Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Boomsma en Nanninga over een Instagrampost van de Minister over een onderhoud van de Minister met leden van de Moslim Studenten Associatie (MSA)
Vragen van de leden Boomsma en Nanninga (beiden JA21) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over een Instagrampost van de Minister over een onderhoud van de Minister met leden van de Moslim Studenten Associatie (MSA) (ingezonden 15 juni 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 2 juli
2026)
Vraag 1
Bent u bekend met de post op Instagram van 11 juni 2026 waarin u vertelt over uw ontmoeting
met leden van de Moslim Studenten Associatie (hierna: MSA)?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
In deze post zegt u dat «veel moslimstudenten» zich «nog niet altijd» thuis voelen
op hun onderwijsinstelling, heeft u een idee hoeveel studenten dit betreft en wat
hun klachten precies zijn?
Antwoord 2
Voor het onderwijs zijn er geen cijfers over thuisgevoel uitgesplitst naar religie.
Breder onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse
samenleving.2
Moslimstudenten geven aan, onder andere op basis van een eigen enquête3 die zij aan één van mijn ambtsvoorgangers hebben aangeboden, dat (gebrek aan) thuisgevoel
in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is. Tevens hebben zij mij en mijn ambtsvoorgangers
er in gesprekken op gewezen dat zij te maken krijgen met incidenten zoals koranverscheuringen,
onveiligheid tijdens stages met angst om te melden en meer beveiligingscontroles op
basis van uiterlijke kenmerken (zoals het dragen van een hoofddoek). Ook noemen zij
dat moslimstudenten vaak de eerste in hun familie zijn die naar het hoger onderwijs
gaan. Dit brengt prestatiedruk met zich mee, vaak ook een financiële druk thuis, en
vraagt om aandacht voor thuisgevoel.
Vraag 3
Was u ervan op de hoogte dat de MSA is aangesloten bij Femyso, het Forum of European Muslim Youth and Student Organisations, dat volgens de inlichtingendiensten van België, Duitsland en Frankrijk en verschillende
wetenschappers de officieuze jongerentak is van de Council of European Muslims, een organisatie die de strategie voor de Europese Unie coördineert van de Moslimbroederschap
die streeft naar de islamisering van het Westen? Zo ja, heeft u hierover gesproken
met de delegatie van MSA?4, 5, 6, 7, 8, 9
Antwoord 3
Het is openbare informatie dat MSA lid is van Femyso. Dit is tijdens het gesprek niet
aan de orde gekomen. Het gesprek ging over studentenwelzijn en thuisgevoel. Daarover
spreek ik met meerdere studenten. Dat vind ik belangrijk en blijf ik doen. De MSA
heeft mij naar aanleiding van deze vragen laten weten dat zij is aangesloten bij Femyso,
maar dat zij geen enkele verbinding heeft met de Moslimbroederschap.
Vraag 4
Wat vindt u van de bevinding dat Femyso en de bij haar aangesloten verenigingen zoals
MSA strijden volgens de in vraag 3 genoemde inlichtingendiensten en wetenschappers
tegen islamofobie of moslimdiscriminatie en voor «sociale veiligheid» omdat officieel
erkend slachtofferschap helpt bij het behouden en verkrijgen van subsidies en het
verwezenlijken van faciliteiten zoals bijvoorbeeld gebeds- of stilteruimten waarmee
de «ongelovige» omgeving kan worden aangepast aan de islamitische norm?
Antwoord 4
Ik deel dit beeld niet. Discriminatie van welke groep dan ook is bij wet verboden.
Dit kabinet zet zich in voor het tegengaan van discriminatie en het verbeteren van
sociale veiligheid voor iedereen. Zoals ik ook in het debat over mentale gezondheid
van scholieren en studenten van 24 juni jl. heb aangegeven, spreek ik met allerlei
studenten over onderwerpen waar zij mee zitten, met welke achtergrond dan ook. Ik
vind het enorm belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs en zie
het als mijn rol om daarover in gesprek te gaan.
Er is geen subsidierelatie tussen het ministerie en de MSA. Voorts blijft het al dan
niet verwezenlijken van stilteruimten een verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen
zelf. Net als de toekenning van bestuursbeurzen voor studentenverenigingen.
Vraag 5
Wat vindt u van de bevinding dat volgens de Franse sociologe en kenner van de ideologie
van de Moslimbroederschap Florence Bergeaud-Blackler en van een in mei vorig jaar
verschenen onderzoek dat is verricht in opdracht van het Franse Ministerie van Binnenlandse
Zaken dat Femyso en bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA opleidingsstructuren
voor hooggekwalificeerde kaderleden van de Moslimbroederschap zijn die een rol moeten
spelen in de strategie die entryismwordt genoemd, dat wil zeggen het ideologisch bewerken en verleiden van overheidsorganisaties
om deze een «inclusieve» koers te laten varen die de islam accommodeert? Bent u bekend
met het onderzoek van Florence Bergeaud-Blackler en hoe beoordeelt u de bevindingen
en waarschuwingen daarin?10
Antwoord 5
Hier ben ik niet bekend mee.
Vraag 6
Het onderzoek van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken was voor de Franse
president Macron aanleiding om aan te dringen op maatregelen, het rapport waarschuwt
onder andere dat de organisaties van het moslimbroedernetwerk heel bedreven zijn in
het exploiteren van slachtofferschap («victimisation») om de eigen agenda vooruit
te helpen, herkent u het beeld? Zo nee, waarom niet?11, 12
Antwoord 6
Ik beschik niet over de informatie om dit beeld te duiden.
Vraag 7
Meent u – in het licht van deze waarschuwing – dat het verstandig was om leden van
de MSA niet alleen te ontvangen maar ook hun narratief over te nemen dat «veel moslimstudenten»
zich niet thuis voelen op universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen waardoor
deze klacht die draait om een niet nader omschreven gevoel wint aan legitimiteit?
Graag een toelichting.
Antwoord 7
Ik vind het belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs. Thuisgevoel
is, los van een op zichzelf staande waarde, ook van invloed op studiesucces. Ik spreek
met een brede groep studenten met verschillende achtergronden, waarbij ik geen enkele
groep studenten boven de andere plaats. Op die manier leer ik wat er speelt onder
studenten. Ik wijs uw suggestie af dat ik door gesprekken te voeren een bepaald narratief
overneem in relatie tot de uitdagingen die moslimstudenten ervaren.
Vraag 8
Lokale afdelingen van de MSA – zoals de MSA Rotterdam (Erasmus Universiteit), de MSA
UAS (Amsterdam) en de EMSA (Universiteit Twente) – zijn erkende studentenorganisaties
die in aanmerking komen voor subsidies van de onderwijsinstellingen zoals «bestuursmaanden»
en activiteitensubsidies, daarnaast kunnen zij een beroep doen bij gemeenten op een
bijdrage uit welzijns- en diversiteitspotjes, bent u bereid met de betrokken onderwijsinstellingen
en gemeenten in overleg te treden om te zien hoeveel subsidie de MSA via al deze kanalen
ontvangt?
Antwoord 8
Nee, ik ben daartoe niet bereid. Onderwijsinstellingen en gemeenten gaan zelf over
hun uitgaven, binnen de kaders die er gelden. Ik heb er vertrouwen in dat zij hun
keuzes en afwegingen zorgvuldig maken.
Vraag 9
Hoe beoordeelt u de financiering van deze organisaties, in het licht van de formele
banden van MSA met Femyso en vindt u het wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Zie antwoord op vraag 8.
Vraag 10
Bent u bereid kennis te nemen van de actuele wetenschappelijke literatuur over de
Moslimbroederschap en het zogenoemde «broederisme» alsmede het rapport van de Franse
overheid dat beschrijft hoe verenigingen die zich presenteren als ngo’s voor burgerrechten
en non-discriminatie in feite religieuze lobbyorganisaties zijn die de taal spreken
van diversiteit en inclusie om groepsprivileges af te dwingen zoals gebedsruimten,
inclusief tentamenbeleid – flexibiliteit rondom religieuze feestdagen – en halal-opties
in de kantine? Graag een toelichting.13, 14
Antwoord 10
Ik neem kennis van uiteenlopende wetenschappelijke publicaties en rapporten over verschillende
onderwerpen. Daarbij baseer ik mijn oordeel niet op één specifieke analyse of denkrichting,
maar op een brede weging van beschikbare feiten en onderzoek.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van de leden Raijer en
Wilders (beiden PVV), ingezonden 15 juni 2026 (vraagnummer 2026Z13069)
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.