie wil overnemen; «de energie-ontvangers.» Energiedelen gaat altijd via
het openbare elektriciteitssysteem en is dus iets anders dan het verbruik van zelfopgewekte
elektriciteit achter de aansluiting. Energiedelen is onder de Energiewet geen levering
van elektriciteit en de energiegever wordt onder deze wet dus ook niet aangemerkt
als de leverancier. Hierbij wordt opgemerkt dat indien energie wordt gedeeld door
een energiegever met een bepaalde geïnstalleerde productiecapaciteit, wel aan bepaalde
verplichtingen die gelden voor leveranciers moet worden voldaan. Energiedelen gaat
per onbalansverrekeningsperiode, in Nederland een kwartier. Een belangrijk kenmerk
van energiedelen is dat er nooit meer elektriciteit kan worden gedeeld dan dat er
door de energiegever in dat kwartier wordt ingevoed op het systeem. Het delen van
energie is nu al mogelijk in Nederland. Er is een aantal leveranciers die het delen
van energie tussen afnemers die bij hen zijn aangesloten faciliteert. Voorwaarde hiervoor
is wel dat zowel de energiegever als de energie-ontvanger klant zijn bij dezelfde
leverancier.
De gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn geeft lidstaten de opdracht om ook energiedelen
tussen afnemers van verschillende leveranciers mogelijk te maken. Dit wordt energiedelen
met vrije leverancierskeuze genoemd. Energiedelen met vrije leverancierskeuze is administratief
en procedureel meer complex, omdat uitwisseling van data van en tussen meerdere partijen
nodig is en het de inkoop- en balanceringsportefeuilles van verschillende marktdeelnemers
raakt. Bij energiedelen bij dezelfde leverancier zijn deze gegevens al beschikbaar
bij de leverancier en maakt het voor de totale portefeuille van de leverancier niet
uit hoeveel elektriciteit er wordt gedeeld. De elektriciteit die door de ene klant
wordt ingevoed wordt door de andere klant afgenomen, dus netto verandert er niets
voor deze leverancier. Hij hoeft dit alleen achteraf administratief te verwerken.
Bij energiedelen tussen afnemers die klant zijn bij verschillende leveranciers is
dit anders. Een centrale partij moet de meterstanden van de energiegever en de energie-ontvanger(s)
verzamelen en vaststellen hoeveel elektriciteit er per kwartier is gedeeld. Hij moet
dit doorgeven aan de leverancier van de energiegever en de leverancier van de energie-ontvanger(s)
en de aangewezen contactpersoon. De energiegever zal minder elektriciteit terugleveren
aan zijn leverancier, die hiermee rekening moet houden bij zijn totale inkoop van
elektriciteit en de leverancier van de energie-ontvanger zal minder elektriciteit
leveren aan deze afnemer en moet hier rekening mee houden bij zijn inkoop van elektriciteit.
Marktpartijen nemen deze verwachtingen op in het balanceringsprogramma en kunnen bij
afwijkingen tussen de opgegeven verwachting en de werkelijk geleverde of ingevoede
hoeveelheden per onbalansverrekeningsperiode te maken krijgen met onbalanskosten.
De wijzigingsrichtlijn beoogt met energiedelen voor afnemers veerkracht te creëren
tegen de effecten van hoge en volatiele prijzen en ook minder (financieel) draagkrachtige
consumenten meer mogelijkheden te geven.42 Daar staat tegenover dat (het faciliteren van) energiedelen ook kosten veroorzaakt
die naar verwachting voor een groot deel weer bij afnemers die energiedelen terecht
zullen komen.
Faciliteren van energiedelen
Het delen van energie wordt gefaciliteerd door de marktdeelnemer waarmee de delende
actieve afnemers een leverings- respectievelijk een terugleveringsovereenkomst hebben.
Vaak is dit de leverancier. De leverancier, of marktdeelnemer aan wie de actieve afnemer
teruglevert, moet het delen van energie faciliteren. Tot nu toe was het aan de leverancier
of hij hieraan mee wilde werken of niet. Met deze wet wordt de leverancier of de marktdeelnemer
aan wie de actieve afnemer teruglevert gehouden om het delen van energie te faciliteren.
Ook wanneer zijn afnemer energie deelt met een actieve afnemer die elektriciteit afneemt
of teruglevert aan een andere marktdeelnemer.
Energiedelen kan op verschillende manieren plaatsvinden. De belangrijkste vormen zijn
het delen van energie op basis van een vaste verdeelsleutel, dit is het meest eenvoudig,
en het delen van energie op basis van een dynamische verdeelsleutel.
Vaste verdeelsleutel
Bij een vaste verdeelsleutel wordt elektriciteit gedeeld op basis van een tussen de
energiegever en energie-ontvanger overeengekomen percentage van de invoeding door
de energiegever. De energiegever en de energie-ontvanger spreken af welk deel van
de invoeding door de energiegever zal worden gedeeld. Dit wordt vastgelegd in een
overeenkomst en door de aangewezen contactpersoon of de organisator van energiedelen
doorgegeven aan de systeembeheerder die hiervoor een contactpunt moet inrichten. De
energiegever en -ontvanger kunnen dit percentage desgewenst aanpassen en doorgeven
aan het contactpunt van de systeembeheerder. Het doorgegeven percentage wordt dan
verwerkt in de systemen van de systeembeheerder en doorgegeven aan de betrokken marktpartijen.
Een belangrijk kenmerk van de vaste verdeelsleutel is dat alle elektriciteit die gedeeld
wordt (dus het afgesproken deel van de invoeding van de energiegever) over gaat naar
de energie-ontvanger. De elektriciteit die in dat kwartier direct verbruikt wordt
(gelijktijdig verbruik) wordt niet geleverd door de leverancier van de energie-ontvanger.
De elektriciteit die de energie-ontvanger in dat kwartier niet zelf verbruikt wordt
door hem «teruggeleverd» aan zijn leverancier. Dit wordt ook wel virtuele teruglevering
genoemd.
Dynamische verdeelsleutel
Een alternatief model is het delen van elektriciteit op basis van de invoeding van
de energiegever en het verbruik van de energie-ontvanger binnen een kwartier. Hierbij
geldt geen vaste verdeelsleutel en wordt alleen de elektriciteit gedeeld die binnen
dat kwartier wordt verbruikt door de energie-ontvanger(s) en niet meer dan is ingevoed
door de energiegever. Als de energiegever meer elektriciteit heeft ingevoed dan er
is gedeeld, wordt dit teruggeleverd door de energiegever. Voor een dynamische verdeelsleutel
zijn meetgegevens nodig van de energiegever en van de energie-ontvanger of ontvangers
en moet één partij centraal berekenen hoeveel elektriciteit er per kwartier is gedeeld
met wie. Omdat de hoeveelheid elektriciteit die wordt gedeeld afhankelijk is van wat
de energiegever invoedt én de energie-ontvanger(s) gelijktijdig afnemen is minder
voorspelbaar hoeveel elektriciteit er wordt gedeeld, zeker als er wordt gedeeld met
meerdere ontvangers. Een voordeel van dit model is dat de energie-ontvanger niet meer
elektriciteit toebedeelt krijgt dan hij op dat moment zelf verbruikt. De kosten van
energiedelen zijn onder een dynamische model naar verwachting hoger dan bij een vaste
verdeelsleutel. Deze kosten zullen deels worden doorberekend aan de delende actieve
afnemers.
Overzicht voor- en nadelen vaste vs. dynamische verdeelsleutel
Vast (afgesproken) deelpercentage
Voordelen:
– Is eenvoudiger en daarmee sneller in te voeren.
– Er is minder uitwisseling van data tussen verschillende marktpartijen nodig. Hierdoor
liggen met name de kosten voor de systeembeheerders substantieel lager.
– Zowel voor de leverancier van de energiegever (teruglevering) als de leverancier
van de energie-ontvanger (levering) is beter voorspelbaar hoeveel elektriciteit er
wordt gedeeld en hierdoor zijn de inkoop- en balanceringskosten lager. Omdat deze
kosten worden doorberekend zijn de kosten voor afnemers die delen lager.
– Het is eenvoudiger om energie te delen met meerdere energie-ontvangers. Ieder krijgt
een afgesproken deel van de invoeding door de energiegever en dit is anders dan bij
een dynamische verdeelsleutel niet afhankelijk van het verbruik van de andere energie-ontvangers
binnen het collectief.
– Een vast percentage stimuleert energie-ontvangers de hoeveelheid elektriciteit die
zij willen delen nauwkeuriger in te schatten en om dit af te stemmen op hun energieverbruik.
– Verlaagt terugleverkosten voor de energiegever.
Nadelen:
– Is ingewikkelder voor de energie-ontvanger. Omdat bij een vaste verdeelsleutel alle
elektriciteit die wordt gedeeld overgaat naar de energie-ontvanger moet deze naast
de kosten voor energiedelen ook rekening houden met de hoogte van de terugleververgoeding
die hij ontvangt van zijn leverancier voor de elektriciteit die hij niet zelf verbruikt.
– Over de elektriciteit die de energie-ontvanger teruglevert aan zijn leverancier
moet in beginsel btw worden afgedragen. Er hoeft geen btw te worden afgedragen als
gebruik kan worden gemaakt van de registratiedrempel of de kleineondernemersregeling
(dat geldt veelal voor consumenten die niet reeds uit andere hoofde btw-ondernemer
zijn).
Dynamische verdeelsleutel
Voordelen:
– De energie die gedeeld wordt is (beter) afgestemd op het verbruik van de energie-ontvanger.
– Eenvoudiger voor energie-ontvanger.
– Omdat er niet meer elektriciteit gedeeld wordt dan er door de ontvanger (gelijktijdig)
wordt gebruikt is er geen (virtuele) teruglevering door de energie-ontvanger. Daarom
zijn er ook geen btw-gevolgen voor de energie-ontvanger.
Nadelen:
– De hoeveelheid elektriciteit die wordt gedeeld is voor de leverancier van de energiegever
en de leverancier van de energie-ontvanger minder goed te voorspellen. Hoeveel elektriciteit
er gedeeld wordt is afhankelijk van:
– 1. hoeveel elektriciteit er per kwartier wordt opgewekt door de energiegever;
– 2. hoeveel elektriciteit de energiegever dat kwartier zelf verbruikt; én
– 3. hoeveel elektriciteit de energie-ontvanger dat kwartier verbruikt.
– Het resultaat van deze drie waarden bepaalt hoeveel er administratief wordt overgedragen
tussen de delers en hoeveel elektriciteit de leverancier van de energie-ontvanger
zelf zal leveren en hoeveel elektriciteit de leverancier van de energiegever nog teruggeleverd
krijgt door de energiegever.
In het wetsvoorstel was in eerste instantie gekozen voor een plicht tot het faciliteren
van energiedelen met een vaste verdeelsleutel. Een model met een vaste verdeelsleutel
is eenvoudiger om in te voeren en kent naar verwachting ook minder kosten die deels
worden doorberekend aan eindafnemers die delen. Binnen de energiesector is er breed
draagvlak voor dit model als standaardmodel. Toch is er naar aanleiding van de advisering
van de Raad van State discussie ontstaan over het te hanteren model. Een aantal betrokkenen
en ook consumentenorganisaties lijken een voorkeur te hebben voor energiedelen met
een dynamische verdeelsleutel. Een dynamische verdeelsleutel is complexer om in te
voeren en kent naar verwachting hogere kosten, maar is met name voor energie-ontvangers
eenvoudiger, omdat er niet meer elektriciteit kan worden gedeeld dan er op dat moment
door de ontvanger wordt gebruikt.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering zijn de voor- en nadelen
van de vaste vs. de dynamische verdeelsleutel nog een keer overzichtelijk in kaart
gebracht. Een model met een vaste verdeelsleutel als het standaardmodel dat door leveranciers
en andere marktdeelnemers moet worden gefaciliteerd, lijkt op dit moment de beste
keuze. Maar omdat er nog weinig ervaring is met het delen van energie en er uiteenlopende
beelden en verwachtingen bestaan van het delen van energie, ligt het voor de hand
om de wijze van het faciliteren van energiedelen over een aantal jaren te evalueren
en op basis van ervaringen en een kosten-baten analyse te beoordelen of een andere
verdeelsleutel mogelijk toch de voorkeur heeft. Het staat leveranciers overigens vrij
om naast de voorgeschreven wijze van faciliteren van energiedelen ook het delen van
energie op basis van een alternatieve verdeelsleutel te faciliteren.
Algemene maatregel van bestuur
De wijze waarop het delen van energie in ieder geval moet worden gefaciliteerd, wordt
voorgeschreven bij algemene maatregel van bestuur. Omdat het model met de vaste verdeelsleutel
eenvoudiger is om in te voeren bestaat het voornemen om in de algemene maatregel van
bestuur in eerste instantie te kiezen voor een vaste verdeelsleutel als standaardmodel
dat gefaciliteerd moet worden. De kosten voor het invoeren van energiedelen met een
vaste verdeelsleutel liggen voor de systeembeheerders substantieel lager en vragen
minder ingrijpende IT-aanpassingen. Deze IT-capaciteit is komende jaren nodig voor
maatregelen die bijdragen aan het ontlasten van de netten, met name het invoeren van
het tijdsafhankelijk transporttarief. De kosten van de systeembeheerders kunnen niet
worden doorberekend aan de afnemers die energiedelen en worden dus gesocialiseerd.
Bij een keuze voor het dynamische model zijn de maatschappelijke kosten van energiedelen
relatief hoog, terwijl het aantal gebruikers (mede gelet op de ervaring in België)
naar verwachting beperkt zal blijven. Ook voor leveranciers zijn de kosten voor energiedelen
met vrije leverancierskeuze met een dynamische verdeelsleutel naar verwachting hoger,
maar leveranciers kunnen deze kosten doorrekenen aan hun afnemers. Omdat de opbrengsten
van energiedelen voor consumenten vaak beperkt zijn is het ook hiervoor belangrijk
om de kosten laag te houden. Door de wijze waarop het delen van energie moet worden
gefacilieerd bij algemene maatregel van bestuur te regelen en niet in de wet zelf,
kan het voorgeschreven model over enkele jaren eenvoudig worden aangepast. Het voornemen
is wanneer er enkele jaren ervaring is opgedaan met het delen van energie de regeling
in de algemene maatregel van bestuur te evalueren en mede op basis van een kosten-batenanalyse
en andere inzichten te beoordelen of aanpassing of aanvulling met een model met een
andere verdeelsleutel wenselijk is.
Organisator van energiedelen
Energiedelen is ook voor de actieve afnemers zelf administratief complex, zeker voor
actieve afnemers die elkaar minder goed kennen. Zij moeten een vertegenwoordiger machtigen
die de overeenkomst en andere gegevens doorgeeft aan de systeembeheerder. De energiegever
zal in de meeste gevallen kosten in rekening brengen voor het delen van zijn energie,
en dus periodiek een factuur moeten sturen. De energie-ontvanger moet deze betalen
en als dit niet gebeurt zal de energiegever mogelijk incassomaatregelen willen nemen.
Grotere energiegevers (geïnstalleerd vermogen boven de 17 kW voor een huishouden of
meer dan 55 kW voor andere actieve afnemers) zijn gehouden aan een aantal voorschriften
ter bescherming van afnemers, onder andere inzake het informeren van de energie-ontvanger
en het hanteren van een klachtenprocedures (artikel 2.41c van het wetsvoorstel). Het
ligt daarom voor de hand dat eindafnemers die energie willen delen dit via een administratieve
tussenpersoon zullen doen die hierin ondersteunt. In de herziene Elektriciteitsrichtlijn
wordt dit de «organisator van energiedelen» genoemd. Bij energiedelen binnen een energiegemeenschap
kan de energiegemeenschap zelf als organisator van energiedelen optreden. In het wetsvoorstel
is opgenomen dat de organisator voor energiedelen zijn diensten verleent op een niet-discriminerende
wijze en tegen transparante prijzen, tarieven en voorwaarden. Dit volgt ook uit de
wijzigingsrichtlijn. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen er nadere
eisen worden opgenomen voor de organisator van energiedelen (artikel 2.41d, vierde
lid).
Energiebelasting
In de energiebelasting is het primaire belastbare feit de levering van elektriciteit
via een aansluiting aan de verbruiker. De energieleverancier is, behoudens uitzonderingen,
hierover energiebelasting verschuldigd die hij op aangifte voldoet aan de Belastingdienst.
In lijn met deze systematiek zouden huishoudens en bedrijven die zelfopgewekte elektriciteit
delen met een ander de facto energieleverancier worden en daardoor belastingplichtig
voor de energiebelasting worden voor de gedeelde elektriciteit. Omdat veel huishoudens,
bedrijven en overheidsinstellingen over eigen opwek van elektriciteit beschikken,
gaat dit potentieel om een enorme toename van het aantal belastingplichtigen. Deze
nieuwe belastingplichtigen hebben veelal geen ervaring met of kennis van het doen
van energiebelastingaangifte. Zij zouden worden geconfronteerd met administratieve
lasten die gepaard gaan met het belastingplichtig worden voor de energiebelasting.
Hiermee zou een groot beroep worden gedaan op het doenvermogen van deze huishoudens,
bedrijven en instellingen. Bovendien zou de druk op de uitvoering en handhaving van
de energiebelasting door de Belastingdienst significant toenemen. Het kabinet acht
het daarom onwenselijk dat een dergelijke grote groep huishoudens en bedrijven belastingplichtig
wordt voor de energiebelasting. Om die reden stelt het kabinet voor om de belastingplicht
neer te leggen bij de energieleverancier van de energie-ontvanger. Dit heeft een aantal
belangrijke voordelen ten opzichte van de alternatieve belastingplichtigen die zijn
overwogen, te weten de systeembeheerder, de leverancier van de energiegever en de
organisator van energiedelen.
Ten eerste zijn energieleveranciers professionele marktpartijen die bekend zijn met
de energiebelasting. Zij zijn gewend om aangifte energiebelasting te doen. Het doen
van aangifte energiebelasting past niet bij het doenvermogen van huishoudens, bedrijven
en instellingen die daarmee onbekend zijn. Door de complexiteit van de energiebelasting
en de aangifte bestaat het risico dat huishoudens, bedrijven en instellingen de aangifte
niet, niet juist of niet tijdig indienen. Dat kan leiden tot correcties, rente en
boetes.
Ten tweede beschikt de energieleverancier van de energie-ontvanger over de benodigde
data om de verschuldigde energiebelasting te berekenen. De systeembeheerder verstrekt
de hiervoor benodigde gegevens. Deze informatie wordt door de energieleverancier gebruikt
om vast te stellen hoeveel elektriciteit er nog door hem is geleverd en, afhankelijk
van het gekozen model, of er elektriciteit is teruggeleverd. Over de hoeveelheid elektriciteit
die is geleverd door de energiegever aan de energie-ontvanger in het kader van energiedelen
is, voor zover deze door de energie-ontvanger is verbruikt, energiebelasting verschuldigd
door de energieleverancier van de energie-ontvanger. De energieleverancier van de
energie-ontvanger beschikt over de benodigde data, in tegenstelling tot de energieleverancier
van de energiegever die niet beschikt over de verbruiksgegevens van de energie-ontvanger.
Het toepasselijke energiebelastingtarief hangt af van het totale verbruik.
Ten derde heeft de energieleverancier van de energie-ontvanger een directe relatie
met die energie-ontvanger als eindafnemer van de elektriciteit. In de energiebelasting
wordt gepoogd zo dicht mogelijk op het verbruik te belasten. De energieleverancier
kan de door hem verschuldigde energiebelasting via zijn bestaande facturatie innen
bij de energie-ontvanger. Overigens is de energieleverancier vrij om voor het energiedelen
een afzonderlijk facturatieproces te regelen. De systeembeheerder en de energieleverancier
van de energiegever hebben geen directe relatie met de energie-ontvanger.
Tot slot is van belang dat de energieleverancier van de energie-ontvanger zicht heeft
op de hoeveelheid geleverde elektriciteit die hij (i) zelf heeft geleverd en (ii)
is geleverd in het kader van energiedelen. Daardoor kan hij de totaal verschuldigde
energiebelasting, over de door hemzelf geleverde elektriciteit én over de geleverde
elektriciteit in het kader van energiedelen, correct berekenen. De energiebelasting
kent een degressieve tariefsystematiek. De eerste en tweede schijf (0–2.900 kWh en
2.900–10.000 kWh) hebben het hoogste tarief. Vanaf de derde schijf neemt het tarief
af. Als de hoeveelheid geleverde elektriciteit op jaarbasis meer dan 10.000 kWh bedraagt,
zijn er verschillende tarieven van toepassing. Dat maakt de energiebelastingberekening
complexer: het verbruik moet worden gesplitst per schijf en correct worden toegewezen
aan de bijbehorende tarieven. Deze uitvoering vraagt om meer nauwkeurige administratie
en mogelijk aanvullende inrichting van (IT-)systemen. Wanneer een energie-ontvanger
gedurende een periode van twaalf maanden van verschillende partijen elektriciteit
geleverd krijgt, zouden die partijen niet in staat zijn op een correcte manier de
schijven te doorlopen. Zij weten namelijk niet hoeveel elektriciteit de energie-ontvanger
van andere partijen geleverd heeft gekregen. Om tot een correcte vaststelling van
de verschuldigde energiebelasting te komen, zal de energie-ontvanger in een dergelijk
geval een teruggaveverzoek bij de Belastingdienst moeten indienen. Hiermee zou een
groot beroep worden gedaan op het doenvermogen van energie-ontvangers: zij zouden
zelf moeten bijhouden hoeveel elektriciteit zij van welke leverancier ontvangen, berekenen
of zij in een lagere schijf terechtkomen en vervolgens actief een teruggaveverzoek
indienen bij de Belastingdienst. Dit vereist administratieve kennis, inzicht in de
fiscale systematiek en het vermogen om tijdig en correct te handelen. Daarnaast zou
druk op de uitvoering van de energiebelasting door de Belastingdienst toenemen. Door
de belastingplicht neer te leggen bij de energieleverancier van de energie-ontvanger
is alle benodigde leveringsdata voor een correcte vaststelling van de verschuldigde
energiebelasting in één hand. De energieleverancier kan op de eindfactuur de schijven
correct toepassen en, indien nodig, correcties maken in de verschuldigde energiebelasting.
Met het belastingplichtig maken van de energieleverancier van de energie-ontvanger
bij energiedelen wordt geborgd dat energiebelasting wordt geheven zonder dat dit leidt
tot een potentieel enorme toename in het aantal belastingplichtigen voor de energiebelasting.
Verder wordt hiermee voorkomen dat een groot beroep wordt gedaan op het doenvermogen
van huishoudens, bedrijven en overheidsinstellingen en dat deze groepen worden geconfronteerd
met administratieve lasten vanwege de belastingplicht. Tot slot wordt voorkomen dat
de uitvoering en handhaving van de energiebelasting door de Belastingdienst onder
druk komt te staan. De voorgestelde wijzigingen in de energiebelasting zijn daarom
doeltreffend en doelmatig. Het belastingplichtig worden van de energieleverancier
van de energie-ontvanger voor de levering van gedeelde elektriciteit zorgt wel voor
een additioneel incassorisico voor die energieleveranciers.
Dit onderdeel van het wetsvoorstel kwalificeert niet als een fiscale regeling. Er
wordt immers niet voorzien in een verlaging of vrijstelling van de verschuldigde energiebelasting.
Derhalve wordt niet voorzien in een separate evaluatie.
Btw
In algemene zin geldt dat zonnepaneelhouders btw-ondernemer zijn wanneer zij tegen
vergoeding elektriciteit leveren aan het net, bijvoorbeeld aan hun energieleverancier.43 Dit ondernemerschap geldt ook voor het zogenoemde delen van energie tussen een energiegever
en een energie-ontvanger. Dit delen van energie is nu al mogelijk. Er is een aantal
leveranciers die het delen van energie tussen partijen die bij hen zijn aangesloten
faciliteert. Ook voor die prestatie zullen actieve afnemers die energiedelen dus al
btw-plichtig zijn.
Op grond van de EMD-richtlijn krijgen alle huishoudens, KMO’s en overheidsinstanties
het recht om partij te zijn bij het delen van energie. Dit wetsvoorstel maakt nu ook
energiedelen mogelijk tussen partijen die bij verschillende energieleveranciers zijn
aangesloten. Het delen van energie met vrije energieleverancierskeuze is een contractuele
afspraak tussen energiegevers en energie-ontvangers en leidt dus tot een levering
van elektriciteit. Wanneer elektriciteit gedeeld wordt tegen een vergoeding is deze
levering in beginsel belast met btw.
Het delen van energie kan worden gedaan door een actieve afnemer of plaatsvinden binnen
een energiegemeenschap of binnen een gebouw (zoals tussen de leden van een VvE). Hiervoor
kan eventueel een administratieve tussenpersoon, de zogenoemde organisator voor energiedelen,
worden ingeschakeld. De btw-plicht van energiedelers zal moeten worden beoordeeld
op grond van alle feiten en omstandigheden van het geval. Deze beoordeling is voorbehouden
aan de inspecteur van de Belastingdienst. In de regel zullen veel energiedelers al
btw-belastingplichtige zijn omdat het particuliere zonnepaneelhouders zijn die reeds
om die reden als btw-ondernemer kwalificeren.
Energiedelers kunnen net als andere btw-ondernemers gebruikmaken van de kleineondernemersregeling
(KOR) indien hun jaaromzet niet meer bedraagt dan het drempelbedrag (nu € 20.000).
Ervan uitgaand dat met name particuliere zonnepaneelhouders zullen optreden als energiedelers
zullen vele van hen nu al gebruik maken van de KOR-vrijstelling. Daarnaast geldt er
een registratiedrempel voor kleine ondernemers: btw-ondernemers met een jaaromzet
van maximaal € 2.200 hoeven zich niet bij de Belastingdienst te melden om de KOR-vrijstelling
toe te passen.
Als KOR-ondernemers energie gaan delen, in plaats van die energie (terug) te leveren
aan de energieleverancier (energiebedrijf), heeft dat geen nieuwe btw-gevolgen zolang
de omzet onder genoemde drempels blijft. Gelet op de te verwachten, relatief geringe,
extra omzet die energiedelers zullen maken bestaat niet de verwachting dat zij als
gevolg van dit energiedelen, boven de drempels zullen uitkomen.
Flexibiliteit in het elektriciteitssysteem
Taken van transmissie- en distributiesysteembeheerders
De gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn en de gewijzigde Elektriciteitsverordening bevatten
bepalingen ten aanzien van transparantie voor systeemgebruikers en aangeslotenen over
de situatie op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit ten aanzien
van onder andere beschikbare transportcapaciteit en ontstane netcongestie op de transmissie-
of distributiesystemen. De transmissie- en distributiesysteembeheerders dienen hierbij
aan te geven of er in gebieden met congestie, waar de transportcapaciteit beperkt
is, mogelijkheden zijn tot alternatieve aansluitingen met flexibele aansluit- of transportovereenkomsten,
dat wil zeggen aansluitingen waarbij niet de volledige gewenste vaste transportcapaciteit
wordt aangeboden. Ook moeten de transmissie- en distributiesysteembeheerders verzoekers
om een aansluiting met daarbij behorende transportcapaciteit periodiek informeren
over de status en behandeling van hun aanvraag. Deze verplichtingen zijn in het wetsvoorstel
opgenomen met een wijziging van de artikelen omtrent aansluiting en transport van
elektriciteit en de informatievoorziening aan aangeslotenen en systeemgebruikers in
de Energiewet (artikelen 3.38, 3.46 en 3.77). Deze transparantie bieden de transmissie-
en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit in Nederland reeds in de praktijk.
De bepalingen uit het wetsvoorstel zorgen ervoor dat het proces van inzichtverschaffing
in de situatie op de transmissie- en distributiesystemen wordt geformaliseerd. In
Nederland werken de transmissie- en distributiesysteembeheerders al enige tijd gezamenlijk
aan het transparant maken van de situatie op hun systemen: sinds het tweede kwartaal
van 2024 middels het dashboard «Stand van uitvoering» en sinds twee jaar middels de
capaciteitskaart. Het dashboard en de capaciteitskaart worden nog met meer inzichten
uitgebreid. De informatie op de capaciteitskaart kent een maandelijks update, het
dashboard wordt elk half jaar geactualiseerd. Een kortere actualisatiecyclus is niet
logisch omdat de ontwikkelingen ten aanzien van bijvoorbeeld gerealiseerde systeemuitbreidingen
niet dermate snel gaan. Voorts wordt ter implementatie van artikel 31, derde lid,
bis, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn in de Energiewet opgenomen dat een
aanvraag digitaal moet kunnen worden ingediend. In Nederland is dit al mogelijk, waarmee
deze aanpassing van de Energiewet geen materiële gevolgen heeft voor de processen
bij transmissie- en distributiesysteembeheerders.
In het kader van flexibiliteitsoplossingen biedt het wetsvoorstel transmissie- en
distributiesysteembeheerders de ruimte om in een situatie van structurele congestie
een aansluiting aan te bieden, waarbij niet de volledige verzochte vaste transportcapaciteit
wordt aangeboden, maar de transportcapaciteit op de aansluiting kan worden beperkt
(flexibele aansluitovereenkomst). Indien nodig kan het vermogen van de aansluiting
voor invoeding op of afname van het transmissie- of distributiesysteem voor bepaalde
tijd worden beperkt. Dit kan op meerdere manieren vorm worden gegeven, bijvoorbeeld
door de doorlaatwaarde van het vermogen op de aansluiting aan te passen. De verdere
invulling wordt uitgewerkt door de transmissie- en distributiesysteembeheerders in
hun methoden en voorwaarden, die door de ACM moeten worden goedgekeurd. Voor deze
flexibele aansluitovereenkomst worden mogelijk aanvullende eisen gesteld over onder
meer de technische inrichting van de aansluiting. Deze aanvullende eisen zijn opgenomen
in het voorgestelde gewijzigde onderdeel b van artikel 3.46, derde lid, van de Energiewet.
Aangezien het gaat om eisen die het systeem direct raken, is het aan de transmissie-
en distributiesysteembeheerders om de bijhorende voorwaarden vorm te geven, rekening
houdend met de technische omgeving. Onderdeel hiervan is, indien aan de orde, ook
de certificering van installateurs die werkzaamheden aan de installatie uitvoeren.
Dit gebeurt in methoden en voorwaarden die door de ACM moeten zijn goedgekeurd (zie
artikel 3.119 Energiewet).
De flexibele aansluitovereenkomst zal bestaan naast de reeds bestaande alternatieve
transportrechten die al mogelijk zijn volgens de geldende methoden en voorwaarden
van de ACM en momenteel door de transmissie- en distributiesysteembeheerders worden
geïmplementeerd. Voornaamste verschil is dat reeds bestaande varianten van alternatieve
transportrechten een contractuele beperking ten aanzien van de transportcapaciteit
opleggen, bijvoorbeeld op specifieke momenten, waar de flexibele aansluitovereenkomst
tevens een fysieke beperking op de aansluiting oplegt voor de duur van de congestie.
In Nederland kennen we op dit moment verschillende alternatieve transportrechten,
zoals de zogenoemde non-firm aansluit- en transportovereenkomst (ATO) en het tijdsblokgebonden transportrecht: een ATO die niet op elke
moment van de dag recht geeft op transportcapaciteit. Contractuele beperkingen in
het transportdeel van de ATO zorgen dat op piekmomenten het elektriciteitssysteem
niet verder wordt belast. In de ATO kunnen sancties worden opgenomen voor het geval
dat de aangeslotene toch meer dan de gecontracteerde transportcapaciteit gebruikt.
De nieuwe flexibele aansluitovereenkomst bevat voor nieuwe transportverzoeken bij
een aansluiting in gebieden met structurele congestie naast een dergelijke contractuele
beperking in het transportdeel van de ATO ook afspraken omtrent een (fysieke) beperking
in het aansluitdeel van de ATO. Het overschrijden van de gecontracteerde transportcapaciteit,
dat een risico is bij de bestaande alternatieve transportrechten, wordt daarmee voorkomen.
Verslag flexibiliteitsbehoeften
De vereiste uitrol van energie uit hernieuwbare bronnen vereist een toenemende beschikbaarheid
van flexibiliteitsoplossingen om de integratie ervan in het systeem te waarborgen.
Ook is de beschikbaarheid van flexibiliteitsopties vereist om het elektriciteitssysteem
in staat te stellen zich aan te passen aan de diverse vormen van elektriciteitsopwekking
en -verbruik over verschillende tijdsperioden zoals seizoenen, dagen en uren. Om de
niet-fossiele flexibiliteit te bevorderen schrijft de bij het EMD-pakket gewijzigde
Elektriciteitsverordening (artikel 19 sexies) voor dat de regulerende instantie of
een andere door de lidstaten aangewezen autoriteit of entiteit periodiek een verslag
opstelt over de geraamde flexibiliteitsbehoeften in het elektriciteitssysteem op nationaal
niveau. Dit doet deze instantie op basis van de input van de transmissie- en distributiesysteembeheerders
en een gemeenschappelijke Europese methode waarover een openbare raadpleging wordt
gehouden en die door Acer wordt goedgekeurd. Bij de beoordeling van de flexibiliteitsbehoeften
van het elektriciteitssysteem moet – gelet op de noodzaak om het energiesysteem koolstofvrij
te maken – rekening worden gehouden met alle bestaande en geplande investeringen,
met inbegrip van bestaande installaties die nog niet op het net zijn aangesloten.
Daarnaast moet rekening worden gehouden met flexibiliteitsmiddelen zoals flexibele
elektriciteitsopwekking, interconnectoren, vraagrespons, energieopslag of de productie
van hernieuwbare brandstoffen. Het verslag dient tweejaarlijks te worden opgesteld
en ziet op een periode van ten minste de volgende vijf tot tien jaar (artikel 19 sexies,
eerste lid). In de Energieregeling (artikel 3.42) is de transmissiesysteembeheerder
voor elektriciteit aangewezen als de instantie die, in samenwerking met de distributiesysteembeheerders
voor elektriciteit, het verslag moet opstellen en indienen bij de ACM. Dit is in lijn
met andere taken van de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit. TenneT stelt
nu al jaarlijks de monitor voorzieningszekerheid op (voorheen monitor leveringszekerheid),
waarin flexibiliteit een belangrijk onderdeel is en heeft als transmissiesysteembeheerder
voor elektriciteit goed zicht op aanbieders en afnemers van elektriciteit en de uitwisseling
van elektriciteit met de omringende landen. De ACM heeft op grond van de verordening
de bevoegdheid om het verslag goed te keuren waarmee het definitief wordt. Zo nodig
kan de ACM aanvulling of wijziging van het voorstel voor het verslag verlangen van
de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit, of dit voorstel zelf aanvullen
of wijzigen alvorens het verslag goed te keuren en daarmee definitief te maken (conform
artikel 19 sexies, eerste lid, laatste alinea).
Voorzieningszekerheid
Voor het geval de voorzieningszekerheid van elektriciteit niet meer op orde is, bevatten
de artikelen 20 tot en met 27 van de Elektriciteitsverordening (hoofdstuk IV Bevoorradingszekerheid)
de voorwaarden waaronder lidstaten maatregelen mogen treffen. Artikel 21, derde lid,
van de verordening geeft aan dat de strategische reserve de voorkeur heeft boven andere,
ingrijpender vormen van capaciteitsmechanismen. De mogelijkheid voor het inrichten
van een strategische reserve is reeds opgenomen in artikel 5.12 van de Energiewet.
Met een strategische reserve wordt bedoeld het door producenten op basis van een overeenkomst
beschikbaar houden van een hoeveelheid elektrisch vermogen met als doel deze beschikbaar
te stellen aan de transmissiesysteembeheerder bij al dan niet onverwachte gebeurtenissen
die de continuïteit van de elektriciteitsvoorziening in gevaar brengen. Een strategische
reserve kan bijvoorbeeld bestaan uit elektriciteitsproductiecentrales die anders uit
bedrijf zouden worden genomen of juist uit toegezegde vermindering van de elektriciteitsvraag
van afnemers.
Uit artikel 21 van de gewijzigde Elektriciteitsverordening blijkt dat een strategische
reserve één van vormen van een capaciteitsmechanisme is die door een lidstaat kan
worden ingevoerd. Een capaciteitsmechanisme is een tijdelijke maatregel die kan worden
ingevoerd om te garanderen dat de vraag naar elektriciteit onder alle omstandigheden
kan worden gedekt, ook tijdens extreme pieken in de vraag of tekorten in het aanbod.
Alhoewel de (uit het EMD-pakket voortvloeiende) wijziging van artikel 21, eerste lid,
van de Elektriciteitsverordening dit niet noodzakelijk maar wel mogelijk maakt, wordt
ervoor gekozen om artikel 5.12 van de Energiewet uit te breiden naar meer vormen van
capaciteitsmechanismen. Inzet van een capaciteitsmechanisme houdt in dat partijen
een financiële vergoeding krijgen voor het beschikbaar houden van productiecapaciteit,
elektriciteitsopslag of verandering van de vraag (vraagrespons). Deze uitbreiding
biedt de Energiewet een ruimere mogelijkheid om de voorzieningszekerheid te waarborgen
indien dit nodig zou blijken.
In lijn met de huidige formulering van artikel 5.12 is bij de voorgestelde verbreding
gekozen voor een opdracht aan de transmissiesysteembeheerder. Deze keuze is onder
meer ingegeven door de ervaringen in andere Europese landen die reeds een breder capaciteitsmechanisme
in werking hebben of besluitvorming daarover voorbereiden. Ook inhoudelijk ligt deze
keuze voor de hand gelet op het feit dat de transmissiesysteembeheerder de voor de
inrichting van een capaciteitsmechanisme benodigde informatie beschikbaar heeft of
kan verkrijgen en de taak ook aansluit bij zijn bestaande taken en verantwoordelijkheden.
De keuze impliceert dat artikel 5.12 zich vooralsnog niet richt op decentrale vormen
van capaciteitsmechanismen ter zake waarvan het niet voor de hand ligt dat de transmissiesysteembeheerder
bij de invulling daarvan een rol krijgt. Ook andere mogelijke vormen van capaciteitsmechanismen
waarbij de transmissiesysteembeheerder geen rol speelt worden vooralsnog niet mogelijk
gemaakt door deze wijziging van artikel 5.12.
3.2.2 Gewijzigde REMIT
De uit het EMD-pakket volgende wijzigingen voor REMIT richten zich op versterkte Europese
en regionale samenwerking in het toezicht op de groothandelsmarkt voor energie. Uitvoering
van de gewijzigde REMIT in de nationale wet- en regelgeving is nodig van de bepalingen
wat betreft informatie-uitwisseling tussen de ACM en andere instellingen, de mogelijkheid
voor de ACM om taken en verantwoordelijkheden over te dragen aan Acer of een andere
NRI, de onderzoeksbevoegdheden van Acer op Nederlands grondgebied, bijstand van de
ACM hierbij en de sanctiebevoegdheden van de ACM bij overtredingen van REMIT.
Informatie-uitwisseling
Op grond van de gewijzigde REMIT moet de ACM gegevens en inlichtingen kunnen verstrekken
aan Acer, de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM), de nationale belastingdienst,
de Europese Autoriteit voor effecten en markten (hierna: ESMA) en Eurofisc44,
45. Op dit moment bestaat er een wettelijke grondslag voor de ACM om inlichtingen en
gegevens te verstrekken aan Acer, de AFM en de Belastingdienst, maar niet aan ESMA
of Eurofisc.
De bevoegdheidsgrondslag om gegevens te verstrekken aan Acer volgt uit artikel 5.25,
eerste lid, van de Energiewet. De bevoegdheidsgrondslag voor gegevensverstrekking
aan de AFM en Belastingdienst is neergelegd in artikel 7, derde lid, aanhef en onder
a, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en verder uitgewerkt in artikel
1, eerste lid, aanhef en onderdelen c en t, van de Regeling gegevensverstrekking ACM
2019.
Genoemde bepalingen uit de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en de Energiewet
bevatten thans geen specifieke bevoegdheidsgrondslag op basis waarvan de ACM inlichtingen
en gegevens kan delen met de Europese instanties ESMA of Eurofisc. Dit wetsvoorstel
voorziet daarom in een bevoegdheidsgrondslag in de Energiewet op basis waarvan de
ACM, naast met Acer, ook bepaalde informatie kan uitwisselen met ESMA en Eurofisc.
Dit wordt gedaan door wijziging van artikel 5.25, eerste lid, van de Energiewet.
Delegatie van taken en verantwoordelijkheden van de ACM naar Acer of andere NRI
De gewijzigde REMIT geeft de ACM, met instemming van de gedelegeerde, de bevoegdheid
om taken en verantwoordelijkheden die REMIT haar toekent aan Acer of aan een andere
NRI te delegeren. Een dergelijke overdracht van taken of verantwoordelijkheden door
de ACM aan een andere NRI of Acer kan van meerwaarde zijn bij het toezicht op grensoverschrijdende
zaken onder REMIT. Zo kan bijvoorbeeld dubbel werk voorkomen worden en de lasten voor
marktdeelnemers verminderd worden door rapportagebevoegdheden over te dragen aan een
andere NRI of Acer. REMIT zelf bevat geen nadere regels of beperkingen voor NRI’s
om delegatieovereenkomsten met Acer of andere NRI’s onder REMIT te sluiten. Wel geeft
de gewijzigde REMIT lidstaten de mogelijkheid om op nationaal niveau voorwaarden aan
deze delegatiebevoegdheid van de NRI te verbinden of de werkingssfeer van de delegatie
beperken tot wat nodig is voor een doeltreffend toezicht op marktdeelnemers of marktdeelnemersgroepen
in grensoverschrijdende situaties.
Voorgesteld wordt om invulling te geven aan genoemde mogelijkheid voor lidstaten om
nadere regels te stellen ten behoeve van delegatie onder REMIT. Bij algemene maatregel
van bestuur zal worden afgebakend welke taken of verantwoordelijkheden onder REMIT
zich lenen voor overdracht aan Acer of een andere NRI om een doeltreffend toezicht
op marktdeelnemers of marktdeelnemersgroepen in grensoverschrijdende situaties mogelijk
te maken.
Het voornemen is om het overdragen van toezichtsbevoegdheden in het kader van REMIT,
zoals het uitvoeren van een inspectie ter plaatse of het afnemen van verklaringen,
aan Acer of een andere NRI mogelijk te maken, omdat dit nodig kan zijn voor een effectief
toezicht op marktdeelnemers of marktdeelnemersgroepen in grensoverschrijdende gevallen.
Bijvoorbeeld wanneer marktdeelnemers of marktdeelnemersgroepen betrokken zijn bij
handelingen op de nationale groothandelsmarkt maar buiten Nederland zijn gevestigd
of mogelijk relevante informatie buiten Nederland bewaren.
Voor handhavingsbevoegdheden in het kader van REMIT, zoals sanctiebevoegdheden, ligt
dit anders. Voor Acer geldt in ieder geval dat REMIT uitdrukkelijk geen sanctiebevoegdheden
aan deze instantie toekent en Acer hier dus ook niet mee kan worden belast door een
NRI. Ook praktisch gezien is dit niet uitvoerbaar omdat er geen bepalingen zijn voor
het toepasselijk recht of rechterlijke toetsing. Het overdragen van handhavingsbevoegdheden
onder REMIT aan een andere NRI is juridisch gecompliceerd en wordt voorts vooralsnog
niet nodig geacht om een effectief toezicht mogelijk te maken in grensoverschrijdende
situaties.
Uit dit alles volgt dat andere NRI's en Acer de ACM op basis van de gewijzigde REMIT
zo nodig op verzoek van de ACM, bijstand kunnen verlenen tijdens een onderzoek. Het
voornemen is om de ACM toe te staan ook toezichtsbevoegdheden in het kader van REMIT
over te dragen aan een andere NRI of Acer. Vervolgens kan de ACM na afronding van
een onderzoek zo nodig handhavend optreden en bijvoorbeeld sancties opleggen voor
geconstateerde overtredingen van REMIT die op de nationale groothandelsmarkt zijn
begaan, ongeacht waar de betrokken marktdeelnemer is gevestigd. Tot slot kunnen op
basis van dit wetsvoorstel bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere
voorwaarden of procedurevoorschriften worden gesteld voor het overdragen van onderzoeksbevoegdheden
aan Acer of een andere NRI. Dit is ook op een later moment mogelijk wanneer de gewijzigde
REMIT al enige tijd van kracht is en er praktische ervaring met de delegatiemogelijkheid
uit REMIT is opgedaan.
Kortom, met het stellen van nadere regels aan de delegatiemogelijkheid van de ACM
wordt beoogd het toezicht onder de gewijzigde REMIT doeltreffend en doelmatig te houden,
met behoud van rechtszekerheid voor marktdeelnemers. Grensoverschrijdende samenwerking
tussen toezichthouders blijft daarmee mogelijk, binnen een duidelijke en juridisch
houdbare verantwoordelijkheidsverdeling.
Toezichtsbevoegdheden van Acer in Nederland
Op grond van de gewijzigde REMIT krijgt Acer de bevoegdheid om inbreuken op REMIT
te onderzoeken indien:
a) handelingen worden of zijn uitgevoerd met betrekking tot voor de groothandel bestemde
energieproducten met levering in ten minste twee lidstaten;
b) de bevoegde NRI niet tijdig op verzoek van Acer een onderzoek start naar een vermoede
inbreuk, indien sprake is van een overtreding met grensoverschrijdende gevolgen of;
c) de NRI aan Acer verzoekt om zijn bevoegdheden uit te oefenen met betrekking tot handelingen
met een grensoverschrijdende dimensie.
Om vermoedelijke inbreuken te onderzoeken krijgt Acer in de gewijzigde REMIT diverse
toezichtsbevoegdheden toegekend. Ten eerste geeft de gewijzigde REMIT Acer de bevoegdheid
ter plaatste onderzoek te doen. Ten tweede geeft REMIT Acer de bevoegdheid om informatie
te verzoeken. Ten derde is Acer bevoegd tot het afnemen van verklaringen. Ten behoeve
van het eerste punt, de inspecties ter plaatse, mag Acer al dan niet vooraf aangekondigde
bedrijfsbezoeken verrichten en ook particuliere gebouwen inspecteren indien er een
redelijke verdenking is dat daar bedrijfsgegevens worden gehouden. Indien op grond
van het nationale recht voor een inspectie ter plaatse een toestemming van een nationale
gerechtelijke instantie benodigd is, dient Acer die aan te vragen. Met dit wetsvoorstel
wordt voorgesteld een artikel 5.17c aan de Energiewet toe te voegen dat regelt dat
voor een inspectie van een woning voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris
is vereist. Dit geschiedt via een verzoek tot machtiging van Acer aan de rechter-commissaris,
belast met de behandeling van strafzaken van de rechtbank Rotterdam, waarna de rechter-commissaris
dit verzoek toetst.
Bijstand van de ACM aan Acer of nationaal regulerende instanties
Om de onderzoeksbevoegdheden van Acer in de praktijk goed vorm te geven zijn er in
de gewijzigde REMIT bepalingen opgenomen die zien op de samenwerking en bijstand tussen
de ACM, andere NRI's en Acer. Voor de toezichtsbevoegdheden van Acer geldt dat de
nationale regulerende instanties, in Nederland dus de ACM, Acer bijstand moeten verlenen
tijdens een onderzoek.46 De ACM moet op verzoek van Acer, of na een eigen verzoek daartoe aan Acer, bijstand
verlenen bij een inspectie ter plaatse door Acer. Voorts moet de ACM, wanneer een
persoon zich tegen de inspectie verzet, bijstand verlenen zodat Acer de inspectie
uit kan oefenen en indien passend een beroep doen op de politie of een gelijkwaardige
rechtshandhavingsautoriteit. De ACM moet Acer ook bijstand verlenen bij een verzoek
om informatie van Acer. Zo stelt de gewijzigde REMIT dat de ACM, indien een persoon
geen gevolg geeft aan een verzoek om informatie van Acer, de nodige bijstand moet
verlenen om nakoming te verzekeren, onder meer door geldboetes op te leggen overeenkomstig
het nationale recht. Ook kan de ACM bijstand verlenen aan Acer bij ondervragingen.
Om invulling aan deze bijstandsbepalingen uit REMIT te geven voorziet het wetsvoorstel
in een nieuwe bepaling in de Energiewet, artikel 5.17a, dat toezichthoudende ambtenaren
van de ACM belast zijn met het verlenen van bijstand aan Acer bij uitvoering van inspecties,
het opvragen van informatie en het afnemen van verklaringen.
De procedurele waarborgen tegen uitoefening van onderzoeksbevoegdheden van Acer zijn
geregeld in REMIT (zie artikel 13 quinquies van de gewijzigde REMIT). Dat geldt ook
voor de procedurele waarborgen tegen besluiten van Acer tot het opleggen van een dwangsom
om aan het onderzoek onderworpen personen te dwingen zich aan een inspectie ter plaatse
te onderwerpen of door Acer gevraagde informatie te verstrekken (zie artikel 13 nonies
van de gewijzigde REMIT). Het EU Hof van Justitie is bevoegd om dergelijke dwangsombesluiten
van Acer te toetsen (zie artikel 13 undecies van de gewijzigde REMIT). Indien toezichthoudende
ambtenaren van de ACM bijstand verlenen aan een onderzoek van Acer en zijn zij eveneens
gebonden aan de procedurele waarborgen die daarbij gelden.
Daarnaast bevat de gewijzigde REMIT een bepaling dat NRI's en Acer elkaar bijstand
verlenen tijdens een onderzoek. Ook kan een NRI taken en verantwoordelijkheden op
grond van de verordening delegeren aan Acer of een andere NRI. Gelet hierop geeft
het wetsvoorstel, met de voorgestelde toevoeging van artikel 5.17b aan de Energiewet,
toezichthoudende ambtenaren van de ACM de bevoegdheid om, bij een verzoek daartoe
van Acer of een andere NRI, namens en voor rekening van deze toezichthouder een inspectie
te verrichten of een verklaring af te nemen. Toezichthoudende ambtenaren van de ACM
kunnen ook bijstand verlenen om nakoming af te dwingen van verzoeken om informatie
van een andere NRI aan in Nederland gevestigde partijen. Tot slot regelt het wetsvoorstel
dat toezichthoudende ambtenaren van de ACM een taak of verantwoordelijkheid voor een
andere NRI kunnen uitvoeren wanneer deze op grond van REMIT aan de ACM is gedelegeerd.
Bij de uitvoering van deze taken maken de toezichthoudende ambtenaren van de ACM gebruik
van de nationale bevoegdheden in de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en
de Algemene wet bestuursrecht en gelden de daarbij behorende procedurele waarborgen.
Handhavingsbevoegdheden Acer onder REMIT
Acer is op grond van de voormalige en de gewijzigde REMIT niet bevoegd tot het handhaven
van inbreuken op het verbod op marktmanipulatie, het gebod voorwetenschap te publiceren
en het verbod op handel op voorwetenschap. Acer kan enkel toezicht houden en onderzoek
doen naar inbreuken op die verboden of geboden. De handhaving van inbreuken op de
verordening blijft, ook onder de gewijzigde REMIT, bij de NRI’s liggen.
Om Acer in staat te stellen effectief toezicht te kunnen houden is in de bij het EMD-pakket
gewijzigde REMIT wel de bevoegdheid opgenomen voor Acer om een last onder dwangsom
op te leggen aan (rechts)personen die zich niet onderwerpen aan een inspectie ter
plaatse van Acer. Voorts is Acer bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom
aan (rechts)personen die niet het informatieverzoek van Acer (tijdig) beantwoorden.
Het besluit tot oplegging van een dergelijke dwangsom kan worden aangevochten bij
het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dat besluit kan alleen door deze rechterlijke
instantie worden getoetst. De tenuitvoerlegging van de last onder dwangsom gebeurt
in de lidstaten overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften.
Nederland moet op grond van artikel 13 decies, tweede lid, van REMIT een nationale
instantie aanwijzen die verantwoordelijk is voor de inning van de door Acer opgelegde
last onder dwangsom en dit melden bij Acer en het Hof van Justitie van de Europese
Unie. De ACM is de meest geschikte partij om deze taak tot inning op zich te nemen.
Ten eerste is de ACM, op grond van artikel 5.1, eerste lid, van de Energiewet, de
nationale regulerende instantie onder REMIT in Nederland en ligt het toezicht en de
handhaving van overtredingen van REMIT bij de ACM. Door deze institutionele positie
ligt het voor de hand dat de ACM met deze taak belast wordt. Ten tweede is een individuele
en onafhankelijke beoordeling van de last onder dwangsom opgelegd door Acer niet aan
de orde. Artikel 13 decies, tweede lid, van de gewijzigde REMIT stelt immers dat enkel
de authenticiteit van de titel geverifieerd mag worden. Het kabinet ziet daarom geen
bezwaren om deze taak bij een zelfstandig bestuursorgaan te beleggen. Er is daarom
voor gekozen om in het wetsvoorstel, met de voorgestelde toevoeging van artikel 5.21a
aan de Energiewet, de ACM als nationale instantie voor inning van de last onder dwangsom
voor Acer aan te wijzen. Een door Acer genomen besluit tot oplegging van een dwangsom
vormt op grond van artikel 13 decies, tweede lid, van de gewijzigde REMIT een executoriale
titel. Deze kan aan de ACM worden overhandigd, waarna de ACM de authenticiteit van
het besluit toetst en zij vervolgens het besluit volgens de toepasselijke nationale
procedurevoorschriften van de betrokken lidstaat ten uitvoer legt.
Handhavingsbevoegdheden ACM onder REMIT
Handhaving van de kernartikelen van REMIT blijft bij de nationale regulerende instanties,
waaronder de ACM, belegd. Dit geldt zowel voor de handhaving van overtredingen op
het de nationale groothandelsmarkten als overtredingen met grensoverschrijdende gevolgen
waar Acer onderzoek naar heeft gedaan. Wat betreft dat laatste stelt artikel 13, elfde
lid, van de gewijzigde REMIT dat Acer kan verlangen dat een nationale regulerende
instantie zoals de ACM de nodige maatregelen neemt naar aanleiding van een onderzoeksrapport
van Acer. Uiteraard blijft het de verantwoordelijkheid van de ACM dat er gehandhaafd
wordt op basis van een gedegen onderzoeksrapport. REMIT belet de ACM niet om, indien
nodig, het onderzoeksrapport van Acer aan te vullen.
Voor handhaving van REMIT geldt momenteel een duaal stelsel; er kan zowel bestuursrechtelijk
als strafrechtelijk gehandhaafd worden. Daar is tijdens de implementatie van REMIT
in 2013 voor gekozen omdat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdelen f en g,
van REMIT een rechter moet kunnen worden gevraagd om vermogensbestanddelen te bevriezen
of in beslag te nemen of een tijdelijk verbod op beroepsuitoefening op te leggen.
In het Nederlandse rechtsstelsel zijn dit bevoegdheden die passen binnen een strafrechtelijke
context. Op grond van de wijzigingsverordening REMIT wordt artikel 13 REMIT uitgebreid
met een aantal andere geboden en verboden. Om ook hiervoor mogelijk te maken dat vermogensbestanddelen
kunnen worden bevroren of in beslag genomen kunnen worden of een tijdelijk verbod
op beroepsuitoefening opgelegd kan worden, wordt hiervoor met het wetsvoorstel artikel
2.66 van de Energiewet aangepast.
Artikel 18 van de gewijzigde REMIT stelt eisen aan de hoogte van de bestuursrechtelijke
boetemaxima voor bestuurlijke geldboetes die op grond van inbreuken van REMIT opgelegd
kunnen worden door de ACM. Hiervoor wordt voorgesteld om de boetebepaling in de Energiewet
aan te passen. De gewijzigde REMIT stelt geen eisen aan de strafrechtelijke boetemaxima
en de huidige boetemaxima onder de Wet economische delicten (WED) worden daarom met
dit wetsvoorstel niet aangepast. Ingevolge artikel 21 bis, tweede lid, van de gewijzigde
REMIT beoordeelt de Europese Commissie uiterlijk op 1 juni 2025 de doeltreffendheid
van de invoering van strafrechtelijke sancties. De Europese Commissie kan daarbij
ook een wetgevingsvoorstel indienen. Indien daaruit een verdere wijziging van REMIT
volgt waarmee eisen worden gesteld aan de strafrechtelijke boetemaxima, dan zal worden
bezien of en zo ja op welke wijze de WED zou moeten worden aangepast.
Bij de harmonisering van de bestuursrechtelijke boetemaxima onder artikel 18, vierde
en vijfde lid, van de gewijzigde REMIT wordt ten eerste onderscheid gemaakt tussen
natuurlijke personen en rechtspersoon.47 Ten tweede dienen de nationale bestuurlijke boetekaders voor REMIT in overeenstemming
te worden gebracht met gespecificeerde minimale maximumboetes uit de gewijzigde REMIT.
De minimale maximumboetes in REMIT zijn voorgeschreven voor overtredingen op:
a) de verboden op handel met voorwetenschap (artikel 3 REMIT) en marktmanipulatie (artikel
5 REMIT);
b) de verplichting voor marktdeelnemers om voorwetenschap te openbaren (artikel 4 REMIT)
en verplichtingen van personen die beroepshalve transacties tot stand brengen of uitvoeren
(artikel 15 REMIT) en;
c) de plicht voor marktpartijen tot gegevensverzameling (artikel 8 REMIT) en registratie
bij de NRI’s (artikel 9 REMIT).
Ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de gewijzigde REMIT wordt in het wetsvoorstel
onderscheid gemaakt tussen bestuurlijke boetes voor natuurlijke personen (voorgesteld
artikel 5.21, vijfde lid, van de Energiewet) en voor rechtspersonen (voorgesteld artikel
5.21, zesde lid, van de Energiewet). Vervolgens schrijft het wetsvoorstel (door middel
van een wijziging van artikel 5.21 van de Energiewet) de bestuurlijke maximumboetes
voor de voornoemde overtredingen onder I, II en III voor. Hierbij wordt deels afgeweken
van de in de aanwijzingen voor de regelgeving voor de maximale bestuurlijke boetehoogte
voorgeschreven verwijzing naar de boetecategorieën van het Wetboek van Strafrecht.
Dit is noodzakelijk om te voldoen aan de voorgeschreven regels voor minimale boetemaxima
onder de gewijzigde REMIT. Waar mogelijk worden de bestaande boetecategorieën onder
de Energiewet met verwijzing naar de boetecategorieën van het Wetboek van Strafrecht
ongewijzigd gelaten. De bestaande boetebepaling voor recidive in de Energiewet wordt
eveneens gehandhaafd en uitgebreid voor de nieuwe beboetbare bepalingen uit de gewijzigde
REMIT (voorgesteld artikel 5.21, achtste lid, van de Energiewet). Dit sluit aan bij
het huidige artikel 5.21, vierde lid, van de Energiewet waarin voor overtredingen
van REMIT al een dergelijke recidivebepaling is opgenomen.
Er gelden onder de gewijzigde REMIT geen voorgeschreven boetemaxima wat betreft de
boetebevoegdheid van NRI’s bij overtreding van artikel 7 quater (verstrekken van lng-marktgegevens
aan het Agentschap) of artikel 13 ter, vierde lid, (geen gevolg geven aan verzoek
om informatie van Acer) van de gewijzigde REMIT. Voor artikel 7 quater wordt aangesloten
bij de minimale boetemaxima die artikel 18 van de gewijzigde REMIT voorschrijft. Voor
artikel 13 ter, vierde lid, wordt aangesloten bij de boetemaxima die gelden onder
de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt bij de uitoefening van vergelijkbare
bevoegdheden op andere toezichtgebieden. Wat betreft het gebod onder artikel 5 bis,
tweede lid, van de gewijzigde REMIT (in kennis stellen nationale regulerende instantie
en Acer dat de marktdeelnemer zich met algoritmische handel bezighoudt), schrijft
de gewijzigde REMIT niet verplichtend voor dat deze met boetes gehandhaafd moeten
kunnen worden en is daarom geen boetebevoegdheid bij niet naleving opgenomen. Wel
kan een herstelsanctie, in de vorm van een last onder dwangsom, of een bindende gedragslijn
worden opgelegd. Hiermee kan naleving van het voorschrift ook voldoende effectief
worden afgedwongen.
Artikel 18, zevende lid, van de gewijzigde REMIT schrijft voor met welke omstandigheden
de nationale regulerende instanties bij het bepalen van het soort en het niveau van
de bestuursrechtelijke geldboetes en andere bestuursrechtelijke maatregelen, indien
passend, rekening moeten houden. Zo moet de ACM bij het opleggen van boetes rekening
kunnen houden met de omvang van winsten of verliezen die de overtreder heeft gemaakt,
respectievelijk vermeden, voor zover die kunnen worden bepaald. Er zit hierin overlap
met de boetemaxima die volgen uit artikel 18, derde en vierde lid, van de gewijzigde
REMIT. Immers zijn de boetemaxima, indien het direct of indirect financieel voordeel
hoger is dan de boetemaxima genoemd in artikel 18, vierde lid en vijfde lid, gelijk
aan het direct of indirect financieel voordeel. Dit is ook in het wetsvoorstel overgenomen.
Een maximumboete gelijk aan het direct of indirect financieel voordeel lijkt, indien
deze boven de boetemaxima zoals bepaald in de toegevoegde leden vijf en zes van artikel
5.21, voldoende afschrikwekkend. Aan artikel 18, zevende lid, van de gewijzigde REMIT
wordt, voor zover nodig, in de Boetebeleidsregel ACM 2014 verder uitvoering gegeven.
De ACM heeft in haar UHT-reactie aangegeven dat voor de effectieve handhaving het
verlengen van de vervaltermijn gewenst is (zie paragraaf 7.1 van deze toelichting).
Het kabinet erkent dat bij grensoverschrijdende onderzoeken, waarin Acer onderzoek
doet en vervolgens handhaving van de ACM en andere regulerende instanties verlangd
wordt, de uiteindelijke handhaving langer kan duren dan de huidige vervaltermijn van
vijf jaar uit art. 5:45 van de Awb. Om te verzekeren dat er effectief uitvoering kan
worden gegeven aan de gewijzigde REMIT-verordening zullen onderzoekshandelingen van
Acer de vervaltermijn stuiten, zodat na overdracht van een onderzoeksverslag door
Acer aan de ACM nog handhaving kan plaatsvinden. Om de rechtszekerheid van marktpartijen
te waarborgen wordt wel verlangd dat de ACM binnen drie jaar na overdracht van het
onderzoeksverslag door Acer een handhavingsbesluit neemt en dat dit niet meer dan
tien jaar na het einde van de overtreding, vermeerderd met de opschortingsperiode
ingevolge artikel 5:45, derde lid, van de Awb, mag zijn. Zo wordt voorkomen dat marktpartijen
te lang in rechtsonzekerheid verkeren.
3.3 Openbaredienstverplichting
Zoals in paragraaf 1.1 benoemd, is ervoor gekozen in dit wetsvoorstel tevens een voorstel
op te nemen voor een bevoegdheid om een openbaredienstverplichting in het belang van
nationale (economische) veiligheid op te leggen (voorgesteld artikel 5.13a Energiewet).
Deze bevoegdheid sluit aan bij de ambities van het kabinet om de weerbaarheid van
Nederland tegen dreigingen tegen de nationale veiligheid te vergroten.
In tijden waarin sprake is van zorgwekkende ontwikkelingen in binnen- en buitenland
waardoor dreigingen tegen de nationale veiligheid zich opstapelen en elkaar versterken,
moet extra belang worden gehecht aan het blijven functioneren van onze samenleving
en economie. Het kabinet zet daarom in op de versterking van de weerbaarheid van overheid,
bedrijven en burgers tegen verhoogde militaire en hybride dreigingen, het waarborgen
van de continuïteit van kritieke infrastructuur en processen, en het blijven beschermen
van de economische veiligheid. Leveringszekerheid en betrouwbaarheid van energievoorziening
is hiervoor cruciaal. Het kabinet wil kritieke infrastructuur, waaronder defensielocaties
en -materieel, zekerstellen en beter voorbereid zijn op – en weerbaar zijn voor –
verstoringen door bijvoorbeeld cyberaanvallen. De Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk
der Nederlanden48 blijft daarbij koersbepalend. In de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der
Nederlanden zijn de zes nationale veiligheidsbelangen neergelegd; economische veiligheid
is er daar één van. Economische veiligheid is daarin gedefinieerd als het ongestoord
functioneren van het Koninkrijk der Nederlanden als een effectieve en efficiënte economie.
Een betrouwbare energievoorziening is van cruciaal belang voor de bedrijfstakken en
overheidsinstellingen die op essentiële wijze bijdragen aan de bescherming van de
nationale (economische) veiligheid. Binnen de overheid betreft dit onder andere defensie,
de nationale politie en andere opsporingsdiensten, alsook inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Voor de uitoefening van hun taken en verantwoordelijkheden zijn zij ook afhankelijk
van bepaalde ondernemingen. Dit betreft bedrijven of organisaties die binnen de geopolitieke
context unieke productieprocessen, kennis of toelevering verzekeren. Een ongestoorde
exploitatie door deze ondernemingen van deze unieke productieprocessen, kennis of
toelevering, met inbegrip van doorontwikkeling van productiefaciliteiten en technologie,
is belangrijk voor het beschermen van onze nationale veiligheid. In omstandigheden
die nu nog niet kunnen worden voorzien kunnen ook andere partijen van cruciaal belang
worden voor de nationale (economische) veiligheid, of kan het noodzakelijk zijn dat
zij op korte termijn hun capaciteit opschalen. Te denken valt aan een vaccinproducent
tijdens een epidemie.
De energievoorziening of de toelevering van energie voor bepaalde (groepen) aangeslotenen
kan onder omstandigheden van cruciaal belang zijn voor de nationale (economische)
veiligheid.49 Voorstelbaar is dat zich situaties voordoen waarin de bestaande wettelijke sturingsinstrumenten
ontoereikend zijn om de beschikbaarheid of betrouwbaarheid van de energievoorziening
of toelevering van energie voor specifieke aangeslotenen of afnemers die van belang
zijn voor de nationale (economische) veiligheid (in voldoende mate) te waarborgen.
Daarbij kan het ook gaan om situaties waarin het, gelet op bijvoorbeeld de schaarse
capaciteit op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit, binnen het
reguliere wettelijke kader niet mogelijk is om een betrouwbare energievoorziening
van een afnemer die voor de nationale economische veiligheid cruciaal is, tijdig of
in voldoende mate te garanderen. Het is wenselijk om in die gevallen een openbaredienstverplichting
op te kunnen leggen in de vorm van een bindende aanwijzing aan een of meer energiebedrijven,
zoals systeembeheerders, energieleveranciers of producenten, teneinde de voorzieningszekerheid
of de leveringszekerheid voor bepaalde aangeslotenen of afnemers te garanderen. Een
openbaredienstverplichting is een verplichting die van overheidswege aan een onderneming
wordt opgelegd om bepaalde diensten of goederen te leveren. In het artikelsgewijze
deel van deze toelichting wordt nader ingegaan op dit type verplichtingen.
Voor een goed begrip van de reikwijdte van de bevoegdheid is belangrijk te weten dat
de aanwijzingsbevoegdheid niet bedoeld is om de energiesector als zodanig te beschermen.
Het is ook niet een instrument om in te zetten bij een crisissituatie in de elektriciteit-
of gassector. Deze bevoegdheid maakt het mogelijk om, in uitzonderlijke gevallen,
één of meer partijen in de elektriciteits- of gassector een specifieke verplichting
op te leggen, naast of in afwijking van de normale regels. Dat gebeurt alleen wanneer
dit nodig is voor de nationale veiligheid, waaronder de economische veiligheid. Het
gaat steeds om een concrete, afzonderlijke situatie waarin de nationale veiligheid
in gevaar is en waarin de bestaande regels niet voldoende zijn. Zo’n situatie kan
ook ontstaan buiten de situatie van een energiecrisis of buiten een noodsituatie of
calamiteit in de voorzienings- of leveringszekerheid. De aanwijzingsbevoegdheid is
dus geen maatregel of noodbevoegdheid in het kader van het staatsnoodrecht en wordt
niet opgelegd in het kader van een crisis- of noodsituatie in de elektriciteits- of
gassector. Voor crisis- of noodsituaties in de elektriciteits- of gassector bestaan
al regels en bevoegdheden. Deze volgen uit Europese verordeningen, die rechtstreeks
geldende verplichtingen bevatten, vooral voor transmissiesysteembeheerders (TSB’s),
en uit de Energiewet. Aangezien niet is te voorzien welke situaties zich zullen voordoen
en welke verplichting op dat moment het meest passend is, kunnen de openbaredienstverplichtingen
niet op voorhand nader worden geconcretiseerd.
Het opleggen van een dergelijke verplichting gebeurt op basis van dit wetsvoorstel
door het opleggen van een bindende aanwijzing van de Minister van Klimaat en Groene
Groei (hierna: KGG) in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid
en de Minister(s) die het mede aangaat. Bij de aanwijzing zal de Minister van KGG
moeten motiveren waarom de aanwijzing is gerechtvaardigd ter bescherming van de nationale
(economische) veiligheid en zal de concrete verplichting worden geformuleerd.
De uitoefening van de bevoegdheid om een openbaredienstverplichting op te leggen is
aan (Europese) beperkingen onderhevig. In de artikelsgewijze toelichting wordt hierop
en op een aantal andere aspecten ingegaan.
Dit onderdeel van het wetsvoorstel is geen onderdeel geweest van de internetconsultatie.
De uitvoering van deze bevoegdheid ligt bij de Minister van KGG. Uitvoerbaarheids-
en handhaafbaarheidstoetsen zijn om die reden niet gevraagd. Over de bevoegdheid heeft
ambtelijk afstemming plaatsgevonden met de ACM. Aangezien het voorgestelde artikel
5.13a enkel een bevoegdheid bevat, zijn er als gevolg van de introductie van dit artikel
nog geen (regeldruk)effecten. Dit onderdeel wordt dan ook verder niet besproken in
de navolgende paragrafen van het algemeen deel van deze toelichting.
4. Gevolgen voor burgers en bedrijven
De richtlijn en verordeningen bevatten rechtstreekse verplichtingen voor marktdeelnemers
op de elektriciteits- en gasmarkt. Deze rechtstreeks werkende verplichtingen vallen
buiten de scope van het nationale beleid gericht op de vermindering van regeldruk.
Tijdens de onderhandelingen heeft Nederland gestreefd naar zo efficiënt mogelijke
bepalingen om hiermee de administratieve verplichtingen zoveel mogelijk te beperken.
Op basis van de verordeningen dient de Europese Commissie nog uitvoeringshandelingen
vast te stellen. Nederland zal in de comitologieprocedure tot het vaststellen van
deze uitvoeringshandelingen streven naar het zoveel mogelijk beperken van regeldruk
voor marktpartijen. Onderstaand wordt uiteengezet wat de gevolgen van het wetsvoorstel
zijn voor burgers en bedrijven.
4.1 Het doenvermogen voor burgers
4.1.1 Algemeen
De «Aanwijzingen voor de regelgeving» vereisen het in kaart brengen van de lasten
voor burgers. Het gaat dan om de lasten die direct voortvloeien uit het betreffende
wetsvoorstel. Het gaat om de gevolgen voor (i) burgers die ingeschreven in de gemeentelijke
basisregistratie en veertien jaar of ouder zijn, en (ii) georganiseerde burgers: instellingen
zonder winstoogmerk zijnde stichtingen en verenigingen. In dit wetsvoorstel zijn verschillende
gevolgen voor deze groep te onderscheiden, die hieronder kort worden besproken. De
term «burgers» kent de Energiewet zelf niet, maar zal veelal samenvallen met de «huishoudelijke
eindafnemer» of met de «aangeslotene met een kleine aansluiting».
Het wetsvoorstel heeft op verschillende manieren effecten op de positie van burgers.
Gedeeltelijk komen deze gevolgen ook al aan de orde in de paragraaf over doenvermogen
(4.1.2). Op de gevolgen voor de verwerking van persoonsgegevens gaat paragraaf 4.3
apart in.
Specifiek voor eindafnemers bevat het wetsvoorstel op enkele punten extra bescherming.
Deze bescherming ziet op de verruimde informatieplicht van energieleveranciers alvorens
een eindafnemer een leveringsovereenkomst afsluit. Ook moeten leveranciers zorgen
voor passende afdekkingstrategieën voor de inkoop van hun energie teneinde risico’s
voor de continuïteit van (leverings)overeenkomsten met eindafnemers te beperken. Verder
zorgen kleine aanpassingen in de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn op het terrein
van afsluitbescherming en maatregelen in het kader van faillissement van een energieleverancier
voor extra bescherming van eindafnemers. Deze zijn echter niet in het wetsvoorstel
opgenomen, maar zijn reeds onderdeel van de lagere regelgeving onder de Energiewet
(zie paragraaf 1.3.2). Hetzelfde geldt voor de gevolgen voor burgers volgend uit die
regels.50 In deze lagere regelgeving wordt onder meer ingegaan op de gevolgen van de regels
voor burgers.
Naast betere consumentenbescherming bevat het wetsvoorstel bepalingen waarmee de burger
(en ook bedrijven) zelf opgewekte energie kan delen met andere burgers en bedrijven,
juist ook wanneer beide partijen zijn aangesloten bij verschillende leveranciers.
De individuele burger hoeft hier geen gebruik van te maken. De verwachting is dat
individuele burgers, afhankelijk van hun keuzes, in beperkte mate kunnen profiteren
van deze maatregelen.
Als actieve afnemers daadwerkelijk gebruik maken van het recht op energiedelen, dienen
zij hiertoe een aantal stappen te zetten. Hoewel het gebruik van het recht op energiedelen
facultatief is, zorgt de keuze om ervan gebruik te maken wel voor extra lasten voor
burgers. In het kader van de doelgroep gaat het hier concreet om eindafnemers met
een kleine aansluiting alsmede georganiseerde burgers in bijvoorbeeld een energiegemeenschap
of in een VvE. Zoals is toegelicht in paragraaf 3.2 («Belangrijkste wijzigingen van
de implementatie van het EMD-pakket voor de praktijk») zijn er diverse handelingen
vereist voor het succesvol kunnen delen van energie.
Teneinde de lastendruk te beperken, kunnen actieve afnemers die energiedelen ervoor
kiezen om gebruik te maken van een organisator voor energiedelen die de benodigde
administratieve handelingen kan uitvoeren. Ook zorgt het in de Energiewet geïntroduceerde
herziene stelsel van gegevensuitwisseling voor verlaging van administratieve lasten,
omdat hierin verschillende gegevensprocessen reeds worden vastgelegd die de individuele
burger inzicht geeft in datagegevens en veel administratieve handelingen uit handen
neemt. Ten slotte wordt, om de administratieve lastendruk voor burgers bij het delen
van energie te beperken, voorgesteld de belastingplicht voor de energiebelasting neer
te leggen bij de leverancier van de energie-ontvanger (zie paragraaf 3.2.1, «Energiebelasting,
en ook hetgeen hierover wordt opgemerkt bij de doenvermogentoets in paragraaf 4.1.2).
4.1.2 Wijze waarop rekening is gehouden met het doenvermogen
Vanuit het perspectief dat de burger de wet niet alleen moet «kennen», maar hem ook
moet «kunnen» is op het wetsvoorstel een doenvermogentoets uitgevoerd.51
Dit betreft de mate waarin regelingen en voorschriften «doenlijk» zijn voor de burgers
ook wanneer zij een lastige periode doormaken en hun mentale vermogens zwaar worden
belast. Belangrijke toetsvragen in dit kader zijn (i) of de (mentale) belastbaarheid
van burgers goed wordt ingeschat en (ii) of en zo ja hoe er passende maatregelen worden
getroffen om de mentale belasting te reduceren zodat burgers de regeling eenvoudig
kunnen toepassen.
Bij de doenvermogentoets ten behoeve van voorliggend wetsvoorstel wordt waar mogelijk
aangesloten bij de doenvermogentoets zoals deze is uitgevoerd ten behoeve van de Energiewet.52 Hier is uitgebreid toegelicht dat het wetsvoorstel voor de reguliere leveringsovereenkomsten
voor gas en elektriciteit inzet op maximale ontzorging terwijl voor de actieve marktvormen
vooral beoogd is dit zonder onnodige belemmeringen mogelijk te maken. Voor consumenten
die niet actief kunnen of willen deelnemen aan de markt gelden allerlei «standaard»
voorschriften die hun positie moeten beschermen.
De hiernavolgende beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met het doenvermogen
bevat twee invalshoeken. Ten eerste, gelet op het belang van elektriciteit in de dagelijkse
levensbehoeften biedt het wetsvoorstel een voorschrift dat de belangen van burgers
beschermt bij het afsluiten van een «reguliere» leveringsovereenkomst voor elektriciteit
en voor het handelen van de energieleverancier richting deze burgers (in hun rol van
eindafnemer).
Ten tweede, biedt het wetsvoorstel, in lijn met de voorschriften in de Europese regelgeving,
de mogelijkheid om te kiezen voor een actievere rol op de energiemarkt. Het gaat hier
om de mogelijkheid om energie te delen, juist ook wanneer de energiegevende en energie-ontvangende
partij bij verschillende leveranciers zijn aangesloten. Hierbij is het uitgangspunt
dat het doenvermogen een rol speelt als er een handeling wordt verwacht.
Informatieverplichting leverancier leveringsovereenkomst
Het wetsvoorstel wijzigt artikel 2.6 van de Energiewet door het vierde lid uit te
breiden. Deze bepaling schrijft voor dat leveranciers een eindafnemer voor het sluiten
van een leveringsovereenkomst voor elektriciteit en gas informeren over de mogelijkheden,
kosten en risico’s van deze contractvorm en dat leveranciers eindafnemers dienovereenkomstig
informeren, onder meer betreffende de noodzaak om een passende meter te laten installeren.
Deze bepaling is een uitbreiding op de bestaande bepaling in artikel 2.9, tweede lid,
van de Energiewet dat een gelijke informatieplicht bevat maar dan beperkt is tot een
plicht voor dynamische leveranciers. De verplichting in voorliggend wetsvoorstel zorgt
niet voor een extra actie of handeling voor de eindafnemer. Gelet op het bredere kader
van het sluiten van een leveringsovereenkomst voor elektriciteit en gas, helpt de
extra informatieplicht de eindafnemer juist bij het beter geïnformeerd zijn over alle
ins en outs van de (mogelijk te sluiten) overeenkomst.
De doenvermogentoets voor het afsluiten van een bij leveringsovereenkomst voor gas
of elektriciteit in den brede is uitgebreid aan bod gekomen bij de memorie van toelichting
van de Energiewet, alsmede het nader rapport en de nota’s naar aanleiding van het
verslag. De nieuwe informatieplicht zorgt ervoor dat een eindafnemer beter in staat
is om een leveringsovereenkomst voor elektriciteit en gas te sluiten. Verwacht wordt
dan ook dat dit een positieve bijdrage heeft op het van de burger gevraagde doenvermogen:
de extra informatievoorziening vermindert de vereiste mentale belasting voor het maken
van een keuze. Dit alles past onder het kopje «mitigerende maatregelen», zoals opgenomen
bij de reeds eerder uitgevoerde toets bij de Energiewet. Gelet op de relatief beperkte
aanpassing ten opzichte van deze eerdere toets, is het opnieuw weergeven van de toetsresultaten
hier achterwege gelaten.
Mogelijkheid tot energiedelen met vrije leverancierskeuze
De gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn geeft lidstaten de opdracht om ook energiedelen
tussen afnemers van verschillende leveranciers mogelijk te maken. Zoals eerder aangegeven
wordt dit het energiedelen met vrije leverancierskeuze genoemd.
Tabel 4: Energiedelen – reactie op toetsvragen doenvermogen
Doenvermogen
Energiedelen – reactie op de toetsvragen
0. Proces vooraf
Onder de Energiewet is het reeds mogelijk om energie te delen als de energienemer
en -gever bij dezelfde leverancier zijn aangesloten. Dit wetsvoorstel maakt ook energiedelen
tussen afnemers van verschillende leveranciers mogelijk. De opgenomen voorschriften
over energiedelen vormen de implementatie van de verplichtingen uit de bij het EMD-pakket
gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn. Met betrekking tot doenvermogen is het belangrijk
dat delen van energie een recht is, en dat eindafnemers hier geen gebruik van hoeven
te maken en dat wanneer eindafnemers hier wel gebruik van maken dit naar verwachting
bijna altijd via een administratieve tussenpersoon zal gebeuren.
1. Mentale belasting
Ad 1/2: inzake het doenvermogen en (mentale) belasting kan worden opgemerkt:
• In navolging van de verplichtingen in de Elektriciteitsrichtlijn maakt het EMD-wetsvoorstel
energiedelen met vrije leverancierskeuze mogelijk.
• Dit is vooral relevant voor aangeslotenen die ook beschikken over eigen elektriciteitsproductie,
bijvoorbeeld via zonnepanelen, of een thuisbatterij.
• Het energiedelen vraagt om expliciete keuzes, het afsluiten van overeenkomsten,
het aanwijzen van een vertegenwoordiger, eventueel het versturen van facturen en mogelijk
het nemen incassomaatregelen.
• De mentale belasting van energiedelen kan daarmee in potentie hoog zijn. Het zelf
elektriciteit opwekken en verbruiken kent een zeer brede toepassing onder de Nederlandse
bevolking en een beperkte mentale belasting. Het vervolgens delen van deze energie
is administratief complex en kan daardoor weinig aantrekkelijk zijn voor burgers,
zeker voor actieve afnemers die elkaar minder goed kennen.
• Hierbij geldt veelal dat de verhouding tussen de (extra) kosten en de potentiële
baten een barrière vormt, maar dat verschilt per geval.
• Wanneer er kosten in rekening worden gebracht door de energiegever (dus niet «om
niet»), moet er in beginsel ook btw worden gerekend en afgedragen over de gedeelde
elektriciteit.
• Grotere energiegevers (geïnstalleerd vermogen boven de 55 kW, 17 kW voor een huishouden)
zijn gehouden aan een aantal maatregelen inzake consumentenbescherming o.a. inzake
het informeren van de energienemer en het hanteren van een klachtenprocedures (artikel
2.41c van het wetsvoorstel).
Ad 3: Gevolgen van niet in actie komen (of van fouten):
• De effecten van eventuele inertie hangen af van de specifieke omstandigheden, maar
vallen over het algemeen mee, omdat het delen van energie alleen mogelijk is naast
een leverancier (de reguliere energielevering blijft dus doorlopen).
Ad. 4: Mitigerende maatregelen:
• Energiedelen via tussenpersoon: de introductie van de mogelijkheid om energiedelen via een administratieve tussenpersoon
te doen (de organisator voor energiedelen) is de belangrijkste maatregel voor mitigatie
van de hierboven geschetste nadelen (administratief complex, weinig aantrekkelijk,
etc.). Bij energiedelen binnen een energiegemeenschap kan de energiegemeenschap zelf
als organisator van energiedelen optreden. In het wetsvoorstel is opgenomen dat de
organisator voor energiedelen zijn diensten verleent op en niet-discriminerende wijze
en tegen transparante prijzen, tarieven en voorwaarden. Bij of krachtens AMvB kunnen
er nadere eisen worden opgenomen voor de organisator van energiedelen. Op deze manier
kan de «gemiddelde burger» via een professionele partij actief worden op de markt,
zodat ook recht gedaan wordt aan de Elektriciteitsrichtlijn. Dit alles verlaagt de
administratieve complexiteit sterk.
• Heffing energiebelasting via energieleverancier van de energie-ontvanger en niet bij
energiegever of -ontvanger: de belastingplicht bij energiedelen voor de energiebelasting wordt neergelegd bij
de energieleverancier van de energie-ontvanger (zie paragraaf 3.2.1, «Energiebelasting»).
Op deze manier wordt geborgd dat energiebelasting wordt geheven zonder dat dit leidt
tot een potentieel enorme toename in het aantal belastingplichtigen voor de energiebelasting.
Hiermee wordt voorkomen dat een groot beroep wordt gedaan op het doenvermogen van
huishoudens, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheidsinstellingen en
dat deze groepen worden geconfronteerd met administratieve lasten vanwege deze belastingplicht.
• Voor de afdracht van btw kan door huishoudens (niet zakelijke actieve afnemers)
vaak een beroep worden gedaan op de registratiedrempel of de kleineondernemersregeling
(KOR). Dit is een vrijstelling voor de btw.
• Rol systeembeheerders gegevensverwerking: de systeembeheerders hebben bij het verwerken van gegevens ten behoeve van energiedelen
een belangrijke rol. Zo bepaalt het EMD-wetsvoorstel dat de transmissie- of distributiesysteembeheerder
in een contactpunt ten behoeve van energiedelen voorziet en toetst en registreert
deze de overeenkomst inzake energiedelen. Het verzamelen, valideren, berekenen en
verstrekken van gegevens door de systeembeheerder wordt uitgewerkt bij algemene maatregel
van bestuur. Doordat de transmissie- of distributiesysteembeheerder al deze taken
op zich neemt, verlaagt dit de lasten van de energiedelers zelf.
• Het uitlezen van meetinrichtingen en het uitwisselen van gegevens speelt bij het
bovenstaand een grote rol. Dit is onder het wetsvoorstel Energiewet grotendeels gestandaardiseerd
en gereguleerd, waarbij ook verschillende procedures bestaan om eventuele fouten achteraf
te constateren en te corrigeren.
4.2 Regeldrukeffecten
De «Aanwijzingen voor de regelgeving» vereisen het in kaart brengen van de lasten
voor bedrijven en instellingen. Het gaat hier om een inventarisatie van de gevolgen
via de Bedrijfseffectentoets, waarin meerdere onderdelen aan bod komen: regeldruk
voor bedrijven, onderzoek naar markteffecten, en onderzoek naar de gevolgen voor de
innovatie door bedrijven. Er is geen uitgebreide MKB toets of Bedrijfseffectentoets
uitgevoerd. Wel heeft de Europese Commissie bij de lancering van haar voorstellen
van het EMD-pakket, een Staff Working Document gepresenteerd waarin ze de rationale achter het EMD-pakket toelicht en onderbouwt
met uitkomsten van marktonderzoek. Ten aanzien van de administratieve lasten die voortvloeien
uit het wetsvoorstel is advies gevraagd aan het Adviescollege voor Toetsing en Regeldruk.
Het EMD-wetsvoorstel bevat een aantal nieuwe verplichtingen voor marktdeelnemers op
de energiemarkt. Het zijn verplichtingen voor leveranciers, systeembeheerders en eindafnemers.
Allereerst is er een tweetal bepalingen op het terrein van eindafnemerbescherming
die gevolgen hebben voor bedrijven, te weten energieleveranciers. Het wetsvoorstel
schrijft voor leveranciers hun eindafnemers volledig informeren over de mogelijkheden,
kosten en risico’s van de verschillende typen leveringsovereenkomsten voor elektriciteit
en gas, en dat leveranciers onder meer moeten informeren betreffende de noodzaak om
een passende meter te laten installeren. Ook moeten leveranciers die elektriciteit
en gas leveren zorgen voor passende afdekkingstrategieën voor de inkoop van hun energie
teneinde risico’s voor de continuïteit van (leverings)overeenkomsten met eindafnemers
te beperken. Vergunninghoudende leveranciers (die elektriciteit of gas leveren aan
eindafnemers met een kleine aansluiting) moeten al voldoen aan deze eis op basis van
het vergunningstelsel dat in afdeling 2.2.4 van de Energiewet is opgenomen. Voor leveranciers
die elektriciteit en gas leveren en niet vergunningplichtig zijn, is deze eis nieuw.
Ten tweede zorgen de bepalingen over energiedelen met vrije leverancierskeuze voor
gevolgen voor marktpartijen. De uitbreiding van het recht op energiedelen, i.e. nu
ook met vrije leverancierskeuze, heeft gevolgen voor de betrokken marktpartijen ten
opzichte van de huidige situatie. Energiedelen met vrije leverancierskeuze is administratief
ingewikkelder en raakt de inkoop- en balanceringsportefeuilles van verschillende marktdeelnemers.
Verder bevat het EMD-wetsvoorstel een aantal bepalingen die zien op taken van transmissie-
en distributiesysteembeheerders. Zo moeten zij een flexibele aansluitovereenkomst
aanbieden. Daarnaast wordt van hen verwacht dat ze informatie verschaffen over de
situatie/bezetting van het elektriciteitssysteem en moeten zij bijvoorbeeld een contactpunt
inrichten voor energiedelen. Hieronder wordt nader ingegaan op de kwantificering van
de regeldruk van de handelingen die de verschillende marktpartijen en burgers moeten
verrichten om te voldoen aan de bepalingen van het wetsvoorstel. Bij de implementatie
van het EMD-pakket is terughoudendheid ten aanzien van de regeldruk beoogd. Op een
aantal punten laat het EMD-pakket keuzes aan de lidstaten. Bij die keuzes is op de
onderstaande wijze rekening gehouden met de regeldruk. Voor het in kaart brengen van
de regeldruk is aangesloten bij het door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
(EZK) voorgeschreven Handboek meting regeldrukkosten. Voor het kwantificeren van de
regeldruk is het Standaard Kostenmodel (SKM) gebruikt.
4.2.1 Bescherming eindafnemers
Informatieplicht
De informatieplicht van artikel 2.6, vierde lid regelt dat een leverancier aan een
eindafnemer, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, een samenvatting verstrekt
van de belangrijkste voorwaarden uit de overeenkomst. Dit moet in begrijpelijke taal
en omvat informatie over de mogelijkheden, kosten en risico's van de soort overeenkomst
voor de levering van elektriciteit.
Een dergelijke verplichting heeft impact op alle saleskanalen en bijbehorende communicatie/documentatie.
Voorbeelden van kanalen zijn; website, telemarketing, buiten de verkoopruimte. Voorbeelden
van communicatie zijn; het verkoopgesprek dat aangepast moet worden, de voicelog en de overeenkomsten, voor het meesturen van de samenvatting. Vaak zijn hier ook
externe partners bij betrokken, wat tot out-of-pocket-kosten kan leiden. Het gaat hier dus om gegevens verwerken in de nieuwe communicatie
en documentatie, en aangezien het om veel informatie gaat die in begrijpelijke taal
omgezet moet worden, wordt er uitgegaan van een complexe handeling. De tijdsbesteding
wordt dan geschat op 240 minuten, oftewel 4 uur, per handeling. Voor de kosten is
ervan uitgegaan dat dit voornamelijk gedaan wordt door administratief personeel, dus
een uurtarief van 39 euro. Voor de out-of-pocket-kosten wordt ook gedacht aan administratief
personeel, met een uurtarief van 39 euro.
Voor de eindafnemer zelf is het belangrijk om kennis te nemen en zich op de hoogte
te stellen van de voorwaarden uit de overeenkomst, waarbij noodzakelijk is dat de
eindafnemer een passende meetinrichting laat installeren. Aangezien het in de meeste
gevallen al zo is dat de eindafnemer een passende meetinrichting heeft, behoeven de
regeldrukkosten hier niet berekend te worden.
De belangrijkste doelgroep is de ongeveer 60 vergunninghoudende energieleveranciers
die er zijn in Nederland.
Activiteit
Uren (Q)
Totaal (PxQ)
De communicatie en documentatie aanpassen (art. 2.6, vierde lid, eenmalig)
4 uur x 60 energieleveranciers = 240
€ 39 x 240 = € 9.360
Out-of-pocket kosten (art. 2.6, vierde lid, eenmalig)
4 uur x 60 energieleveranciers = 240
€ 39 x 240 = € 9.360
Totaal
€ 18.720
Afdekkingsstrategieën
In artikel 2.5, zevende lid, van het wetsvoorstel implementatie EMD wordt geregeld
dat leveranciers van elektriciteit en gas over een passende afdekkingsstrategie moeten
beschikken. De afdekkingsstrategie heeft als doel om risico’s voor de continuïteit
van (leverings-)overeenkomsten met eindafnemers te beperken. Daarbij wordt opgemerkt
dat dit lid ziet op alle leveranciers die elektriciteit en gas leveren aan eindafnemers,
niet alleen op vergunninghouders. Voor vergunninghouders worden aanvullende eisen
gesteld in kader van het vergunningstelsel. De ACM kan bij het toezicht op de naleving
van deze bepaling rekening houden met de omvang van de leverancier of de marktstructuur.
De standaardhandeling uit de verplichting is het beschikken over een passende afdekkingsstrategie,
om risico’s voor continuïteit van overeenkomsten met eindafnemers te beperken. Het
afdekken van marktrisico’s (passende afdekkingstrategie) is voor leveranciers een
kernactiviteit in de dagelijkse bedrijfsvoering. Elke leverancier heeft hiervoor al
een eigen strategie, los van bovenstaande wettelijke verplichting. Leveranciers kopen
tijdig elektriciteit en gas in, wanneer zij, bijvoorbeeld, overeenkomsten aan kleinverbruikers
hebben verkocht voor een periode waarin de prijs vast staat (bijvoorbeeld vaste jaarcontracten).
Op die manier dekken ze zich in tegen prijsschommelingen op de markt.
Daarnaast is goed om te realiseren dat vergunninghouders die elektriciteit en gas
mogen leveren aan kleinverbruikers (60) op dit moment al aan een vereiste voor een
passende afdekkingstrategie moeten voldoen volgend uit de ACM Beleidsregel betrouwbare
levering elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers (specifiek artikel
4, eerste en tweede lid).
In de praktijk dienen vergunninghouders – aan de hand van een template dat de ACM
ter beschikking stelt – minimaal 1 keer per jaar informatie te verschaffen aan de
ACM over de marktrisico’s die zij lopen en hoe zij deze risico’s afdekken. Inclusief
eventuele vervolgvragen van de ACM, wordt ingeschat dat dit een vergunninghouder per
keer ongeveer (4–8 uur) kost om dit aan te leveren. Er wordt vanuit gegaan dat dit
door hoogopgeleide medewerkers wordt gedaan, dus het betreft dan een uurtarief van
54 euro. Ook hierbij geldt dat dit nu al gebeurt onder de genoemde Beleidsregel, dus
het betreffende EMD-artikel zal niet leiden tot meer administratieve lasten/regeldruk.
De toezichtlasten zullen incidenteel oplopen indien de ACM een vergunninghouder onder
verscherpt toezicht plaatst, wanneer de afdekkingstrategie niet voldoet aan het hierboven
genoemde artikel in de Beleidsregel.
Tot slot blijkt uit de toelichting van dit artikel dat dit artikel voor alle leveranciers
gaat gelden, niet alleen leveranciers die vergunningplichtig zijn. Daarmee komen ook
energiegemeenschappen – voor zover zij elektriciteit leveren – in beeld en datzelfde
geldt voor leveranciers die alleen leveren aan grootverbruikers in Nederland (niet-vergunningplichtig).
Het is niet de verwachting dat de ACM in de praktijk prioriteit zal geven aan het
toepassen van dit artikel op deze leveranciers, vanwege redenen van uitvoerbaarheid,
proportionaliteit en omdat ze in het risico gebaseerde toezicht de focus zullen leggen
op vergunninghouders die leveren aan kleinverbruikers, waaronder consumenten. Daarom
verwachten ze voor niet-vergunning houdende leveranciers – zeker in eerste instantie
– geen extra lasten en regeldruk volgend uit dit artikel.
Er zijn op dit moment 60 vergunninghouders die elektriciteit leveren aan kleinverbruikers.
Daarnaast gaan de verplichtingen voor wat betreft het hebben van passende afdekkingsstrategieën
ook gelden voor leveranciers zonder vergunning. Dit zijn leveranciers die alleen leveren
aan grootzakelijke afnemers en energiegemeenschappen. De ACM heeft geen zicht op de
aantallen, omdat er bij deze leveranciers geen vergunningplicht en ook geen meldingsplicht
(register) is.
Activiteit
Uren (Q)
Totaal (PxQ)
Informatie verschaffen (art. 2.5 zevende lid)
Bandbreedte 4–8 uur x 60 vergunninghouders = bandbreedte 240–480
Bandbreedte 240–480 x € 54 = bandbreedte € 12.960–25.920
Out-of-pocket kosten
N.v.t.
Deze regeldrukkosten zijn dus al staande praktijk en kunnen worden gezien als business as usual-kosten. Ze worden niet opgeteld bij het totaal aan regeldrukkosten.
4.2.2 Energiedelen met vrije leverancierskeuze
Algemeen
Het delen van energie met vrije leverancierskeuze is een contractuele afspraak tussen
eindafnemers (actieve afnemers), maar raakt de processen van systeembeheerders en
leveranciers, en heeft daarmee gevolgen voor deze marktpartijen.
Aan de kant van de energiegever moet gemeten worden hoeveel elektriciteit er per kwartier
op het net is ingevoerd en afhankelijk van de verdeelsleutel moet bij de energie-ontvanger(s)
gemeten worden hoeveel elektriciteit er per kwartier is afgenomen. Op basis van deze
gegevens moet de systeembeheerder per kwartier vaststellen hoeveel elektriciteit er
is gedeeld tussen de energiegever en de energie-ontvanger. De systeembeheerder geeft
dit door aan de contactpersoon en de marktdeelnemers op de betrokken allocatiepunten
en geaggregeerd per onbalansverrekenperiode en marktdeelnemer aan de betrokken balanceringsverantwoordelijken.
Om dit mogelijk te maken moeten de systemen van de systeembeheerders en betrokken
marktdeelnemers en de communicatie tussen deze partijen (het centrale berichtenverkeer)
worden aangepast, zodat deze data geautomatiseerd bij de juiste partijen terecht komt.
De hoeveelheid elektriciteit die is gedeeld wordt door de leverancier van de energiegever
(of zijn terugleveraggregator) – per kwartier – afgetrokken van de hoeveelheid elektriciteit
die de energiegever aan hem (terug)levert.
De leverancier van de energie-ontvanger bepaalt op basis van de door de systeembeheerder
doorgegeven hoeveelheden gedeelde elektriciteit en de door de energie-ontvanger feitelijk
afgenomen elektriciteit (kwartierverbruiken), hoeveel elektriciteit er dat kwartier
nog door hem is geleverd.
De leverancier maakt in zijn facturering aan de eindafnemer duidelijk hoeveel elektriciteit
er door hem is geleverd, hoeveel elektriciteit er is gedeeld en hoeveel gedeelde elektriciteit
er eventueel aan hem is teruggeleverd. Hiervoor is een aanpassing van het facturatiesysteem
van betrokken marktdeelnemers nodig. Wanneer de elektriciteit anders dan om niet is
gedeeld, factureert de energiegever of de organisator voor energiedelen de hoeveelheid
gedeelde elektriciteit bij de energie-ontvanger.
Systeembeheerders
Voor systeembeheerders (SB) zijn op grond van het wetsvoorstel en de geschetste werkwijze
op hoofdlijnen de volgende aanpassingen voorzien. Bij de berekening van de administratieve
lasten is uitgegaan van het eenvoudige model, waarbij energie gedeeld wordt op basis
van een vaste verdeelsleutel. Bij een keuze voor een dynamische verdeelsleutel zullen
deze kosten hoger zijn:
1. Aanpassen ICT-systeem (eenmalig)
2. Inrichten contactpunt/loket (artikel 3.63a, eerste lid, eenmalig)
3. Toetsen en registreren deelovereenkomsten (artikel 3.63a, tweede lid)
4. Monitoren, verzamelen en valideren gegevens in verband met gedeelde energie (artikel
3.63a, derde lid)
5. Berekenen hoeveelheid gedeelde elektriciteit (artikel 3.63a, derde lid)
6. Verstrekken hoeveelheid gedeelde elektriciteit met bijbehorende meetgegevens inzake
invoeding (artikel 3.63a, derde lid)
7. Vragen afnemers / helpdesk
Activiteit
Uren (Q)
Totaal voor alle SB (PxQ)
1. Aanpassen ICT-systeem ten behoeve van processen (3.63a, eenmalig)
166.400 uur voor aanpassing ICT-systemen voor alle netbeheerders (40 FTE * 52 werkweken
= 83.200 + 50% voor voorbereiding en 50% voor implementatie)
€ 33 x 166.400 = € 5.491.200
2. Inrichten contactpunt (3.63a, eerste lid, eenmalig)
29.120 uur (4.160 uur per netbeheerder: 8 FTE 13 werkweken x 7 netbeheerders)
€ 39 x 29.120 = € 825.552
3, 4, 5 en 6. Registreren deelovereenkomsten, valideren, berekenen en versterken van
de hoeveelheid gedeelde elektriciteit (3.63a, tweede tot en met vijfde lid)
16.640 uur per jaar voor alle netbeheerders
€ 39 x 16.640 = € 648.960 p/j
7. Vragen afnemers/ helpdesk.
6.000 uur (24.000 contact-momenten van 15 min)
€ 23 x 6.000 = € 138.000 p/j
T.a.v. onderdeel 1 Aanpassen ICT-systeem (eenmalig): Naast aanpassingen in de centrale
klantprocessen is er impact op de processen rondom allocatie en reconciliatie en rapportage
t.a.v. klant- en groothandelsprocessen. Deze zijn meegenomen als onderdeel van de
eerste activiteit. In het algemeen zit de meeste tijd erin dat bestaande centrale
processen goed moeten blijven lopen. Omdat energiedelen diverse centrale processen
raakt zullen daar ook aanpassingen nodig zijn en moeten deze getest worden met andere
marktpartijen, zodat alle processen en de uitwisseling van data goed blijven lopen.
Boven op het aantal uren dat nodig is voor het aanpassen van ICT-systemen (realisatie)
is 50% voor (sector)voorbereidingen en 50% voor (sector)implementatie gehanteerd.
Voor de aanpassing van de systemen is uitgegaan van het uurtarief voor technici en
ander middelbaar geschoold persoon van € 33, zoals opgenomen in het handboek meting
regeldrukkosten.
T.a.v. onderdeel 2 Inrichten contactpunt (eenmalig): Het gaat hier om de (eenmalige)
kosten voor het opzetten van een contactpunt. De systeembeheerders schatten dat dit
per systeembeheerder ongeveer 13 weken kost voor 8 Fte. In de berekening is uitgegaan
van 7 systeembeheerder (6 regionale en één landelijke systeembeheerder). Voor de berekening
is uitgegaan van administratief personeel met een uurtarief van € 39 (zie handboek).
T.a.v. onderdeel 3 t/m 6: Voor de inschatting van uren voor de punten 3 t/m 6 is uitgegaan
van 10% van de uren van het aanpassen van de systemen. Deze uren zijn dan jaarlijks.
Voor het registreren, verwerken en doorgegeven van deze gegevens is uitgegaan van
administratief personeel met een uurtarief van € 39.
T.a.v. onderdeel 7: Het aantal vragen van afnemers/ helpdesk is grotendeel afhankelijk
van de adoptie van energiedelen. In de berekening is uitgegaan van een percentage
van 1,5% van alle afnemers in Nederland dat energie gaat delen. Dit zijn dan ongeveer
120.000 eindafnemers. De contactpersoon (een van hen of een organisator) meldt de
overeenkomst met de bijbehorende gegevens bij het contactpunt. Omdat energiedelen
relatief nieuw is, wordt een relatief groot aantal contactmomenten verwacht. De inschatting
is dat energiedelen leidt tot 24.000 contactmomenten per jaar met een gemiddelde afhandeltijd
van 15 minuten. In de berekening is uitgegaan van laag- en ongeschoold personeel,
met een uurtarief van € 23.
Leveranciers
Voor leveranciers zijn op grond van het wetsvoorstel en geschetste werkwijze op hoofdlijnen
de volgende aanpassingen voorzien:
1. Aanpassen ICT-systeem (eenmalig)
2. Aanpassen facturering (eenmalig)
3. Vragen afnemers / helpdesk
4. Afdragen energiebelasting over gedeelde elektriciteit
Activiteit
Uren (Q)
Totaal 60 leveranciers (PxQ)
1. Aanpassen ICT-systeem (eenmalig)
1.920 uur (6 FTE * 8 werkweken) per leverancier (60 leveranciers)
€ 33 x 115.200 = € 3.801.600
2. Aanpassen facturering (eenmalig)
5.120 uur (8 FTE * 16 werkweken) per leverancier (60 leveranciers)
€ 39 x 307.200 = € 11.980.800
3. Vragen afnemers / helpdesk
120.000 klanten die delen / kwartier per klant: 40.000uur
€ 23 x 40.000 = € 920.000 p/j
4. Afdragen energiebelasting over gedeelde elektriciteit
0 uur
T.a.v. onderdeel 1 Aanpassen ICT-systeem (eenmalig): Onder «Aanpassen ICT-systeem»
(categorie 1) vallen de sectorprocessen met de systeembeheerder, voor zover zij de
leverancier raken. Het meeste werk zit hier bij de systeembeheerders. Voor het aanpassen
van het ICT-systeem is uitgegaan van het uurtarief voor technici en ander middelbaar
geschoold persoon van € 33.
T.a.v. onderdeel 2 Aanpassen facturering (eenmalig): Voor de leveranciers heeft aanpassen
facturering (categorie 2) de grootste IT-impact. Energiedelen raakt veel kernprocessen
en daarom moet goed getest worden zodat alle processen goed blijven lopen en kloppen.
Dit vergt tijd van procesexperts (die ook nieuwe en bestaande processen moeten beschrijven/aanpassen),
ontwikkelaars en testers. Voorbeelden zijn bijvoorbeeld een impact op het verbruikskostenoverzicht,
online dossier, termijnbedrag berekening etc. Van de gedeelde elektriciteit moet worden
bepaald hoeveel gelijktijdig verbruikt wordt en hoeveel eventueel wordt teruggeleverd
aan de leverancier. Dit moet op een goede wijze verwerkt worden in de systemen. Bij
de berekening is uitgegaan van het voorgeschreven uurloon voor administratief personeel;
€ 39.
T.a.v. onderdeel 3 Vragen afnemers / helpdesk: De kosten voor vragen van afnemers
/ helpdesk zijn grotendeels afhankelijk van de adoptie van energiedelen. In de berekening
is uitgegaan van een percentage van 1,5% van de klanten dat uiteindelijk kiest voor
energiedelen (energie-ontvanger of deler).
Er is uitgegaan van een gemiddelde afhandeltijd van 15 minuten per klant. Het eerste
jaar is dat mogelijk meer. In de berekening is uitgegaan van laag- en ongeschoold
personeel, met een uurtarief van € 23.
T.a.v. onderdeel 4 Afdragen energiebelasting: De energiebelasting wordt berekend over
het totale verbruik. Dit omvat de gedeelde elektriciteit en de regulier door de leverancier
geleverde elektriciteit gezamenlijk. Voor specifiek de afdracht van de energiebelasting
worden geen aanvullende administratieve lasten voorzien. De IT aanpassingen voor o.a.
de facturering richting de klanten zijn meegenomen in onderdeel 1. Klanten zullen
vragen over energiedelen hebben, maar deze zijn meegenomen in onderdeel 3.
In totaal komen de kosten voor de sector (systeembeheerders en leveranciers) uit op
eenmalig € 22.099.152 en € 1.706.960 structureel per jaar.
Actieve afnemers
De regeldrukkosten voor de actieve afnemers zelf zijn moeilijker in te schatten. Wat
betreft de belasting van actieve afnemers die energiedelen is al veel gezegd onder
de paragraaf over doenvermogen (paragraaf 4.1.2). Zoals daar ook opgemerkt is delen
van energie een recht, en hoeven eindafnemers hier geen gebruik van te maken. Verder
is het de verwachting dat wanneer eindafnemers hier wel gebruik van maken dit bijna
altijd via een administratieve tussenpersoon of de betrokken VvE of energiegemeenschap
zal gebeuren.
De inspanning van een actieve afnemer zal vooral bestaan in de afweging of hij energie
wil gaan delen en of dit voordelig is voor hem of niet. Naar verwachting kost het
wel enige tijd om inzicht te krijgen in de voor- en nadelen van energiedelen en de
besparingen en kosten die hierbij komen kijken. Dit zal snel één tot twee uur kosten
voor een actieve afnemer. Daarbij moet hij nog een afweging maken of hij gebruik wil
maken van een organisator voor energiedelen, die hier ook weer kosten voor in rekening
zal brengen. Wanneer 1,5% van de 8 miljoen eindafnemers energie gaat delen (als gever
of nemer) gaat het bij een uurtarief van € 17 (zie handboek) om 120.000 x 2 uur x
€ 17 = € 4.080.000 per jaar. Wanneer actieve afnemers geen gebruik maken van een organisator
voor energiedelen zullen deze kosten verder oplopen, omdat er dan zelf een overeenkomst
moet worden afgesloten tussen de energiegever en energie-ontvanger (er is wel voorzien
in een modelovereenkomst) en de gedeelde elektriciteit dan door de energiegever zelf
gefactureerd moet worden etc. Een energiedeler is hier dan snel 10 uur per jaar mee
bezig. Omdat naar verwachting maar een klein percentage er voor zal kiezen om hun
deelovereenkomst zelf af te handelen en dit dan vaak in de familiaire sfeer zal liggen,
waarbij vaak ook geen kosten in rekening worden gebracht, is hier geen nadere inschatting
voor opgenomen. Aan het contracteren van een organisator voor energiedelen zijn echter
ook weer kosten verbonden.
Doordat met dit voorstel de aangifteplicht voor de energiebelasting niet bij de energiegever
wordt gelegd maar bij de leveranciers, wordt een aanzienlijke administratieve last
voor potentieel 40.000 tot 60.000 energiegevers voorkomen. Het is de inschatting dat
een gemiddelde aangifte energiebelasting voor een energiegevende partij ca. 3 uur
kost. Tegen het standaard uurtarief van € 17 (zie handboek) betekent dit dat door
deze keuze een terugkerende administratieve last van € 2.240.000 à € 3.360.000 per
jaar wordt vermeden.
4.2.3 Verplichtingen systeembeheerders ten behoeve van flexibiliteit
Aanbieden van een flexibele aansluitovereenkomst
Het wetsvoorstel maakt het voor transmissie- en distributiesysteembeheerders voor
elektriciteit mogelijk om naast de reeds beschikbare flexibele transportovereenkomsten
voor de duur van de congestieperiode een flexibele aansluitovereenkomst aan te bieden
(conform de regels uit de EMD-richtlijn en EMD-verordening). Het gaat dan om een mogelijk
alternatief voor een aansluiting die niet gefaciliteerd kan worden vanwege een gebrek
aan voldoende transportcapaciteit voor de gevraagd aansluiting. Het is aan de transmissie-
of distributiesysteembeheerder om te beoordelen of een dergelijke flexibele aansluiting
in de betreffende omstandigheden een mogelijk alternatief vormt voor de gevraagde
aansluiting. Als dat zo is dan dient dit als een mogelijk alternatief te worden aangeboden
aan de verzoeker.
De manier waarop vormgegeven wordt aan deze contractvorm, zowel ten aanzien van de
contractuele uitwerking als de technische eisen waar een aansluiting al dan niet aanvullend
aan moet voldoen, is aan de transmissie- en distributiesysteembeheerders om in de
methoden en voorwaarden verder uit te werken en ter goedkeuring aan de ACM voor te
leggen. Afhankelijk van deze wijze waarop de systeembeheerders vormgeven aan de beperking
op de aansluiting, is een mogelijk gevolg dat een technische aanpassing bij de aansluiting
moet worden uitgevoerd. Wanneer dit geen aspect is van het regulier aansluitproces
van de transmissie- of distributiesysteembeheerder, zoals bij bepaalde aansluitingen
voor een bedrijf of instelling, zal voor deze werkzaamheden een door de systeembeheerder
gecertificeerde partij moeten worden gecontracteerd.
Of, en zo ja, hoeveel regeldruk deze contractvorm behelst is sterk afhankelijk van
de uitwerking in de methoden en voorwaarden. Door de vele onbekende factoren ten aanzien
van de uitwerking kan de impact in deze fase van de implementatie niet worden bepaald.
Het ministerie zal echter toezien op een zo effectief mogelijke implementatie met
minimale regeldruk.
Informatieplichten systeembeheerders
De bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn verplicht de distributiesysteembeheerders
(hierna ook: DSB’s) voor elektriciteit transparant te zijn in de situatie op het transportsysteem
voor elektriciteit. Momenteel worden door de DSB's gezamenlijk al inzichten verschaft.
De verplichting die het EMD-pakket oplegt heeft daarmee dus geen aanvullende regeldruk
boven op de al bestaande werkzaamheden van deze systeembeheerders.
De verordening stelt kaders voor de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit.
De verschillende netvlakken binnen het Nederlandse elektriciteitssysteem zijn echter
met elkaar verbonden. Hierdoor kan de situatie op een hoger netvlak zorgen voor congestie
op lagere netvlakken. Zodoende is bij het verschaffen van inzicht enkel een correct
beeld te geven wanneer zowel de transmissiesysteembeheerder (hierna ook: TSB) voor
elektriciteit als DSB’s voor elektriciteit gezamenlijk deze inzichten weergeven. De
verplichting in de EMD-richtlijn heeft zodoende tot gevolg dat ook de kaders uit de
verordening gelijktijdig worden opgevolgd.
De wijzigingen in de Energiewet als gevolg van de verplichte transparantie van de
actuele situatie op het stroomnet heeft in de huidige praktijk voor transmissie- en
distributiesysteembeheerders voor elektriciteit geen impact, aangezien zij de gevraagde
inzichten momenteel al delen met systeemgebruikers, dan wel werken aan het inzichtelijk
maken van nog niet gedeelde inzichten middels de capaciteitskaart.
Inzicht in handelingsperspectief is relevant omwille van onder meer mogelijkheden
voor economische groei en verduurzaming, van belang voor zowel de Nederlandse klimaatdoelstellingen
als de bedrijfsvoering van systeemgebruikers. De TSB’s en DSB’s voor elektriciteit
zien dan ook de noodzaak om systeemgebruikers periodiek te informeren. Hierbij dient
echter de kanttekening te worden geplaatst dat de TSB en DSB’s voor elektriciteit
op dit moment te allen tijde vrij zijn deze werkzaamheden te beëindigen. Mochten zij
dit wensen, dan zou de regeldruk als gevolg van de verplichting wel toenemen. Doordat
de TSB en DSB’s eigenaar zijn van de benodigde data en verantwoordelijk zijn voor
de verwerking is uitvoering en daarmee verplaatsing van regeldruk naar derden geen
alternatief.
Eenmalige kosten t.b.v. implementatie
De informatie die in de capaciteitskaart is weergegeven wordt gedurende de periode
2025–2027 uitgebreid, waardoor meer (gedetailleerde) inzichten kunnen worden verkregen
ten aanzien van de situatie op het stroomnet en bijhorend handelingsperspectief. Een
verplichting middels de Energiewet heeft dus geen impact op de huidige werkbelasting
bij TSB en DSB’s. Mochten TSB en DSB’s echter besluiten niet langer in dit inzicht
te willen voorzien, dan is dat nu hun vrije keuze. Alleen daarmee zou de implementatie
van de EMD-richtlijnen impact hebben op de regeldruk.
Veel werkzaamheden zijn gemoeid met het ontsluiten van de benodigde data en verwerken
van deze data in de systemen die de capaciteitskaart voeden. Tenminste tot en met
2027 is een team van 10 FTE verantwoordelijk voor het via meerdere releases uitbreiden
van de capaciteitskaart en verschaffen van meer inzichten waarmee systeemgebruikers
hun perspectief kunnen bepalen. De eenmalige regeldrukkosten kunnen worden verdeeld
in kosten ten behoeve van het technische beschikbaar stellen van de data en de personele
kosten ten behoeve van de werkzaamheden.
Activiteit
Uren (Q)
Totaal (PxQ)
Valideren en verwerken van data in capaciteitskaart
10 x 32 x 52 x 3 = 49 920 uur1
€ 54 x 44.160 = € 2.695.680
Bemeteren van tienduizenden stations t.b.v. ontsluiten van de data
N.t.b.2
X Noot
1
10 FTE besteden gemiddeld 80% van hun tijd aan hun inhoudelijke taken, uitgaande van
een 40-urige werkweek gedurende 52 weken per jaar in de periode 2025–2027.
X Noot
2
Het exact bepalen van de out-of-pocket kosten om alle data te kunnen ontsluiten is niet mogelijk. Een grove schatting van
de systeembeheerders stelt dat dit zeker enkele tientallen miljoenen euro’s kosten.
Structurele regeldrukkosten voor de uitvoering
De problemen op het stroomnet zullen nog zeker tot 2030 duren, waarmee de behoefte
aan transparantie minimaal tot dan relevant blijft. De situatie en daarmee de relevante
data voor systeemgebruikers verandert daarnaast snel. Dit is gevolg van o.a. veranderende
vraag naar transportcapaciteit, uitgevoerde werkzaamheden door TSB en DSB’s en ontwikkelingen
rondom andere modaliteiten als collectieve warmte en waterstof. Om juiste inzichten
te blijven tonen is het dus van belang de congestie informatie met een frequentie
van tenminste elke drie maanden bijgewerkt wordt en tussentijds indien er uit congestieonderzoek
nieuwe informatie beschikbaar komt. Wachtrij informatie dient maandelijks bijgewerkt
te worden.
Het periodiek updaten van de data vraagt, in verhouding tot de implementatie, beperkte
extra werkzaamheden, wanneer dit bij de implementatie correct is ingericht. Periodieke
data ontsluiting en het testen en valideren van de data in de gebruikersinterface
betreft dan naar verwachting zo’n 3 FTE.
Activiteit
Uren (Q)
Totaal (PxQ)
Valideren en verwerken van data in capaciteitskaart
3 x 28 x 52 = 4.368 uur1
€ 54 x 3.478 = € 235.872
X Noot
1
3 FTE besteden jaarlijks gemiddeld 70% van hun tijd aan hun inhoudelijke taken spenderen,
uitgaande van een 40-urige werkweek gedurende 52 weken per jaar.
Zowel de eenmalige kosten t.b.v. implementatie als de structurele regeldrukkosten
voor de uitvoering zijn kosten die ook zonder het EMD-wetsvoorstel al plaatsvonden
of plaats zouden vinden, zo luidt de verwachting. Met het EMD-wetsvoorstel wordt de
keuzevrijheid om deze handelingen wel of niet te doen natuurlijk beperkt, aangezien
het verplichtingen worden. Aangezien we hier toch spreken van staande praktijk of
handelingen die naar verwachting al plaats zouden vinden zonder het EMD-wetsvoorstel,
worden deze regeldrukkosten niet opgeteld bij de totaal geraamde regeldrukkosten.
4.2.4 Totale regeldrukkosten
In onderstaande tabellen wordt de regeldruk van de verschillende handelingen bij elkaar
opgeteld, respectievelijk in een tabel voor eenmalige kosten en in een tabel voor
jaarlijkse kosten. De business as usual kosten, of kosten voor handelingen die al staande praktijk zijn of zouden zijn, worden
hier dus niet in opgenomen.
Eenmalige kosten
Verplichting / handeling
Regeldruk (PxQ)
Informatieplicht handelingen
€ 18.720
Aanpassen ICT-systeem ten behoeve van processen
€ 5.491.200
Inrichten contactpunt
€ 825.552
Aanpassen ICT-systeem
€ 3.801.600
Aanpassen facturering
€ 11.980.800
Totaal
€ 22.117.872
Jaarlijkse kosten
Verplichting / handeling
Regeldruk (PxQ)
Registreren deelovereenkomsten, valideren, berekenen en versterken van de hoeveelheid
gedeelde elektriciteit
€ 648.960 p/jaar
Vragen afnemers/helpdesk
€ 1.058.000 p/jaar
Totaal
€ 1.706.960 p/jaar
4.3 Privacy-aspecten
4.3.1 Algemeen
De privacy-aspecten worden beoordeeld aan de hand van de DPIA, oftewel de gegevensbeschermingseffectbeoordeling.
Met de DPIA is ingegaan op 5 verschillende onderdelen van het EMD-wetsvoorstel om
de privacy effecten van elk onderdeel te beoordelen.
Bij de bepalingen die onder het onderdeel consumentenbescherming vallen is het oordeel
dat er geen sprake is van verwerking van persoonsgegevens.
Bij de bepalingen die onder het onderdeel energiedelen vallen is gevonden dat er sprake
is van verwerking van persoonsgegevens. Hier zijn de benodigde gegevens niet nieuw,
aangezien energiedelen al mogelijk is onder de Energiewet, maar er kan wel gesproken
worden van een uitbreiding van gegevensverwerking. Er is hier ook sprake van de verwerking
van persoonsgegevens, in verband met de gegevens ter identificatie van de marktpartijen.
Bij de bepalingen die vallen onder flexibiliteit in het elektriciteitssysteem is er
ook geen sprake van de verwerking van persoonsgegevens. De transparantieverplichtingen
door de systeembeheerders zullen ook geen persoonsgegevens omvatten, aangezien deze
niet te herleiden zijn tot individuele aansluitingen.
Bij de bepalingen die vallen onder leveringszekerheid wordt ook geen gebruik gemaakt
van persoonsgegevens.
Als laatste, bij de bepalingen die vallen onder de versterking van toezicht op de
groothandelsmarkt voor energie, is ingegaan op de gegevensverwerking die mogelijk
wordt gemaakt in de delegatiegrondslag. De gegevens die hier uitgewisseld kunnen worden
zullen hoofdzakelijk bedrijfsgegevens zijn, maar kunnen mogelijk te herleiden zijn
tot persoonsgegevens.
Er kan dus geconcludeerd worden dat het EMD-wetsvoorstel op twee onderdelen voor verwerking
van persoonsgegevens leidt, namelijk bij energiedelen en bij gegevensuitwisseling
door de ACM in het kader van het toezicht op de groothandelsmarkt voor energie.
4.3.2 Beoordeling risico's
De mogelijke risico’s die hier gesignaleerd worden hebben primair te maken met een
inbreuk op het recht op privacy. De schade van die risico’s zal hier dan gezocht worden
in materiele of immateriële schade, maar niet lichamelijke schade.
De persoonsgegevens die verwerkt worden in het kader van energiedelen zijn mogelijk
de contactgegevens en identificatienummer van de aansluiting. De analyse hier sluit
aan op de risicoanalyse van de Energiewet waarbij gekeken wordt naar optredende cybersecurity
risicio’s, als gevolg van destructief gedrag van onbevoegde externe partijen, en optredende
risico’s als gevolg van keuzes van en gedrag door partijen met een zekere relatie
tot het datastelsel of de gegevens.
Omtrent de gegevens die de ACM zou mogen gaan delen met Acer, ESMA en Eurofisc, blijven
de risico’s gelijk met de risico’s die er al waren bij de gegevensverwerking in de
relatie met de Belastingdienst en AFM.
4.3.3 Advies persoonsgegevens
Het advies van de Functionaris voor Gegevensbescherming op de DPIA was positief, met
enkel het advies om de DPIA aan te passen op het punt van de definitie van persoonsgegevens.
Aangezien de materiële uitbreiding van gegevensverwerking beperkt is, is het voorstel
niet voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens.
5. Toezicht, handhaving en sanctionering
De ACM wordt, net zoals nu ook het geval is, als NRI primair belast met het toezicht
op de naleving en handhaving van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn, Elektriciteitsverordening,
de gewijzigde REMIT en de gewijzigde Acer-verordening. Dit vereist geen aanpassingen
in de Energiewet, deze taken zijn reeds vastgelegd in artikel 5.1 van de Energiewet.
De meeste bevoegdheden die voor het toezicht op de naleving en handhaving van de nieuwe
regels noodzakelijk zijn, zijn al in de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk
de Energiewet opgenomen. Zoals uit paragraaf 3.2.2 blijkt, zijn hiertoe in het wetsvoorstel
een aantal aanvullingen opgenomen om de ACM in staat te stellen effectief toezicht
op de energiegroothandelsmarkt te houden en de regels uit de gewijzigde REMIT adequaat
te kunnen handhaven. Deze aanvullingen bestaan uit:
1) het creëren van een grondslag voor informatie-uitwisseling tussen de ACM met ESMA
en Eurofisc;
2) een delegatiegrondslag om nadere regels te stellen aan de mogelijkheid van de ACM
om delegatieovereenkomsten te sluiten;
3) het mogelijk maken voor de ACM om bijstand aan Acer of andere NRI’s te verlenen bij
inspecties en;
4) de mogelijkheid om de juiste bestuurlijke boetekaders en maatregelen ten behoeve van
het REMIT-toezicht in te regelen.
In verband met gecoördineerde handhaving van REMIT en toepasselijke wet- en regelgeving
voor de financiële markten, werken de ACM en de AFM reeds samen op basis van een sinds
2014 bestaand samenwerkingsprotocol.53 De instrumenten die ACM kan toepassen bij overtreding van REMIT, zoals het opleggen
van een bestuurlijke boete, last onder dwangsom of het geven van een bindende aanwijzing,
heeft de AFM ook ter beschikking.
6. Publieke (internet)consultatie
6.1 Proces
Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is samengewerkt met belangenorganisaties,
waaronder Energie Nederland, Netbeheer Nederland en de Nederlandse Vereniging voor
Duurzame Energie om hun standpunten en advies in te winnen. Vanaf het begin van de
implementatie van het EMD-pakket is de samenwerking gezocht tussen de ministeries
van Klimaat en Groene Groei en van Financiën, samen met de Belastingdienst, en de
ACM. Hierbij is getracht om ook vanaf het begin veel aandacht te hebben voor de uitvoering
en handhaafbaarheid van het wetsvoorstel.
Het conceptwetsvoorstel, inclusief het algemeen deel van de toelichting, is van 8 november
2024 tot en met 5 december 2024 via internetconsultatie.nl geconsulteerd.54 Daarnaast is het Adviescollege Toetsing en Regeldruk schriftelijk om advies gevraagd,
is de Belastingdienst om een uitvoeringstoets gevraagd, en is de ACM gevraagd een
uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets uit te voeren. Alle consultatiereacties,
adviezen en toetsen zijn gewogen en naar aanleiding daarvan is het wetsvoorstel op
diverse punten aangepast.
De adviezen, reacties en aanpassingen worden in onderstaande paragrafen nader toegelicht.
6.2 Ontvangen reacties publieke internetconsultatie
Op de internetconsultatie zijn in totaal 17 reacties ontvangen, waarvan er 13 door
de respondenten als openbaar zijn aangemerkt. Deze reacties zijn te vinden op de website
van internetconsultatie.nl. De reacties op de internetconsultatie hebben een waardevolle
bijdrage geleverd aan de totstandkoming van het wetsvoorstel. Tijdens de internetconsultatie
is tevens gevraagd om te reageren op een bij de consultatie gevoegd document met vragen
over de zogenoemde Power Purchase Agreements (PPA-document). Vijf van de 17 consultatiereacties zien volledig op de beantwoording
van de in het PPA-document gestelde vragen.
Hieronder wordt allereerst aangegeven welke algemene opmerkingen door respondenten
zijn geplaatst. Vervolgens wordt per onderwerp aangegeven wat met de reacties is gedaan,
tot welke overwegingen dat heeft geleid en of dit tot aanpassing van het wetsvoorstel
en de toelichting heeft geleid.
6.3 Algemene uitkomsten
De reacties van respondenten zijn overwegend positief. In meerdere reacties is te
lezen dat het EMD-wetsvoorstel de energietransitie een stap vooruit helpt en dat het
goed is dat daarbij de positie van de eindafnemer wordt versterkt. Veel partijen besteden
daarbij aandacht aan het concept van energiedelen met vrije leverancierskeuze. Het
wordt positief bevonden dat energiedelen met vrije leverancierskeuze met het EMD-wetsvoorstel
mogelijk wordt gemaakt. Hierbij is steun te vinden voor de voorgestelde invulling
ervan in het wetsvoorstel maar er worden ook vragen gesteld. Deze zien onder meer
op de rol van de transmissie- en distributiesysteembeheerder voor elektriciteit bij
het vaststellen van de hoeveelheid elektriciteit die is gedeeld, de keuze om uit te
gaan van een vast (afgesproken) deel van de invoeding en om niet verbruikte gedeelde
elektriciteit terug te leveren aan de leverancier van de ontvanger, en de (maatschappelijke)
kosten gepaard gaande met energiedelen.
Het onderwerp bescherming van eindafnemers komt een enkele keer aan bod in relatie
tot energiearmoede en (informatie)verplichtingen voor de leverancier. Respondenten
besteden aandacht aan de rol van de distributie- en transmissiesysteembeheerders bij
onder meer energiedelen, flexibele aansluitovereenkomsten, data-uitwisseling en de
inrichting van een capaciteitsmechanisme. Slechts één reactie ziet op de bepalingen
uit het EMD-wetsvoorstel met betrekking tot de gewijzigde REMIT. Hierin wordt met
name aandacht gevraagd voor de rechtsbescherming van marktpartijen en de naleving
van juridische beginselen onder de nationale implementatie van de gewijzigde REMIT,
zoals het «nemo-tenetur» en het «ne bis in idem» principe.
6.4 Reacties per onderwerp
6.4.1 Reikwijdte implementatie
In een aantal reacties wordt ingegaan op onderwerpen die niet in het EMD-wetsvoorstel
zijn opgenomen. Zo wordt aangegeven dat artikel 3.50 van de Energiewet (balancering
voor gas), gewijzigd zou moeten zodat het enkel beperkt zou zijn tot kleine aansluitingen
(conform artikel 3.49 van de Energiewet). Daarnaast adresseert een andere respondent
een aantal nationale thema’s waarvoor het voor 2025 van belang zou zijn deze nu al
in energiewetgeving te vertalen.55 In algemene zin kan hierop geantwoord worden dat het EMD-wetsvoorstel een implementatiewetsvoorstel
is, waarbij ten opzichte van de te implementeren bepalingengeen extra beleidswensen
zijn opgenomen. De implementatie van de openbaredienstverplichting si echter geen
onderdeel van het EMD-pakket, maar betreft een niet eerder geïmplementeerde reeds
bestaande lidstaatoptie uit de Elektriciteits- en Gasrichtlijn. Voorts worden enkele
technische verbeteringen in een aantal artikelen van de Energiewet meegenomen. Momenteel
wordt binnen het ministerie ook gewerkt aan implementatie van het decarbonisatiepakket.
Ook hier geldt het uitgangspunt van zuivere implementatie. Nationale beleidswensen
zullen worden meegenomen in een eerstvolgend nationaal herzieningstraject van de Energiewet.
Zowel Energie-Nederland, Netbeheer Nederland, GTS als een anonieme respondent geven
aan dat het logischer lijkt om de bepalingen die enkel zien op de levering van elektriciteit
(onderdelen D en E met betrekking tot respectievelijk artikel 2.5, zevende lid en
2.6, vierde lid, onder b) uit te breiden naar levering van gas. De bij het EMD-pakket
gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn en Elektriciteitsverordening zien enkel op de levering/transport
van elektriciteit. Er is ook geen logische reden, bijvoorbeeld vanuit het onderscheid
tussen elektriciteit en gas, om de bepalingen uitsluitend op elektriciteit te laten
zien. Het gaat immers om de bescherming van eindafnemers. Gezien de consistentie met
de doelstelling van de Energiewet, te weten het zoveel mogelijk harmoniseren van de
bepalingen voor elektriciteit en gas, is besloten genoemde twee bepalingen inderdaad
uit te breiden naar de levering van gas aan eindafnemers. Het wetsvoorstel (en bijbehorende
toelichting) is hierop aangepast. Het betreft hier geen nationale beleidswens, maar
een logische keuze voor implementatie omwille van de doelstellingen van de Energiewet.
GTS en Netbeheer Nederland stellen op hun beurt dat de bepalingen die zien op verplichtingen
voor systeembeheerders te weten artikel 3.77, derde lid (verschaffen van transparantie
naar systeemgebruikers), artikel 4.8, achtste lid (aanleveren gegevens) alsmede artikel
3.63a (opmerking GTS) ten onrechte ook van toepassing zijn op systeembeheerders voor
gas. De bepalingen (en bijbehorende toelichting) zijn naar aanleiding hiervan aangepast.
GTS merkt verder op dat artikel 2.30 (bij het nader rapport hernummerd tot artikel
2.41a) ten onrechte niet duidelijk maakt dat energiedelen beperkt is tot het delen
van elektriciteit. GTS is van mening dat de definitie van energiedelen aangepast moet
worden zodanig dat hieruit al blijkt dat energiedelen enkel gaat om het delen van
elektriciteit. Ook anderen (o.a. Netbeheer Nederland) wezen hier op. In het wetsvoorstel
is dit aangepast.
Tenslotte merkt Energie-Nederland op dat een groot deel van de artikelen van de EMD-Verordening
ten onrechte niet in het wetsvoorstel opgenomen zijn. Een overzicht van de te ontbreken
artikelen, is niet in het document van Energie Nederland opgenomen. In reactie hierop
kan het volgende worden opgemerkt. Het klopt dat niet alle artikelen van de desbetreffende
wijzigingsverordening terug te vinden zijn in het EMD-wetsvoorstel. Een verordening
is op grond van artikel 288 van het EU-verdrag verbindend in al haar onderdelen en
vanaf het moment van inwerkingtreding rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten.
Met andere woorden, de verordening maakt na inwerkingtreding automatisch deel uit
van de nationale rechtsorde. Het gevolg van deze rechtstreekse toepasselijkheid is
dat het lidstaten verboden is om de bepalingen om te zetten in nationaal recht. Dit
wordt ook wel het «overschrijfverbod» genoemd. Een van de redenen hiervoor is dat
bij het opnemen van (delen van) een verordening in nationaal recht verwarring zou
kunnen ontstaan over de herkomst van de regel, wat de rechtszekerheid van individuen
aantast. Dit brengt de rechtstreekse werking en uniforme toepassing van de verordening
in gevaar. Op grond van het beginsel van Unietrouw rust op lidstaten dus de plicht
zich ten aanzien van verordeningen te onthouden van omzettingshandelingen.56
Wel is het toegestaan dat lidstaten maatregelen ter uitvoering van een verordening
vaststellen als deze de rechtstreekse werking ervan niet belemmeren, het karakter
van rechtshandeling van de Unie ervan niet verbergen en, binnen de grenzen van de
bepalingen ervan, het gebruik van de bij die verordening toegekende beoordelingsmarge
preciseren.57 Jurisprudentie laat zien dat bepalingen uit verordeningen vaak nationale uitvoeringsmaatregelen
vergen.58 In het EMD-wetsvoorstel zijn daarom enkel die artikelen opgenomen die nodig zijn
voor een goede uitvoering van de EMD-verordening. In de transponeringstabellen onder
deel III van de memorie van toelichting is voor ieder artikel(lid) van de wijzigingsverordening
te lezen of er nadere uitvoering aan is gegeven in het wetsvoorstel en – zo ja – in
welk artikel dit is gebeurd.
6.4.2 Bescherming eindafnemers
Passende afdekkingsstrategieën
Ten aanzien van artikel 2.5, zevende lid, benoemt Energie Nederland dat dit artikel
betrekking heeft op alle eindafnemers en dat dit aanzienlijk verder strekt dan de
bekende regels over afdekkingsstrategieën die momenteel verankerd zijn in de Beleidsregel
betrouwbare levering van elektriciteit of gas en continuïteit van energieleveranciers,
die enkel van toepassing zijn op leveranciers die leveren aan kleinverbruikers, te
weten vergunning houdende leveranciers. Energie-Nederland verzoekt daarom om de term
«eindafnemer» te vervangen door «huishoudelijke eindafnemer en micro-ondernemingen».
Dit verzoek wordt niet overgenomen, gezien het feit dat de Europese Commissie expliciet
heeft aangegeven dat de reikwijdte van dit artikel moet strekken tot alle leveranciers.
Wel geldt dat de toezichthouder zelf mag prioriteren in haar toezicht ten aanzien
van afdekkingsstrategieën. Dit is ook opgenomen bij de toelichting bij dit artikel,
alsook de samenhang met de vereisten bij afdekkingsstrategieën voor vergunning houdende
leveranciers.
Ook heeft Energie Nederland verzocht om in de toelichting op te nemen dat het kader
van het toezicht door de ACM op passende afdekkingsstrategieën wordt ingevuld door
hetgeen in paragraaf 18 van de overwegingen van de bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
is opgenomen. Dit is niet overgenomen, omdat in de desbetreffende paragraaf 18 van
de overwegingen van de richtlijn mogelijke middelen staan om dit toezicht in te vullen.
Bij de invulling van het kader van het toezicht door de ACM bestaat dus vanuit de
wijzigingsrichtlijn vrijheid voor de toezichthouder en die ruimte willen we op nationaal
niveau ook behouden.
Energie Nederland heeft verzocht om de term «overeenkomst» in de wettekst aan te passen
naar «leveringsovereenkomst». Dit is aangepast in het wetsvoorstel.
Netbeheer Nederland heeft opgemerkt dat, door de volgorde van artikel 2.5, geen nadere
regels bij AMvB kunnen worden gesteld aan artikel 2.5, zevende lid. De wet is zodanig
aangepast (de volgorde van de leden is omgedraaid) dat er wel nadere regels gesteld
kunnen worden bij AMvB.
Informatieplicht leveranciers
Over de reikwijdte van artikel 2.6, vierde lid, sub b heeft Energie Nederland opgemerkt
dat deze niet verder zou moeten strekken dan «huishoudelijke afnemers». De reikwijdte
van dit artikel strekt tot «eindafnemers», omdat dit ook als zodanig in de tekst van
de wijzigingsrichtlijn is opgenomen. Artikel 2.6, vierde lid wordt op dit punt niet
aangepast.
Ook is door Energie-Nederland het voorstel gedaan om de term «overeenkomst» in de
wettekst aan te passen naar «leveringsovereenkomst». Het wetsvoorstel is hierop aangepast.
Netbeheer Nederland heeft ten aanzien van de informatieplicht in artikel 2.6, vierde
lid, sub b opgemerkt dat bij het informeren over «de noodzaak om een passende meetinrichting
te installeren» niet duidelijk is wat een passende meetinrichting is. Netbeheer Nederland
heeft voorgesteld om in de artikelsgewijze toelichting een verwijzing op te nemen
naar artikel 2.46 van de Energiewet dat gaat over meetinrichtingen. Dit voorstel is
overgenomen.
Definities
Door Energie Nederland is benoemd dat de definities «elektriciteitsleveringscontact
met een vaste looptijd en een vaste prijs» en «noodleverancier» ontbreken. In de transponeringstabellen
opgenomen in onderdeel III van deze toelichting wordt verwezen naar de artikelen waarin
uitvoering gegeven wordt aan deze definities.
6.4.3 Energiedelen
Rol transmissie- en distributiesysteembeheerders
Zowel Energie Nederland als Netbeheerder Nederland, als een niet openbare reactie,
geven aan dat er meer systeembeheerders betrokken kunnen zijn bij het delen van energie,
namelijk de systeembeheerder van de energiegever en die van de energie-ontvanger.
Zij geven aan dat de systeembeheerder gedetailleerde informatie moet hebben over het
verbruik van de energie-ontvanger om op kwartierniveau de te kunnen vaststellen hoeveel
van de gedeelde elektriciteit gelijktijdig is verbruikt en hoeveel (virtueel) is teruggeleverd.
Hiervoor zouden de nodige grondslagen ontbreken in het wetsvoorstel.
Of er meer systeembeheerders betrokken kunnen zijn bij het delen van energie is afhankelijk
van de voorgeschreven wijze van energiedelen. De wijze van het faciliteren van energiedelen
wordt voorgeschreven bij algemene maatregel van bestuur. Wanneer wordt uitgegaan van
een vaste verdeelsleutel is de systeembeheerder alleen verantwoordelijk voor het registreren
en doorgeven van hoeveelheid door de energiegever per kwartier gedeelde elektriciteit
(eenvoudig model). De systeembeheerder is dan niet verantwoordelijk voor de vaststelling
van welk deel van deze gedeelde elektriciteit per kwartier gelijktijdig door de energie-ontvanger
is verbruikt (en dus niet geleverd door de leverancier) en hoeveel kWh eventueel is
teruggeleverd. Bij een dynamisch verdeelsleutel is dit wel nodig en is inderdaad toegang
tot gedetailleerde verbruiksdata van de energie-ontvanger vereist en daarmee het uitwisselen
van een grote hoeveelheid aanvullende data. Het voornemen bestaat om in de algemene
maatregel van bestuur in eerste instantie te kiezen voor een vaste verdeelsleutel.
De belangrijkste reden is dat dit eenvoudiger en goedkoper is om in te voeren. Wel
bestaat het voornemen om de verdeelsleutel na enkele jaren te evalueren en om op basis
van ervaringen en een kosten-batenanalyse te beoordelen of een andere verdeelsleutel
wenselijk is.
Weigeren registraties
Energie Nederland en een anonieme partij wijzen er ook op dat het wenselijk kan zijn
dat de systeembeheerder in bepaalde gevallen een registratie van energiedelen kan
weigeren, bijvoorbeeld wanneer het totale percentage van de gedeelde energie vanuit
de energiegevende partij de 100% overschrijdt, of wanneer de meetinrichting niet geschikt
is voor energiedelen. Ook kan de systeembeheerder een registratie op verzoek wijzigen.
Het wetsvoorstel is naar aanleiding van deze opmerking aangepast. In artikel 3.63a,
tweede lid, is toegevoegd dat de systeembeheerder de overeenkomst in zake energiedelen
niet alleen registreert, maar deze ook toetst. Ook in de toelichting is dit verduidelijkt.
Gekozen model
De Vereniging eigen huis vraagt om een nadere toelichting en onderbouwing van het
gekozen standaardmodel. De vereniging is met name bang dat de kosten van virtuele
teruglevering hoger zijn dan de voordelen van energiedelen en dat energiedelen voor
de energie-ontvanger niet voordelig zal zijn. Ook EnergySwap en een particuliere respondent
zijn van oordeel dat het voor de energie-ontvangende partij moeilijk is om zich een
goed beeld te vormen van de te verwachten financiële gevolgen van energiedelen. Zij
zijn geen voorstander van het gekozen model met fictieve teruglevering en pleiten
er voor om geen geografische beperkingen op te nemen voor het delen van energie. Naar
aanleiding van het advies van de Raad van State zijn de voor- en nadelen van de vaste
vs. de dynamische verdeelsleutel nog een keer overzichtelijk in kaart gebracht. Een
vaste verdeelsleutel lijkt nog steeds de beste keuze. Maar omdat er nog weinig ervaring
is met het delen van energie en er uiteenlopende beelden en verwachtingen bestaan
van het delen van energie, is het wenselijk om de standaardwijze van energiedelen
over een aantal jaren te evalueren. Door de wijze waarop het delen van energie moet
worden gefacilieerd bij algemene maatregel van bestuur te regelen en niet in de wet
zelf kan het voorgeschreven standaardmodel over enkele jaren eenvoudig worden aangepast.
Het voornemen is wanneer er ervaring is opgedaan met het delen van energie de regeling
in de algemene maatregel van bestuur te evalueren en mede op basis van een kosten-batenanalyse
en andere inzichten te beoordelen of een andere verdeelsleutel als standaardmodel
wenselijk is.
Wat betreft de opmerking over het niet opnemen van geografische beperkingen voor het
delen van energie (behoudens voor grote afnemers), wordt opgemerkt dat hier onderzoek
naar is gedaan59. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden besloten om het delen van energie
geografisch te beperken. Hiertoe zal worden besloten indien de voordelen van het beperken
van energiedelen opwegen tegen de nadelen hiervan. Gelet op dit onderzoek ligt dit
niet voor de hand.
Overige opmerkingen
Door Energie Nederland en in een niet-openbare reactie worden vragen gesteld over
het meten van virtuele teruglevering en het gebruik van een fysieke teruglevermeter.
Virtuele teruglevering staat los van eventuele fysieke teruglevering, die wel aan
een andere marktdeelnemer kan zijn verkocht. Virtuele teruglevering wordt niet fysiek
gemeten, maar berekend. Hiervoor is dan ook geen fysieke (teruglever)meter nodig.
In de anonieme reactie worden drie categorieën van «redelijke kosten» onderkend: 1)
Kosten als gevolg van aanpassing inning belastingen, 2) kosten als gevolg van hogere
profiel- en onbalanskosten en 3) overige kosten (bijv. aanpassing ICT-systeem). Deze
opsomming is herkenbaar. Dat geldt niet voor de toelichting die bij deze kosten wordt
gegeven. Met betrekking tot het eerste punt wordt opgemerkt dat de belastingplicht
wordt gelegd bij professionele partijen die gewend zijn om aangifte energiebelasting
te doen: de energieleveranciers. Hiermee worden administratieve lasten voor en een
beroep op het doenvermogen van energiegevers en -ontvangers voorkomen. Voorts wordt
voorkomen dat de uitvoering en handhaving van de energiebelasting door de Belastingdienst
onder druk komt te staan. Met betrekking tot de tweede categorie wordt in de reactie
onderkend dat het gebruik van een statische verdeelsleutel inkoop en balancering beter
voorspelbaar maakt, maar dit betekent niet dat er helemaal geen extra inkoop- en onbalanskosten
ontstaan door het delen van energie met vrije leverancierskeuze. Deze kosten mogen
in redelijkheid in rekening worden gebracht. Ook de overige kosten, zoals kosten voor
aanpassing factureringssysteem etc. mogen in redelijkheid in rekening worden gebracht.
De ACM kan op basis van onderzoek naar de onderliggende kosten toetsen of deze kosten
redelijk zijn en of er niet meer kosten in rekening worden gebracht dan gelet op de
onderliggende kosten redelijk kan worden geacht.
Met betrekking tot de opmerking van Koers e.a. dat het wetsvoorstel niet voorziet
in de mogelijkheid dat energiegemeenschappen een eigen netwerk (gesloten systeem)
beheren, kan worden opgemerkt dat dit buiten de scope van dit implementatiewetsvoorstel
valt. In de elektriciteitsrichtlijn (2019/944) wordt deze mogelijkheid wel genoemd,
maar wordt het aan de lidstaat gelaten om te bepalen of energiegemeenschappen het
recht hebben om distributienetten te bezitten (artikel 16, tweede lid, onder b). In
Nederland loopt een aantal experimenten waarin energiegemeenschappen ook het distributienet
beheren (waaronder het in de reactie van Koers genoemde Amsterdamse Schoonschip).
Naar aanleiding van de evaluatie van deze experimenten zal in de komende jaren besloten
worden of het wenselijk is dat energiegemeenschappen onder voorwaarden ook een distributienet
mogen beheren. De richtlijn biedt hiertoe de ruimte, maar verplicht Nederland hier
niet toe.
Verder zijn door verschillen partijen (o.a. Netbeheer Nederland) voorstellen gedaan
om het wetsvoorstel te verduidelijken. Veel van deze suggesties zijn overgenomen.
6.4.4 Wet belastingen op milieugrondslag
Energiedelen en belastingheffing
Energie Nederland vraagt waarom in het wetvoorstel is opgenomen dat energiedelen geen
levering van elektriciteit is, terwijl dit in de Wbm wel als levering wordt beschouwd.
Volgens hen kan de huidige formulering verwarrend overkomen. Daarnaast vraagt Netbeheer
Nederland of de formulering zoals opgenomen in het wetsvoorstel kan worden aangepast
om consistentie in de toepassing van de belastingheffing bij energiedelen te waarborgen.
Mede naar aanleiding van deze reacties is het wetsvoorstel aangepast, zodat energiedelen
het belastbare feit vormt. Hiermee wordt helder vastgelegd hoe energiedelen in de
Wbm wordt behandeld.
Wanbetaling energiebelasting energiedelen
Energie Nederland vraagt of energieleveranciers bij wanbetaling vrijgesteld zijn van
de verplichting om energiebelasting af te dragen. Daarnaast vragen zij welke wettelijke
verplichtingen leveranciers hebben jegens wanbetalers.
In de gekozen vormgeving blijft de energieleverancier verantwoordelijk voor het innen
en afdragen van de energiebelasting, ook in het geval van wanbetaling van de klant.
Dit geldt onverkort bij energiedelen. Bij wanbetaling kan de energieleverancier via
de bestaande inningstrajecten gebruikmaken van procedures zoals herinneringen, aanmaningen
en de inschakeling van incassobureaus om het openstaande bedrag te innen. De prikkel
om gebruik te maken van deze inningstrajecten voor het innen van energiebelasting
en het afdragen van de energiebelasting bij energiedelen zou verdwijnen als de verplichting
tot afdracht bij wanbetaling bij energiedelen niet onverkort zou gelden.
Belastingheffing en eenvoud
Koers wijst erop dat de belastingheffing bij energiedelen lijkt te worden vormgegeven
vanuit eenvoud, mogelijk ten koste van de ruimte voor burgers en bedrijven om maximaal
te profiteren van energiedelen.
Eenvoud in belastingheffing wordt altijd meegenomen in de vormgeving en is een belangrijk
uitgangspunt, aangezien het bijdraagt aan de uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en
begrijpelijkheid van het stelsel. Tegelijkertijd wordt, waar mogelijk, gestreefd naar
maximale ruimte voor de bredere beleidsmatige wensen waar mogelijk, zoals ook hier,
bij energiedelen.
Btw
Energie Nederland heeft verschillende vragen gesteld met betrekking tot de toepassing
van btw bij energiedelen. Energie Nederland vraagt zich af of het de bedoeling is
dat over het geleverde volume btw in rekening wordt gebracht en, zo ja, wie verantwoordelijk
is voor de inning en afdracht hiervan. Daarnaast vraagt Energie Nederland zich af
of energiedelen een sluiproute kan vormen om btw te ontwijken in het geval dat geen
btw wordt geheven. Verder wil zij weten of de energiedeler btw-plichtig wordt door
het delen van energie en of deze eventueel onder de kleineondernemersregeling kan
vallen. Ook vraagt Energie Nederland of er btw verschuldigd is over de door de leverancier
af te dragen energiebelasting en, zo ja, wie deze btw moet afdragen. Tot slot vraagt
Energie Nederland of leveranciers inzicht moeten hebben in de btw-status van energiedelers.
Het kabinet begrijpt de wens om in algemene zin duidelijkheid te geven over de btw-positie
van energiedelers. Het geven van duidelijkheid wordt bemoeilijkt door de omstandigheid
dat het individuele gevallen zal betreffen. Het is aan de belastinginspecteur om in
een individueel geval, op basis van de dan voorliggende feiten, een afweging te maken
van de btw-gevolgen. Immers, afhankelijk van de voorliggende feiten kunnen de uitkomsten
voor de btw verschillend uitpakken. Kort gezegd, door iets in algemene zin op te nemen,
lijkt aan betrokken partijen in eerste instantie een dienst te worden bewezen, maar
als een individuele casus toch anders uitwerkt, kan sprake zijn van schijnzekerheid,
hetgeen ongewenst is. Daarom is hieronder op hoofdlijnen een antwoord opgenomen op
de gestelde vragen.
Het leveren van energie aan (energie)bedrijven of consumenten tegen vergoeding is
een levering waarover btw verschuldigd is. De verschuldigde btw wordt berekend over
de vergoeding. De vergoeding is het totale bedrag dat ter zake van de levering in
rekening wordt gebracht. Over andere belastingen of heffingen die in de vergoeding
zijn begrepen (zoals energiebelasting) dient derhalve ook btw te worden berekend.
De hoofdregel is dat de btw wordt geheven van de ondernemer die de prestatie verricht.
Een zogenoemde energiedeler is zodoende zelf verantwoordelijk voor een juiste aangifte,
afdracht, en voor voldoening aan zijn overige btw-verplichtingen. Indien een energiedeler
door zijn activiteiten btw-plichtig wordt, kan hij mogelijk gebruikmaken van de kleineondernemersregeling,
mits de jaarlijkse omzet onder de daarvoor geldende drempel blijft (net zoals bij
veel particuliere zonnepaneeleigenaren die leveren aan energiebedrijven). Ook geldt
er een registratiedrempel. Omdat het bij energiedelen vaak om kleine bedragen gaat
zullen veel partijen die energiedelen onder de registratiedrempel vallen en hoeven
zij zich niet te melden bij de belastingdienst.
6.4.5 Flexibiliteit in het elektriciteitssysteem
Informatieverplichtingen TSB/DSB’s
Zowel GTS als Netbeheer Nederland geven aan dat de informatieverplichting in artikel
3.77, derde lid, niet van toepassing moet zijn op de systeembeheerders voor gas. Zoals
aangegeven in paragraaf 6.4.1 (reikwijdte implementatie) is dit in het wetsvoorstel
aangepast.
Energie Nederland stelt inhoudelijke vragen bij de memorie van toelichting en of de
extra informatieplicht over beschikbare capaciteit kan zorgen voor minder benodigde
uitbreiding van het stroomnet. Het kabinet geeft aan dat door actuele informatie over
de beschikbare capaciteit (toekomstig) systeemgebruikers inzicht kunnen hebben waar
zij aan toe zijn. Mogelijk draagt dit eraan bij dat zij actief werk maken van het
flexibiliseren van hun capaciteitsvraag. Dan hoeven zij immers minder lang te wachten
op de initiële capaciteitsvraag.
Flexibel gebruik en dan met name gebruik buiten de piekmomenten kan eraan bijdragen
dat binnen de huidige fysieke grenzen van de transmissie- en distributiesystemen voor
elektriciteit meer gebruikers bediend kunnen worden. Het kabinet benadrukt echter
ook dat flexibel gebruik niet voor iedere systeemgebruiker mogelijk is, of dat het
mogelijke flexibel gebruik niet altijd aansluit bij de flexibiliteit die het transmissie-
of distributiesysteem voor elektriciteit vraagt. Tevens geldt dat naarmate er maar
genoeg restruimte is benut, ook met flexibel gebruik geen nieuwe aansluitingen kunnen
worden gerealiseerd. De aanname dat de informatieplicht leidt tot beperktere uitbreiding
van transmissie- of distributiesystemen voor elektriciteit is dus slechts ten dele
correct.
Flexibele aansluitovereenkomst
Energie Nederland stelt vast dat in het wetsvoorstel de definitie van een flexibele
aansluitovereenkomst ontbreekt. Een definitie van deze aansluitovereenkomst, inclusief
het stroombeheersingssysteem, was opgenomen in de voorgestelde wijziging van artikel
3.38 van de Energiewet maar wordt nu toegevoegd aan de begripsbepalingen in artikel
1.1 van de Energiewet.
Energie Nederland vraagt bij de voorgestelde wijziging van artikel 3.38, vijfde lid,
van de Energiewet naar de verdere uitwerking van het berichtenverkeer, wanneer een
systeemgebruiker een flexibele aansluitovereenkomst afsluit. Het kabinet merkt op
dat implementatie van de bij het EMD-pakket gewijzigde richtlijn enkel voorschrijft
dat deze overeenkomst moet kunnen worden aangeboden door de transmissiesysteembeheerder
(hierna ook: TSB) voor elektriciteit en de distributiesysteembeheerder (hierna ook:
DSB) voor elektriciteit. De verdere uitwerking zal in de methoden en voorwaarden voor
aansluiting en transport worden vastgelegd en middels processen over het beheren en
uitwisselen van gegevens gebaseerd op hoofdstuk 4 van de Energiewet worden uitgevoerd.
Daarnaast heeft Energie Nederland ook geïnformeerd naar de in de voorgestelde wijziging
van artikel 3.38 van de Energiewet ontbrekende criteria die nodig zijn om de beschikbare
capaciteit op het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit te berekenen
en of dit raakt aan de gegevens die artikel 3.77, vierde lid, benoemt. Het kabinet
bevestigt dit en geeft aan dat dit voor transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit
nader is uitgewerkt in artikel 50, lid 4 bis, van de gewijzigde Elektriciteitsverordening
(verordening 2019/943). Die bepaling wordt met dit wetsvoorstel van overeenkomstige
toepassing verklaard op distributiesysteembeheerders voor elektriciteit. Dit is aangepast
ten opzichte van de consultatieversie.
Ook Netbeheer Nederland stelt kritische vragen bij de voorgestelde wijziging van artikel
3.38 van de Energiewet. Allereerst stellen zij voor om de frequentie waarop ontwikkelingen
rondom het transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit moeten worden bijgewerkt,
vastgelegd in het voorgestelde artikel 3.38, vijfde lid, onderdeel b, van de Energiewet
niet in de wet vast te leggen, maar in de methoden en voorwaarden voor aansluiting
en transport. De onderbouwing die zij geeft is dat aanpassing van de regels dan eenvoudiger
zijn door te voeren, wanneer de situatie op de transmissie- of distributiesystemen
voor elektriciteit om aanpassing vraagt. Het wetsvoorstel is op dit punt aangepast,
in zoverre dat voor de frequentie voor actualiseren van informatie wordt verwezen
naar de bepaling hierover in de gewijzigde Elektriciteitsverordening. Die bepaling
geldt rechtstreeks voor transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit. Middels het
wetsvoorstel van wordt deze van overeenkomstige toepassing verklaard op distributiesysteembeheerders
voor elektriciteit zodat die gelijk wordt getrokken met de verplichting die als voor
de transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit geldt.
Daarnaast plaatst Netbeheer Nederland kritische opmerkingen bij het voorgestelde artikel
3.38, vijfde lid, onderdeel c, en de daarin opgenomen flexibele aansluitovereenkomst.
Zij zien geen noodzaak deze contractvorm op te nemen en wensen aan te sluiten bij
de huidige alternatieve transportrechten waartoe recent meerdere aanpassingen in de
methoden en voorwaarden zijn opgenomen. Zij zien geen extra mogelijkheden in de flexibele
aansluitovereenkomst ten opzichte van de huidige alternatieve transportrechten en
zien potentieel risico dat eerder werk teniet wordt gedaan wanneer de flexibele aansluitovereenkomst
in de Energiewet wordt opgenomen.
Het kabinet bevestigt dat het primaire doel van de flexibele aansluitovereenkomst
sterk overeen komt met die van de alternatieve transportrechten, namelijk voorkomen
dat aangeslotenen meer transportcapaciteit benutten dan beschikbaar is. De nieuwe
variant die transmissie- en distributiesysteembeheerder voor elektriciteit ingevolge
de bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn moeten kunnen aanbieden,
betreft een aansluiting met flexibele aansluitovereenkomst waarbij naast de alternatieve
niet vaste transportrechten middels een technische voorziening, een zogeheten stroombeheersingssysteem,
bij de aangeslotene ook het invoeden of afnemen van elektriciteit kan worden geregeld
of beperkt. Deze variant heeft betrekking op verzoeken om een (nieuwe) aansluiting
waarvoor onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is op het transmissie- of distributiesysteem
voor elektriciteit en daarom niet kunnen worden gefaciliteerd door de transmissie-
of distributiesysteembeheerder. Als alternatief kan de transmissie- of distributiesysteembeheerder
voor elektriciteit een aansluiting met een flexibele aansluitovereenkomst aanbieden
indien aansluiting met een beperktere transportcapaciteit of transportrechten dan
verzocht wel mogelijk is. Het kabinet benadrukt dat wanneer extreme situaties op het
transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit daarom vragen, dit wenselijk
kan zijn aangezien daarmee aansluiting op het transmissie- of distributiesysteem met
een beperktere transportcapaciteit of transportrechten kan worden aangeboden waarbij
overbelasting van het systeem kan worden voorkomen zonder het risico dat de aangeslotene
de contractuele transportcapaciteit of transportrechten overschrijdt.
Tot slot benadrukt het kabinet dat het wetsvoorstel deze vorm van aansluitovereenkomst
enkel mogelijk maakt. De wijze waarop transmissie- en distributiesysteembeheerders
voor elektriciteit nader vormgeven aan de uitwerking daarvan in de methoden en voorwaarden
voor aansluiting en transport hebben zij zelf in de hand.
Verslag flexibiliteitsbehoeften
Eneco en Energie-Nederland geven in hun reacties aan dat in de consultatieversie van
de memorie van toelichting geen invulling wordt gegeven aan artikel 19 septies en
artikel 19 octies van de bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsverordening namelijk
dat:
– lidstaten een voorlopige indicatieve nationale doelstellingen kunnen bepalen tot goedkeuring
van het verslag; en
– als investeringen in niet-fossiele flexibiliteit onvoldoende zijn om te voldoen aan
(voorlopige) indicatieve nationale doelstellingen, lidstaten steunregelingen voor
niet-fossiele flexibiliteit kunnen toepassen in de vorm van betalingen.
Verder merken Eneco en Energie Nederland op dat door deze bepalingen niet op te nemen
in de Energiewet er onvoldoende opvolging wordt gegeven aan de Europese aanbevelingen.
Zowel Eneco als Energie Nederland onderschrijven het belang van een indicatief doel
en een ondersteuningsmechanisme.
Met betrekking tot het eerste punt merkt het kabinet op dat artikel 19 septies, eerste
lid, van de wijzigingsverordening voorschrijft dat uiterlijk zes maanden na de indiening
van het verslag over flexibiliteitsbehoeften de lidstaat een indicatieve nationale
doelstelling voor niet-fossiele flexibiliteit bepaalt. Vooruitlopend daarop biedt
artikel 19 septies, eerste lid, de mogelijkheid om een voorlopige indicatieve nationale
doelstelling te bepalen. Het kabinet vindt het echter van belang dat de flexibiliteitsbehoeften
op basis van een zorgvuldige beoordeling worden geanalyseerd en bepaald. Het reguliere
proces borgt dit door de totstandkoming en toepassing van een methodologie voor de
analyse van de flexibiliteitsbehoeften door de transmissiesysteembeheerder elektriciteit
en distributiesysteembeheerders elektriciteit. Het kabinet ziet geen reden om vooruit
te lopen op het reguliere proces dat artikel 19 sexies voorschrijft, en neemt daarom
in dit wetsvoorstel niet de mogelijkheid op voor vaststelling van voorlopige indicatieve
nationale doestellingen.
Met betrekking tot het tweede punt merkt het kabinet op dat het niet nodig is om,
als investeringen in niet-fossiele flexibiliteit onvoldoende zijn om te voldoen aan
de indicatieve nationale doelstelling, in het wetsvoorstel te voorzien in de mogelijkheid
van introductie van een steunregeling voor niet-fossiele flexibiliteit. De Kaderwet
EZK- en LNV-subsidies kan daar indien nodig, voor worden toegepast.
Energie-Nederland merkt op dat het besluit om het in het wetsvoorstel het product
peak-shaving niet op te nemen in het wetsvoorstel, haaks staat op de praktijk. Zij voert hierbij
aan dat in de huidige Netcode peak-shaving is toegestaan als onderdeel van congestiemanagement. Door het wettelijk vastleggen
van peak-shaving en het standaardiseren van congestiemanagement kan meer zekerheid worden geboden,
zo stelt Energie Nederland. In reactie hierop kan worden gesteld dat Energie Nederland
hier twee zaken door elkaar lijkt te halen. Peak-shaving voor de markt (zoals voorgesteld in de EMD-Verordening) en peak-shaving voor transportcapaciteit (waar Energie Nederland aan refereert). Het peak-shaving product, zoals voorgesteld in artikel 7bis van de gewijzigde Elektriciteitsverordening
kent een ander toepassingsbereik dan congestiemanagement. Het peak-shaving product richt zich op een meer generieke verlaging van de elektriciteitsvraag op
de groothandelsmarkt. Bovendien mag dit product alleen gebruikt worden ten tijde van
een prijscrisis, op verzoek van lidstaten (zie artikel 66bis van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn).
Peak-shaving voor congestiemanagement kent een veel locatie-specifieker toepassingsbereik en kan
altijd worden ingezet (dus ook buiten een prijscrisis). Daarmee is het dus een ander
product.
6.4.6 Voorzieningszekerheid/capaciteitsmechanismen
Energie Nederland benoemt daarnaast in haar reactie dat de urgentie om een capaciteitsmechanisme
in te richten ontbreekt en roept op om een duidelijke politieke keuze te maken. Energie
Nederland vreest een toename van capaciteitstekorten bij het uitblijven van politieke
besluitvorming. Ondertussen heeft het kabinet nader onderzoek laten uitvoeren naar
de invoering van capaciteitsmechanismen die geschikt kunnen zijn voor de Nederlandse
situatie. In het regeerakkoord is het invoeren van een capaciteitsmechanisme als maatregel
opgenomen.
Netbeheer Nederland verwijst in haar reactie naar artikel 5.12, waarin de mogelijkheden
om opdracht aan TenneT te verstrekken voor een strategische reserve wordt verruimd
naar ook andere vormen van capaciteitsmechanismen. Netbeheer Nederland geeft aan positief
te staan tegenover deze verruiming en graag in gesprek te gaan over nadere invulling
in lagere regelgeving. Deze reactie wordt door het kabinet goed ontvangen.
Eneco geeft aan de verruiming van artikel 5.12 te verwelkomen, en TenneT als de juiste
entiteit te zien om een capaciteitsmechanisme vorm te geven en onderschrijft de keuze
om geen decentraal capaciteitsmechanisme in de wet op te nemen, maar geeft hierbij,
net als Energie Nederland aan dat er onvoldoende urgentie is om de voorzieningszekerheid
na 2030 te borgen. Eneco suggereert om TenneT de opdracht te geven het mechanisme,
naast voorzieningszekerheid, ook te focussen op andere lokale systeemfuncties en zo
de mogelijkheid te geven om ook een lokale variant van een capaciteitsmechanisme te
introduceren. Ook zou hierbij een CO2-criterium opgenomen kunnen worden om marktpartijen voldoende zekerheid te bieden
bij investeringen in CO2-vrij regelbaar vermogen. Gelet op de Elektriciteitsverordening kunnen capaciteitsmechanismen
(onder voorwaarden) uitsluitend worden ingezet indien er een risico wordt voorzien
ter zake de «toereikendheid van de elektriciteitsvoorziening». Capaciteitsmechanismen
kunnen dus niet zoals door Eneco bepleit worden ingezet voor het oplossen van netcongestie.
Los van deze overweging geven de aanpassingen op grond van de bij het EMD-pakket gewijzigde
Elektriciteitsverordening – waar dit voorstel tot wijziging van de Energiewet op gebaseerd
is – ook geen aanleiding tot het in de Energiewet opnemen van de mogelijkheid om TenneT
op te dragen een lokale op netcongestie gerichte variant van een capaciteitsmechanisme
in te richten.
6.4.7 Power Purchase Agreements (PPA's of stroomafnameovereenkomsten)
Om een beter beeld te krijgen van eventuele belemmeringen voor het sluiten van PPA’s,
bevatte de internetconsultatie een document met daarin een aantal vragen over de PPA-markt.
Vijf volledige reacties werden ontvangen, waarvan twee openbaar zijn. Hieronder volgt
een korte samenvatting van de reacties.
Uit de consultatiereacties blijkt dat de belangrijkste belemmering voor de adoptie
van PPA's ligt in de huidige marktfundamenten. Een centrale uitdaging is dat de belangen
van producenten en afnemers niet altijd volledig op elkaar aansluiten. Producenten
hebben vaak een voorkeur voor langetermijnovereenkomsten met vaste prijzen om inkomsten
te stabiliseren, terwijl afnemers vaker de voorkeur geven aan kortere looptijden of
variabele prijzen.
Daarnaast is er momenteel de verwachting dat het voor afnemers voordeliger kan zijn
om elektriciteit via de spotmarkt in te kopen dan om deze via PPA's vast te leggen.
Deze dynamiek verlaagt de prikkel voor consumenten om langdurige PPA-overeenkomsten
aan te gaan. Deze situatie wordt volgens BP veroorzaakt door een structurele onevenwichtigheid
in de markt: de groei van de elektriciteitsvraag blijft achter bij de toename van
het aanbod.
Uit de consultatiereacties blijkt ook dat de beschikbaarheid van garantieregelingen
een rol kan spelen bij het verbeteren van toegang tot de PPA-markt voor afnemers die
daar momenteel geen of beperkt toegang toe hebben. Dergelijke instrumenten, zoals
beschreven in de EU-wetgeving, kunnen bestaan uit door de staat gedekte garanties
tegen marktprijzen, private garanties of faciliteiten die de vraag naar PPA's bundelen.
Hoewel vormen van vraagbundeling al bestaan en mogelijk zijn, geven de reacties aan
dat een door de staat gedekte garantieregeling een extra financiële ruimte kan bieden
door een deel van de huidige druk op afnemers weg te nemen. Met name VEMW benadrukte
dat de hoge financiële garanties die producenten vragen een aanzienlijke belemmering
vormen voor industriële afnemers, omdat deze garanties hun leenvermogen beperken.
Kortom, vraagbundeling draagt bij aan risicospreiding en biedt enige verlichting,
maar beperkt in de huidige vorm nog steeds het leenvermogen van afnemers, waardoor
verdere maatregelen zoals een garantieregeling waardevol kunnen zijn. Terwijl de reacties
op dit moment geen aanleiding geven tot aanpassing van de wetgeving, zal het gesprek
met de sector worden voortgezet, zodat haar ervaring en kennis verder kunnen worden
meegenomen in de evaluatie en vormgeving van dergelijke beleidsopties.
6.4.8 REMIT
Energie Nederland geeft in reactie op artikel I, onderdeel T van het voorstel (artikel
5.17, derde lid, van de Energiewet) aan dat minimaal moet worden vastgelegd dat de
partijen, die onderzocht worden, niet blootgesteld kunnen worden aan een andere set
van handhavings- en opsporingsregels dan toegestaan onder de Nederlandse wet. Het
kabinet erkent het belang dat marktpartijen hechten aan één set toepasselijke toezichts-
en handhavingsregels. Artikel 16 bis, tweede lid, van de gewijzigde REMIT, bepaalt
echter dat de delegatie van taken en verantwoordelijkheden leidt tot een herverdeling
van bevoegdheden en dat het recht van de lidstaat waar de gedelegeerde zich bevindt
van toepassing is. Indien de ACM uitoefening van het toezicht overdraagt aan een andere
nationale regulerende instantie, dan is het recht van de lidstaat waarin de gedelegeerde
nationale regulerende instantie zich bevindt, van toepassing. Indien de ACM uitoefening
van het toezicht overdraagt aan Acer dan maakt Acer gebruik van de bevoegdheden die
Acer onder REMIT heeft. Zoals beschreven onder paragraaf 3.2.2. is het kabinet niet
voornemens om de ACM toe te staan handhavingsbevoegdheden te delegeren aan een andere
nationale regulerende instantie of Acer. Er zal daarmee in principe maar één set handhavingsregels
van toepassing zijn op overtredingen die de ACM bevoegd is te handhaven op grond van
de gewijzigde REMIT – behalve indien een overtreding van REMIT ook handhaafbaar is
in andere lidstaten.
Energie Nederland geeft in reactie op artikel I, onderdeel U van het voorstel (artikel
5.17a, 5.17b en 5.17c van de Energiewet) aan meerdere problemen te zien, die zien
op de rechtsbescherming van marktpartijen.
Energie Nederland geeft aan dat aangezien bepaalde gedragingen gezien zullen worden
als misdrijven, tevens het «nemo tenetur»-beginsel en de onschuldpresumptie moeten
worden vastgelegd. Ook bij uitoefening van bevoegdheden door toezichthoudende ambtenaren
van de ACM op verzoek van Acer of een andere NRI in het kader van wederzijdse bijstand
of op grond van artikel 16 bis van de verordening gedelegeerde bevoegdheden, zou dit
moeten worden vastgelegd.
Ten eerste is in artikel 13 quinquies van de gewijzigde REMIT vastgelegd dat Acer
moet voldoen aan een aantal procedurele waarborgen, waaronder de inachtneming van
het vermoeden van onschuld (tweede lid). Ten tweede, schrijft artikel 13 quinquies
van de gewijzigde REMIT voor dat Acer bij het uitvoeren van zijn inspecties ter plaatse
waarborgt dat personen het recht hebben om geen zelfincriminerende verklaringen af
te leggen. Voorts geldt op basis van artikel 48, eerste lid, van het Handvest van
de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) – hetgeen van toepassing is
op instellingen van de Unie alsmede lidstaten wanneer zij Unierecht tot uitvoering
brengen – en artikel 6, paragraaf 2 van het op 4 november 1950 te Rome tot stand gekomen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154; hierna: EVRM) de onschuldpresumptie bij een criminal charge. Ook omvat artikel 6 van het EVRM het zwijgrecht en het recht om geen zelf incriminerende
verklaringen af te leggen bij een criminal charge. Artikel 47, tweede alinea en artikel 48 van het Handvest hebben dezelfde waarborgen
als artikel 6 van het EVRM, indien er sprake is van een criminal charge. Ambtenaren van de ACM die bijstand verlenen aan Acer maken daarbij gebruik van de
bevoegdheden van Acer en zijn ook gebonden aan de procedurele waarborgen die Acer
daarbij in acht moet nemen. Indien ambtenaren van de ACM op verzoek van Acer of een
andere nationale regulerende instantie toezichthandelingen verrichten maken zij gebruik
van de bevoegdheden die hen ingevolge titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht
of hoofdstuk 3, paragraaf 1, van de Instellingswet Autoriteit Consument en markt zijn
toegekend. Daarbij gelden ook de procedurele waarborgen die in de betreffende onderdelen
van die wetten zijn opgenomen. Het recht om geen zelfincriminerende verklaring af
te leggen is echter in andere onderdelen van die wetten geregeld. Mede gelet op de
opmerkingen van Energie Nederland is daarom aan het voorgestelde artikel 5.17b van
het wetsvoorstel toegevoegd dat die bepalingen – artikel 5:10a, van de Algemene wet
bestuursrecht (opgenomen in titel 5.1) en artikel 12i, van de Instellingswet Autoriteit
Consument en Markt (opgenomen in hoofdstuk 3, paragraaf 3) – van overeenkomstige toepassing
zijn. Ten slotte schrijft artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering het zwijgrecht
voor en is het Openbaar Ministerie (op grond van het Handvest, EVRM en het Wetboek
van Strafvordering) ook gehouden aan de onschuldpresumptie en het nemo tenetur-beginsel.
Energie Nederland geeft aan dat de ambtenaren van Acer – overeenkomstig artikel 5:12
van de Awb – een legitimatieplicht moeten hebben. Het kabinet kan met onderhavig voorstel
geen legitimatieplicht voorschrijven aan ambtenaren van Acer. De Nederlandse wetgever
is niet bevoegd om eisen op te leggen aan (ambtenaren van) Acer omdat zij buiten de
rechtsmacht vallen van de Nederlandse wetgever.
Energie Nederland merkt op dat bij het voorgestelde artikel 5.17a, vijfde lid, van
de Energiewet ook artikel 5:17 van de Awb van toepassing zou moeten worden verklaard.
Op grond van het voorgestelde artikel 5.17a, derde en vierde lid, van de Energiewet
kunnen toezichthoudende ambtenaren van de ACM bijstand verlenen aan Acer, meer specifiek
bij een verzoek van informatie op grond van artikel 13 ter en het afnemen van verklaringen
op grond van artikel 13 quater van de gewijzigde REMIT. Het kabinet acht het niet
nodig om daarbij naast de artikelen 5:15 (betreden van plaatsen) en 5:16 (vorderen
van inlichtingen) van de Awb ook artikel 5.17 (inzage vordering van zakelijke gegevens
en bescheiden) van de Awb van overeenkomstige toepassing te verklaren. Mocht Acer
behoefte hebben aan inzage in gegevens dan kan dit middels gebruikmaking van haar
bevoegdheid op grond van artikel 13 bis van de gewijzigde REMIT (inspecties ter plaatse
door Acer). Ook kan Acer de ACM eventueel verzoeken om voor haar een inspectie ter
plaatse te verrichten op grond van artikel 13 sexies of artikel 16 bis van de gewijzigde
REMIT (wederzijdse bijstand of delegatie van taken en verantwoordelijkheden); zie
voorgesteld artikel 5:17b, eerste lid, van de Energiewet. In dat kader kan inzage
in zakelijke gegevens en bescheiden worden gevorderd; zo nodig kan nog om bijstand
van de ACM bij een inspectie worden verzocht (zie voorgesteld artikel 5:17a, eerste
lid, van de Energiewet). Voorts zijn de toezichthoudende ambtenaren van de ACM wel
bevoegd om bij hen bijstand inlichtingen te vorderen op grond van artikel 5:16 van
de Awb hetgeen met dit voorstel van overeenkomstige toepassing wordt verklaard (voorgesteld
artikel 5.17a, vijfde lid, van de Energiewet). Voorts merkt Energie Nederland op dat
aan het voorgestelde artikel 5.17b van de Energiewet moet worden toegevoegd dat diverse
procedurele waarborgen met betrekking tot de uitwisseling van verkregen informatie
of gegevens in acht moeten worden genomen. Zij stelt hiertoe onder meer voor om ook
artikel 7, vierde lid, van de Instellingwet Autoriteit Consument en Markt van overeenkomstige
toepassing te verklaren. Het kabinet acht dit niet nodig omdat het delen van door
de toezichthoudende ambtenaren verkregen informatie of gegevens met Acer of een andere
NRI zal plaatsvinden door de ACM (en niet de toezichthoudende ambtenaren zelf). Artikel
7, vierde lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt is dan al van toepassing,
evenals artikel 5.25 van de Energiewet. Voor wat betreft de procedurele waarborgen
wordt voorts verwezen naar het voorgaande.
Energie Nederland merkt bij het voorgestelde artikel 5:21 van de Energiewet op dat
hier het ne bis in idem-beginsel moet worden opgenomen, zoals vastgesteld in artikel 18, derde lid, van de
gewijzigde REMIT. Artikel 18, derde lid, van de gewijzigde REMIT, stelt dat de lidstaten
moeten waarborgen dat de nationale regulerende instantie met inachtneming van het
ne bis in idem-beginsel bepaalde bestuursrechtelijke maatregelen mag treffen. Dit is al geregeld.
Artikel 5:43 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan geen bestuurlijke boete mag
opleggen aan een overtreder wegens dezelfde overtreding waarvoor reeds eerder een
bestuurlijke boete is opgelegd. Daarnaast is de ACM bij handhaving van REMIT gehouden
aan het ne bis in idem-beginsel bij een criminal charge (waaronder een bestuurlijke boete) gelet op artikel 50 van het Handvest en artikel
4 van het Zevende Protocol bij het EVRM. Het kabinet acht dat daarmee voldoende bepalingen
in reeds geldende (Europese) wet- en regelgeving zijn opgenomen ter waarborging van
het ne bis in idem-beginsel bij handhaving van REMIT.
7. Toetsing en Adviezen
7.1 Uitvoerbaarheid- en handhaafbaarheidstoets ACM
ACM heeft een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets uitgevoerd op het wetsvoorstel.
Deze toets is opgeleverd op 24 maart 2025.
ACM acht het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar. Wel heeft ACM enkele opmerkingen.
Naast een aantal inhoudelijke opmerkingen heeft ACM nog enkele verbetersuggesties
en verzoeken om verduidelijking in de toelichting. De belangrijkste opmerkingen zien
op de volgende onderwerpen.
Consumentenbescherming
ACM merkt op dat van belang is dat de informatie die leveranciers moeten verstrekken
in het kader van hun informatieplicht eenduidig is en dat dit niet blijkt uit de wet
en toelichting. Daarnaast merkt de ACM op dat uit de toelichting niet duidelijk blijkt
over welke mogelijkheden en risico’s leveranciers hun klanten moeten informeren. In
de toelichting is verduidelijkt dat het voor de hand ligt dat deze informatieplicht
door leveranciers ingevuld wordt door voorafgaand aan het sluiten van de leveringsovereenkomst
een informatieblad te verstrekken met daarop eenduidige informatie. Bovendien is in
de toelichting meer aandacht gegeven aan waaraan gedacht kan worden bij informeren
over mogelijkheden en risico’s bij verschillende contractvormen. ACM merkt verder
nog op dat zij het toezicht op de afdekkingsstrategieën vooral zal richten op vergunninghoudende
leveranciers.
Capaciteitsmechanisme
ACM merkt op dat capaciteitsmechanismen ingrijpen in de marktordening en kosten met
zich meebrengen. De uitvoeringslasten voor de toezichthouder hangen sterk af van de
gekozen variant en de ACM wordt hier graag bij betrokken. Dit zal het geval zijn.
REMIT
De ACM heeft in haar UHT opmerkingen gemaakt waarmee wijzigingen in onderhavig wetsvoorstel
worden beoogd, om marktmisbruik nog beter te kunnen tegengaan.
Ten eerste verzoekt de ACM om risicovolle marktpartijen te kunnen weren door een toets
te verrichten voordat zij een partij ingevolge artikel 9, eerste lid, van de gewijzigde
REMIT registreert. Het Europeesrechtelijke kader geeft de ACM thans geen bevoegdheid
om risicovolle marktdeelnemers vooraf (ex-ante) te weren door ze niet te registreren.
Het inregelen daarvan in dit wetsvoorstel zou resulteren in een nationale beleidswens
die verder gaat dan voorgeschreven door Europese wet- en regelgeving. Wel vereist
de gewijzigde REMIT dat de nationale regulerende instantie een rechtbank of bevoegde
instantie kan vragen om een tijdelijk beroepsverbod op te leggen (zie artikel 13,
tweede lid, onderdeel g van de gewijzigde REMIT). In 2013 is dat uitgevoerd met de
introductie van een duaal stelsel voor de handhaving van REMIT: er kan naast bestuursrechtelijke
handhaving ook strafrechtelijk handhaving plaatsvinden. Het was daarbij uitdrukkelijk
de bedoeling dat de strafrechtelijke weg alleen bewandeld werd voor de maatregelen
het bevriezen van vermogensbestanddelen of bij het opleggen van een tijdelijk verbod
op beroepsuitoefening. Het duale stelsel blijft behouden met dit voorstel en wordt – waar de wijzigingen
in REMIT dit vereisen – verder uitgebreid. Er bestaat dus de mogelijkheid om middels
tussenkomst van de strafrechter een beroepsverbod op te leggen (zie artikel 7, onderdeel
a van de Wet op de economische delicten jo. artikel 28, eerste lid, onderdeel 5 van
het Wetboek van Strafrecht). Daarnaast acht het kabinet het niet passend om een bevoegdheid
tot het vooraf weren van marktpartijen zonder nadere wettelijke inkadering van het
toetsingskader bij de ACM te beleggen. De Minister kan immers, gezien de onafhankelijkheid
van de ACM, geen controle uitoefenen op de invulling van de bevoegdheid, maar is wel
politiek verantwoordelijk. Het kabinet erkent wel dat het vooraf kunnen weren van
risicovolle marktpartijen een bijdrage zou kunnen leveren aan een weerbaar energiesysteem
en is bereid dit op Europees niveau aan te kaarten bij een volgende herziening van
REMIT.
De ACM heeft in haar UHT verzocht om een mogelijkheid in de wet te creëren om de verjaringstermijn
ten behoeve van het REMIT-toezicht te kunnen stuiten. Voor een onderzoek naar een
overtreding van REMIT geldt momenteel de standaard vervaltermijn van vijf jaar van
artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze termijn is volgens de ACM
in geval van complex, data-intensief en internationaal onderzoek ontoereikend. Daarnaast
zou in andere lidstaten, zoals België, wel een stuitingsmogelijkheid voor REMIT bestaan.
Het kabinet is het met de ACM eens dat bij internationaal onderzoek, waarbij Acer
onderzoek doet en het onderzoeksverslag aan de ACM overdraagt voor handhaving, een
verjaringstermijn van vijf jaar onvoldoende zou kunnen zijn. Te meer omdat de ACM
geen invloed heeft op de duur van een onderzoek door Acer en er na overdracht van
een onderzoeksrapport van Acer aanleiding kan zijn voor aanvullend onderzoek door
de ACM. Daarom voegt het kabinet een artikel aan het wetsvoorstel toe waarin wordt
geregeld dat onderzoekshandelingen van Acer de vervaltermijn stuiten tot drie jaar
na overdracht van het onderzoeksrapport door Acer. Zo wordt effectieve handhaving
op nationaal niveau na een onderzoek op Europees niveau gewaarborgd. Voor situaties
waarin uitsluitend onderzoek wordt gedaan door de ACM ziet het kabinet in de gewijzigde
REMIT en gelet op de praktijk tot nog toe, geen noodzaak om de bestaande verjaringsregels
aan te passen.
De ACM heeft in haar UHT verzocht om de bevoegdheid voor de ACM op te nemen om een
bestuurlijke boete op te leggen aan marktdeelnemers die zich niet houden aan verplichtingen
inzake algoritmische handel. REMIT regelt voor welke overtredingen lidstaten bevoegd
moeten zijn om een bestuurlijke boete op te leggen (artikel 18, eerste lid jo. artikel
13, eerste lid van de gewijzigde REMIT). Hier zijn de verplichtingen voor marktdeelnemers
die zien op algoritmische handel (artikel 5 bis REMIT) niet in meegenomen. Het opnemen
van een dergelijke bevoegdheid voor de ACM zou dus een additionele nationale regel
betreffen, hetgeen in beginsel moet worden vermeden bij implementatie. Het kabinet
deelt voorts niet de opvatting van de ACM dat een boetebevoegdheid de effectiviteit
van de handhaving van dit artikel zou verbeteren. De ACM is namelijk wel bevoegd een
last onder dwangsom op te leggen. Daar gaat reeds een afschrikkende werking vanuit
omdat de dwangsom bij niet naleving ook hoog kan oplopen. Voorts betreft het niet
naleven van de verplichtingen ter zake van algoritmische handel een relatief lichte
overtreding waarmee geen schade hoeft te zijn aangebracht aan de energiemarkt. Daarom
acht het kabinet een herstelsanctie een geschikt en voldoende afschrikwekkend handhavingsinstrument.
Ten slotte heeft de ACM een aantal wetstechnische wijzigingen voorgesteld die – waar
gepast – zijn overgenomen.
Energiedelen
De ACM merkt op dat het wetsvoorstel geen specifieke regeling voor energiearmoede
bevat. In het wetsvoorstel is wel voorzien in een verplichting om het toegankelijk
maken van gedeelde energie aan kwetsbare of energiearme afnemers te stimuleren.
Het wetsvoorstel bepaald in artikel 2.30, zevende lid, (bij het nader rapport hernummerd
tot artikel 2.41a, zesde lid) dat bij een project inzake energiedelen, waarbij een
overheidsinstantie betrokken is, moet worden nagestreefd om ten minste tien procent
van de elektriciteit die wordt gedeeld toegankelijk te maken voor kwetsbare of energiearme
afnemers. Overheidsinstanties hebben vaak ook een beter beeld welke huishoudens kwetsbaar
of energiearm zijn.
De ACM constateert dat zij haar toezicht op de redelijke kosten van energiedelen risico-gestuurd
zal inrichten en dat zij geen toezicht houdt op individuele overeenkomsten. Het is
aan de toezichthouder hoe zij haar toezicht vorm geeft. Het klopt dat geschillen over
individuele overeenkomsten, waaronder het voorbeeldcontract, in eerste instantie moeten
worden voorgelegd aan de geschillencommissie.
Verder merkt de ACM op dat het wetsvoorstel geen duidelijkheid geeft of lopende overeenkomsten
voor bepaalde tijd mogen worden opengebroken als de afnemer gebruik wil maken van
energiedelen gedurende de looptijd, en of dan een opzegvergoeding is verschuldigd.
In het wetsvoorstel is opgenomen dat afnemers het recht hebben om energie te delen
en dat een marktdeelnemer een afnemer er niet mag van weerhouden om energie te delen
(artikel 2.3). Een leverancier is dus verplicht om hieraan mee te werken. Ook ingeval
van een lopende overeenkomst. Er kan geen opzegvergoeding in rekening worden gebracht
door de leverancier. Er is immers geen sprake van opzegging door een eindafnemer.
Lopende overeenkomsten met afnemers die energie willen gaan delen mogen daarom niet
worden ontbonden en een leverancier mag geen kosten in rekening brengen tenzij hierover
in de overeenkomst afspraken zijn gemaakt.
7.2 Uitvoeringstoets Belastingdienst
De Belastingdienst heeft vanuit haar verantwoordelijkheid van de Wet belastingen op
de milieugrondslag gekeken naar de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Deze toets
is vastgesteld op 15 april 2025. Het oordeel van de Belastingdienst is dat het wetvoorstel
uitvoerbaar is en de dienst verwacht geen uitvoeringskosten of personele gevolgen.
De inning van de energiebelasting is verlegd van de huishoudens en bedrijven die energiedelen
naar de energieleverancier van de ontvanger van de energie. De Belastingdienst merkt
nog wel op dat energiedelen ook invloed kan hebben op de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting
en schenk- en erfbelasting.
7.3 Advies van de Adviescommissie Toetsing Regeldruk
Het Adviescollege voor Toetsing Regeldruk (hierna: ATR) is gevraagd advies te geven.
Dit advies is uitgebracht op 17 maart 2025. ATR heeft bedenkingen bij het wetsvoorstel
en doet een aantal aanbevelingen. De aanbevelingen zien op het explicieter benoemen
van de doelen van het wetsvoorstel en verder op het delen van energie: o.a. de afweging
tussen het beperken van kosten en het gebruikersgemak van actieve afnemers en welke
alternatieven overwogen zijn bij de keuze van het uitgewerkte model. Verder adviseert
ATR om een MKB-toets te houden.
Naar aanleiding van het advies van ATR is de toelichting van het wetsvoorstel op een
aantal punten uitgebreid. De doelen van het wetsvoorstel zijn explicieter benoemd
en in de toelichting zijn de voor- en nadelen van een vaste vs. een dynamische verdeelsleutel
opgenomen. De keuze voor de verdeelsleutel zelf zal bij algemene maatregel van bestuur
worden vastgelegd. Er is voor gekozen om geen MKB-toets meer te doen. De reden hiervoor
is dat gaat om een wetsvoorstel ter implementatie van Europese regelgeving. De inhoud
van het wetvoorstel is, zeker voor het onderdeel energiedelen, uitgebreid besproken
met een werkgroep van de NVDE waaraan vertegenwoordigers van de energiebedrijven en
energiecoöperaties hebben deelgenomen. Vrijwel alle bedrijven die betrokken zijn bij
de verduurzaming van de energiesector zijn lid van de NVDE. Verder is relevant dat
het delen van energie voor huishouden en bedrijven die niet actief zijn in de energiesector
vrijwillig is en dus niet noodzakelijk leidt tot hogere administratieve lasten. Een
laatste reden is dat het alsnog uitvoeren van een MKB-toets tot vertraging bij de
implementatie van de EMD-richtlijn zou leiden.
7.4 Raad voor de Rechtspraak
De Raad voor de Rechtspraak kan zich vinden in het wetsvoorstel en heeft enkele opmerkingen.
Deze gaan over betreden van woningen of andere particuliere gebouwen bij onderzoek
(REMIT) en verzoeken hier verduidelijking van de toelichting. Mede naar aanleiding
van de opmerking van de Raad voor de Rechtspraak is het betreffende artikel in het
wetsvoorstel aangepast en de verplichte voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris
belast met de behandeling van strafzaken van de rechtbank Rotterdam beperkt tot het
bij een inspectie betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner.
8. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Artikel IV voorziet in inwerkingtreding van het wetsvoorstel. In verband met de noodzaak
van tijdige uitvoering van de richtlijn en de verordeningen is inwerkingtreding van
de wet op zo kort mogelijke termijn aangewezen en wordt mogelijk niet aangesloten
bij een vast inwerkingtredingsmoment, zoals opgenomen in het kabinetsbeleid inzake
vaste verandermomenten.60
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I
A (artikel 1.1 begripsbepalingen)
De begripsomschrijving van delen van energie vervalt en wordt vervangen door de begripsomschrijving
van energiedelen. Dit sluit beter aan bij de begripsbepaling in de Elektriciteitsrichtlijn.
Daarnaast wordt in de begripsomschrijving verduidelijkt dat energiedelen alleen op
elektriciteit betrekking heeft.
Ook de begripsbepaling voor vraagrespons is aangepast. Dit betreft een technische
verbetering waarbij de begripsbepaling meer in lijn is gebracht met de begripsbepaling
in de Elektriciteitsrichtlijn. In de Energiewet waren de voorwaarden cumulatief geformuleerd,
dit is aangepast zodat de opsomming alternatief is zoals in de richtlijn. Het is goed
om op te merken dat de tweede vorm van vraagrespons, waarbij de vraagvermindering
of -verhoging op basis van een overeenkomst wordt verkocht op een energiehandelsmarkt,
in beginsel via een marktdeelnemer loopt (in de praktijk is dit meestal een balanceringsdienstverlener
of een congestiedienstverlener). Ook de begripsbepaling van energiehandelsmarkt is
aangepast om deze beter in lijn te brengen met de richtlijn. Balanceringsdiensten
vallen onder het begrip ondersteunende dienst en hoeven daarom niet apart te worden
genoemd. Daarnaast wordt verduidelijkt dat de inkoop van congestie- of systeembeheersdiensten
(een gedefinieerd begrip) onder het begrip energiehandelsmarkt valt.
Er wordt een begripsbepaling toegevoegd van flexibele aansluitovereenkomst. De herziene
Elektriciteitsrichtlijn definieert dit begrip in artikel 2, onderdeel 24 quater. Het
gaat om een overeenkomst voor (het in gebruik geven van) een aansluiting voor elektriciteit,
waarbij achter het overdrachtspunt van de aansluiting door de aangeslotene een gecertificeerd
stroombeheersingssysteem wordt geïnstalleerd die de hoeveelheid in te voeden of af
te nemen elektriciteit kan regelen of beperken. Tevens worden beperkingen gesteld
aan de transportcapaciteit (injectie van elektriciteit in en afname van elektriciteit
van het transmissie- of distributiesysteem) die kan worden gebruikt middels de bij
die aansluiting behorende transportovereenkomst voor elektriciteit. Dit wordt verder
uitgewerkt in artikel 3.38, vijfde lid, onderdeel c, en artikel 3.46, derde lid, onderdeel
b.
De definitie van onbalansverrekeningsperiode is nieuw. Op grond van de herziene Elektriciteitsrichtlijn
zijn lidstaten van de Europese Unie verplicht om energiedelen mogelijk te maken binnen
een tijdsbestek dat niet langer is dan de onbalansverrekeningsperiode (zie het bij
het EMD nieuw ingevoegde artikel 15 bis, vierde lid, onderdeel a, van de Elektriciteitsrichtlijn),
daartoe is een begripsomschrijving opgenomen. De onbalansverrekeningsperiode voor
elektriciteit is in Nederland is momenteel een kwartier.
B (artikel 2.2 meer marktdeelnemers op één aansluiting)
Ingevolge de Elektriciteitsrichtlijn moeten lidstaten aangeslotenen op het elektriciteitssysteem
toestaan om meer dan één leverancier te contracteren. In artikel 2.2 zijn de voorwaarden
neergelegd waaraan in een dergelijke situatie zal moeten worden voldaan om een deugdelijke
registratie van de elektriciteitsstromen te borgen.
Met onderhavige wijziging wordt voorgesteld het opschrift aan te passen en een nieuw
tweede lid in te voegen. In het tweede lid wordt voorgeschreven dat indien een actieve
afnemer op zijn aansluiting een vraagresponsovereenkomst sluit of die een overeenkomst
sluit inzake het delen van energie, hij moet beschikken over een meetinrichting waarvan
de communicatiefunctionaliteit wordt gebruikt. Dat betekent dat er een meter aanwezig
is die op afstand kan worden uitgelezen. De functionaliteit om gegevens te verzenden,
zal dus niet mogen zijn uitgeschakeld.
C (artikel 2.3 algemene bepaling marktdeelnemers)
Artikel 2.3 waarborgt dat marktdeelnemers de rechten respecteren die de Elektriciteitsrichtlijn
aan eindafnemers of aan actieve afnemers geeft. Voorgesteld wordt om in het eerste
lid de aanhef aan te passen en een onderdeel toe te voegen om te regelen dat het een
marktdeelnemer of een balanceringsverantwoordelijke verboden is om een eindafnemer
of actieve afnemer ervan te weerhouden energie te delen. Dit lid is geformuleerd als
een verbodsbepaling met een relatief open norm, aangezien het «weerhouden» betrekking
kan hebben op een tal van gedragingen, die niet allemaal op voorhand kunnen worden
voorzien. Bij «weerhouden» valt in de eerste plaats te denken aan contractuele beperkingen,
zoals bepalingen in leveringsovereenkomsten waarin het actieve afnemers wordt verboden
om een overeenkomst inzake energiedelen te sluiten.
Onderdeel f wordt ook aangepast, zodat ook het onderdeel inzake energiedelen in de
opsomming wordt opgenomen.
Deze wijziging strekt ter implementatie van de bij het EMD nieuw ingevoegde artikel
11, lid 1 ter, en artikel 15 bis, vierde lid, onderdeel f, van de Elektriciteitsrichtlijn.
In die bepaling staat dat lidstaten ervoor zorgen dat actieve afnemers die deelnemen
aan energiedelen niet oneerlijk of discriminerend worden behandeld door marktdeelnemers
of hun balanceringsverantwoordelijken.
D (artikel 2.5 voorwaarden voor leveranciers)
Onderhavige wijziging strekt ter implementatie van de bij het EMD nieuw ingevoegde
artikel 18 bis, eerste lid, van de Elektriciteitsrichtlijn. In het voorgestelde zesde
lid wordt geregeld dat leveranciers van elektriciteit en gas over een passende afdekkingsstrategie
moeten beschikken. De afdekkingsstrategie heeft als doel om risico’s voor de continuïteit
van leveringsovereenkomsten met eindafnemers te beperken. Daarbij wordt opgemerkt
dat dit lid ziet op alle leveranciers die elektriciteit en gas leveren aan eindafnemers,
niet alleen op vergunninghouders. Voor vergunninghouders worden reeds aanvullende
eisen gesteld in kader van het vergunningstelsel bij of krachtens artikel 2.18 van
de Energiewet. De Autoriteit Consument en Markt kan bij het toezicht op de naleving
van deze bepaling rekening houden met de omvang van de leverancier of de marktstructuur.
Op grond van het zevende lid (nieuw) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur nadere regels worden gesteld over de afdekkingsstrategie.
E (artikel 2.6 leveringsovereenkomst en leveringsovereenkomst inzake peer-to-peer-handel)
In artikel 2.6, vierde lid, is ter implementatie van artikel 11, tweede lid, aanhef,
van de bij het EMD-pakket gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn, opgenomen in onderdeel
b dat leveranciers een eindafnemer voor het sluiten van een leveringsovereenkomst
voor elektriciteit en gas informeren over de mogelijkheden, kosten en risico’s van
deze contractvorm en dat leveranciers consumenten dienovereenkomstig informeren, onder
meer betreffende de noodzaak om een passende meter, als bedoeld in artikel 2.46, derde
lid van de Energiewet, te laten installeren. Dit artikel is een uitbreiding van het
bestaande artikel 2.9, tweede lid, van de Energiewet, waarin staat dat enkel dynamische
leveranciers een eindafnemer voor het sluiten van een leveringsovereenkomst informeert
over de mogelijkheden, kosten en risico’s van deze contractvorm. Ook bij andere contractvormen
dienen eindafnemers geïnformeerd te worden over de mogelijkheden, kosten en risico’s
van de contractvorm.
Het ligt voor de hand dat deze informatieplicht door leveranciers ingevuld wordt door
voorafgaand aan het sluiten van de leveringsovereenkomst een informatieblad te verstrekken
met daarop eenduidige informatie. Hierbij kan meer specifiek gedacht worden aan informatie
over de algemene werking van verschillende contractvormen, informatie betreft de kansen
en risico’s met betrekking tot de hoogte van de energiefactuur en voortijdige beëindiging
van een leveringsovereenkomst met vaste tarieven waarbij een opzegvergoeding verschuldigd
kan zijn. Bij leveringsovereenkomsten met variabele tarieven, waaronder dynamische
tarieven, bestaat bijvoorbeeld minder zekerheid over de hoogte van de energiefactuur
dan bij een leveringsovereenkomst met vaste tarieven. Gezien de prijsonzekerheid bij
een dynamische leveringsovereenkomst het grootst is, kan specifiek bij deze contractvorm
gedacht worden aan het adviseren over een buffer om onverwachte prijsstijgingen op
te vangen.61
Met onderhavige wijziging wordt het bestaande vierde lid ten behoeve van de leesbaarheid
in twee onderdelen opgesplitst. De aanhef en onderdeel a zijn gelijkluidend met het
huidige vierde lid. Onderdeel b is nieuw.
Artikel 5.1, tweede lid, onderdeel a, van de Energiewet biedt een grondslag voor de
ACM om ontwikkelingen voor wat betreft verschillende overeenkomsten te monitoren en
vormt hiermee de implementatie van artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van de gewijzigde
Elektriciteitsrichtlijn. Dit wordt uitgewerkt in het Energiebesluit. Deze monitorverplichting
geldt al voor overeenkomsten op basis van een dynamische elektriciteitsprijs, en wordt
naar aanleiding van de wijziging van de Elektriciteitsrichtlijn uitgebreid.
F (artikel 2.9 dynamische elektriciteitsprijs)
Het tweede lid van artikel 2.9 vervalt, omdat de informatieverplichting nu generiek
is geregeld voor verschillende soorten overeenkomsten voor de levering van elektriciteit
(met inbegrip van overeenkomsten met een dynamische elektriciteitsprijs) in artikel
2.6. Zie voor een uitgebreidere toelichting hierop de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 2.6.
G en H (afdeling 2.2)
De artikelen over energiedelen worden ondergebracht in een nieuwe afdeling 2.3a. Daartoe
wordt het opschrift van afdeling 2.2 aangepast en vervalt paragraaf 2.2.6.
I (artikel 2.34 aggregatieovereenkomsten)
Artikel 2.34 ziet op aggregatieovereenkomsten. In dit artikel wordt een verwijzing
in het zesde lid aangepast in verband met de vernummering in artikel 2.5.
J, O en AA (artikel 2.41 vraagrespons en verrekening, artikel 3.49 balanceren elektriciteit
en afhandelen vraagrespons en artikel 5.5 geschilbeslechting vraagrespons)
In de artikelen 2.41, 3.49 en 5.5 liepen de begrippen marktdeelnemer en balanceringsverantwoordelijke
door elkaar en werden deze niet altijd juist gebruikt. In de artikelen wordt onder
meer verduidelijkt dat het gaat om de marktdeelnemer die actief is op het allocatiepunt,
in plaats van de door de marktdeelnemer gecontracteerde balanceringsverantwoordelijke.
Daarnaast hangen de aanpassingen samen met de gewijzigde begripsomschrijvingen van
energiehandelsmarkt en vraagrespons in artikel 1.1. De wijzigingen betreffen een technische
correctie en verduidelijking.
K (Afdeling 2.3a ENERGIEDELEN)
Met voorgestelde wijziging wordt een nieuwe afdeling ingevoegd over energiedelen,
na de afdelingen over de verschillende diensten zoals leveren en terugleveren.
Artikel 2.41a energiedelen
In dit artikel is het recht op energiedelen neergelegd. Dit artikel strekt ter implementatie
van het bij het EMD nieuw ingevoegde artikel 15 bis van de Elektriciteitsrichtlijn.
Met het voorgestelde eerste lid is het recht op energiedelen niet langer beperkt tot
het delen van energie bij een leverancier die dit aanbiedt, maar kan energie worden
gedeeld met vrije leverancierskeuze. Daartoe vervallen met deze wijziging de vereisten
dat wordt gedeeld bij een leverancier die dit aanbiedt en dat zowel de energiegever
als de energie-ontvanger een overeenkomst bij dezelfde leverancier hebben (uit het
oude artikel 2.30, eerste lid, onderdelen a en b). De eis over het beschikken over
een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit wordt gebruikt blijft bestaan,
maar wordt verplaatst naar artikel 2.2. Ook de eis ten aanzien van het delen binnen
de onbalansverrekeningsperiode blijft bestaan, maar wordt verplaatst naar het Energiebesluit.
In artikel 15 bis, eerste lid, van de Elektriciteitsrichtlijn is energiedelen beperkt
tot de biedzone. Nederland bestaat momenteel uit één biedzone, dit betekent dat energiedelen
binnen heel Nederland mogelijk wordt, tenzij op grond van het achtste lid energiedelen
lokaal beperkt wordt.
Het tweede lid regelt dat een onderneming die groter is dan een middelgrote onderneming
en die is aangesloten op het systeem van een distributiesysteembeheerder het recht
heeft om energie te delen als aan bepaalde aanvullende voorwaarden wordt voldaan.
Het gaat dan concreet om een eindafnemer die een onderneming is met 250 of meer werknemers
en een jaaromzet van meer dan € 50 miljoen of een jaarlijks balanstotaal van meer
dan € 43 miljoen. De eerste aanvullende voorwaarde is dat (de som van) de productie-installatie(s)
op deze locatie een maximale capaciteit van 6 MW heeft. De tweede aanvullende voorwaarde
schrijft voor dat alleen binnen een lokaal of beperkt geografisch gebied gedeeld mag
worden. Er is een delegatiegrondslag opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur een lokaal of beperkt geografisch gebied aan te wijzen. Dit lid strekt
ter implementatie van artikel 15 bis, vijfde lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn.
Het derde lid bepaalt dat actieve afnemers energiedelen op basis van een overeenkomst
inzake energiedelen of een bindend besluit van een energiegemeenschap. Ter implementatie
van artikel 15 bis, vierde lid, onderdeel e, is in het vierde lid geregeld dat in
de overeenkomst of het bindende besluit van een energiegemeenschap moet staan dat
een instantie voor buitengerechtelijke geschilbeslechting bevoegd is kennis te nemen
van een geschil over de overeenkomst.
Op grond van lid vijf stelt de ACM een voorbeeldovereenkomst ter beschikking, bijvoorbeeld
op de website van de ACM, waar actieve afnemers gebruik van kunnen maken.
Het zesde lid voorziet in een inspanningsverplichting voor overheidsinstanties om,
wanneer een overheidsinstantie energie deelt, na te streven om gemiddeld ten minste
tien procent van de gedeelde energie toegankelijk te maken voor kwetsbare of energiearme
afnemers. In de Elektriciteitsrichtlijn wordt geen begripsomschrijving gegeven van
het begrip «overheidsinstantie». In de Richtlijn (EU) 2023/1971 van het Europees Parlement
en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging
van Verordening (EU) 2023/955 wordt onder overheidsinstantie verstaan: «nationale, regionale of lokale autoriteiten en entiteiten die rechtstreeks door die
autoriteiten worden gefinancierd en beheerd, maar die niet van industriële of commerciële
aard zijn».
In het zevende lid is een delegatiegrondslag opgenomen om bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de voorwaarden waaronder energiedelen
kan plaatsvinden. Daaronder valt onder meer het beperken van het geografisch gebied
waarbinnen energie gedeeld kan worden en informatieverstrekking aan de energie-ontvanger.
Artikel 2.41b faciliteren van energiedelen
Dit artikel ziet op het faciliteren van energiedelen. Een leverancier faciliteert
een eindafnemer met wie hij een leveringsovereenkomst heeft gesloten bij het energiedelen
op basis van de leveringsovereenkomst (eerste lid). Een marktdeelnemer faciliteert
energiedelen ten behoeve van een actieve afnemer met wie hij een terugleveringsovereenkomst
heeft gesloten, en die zelfopgewekte elektriciteit wil delen, op basis van die terugleveringsovereenkomst
(lid 2). Het delen van energie moet in ieder geval worden gefaciliteerd op een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze (lid 3). Bij algemene maatregel van
bestuur zal de wijze van verdeling worden uitgewerkt. Zoals nader toegelicht in het
algemeen deel van de toelichting, bestaat het voornemen om dit uit te werken in de
vorm van een vaste verdeelsleutel. Het faciliteren vormt onderdeel van die leveringsovereenkomst
respectievelijk terugleveringsovereenkomst. Dit betekent dat al hetgeen bij of krachtens
de wet is bepaald over de leveringsovereenkomst respectievelijk terugleveringsovereenkomst
ook van toepassing is op de voorwaarden voor het faciliteren van energiedelen. Hieruit
volgt onder meer dat de kosten die een leverancier of andere marktdeelnemer in rekening
kan brengen voor het faciliteren van energiedelen transparant en redelijk moeten zijn
(artikel 2.5, eerste lid, en 2.34, zesde lid).
Leveranciers en andere marktdeelnemers zijn verplicht om energiedelen te faciliteren
volgens een in lagere regelgeving te bepalen wijze, maar mogen ook andere vormen van
energiedelen aanbieden (lid 3). Dit ligt met name voor de hand wanneer zowel de energiegever
en de energie-ontvanger een overeenkomst hebben met dezelfde marktdeelnemer (leverancier).
In dat geval zijn alle relevante gegevens al beschikbaar bij de marktdeelnemer en
maakt het voor de totale portefeuille van de leverancier niet uit hoeveel elektriciteit
er wordt gedeeld. De wet laat ook ruimte om energie te delen indien de energiegever
en de energie-ontvanger een overeenkomst hebben met andere marktdeelnemers, maar het
ligt minder voor de hand dat hier gebruik van wordt gemaakt omdat dit niet wordt gefaciliteerd
door de systeembeheerder.
In lid 4 is geregeld dat indien een energie-ontvanger in een onbalansverrekeningsperiode
minder elektriciteit verbruikt dan is gedeeld door de energiegever, het restant wordt
aangemerkt als aan de leverancier teruggeleverde elektriciteit. Of dit lid toepassing
vindt is afhankelijk van welke verdeling wordt uitgewerkt bij algemene maatregel van
bestuur. Ter illustratie, indien er wordt gekozen voor een uitwerking in de vorm van
het delen van een vast percentage van de invoeding van elektriciteit is dit lid relevant,
omdat dan mogelijk meer wordt gedeeld dan de energie-ontvanger verbruikt. Bij andere
wijzen van verdeling kan het voorkomen dat dit lid niet relevant is en geen toepassing
vindt, bijvoorbeeld wanneer er niet meer wordt gedeeld dan de energie-ontvanger verbruikt.
Voorts is in lid 5 geregeld dat bepaalde artikelen niet van toepassing zijn indien
zowel de energie-ontvanger als de energiegever een overeenkomst hebben met dezelfde
marktdeelnemer. In dat geval is het namelijk niet nodig dat de overeenkomst bij de
distributie- of transmissiesysteembeheerder wordt geregistreerd (2.41d) en dat de
distributie- of transmissiesysteembeheerder gegevens verstrekt (3.63a) omdat de leverancier
zelf al over alle relevante gegevens beschikt.
Het zesde lid voorziet in een informatieverplichting. Een leverancier of andere marktdeelnemer
moet de energie-ontvanger of energiegever informeren over de voorwaarden voor het
faciliteren, met inbegrip van de kosten, zodat hij op basis van deze informatie nog
kan beslissen om af te zien van de overeenkomst inzake energiedelen op basis van het
recht op ontbinding uit het zevende lid.
Artikel 2.41c voorwaarden actieve afnemers
Dit artikel strekt ter implementatie van de bij het EMD nieuw ingevoegde artikel 15
bis, vierde lid, onderdelen b en c, van de Elektriciteitsrichtlijn. In artikel 15
bis, vierde lid, onderdeel b is voorgeschreven dat actieve afnemers die deelnemen
aan energiedelen alle consumentenrechten genieten als eindafnemers op grond van de
Elektriciteitsrichtlijn. In artikel 15 bis, vierde lid, onderdeel c is voorgeschreven
dat actieve afnemers die energiedelen niet verplicht zijn om te voldoen aan de verplichtingen
van leveranciers indien hernieuwbare energie wordt gedeeld tussen huishoudens met
een geïnstalleerde capaciteit tot 10,8 kW voor huishoudens en tot 50kW voor appartementsgebouwen.
Artikel 15bis, vierde lid, biedt de mogelijkheid om deze drempels te verhogen naar
maximaal 30kW voor huishoudens en maximaal 100kW voor appartementsgebouwen. In het
wetsvoorstel is ervoor gekozen om gedeeltelijk van deze mogelijkheid gebruik te maken.
Het voorstel is aan te sluiten bij de doorlaatwaarde van de aansluiting. De meeste
huishoudens hebben een 3x25 Ampère aansluiting, waarmee het mogelijk is om 17kW af
te nemen of in te voeden. Voor appartementsgebouwen is gekozen voor de grens van klein-
naar grootverbruik; 3x80 Ampère te hanteren. 3x80 Ampère komt overeen met een afname
of invoeding van ongeveer 55kW. Ook is ervoor gekozen om de drempels voor consumentenbescherming
voor appartementsgebouwen van toepassing te verklaren op energiegemeenschappen.
Derhalve zijn, afhankelijk van de geïnstalleerde capaciteit van de invoedende actieve
afnemer (energiegever), bepaalde consumentenrechten in de Energiewet die voortvloeien
uit de Elektriciteitsrichtlijn van overeenkomstige toepassing verklaard. Het gaat
onder meer om de eisen aan de overeenkomst in artikel 2.6 van de Energiewet die strekken
ter implementatie van artikel 10 van de Elektriciteitsrichtlijn en de eisen aan het
factureren en het informeren van afnemers in artikel 2.7 van de Energiewet die strekken
ter implementatie van artikel 18, eerste lid, en bijlage I bij de Elektriciteitsrichtlijn.
Artikel 2.41d contactpersoon en organisator van energiedelen
In het eerste lid is geregeld dat bij het delen van energie een contactpersoon wordt
aangewezen die de overeenkomst inzake energiedelen registreert bij het contactpunt
van de transmissie-of distributiesysteembeheerder van de energiegever. Ingeval van
een gesloten systeem registreert de contactpersoon de overeenkomst bij de beheerder
van een gesloten systeem. De contactpersoon kan een van de delende partijen zijn.
De contactpersoon moet beschikken over toestemming van de andere actieve afnemer.
Ook een organisator van energiedelen of een energiegemeenschap kan de rol van contactpersoon
vervullen.
Het tweede en het derde lid dienen ter implementatie van de bij het EMD nieuw ingevoegde
artikel 15 bis, derde lid, van de Elektriciteitsrichtlijn. Actieve afnemers kunnen
ervoor kiezen een organisator van energiedelen aan te wijzen om het energiedelen te
organiseren. In het vierde lid is een delegatiegrondslag opgenomen om nadere regels
te kunnen stellen over het faciliteren van energiedelen.
L (artikel 2.66 strafbaarstelling verordening 1227/2011)
De voorgestelde wijziging van artikel 2.66 van de Energiewet betreft implementatie
van artikel 13, eerste lid, in combinatie met artikel 13, tweede lid, onderdelen f
en g, van de gewijzigde REMIT. Het betreft een uitbreiding van de artikelen van de
gewijzigde REMIT waarvan overtreding strafbaar worden gesteld onder de Wet economische
delicten (WED). De handhaving van REMIT kent een duaal stelsel: handhaving kan zowel
bestuursrechtelijk als strafrechtelijk gebeuren. Bij de implementatie van REMIT in
2013 is hiervoor gekozen om artikel 13, tweede lid, onderdelen f en g, van REMIT te
implementeren. Op grond van deze bepaling moeten de NRI’s over bepaalde onderzoeks-
en handhavingsbevoegdheden beschikken. Tijdens de uitvoering van de oorspronkelijke
REMIT is besloten dat de bevoegdheid om een rechter te vragen om vermogensbestanddelen
te bevriezen of in beslag te nemen (onderdeel f) en een rechterlijke of bevoegde instantie
te verzoeken een tijdelijk verbod op beroepsuitoefening op te leggen (onderdeel g) beter passen in de strafrechtelijke context.62 Bestuursrechtelijke handhaving blijft wel het uitgangspunt.
De bevoegdheden die een NRI op grond van artikel 13, tweede lid, van REMIT moet kunnen
uitoefenen golden vóór de gewijzigde REMIT al voor de overtredingen van de artikelen
3, 4 en 5 van REMIT. Overtredingen van artikelen 3, 4 en 5 van REMIT waren op grond
van 66h van de Gaswet, hetgeen is overgenomen in artikel 2.66 van de Energiewet, al
strafbaar. Door uitbreiding van artikel 13, eerste lid, in de gewijzigde REMIT moeten
de onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden waarover een NRI moet kunnen beschikken
ook gelden voor overtreding van de artikelen 7 quater, 8, 9 en 15 van REMIT. Daarom
wordt voorgesteld om de strafbaarstelling in artikel 2.66 van de Energiewet uit te
breiden met de artikelen 7 quater, 8, 9 en 15 van REMIT. Zo kan ook voor overtreding
van deze bepalingen via de strafrechtelijke weg een rechter gevraagd worden om vermogensbestanddelen
te bevriezen of in beslag te nemen en een rechtelijke en bevoegde instantie verzocht
worden een tijdelijk verbod op beroepsuitoefening op te leggen. In het voorgestelde
tweede lid wordt een onderscheid gemaakt tussen misdrijven en overtredingen. Zodoende
wordt bij de handhaving en strafbaarstelling rekening gehouden met het in artikel
13, eerste lid, van de gewijzigde REMIT gemaakte onderscheid tussen verboden (artikelen
3 en 5) en verplichtingen (artikelen 4, 7 quater, 8, 9 en 15). Voor wat betreft artikel
4 REMIT is dit is een wijziging ten opzichte van de huidige kwalificatie in artikel
2.66, tweede lid, van de Energiewet.
M, N en Q (artikel 3.38 aansluiten elektriciteit, artikel 3.46 transporteren elektriciteit
en artikel 3.77 beschermen en verstrekken van informatie)
Informatieverplichting
De voorgestelde wijziging van artikel 3.38, derde lid, van de Energiewet (onderdeel
L) strekt tezamen met de voorgestelde wijziging van artikel 3.77 van de Energiewet
(onderdeel O) tot implementatie van artikel 31, derde lid, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn.
De informatieverplichtingen die ingevolge het nieuwe artikel 50, vierde lid, bis van
de herziene Elektriciteitsverordening gelden voor de transmissiesysteembeheerder voor
elektriciteit worden hiermee van overeenkomstige toepassing verklaard op de distributiesysteembeheerders
voor elektriciteit. Hiermee wordt het proces van inzichtverschaffing in de situatie
op de distributiesystemen geformaliseerd. In Nederland werken de transmissie- en distributiesysteembeheerders
al enige tijd gezamenlijk aan het transparant maken van de situatie op hun systemen;
sinds het tweede kwartaal van 2024 middels het dashboard «Stand van uitvoering» en
sinds twee jaar middels de capaciteitskaart. Het dashboard en de capaciteitskaart
worden nog met meer inzichten uitgebreid. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden
aan tonen van concreet handelingsperspectief als de momenten van waarop nog wel ruimte
op het transmissie- of distributiesysteem beschikbaar is en welke contractvorm en
transportrechten daarbij aansluiten. Het is wenselijk dat aangeslotenen die last ondervinden
van netcongestie op deze wijze zelf hun perspectief kunnen bepalen. De informatie
op de capaciteitskaart kent een maandelijks update, het dashboard wordt elk half jaar
geactualiseerd. Een kortere actualisatiecyclus is niet logisch omdat de ontwikkelingen
ten aanzien van bijvoorbeeld gerealiseerde systeemuitbreidingen niet dermate snel
gaan.
Flexibele aansluitovereenkomst
De voorgestelde wijziging in artikel 3.38, vijfde lid, onderdeel c, en artikel 3.46,
derde lid, onderdeel b, van de Energiewet betreft implementatie van artikel 6 bis
van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn. Dit biedt transmissie- en distributiesysteembeheerders
voor elektriciteit de mogelijkheid om in een situatie van structurele congestie waarin
verzoeken tot (meer) transportcapaciteit niet kunnen worden geaccommodeerd, als alternatief
een aansluit- en transportovereenkomst aan te bieden, waarbij echter niet de volledige
verzochte vaste transportcapaciteit wordt aangeboden en waarbij de transportcapaciteit
op de aansluiting fysiek kan worden geregeld of beperkt middels een achter het overdrachtspunt
geïnstalleerd stroombeheersingssysteem (flexibele aansluitovereenkomst). Indien nodig
kan via het stroombeheersingssysteem de hoeveelheid elektriciteit die door de aangeslotene
via de aansluiting op het transmissie- of distributiesysteem kan worden ingevoed of
daarvan kan worden afgenomen tijdelijk worden geregeld of beperkt waardoor overschrijding
van de gecontracteerde transportcapaciteit wordt voorkomen. Het aanbieden van een
dergelijke aansluiting met flexibele aansluitovereenkomst kan een alternatief zijn
om toch een aansluiting te verkrijgen indien en voor zover de op het systeem op bepaalde
momenten wel beschikbare transportcapaciteit dit toelaat. De wijze waarop de transmissie-
en distributiesysteembeheerders voor elektriciteit dit technisch implementeren en
de voorwaarden voor certificering van het stroombeheersingssysteem worden verder uitgewerkt
in de methoden en voorwaarden, die de ACM moet goedkeuren.
Verder worden voor de bij een dergelijke aansluiting behorende transportovereenkomst
enkele aanvullende eisen gesteld. Deze aanvullende eisen zijn opgenomen in het voorgestelde
nieuwe onderdeel b van artikel 3.46. Het is aan de transmissie- en distributiesysteembeheerders
in overeenstemming met de ACM om de bijhorende voorwaarden vorm te geven, rekening
houdend met de technische omgeving, de netcongestiesituatie in het betreffende gebied
en de maatregelen, waaronder uitbreidingsinvesteringen, die de transmissie- of distributiesysteembeheerder
voor elektriciteit neemt om die situatie op te lossen. Ook dit gebeurt in methoden
en voorwaarden van de transmissie- en distributiesysteembeheerders die door de ACM
moeten zijn goedgekeurd (zie artikel 3.119 van de Energiewet). De maatregelen die
de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit neemt om de situatie
van netcongestie op te lossen volgen uit het investeringsplan (zie artikelen 3.34
tot en met 3.36 van de Energiewet). Dit kunnen zowel uitbreidings- of vervangingsinvesteringen
zijn als ook congestie- of systeembeheersdiensten die de transmissie- of distributiesysteembeheerder
inkoopt ter voorkoming van uitbreidingsinvesteringen (zie artikel 3.34, tweede lid,
van de Energiewet). De investeringsplannen moeten ter toetsing aan de ACM worden voorgelegd
voordat zij kunnen worden vastgesteld (zie artikel 3.35, derde tot en met zesde lid).
Indien de maatregelen bestaan uit de inkoop van congestie- of systeembeheersdiensten
die in het investeringsplan van de transmissie- of distributiesysteembeheerder zijn
opgenomen, kan worden aangenomen dat de ACM ermee instemt dat dit een adequaat alternatief
is voor uitbreidingsinvesteringen in het betreffende gebied en geen reden heeft gezien
om op dat punt wijziging van het investeringsplan te verlangen. In die zin wordt daarmee
dan ook voldaan aan de in artikel 6 bis, eerste lid, onderdelen a en c, van de gewijzigde
Elektriciteitsrichtlijn genoemde vereisten dat flexibele aansluitovereenkomsten de
versterking van het transmissie- of distributiesysteem in het congestiegebied niet
vertragen en flexibele aansluitovereenkomsten alleen als permanente oplossing mogelijk
is indien de nationale regulerende instantie van mening is dat uitbreidingsinvesteringen
in het betreffende gebied niet de meest efficiënte oplossing is.
In Nederland kennen we op dit moment verschillende alternatieve transportrechten,
zoals de zogenoemde non-firm ATO en het tijdsblokgebonden transportrecht: een aansluit- en transportovereenkomst
(ATO) die niet op elke moment van de dag recht geeft op transportcapaciteit. Contractuele
beperkingen in het transportdeel van de ATO zorgen dat op piekmomenten het elektriciteitssysteem
niet verder wordt belast. In de ATO kunnen sancties worden opgenomen voor het geval
de aangeslotene toch meer dan de gecontracteerde transportcapaciteit gebruikt. De
nieuwe flexibele aansluitovereenkomst bevat voor nieuwe transportverzoeken bij een
aansluiting in gebieden met structurele congestie naast een contractuele beperking
in het transportdeel van de ATO ook afspraken omtrent een (fysieke) beperking in het
aansluitdeel van de ATO.
De flexibele aansluitovereenkomst ziet op situaties van verzoeken om een (nieuwe)
aansluiting en daarbij behorende transportcapaciteit op het transmissie- of distributiesysteem
voor elektriciteit waarvoor onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is. Deze variant
ATO bestaat naast de reeds bestaande alternatieve transportrechten. Het overschrijden
van de afgesproken transportcapaciteit of transportrecht, dat een risico is bij de
bestaande overeenkomsten met alternatieve transportrechten, wordt met de flexibele
aansluitovereenkomst voorkomen doordat er ook een stroombeheersingssysteem wordt geïnstalleerd
op de aansluiting.
Het voorgestelde artikel 3.38, vijfde lid, onderdeel e, van de Energiewet betreft
implementatie van artikel 31, derde lid, bis, van de gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn
en gaat over het aanvraagproces voor een nieuwe aansluiting: een aanvraag moet digitaal
kunnen worden ingediend. In Nederland is dit al mogelijk, waarmee deze aanpassing
van de Energiewet geen materiële gevolgen heeft voor de processen bij transmissie-
en distributiesysteembeheerders.
P en S (artikel 3.63a registratie, beheer en uitwisseling van gegevens energiedelen
en artikel 3.104 overeenkomstige toepassing beheerder gesloten systeem)
Artikel 3.63a beschrijft de taken van de transmissie- of distributiesysteembeheerder
voor elektriciteit bij energiedelen en strekt ter implementatie van de bij het EMD
nieuw ingevoegde artikel 15 bis, zesde lid, van de Elektriciteitsrichtlijn.
Zo toetst en registreert een transmissie- of distributiesysteembeheerder een overeenkomst
inzake energiedelen (tweede lid). De toetsing is beperkt tot een controle, bijvoorbeeld
of de machtiging is bijgevoegd en of de energiegever en energie-ontvanger beschikken
over de benodigde slimme meter.
Ingevolge het derde lid worden in lagere regelgeving regels gesteld over onder meer
het verzamelen, valideren, berekenen en verstrekken van gegevens door de transmissie-
of distributiesysteembeheerder. Het voornemen bestaat om dit uit te werken als het
berekenen van hoeveel energie er is gedeeld en het verstrekken van deze gegevens aan
de relevante partijen voor de uitvoering van het delen van energie. Gegevens over
gedeelde energie zijn ook relevant voor de balancering van het systeem, waarvoor de
transmissiesysteembeheerders en balanceringsverantwoordelijke partijen gedeeld verantwoordelijk
zijn. Transmissie- of distributiesysteembeheerders voor elektriciteit vervullen op
grond van artikel 3.49, eerste en tweede lid, een belangrijke rol in de administratieve
afhandeling van de balancering (ook wel aangeduid als allocatie). Voor energiedelen
is het voornemen daarom om in lagere regelgeving uit te werken dat de transmissiesysteembeheerder
de gegevens over gedeelde energie per onbalansverrekeningsperiode gebruikt voor de
financiële verrekening van de balancering van het systeem, zodat de gedeelde volumes
toegewezen worden aan de betrokken balanceringsverantwoordelijken per onbalansverrekeningsperiode.
Daarnaast voorziet de transmissie- of distributiesysteembeheerder voor elektriciteit
in een contactpunt ten behoeve van energiedelen (eerste lid). In het derde lid is
een delegatiegrondslag opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
eisen te stellen aan het contactpunt. Het voornemen bestaat om hiermee de eisen in
de bij het EMD nieuw ingevoegde artikel 15 bis, zesde lid, onderdeel b, van de Elektriciteitsrichtlijn
uit te werken.
In artikel 3.104 is neergelegd welke wettelijke taken en verplichtingen van overeenkomstige
toepassing zijn op beheerders van gesloten systemen. Door artikel 3.63a op te nemen
in de opsomming in artikel 3.104, eerste lid, worden de verplichtingen uit dat artikel
ten aanzien van het faciliteren van energiedelen van overeenkomstige toepassing verklaard
op beheerders van gesloten systemen.
R (artikel 3.100 onderhandelde toegang)
In artikel 3.100 worden twee verwijzingen gecorrigeerd.
T (artikel 3.107 uitgangspunten en tariefstructuren)
In artikel 3.107 is een wetstechnische correctie doorgevoerd, namelijk het nader specificeren
van een verwijzing in het eerste lid.
U (artikel 3.112 tarieven voor maatwerk)
Aan artikel 3.112 wordt toegevoegd dat de ACM bij de goedkeuring van maatwerktarieven
ook het bepaalde bij of krachtens de elektriciteits- of gasverordening inzake tarieven
in acht neemt. Deze verwijzing heeft geen inhoudelijke gevolgen, omdat de verordeningen
rechtstreeks werken, maar betreft een verduidelijking.
V (artikel 3.119 toepassen methoden of voorwaarden transmissie- en distributiesysteembeheerders)
Aan artikel 3.119, eerste lid, wordt toegevoegd dat ook bij de inrichting van een
capaciteitsmechanisme of de uitvoering daarvan, methoden of voorwaarden moeten worden
toegepast die vooraf zijn goedgekeurd door de ACM. Dit in verband met het feit dat
een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit ingevolge artikel 5.12 – dat met
dit wetsvoorstel wordt aangepast (zie artikel I onderdeel BB) – de taak opgelegd kan
krijgen om een capaciteitsmechanisme in te richten en daar uitvoering aan te geven.
W (artikel 4.5 register transmissie- of distributiesysteembeheerder)
Op grond van artikel 4.5 houdt de transmissie- of distributiesysteembeheerder een
register bij waarin hij gegevens opneemt die hij op grond van het bepaalde bij of
krachtens de Energiewet ontvangt en bewerkt over onder andere actieve afnemers. Aan
de opsomming in het tweede lid, waarin gegevens zijn opgenomen die de transmissie-
of distributiesysteembeheerder ontvangt en bewerkt, worden overeenkomsten inzake energiedelen
toegevoegd.
X (artikel 4.6 register beheerder gesloten systeem)
Op grond van artikel 4.6 houdt een beheerder van een gesloten systeem een register
bij waarin hij gegevens opneemt die hij op grond van het bepaalde bij of krachtens
de Energiewet ontvangt en bewerkt over onder andere actieve afnemers. Aan de opsomming
in het tweede lid worden overeenkomsten inzake energiedelen toegevoegd. Daarnaast
wordt een technische verbetering doorgevoerd in de verlettering van de onderdelen
van het tweede lid.
Voorts wordt een omissie hersteld in het derde lid. Dit artikellid ziet op een specifieke
beheerder van een gesloten systeem, namelijk de beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur
onder de Spoorwet, ProRail. Net als andere beheerders van een gesloten systeem moet
ProRail ook gegevens kunnen ontvangen van derden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de
melding dat een leverancier op een allocatiepunt actief wordt. In het tweede lid,
onderdeel a, is dit geregeld voor andere beheerders van een gesloten systeem. Dit
was onbedoeld niet opgenomen in het derde lid en wordt hersteld door toevoeging van
een nieuw onderdeel d aan het derde lid. Omdat aangeslotenen op het gesloten systeem
van ProRail niet over een meetinrichting conform de eisen van artikel 2.46, eerste
lid, onderdeel b, van de wet hoeven te beschikken en dus ook geen meetverantwoordelijke
partij is vereist, zijn meetverantwoordelijke partijen niet opgenomen in het nieuwe
onderdeel d (anders dan in het tweede lid, onderdeel a).
Y (artikel 4.8 aanleveren gegevens)
Op grond van artikel 4.8 krijgt een aantal marktdeelnemers de verplichting om gegevens
te verzamelen en aan te leveren bij een registerbeheerder. Het aanleveren van de gegevens
geschiedt door middel van een door de gegevensuitwisselingsentiteit beschikbaar te
stellen faciliteit. Over de frequentie van aanleveren, de termijnen waarbinnen en
de voorwaarden waaronder aangeleverd moet worden, kunnen bij ministeriële regeling
regels worden gesteld.
Met onderhavige wijziging wordt een nieuw achtste lid ingevoegd dat bepaalt dat de
krachtens artikel 2.41d aangewezen contactpersoon verplicht is om gegevens inzake
het energiedelen aan te leveren bij de registerbeheerder, in dit geval de transmissie-
of distributiesysteembeheerder. Het gaat om onder meer gegevens om de actieve afnemers
die energiedelen te identificeren (zoals een EAN-code), de overeenkomst inzake energiedelen
en gegevens over de productie-installatie. Op grond van artikel 4.5 houdt de transmissie-
of distributiesysteembeheerder een register bij waarin hij gegevens opneemt die hij
op grond van het bepaalde bij of krachtens de Energiewet ontvangt en bewerkt over
onder andere actieve afnemers. Het gaat onder meer om de gegevens die de TSB of DSB
aangeleverd krijgen op basis van artikel 4.8. De transmissie- of distributiesysteembeheerder
kan derhalve op basis van artikel 4.5 ook gegevens over energiedelen bewerken.
Artikel 4.9 bevat reeds de grondslag voor gebruik en verstrekking van gegevens door
de transmissie- of distributiesysteembeheerders. Het tweede lid van artikel 4.9 verplicht
de systeembeheerders om (bij ministeriële regeling te bepalen) gegevens die in hun
register zijn opgenomen, te verstrekken aan onder andere leveranciers, marktdeelnemers
die aggregeren of balanceringsverantwoordelijken. In het tweede lid van artikel 4.9
worden doeleinden genoemd voor de verstrekking van gegevens, waaronder het sluiten,
uitvoeren en beëindigen van overeenkomsten (onderdeel a). Hier vallen ook gegevens
onder voor het uitvoeren van de overeenkomst inzake energiedelen, die op basis van
artikel 4.8 worden aangeleverd aan de transmissie- of distributiesysteembeheerder.
De gegevens waar het om gaat zullen bij ministeriële regeling worden bepaald. Het
gaat dan bijvoorbeeld om de geïnstalleerde capaciteit en aard van de productie-installatie
van de energiegever, het deelpercentage en de duur van de overeenkomst.
Z (artikel 5.1 aanwijzen regulerende instantie en taken ACM)
De toevoeging van onderdeel c aan het tweede lid van artikel 5.1 maakt het mogelijk
om aan de ACM taken toe te wijzen bij de uitvoering van een capaciteitsmechanisme.
Op grond van artikel 5.12 kan de Minister aan de transmissiesysteembeheerder voor
elektriciteit opdragen om een capaciteitsmechanisme in te richten en daar uitvoering
aan te geven. Het kan echter nodig of wenselijk blijken om de ACM ook bepaalde taken
toe te kennen bij de uitvoering van zo’n capaciteitsmechanisme. Hierbij kan worden
gedacht aan het beoordelen of een capaciteitsaanbieder voldoet aan de voorwaarden
om in aanmerking te komen voor een uitzondering op een prijsplafond of voorwaarden
om in aanmerking te komen voor een capaciteitsovereenkomst met een langere termijn
dan één leveringstermijn als bedoeld in onderdeel 4.4 en bijlage I, regel 9(b) en
17, van het Staatssteunkader Clean Industrial Deal (Mededeling C/2025/3602 van de
Commissie). Om aan te tonen dat aan dergelijke voorwaarden wordt voldaan kan het noodzakelijk
zijn dat de capaciteitsaanbieder uitgebreide, veelal vertrouwelijke, bedrijfsinformatie
moet verschaffen of uitgebreide investeringsdossiers moet overleggen. Gelet hierop
en de aard en omvang van een beoordeling of aan dergelijke voorwaarden wordt voldaan
alsmede de daarvoor benodigde expertise, kan het nodig en wenselijk zijn om de beoordeling
en controle daarop bij de toezichthouder te beleggen in plaats van bij de transmissiesysteembeheerder
voor elektriciteit. Voor wat betreft het in aanmerking komen voor een uitzondering
op een prijsplafond vereist het staatssteunkader ook uitdrukkelijk een rol voor de
nationale regulerende instantie (zie het Staatssteunkader Clean Industrial Deal (Mededeling
C/2025/3602 van de Commissie), onderdeel 4.4 en bijlage I, regel 9(b)). Met bovengenoemd
artikel 4.4. heeft de Commissie aangegeven in welke gevallen zij steun voor capaciteitsmechanismen,
zoals aangegeven in de artikelen 21 en 22 van de elektriciteitsverordening, in elk
geval als verenigbaar met de interne markt beschouwt volgens het streefmodel als bedoeld
in bijlage I.
BB (artikel 5.12 strategische reserve)
Dit onderdeel wijzigt artikel 5.12 dat de basis vormt voor de invoering van een strategische
reserve als bedoeld in artikel 21 van de Elektriciteitsverordening.
Uit artikel 21 van deze verordening blijkt dat een strategische reserve één van capaciteitsmechanismen
is die door een lidstaat kan worden ingevoerd. Een capaciteitsmechanisme is een maatregel
die kan worden ingevoerd om risico's te verminderen dat de vraag naar elektriciteit
niet kan worden gedekt tijdens situaties met veel vraag en weinig aanbod van elektriciteitsopwekking
uit wind en zon. Alhoewel de (uit de EMD voortvloeiende) wijziging van artikel 21,
eerste lid, van de Elektriciteitsverordening dit niet noodzakelijk maar wel mogelijk
maakt, wordt er mede naar aanleiding hiervan voor gekozen om artikel 5.12 uit te breiden
naar meer vormen van capaciteitsmechanismen. Met deze uitbreiding biedt de Energiewet
een ruimere mogelijkheid om de voorzieningszekerheid te waarborgen.
Inzet van een capaciteitsmechanisme houdt in dat partijen een financiële vergoeding
krijgen voor het beschikbaar hebben van productiecapaciteit, opslag of vermindering
van de vraag (vraagrespons). Het doel van een strategische reserve is om voldoende
capaciteit beschikbaar te hebben voor situaties met weinig aanbod en veel vraag van
elektriciteit, zonder de normale werking van de elektriciteitsmarkt te verstoren.
Een strategische reserve verschilt van andere capaciteitsmechanismen, zoals een marktbreed
capaciteitsmechanisme waar de capaciteit ook in de reguliere markt wordt ingezet en
direct invloed heeft op de prijsvorming. Bij een marktbreed capaciteitsmechanisme
wordt de benodigde capaciteit door middel van een veiling zeker gesteld, zodat deze
capaciteit beschikbaar is op de markt. Het instrument van een strategische reserve
wordt in zijn algemeenheid vooral ingezet om bestaande capaciteit, welke naar verwachting
op termijn uit bedrijf zal worden genomen, te behouden om in te zetten bij daadwerkelijke
tekorten.
In lijn met de huidige formulering van artikel 5.12 is bij de voorgestelde verbreding
gekozen voor een opdracht aan de transmissiesysteembeheerder om een capaciteitsmechanisme
in te richten. Ter verduidelijking is toegevoegd dat dit mede het uitvoering geven
aan het capaciteitsmechanisme kan omvatten. Deze keuze is onder meer ingegeven door
de ervaringen in andere Europese landen die reeds een breder capaciteitsmechanisme
in werking hebben of besluitvorming daarover voorbereiden. Ook inhoudelijk ligt deze
keuze voor de hand gelet op het feit dat de transmissiesysteembeheerder de voor de
inrichting van een capaciteitsmechanisme benodigde informatie beschikbaar heeft of
kan verkrijgen en de taak ook aansluit bij zijn bestaande taken en verantwoordelijkheden.
Bij de inrichting van het Belgische capaciteitsmechanisme treedt de Belgische transmissiesysteembeheerder
voor elektriciteit ELIA bijvoorbeeld op als beheerder van de veiling waarmee de beschikbaarheid
van benodigde capaciteit zeker kan worden gesteld en sluit ELIA de overeenkomsten
met de door middel van de veiling geselecteerde partijen. Genoemde keuze impliceert
dat artikel 5.12 zich vooralsnog niet richt op decentrale vormen van capaciteitsmechanismen
ter zake waarvan het niet voor de hand ligt dat de transmissiesysteembeheerder bij
de invulling daarvan een rol krijgt. Ook andere mogelijke vormen van capaciteitsmechanismen
waarbij de transmissiesysteembeheerder geen rol speelt worden vooralsnog niet mogelijk
gemaakt door deze voorgestelde wijziging van artikel 5.12. Krachtens artikel 5.12,
tweede lid, is in het Energiebesluit nader richting gegeven aan de bij ministeriële
regeling te stellen regels over de inrichting van een strategische reserve. Het Energiebesluit
en de ministeriële regeling zullen worden aangevuld voor andere capaciteitsmechanismen.
CC (artikel 5.13a openbaredienstverplichting)
In het eerste lid is de bevoegdheid voor de Minister van KGG, in overeenstemming met
de Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister of Ministers die het mede
aangaat, opgenomen om in verband met de redenen van nationale veiligheid, waaronder
economische veiligheid, een openbaredienstverplichting op te leggen aan elektriciteits-
of aardgasbedrijven. Deze verplichting wordt opgelegd in de vorm van een bindende
aanwijzing. Dit artikel strekt tot implementatie van artikel 9 van de Elektriciteitsrichtlijn
(Richtlijn (EU) 2019/944) en artikel 6 van de Gasrichtlijn (Richtlijn (EU) 2024/1788).
Voor de toelichting van de aanleiding en het belang van het opnemen van deze bevoegdheid
wordt verwezen naar paragraaf 3.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Op basis van de voorgestelde bevoegdheid kan bij besluit een bindende aanwijzing worden
gegeven aan elektriciteits- of aardgasbedrijven. Met de aanwijzing wordt een openbaredienstverplichting,
oftewel een dienst van algemeen economisch belang opgelegd. Dit is een verplichting
die van overheidswege aan een onderneming wordt opgelegd om bepaalde diensten of goederen
te leveren, zelfs als deze diensten niet rendabel zijn. De verplichting zou ook kunnen
inhouden dat een bestaande dienst in aangepaste vorm of onder voorgeschreven voorwaarden
dient te worden uitgevoerd.
Of de oplegging van de verplichting gepaard moet gaan met een vergoeding van de kosten
(al dan niet met een redelijke winstopslag) kan alleen worden beoordeeld in het concrete
geval. Een eventuele vergoeding is niet in alle gevallen aangewezen. Er hoeft geen
sprake te zijn van kosten, er kan zelfs sprake zijn van een voordeel. Het opleggen
van een openbaredienstverplichting aan een transmissie- of distributiesysteembeheerder
zal betekenen dat deze een wettelijke taak krijgt toebedeeld, waarvan de efficiënte
kosten in beginsel conform de tarievensystematiek op basis van de Energiewet in de
tarieven worden verdisconteerd. Voor de volledigheid zij vermeld dat eventuele vergoeding
van kosten aan de hand van de kaders voor diensten van algemeen economisch belang
moet worden beoordeeld en de kaders voor bijvoorbeeld nadeelcompensatie hier niet
van toepassing zijn. Eventuele vergoeding moet in overeenstemming zijn met de (EU)
staatssteunkaders en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie
inzake diensten van algemeen economisch belang, zoals de criteria zoals geformuleerd
in het arrest van het Hof van Justitie van de EU (Altmark-Trans)63.
Een bindende aanwijzing kan worden opgelegd aan elektriciteits- of aardgasbedrijven.
Volgens genoemde EU-richtlijnen zijn dit bedrijven die zich bezig houden met productie,
transmissie, distributie, levering, aankoop of opslag van elektriciteit of aardgas,
met inbegrip van LNG, en bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de met die functies
verband houdende commerciële, technische of onderhoudswerkzaamheden, met uitzondering
van eindafnemers. Binnen het begrippenkader van de Energiewet vallen deze bedrijven
onder de begrippen systeembeheerder, marktdeelnemer, balanceringsverantwoordelijke
of netgebruiker.
Op grond van de voorgestelde bevoegdheid, kan aan een elektriciteits- of aardgasbedrijf
een verplichting worden opgelegd tot het leveren van een bepaalde prestatie. De formulering
van de concrete prestatie vindt plaats in het aanwijzingsbesluit en hangt af van de
omstandigheden van het geval. Wat de aard van de prestatie betreft valt te denken
aan een prestatie die verband houdt met transport van energie, zoals storingsgevoeligheid
van een systeem of aanleg van bepaalde kritieke infrastructuur of een aansluiting,
of een prestatie in verband met aangepaste productie, levering of opslag van energie.
De prestatie moet in ieder geval betrekking hebben op het verzekeren van voorzieningszekerheid
of leveringszekerheid om redenen van nationale veiligheid, waaronder economische veiligheid.
Voor de identificatie van ondernemingen en organisaties die ter bescherming van de
nationale veiligheid via een openbaredienstverplichting worden verzekerd van elektriciteit
of gas, zal worden gekeken naar sectorale wetgeving op het terrein van nationale veiligheid,
zoals de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames en hoofdstuk 14a
van de Telecommunicatiewet en binnen de reikwijdte van wetsvoorstellen op ditzelfde
terrein, zoals het voorstel voor de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Wet
screening kennisveiligheid, zodra deze in werking zijn getreden.
Artikel 9 van Richtlijn 2019/944 en artikel 6 van Richtlijn 2024/1788 geven lidstaten
de mogelijkheid in het algemeen economisch belang een openbaredienstverplichting op
te stellen. Een definitie van wat een algemeen economisch belang is, is niet voorhanden.
De reikwijdte van het begrip is echter groot. In het 26e protocol bij het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie hebben de lidstaten
met betrekking tot diensten van algemeen economisch belang verduidelijkt dat één van
de gedeelde waarden van diensten van algemeen economisch belang is «de essentiële
rol en de ruime discretionaire bevoegdheid van de nationale, regionale en lokale autoriteiten
om diensten van algemeen economisch belang te verrichten, te doen verrichten en te
organiseren op een manier die zoveel mogelijk in overeenstemming is met de behoeften
van de gebruikers». Hoewel de reikwijdte van het begrip «algemeen economisch belang»
in theorie groot is, is het de nadrukkelijke wens van de regering dat de bevoegdheid
in het voorgestelde artikel 5:13a slechts in bijzondere omstandigheden wordt toegepast.
Derhalve wordt in het voorgestelde artikel bepaald dat de Minister slechts een bindende
aanwijzing kan geven indien dit noodzakelijk is uit oogpunt van de bescherming van
de nationale veiligheid, waaronder economische veiligheid.
In artikel 9 van Richtlijn 2019/944 en artikel 6 van de Richtlijn 2024/1788 worden
nadere eisen gesteld aan de openbaredienstverplichtingen die kunnen worden opgelegd.
In de eerste plaats mag een openbaredienstverplichting het handelsverkeer in de interne
markt niet zozeer worden gehinderd dat het belang van de Europese Unie wordt geschaad
(zie artikel 106, tweede lid VWEU). Daarnaast dienen de openbaredienstverplichtingen
duidelijk te zijn gedefinieerd, transparant te zijn, niet-discriminerend en controleerbaar
te zijn en de gelijke toegang van energiebedrijven van de Unie tot nationale consumenten
te waarborgen. In het besluit met de bindende aanwijzing dient aan bovengenoemde Europese
eisen gevolg gegeven te worden, naast de nationaal gekozen afbakening tot nationale
veiligheid en de toespitsing van de verplichting op leverings- en voorzieningszekerheid.
Uit het besluit, of uit de toelichting daarbij, dient tevens duidelijk te blijken
of de aanwijzing voor een bepaalde tijdsduur wordt opgelegd. Deze duur kan in het
besluit zelf zijn begrensd. In andere gevallen is het in verband met de rechtszekerheid
wenselijk dat het besluit wordt ingetrokken wanneer de aanwijzing eindigt.
Op grond van het vierde lid van artikel 9 van Richtlijn 2019/944 en artikel 6 van
de richtlijn 2024/1788 dienen alle maatregelen waarbij openbaredienstverplichtingen
in het leven geroepen worden, meegedeeld te worden aan de Europese Commissie. Deze
wordt zo in de gelegenheid gesteld om te beoordelen of de richtlijnen juist zijn geïmplementeerd.
Deze melding aan de Europese Commissie wordt verricht zodra op basis van het voorgestelde
artikel 5:13a een bindende aanwijzing is gegeven.
Overeenkomstig het systeem van rechtsbescherming van de Energiewet staat tegen het
besluit met de aanwijzing beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(hierna: CBb) in eerste en enige aanleg. De Minister van KGG oefent het toezicht uit
op de naleving van de bindende aanwijzing (zie de wijziging van onderdeel B). Tegen
besluiten met betrekking tot de handhaving van de bindende aanwijzing staat beroep
open bij de rechtbank van Rotterdam en hoger beroep bij het CBb.64
In het tweede lid van het voorgestelde artikel 5:13a zijn de bepalingen uit de Energiewet
opgenomen waarvan bij de bindende aanwijzing kan worden afgeweken. Tevens kan afgeweken
worden van regels die op grond van deze bepalingen zijn vastgesteld. Het tweede lid
is implementatie van artikel 9, vijfde lid, van richtlijn 2019/944, waarin is opgenomen
dat lidstaten ervoor mogen kiezen de artikelen 6, 7 en 8 van de richtlijn niet toe
te passen. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt derhalve alleen voor elektriciteit. De
genoemde richtlijnartikelen handelen over toegang van derden tot de transmissie- en
distributiesystemen, over directe lijnen en over de bouw van nieuwe productiecapaciteit.
In het tweede lid van het voorgestelde artikel 5:13a zijn de daarvoor relevante bepalingen
uit de Energiewet opgenomen, waarbij het met name gaat om taken of verplichtingen
van transmissie- en distributiesysteembeheerders in verband met aansluiten en transporteren
en de regels rondom tarieven en andere methoden en voorwaarden. In een concreet geval
zou het bijvoorbeeld nodig kunnen zijn om af te wijken van de volgorde van investeringen
als aangekondigd in het investeringsplan van de systeembeheerder. Of er is bijvoorbeeld
een alternatief nodig voor technische eisen ten aanzien van een aansluiting of voor
gestandaardiseerde voorwaarden voor transport als opgenomen in de methoden en voorwaarden
van de systeembeheerders, die op grond van paragraaf 3.6 worden goedgekeurd door de
Autoriteit Consument en Markt.
DD (artikel 5.17 toezicht op naleving door ACM)
De voorgestelde toevoeging van een derde lid aan artikel 5.17 van de Energiewet geeft
uitvoering aan artikel 16 bis, eerste en tweede lid, van de gewijzigde REMIT. Dit
betreft de mogelijkheid voor NRI's om taken en verantwoordelijkheden in het kader
van REMIT te delegeren aan Acer of een andere NRI. Ingevolge artikel 16 bis, tweede
lid, leidt een dergelijke delegatie tot een herverdeling van de in de verordening
vastgestelde bevoegdheden. Het recht waar de gedelegeerde (of delegataris) zich bevindt
is van toepassing op de procedure, de handhaving en de bestuursrechtelijke toetsing
met betrekking tot de gedelegeerde verantwoordelijkheden. De NRI of Acer die taken
of verantwoordelijkheden gedelegeerd krijgt past dus bij de uitvoering daarvan de
onder zijn nationale recht respectievelijk de onder REMIT aan hem toegekende bevoegdheden
toe. Daarbij gelden ook de in dat nationale recht of in REMIT vastgelegde procedurele
waarborgen en rechtsbescherming.
Ingevolge artikel 16 bis, eerste lid, tweede volzin, kunnen lidstaten regelingen vaststellen
waaraan voldaan moet zijn voordat hun NRI’s delegatieovereenkomsten sluiten en kunnen
zij de werkingssfeer beperken tot hetgeen nodig is om effectief toezicht op de marktdeelnemers
of -groepen mogelijk te maken. Middels de voorgestelde toevoeging van een derde lid
aan artikel 5.17 van de Energiewet wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bevoegdheden in het kader van REMIT
de ACM kan overdragen aan een andere NRI of Acer om een effectief toezicht op marktdeelnemers
of marktdeelnemersgroepen mogelijk te maken. In overeenstemming met artikel 6, aanhef
en onderdeel a, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, zal de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inhoudelijk worden betrokken bij het opstellen
van deze algemene maatregel van bestuur. Zie voor een nadere toelichting paragraaf
3.2.2 van het algemeen deel van de toelichting.
EE (artikel 5.17a bijstand ACM aan Acer, 5.17b uitoefening bevoegdheden ACM op verzoek
Acer of nationale regulerende instantie van een andere EU-lidstaat, artikel 5.17c
uitoefening bevoegdheden Acer of nationale regulerende instantie van andere EU-lidstaat
die voorafgaande machtiging rechter-commissaris vereisen)
Artikel 5.17a bijstand ACM aan Acer
Met de voorgestelde toevoeging van artikel 5.17a aan de Energiewet wordt ten eerste
de door artikel 13 bis, zevende en achtste lid, van de gewijzigde REMIT voorgeschreven
bijstand mogelijk gemaakt. Dat betreft de bijstand bij een inspectie van Acer op grond
van artikel 13 bis van gewijzigde REMIT, zo nodig met behulp van de sterke arm. Dit
wordt geregeld in het voorgestelde eerste en tweede lid.
Bij de uitvoering van bijstand aan Acer bij inspecties beschikken de toezichthoudende
ambtenaren op grond van artikel 13 bis, zevende lid, voorlaatste volzin, van de gewijzigde
REMIT over dezelfde bevoegdheden als Acer. Het is daarom niet nodig om nadere bevoegdheden
toe te kennen aan de toezichthoudende ambtenaren van de ACM voor het verlenen van
deze bijstand. De procedurele waarborgen bij uitoefening van onderzoeksbevoegdheden
door Acer zijn geregeld in artikel 13 quinquies van de gewijzigde REMIT. Indien toezichthoudende
ambtenaren van de ACM bijstand verlenen aan Acer zijn zij, aangezien ze daarbij gebruik
maken van dezelfde bevoegdheden als Acer, eveneens gebonden aan de procedurele waarborgen
die Acer bij de uitoefening daarvan in acht moet nemen. In aanvulling daarop worden
de toezichthoudende ambtenaren van de ACM verplicht om tijdens de bijstand een legitimatiebewijs
bij zich te dragen en op verzoek te tonen. Dat regelt de gewijzigde REMIT niet en
is in Nederland wel gebruikelijk voor toezichthouders. Daartoe wordt artikel 5:12
van de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard.
Het voorgestelde artikel 5.17a, eerste en tweede lid, sluit aan bij de vergelijkbare
bepaling in de Mededingingswet (artikel 89b) omtrent bijstand van de ACM bij onderzoeken
van de Commissie in mededingingszaken.
Ten tweede gaat het om bijstand bij een verzoek om informatie van Acer dat moet worden
nagekomen. Dit is een verplichting op grond van artikel 13 ter, vierde lid, van de
gewijzigde REMIT. Hier wordt uitvoering aan gegeven in het voorgestelde derde lid.
Ten derde gaat het om de in de gewijzigde REMIT voorgeschreven bijstand aan Acer bij
het afnemen van een verklaring op grond van artikel 13 quater, tweede lid, van de
gewijzigde REMIT. Hier wordt middels het voorgestelde vierde lid uitvoering aan gegeven.
Voor het verlenen van bijstand aan Acer bij het nakomen van een informatieverplichting
aan Acer of bij afnemen van een verklaring door Acer, kennen artikel 13 ter, vierde
lid, en artikel 13 quater, tweede lid, van de gewijzigde REMIT geen specifieke bevoegdheden
toe aan functionarissen van de NRI. Om die reden gelden ook de procedurele waarborgen
van artikel 13 quinquies van de gewijzigde REMIT niet. Daarom worden in het voorgestelde
artikel 5.17a, vijfde lid, van de Energiewet aan de toezichthoudende ambtenaren van
de ACM de bevoegdheden toegekend die zij op grond van het nationale recht hebben (artikelen
5:15, 5:16 en 5:16a van de Awb) met de waarborgen die bij de uitoefening daarvan in
acht moeten worden genomen (artikelen 5:12, 5:13 en 5:20 van de Awb). Daarbij zullen
zij zich, aangezien het bijstand aan Acer betreft, wel moeten richten naar de bevoegdheden
van Acer uit de gewijzigde REMIT en zal het gebruik van de in het nationale recht
toegekende bevoegdheden passend en proportioneel moeten zijn.
Artikel 5.17b uitoefening bevoegdheden ACM op verzoek Acer of nationale regulerende
instantie van een andere EU-lidstaat
Met het voorgestelde nieuwe artikel 5.17b van de Energiewet wordt uitvoering gegeven
aan de voorgeschreven wederzijdse bijstand tussen NRI’s onderling en tussen NRI’s
en Acer die volgt uit artikel 13 sexies van de gewijzigde REMIT. Zo wordt het bijvoorbeeld
mogelijk dat toezichthoudende ambtenaren van de ACM op verzoek namens een andere NRI
of Acer een inspectie verrichten (eerste lid), een verklaring afnemen (tweede lid)
of inlichtingen verlangen (derde lid). Functionarissen van Acer of van de andere NRI
of door hen aangewezen personen kunnen onder toezicht van de toezichthoudende ambtenaren
van de ACM aanwezig zijn en assistentie verlenen (vierde lid). Tevens wordt met dit
voorgestelde artikel uitvoering gegeven aan de bevoegdheid van NRI’s om taken en verantwoordelijkheden
aan elkaar of aan Acer te delegeren, zoals volgt uit artikel 16 bis, eerste lid, van
de gewijzigde REMIT. Het voorgestelde vijfde lid regelt daartoe dat toezichthoudende
ambtenaren van de ACM de door een andere NRI op grond van artikel 16 bis van de gewijzigde
REMIT aan de ACM gedelegeerde taken of verantwoordelijkheden uitvoeren.
Het voorgestelde zesde lid regelt dat de toezichthoudende ambtenaren van de ACM over
de benodigde bevoegdheden beschikken om de voormelde taken uit te kunnen voeren. Dit
volgt niet reeds uit de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt omdat het hier
geen aan de ACM maar aan de toezichthoudende ambtenaren van de ACM opgedragen taken
betreft. Daartoe wordt aangesloten bij de toezichtbevoegdheden die ambtenaren van
de ACM h op grond van het nationale recht hebben bij de uitoefening van de toezichttaak
van de ACM in de energiesector: de toezichtsbevoegdheden uit titel 5.2 (toezicht op
de naleving) van de Awb en hoofdstuk 3, paragraaf 1, (toezicht) van de Instellingswet
Autoriteit Consument en markt. Bij gebruikmaking van deze bevoegdheden zijn automatisch
ook de in titel 5.2 van de Awb opgenomen procedurele waarborgen van de artikelen 5:12
(legitimatieplicht), 5:13 (evenredigheidseis) en 5:20 (medewerkingsplicht) van toepassing.
Dat geldt niet voor de procedurele waarborgen die zijn opgenomen in titel 5.1 van
de Awb, met name artikel 5:10a, of de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt,
met name artikel 12i. Dit betreft het recht voor personen die worden verhoord om geen
verklaring af te leggen die de persoon zelf of de marktorganisatie voor wie deze werkzaam
is kan belasten. Deze procedurele waarborgen moeten ambtenaren van de ACM ook in acht
nemen bij de uitoefening van hun toezichttaak in de energiesector op grond van het
nationale recht en zijn daarom van overeenkomstige toepassing verklaard. Tot slot
wordt via de van overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 12m, eerste en
derde tot en met vijfde lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt geregeld
dat de ACM een boete of last onder dwangsom kan opleggen indien geen medewerking wordt
verleend aan de toezichthoudende ambtenaren van de ACM.
De door de toezichthoudende ambtenaren van de ACM verkregen gegevens of informatie
kan de ACM op grond van artikel 7 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt
dan wel artikel 5.25 van de Energiewet, en met inachtneming van de daarin geregelde
waarborgen, delen met de betreffende NRI of Acer op wiens verzoek de toezichtbevoegdheden
zijn uitgeoefend.
Artikel 5.17c uitoefening van bevoegdheden Acer of nationale regulerende instantie
van andere EU-lidstaat die voorafgaande machtiging rechter-commissaris vereisen
Met het voorgestelde nieuwe artikel 5.17c van de Energiewet wordt uitvoering gegeven
aan artikel 13 bis, negende en tiende lid, van de gewijzigde REMIT. Dat betreft de
situatie dat een inspectie ter plaatste door Acer of van de ACM namens Acer overeenkomstig
het toepasselijke nationale recht een toestemming van een nationale gerechtelijke
instantie vergt. Op grond van het Nederlandse recht is toestemming van een nationale
gerechtelijke instantie nodig voor een inspectie ter plaatste op grond van artikel
13 bis, vierde lid van de gewijzigde REMIT in daar genoemde particuliere gebouwen
voor zover dit woningen betreft. Het voorgestelde artikel 5.17c van de Energiewet
geeft hieraan uitvoering door te verplichten dat Acer of de ambtenaren van de ACM
die een inspectie namens Acer uitvoeren, vooraf een machtiging vragen aan de rechter-commissaris
belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank Rotterdam indien Acer op
grond van artikel 13 bis, vierde lid, een besluit tot inspectie van een woning (zonder
toestemming van de bewoner) heeft genomen. Dit sluit aan bij de bevoegdheden die de
ACM heeft bij het toezicht op andere overtredingen, in bijvoorbeeld het mededingingsrecht
(zie artikel 89d, eerste lid van de Mededingingswet of artikel 12d, eerste lid, van
de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt). De regeling voor het betreden van
woningen door de ACM en het verzoeken van een machtiging daarvoor in de artikelen
12d, 12e en 12f van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt zijn van overeenkomstige
toepassing. De bevoegdheid tot het betreden van de woning volgt uit artikel 13 bis,
vierde lid, van REMIT en het op grond daarvan genomen besluit van Acer tot inspectie
van de woning.
Voormelde regeling geldt eveneens als een andere NRI verzoekt om namens haar een inspectie
in een woning te verrichten. Die bevoegdheid bestaat op grond van artikel 13, eerste
en tweede lid, in combinatie met artikel 13 sexies of artikel 16 bis van REMIT. Ook
in dat geval moet vooraf een machtiging worden gevraagd aan de rechter-commissaris
belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank Rotterdam.
REMIT schrijft voorts in artikel 13 bis, tiende lid, verplichtend voor wat een nationale
gerechtelijke instantie aan wie een verzoek om toestemming wordt voorgelegd moet nagaan.
Het gaat dan om a) verificatie van de authenticiteit van het besluit van Acer, en
b) de inspectie van de woning evenredig is en niet willekeurig of buitensporig in
verhouding tot het voorwerp van de inspectie. Bij verificatie van de authenticiteit
van het besluit van Acer (onderdeel a)) gaat het om het nagaan van de echtheid van
het besluit in de zin dat dit daadwerkelijk een door Acer genomen besluit betreft.
Het betreft geen controle van de rechtmatigheid of inhoud van het besluit. In het
kader van het nagaan van de evenredigheid van de inspectie in de woning (onderdeel
b)) mag de rechter-commissaris de NRI of Acer om nadere toelichting verzoeken, met
name met betrekking tot de redenen die Acer heeft om aan te nemen dat sprake is van
een inbreuk en met betrekking tot de ernst van de vermoedelijke inbreuk en de aard
van de betrokkenheid van de aan het onderzoek onderworpen persoon. Dit betreft geen
verplichting en het is aan de rechter-commissaris om te bepalen wanneer hij dit aangewezen
acht. Het besluit tot inspectie van Acer kan echter uitsluitend door het EU Hof van
Justitie worden getoetst (zie artikel 13 bis, tiende lid, slotzin, van REMIT).
FF (artikel 5.18 toezicht op naleving Minister)
Met dit artikel wordt het toezicht op de naleving van een openbaredienstverplichting,
opgelegd krachtens voorgesteld artikel 5.13a, bij de Minister van KGG belegd.
GG (artikel 5.21 bestuurlijke boete)
REMIT
Met de voorgestelde wijziging van artikel 5.21, eerste lid, onderdelen a en c, toevoeging
van 5.21, eerste lid, onderdeel h, en toevoeging van artikel 5.21, vijfde tot en met
negende lid, van de Energiewet wordt uitvoering gegeven aan de sanctiecriteria die
opgelegd worden door artikel 18 van de gewijzigde REMIT. Artikel 18, vierde en vijfde
lid, van de gewijzigde REMIT stellen minimale maximumboetes voor de overtredingen
van REMIT. Bij de uitvoering van dit artikel in de Energiewet zijn twee uitgangspunten
gehanteerd. Ten eerste is waar nodig aangesloten bij de minimale maximumboetes uit
REMIT. Ten tweede is het huidige boetestelsel op grond van de Energiewet waar mogelijk gehandhaafd, zodat boetemaxima voor
overtredingen van REMIT niet lager uitvallen dan ze momenteel op basis van de Energiewet
zijn.
Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat waar in het voorgestelde vijfde lid wordt
verwezen naar het inkomen van een overtreder die een natuurlijk persoon is, het gaat
het om het netto inkomen, dat wil zeggen het inkomen van de natuurlijk persoon onder
aftrek van (bedrijfs)kosten en over dat inkomen geheven belastingen en premies. Waar
in het voorgestelde zesde lid wordt verwezen naar de totale omzet van een overtreder
die een rechtspersoon is, gaat het om de netto-omzet, bedoeld in artikel 377, zesde
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat wil zeggen de opbrengst uit levering
van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, onder aftrek van kortingen
en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen.
Tevens wordt met de voorgestelde toevoeging van een negende lid aan artikel 5.21 van
de Energiewet de mogelijkheid gecreëerd voor de ACM om boetes op te leggen wegens
niet nakoming van de verplichting van (rechts)personen om informatie te verstrekken
aan Acer zoals bedoeld in artikel 13 ter, derde lid, van de gewijzigde REMIT. Hier
wordt de bevoegdheid om boetes op te leggen voor niet nakoming van de medewerkingsplicht
zoals opgenomen in de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt van overeenkomstige
toepassing verklaard, omdat deze ook van toepassing is in andere toezichtgebieden
van de ACM. Daarin is ook de maximaal op te leggen boete bepaald, namelijk een boete
van € 900.000 of, indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de marktorganisatie.
Energiedelen
Voorts wordt met de voorgestelde toevoeging aan artikel 5.21, eerste lid, onderdeel
a, subonderdeel 2°, en onderdeel c, subonderdeel 1°, de mogelijkheid om een bestuurlijke
boete op te leggen uitgebreid in verband met de voorgestelde bepalingen inzake energiedelen.
Hierbij is het uitgangspunt gehanteerd dat een bestuurlijke boete wenselijk is voor
het merendeel van de artikelen dat verplichtingen oplegt aan systeembeheerders of
marktdeelnemers. Een bestuurlijke boete wordt in principe niet voorgesteld voor overtreding
van verplichtingen die worden opgelegd aan een afnemer. Uitzondering hierop vormt
artikel 2.41c. Dit artikel ziet op verplichtingen waar een afnemer met een grotere
geïnstalleerde capaciteit aan moet voldoen indien hij energie deelt. Op basis van
artikel 15 bis, vierde lid, onderdeel c, van de bij de EMD gewijzigde Elektriciteitsrichtlijn,
moet in dat geval worden voldaan aan de verplichtingen van leveranciers. De mogelijkheid
tot het opleggen van een bestuurlijke boete is hiermee in lijn gebracht. Waar het
gaat om verplichtingen die belangrijk zijn voor het goed functioneren van de markt,
wordt een zwaardere boete voorgesteld. Voor artikelen die meer de administratieve
of organisatorische verplichtingen betreffen, wordt een lichtere boete voorgesteld.
Capaciteitsmechanisme
Ten slotte wordt met de tussenvoeging van een nieuw subonderdeel 4° in artikel 5.21,
eerste lid, geregeld dat, indien de Minister aan de transmissiesysteembeheerder voor
elektriciteit opdraagt om een capaciteitsmechanisme in te stellen en daarover nadere
regels zijn gesteld, ook een boete kan worden opgelegd voor het niet naleven van deze
opdracht of overtreding van de nadere regels.
HH (artikel 5.21c tenuitvoerlegging dwangsom Acer en artikel 5.21d stuiten vervaltermijn
bij onderzoek Acer)
Artikel 5.21c (tenuitvoerlegging dwangsom Acer)
Met toevoeging van artikel 5.21c aan de Energiewet wordt uitvoering gegeven aan artikel
13 decies, tweede lid, van de gewijzigde REMIT. Het voorgestelde artikel maakt het
mogelijk dat de dwangsommen die Acer oplegt op grond van artikel 13 octies van de
gewijzigde REMIT door de ACM geïnd kunnen worden. Bijvoorbeeld indien de persoon aan
wie deze is opgelegd in Nederland is gevestigd. Op grond van artikel 13 decies, tweede
lid, gewijzigde REMIT, vormen de dwangsommen van Acer een executoriale titel en wordt
de formule van tenuitvoerlegging aan het besluit van Acer toegevoegd zonder enige
andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel door de daartoe
aangewezen nationale instantie. Gelet hierop is de Wet gedwongen tenuitvoerlegging
van uitspraken en beschikkingen ingevolge Verdrag [...] van de Europese Gemeenschappen
voor kolen en staal niet van toepassing. Daarom is aangesloten bij de procedure zoals
die geldt voor het innen door de ACM van boetes van een andere mededingingsautoriteit
op grond van artikel 89gc van de Mededingingswet. Dit houdt in dat, nadat de ACM de
authenticiteit van het besluit heeft vastgesteld, de ACM, met toepassing van afdeling
4.4.4 van de Algemene wet bestuursrecht, de door Acer opgelegde dwangsommen van Acer
int. Bij de vaststelling van de authenticiteit gaat het om verificatie van de echtheid
van het besluit, in die zin dat moet worden nagegaan of het daadwerkelijk een door
Acer genomen besluit betreft. Uit de formulering in artikel 13 decies, tweede lid,
«zonder enige andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel»
volgt dat geen controle op de rechtmatigheid of inhoud van het besluit van Acer mag
plaatsvinden. Ingevolge artikel 13 decies, tweede lid, laatste alinea, kan de tenuitvoerlegging
uitsluitend worden geschorst door het EU Hof van Justitie, maar behoort het toezicht
op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de
rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat.
Artikel 5.21d (stuiten vervaltermijn bij onderzoek Acer)
De voorgestelde toevoeging van artikel 5.21b aan de Energiewet regelt dat de vervaltermijn
voor het beboeten van overtredingen van REMIT waar Acer gelet op artikel 13, vijfde
tot en met achtste lid, van de gewijzigde REMIT onderzoek naar kan doen, wordt gestuit
door onderzoekshandelingen van Acer. Dit om de effectieve handhaving te waarborgen
van overtreding van deze REMIT-bepalingen indien Acer hier onderzoek naar doet en
vervolgens op grond van artikel 13, elfde lid, van de gewijzigde REMIT het onderzoeksverslag
overdraagt aan de ACM voor het nemen van de nodige handhavingsmaatregelen. De ACM
moet na een dergelijke overdracht van een onderzoeksverslag door Acer nog wel bevoegd
zijn om handhavingsmaatregelen te nemen en daar voldoende tijd voor hebben, ook als
de ACM van oordeel is dat aanvullend onderzoek nodig of gewenst is.
Voor de voorgestelde bepaling is aansluiting gezocht bij de bepaling voor stuiting
van de verjaringstermijn uit de Mededingingswet (zie artikel 64), die is gebaseerd
op bepalingen omtrent verjaring in de Europese verordening voor handhaving van het
Europese mededingingsrecht door de Europese Commissie (zie artikel 26 van Verordening
(EU) nr. 1/2003). Aangezien Acer zelf geen handhavingsbevoegdheid heeft ontbreekt
een vergelijkbare bepaling in REMIT. Daarom kent de voorgestelde bepaling ook enkele
afwijkingen. Ten eerste gaat het, zoals hierboven is aangegeven, enkel om situaties
waarin Acer onderzoek doet naar overtredingen op de Nederlandse groothandelsmarkt
voor elektriciteit, gas of waterstofgas, waar de ACM vervolgens kan worden gevraagd
om handhavingsmaatregelen tegen te nemen. Dit is opgenomen in het eerste lid van de
voorgestelde bepaling. Ten tweede wordt de vervaltermijn niet langer gestuit dan tot
het moment van overdracht van een onderzoeksverslag door Acer aan de ACM of het moment
dat Acer oordeelt dat er geen redenen zijn om een dergelijk onderzoeksverslag op te
stellen met betrekking tot een overtreding op een Nederlandse groothandelsmarkt voor
elektriciteit, gas of waterstofgas. Dat is opgenomen in het tweede lid van de voorgestelde
bepaling. Voorgesteld wordt dat de vervaltermijn vanaf dat moment drie jaren bedraagt.
Dit ongeacht de nog resterende vervaltermijn nadat de stuiting is geëindigd. Dit is
geregeld in het derde lid van de voorgestelde bepaling. Afhankelijk van de duur van
het onderzoek door Acer kan de totale vervaltermijn, na aftrek van de periode van
stuiting, daarmee zowel meer als minder dan vijf jaren bedragen. In zoverre is sprake
van een afwijking van artikel 5:45 van de Algemene wet bestuursrecht. De vervaltermijn
kan echter nooit meer bedragen dan tien jaren nadat de betreffende overtreding is
geëindigd, vermeerderd met de periode waarin de vervaltermijn ingevolge artikel 5:45,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt opgeschort. Dit laatste sluit weer
aan bij de regeling in het mededingingsrecht. Ten slotte regelt het vierde lid van
het voorgestelde artikel 5.21b van de Energiewet dat de regeling voor stuiting van
de vervaltermijn eveneens geldt voor het opleggen van een last onder dwangsom door
de ACM waarvoor artikel 12r, derde lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument
en Markt bepaalt dat de vervaltermijn vijf jaren bedraagt. Ook dit sluit aan bij de
regeling in de Mededingingswet.
II (artikel 5.25 verstrekken gegevens aan Acer)
Met de voorgestelde wijziging van artikel 5.25, eerste lid, van de Energiewet wordt
het mogelijk gemaakt dat de ACM, naast met Acer, ook gegevens kan delen met ESMA en
Eurofisc. Het gaat specifiek om gegevens, bedoeld in artikel 1, derde lid, (ESMA)
en artikel 16, derde lid, onderdeel e, (Eurofisc) van de gewijzigde REMIT.
Artikel II
Met dit artikel wordt de Wet belastingen op milieugrondslag gewijzigd.
A (artikel 47 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
Artikel 47 van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) bevat enkele begripsbepalingen
die relevant zijn voor de energiebelasting. In onderhavig wetsvoorstel wordt in artikel
47, eerste lid, onderdeel f, Wbm een verduidelijking aangebracht. Tot op heden wordt
gesproken van leveringspunten. Voorgesteld wordt voortaan aan te sluiten bij de terminologie
uit de Energiewet. Daarom wordt opgenomen dat aan de aansluiting een of meer allocatiepunten
kunnen zijn toegekend. Een allocatiepunt is in de Energiewet gedefinieerd als: administratief
punt waar invoeding, onttrekking of verbruik van elektriciteit of gas wordt toegerekend
aan een marktdeelnemer. Allocatiepunten zijn virtuele punten waar de allocatie van
elektriciteit plaatsvindt. Met deze verandering in terminologie wordt geen inhoudelijke
wijziging beoogd.
Voorts worden in artikel 47, eerste lid, Wbm in de nieuw toe te voegen onderdelen
ad tot en met ah begrippen opgenomen die noodzakelijk zijn voor het implementeren
van energiedelen in de energiebelasting. Het betreft de begrippen energiedelen, actieve
afnemer, onbalansverrekeningsperiode, allocatiepunt en gecontracteerd allocatiepunt.
B (artikel 50 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In artikel 50 Wbm zijn de belastbare feiten in de energiebelasting opgenomen. Het
voorgestelde artikel 50, tweede lid, Wbm regelt het belastbare feit bij energiedelen.
Bij energiedelen wordt de elektriciteit uitsluitend belast voor zover de energie-ontvanger
(de «verbruiker» in artikel 50, tweede lid, Wbm) elektriciteit verbruikt in dezelfde
onbalansverrekeningsperiode als waarin de elektriciteit is gedeeld door de energiegever.
De elektriciteit die de energie-ontvanger in een kwartier niet zelf nodig heeft, gaat
niet terug naar de energiegever, maar wordt door de energie-ontvanger geleverd aan
zijn leverancier. Dit wordt ook wel virtuele teruglevering genoemd. Als in dit geval
de gehele levering zou worden belast, en niet uitsluitend het verbruikte deel van
de gedeelde elektriciteit, zou er dubbele heffing van energiebelasting in de keten
optreden. Immers, de elektriciteit die virtueel wordt teruggeleverd door de energie-ontvanger
aan diens leverancier wordt verderop in de keten belast wanneer de leverancier de
elektriciteit levert aan een andere partij. Voor energiedelen wordt daarom geregeld
dat bij energiedelen de heffing van energiebelasting wordt beperkt tot de elektriciteit
die in dezelfde onbalansverrekeningsperiode is verbruikt.
Voorbeeld:
De energiegever heeft met een energie-ontvanger een overeenkomst inzake energiedelen
gesloten, waarbij de energiegever al zijn invoeding op het distributiesysteem overdraagt
aan de energie-ontvanger op basis van een vaste verdeelsleutel. Stel dat een energiegever
in een onbalansverrekeningsperiode 50 kWh elektriciteit overdraagt aan de energie-ontvanger,
terwijl de ontvanger in diezelfde periode 35 kWh verbruikt, dan wordt er energiebelasting
geheven over 35 kWh (het door de energie-ontvanger verbruikte deel van de elektriciteit).
C (artikel 51 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In artikel 51, eerste lid, Wbm wordt de verwijzing naar artikel 50, tweede lid, Wbm
aangepast aan de vernummering van dat lid tot derde lid van laatstgenoemd artikel.
D (artikel 53 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In artikel 53 Wbm is geregeld welke partijen belastingplichtig zijn voor de energiebelasting.
Doorgaans is dat de partij die de elektriciteit of het aardgas levert aan de verbruiker.
Het wetsvoorstel regelt door het invoegen van een nieuw tweede lid in voornoemd artikel
dat bij energiedelen de leverancier van de energie-ontvanger belastingplichtig is.
Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6.4.3 van het algemeen deel van
deze memorie. Verder wordt in artikel 53, derde lid (nieuw), Wbm de verwijzing naar
artikel 50, tweede lid, Wbm aangepast aan de vernummering van dat lid tot derde lid
van laatstgenoemd artikel.
E (artikel 56 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In artikel 56 Wbm is geregeld wanneer de energiebelasting wordt verschuldigd. In het
wetsvoorstel wordt een nieuw derde lid ingevoegd in voornoemd artikel. Hierin wordt
voor het heffingsmoment bij energiedelen aangesloten bij het moment dat de belastingplichtige
kosten in rekening brengt voor het faciliteren van energiedelen, met dien verstande
dat leveranciers ervoor kunnen kiezen om dit moment te laten samenvallen met het uitreiken
van de voorschotnota’s of eindfactuur in verband met de elektriciteit die de leverancier
zelf levert. De leverancier mag er ook voor kiezen om energiedelen separaat te factureren.
Voor situaties waarin er, om welke reden dan ook, geen redelijke kosten in rekening
worden gebracht, wordt in het voorgestelde nieuwe derde lid voor het heffingsmoment
aangesloten bij het tijdstip bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel a, onder
2°, Wbm. Dit betekent dat de belasting verschuldigd wordt op het moment van de uitreiking
van de eindfactuur, of, indien er binnen achttien maanden geen factuur is uitgereikt,
automatisch op de laatste dag van dat tijdvak. Hiermee wordt voorkomen dat een tijdstip
van verschuldigdheid ontbreekt wanneer er geen redelijke kosten in rekening worden
gebracht.
Verder wordt in artikel 56, vierde lid (nieuw), Wbm, de verwijzing naar artikel 50,
tweede lid, Wbm aangepast aan de vernummering van dat lid tot derde lid van laatstgenoemd
artikel.
F (artikel 57 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
De wijziging in artikel 57 betreft een aanpassing van verwijzingen als gevolg van
de vernummering in artikel 53 Wbm volgend uit onderhavig wetsvoorstel.
G (artikel 63 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In artikel 63, vijfde lid, Wbm wordt de verwijzing naar artikel 50, tweede lid, Wbm
aangepast aan de vernummering van dat lid tot derde lid van laatstgenoemd artikel.
H (artikel 71 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
Met het wetsvoorstel wordt een nieuw tweede lid in artikel 53 Wbm ingevoegd (artikel
II, onderdeel D). Dit tweede lid bepaalt dat bij energiedelen de leverancier van de
energie-ontvanger belastingplichtig is. Het huidige tweede lid wordt daarbij vernummerd
tot derde lid. In artikel 71, eerste lid, Wbm is geregeld dat de belastingplichtigen,
bedoeld in het huidige artikel 53, eerste en tweede lid, Wbm, een administratie moeten
voeren waaruit duidelijk alle gegevens blijken die voor de heffing van de belasting
van belang kunnen zijn. Door in onderhavig wetsvoorstel de verwijzing naar het huidige
eerste en tweede lid van artikel 53 Wbm te schrappen, wordt artikel 71, eerste lid,
Wbm ook van toepassing op het voorgestelde nieuwe tweede lid van artikel 53 Wbm. Omdat
de energieleveranciers van energie-ontvangers op dit moment al partijen zijn die belastingplichtig
zijn, worden er geen nieuwe verplichtingen aan deze partijen opgelegd.
Daarnaast strekt deze wijziging ertoe de verplichting uit artikel 71, eerste lid,
Wbm tevens van toepassing te verklaren op de belastingplichtigen, bedoeld in artikel
53, derde lid, Wbm, zoals dat op 1 januari 2026 komt te luiden als gevolg van het
in werking treden van artikel II van de Wet van 11 december 2024 tot vaststelling
van de Energiewet.65 Vanaf genoemde datum zijn ook belastingplichtig voor de energiebelasting marktdeelnemers
die de automatische uitvoering en afwikkeling van de levering van elektriciteit realiseren
waarbij sprake is van peer-to-peer handel als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 71, eerste lid, Wbm wordt geborgd dat de
verplichtingen uit dit artikellid van toepassing zijn op alle in artikel 53 Wbm bedoelde
belastingplichtigen.
Artikel III
In artikel 69a van de Wet op de accijns (WA) wordt verwezen naar artikel 50, tweede
lid, Wbm. Aangezien dat lid wordt vernummerd tot derde lid van genoemd artikel 50
Wbm, dient de verwijzing in artikel 69a WA dienovereenkomstig te worden aangepast.
Artikel IV
Dit artikel regelt de inwerkingtreding.
III. TRANSPONERINGSTABELLEN
1. Transponeringstabel EMD-pakket
1.1 EMD-Richtlijn
Richtlijn (EU) 2024/1711 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot
wijziging van de Richtlijnen (EU) 2018/2001 en 2019/944 inzake het verbeteren van
de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie (PbEU 2024)
Bepaling EU-regeling (Richtlijn 2024/
1711)
Wijzigt EU-richtlijn 2018/2001 (vervanging/
aanvulling)
Bepaling in implementatieregeling
Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Bepaling in bestaande regeling
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
1
4, derde lid
Valt buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel, eventuele uitvoering hiervan zal in
een ander wetsvoorstel meegenomen worden.
Geen
Zie voor nadere toelichting paragraaf 1.4 van de memorie van toelichting.
Bepaling EU-regeling (Richtlijn 2024/
1711)
Wijzigt EU-richtlijn 2019/944
(vervanging/
aanvulling)
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleids-ruimte
Toelichting op keuze(n) bij de invulling van de beleids-ruimte
2, punt 1a
2, onderdeel a, punt 8
Definitie «actieve afnemer»:
artikel 1.1 van de Energiewet (begripsbepalingen; actieve afnemer).
Geen
2, punt 1b
2, onderdeel b, punt 10 bis
Definitie «energiedelen»: artikel 1.1 van de Energiewet (begripsbepalingen; delen van energie)
Geen
2, punt 1c
2, onderdeel c, punt 15 bis
Definitie «elektriciteitsleverings-contract met een vaste looptijd en een vaste prijs»:
artikel 2.23, eerste en tweede lid, onderdeel a, van de Energiewet (modelcontract
met een vaste looptijd (ten minste een jaar) en een vaste prijs
Geen
2, punt 1d
2, onderdeel d, punt 24 bis
Definitie «noodleverancier»: artikel 2.25 van de Energiewet bevat een regeling waarbij
ingeval van intrekking van een leveringsvergunning of een faillissement van een leverancier,
de leveringsovereenkomst tussen de leverancier en de eindafnemer met een kleine aansluiting
kan worden voortgezet. Op grond van het vierde lid bevat het Energiebesluit reeds
een nadere uitwerking (afdeling 2.3).
Geen
2, punt 1d
2, onderdeel d, punt 24 ter
Definitie «energiearmoede»: artikel 1.7, tweede lid, van de Energiewet en artikel
1.3 van het Energiebesluit
Geen
2, punt 1d
2, onderdeel d, 24 quater
Definitie «flexibele aansluitovereenkomst»: artikel 1.1 van de Energiewet (begripsbepalingen)
Geen
2, punt 1e
2, onderdeel e, punt 31
Definitie «energie uit hernieuwbare bronnen» of «hernieuwbare energie»: artikel 1.1
van de Energiewet (begripsbepalingen; hernieuwbare bronnen)
Geen
2, punt 2
4
Artikel 2.1, tweede lid en artikel 2.2, eerste lid, van de Energiewet, en artikel
4.13 van het Energiebesluit (gebruik meetinrichting voor meerdere marktdeelnemers
kleine aansluiting)
Geen
2, punt 3
6 bis
Artikel 3.38, vijfde lid, onderdelen c en d, en artikel 3.46, derde lid, onderdeel
b, van de Energiewet
Artikel 3.38, vijfde lid, onderdeel c, van de Energiewet i.c.m. artikel 3.119 van
de Energiewet en artikelen 7.1, 7.1b, 7.1c en 7.1d van de Netcode elektriciteit
Geen
2, punt 4a en b
11, titel en eerste lid, eerste alinea
Artikel 2.9, eerste lid (leveringsovereenkomst dynamische elektriciteitsprijs) en
artikel 2.23, eerste en tweede lid, onderdeel a, van de Energiewet (modelcontract
met een vaste looptijd (ten minste een jaar) en een vaste prijs)
Geen
2, punt 4b
11, eerste lid, tweede en derde alinea
Behoeft geen implementatie, betreft een optionele bepaling
Ja. Lidstaten kunnen leveranciers, die enkel leverings-contracten aanbieden met een
dynamische elektriciteitsprijs en die meer dan 200.000 eindafnemers hebben, vrijstellen
van het verplicht aanbieden van een leveringsovereenkomst met een vaste prijs en vaste
looptijd.
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt Zie memorie van toelichting, paragraaf 3.1.1.
2, punt 4c
11, eerste lid,
Artikel 2.6, vierde lid, van de Energiewet en artikel 2.3 van het Energiebesluit.
Geen
2, punt 4c
11, eerste lid, ter
Artikel 2.3, eerste lid, onderdeel d, (nieuw) en artikel 2.34, vierde lid, (nieuw)
van de Energiewet
Artikelen 2.1, derde lid, 2.3, eerste lid, onderdelen a, c en d, en 2.34, derde en
vierde lid, van de Energiewet.
Geen
2, punt 4d
11, tweede lid
Artikel 2.6, vierde lid, (nieuw) van de Energiewet en artikel 2.9, tweede lid, van
de Energiewet vervalt;
Geen
2, punt 4 d
11, tweede lid, onder a
Artikel 5.1, tweede lid, onderdeel a, van de Energiewet; artikel 5.2, aanhef en onderdeel
g, van het Energiebesluit
2, punt 4d
11, tweede lid, onder b
.
Artikelen 2.15, 5.17 en afdeling 5.4 van de Energiewet en paragrafen 2.1.7 en 2.1.8
van de Energieregeling
2, punt 5
15 bis, eerste lid
Recht op energiedelen
Artikel 2.41a (nieuw) van de Energiewet
Bepaling bevat tevens een optionele bevoegdheid voor lidstaten.
Ja. Lidstaten kunnen het recht op energiedelen (actieve afnemers) uitbreiden naar
andere eindafnemers dan huishoudens, kleine en middelgrote ondernemingen en overheidsinstanties
Nederland maakt gebruik van de bevoegdheid. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
2, punt 5
15 bis, tweede lid
Artikel 1.1 (begripsbepaling actieve afnemer) en nieuw artikel 2.41a, van de Energiewet
Geen
2, punt 5
15 bis, derde lid
Nieuw artikel 2.41d van de Energiewet
Geen
2, punt 5
15 bis, vierde lid, onderdeel a
Nieuw artikel 2.41a, eerste en tweede lid, en 2.41b, eerste tot en met derde lid,
van de Energiewet artikel 1.1 van de Energiewet (begripsbepaling onbalansverrekeningsperiode)
Geen
2 punt 5
15 bis, vierde lid, onderdeel b
Nieuw artikel 2.41c van de Energiewet
Geen
2 punt 5
15 bis, vierde lid, onderdeel c
Nieuw artikel 2.41c van de Energiewet
Geen
2 punt 5
15 bis, vierde lid, onderdeel d
Nieuw artikel 2.41a, vijfde lid, van de Energiewet
Geen
2 punt 5
15 bis, vierde lid, onderdeel e
Nieuw artikel 2.41a, vierde lid, van de Energiewet
Geen
2 punt 5
15 bis, vierde lid, onderdeel f
Artikel 2.3 van de Energiewet
Geen
2 punt 5
15 bis, vierde lid, onderdeel g
Artikel 2.41a, zevende lid, van de Energiewet (middels de delegatiegrondslag voor
aanpassing geografisch gebied kunnen ook regels worden gesteld over de wijziging daarvan)
Geen
2 punt 5
15 bis, vierde lid, onderdeel h
Artikel 2.41d van de Energiewet
Geen
2 punt 5
15 bis, vierde lid, laatste alinea
Betreft optionele bepaling. Artikel 2.41c van de Energiewet (drempels gedeeltelijk
verhoogd)
Ja. Keuze voor lidstaten om de in artikel 15 bis, vierde lid, onder c opgenomen drempels
voor de geïnstalleerde capaciteit aan te passen.
Nederland maakt gedeeltelijk gebruik van deze bevoegdheid. Zie memorie van toelichting,
paragraaf 3.1.1
2, punt 5
15 bis, vijfde lid
Betreft optionele bepaling. Nederland maakt gebruik van deze mogelijkheid, zie artikel
2.41a, tweede lid, van de Energiewet
Ja. Mogelijkheid voor lidstaten om ook energiedelen voor grote afnemers mogelijk te
maken
Nederland maakt gebruik van de bevoegdheid. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
2, punt 5
15 bis, zesde lid
Artikel 3.63a van de Energiewet
Geen
2, punt 5
15 bis, zevende lid
Betreft feitelijk handelen. Zal worden ingevuld met ondersteunende maatregelen (o.a.
SCE)
Geen
2, punt 5
15 bis, achtste lid
Artikel 2.41a, zesde lid, van de Energiewet
Beperkt
2, punt 5
15 bis, negende lid
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Ja. Mogelijkheid voor lidstaten om de installatie van plug-in mini-zonne-energiesystemen
met een capaciteit van maximaal 800W in en op gebouwen te bevorderen.
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
2, punt 5
15 bis, tiende lid
Behoeft geen implementatie. Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft
naar de aard van de bepaling geen implementatie
N.v.t.
2, punt 5
15 bis, elfde lid
Artikel 2.1, tweede lid, van de Energiewet
Geen
2, punt 6
18 bis, eerste lid
Voor niet-vergunning houdende leveranciers: artikel 2.5 Energiewet.
Voor vergunning houdende leveranciers: artikel 2.18 van de Energiewet, artikel 2.10
van het Energiebesluit, en afdeling 2.2 van de Energieregeling.
Geen
2, punt 6
18 bis, tweede lid
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Lidstaten kunnen eisen dat afdekking strategieën leveranciers middels PPA’s worden
gedaan (mits voldoende ontwikkelde markten)
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
2, punt 6
18 bis, derde lid
Betreft feitelijk handelen. Zal worden ingevuld met ondersteunende maatregelen (o.a.
SCE)
Geen
2, punt 7
27, eerste lid
Artikelen 2.1, 2.5, 2.22 en 3.38 van de Energiewet, en artikel 2.7 van het Energiebesluit
Geen
2, punt 8
27 bis, eerste lid
Artikel 2.25 van de Energiewet en afdeling 2.3 van het Energiebesluit
Geen
2, punt 8
27 bis, tweede lid
Artikel 2.25 van de Energiewet en artikelen 2.15 en 2.17 van het Energiebesluit
Geen.
2, punt 8
27 bis, derde lid
Artikel 2.25 van de Energiewet, artikelen 2.15 en 2.18, derde lid, van het Energiebesluit
Geen
2, punt 8
27 bis, vierde lid
Artikel 2.25 van de Energiewet, artikel 2.18, eerste lid, van het Energiebesluit
Geen
2, punt 8
27 bis, vijfde lid
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Ja. Lidstaten kunnen van een noodleverancier eisen dat hij elektriciteit levert aan
huishoudelijke eindafnemers en kleine en middelgrote ondernemingen die geen marktgebaseerde
aanbiedingen ontvangen
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
2, punt 9
28 bis, eerste lid, eerste alinea
Artikel 2.26 van de Energiewet en afdeling 2.4 en artikelen 3.12 en 3.13 van de Energieregeling
Geen
2, punt 9
28 bis, eerste lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie, betreft feitelijk handelen van de lidstaat
Geen
2, punt 9
28 bis, tweede lid, eerste en tweede zin
Artikel 2.26 van de Energiewet en artikel 2.46, aanhef en onderdeel b, van de Energieregeling
Geen
2, punt 9
28 bis, tweede lid, derde zin
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Ja. Lidstaten kunnen passende maatregelen nemen om misbruik van rechtsmiddelen in
geval van klachten/gebruik van buitengerechtelijke geschilmechanisme, te voorkomen
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
2, punt 9
28 bis, derde lid
Artikel 2.26 van de Energiewet en afdeling 2.4 en artikel 3.12 en 3.13 van de Energieregeling
Geen
2, punt 10
31, tweede lid
Artikel 3.24 van de Energiewet
Geen
2, punt 10
31, derde lid
Artikel 3.38, derde lid, en artikel 3.77, vierde lid, van de Energiewet
Geen
2, punt 10
31, derde lid, bis
Artikel 3.38, vijfde lid, onderdeel e, van de Energiewet
Geen
2, punt 10
31, derde lid, ter
eerste alinea: behoeft geen implementatie, betreft een optionele bepaling. Behoeft
geen uitvoering. In Nederland zijn transmissie- en distributie systeembeheerders volledig
ontvlochten en bestaan er geen geïntegreerde elektriciteitsbedrijven
tweede alinea: behoeft geen implementatie, betreft feitelijk handelen van de lidstaat.
Ja. Lidstaten kunnen besluiten om de verplichting voor distributiesysteembeheerders
om aan hun systeemgebruikers de toegang te verstrekken die zij voor een efficiënte
toegang inclusief het gebruik nodig hebben, niet toe te passen op bepaalde geïntegreerde
elektriciteitsbedrijven.
Behoeft geen uitvoering. Zie memorie van toelichting, paragraaf 3.1.1.
2, punt 11
33, eerste lid
Artikel 3.24, eerste lid, en artikel 3.38 van de Energiewet
Geen
2, punt 12a, onder i
59, eerste lid, onderdeel c
Artikel 5.1, eerste lid, van de Energiewet; artikel 5.4, onderdeel c, van het Energiebesluit
Geen
2, punt 12a, onder ii
59, eerste lid, onderdeel z
Artikel 5.1, eerste lid, en afdelingen 5.3 en 5.4 van de Energiewet
Geen
2, punt 12b
59, vierde lid
Artikel 5.1, eerste lid, van de Energiewet
Geen
2, punt 13
66, zesde lid
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, betreft uitzondering voor
Estland, Letland en Litouwen
N.v.t.
2, punt 13
66, zevende lid
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, betreft uitzondering voor
Estland, Letland en Litouwen
N.v.t.
2, punt 14
66 bis, eerste lid
Behoeft geen implementatie. Betreft bevoegdheid van de Raad van de EU op voorstel
van de EC.
N.v.t.
2, punt 14
66 bis, tweede lid
Behoef geen implementatie. Betreft bevoegdheid van de Raad van de EU op voorstel van
de EC.
N.v.t.
2, punt 14
66 bis, derde lid
Behoeft geen implementatie, betreft feitelijk handelen van de lidstaat
N.v.t.
2, punt 14
66 bis, vierde lid
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
N.v.t.
2, punt 14
66 bis, vijfde lid
Behoeft geen implementatie. Betreft bevoegdheid van de Raad
N.v.t.
2, punt 14
66 bis, zesde lid
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Ja. Lidstaten kunnen tijdelijk ingrijpen in de leveringsprijzen van elektriciteit
aan kleine en middelgrote ondernemingen als er door de Europese Raad een prijscrisis
is afgekondigd.
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt Zie memorie van toelichting, paragraaf 3.1.1.
2, punt 14
66 bis, zevende lid
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Ja. Lidstaten kunnen besluiten om een leveringsprijs voor elektriciteit vast te stellen
die onder de kostprijs ligt.
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
2, punt 14
66 bis, achtste lid
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
N.v.t.
2, punt 15
69, tweede lid
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, betreft handelen Europese
Commissie
N.v.t.
3
N.v.t.
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, betreft implementatietermijn
van de richtlijn
N.v.t.
4
N.v.t.
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, betreft inwerkingtreding
van de richtlijn
N.v.t.
5
N.v.t.
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, betreft adressanten van
de richtlijn
N.v.t.
1.2 EMD-Verordening
Verordening (EU) 2024/1747 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024
tot wijziging van Verordening (EU) 2019/942 en 2019/943 wat betreft het Verbeteren
van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie (PbEU 2024)
Bepaling EU-regeling (Verorde-ning 2024/
1747)
Wijzigt EU-Verordening 2019/942 (vervanging/
aanvulling)
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
1, punt 1a en b
2, onderdeel a en d
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 2
3, tweede lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 3
4, negende lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 4a
5, achtste lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 4b
5, negende lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 5
6, negende lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 6a
15, vierde lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 6b
15, vijfde lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
Bepaling EU-regeling (Verorde-
ning 2024/
1747)
Wijzigt EU-Verordening 2019/942 (vervanging/
aanvulling)
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
2, punt 1a en b
1, onderdeel a en b, e, f
Behoeft uit de aard van de bepaling geen implementatie, betreft onderwerp en werkingssfeer
verordening
Geen
2, punt 2a
2, punt 22
Behoeft uit de aard van de bepaling geen implementatie (definities die in de verordening
worden gebruikt); Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking
van de verordening
Geen
2, punt 2b
2, punt 72
Behoeft uit de aard van de bepaling geen implementatie (definities die in de verordening
worden gebruikt); Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking
van de verordening
Geen
2, punt 73
Behoeft uit de aard van de bepaling geen implementatie (definities die in de verordening
worden gebruikt); Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking
van de verordening
Geen
2, punt 74
Behoeft uit de aard van de bepaling geen implementatie (definities die in de verordening
worden gebruikt); Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking
van de verordening
Geen
2, punt 75
Behoeft uit de aard van de bepaling geen implementatie (definities die in de verordening
worden gebruikt); Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking
van de verordening
Geen
2, punt 76
Is geen onderdeel van het implementatietraject van de Verordening. Wordt meegenomen
in een apart wetsvoorstel/traject, zie memorie van toelichting, paragraaf 1.4.
Geen
2, punt 77
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie (definities die in de verordening
worden gebruikt); Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking
van de verordening
Geen
2, punt 78
Definitie «specifiek meettoestel»: artikel 1 van het Energiebesluit (begripsbepalingen),
artikel 2.46, tweede en derde lid van de Energiewet
Geen
2, punt 79
Behoeft uit de aard van de bepaling geen implementatie (definities die in de verordening
worden gebruikt); Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking
van de verordening
Geen
2, punt 3a
7, eerste lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 3b, onder i
7, tweede lid, onderdeel c en c bis
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 3b, onder ii
7, tweede lid, onderdeel f
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 4
7 bis, eerste lid
Betreft optionele bepaling, behoeft geen implementatie
Ja. Lidstaten mogen transmissiesysteembeheerders verzoeken om peak-shaving aan te
bieden in geval van een prijscrisis.
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.2.
7 bis, tweede lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, derde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, vierde lid, onderdeel a
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, vierde lid, onderdeel b
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, vierde lid, onderdeel c
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, vierde lid, onderdeel d
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, vierde lid, onderdeel e
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, vierde lid, onderdeel f
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, vierde lid, onderdeel g
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, vierde lid, onderdeel h
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, vijfde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, zesde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 bis, zevende lid
Bepaling richt zich tot Acer en/of Europese Commissie, behoeft naar de aard van de
bepaling geen implementatie
Geen
7 bis, achtste lid
Bepaling richt zich tot Acer en/of Europese Commissie, behoeft naar de aard van de
bepaling geen implementatie
Geen
7 ter, eerste lid, eerste volzin
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 ter, eerste lid, tweede volzin
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 ter, tweede lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
7 ter, derde lid
Artikel 2.46, tweede lid van de Energiewet; afdeling 4.2, artikel 4.9 (inzet submeetinrichting
bij vraagrespons) van het Energiebesluit
Geen
2, punt 5a
8, eerste lid
Bepaling richt zich tot de NEMO’s, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
8, eerste lid, bis, eerste lid, ter
Bepaling richt zich tot de transmissiesysteembeheerder, de NEMO, NRI of Acer: behoeft
naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
8, eerste lid, quater
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
2, punt 5b
8, derde lid
Bepaling richt zich tot de NEMO’s, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
2, punt 6
9, eerste lid
Bepaling richt zich tot de transmissiesysteembeheerder, behoeft naar de aard van de
bepaling geen implementatie
Geen
9, tweede lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
9, derde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
9, vierde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening,
betreft effectbeoordeling door de Europese Commissie
Geen
9, vijfde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening,
betreft effectbeoordeling door de Europese Commissie
Geen
9, zesde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening,
betreft gedelegeerde handeling door de Europese Commissie
Geen
9, zevende lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
9, achtste lid
Bepaling richt zich tot de NRI, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
9, negende lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 7a
18, tweede lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
18, derde lid
Bevat een indirecte opdracht voor systeembeheerders en de ACM. In artikel 3.106 van
de Energiewet is reeds bepaald dat de tarieven en tariefstructuren vooraf door de
ACM moeten zijn goedgekeurd
Geen
2, punt 7b
18, achtste lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 7c, onderdeel i
18, negende lid, onderdeel f
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 7c, onderdeel ii
18, negende lid, onderdeel i
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 8
19, tweede lid, onderdeel a
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 8
19, tweede lid, onderdeel b
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
19, tweede lid, onderdeel c en hierna opgenomen alinea
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 9
Artikel 19 bis, eerste lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
19 bis, tweede lid
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
19 bis, derde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
19 bis, vierde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen.
19 bis, vijfde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
19 bis, zesde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
19 bis, zevende lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
19 bis, achtste lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
19 bis, negende lid
Behoeft geen implementatie, betreft feitelijk handelen van de lidstaat
Geen
19 bis, tiende lid
Bepaling richt zich tot de Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
19 ter, eerste lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
19 ter, tweede lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
19 quater
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
19 quinquies, eerste lid
Is geen onderdeel van het implementatietraject van de Verordening 2024/1747 (EMD-Verordening).
Wordt meegenomen in een apart wetsvoorstel/traject, zie memorie van toelichting, paragraaf
1.4
N.v.t.
19 quinquies, tweede lid
Is geen onderdeel van het implementatietraject van de Verordening 2024/1747 (EMD-Verordening).
Wordt meegenomen in een apart wetsvoorstel/traject, zie memorie van toelichting, paragraaf
1.4
N.v.t.
19 quinquies, derde lid
Is geen onderdeel van het implementatietraject van de Verordening 2024/1747 (EMD-Verordening).
Wordt meegenomen in een apart wetsvoorstel/traject, zie memorie van toelichting, paragraaf
1.4
N.v.t.
19 quinquies, vierde lid
Is geen onderdeel van het implementatietraject van de Verordening 2024/1747 (EMD-Verordening).
Wordt meegenomen in een apart wetsvoorstel/traject, zie memorie van toelichting, paragraaf
1.4
N.v.t.
19 quinquies, vijfde lid
Is geen onderdeel van het implementatietraject van de Verordening 2024/1747 (EMD-Verordening).
Wordt meegenomen in een apart wetsvoorstel/traject, zie memorie van toelichting, paragraaf
1.4
N.v.t.
19 quinquies, zesde lid
Is geen onderdeel van het implementatietraject van de Verordening 2024/1747 (EMD-Verordening).
Wordt meegenomen in een apart wetsvoorstel/traject, zie memorie van toelichting, paragraaf
1.4
N.v.t.
19 sexies, eerste lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening.
Zoals toegelicht in de memorie van toelichting, paragraaf 3.2.1, wordt e.e.a. uitgewerkt
in een ministeriële regeling (grondslag 3.23 en artikel 5.1, derde lid van de Energiewet)
Geen
19 sexies, tweede lid, onderdelen a t/m e
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
19 sexies, derde lid
Bepaling richt zich tot TSB en DSB’s, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
19 sexies, vierde lid, onderdelen a en b
Bepaling richt zich tot ENTSB en EU DSB-entiteit, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
19 sexies, vijfde lid
Bepaling richt zich tot ENTSB en EU DSB-entiteit, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
19 sexies, zesde lid
Bepaling richt zich tot ENTSB, EU DSB-entiteit, Acer; behoeft naar de aard van de
bepaling geen implementatie
Geen
19 sexies, zevende lid
Bepaling richt zich tot NRI (of andere aangewezen instantie of entiteit) en Acer;
behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie. Zoals toegelicht in de memorie
van toelichting, paragraaf 3.2.1, wordt e.e.a. uitgewerkt in een ministeriële regeling
(grondslag 3.23 en artikel 5.1, derde lid, van de Energiewet)
Geen
19 sexies, achtste lid
Bepaling richt zich tot ENTSB behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie;
voor het overige deel ook geen implementatie nodig in verband met de rechtstreekse
werking van de verordening
Geen
19 septies
Betreft optionele bepaling, behoeft geen implementatie
LS kunnen voorlopige indicatieve nationale doelstellingen bepalen tot goedkeuring
van het verslag conform artikel 19 sexies, eerste lid
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.2.
19 octies, eerste lid
Betreft optionele bepaling, behoeft geen implementatie
Ja. Als investeringen in niet-fossiele flexibiliteit onvoldoende zijn om te voldoen
aan (voorlopige) indicatieve nationale doelstellingen, kunnen LS steunregelingen voor
niet-fossiele flex toepassen in de vorm van betalingen
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.2.
19 octies, tweede lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
19 nonies, onderdelen a tot en met j
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 10a
21, eerste lid
Behoeft geen implementatie, betreft een optionele bepaling
Voor de invulling van de keuzebevoegdheid voor lidstaten, zie artikel 5.12 van de
Energiewet
Ja. Lidstaten kunnen bij de uitvoering van artikel 20, derde lid (leveringszekerheid)
capaciteitsmechanismen invoeren
Nederland maakt gebruik van de mogelijkheid. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.2.
2, punt 10b
21, zevende lid
Artikellid wordt geschrapt. Behoeft geen implementatie
N.v.t.
2, punt 10c
21, achtste lid
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
2, punt 11
22, eerste lid, onderdeel a
Artikellid wordt geschrapt. Behoeft geen implementatie
N.v.t.
2, punt 12
37, eerste lid, onderdeel a
Bepaling richt zich tot regionale coördinatiecentra, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
2, punt 13
50, lid 4 bis
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 14
57, derde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
2, punt 15a
59, eerste lid onderdeel b
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
2, punt 15b
59, tweede lid, onderdeel a
Bepaling richt zich tot regionale coördinatiecentra, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
2, punt 16
64, tweede lid, bis
Behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie, betreft uitzondering voor
Estland, Letland en Litouwen
Geen
64, tweede lid, ter
Betreft grondslag voor het verlenen van derogaties door de Europese Commissie: behoeft
uit de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
64, tweede lid, quater
Betreft grondslag voor het verlenen van derogaties door de Europese Commissie: behoeft
uit de aard van de bepaling geen implementatie. Voor de onderdelen a en b geldt is
geen implementatie vereist in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
64, tweede lid, quinquies, onderdelen a en b
Betreft grondslag voor het verlenen van derogaties door de Europese Commissie: behoeft
uit de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
2, punt 17a
69, tweede lid, onderdelen a tot en met c
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
2, punt 17b
69, derde lid
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
2, punt 18
69 bis
Behoeft uit de aard van de bepaling (interactie met andere EU-regelgeving) geen implementatie
Geen
2, punt 19
Bijlage I, punt 1.2
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
3
N.v.t.
1.3 Wijzigingsverordening van REMIT
Verordening 2024/1106 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 tot
wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1227/2011 en (EU) 2019/942 wat de verbetering
van de bescherming van de Unie tegen marktmanipulatie op de groothandelsmarkt voor
energie betreft (PbEU 2024)
Bepaling EU-regeling (Verorde-
ning 2024/
1106)
Wijzigt Verordening 1227/2011 (aanvulling/vervanging)
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling; Toelichting indien niet geïmplementeerd
of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
1, punt 1
N.v.t.
Behoeft geen implementatie. Betreft verwijzingen naar andere wetgeving van de Unie
Geen
1, punt 2a
1, tweede lid
Behoeft geen implementatie. Betreft toepassingsgebied en verband met andere wetgeving
van de Unie
Geen
1, punt 2b
1, derde lid
Deels reeds geïmplementeerd in artikel 7, derde lid, van de Instellingswet Autoriteit
Consument en Markt en artikel 1, eerste lid, onderdelen c en t van de Regeling gegevensverstrekking
ACM 2019, en in artikel 5.25 van de Energiewet. In artikel 5.25, eerste lid, van de
Energiewet wordt met dit wetsvoorstel een grondslag voor de ACM toegevoegd om inlichtingen
te verstrekken aan ESMA
Geen
1, punt 2c
1, vierde lid
Bepaling richt zich tot Acer behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 3 a t/m g
2, punt 1, 2, 4, 7 en aanvullingen
Behoeft geen implementatie. Betreft definities die in de verordening worden gebruikt
Geen
1, punt 4
3, eerste lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 5a en b
4, eerste en vierde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 5c
4, punt 4 bis
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 6
4 bis
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening,
betreft taak Acer, betreft gedelegeerde handelingen van de Commissie
Geen
1, punt 7
5 bis
Bevoegdheid ACM volgt reeds uit artikel 5.1 Energiewet. Voor overige geen implementatie
vereist in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 8
6, eerste lid
Behoeft geen implementatie. Betreft bevoegdheid Europese Commissie om gedelegeerde
handelingen vast te stellen
Geen
1, punt 9
7, eerste en derde lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 10
7 bis, ter, quater, quinquies, sexies
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening,
en/of betreft taak Acer (artikel 7 bis, artikel 7 ter, artikel 7 quater, artikel 7
quinquies, derde lid, artikel 7 sexies), gedelegeerde handelingen van de Europese
Commissie (artikel 7 quater, tweede lid)
Geen
1, punt 11
8, eerste lid, eerste lid, bis, eerste lid, ter, tweede t/m vijfde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening,
betreft gedelegeerde handelingen van de Europese Commissie (b en c)
Geen
1, punt 12
9, eerste en derde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening.
Artikel 5.1, derde lid, van de Energiewet t.a.v. verwerken registratie (c.q. plicht)
ACM (artikel 9, eerste lid) en artikel 5.25 van de Energiewet met betrekking tot gegevensverstrekking
door ACM aan Acer
Geen
1, punt 13
9 bis
Betreft taak Acer, behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking
van de verordening en betreft gedelegeerde handelingen van de Europese Commissie (zesde
lid)
Geen
1, punt 14
10, eerste lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 14
10, tweede lid
Geïmplementeerd in artikel 7, derde lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument
en Markt en artikel 1, eerste lid, onderdelen c en t, van de Regeling gegevensverstrekking
ACM 2019
Geen
1, punt 15a
12, eerste lid, tweede alinea
Behoeft geen nadere implementatie. Beroepsgeheim valt voor ambtenaren die voor de
ACM werken onder artikel 9 van de Ambtenarenwet, respectievelijk artikel 2:5 van de
Algemene wet bestuursrecht. Verder is de ACM gebonden aan de desbetreffende regels
in de Algemene verordening gegevensbescherming en de Implementatieswet Algemene verordening
gegevensbescherming.
Geen
1, punt 15b
12, tweede lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 16a
13, eerste lid
W.b. bestuursrechtelijk toezicht en handhaving is met artikel 5.1 van de Energiewet
de ACM aangewezen als NRI. W.b. strafrechtelijke handhaving is in artikel 2.66, eerste
lid, van de Energiewet «artikelen 3, 4 en 5» vervangen door «artikelen 3, 4, 5, 7
quater, 8, 9 en 15».
Met toevoeging van de artikelen 3, 4, 5, 7 quater, 8, 9 en 15 REMIT onder artikel
5.21 van de Energiewet, wordt de ACM tevens in staat gesteld een overtreding van deze
artikelen middels bestuurlijke boetes te handhaven
Geen
1, punt 16b
13, leden 3 t/m 12
Behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 17
13 bis, eerste tot en met zesde lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 17
13 bis, zevende lid
Artikel 5.17a, eerste lid, van de Energiewet (bijstand ACM aan Acer)
Geen
1, punt 17
13 bis, achtste lid
Artikel 5.17a, tweede lid, van de Energiewet (bijstand ACM aan Acer)
Geen
1, punt 17
13 bis, negende lid
Artikel 5.17c, eerste lid, van de Energiewet (uitoefening bevoegdheden Acer of NRI
van andere lidstaat die voorafgaande machtiging van rechter-commissaris vereisen)
Geen
1, punt 17
13 bis, tiende lid
Artikel 5.17c, tweede en derde lid, van de Energiewet (uitoefening bevoegdheden Acer
of NRI van andere lidstaat die voorafgaande machtiging van rechter-commissaris vereisen)
Geen
1, punt 17
13ter, eerste, tweede, vijfde en zesde lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 17
13ter, derde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 17
13 ter, vierde lid
Artikel 5.17a, derde en vijfde lid, van de Energiewet (bijstand ACM aan Acer) en artikel
5.21, negende lid, van de Energiewet (bestuurlijke boete)
Geen
1, punt 17
13 quater, eerste lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 17
13 quater, tweede lid
Artikel 5.17a, vierde en vijfde lid, van de Energiewet (bijstand ACM aan Acer)
Geen
1, punt 17
13 quinquies
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 17
13 sexies
Artikel 5.17b, eerste tot en met vierde en zesde lid, van de Energiewet
Geen
1, punt 17
13 septies
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 17
13 octies
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 17
13 nonies
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 17
13 decies
Artikel 5.21a, van de Energiewet (tenuitvoerlegging dwangsom Acer).
De ACM wordt als nationale instantie aangewezen die het door Acer genomen besluit
tot oplegging van een dwangsom namens en voor rekening van Acer uitvoert nadat zij
de authenticiteit van het besluit heeft vastgesteld. Zie memorie van toelichting,
paragraaf 3.2.2
Aanwijzing van de nationale instantie door de lidstaat.
1, punt 17
13 undecies
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 18
15
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening;
vijfde lid richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 19a, sub i
16, eerste lid, tweede alinea
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 19a, sub ii
16, eerste lid, vierde alinea
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 19b
16, tweede lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 19c, sub i
16, derde lid, punt a
In zoverre informatie gedeeld moet worden met Acer al uitgevoerd in artikel 5.25,
eerste lid, van de Energiewet.
In zoverre informatie gedeeld mag worden met de Autoriteit Financiële Markten, reeds
uitgevoerd in artikel 7, derde lid, van de Instellingswet ACM in samenhang met artikel
1, eerste lid, onderdeel t, van de Regeling gegevensverstrekking ACM 2019.
Geen
1, punt 19c, sub ii
16, derde lid, punt e
In zoverre informatie gedeeld mag worden met de Belastingdienst, uitgevoerd in artikel
7, derde lid van de Instellingswet ACM in samenhang met artikel 1, eerste lid, onderdeel
c, van de Regeling gegevensverstrekking ACM 2019. Voor informatiedeling met Eurofisc
zie artikel 5.25, onderdeel c, van de Energiewet
Geen
1, punt 20
16 bis, eerste lid
Artikel 5.17, derde lid, en artikel 5.17b, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van
de Energiewet.
Voor de invulling van de mogelijkheid voor lidstaten om nadere regels te stellen aan
delegatie, zie artikel 5.17, derde lid, van de Energiewet
Ja, lidstaten kunnen nadere regels stellen over de delegatiemogelijkheid.
Nederland maakt gebruik van de mogelijkheid. Zie paragraaf 3.1.3 van de memorie van
toelichting.
1, punt 20
16 bis, tweede lid
Zie artikel 5.17b, zesde lid, van de Energiewet
Geen
1, punt 20
16 bis, derde t/m vijfde lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 20
16 ter
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 21
17, derde lid
Behoeft geen implementatie. Beroepsgeheim valt voor ambtenaren die voor de ACM werken
onder artikel 9 van de Ambtenarenwet, respectievelijk artikel 2:5 van de Algemene
wet bestuursrecht
Geen
1, punt 22
18, eerste lid
De nationale kaders voor de bestuurlijke geldboetes zijn vastgesteld in artikel 5.21
van de Energiewet. Overige bestuursrechtelijke maatregelen zijn vastgelegd in artikel
5.17, eerste lid, onderdeel b, jo. artikel 5.19, eerste lid, en artikel 5.20, eerste
lid, van de Energiewet alsmede in artikel 12h, eerste lid, van de Instellingswet ACM
Geen
1, punt 22
18, tweede lid
Behoeft geen implementatie. Het rechtstelsel in Nederland voorziet namelijk in bestuurlijke
boetes
Geen
1, punt 22
18, derde lid
Op grond van artikel 5.21 van de Energiewet mag ACM bestuurlijke boetes opleggen voor
overtredingen van REMIT. Overige bestuursrechtelijke maatregelen zijn vastgelegd in
artikel 5.17, eerste lid, onderdeel b, jo. artikel 5.19, eerste lid, en artikel 5.20,
eerste lid, van de Energiewet alsmede in artikel 12h, eerste lid, van de Instellingswet
ACM
Het ne-bis-in-idembeginsel geldt op grond van artikel 5:43, van de Algemene wet bestuursrecht.
Geen
1, punt 22
18, vierde lid
Artikel 5.21, vijfde en zevende lid, van de Energiewet
1, punt 22
18, vijfde lid
Artikel 5.21, zesde en zevende lid, van de Energiewet
1, punt 22
18, zesde lid
Hoofdstuk 3, paragraaf 4 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt
1, punt 22
18, zevende lid
Artikel 21, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen i.c.m. artikel 5.21, van
de Energiewet (Boetebeleidsregel ACM 2014)
1, punt 22
18, achtste lid
Behoeft geen implementatie in verband met rechtstreekse werking van de verordening
Geen
1, punt 22
18, negende lid
Behoef geen implementatie. Bepaling gericht aan de Europese Commissie
Geen
1, punt 22
19
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
1, punt 23
20, tweede, derde en vijfde lid
Behoeft geen implementatie. Betreft bevoegdheid Europese Commissie om gedelegeerde
handelingen vast te stellen
Geen
1, punt 24
21 bis
Behoeft geen implementatie. Betreft evaluatie van de verordening uit te voeren door
de Europese Commissie
Geen
2, punt 1
6, achtste lid
Artikellid wordt geschrapt. Behoeft geen implementatie
Geen
Bepaling EU-regeling (Verorde-
ning 2024/
1106)
Wijzigt Verordening 2019/942 (aanvulling/
vervanging)
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
2, punt 1a
Artikel 12, punt c
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
2, punt 1b
12, punt d en e
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
2, punt 3
32, eerste lid
Bepaling richt zich tot Acer, behoeft naar de aard van de bepaling geen implementatie
Geen
3
Behoeft geen implementatie. Betreft inwerkingtreding van de verordening
Geen
2. Transponeringstabel nieuwe Gasrichtlijn
Richtlijn (EU) 2024/1788 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende
gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor hernieuwbaar gas, aardgas en
waterstof, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2023/1791 en tot intrekking van Richtlijn
2009/73/EG (PbEU 2024)
Bepaling EU-regeling (Richtlijn 2024/
1788)
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling
Toelichting indien niet geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op keuze(n) bij de invulling van de beleidsruimte
2, punt 74
Definitie «energiearmoede» artikel 1.7, tweede lid, van de Energiewet en artikel 1.3
van het Energiebesluit
Geen
5, eerste lid, onderdeel a
Behoeft geen implementatie. Betreft bevoegdheid van de Raad van de EU op voorstel
van de EC.
Geen
5, eerste lid, onderdeel b
Behoef geen implementatie. Betreft bevoegdheid van de Raad van de EU op voorstel van
de EC.
Geen
5, tweede lid
Behoeft geen implementatie, betreft feitelijk handelen van de lidstaat
Geen
5, derde lid
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
5, vierde lid
Bepaling richt zich tot de Europese Commissie, behoeft naar de aard van de bepaling
geen implementatie
Geen
5, vijfde lid
Behoeft geen implementatie. Betreft bevoegdheid van de Raad
Geen
5, zesde lid
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Ja. Lidstaten kunnen tijdelijk ingrijpen in de leveringsprijzen van gas aan kleine
en middelgrote ondernemingen als er door de Europese Raad een prijscrisis is afgekondigd
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
5, zevende lid
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Ja. Lidstaten kunnen tijdelijk ingrijpen in de leveringsprijzen van gas aan kleine
en middelgrote ondernemingen als er door de Europese Raad een prijscrisis is afgekondigd
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
5, achtste lid
Behoeft naar de aard van deze bepaling geen implementatie, betreft handelen Europese
Commissie
Geen
28 eerste lid, eerste alinea
Afdeling 2.4 en artikelen 3.12 en 3.13 van de Energieregeling
Geen
28, eerste lid, tweede alinea
Behoeft geen implementatie, betreft feitelijk handelen van de lidstaat.
Geen
28 tweede lid, eerste en tweede zin
Artikel 2.46, aanhef en onderdeel b, van de Energieregeling
Geen
28, tweede lid, derde zin
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Ja. Lidstaten kunnen passende maatregelen nemen om misbruik van rechtsmiddelen in
geval van klachten/gebruik van buitengerechtelijke geschilmechanisme, te voorkomen
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
28, derde lid
Afdeling 2.4 en artikelen 3.12 en 3.13 van de Energieregeling
Geen
29, eerste lid
Artikel 2.25 van de Energiewet en afdeling 2.3 van het Energiebesluit
Geen
29, tweede lid
Artikel 2.25 van de Energiewet, artikelen 2.15 en 2.17 van het Energiebesluit
Geen
29, derde lid
Artikel 2.25 van de Energiewet, artikelen 2.15 en 2.18, derde lid, van het Energiebesluit
Geen
29, vierde lid
Artikel 2.25 van de Energiewet, artikel 2.18, eerste lid, van het Energiebesluit
Geen
29, vijfde lid
Behoeft geen implementatie, betreft optionele bepaling
Ja. Lidstaten kunnen van een noodleverancier eisen dat hij elektriciteit levert aan
huishoudelijke eindafnemers en kleine en middelgrote ondernemingen die geen marktgebaseerde
aanbiedingen ontvangen
Van deze optie wordt geen gebruik gemaakt. Zie memorie van toelichting, paragraaf
3.1.1.
Deze toelichting wordt ondertekend mede namens de Staatssecretaris van Financiën.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.