Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling ‘EU-Agenda voor Steden’ (Kamerstuk 22112-4240)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4399
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 juli 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
over de brief van 30 januari 2026 over het Fiche: Mededeling «EU-Agenda voor Steden»
(Kamerstuk 22 112, nr. 4240).
De vragen en opmerkingen zijn op 6 maart 2026 aan de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 3 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Kisteman
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Haas
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche
met betrekking tot de mededeling «EU-Agenda voor Steden». Het doel daarvan is het
sterker betrekken van steden bij EU-beleidsvorming, alsmede het vereenvoudigen en
bundelen van Europese steun aan steden dan wel stedelijke gebieden. Graag willen deze
leden het kabinet daarover enkele vragen stellen. Allereerst merken zij op dat zij
het met het kabinet eens zijn dat steden en stedelijke gebieden belangrijk zijn.
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) wil in dialoog met lokale bestuurders
en anderen, zodat er rechtstreeks input op beleidsdiscussies kan worden geleverd.
Hoe zullen de lidstaten bij de dialoog tussen de Commissie en de steden worden betrokken?
De leden van de VVD-fractie vragen zich af wat een en ander betekent voor de rol en
samenwerking van de Commissie met de lidstaten zelf. Zij begrepen dat dit ook voor
het kabinet nog onvoldoende duidelijk is. Het kabinet stelt dat dit wel goed is geregeld
bij de Stedelijke Agenda voor de EU. Is het de inzet van het kabinet om de rol en samenwerking op dezelfde manier vorm
te geven? Kan het kabinet daar nader op ingaan, zo vragen deze leden. Hoe zouden die
rol en samenwerking er volgens het kabinet uit moeten zien?
Een ander doel van de EU-agenda voor steden is vereenvoudiging en het verminderen
van administratieve lasten. De agenda zal bestaan naast de al bestaande Stedelijke Agenda voor de EU. Als de leden van de VVD-fractie het goed zien, is er straks sprake van: een dialoog
met steden; een tweejaarlijks Stedenforum; een driejaarlijks Verslag over de Staat
van Europese steden; een Stedenhelpdesk; een Europees Stedenportaal en een Europees
Stedenplatform. Hoe beziet het kabinet dit alles? Zouden hier, met het oog op de overzichtelijkheid
voor lidstaten en steden, zaken gecombineerd kunnen worden? Wat is de meerwaarde van
de nieuwe agenda ten opzichte van de Stedelijke Agenda voor de EU? In hoeverre is er een overlap? In hoeverre zouden de agenda’s gebundeld kunnen worden?
In hoeverre is bundeling van agenda’s en andere zaken inzet van het kabinet? Graag
krijgen deze leden een reactie van het kabinet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie (nu PRO)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis van de Kamerbrief
over het BNC-fiche over de EU-Agenda voor Steden. Deze leden hebben hierover op dit
moment nog enkele vragen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat er middelen beschikbaar
zijn voor het versterken van Europese stedelijke gebieden vanuit het huidige Cohesiebeleid.
Voor de periode na 2027 moeten hier in het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK)
middelen voor worden vrijgemaakt. Kan het kabinet aangeven wat hierbij de Nederlandse
inzet is? Kan hierbij ook worden aangegeven hoeveel er nu beschikbaar is voor stedelijke
regio’s en wat de middelen in de huidige MFK-periode concreet hebben opgeleverd voor
de Nederlandse stedelijke gebieden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de Europese Rekenkamer benadrukt
dat efficiënt en effectief gebruik van de gelden van het MFK afhangt van de mate van
coördinatie tussen en gedeelde verantwoordelijkheid van nationale en lokale overheden
in de uitvoering van de Nationale en regionale partnerschapsplannen (NRPP’en). Hoe
kijkt het kabinet aan tegen deze conclusie en op welke manier geeft het kabinet vorm
aan een gedeelde coördinatie van de NRPP’en door nationale en lokale overheden?
Gemeenten ontvangen nu middelen uit het Europees Sociaal Fonds (ESF-plus), dat onder
andere ingezet wordt voor langdurige begeleiding, werk, vaardigheden, armoedebestrijding,
maatschappelijke participatie en innovatie binnen het sociaal domein. De leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie vernemen graag hoeveel middelen gemeenten momenteel ontvangen
voor deze doelen. Kunnen gemeenten erop vertrouwen dat deze middelen gecontinueerd
worden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet schrijft wat de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreft terecht dat
steden grote opgaven hebben bij het aanpakken van klimaatverandering, klimaatadaptatie,
energietransitie en het bestrijden van luchtvervuiling. Op welke manier kan volgens
de regering de voorliggende hieraan bijdragen? Hoe wordt ervoor gezorgd dat zowel
de lokale als landelijke aanpak op deze vlakken zo goed mogelijk aansluiten bij de
agenda?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat Europese steden
met goed en snel openbaar vervoer met elkaar verbonden zijn. Vanuit zowel de EU als
door de Nederlandse regering wordt hier ook veel waarde aan gehecht. Toch constateren
deze leden dat de ambities op dit vlak stagneren omdat er onvoldoende wordt samengewerkt
tussen EU-lidstaten en dat de middelen vaak ontoereikend zijn. Wat is de ambitie van
het kabinet op dit vlak en welke kansen ziet het kabinet in de EU-Agenda voor Steden om bij te dragen aan het verbeteren van goed en snel openbaar vervoer tussen Europese
steden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche en hebben daarbij
enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de EU al een Stedelijke Agenda heeft en
vragen hoe het kabinet de meerwaarde van de voorliggende agenda ten opzichte van de
bestaande Stedelijke Agenda beoordeelt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat binnen het bestaande European Urban Initiative
een Stedenhelpdesk wordt opgericht die steden ondersteunt bij het vinden van onder
andere financieringsmogelijkheden. Deze leden vragen of het kabinet inzicht heeft
in hoeverre het Nederlandse gemeenten lukt om Europese (co-)financiering te werven
en ook hoe dit zich verhoudt tot gemeenten uit andere lidstaten.
De leden van de CDA-fractie vinden het goed om te lezen dat het kabinet grote waarde
hecht aan het naleven van het subsidiariteitsbeginsel. Deze leden onderschrijven dit
en vragen daarbij hoe wordt voorkomen dat directe samenwerking tussen de Commissie
en steden leidt tot onduidelijkheid over nationale verantwoordelijkheden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de voorliggende agenda ook verwezen wordt
naar de ambitie van de Commissie om in te zetten op regelvereenvoudiging en minder
administratieve lasten. Deze leden vragen hoe het kabinet van plan in toe te zien
dat de regeldruk door deze agenda niet toeneemt.
II Antwoord / reactie van het kabinet
Graag dank ik de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
voor de schriftelijke vragen betreft de EU-Agenda voor Steden (Kamerstuk 22 112–4240). Met veel belangstelling heb ik kennisgenomen van de door de leden van de fracties
van VVD, GroenLinks-PvdA (nu PRO) en CDA gestelde vragen en gemaakte opmerkingen over
dit document.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe lidstaten worden betrokken bij de door
de Europese Commissie beoogde dialoog met lokale bestuurders en steden over beleidsdiscussies,
en wat dit betekent voor de rol en samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten,
alsmede hoe het kabinet de verdere vormgeving van die samenwerking beoordeelt.
De definitieve vorm en inhoud van de dialogen zijn op dit moment nog onduidelijk.
De Commissie richt zich vooral op rechtstreekse dialogen met steden en burgemeesters.
Nederland heeft aangedrongen op duidelijkheid over de rol van de lidstaten hierbij.
Op het gebied van stedelijk beleid werken de Commissie en de lidstaten nauw samen,
onder ander via de Europese Agenda Stad. Het kabinet hecht belang aan een goede afstemming
tussen de Europese Agenda Stad en de EU Agenda voor Steden, hetgeen door de Commissie
wordt onderschreven.
In dat kader vragen de leden van de VVD-fractie of het de bedoeling is om de rol en
de samenwerking vorm te geven zoals bij de Stedelijke Agenda voor de EU? Hoe zouden
die rol en samenwerking er volgens het kabinet uit moeten zien?
De samenwerking via de Europese Agenda Stad is praktijkgericht en vindt plaats door
middel van multi level governance in thematische Partnerschappen. De EU Agenda voor Steden is een beleids- en visiedocument.
Nederland zal zich richten op het vergroten van de synergie tussen beide Agenda’s,
bijvoorbeeld door waar mogelijk voor te stellen om beleidsacties uit de EU Agenda
voor Steden op te nemen in het werkprogramma van de Europese Agenda Stad.
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie naar de meerwaarde en mogelijke overlap
van de EU Agenda voor Steden ten opzichte van bestaande agenda’s en initiatieven,
alsmede naar de mogelijkheden voor bundeling daarvan.
Met de EU Agenda voor Steden onderschrijft de Commissie zelf voor het eerst (in opdracht
van president Von der Leyen) het belang en de rol van steden in de EU, en geeft zij
een langjarige visie op de ontwikkeling van duurzaam stedelijk beleid in Europa. De
EU Agenda voor Steden draagt zo bij aan de positie en de verdere ontwikkeling van
de Europese Agenda Stad.
Nederland en andere lidstaten hebben in aanloop naar de publicatie van de EU Agenda
voor Steden aangedrongen op één Europese stedelijke agenda. Daarnaast is gewezen op
de verwarring die kan ontstaan door de vele stedelijk sites, rapportages, overleggen
en evenementen. De Commissie heeft echter gekozen voor een aparte EU Agenda voor Steden
naast de al bestaande Europese Agenda Stad, en aangegeven dat het aantal sites op
termijn zal worden teruggebracht. Dit is in lijn met de inzet van het kabinet op terugbrengen
en vereenvoudigen van administratieve lasten.
De Commissie ziet de EU Agenda voor Steden echter als haar eigen beleidsvisie, en
de Europese Agenda Stad als een samenwerkingsverband onder leiding van de lidstaten.
Tegelijk wordt zowel in de EU Agenda voor Steden als in de begeleidende Raadsconclusies
benadrukt dat integratie van en samenwerking tussen beide Agenda’s cruciaal is voor
de verdere ontwikkeling van stedelijk beleid in Europa.
Het is niet aan het kabinet om beide agenda’s te bundelen. De inzet is wel om bij
de ontwikkeling van stedelijk beleid in Europa zo veel mogelijk synergie tussen beide
agenda’s te bewerkstelligen, bijvoorbeeld door de bestaande resultaten en aanbevelingen
van de Europese Agenda Stad in te zetten bij de ontwikkeling van de EU Agenda voor
Steden.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de Nederlandse inzet ten aanzien
van de financiering van stedelijk beleid in het kader van het nieuwe Meerjarig Financieel
Kader (MFK) na 2027.
Zoals opgenomen in het BNC-fiche stelt het kabinet vast dat de EU Agenda voor Steden
vanaf 2028 geen nieuwe financiële middelen voor stedelijk beleid verschaft of oormerkt.
De Commissie roept lidstaten op om middelen en programma’s via onder meer de Nationale
en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP) beschikbaar te stellen voor stedelijk beleid,
waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van steden en stedelijke
gebieden.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of kan worden aangegeven hoeveel
er nu beschikbaar is voor stedelijke regio’s en wat de middelen in de huidige MFK-periode
concreet hebben opgeleverd voor de Nederlandse stedelijke gebieden?
In de huidige programmaperiode 2021–2027 is binnen het Europees Fonds voor Regionale
Ontwikkeling (EFRO) 8% van het budget geoormerkt voor duurzame stedelijke ontwikkeling.
In Nederland gaat dit om circa € 40 miljoen, dat specifiek wordt ingezet voor investeringen
in kwetsbare wijken in de vier grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht).
Daarnaast ontvangen arbeidsmarktregio’s ESF-middelen en beschikken de G4-steden binnen
het EFRO-programma West vanuit het regionale deel naast de genoemde 40 miljoen.
Met deze additionele middelen is een aanvulling mogelijk geworden op lokale programmatische
aanpakken, waarbij er ook ruimte is voor proefprojecten zoals het versterken van burgerparticipatie
via Community Led Local Development projecten.
Door de meerjarige aanpak heeft dit ook tot structurele resultaten geleid. Een voorbeeld
is de zeer succesvolle proef van het Social Impact Fund Rotterdam. Vanuit het EFRO
is invulling gegeven aan het versterken van de lokale en regionale innovatieve en
duurzame infrastructuur. Op basis van de Regionale innovatiestrategieën is vanuit
de lokale en regionale kansen aansluiting gezocht bij het nationale topsectorenbeleid.
Zo is actief invulling gegeven aan het vormgeven en versterken van de triple-helix
en daarmee de lokale en regionale duurzame concurrentiekracht.
De leden van de PRO-fractie vragen hoe het kabinet kijkt naar de conclusie van de
Europese Rekenkamer die benadrukt dat efficiënt en effectief gebruik van de gelden
van het MFK afhangt van de mate van coördinatie tussen en gedeelde verantwoordelijkheid
van nationale en lokale overheden in de uitvoering van de Nationale en regionale partnerschapsplannen
(NRPP). Tevens vragen ze op welke manier geeft het kabinet vorm aan een gedeelde coördinatie
van de NRPP door nationale en lokale overheden.
Het kabinet steunt het basisprincipe van het NRPP dat gericht is op het partnerschapsbeginsel,
en vult dit ook actief in door medeoverheden nauw te betrekken bij het invullen van
de NRPP-en, in lijn met artikel 6 van het NRPP-voorstel en met de motie Paternotte1. Het kabinet onderschrijft dat coördinatie met de medeoverheden van groot belang
is voor het efficiënt en effectief gebruik van gelden bij de uitvoering van Europese
fondsen. Dit krijgt verdere invulling doordat Nederlandse gemeenten, provincies en
waterschappen via VNG, IPO en UVW nauw worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering
en monitoring van het Nederlandse NRPP.
De leden van de PRO-fractie geven aan dat gemeenten nu middelen uit het Europees Sociaal
Fonds (ESF-plus)ontvangen, dat onder andere ingezet wordt voor langdurige begeleiding,
werk, vaardigheden, armoedebestrijding, maatschappelijke participatie en innovatie
binnen het sociaal domein. De leden van de PRO-fractie vragen hoeveel middelen gemeenten
momenteel ontvangen voor deze doelen. Kunnen gemeenten erop vertrouwen dat deze middelen
gecontinueerd worden? Zo nee, waarom niet?
Voor wat betreft de vragen van de leden van de PRO-fractie over de continuïteit van
middelen voor gemeenten geldt dat het Europees Sociaal Fonds (ESF+) in de huidige
periode (2021–2027) een omvang heeft van € 413 miljoen voor Nederland, waarvan een
substantieel deel is geoormerkt voor centrumgemeenten van arbeidsmarktregio’s. Het
gaat daarbij onder meer om € 167 miljoen voor arbeidstoeleiding en sociale inclusie,
€ 75 miljoen voor ondersteuning van leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs
en praktijkonderwijs, en € 10 miljoen voor sociale innovatie voor de arbeidsmarktparticipatie
en sociale inclusie van statushouders, Oekraïense ontheemden en arbeidsmigranten.
In totaal gaat het daarmee om € 252 miljoen dat specifiek voor gemeenten is bestemd.
Naast deze middelen is € 104 miljoen beschikbaar binnen tijdvakken die niet exclusief
voor gemeenten zijn gereserveerd, maar waarvoor gemeenten wel in aanmerking kunnen
komen.
Het kabinet zet in op een moderne en toekomstbestendige EU-begroting. Het Europees
Sociaal Fonds heeft in het Meerjarig Financieel Kader (MFK) vanaf 2028 geen specifiek
budget of programma, maar wordt onderdeel van de Nationale en Regionale Partnerschap
Plannen (NRPPs). Onder het commissievoorstel dient minimaal 14% van de NRPP-uitgaven
te worden besteed aan sociale doelstellingen. Op dit moment is het nog te vroeg om
te spreken over de definitieve vormgeving van het Nederlandse NRPP en de concrete
invulling hiervan. De onderhandelingen over het volgend MFK lopen nog.
Verder wordt door de PRO-fractie gevraagd naar de bijdrage van de EU Agenda voor Steden
aan grote opgaven van steden bij het aanpakken van klimaatverandering, klimaatadaptatie,
energietransitie en het bestrijden van luchtvervuiling. Op welke manier de agenda
hieraan kan bijdragen en hoe ervoor wordt gezorgd dat zowel de lokale als landelijke
aanpak op deze vlakken zo goed mogelijk aansluiten bij de agenda?
Het kabinet acht het positief dat de EU Agenda voor Steden inzet op versterking van
stedelijk bestuur en meer betrokkenheid van steden bij EU-beleid op deze opgaven.
Het kabinet signaleert echter ook dat de Agenda niet meer is dan een visie op stedelijke
ontwikkeling in Europa. Het is uiteindelijk aan de lidstaten hoe de voorgestelde ondersteuning
voor steden vanaf 2028 verwerkt zal worden in de verschillende nationale NRPP.
Of en in hoeverre de Agenda goed haalbaar en impactvol zal zijn hangt af van de bereidheid
van de Commissie om de voorgestelde acties ten aanzien van vereenvoudiging, betere
regelgeving en dialogen concreet uit te voeren, in samenwerking met de lidstaten en
de steden.
Met betrekking tot de vragen van de PRO-fractie over de ambitie van het kabinet op
het terrein van openbaar vervoer tussen Europese steden en de rol die de EU Agenda
voor Steden daarin kan spelen, zet het kabinet zich in voor een Europese agenda die
steden en regio’s beter met elkaar verbindt. Daarbij ligt de nadruk zowel op (hogesnelheids-)infrastructuur
als op de ontwikkeling van het netwerk van internationale treindiensten.
De PRO-fractie vraagt ook welke kansen het kabinet ziet in de EU Agenda voor Steden
om bij te dragen aan het verbeteren van goed en snel openbaar vervoer tussen Europese
steden.
De EU Agenda voor Steden gaat in op de invloed van de EU op het mobiliteitsbeleid
van steden, met name via regelgeving en cohesiegelden. Steden hebben echter meestal
geen formele rol in het contracteren of reguleren van snel openbaar vervoer tussen
steden. Wel kunnen zij een faciliterende rol spelen, bijvoorbeeld bij het aantrekken
van spoorvervoerders die internationale treindiensten ontwikkelen.
De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet de meerwaarde beoordeelt
van de EU Agenda voor Steden ten opzichte van de bestaande Stedelijke Agenda en hoe
wordt geborgd dat de regeldruk door deze agenda niet toeneemt.
Zoals hierboven is geantwoord op een gelijkluidende vraag van de VVD-fractie was (en
is) Nederland geen voorstander van twee stedelijke agenda’s voor Europa. De Commissie
heeft daar echter wel voor gekozen. Zij ziet de EU Agenda voor Steden als haar eigen
beleidsvisie, en de Europese Agenda Stad als een interbestuurlijk samenwerkingsverband
onder leiding van de lidstaten. De inzet van het kabinet is daarom om bij de ontwikkeling
van stedelijk beleid in Europa zo veel mogelijk synergie tussen beide agenda’s te
bewerkstelligen, met een duidelijk rol voor de lidstaten.
De EU Agenda voor Steden verwijst daarnaast naar de ambitie van de Commissie om in
te zetten op eenvoudigere regels en minder administratieve lasten. Dit is in lijn
met de voortdurende inzet van het kabinet om knellende regelgeving en implementatiedruk
vanuit Europa te verminderen. Die inzet zal voor het kabinet ook bij de uitvoering
en verdere ontwikkeling van de EU Agenda voor Steden leidend zijn.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre het Nederlandse gemeenten lukt om Europese
(co-)financiering te werven en hoe dit zich verhoudt tot gemeenten in andere lidstaten.
De budgetten voor de fondsen onder het cohesiebeleid (EFRO, ESF en JTF) liggen vast
in landenenveloppen. Daarvoor gebruikt de Europese Commissie een vaste verdeelsleutel
waarbij rekening wordt gehouden met het welvaartsniveau van lidstaten. Nederland ontvangt
daarom een relatief beperkte hoeveelheid middelen uit deze fondsen ten opzichte van
minder welvarende lidstaten en dus ook voor duurzame stedelijke ontwikkeling. Nederlandse
gemeenten kunnen daarnaast ook als projectpartner deelnemen aan andere Europese subsidieprogramma’s
zoals Horizon en LIFE. Het kabinet heeft geen overkoepelend overzicht van de verworven
subsidies door gemeenten bij deze programma’s, maar veel provincies en gemeenten monitoren
dit zelf.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat directe samenwerking
tussen de Commissie en steden leidt tot onduidelijkheid over nationale verantwoordelijkheden.
Het is van belang dat nationale overheden betrokken zijn bij de uitvoering van de
EU Agenda voor Steden, in overleg met de steden. Nederland heeft daarop samen met
andere lidstaten aangedrongen, en het belang van deze samenwerking is vastgelegd in
de Raadsconclusies bij de EU Agenda voor Steden van 26 februari 2026.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
J.P. van der Haas, adjunct-griffier