Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. verkenning belastingvermindering energiebelasting toespitsen op huishoudens (Kamerstuk 32140-261)
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 335
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 juli 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van 27 juni 2026 over brieven:
Onderzoek gedifferentieerde vliegbelasting (Kamerstuk 31 396, nr. 7) Verkenning belastingvermindering energiebelasting toespitsen op huishoudens (Kamerstuk
32 140, nr. 261) Beprijzingsstudies gebouwde omgeving en ETS2 industrie (Kamerstuk 32 813, nr. 1525) Warmtebedrijven en energiebelasting (Kamerstuk 36 576, nr. 117) Overzicht van fiscale prikkels om circulaire transitie te versnellen (Kamerstuk
32 140, nr. 278) Beprijzingstudies veehouderij/akkerbouw en glastuinbouw (Kamerstuk 32 813, nr. 1536) Kabinetsreactie onderzoek energie-investeringsaftrek (EIA) en milieu investeringsaftrek
(MIA)(Kamerstuk 36 812, nr. 7) Rapport werkgroep afvalsector (Kamerstuk 30 872, nr. 322).
De vragen en opmerkingen zijn op 27 maart 2026 aan de Staatssecretaris van Financiën
voorgelegd. Bij brief van 2 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Jansen
Adjunct-griffier van de commissie, Lips
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de verschillende
brieven over fiscale vergroening en de circulaire transitie. Deze leden onderstrepen
het belang van effectieve CO2-beprijzing, een gelijk speelveld binnen Europa en het gericht ondersteunen van huishoudens
en innovatieve bedrijven. Deze leden hebben enkele vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet onderzoekt welk beprijzingsniveau
nodig is om klimaatdoelen te borgen. Kan de Staatssecretaris concreet aangeven welk
prijsniveau volgens de eerste inzichten noodzakelijk lijkt? Deze leden vragen hoe
wordt voorkomen dat hogere nationale beprijzing in de gebouwde omgeving en dienstensector
leidt tot ongelijkheid tussen huishoudens, met name gezien de invoering van ETS2.
Kan de Staatssecretaris toelichten hoe beprijzing wordt gecombineerd met innovatie
en investeringsprikkels, zodat duurzame landbouw ook economisch perspectief biedt?
In algemene zin is in alle sectoren extra beprijzing (of normering) nodig om benodigde
reductiemaatregelen voldoende rendabel te maken en om burgers, bedrijven en instellingen
voldoende te bewegen om te verduurzamen. Het beprijzen van CO2heeft hiermee een belangrijke rol in het instrumentarium van het klimaatbeleid: het
maakt uitstoot van CO2 duurder en geeft hierdoor aan burgers, bedrijven en instellingen een prikkel om hun
gedrag aan te passen of om gebruik te maken van schonere techniek. Beprijzing is tegelijkertijd
nadrukkelijk onderdeel van een bredere instrumentenmix. Zo stelt het kabinet bijvoorbeeld
ook subsidies beschikbaar om huishoudens en bedrijven te helpen bij het verduurzamen.
Ook voor de landbouw zijn diverse subsidies beschikbaar, bijvoorbeeld voor stalinnovaties.
In algemene zin kan worden gesteld dat de CO2-vermijdingsprijs van verduurzamingsmaatregelen in de gebouwde omgeving relatief hoog
ligt. Dit komt onder andere doordat isolatie relatief duur is en doordat bijvoorbeeld
warmtepompen minder efficiënt kunnen draaien dan in de industrie. Uit onderzoek van
CE Delft blijkt bijvoorbeeld dat voor woningen een extra CO2-prijs van 492 euro nodig is om het klimaatdoel van 2030 te halen. Dit komt bovenop
de beprijzing in het basispad, maar is sterk afhankelijk van andere maatregelen die
worden genomen. Als via normering bepaalde isolatiemaatregelen bijvoorbeeld verplicht
worden gesteld of extra subsidies worden verstrekt, dan is een lagere CO2-prijs nodig om het klimaatdoel te halen. Uit onderzoek van Kalavasta blijkt dat voor
de dienstensector in 2030 een extra CO2-prijs van 100 euro per ton CO2 nodig is. Voor de periode na 2030 is een verder oplopende CO2-prijs nodig, omdat voor het bereiken van klimaatneutraliteit verdere reductie nodig
is en dan ook duurdere reductie-opties nodig zijn. In de landbouwsector – zowel glastuinbouw
als veehouderij – worden emissies op het moment nog maar beperkt of in het geheel
niet beprijsd. Tegelijkertijd is in de landbouwsector relatief veel kosteneffectief
potentieel. Voor de veehouderij is door onderzoeksbureau Kalavasta bijvoorbeeld een
extra benodigde CO2-prijs van 264 euro/ton CO2 berekend, wat relatief laag is ten opzichte van het benodigde beprijzingsniveau in
andere sectoren. In bijlage 13 van de Miljoenennota 2026 is uitgebreider ingegaan
op deze uitgevoerde beprijzingsstudies.
Tegelijkertijd moet voorzichtigheid worden betracht bij het vergelijken van de exacte
hoogte van berekende CO2-prijzen per sector. Dit heeft vier belangrijke redenen. Ten eerste heeft iedere sector
een eigen restemissiedoel. Dit doel volgt uit het Klimaatakkoord en klimaatbesluitvorming
van 2023. De industrie heeft procentueel bijvoorbeeld een scherper 2030-doel, dan
de gebouwde omgeving of glastuinbouw. Ten tweede verschillen de doorrekeningen in
de onderliggende aannames: in de studie naar beprijzing in de ETS2 en dienstensector
is bijvoorbeeld alleen gekeken naar de abatement cost curve, terwijl in andere studies
de abatement cost curve is verrijkt met aanvullende modelanalyses, waarin bijvoorbeeld
ook rekening wordt gehouden met het investeringsritme van bedrijven en een bepaalde
overstapdrempel. Dit leidt tot hogere CO2-prijzen, omdat burgers, bedrijven en instellingen niet altijd direct een reductiemaatregel
nemen als die financieel net rendabel is geworden. Ten derde is relevant in hoeverre
beprijzing wordt gecombineerd met ander normerend en/of subsidiërend beleid. Zo is
in de gebouwde omgeving een aanzienlijk lagere beprijzing nodig, wanneer ook gebruik
wordt gemaakt van normering. En in de industrie en glastuinbouwsector heeft bijvoorbeeld
de SDE++ subsidie een grote impact.
Deze leden begrijpen dat uit recente analyses blijkt dat milieuschade in de circulaire
keten nog onvoldoende wordt beprijsd. Is de Staatssecretaris bereid om te verkennen
hoe fiscale prikkels structureel kunnen bijdragen aan het behalen van de doelen uit
het Nationaal Programma Circulaire Economie? Wordt hierbij ook gekeken naar een meer
samenhangende beleidsstrategie?
In de Kamerbrief «Overzicht fiscale prikkels voor de circulaire transitie» is recent
door de toenmalig Staatssecretaris Heijnen (Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane)
een overzicht gegeven hoe de fiscaliteit kan bijdragen aan een circulaire economie.
Samen met de voorstellen die door de Werkgroep Afvalsector gedaan zin en de Kamerbrief
over reparatie die binnenkort verzonden wordt geeft dit een volledig beeld van welke
fiscale prikkels de circulaire transitie op welke manier kunnen ondersteunen.
Kan de Staatssecretaris toelichten hoe de resultaten van deze studies worden vertaald
naar concreet beleid en op welke manier hierbij wordt geborgd dat lasten eerlijk worden
verdeeld tussen huishoudens en bedrijven?
Het kabinet treft in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende nationale maatregelen
om emissiereductiedoelen te halen. De inzichten van de studies zullen daarbij worden
meegewogen, waarbij ook zal worden gekeken naar de verdeling van lasten tussen verschillende
groepen.
Deze leden onderschrijven het belang van Europese coördinatie bij grondstoffenheffingen,
maar constateren ook dat implementatie op EU-niveau tijd kost. Kan de Staatssecretaris
reflecteren op de mogelijkheid en wenselijkheid van tijdelijke nationale maatregelen
ter ondersteuning van bijvoorbeeld de plasticrecyclingsector en onder welke voorwaarden
dergelijke maatregelen weer zouden worden afgebouwd bij invoering van EU-beleid?
De recyclingsector loopt er tegen aan dat gerecyclede materialen niet kunnen concurreren
met virgin materialen en goedkope gerecyclede materialen van buiten de EU. Het kabinet
zet allereerst in op een structurele verbetering van de recyclaatmarkt. Hiervoor zijn
ambitieuze Europese doelstellingen voor het verplicht toepassen van recyclaat in de
verschillende productwetgevingen belangrijk. De doelstellingen gaan echter pas vanaf
2030 (Verpakkingenverordening) in. De komende jaren moet de sector nog concurreren
met virgin materialen.
Op de zeer korte termijn maken stijgende olieprijzen en productie-onderbrekingen in
Azië het prijsverschil tussen virgin en gerecycled plastic kleiner. Door deze marktomstandigheden
wordt primair fossiel plastic duurder ten opzichte van plastic recyclaat. Het valt
echter niet te voorspellen of dit enkele een tijdelijke situatie is, of dat dit langer
zal aanhouden. Via de fiscaliteit kan beleid gevoerd worden dat virgin materialen
duurder maakt en daarmee de business case van recycling verbetert. Het is echter lastig
om dit beleid aan het begin van de keten unilateraal te voeren. Zo heeft het vorige
kabinet geprobeerd een polymerenbelasting in te voeren. Echter leidt deze belasting
volgens Trinomics1 tot een grote verschuiving van productie, indien dit unilateraal wordt ingevoerd.
Hiervoor is dus internationale samenwerking nodig. Bij unilaterale heffingen meer
aan het einde van de keten op productniveau geldt dat dit een effectief instrument
zou kunnen zijn om een gelijker speelveld te creëren voor circulaire producten. Hiervoor
geldt dat de uitvoerbaarheid echter zeer lastig is, gezien de afbakeningsproblematiek
en de hoeveelheid belastingplichtigen die dit met zich meebrengt. Een andere mogelijkheid
om de recyclingsector te stimuleren is door vraagcreatie. Dit kan door bijvoorbeeld
normerend beleid zoals de Europese bijmengverplichting.
Deze leden constateren dat een gedifferentieerde vliegbelasting bijdraagt aan een
betere beprijzing van de klimaatimpact van vliegen, met name doordat langere afstanden
zwaarder worden belast. Tegelijkertijd blijven de klimaateffecten relatief beperkt.
Hoe beoordeelt het kabinet deze maatregel in verhouding tot alternatieven om meer
CO2-reductie te realiseren?
De maatregel heeft zowel een budgettair doel, als het doel om de externe kosten die
samenhangen met de luchtvaart in grotere mate te internaliseren dan momenteel het
geval is. De maatregel kent geen afzonderlijke doelstelling met betrekking tot het
behalen van een specifieke milieuwinst, zoals een CO2-reductie. Wel kan de maatregel indirect iets bijdragen aan het behalen van milieuwinst,
doordat langere vluchten relatief zwaarder worden belast. Onderzoek van CE Delft laat
ook zien dat deze maatregel zorgt voor een kleine verschuiving van langere naar kortere
vluchten, hetgeen leidt tot een daling van de totale CO2-emissies van de Nederlandse luchtvaart van circa 1,9%.2
De beleidsinzet voor de CO2-reductie van de luchtvaart is primair gericht op bijmenging van duurzame brandstoffen
en technologische ontwikkeling. Bijmenging is de meest effectieve wijze om de CO2-uitstoot op de korte tot middellange termijn te verlagen. Voor de langere termijn
moet elektrisch vliegen en vliegen op waterstof substantieel gaan bijdragen aan de
energietransitie.
De luchtvaart is een mondiale sector met een mondiale impact. Wat betreft beprijzingsmaatregelen
geldt dan ook dat deze de meeste impact hebben wanneer deze op mondiaal, dan wel Europees
niveau worden ingevoerd, mede omdat daarmee weglekeffecten worden beperkt en een gelijker
speelveld ontstaat. Daarom zet het kabinet zich zowel op mondiaal als op Europees
niveau in voor een eerlijke beprijzing van de luchtvaartsector. Tegelijkertijd acht
het kabinet nationale maatregelen, zoals de gedifferentieerde vliegbelasting, noodzakelijk
zolang internationale harmonisatie uitblijft.
Hiernaast vragen de leden hoe het kabinet omgaat met ontwijkgedrag via buitenlandse
luchthavens.
Het kabinet neemt het risico op uitwijk via buitenlandse luchthavens serieus. Voor
de differentiatie naar afstand van het tarief van de vliegbelasting is de mogelijke
uitwijk specifiek door de maatregel dan ook onderzocht. Het onderzoek laat zien dat
het totaal aantal passagiers dat vliegt vanaf een Nederlandse luchthaven naar verwachting
met 0,2% daalt door de maatregel.3 Ongeveer een kwart van deze 0,2% kiest ervoor om te vliegen vanaf een luchthaven
over de grens, het merendeel kiest ervoor om niet meer te vliegen of gebruik te maken
van een andere vervoersmodaliteit, zoals de trein of de auto. Wat betreft het reizen
via buitenlandse luchthavens blijkt uit recent onderzoek ook dat het aandeel Nederlanders
dat vliegt vanaf een buitenlandse luchthaven stabiel blijft op circa 13%.4 In eerder onderzoek uit 2018 was dit percentage circa 12%.5 Wel neemt het aantal Nederlanders dat vertrekt vanaf een luchthaven over de grens
toe. Zo vertrokken er in 2024 naar schatting 800.000 Nederlanders meer van de luchthavens
bij Düsseldorf, Osnabrück en Brussel dan in 2019.6 Vooral inwoners nabij de grenzen met België en Duitsland vliegen relatief vaker vanaf
luchthavens in die landen. Daar tegenover staat dat ook meer Nederlanders vanaf Nederlandse
luchthavens zijn gaan vliegen, ook ongeveer 800.000, en ook Belgen en Duitsers via
Nederland reizen.
In de context van vraag en aanbod naar luchtvaart in Nederland, moet in ogenschouw
worden genomen dat de Nederlandse luchtvaart een hoge latente vraag kent. Dat wil
zeggen dat de vraag naar luchtvaart vanuit Nederland hoger is dan het aanbod. Dit
komt door de capaciteitsrestricties op het aantal vliegtuigbewegingen.7 Een afname van de vraag door bijvoorbeeld hogere ticketprijzen zal daarom naar verwachting
niet direct leiden tot een lagere hoeveelheid vliegbewegingen. Deze vraaguitval wordt
namelijk grotendeels opgevangen door de latente vraag van andere reizigers.
Dit alles bezien, acht het kabinet de mogelijke uitwijk door de vliegbelasting en
meer specifiek de differentiatie van het tarief op zichzelf, acceptabel. Tegelijkertijd
neemt het kabinet de signalen over uitwijk serieus en zal deze ontwikkelingen in de
gaten houden. De effecten van de differentiatie van het tarief van de vliegbelasting
zullen dan ook periodiek worden gemonitord.
Ook vragen de leden naar welke Europese afstemming met betrekking tot de vliegbelasting
door het kabinet wordt nagestreefd.
De luchtvaart is een mondiale sector met een mondiale impact. Beprijzingsmaatregelen
hebben daarom de meeste impact wanneer deze op een mondiaal, dan wel Europees, niveau
worden geïmplementeerd. Daarom zet het kabinet zich zowel op mondiaal als op Europees
niveau in voor een eerlijke beprijzing van de luchtvaartsector. Meer specifiek streeft
het kabinet naar een geharmoniseerde EU-vliegbelasting. Op deze manier wordt een meer
gelijk speelveld gecreëerd voor luchtvaart binnen de EU. Binnen dit gelijke speelveld
kan dan ook de inzet van bijvoorbeeld schonere brandstof of schonere vliegtuigtypes
worden beloond.
Internationale beprijzing kent echter vele drempels, zoals bijvoorbeeld de Europese
energiebelastingrichtlijn die het belasten van kerosine in de weg staat. Het aanpassen
van deze richtlijn is op korte termijn niet realistisch. Het kabinet acht het daarom
nodig om nationale maatregelen, zoals de vliegbelasting, te hanteren.
Kan de Staatssecretaris reflecteren op de balans tussen klimaatdoelen en het vestigingsklimaat
en hoe dit past binnen de bredere ambities uit het coalitieakkoord om geluidsoverlast
te beperken en een reductie van het aantal vluchten te realiseren?
In het coalitieakkoord wordt stilgestaan bij het belang van de hub-functie van Schiphol
voor de Nederlandse economie. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat de luchtvaart
voor belasting van het milieu, het klimaat en de leefbaarheid van de omgeving zorgt.
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is een balanced approach-procedure
gestart en heeft deze afgerond om een betere balans te bereiken tussen het belang
van de luchtvaart enerzijds en het belang van de leefomgeving en omwonenden anderzijds.
De nu voorliggende conceptwijziging van het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) heeft als
doel om een juridische basis te bieden voor de operatie op Schiphol waardoor het anticiperend
handhaven kan worden beëindigd. Daarnaast wordt met het ontwerpbesluit opvolging gegeven
aan de bevelen uit het vonnis van de rechtszaak die de stichting Recht op Bescherming
tegen Vliegtuighinder (RBV) tegen de Staat heeft aangespannen (RBV-zaak) en legt dit
de uitkomst van de balanced approach-procedure vast. Hierbij hoort een maximale capaciteit
van 478.000 vliegbewegingen per jaar, waarvan 27.000 in de nacht.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten vanuit het veld
over de noodzaak om de circulaire transitie te versnellen en zien deze stukken als
aanknopingspunten om de inzet van fiscale instrumenten verder te versterken.
Deze leden constateren dat nader onderzoek naar een heffing op eenmalige plastic verpakkingen
door Berenschot als verstandig wordt beoordeeld. Kan de Staatssecretaris aangeven
of de Staatssecretaris voornemens is vervolgonderzoek uit te laten voeren in samenwerking
met relevante stakeholders en of de Kamer hierover tijdig wordt geïnformeerd?
Het externe vervolgonderzoek naar een belasting op plastic verpakkingen voor eenmalig
gebruik in brede zin is afgerond en wordt spoedig met de Kamer gedeeld. Met Prinsjesdag
zal het kabinet met de Kamer delen hoe het om wil gaan met de technische invulling
uit het Belastingplan 2026 (BP26) die nu bij de afvalsector is belegd en zal het de
Kamer een appreciatie van dit onderzoek en de voorstellen van Werkgroep Afvalsector
doen toekomen.
De leden van de D66-fractie vragen het kabinet hoe het kabinet de huidige heffing
van energiebelasting op zowel het moment van opslag als van teruglevering in thuisbatterijen
beoordeelt. Acht het kabinet deze dubbele belastingheffing in lijn met de doelstellingen
van fiscale vergroening en het stimuleren van flexibiliteit in het energiesysteem?
Voorts vragen deze leden in hoeverre de huidige fiscale behandeling van thuisbatterijen
een belemmering vormt voor de uitrol van opslagcapaciteit bij huishoudens. Zijn er
signalen dat investeringen hierdoor worden uitgesteld of achterwege blijven?
De energiebelasting bij batterijopslag heeft onze aandacht. Het kabinet wil voorkomen
dat er in de keten meerdere keren energiebelasting wordt geheven over dezelfde elektriciteit.
Dat zou namelijk de opkomst van thuisbatterijen en bi-directioneel laden bij auto’s
kunnen afremmen. Tot 2027 voorkomt de salderingsregeling dubbele energiebelasting
bij kleinverbruikersaansluitingen. Na onderzoek van het Ministerie van Financiën is
gebleken dat het op dit moment technologisch niet mogelijk is om de dubbele energiebelasting
bij kleinverbruikersaansluitingen te voorkomen. Deze uitkomsten zijn op 5 juli 2023
met uw Kamer gedeeld.8 Ook de groei in het gebruik van slimme meters biedt geen uitkomst, omdat de slimme
meter alleen meet tussen de kleinverbruikersaansluiting en het «publieke net». Het
op- en ontlaadgedrag van een thuisbatterij in combinatie met bijvoorbeeld zonnepanelen
is daarom achter-de-meter niet via de slimme meter af te lezen ten behoeve van de
energiebelasting.
Het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat hebben
contact met de energieopslagsector over manieren waarop de dubbele energiebelasting
kan worden voorkomen voor kleinverbruikersaansluitingen. Dit vereist innovaties op
het gebied van monitoring, waarmee inzicht wordt verkregen of en wanneer een kWh belast
is. Zo wordt nu bijvoorbeeld nagedacht over manieren om meters te plaatsen bij een
thuisbatterij, waardoor meer inzicht in het gedrag van de thuisbatterij wordt verkregen.
Belangrijk is om daarbij ook af te wegen met welke administratieve lasten het voorkomen
van dubbele energiebelasting gepaard gaat, of de werkwijze uitvoerbaar is voor energieleveranciers
en de Belastingdienst en of de werkwijze controleerbaar is voor de Belastingdienst.
Economisch dubbele energiebelasting bij thuisbatterijen c.q. thuis opgeladen accu’s
van elektrische auto’s treedt overigens niet altijd op als elektriciteit wordt opgeslagen.
Dubbele energiebelasting treedt níet op bij een verbruiker die zelf elektriciteit
opwekt, die opslaat in een batterij en vervolgens zelf verbruikt; de verbruiker betaalt
dan in het geheel geen energiebelasting over deze zelf opgewekte elektriciteit. Er
is evenmin sprake van dubbele energiebelasting als een verbruiker elektriciteit afneemt
van het net, die opslaat in een batterij en vervolgens zelf verbruikt; de verbruiker
betaalt dan éénmaal energiebelasting, namelijk bij afname van het net. Er wordt ook
geen dubbele energiebelasting betaald als de verbruiker zelf elektriciteit opwekt,
die opslaat in een batterij en vervolgens invoedt op het net gevolgd door een levering
van die elektriciteit aan een andere verbruiker elders in de keten; die elektriciteit
is dan éénmaal belast, bij de laatste levering. Dubbele energiebelasting komt met
het vervallen van de salderingsregeling per 2027 alleen voor wanneer elektriciteit
wordt afgenomen van het net (belast), wordt opgeslagen in een batterij, daarna wordt
ingevoed op het net (onbelast) en vervolgens wordt geleverd aan een andere verbruiker
elders in de keten (belast). De belasting wordt dan niet bij één partij twee keer
geheven, maar bij verschillende partijen één keer.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe Nederland zich verhoudt tot andere
EU-lidstaten op dit punt. In welke landen is sprake van vergelijkbare dubbele heffing
en waar zijn reeds maatregelen genomen om deze te voorkomen?
De energiebelasting is verschillend geregeld in de verschillende EU-lidstaten. Het
Ministerie van Financiën gaat op dit moment na of er onderzoeken zijn naar het voorkomen
en eventueel oplossen van dubbele energiebelasting in andere lidstaten. Als dubbele
energiebelasting in andere lidstaten kan worden voorkomen, is het niet gezegd dat
die oplossing ook voor de Nederlandse energiebelasting werkt door de verschillen in
de vormgeving van de energiebelasting en in de lokale energiemarkt tussen verschillende
lidstaten.
De leden van de D66-fractie merken op dat er nog steeds sprake is van dubbele energiebelasting
bij opslag in bijvoorbeeld thuisbatterijen of de accu van een elektrische auto. Deze
leden vragen of deze dubbele belastingheffing rechtmatig is: er wordt immers twee
keer belasting geheven over hetzelfde product.
In de Wet belastingen op milieugrondslag is geregeld dat de levering van elektriciteit aan een verbruiker is belast met energiebelasting. Indien dezelfde
elektriciteit meerdere keren wordt geleverd, is er ook meerdere keren sprake van een
belastbaar feit. Hoewel beleidsmatig een onwenselijke uitkomst is dit wel in overeenstemming
met de wet. De wettelijke bepalingen stammen uit een tijd dat het gebruik van elektriciteit
minder complex was. In 1996, bij de invoering van de (regulerende)energiebelasting,
is de keuze gemaakt om aan te sluiten bij de levering omdat daar de meetgegevens bij
de leverancier bekend zijn. Elektriciteit werd centraal opgewekt en door een energieleverancier
aan een eindverbruiker geleverd die alle elektriciteit direct zelf gebruikte. Levering
stond daarmee feitelijk in de meeste gevallen gelijk aan verbruik. In de loop der
jaren zijn eindverbruikers ook zelf elektriciteit gaan opwekken en tevens gaan leveren
aan het net. Daarnaast komt de opslag van zelfopgewekte of van het net afgenomen elektriciteit
steeds vaker voor. Hierdoor staat levering niet meer in alle gevallen gelijk aan verbruik.
Bovendien vindt door deze ontwikkelingen steeds vaker vermenging plaats achter de
aansluiting: elektriciteit die zelf is opgewekt wordt vermengd met elektriciteit die
van het net wordt afgenomen. Het belastbare feit is volgens de wettelijke bepalingen
nog altijd de levering van elektriciteit; dat is de rechtsgrondslag voor de heffing.
De reden dat de levering aangrijpingspunt is voor het moment van heffing, is dat het
ingewikkeld is om het daadwerkelijke verbruik te bepalen, zeker in situaties waarin
vermenging plaatsvindt. Daarom is het technisch, juridisch en uitvoeringstechnisch
ingewikkeld om daadwerkelijk verbruikte elektriciteit te belasten in plaats van geleverde
elektriciteit. Het ministerie blijft in contact met de sector, andere ministeries
en de Belastingdienst om te kijken of er mogelijkheden ontstaan om de daadwerkelijk
verbruikte elektriciteit op een betrouwbare en controleerbare wijze te bepalen zodat
dubbele energiebelasting kan worden voorkomen.
Ook vragen deze leden op welke manier deze dubbele belastingheffing kan worden voorkomen.
Welke beleidsopties liggen hiervoor op tafel? Is het hiervoor voldoende om de hoeveelheid
elektriciteit die is opgeslagen en weer teruggeleverd, af te trekken van het totaal
aan verbruikte elektriciteit? Indien hier uitvoeringsproblemen zijn, zou er dan een
mogelijkheid zijn om met forfaits te werken?
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de beantwoording van de eerste
vragen van deze leden over dubbele energiebelasting.
Ook vragen deze leden of er bij aanpassing sprake is van budgettaire gevolgen, aangezien
de dubbele energiebelasting nu ten onrechte geheven wordt.
Allereerst wil het kabinet benadrukken dat er geen sprake is van een onterechte heffing.
Levering van elektriciteit wordt belast. Zoals eerder beschreven kan dit ertoe leiden
dat dezelfde elektriciteit in de keten meer dan eens kan worden belast. Het kabinet
beschouwt dit als onwenselijk en wil dit graag aanpassen als hiervoor een passende
oplossing wordt gevonden. Indien deze oplossing wordt gevonden en ertoe wordt besloten
deze in te voeren, dan heeft dit naar verwachting budgettaire gevolgen en zal de derving
gedekt dienen te worden.
Ten slotte vragen de leden van de D66-fractie hoe het kabinet de rol van thuisbatterijen
ziet in het licht van netcongestie en de energietransitie en of de huidige fiscale
behandeling daarbij als ondersteunend of juist belemmerend wordt gezien.
De thuisbatterij is een nuttige en noodzakelijke aanbieder van flexibiliteit, maar
heeft vanuit het elektriciteitsnet bezien geen voorkeurspositie ten opzichte van andere
apparaten die ook flexibiliteit kunnen bieden. Momenteel wordt vanuit het Landelijk
Actieprogramma Netcongestie (LAN) en in het Aansluitoffensief9 ingezet op de bevordering van flexibiliteit op het elektriciteitsnet. Voor kleinverbruikers
betreft dit onder andere de invoering van een tijdgebonden nettarief waarmee prikkels
worden gegeven voor efficiënt netgebruik. Ook wordt het inzicht vergroot op waar,
wanneer en hoeveel flexibiliteit nodig is om netcongestie te verzachten, onder andere
in het laagspanningsnet. De thuisbatterij speelt hier samen met andere apparaten die
flexibiliteit kunnen leveren een belangrijke rol.
Inzet van thuisbatterijen is bovendien nuttig om het zelfgebruik van zonnepanelenenergie
te verbeteren. Thuisbatterijen worden daarnaast ingezet om te handelen op de energiemarkten.
Hierdoor kan op lokale kritieke punten in het elektriciteitsnet juist een hogere piek
ontstaan bij bepaald laad- of ontlaadgedrag van thuisbatterijen. Zo kan het zijn dat
batterijen bijvoorbeeld massaal op een lage elektriciteitsprijs reageren en zo een
eigen piek in het elektriciteitsnet creëren. Hiermee kan netcongestie juist verergerd
worden. Daarom is het van groot belang om eerdergenoemde systeemprikkels en randvoorwaarden
van opslag zo goed mogelijk vorm te geven. Hier wordt aan gewerkt in de Beleidsagenda
Energieopslag.
Thuisbatterijen nemen in grote mate toe. De verwachting is dat het aantal thuisbatterijen
met het afschaffen van de salderingsregeling verder blijft groeien. Op zichzelf maakt
het vervallen van de salderingsregeling het gebruik van batterijen aantrekkelijker
doordat het gunstiger wordt om opgewekte elektriciteit zelf te gebruiken in plaats
van terug te leveren aan het net. Tegelijkertijd leidt het vervallen van de salderingsregeling
wel tot dubbele energiebelasting bij afnemen, opslaan en weer terugleveren van elektriciteit
van het net. Zoals hiervoor is opgemerkt blijft het Ministerie van Financiën in contact
met de sector, andere ministeries en de Belastingdienst om te kijken of er mogelijkheden
kunnen worden gevonden om de daadwerkelijk verbruikte elektriciteit te bepalen zodat
dubbele energiebelasting kan worden voorkomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben ten aanzien van de verkenning van het toespitsen
van belastingvermindering energiebelasting op huishoudens kennisgenomen van het rapport
«versmalling reikwijdte vermindering energiebelasting» en de bijbehorende kabinetsbrief.
Deze leden staan voor versimpeling van het belastingstelsel. Tegelijkertijd vinden
deze leden de energiebelasting nu al te hoog, terwijl deze leden lezen dat bij uitvoering
van deze plannen er nog een verhoging van honderden miljoenen (427 miljoen euro per
2028) voor bedrijven en instellingen in het verschiet ligt. Deelt het kabinet de mening
dat een dergelijke verhoging onwenselijk is?
Daarnaast constateren deze leden dat met het toespitsen van de belastingvermindering
op huishoudens, geen onderscheid kan worden gemaakt tússen huishoudens. Tegelijkertijd
bevindt de achtergrond van deze maatregel zich mede in de politiek die zoekt naar
een instrument om ten tijde van hoge energieprijzen gericht huishoudens te kunnen
helpen. Is het volgens het kabinet wenselijk dat tijdens hoge energieprijzen de politiek
met deze maatregel enkel álle huishoudens kan helpen?
De hoogte van de energierekening van huishoudens en bedrijven is ook onderdeel van
gesprek in de augustusbesluitvorming. Daar loopt het kabinet niet op vooruit.
Het kabinet zet in elk geval in op de door de leden gesteunde versimpeling van het
belastingstelsel door de uitvoering van de belastingvermindering te vereenvoudigen.
In het wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2028 stelt het kabinet voor om in de uitvoering
gebruik te gaan maken van bestaande bronnen om te bepalen of de belastingvermindering
moet worden toegepast. Dit leidt tot een significante vereenvoudiging van de uitvoering
van de belastingvermindering voor energieleveranciers en de Belastingdienst. De reikwijdte
(verblijfsfunctie) blijft daarbij onveranderd. De maatregel kan naar verwachting in
werking treden op 1 januari 2029.
De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van de beprijzing van gebouwde omgeving
en ETS2-industrie daarnaast in het rapport «mogelijkheden voor behalen emissiedoel
woningen» dat extra beprijzing ervoor kan zorgen dat het restemissiedoel voor woningen
kan worden behaald. De leden van de VVD-fractie willen van het kabinet weten hoe het
kabinet reflecteert op dit rapport. Deze leden merken daarbij op dat veel huishoudens
zich juist in deze tijd zorgen maken over de betaalbaarheid van de energierekening
Voor de borging van de emissiereductiedoelen gaat om de combinatie van beprijzend,
normerend en faciliterend beleid. Hogere marktprijzen voor aardgas zorgen ook voor
een prikkel om het gasverbruik te verminderen. Tegelijkertijd vindt het kabinet het
belangrijk dat huishoudens deze transitie ook kunnen mee maken en voldoende handelingsperspectief
hebben. In hoeverre het verwachte beleid leidt tot voldoende emissiereductie wordt
getoetst door het Planbureau voor de Leefomgeving in de Klimaat- en Energieverkenning.
Het kabinet treft in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende nationale maatregelen
om emissiereductiedoelen te halen. Het kabinet heeft hierbij oog voor het effect van
de huidige marktprijzen en van eventueel aanvullend beleid op de hoogte van de energierekening
van kwetsbare huishoudens. Het kabinet beoogt dat huizen zo veel mogelijk worden verduurzaamd
om zo de afhankelijkheid van gas te verminderen en de financiële positie van huishoudens
structureel te verbeteren. Daarbij blijft het kabinet zoeken naar mogelijkheden om
de meest kwetsbare huishoudens te helpen.
Deze leden hebben daarnaast kennisgenomen van het rapport «additionele CO2-beprijzing ETS2-industrie en dienstensector». Deze leden hechten waarde aan verduurzaming
en een verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, maar zijn tegenstander
van additionele beprijzing. In de landen om ons heen zien deze leden juist een tegengestelde
trend: de energiekosten worden verlaagd. De leden van de VVD-fractie willen voorkomen
dat bedrijven naar het buitenland vertrekken door extra beprijzing. Hoe kijkt het
kabinet hiernaar?
Het kabinet onderstreept het belang van het verminderen van de afhankelijkheid van
fossiele brandstoffen, mede omdat de structurele concurrentiekracht van de economie
hierdoor verbetert. Het is belangrijk dat bedrijven in Nederland gaan investeren in
het verminderen van hun fossiele afhankelijkheden. Vergeleken met andere Europese
landen stelt Nederland daarom ook relatief veel subsidiemiddelen beschikbaar om bedrijven
te helpen bij de verduurzaming.
De verlaging van energiekosten in het buitenland wordt veelal gericht op het verminderen
van de kosten van elektriciteit. De prikkel voor elektrificatie van gas- en brandstofverbruik
verbetert daardoor, omdat de effectieve belastingdruk bij verduurzaming dan lager
wordt. Dat is ook de reden dat het kabinet middelen heeft gereserveerd om de elektriciteitskosten
van de industrie te beperken.
Het kabinet kijkt naar de optelling van lasten en steun, in zowel het basispad als
in een pakket van eventuele aanvullende maatregelen. Het is nodig om bij deze afweging
ook de kosten voor netinfrastructuur ten opzichte van aardgasinfrastructuur mee te
wegen. Het verlagen van elektriciteitskosten is zinvol voor elektrificatie-investeringen,
maar leidt ook tot een budgettaire derving. Tegelijkertijd leiden lagere elektriciteitskosten
op zichzelf nog niet automatisch tot investeringen.
Het kabinet treft in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om
emissiereductiedoelen te halen. Daarbij zijn naast beprijzende maatregelen ook faciliterende
en normerende maatregelen een optie. Het kabinet zal dan een breed palet aan opties
wegen, waarbij ook een combinatie van beleid denkbaar is.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek naar een hogere
inzameling van drankverpakkingen. Dit betreft een nieuwe heffing waarbij producenten
per verpakkingseenheid belasting betalen, waarvan de tariefhoogte afneemt naarmate
het inzamelpercentage van de verpakkingen hoger wordt. Bij een inzamelpercentage van
95 procent zou de heffing volledig vervallen. In Noorwegen zou deze systematiek zeer
succesvol worden toegepast. Bij de appreciatie van dit voorstel wordt gesteld: «Bij
invoering is het voor de milieueffecten en behalen van wettelijke doelstellingen cruciaal
dat een eventuele nieuwe heffing als deel van een pakket aan beleidsmaatregelen geïntroduceerd
wordt.» Hoe kijkt dit kabinet aan tegen het voorstel? Wat wordt ermee bedoeld dat
het «een deel van een pakket aan beleidsmaatregelen» moet zijn?
De beleidseffecten van deze maatregel zijn door een externe partij onderzocht en het
onderzoek zal spoedig met de Kamer worden gedeeld. De resultaten van deze studie worden
betrokken bij de besluitvorming over alternatieven voor de technische invulling van
afvalmaatregelen die opgenomen is in het Belastingplan 2026. Met Prinsjesdag zal het
kabinet de resultaten van het onderzoek naar een alternatief voor de technische dekking
delen. Daarbij zal het kabinet de Kamer een appreciatie van het onderzoek doen toekomen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de tariefstudie over de CO2-heffing in de glastuinbouw. Zij lezen dat, om te voldoen aan het klimaatdoel, het
tarief moet worden verhoogd naar 53,15 euro per ton CO2 in 2030. Deze leden vragen wat het kabinet met deze conclusie gaat doen. Daarbij
merken deze leden op dat zij het belangrijk vinden dat de glastuinbouw in Nederland
niet op een concurrentieachterstand wordt gezet.
Het kabinet neemt in augustus een besluit over de hoogte van de CO2-beprijzing in de glastuinbouwsector en zal de Tweede Kamer met Prinsjesdag hierover
informeren. In de afweging spelen verschillende aspecten een rol, zoals wat nodig
is om de klimaatdoelen te halen en de concurrentiepositie van de glastuinbouwsector.
Eenzelfde soort vraag hebben de leden van de VVD-fractie bij het onderzoek naar beprijzing
in de veehouderij en akkerbouw. Ook voor de veehouderij en akkerbouw zou extra beprijzing
nodig zijn om de restemissiedoelen te behalen. Wat wil het kabinet met deze conclusie
doen?
Momenteel wordt er in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof al gewerkt aan een
maatregelenpakket dat moet leiden tot een generieke emissiereductie voor stikstof,
waarbij ook effecten op klimaat meegenomen worden. In dit kader werkt het kabinet
bedrijfsspecifieke emissienormen voor ammoniak en broeikasgasemissies met prioriteit
uit. Bij de systematiek van afrekenbare emissienormen wordt er in feite ook een prijs
op emissies gezet. Vóór de zomer zal de Kamer geïnformeerd worden over de verdere
invulling van het maatregelenpakket. In het voorjaar van 2027 nemen we, indien nodig,
aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te realiseren.
De leden van de fractie van de VVD constateren ten aanzien van het onderzoek Energie-investeringsaftrek
(EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA) dat in het coalitieakkoord is opgenomen dat
de EIA, MIA en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) «waar mogelijk»
worden samengevoegd tot één investeringsregeling. Deze leden vragen of en zo ja welke
conclusies uit dit onderzoek worden meegenomen, en op welke manier, in de uitvoering
van dit punt van het coalitieakkoord.
In het Coalitieakkoord is afgesproken dat de energie-investeringsaftrek (EIA), de
milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige Afschrijving milieu-investeringen
(Vamil) waar mogelijk worden samengevoegd tot één robuuste investeringsregeling. Hierbij
neemt het kabinet de conclusies uit het uitgevoerde onderzoek10 van Dialogic mee. De Belastingdienst en RVO werken reeds samen aan de uitvoerbaarheid
van de regelingen. Bekeken wordt hoe de uitvoerbaarheid en administratieve last van
de afzonderlijke regelingen en van een eventuele toekomstige gecombineerde regeling
verder geoptimaliseerd kan worden. In aanvulling op het uitgevoerde onderzoek zal
het kabinet bij de uitwerking van één robuuste investeringsregeling ook bezien hoe
de doelmatigheid verder kan worden vergroot. Zoals toegezegd tijdens het commissiedebat
fiscaliteit van 11 maart jl., wordt uw Kamer na de zomer uitgebreider geïnformeerd
over de uitwerking van een samengevoegde regeling en welke vervolgonderzoeken het
kabinet in dit kader voornemens is om te doen. Het kabinet zal dan ook een uitgebreidere
appreciatie van de aanbevelingen uit het onderzoek van Dialogic geven.
De leden van de VVD-fractie hebben, tot slot, kennisgenomen van het rapport van de
werkgroep afvalsector. Hoe reflecteert het kabinet op de conclusies uit dit rapport?
Het kabinet is dankbaar voor het rapport van de Werkgroep Afvalsector en de daarin
geschetste alternatieven. Met Prinsjesdag zal het kabinet de resultaten van het onderzoek
naar een alternatief voor de technische dekking delen. Daarbij zal het kabinet de
Kamer een appreciatie van het onderzoek doen toekomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn op het punt van het onderzoek naar gedifferentieerde
vliegbelasting blij dat de Wet differentiatie vliegbelasting is aangenomen en langeafstandsvluchten
per 1 januari 2027 zwaarder belast zullen worden. Deze leden constateren echter dat
de negatieve externe effecten ook met deze verhoging van de vliegbelasting voor geen
enkele vlucht volledig geïnternaliseerd worden. Deze leden vragen wat de Staatssecretaris
daarvan vindt. Is het wat de Staatssecretaris betreft wenselijk dat de negatieve externe
effecten volledig beprijsd worden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het wenselijk om de negatieve externe effecten van de luchtvaart
te beprijzen. Uit onderzoek komt namelijk naar voren dat de externe kosten van met
name langeafstandsvluchten in relatief geringe mate zijn geïnternaliseerd in de prijs
van een vliegreis.11 Bij het beprijzen van externe effecten, houdt het kabinet rekening met de concurrentiepositie
ten opzichte van het buitenland. Het als enige land beprijzen van alle externe kosten
van de luchtvaart zou deze concurrentiepositie ernstig kunnen schaden. Het kabinet
zet zich daarom wel steevast in voor het beprijzen van luchtvaart op Europees, dan
wel mondiaal niveau, om zo tot een eerlijke beprijzing van de luchtvaart te komen
en tegelijkertijd een gelijk speelveld te behouden. Hiernaast benadruk ik dat het
kabinet ook constant werkt aan een balans tussen de leefbaarheid, veiligheid, duurzaamheid
en bereikbaarheid met betrekking tot de luchtvaart in Nederland.
Deze leden menen ook dat het verstandiger was geweest het uitgangspunt van budgetneutraliteit
los te laten, omdat dat uitgangspunt ertoe leidt dat niet gekozen wordt voor de meest
effectieve en volledige vorm van beprijzing. Zo valt bijvoorbeeld te lezen dat het
effect van de verhoging van de vliegbelasting op het aantal vluchten en de totale
CO2-uitstoot van de luchtvaart in Nederland slechts beperkt is, terwijl het doel van
een vliegbelasting onder andere is om de negatieve impact van vliegverkeer te verkleinen.
Is de Staatssecretaris het daarmee eens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de Staatssecretaris
bereid om de vliegbelasting verder te verbeteren en het uitgangspunt van budgetneutraliteit
daarbij los te laten? Deze leden vragen ook of de Staatssecretaris een nieuw onderzoek
kan laten uitvoeren, waarbij budgetneutraliteit niet het uitgangspunt is, maar het
optimaal internaliseren van de negatieve externe effecten van vliegverkeer met zo
min mogelijk economische en sociale schade.
De differentiatie van het tarief van de vliegbelasting heeft zowel een budgettair
als een beleidsmatig doel. Enerzijds dient de maatregel om per 2027 een budgettaire
opbrengst van € 257 miljoen (prijspeil 2025) te behalen, anderzijds is de maatregel
gericht op het behalen van een hogere mate van internalisatie van de externe kosten
van de luchtvaart, binnen de voornoemde taakstellende budgettaire opbrengst. Het kabinet
is niet voornemens de maatregel verder aan te passen.
Uit onderzoek van CE Delft (2023)12 blijkt dat de maatschappelijke externe kosten van vliegen aanzienlijk kunnen zijn.
Indicatief komt het volledig beprijzen van de externe kosten voor zeer korte vluchten
(retour Londen en Parijs) neer op een beprijzing van circa € 40 tot € 60 per passagier,
voor relatief langere vluchten circa € 100 tot € 110 per passagier en voor langeafstandsvluchten
kan dit oplopen tot ruim € 600 per passagier. Daarbij geldt dat de externe kosten
(per passagier) sterk verschillen per vlucht, onder meer afhankelijk van de vliegroute,
het type vliegtuig en het type brandstof. Hierdoor is geen eenduidig tarief vast te
stellen waarmee de externe kosten van alle vluchten volledig kunnen worden geïnternaliseerd.
Een aanvullend onderzoek acht het kabinet daarom niet nodig.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het vorige kabinet niet geheel
consistent was in haar argumentatie. De vliegbelasting is onder andere bedoeld om
klimaatschade tegen te gaan. Tegelijkertijd wilde het toenmalige kabinet het aantal
verschillende directe verbindingen vanuit Nederland zoveel mogelijk in stand houden
en mede om die redenen geen belasting opleggen aan transferpassagiers. Deze leden
zijn daarom benieuwd of het huidige kabinet wil dat het totaal aantal vliegbewegingen
minder wordt, of het kabinet wil dat het aantal langeafstandsvluchten afneemt, of
dat kabinet het geen van beide wenselijk vindt. En in het laatste geval: hoe is dit
te rijmen met het doel van de vliegbelasting? Is die wat dit kabinet betreft bedoeld
om vliegen te ontmoedigen of niet?
Het bewerkstelligen van afname van het totaal aantal vliegbewegingen of het totaal
aantal langeafstandsvluchten is geen doel van de vliegbelasting. Wel kan een dergelijke
afname een effect zijn van de vliegbelasting of specifieke maatregelen binnen de vliegbelasting.
Zo zorgt de differentiatie van het tarief van de vliegbelasting naar verwachting voor
een afname van de vraag naar langeafstandsvluchten en vindt er een beperkte verschuiving
plaats van langere intercontinentale vluchten naar kortere vluchten binnen Europa.
Zo nee, wat vindt het kabinet van de bijdrage van de luchtvaartsector aan de klimaatverandering?
De internationale luchtvaart draagt voor 2 tot 3% bij aan de door menselijk handelen
veroorzaakte CO2-emissies. De verwachting is dat dit aandeel zonder maatregelen zal toenemen. De prognose
is namelijk dat er wereldwijd meer zal worden gevlogen en dat de luchtvaart minder
snel kan verduurzamen dan andere sectoren.
In het Parijs-akkoord is de verantwoordelijkheid voor de internationale luchtvaart
belegd bij de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) van de Verenigde Naties.
In 2022 heeft ICAO een lange termijn doel voor de internationale luchtvaart geformuleerd,
namelijk netto nul CO2-emissies in 2050. Naast het mondiale ICAO-doel zijn er ook op Europees niveau doelen
en maatregelen om de luchtvaart te verduurzamen, zoals de bijmengverplichting voor
duurzame brandstoffen en EU ETS. Aanvullend hierop hebben de luchtvaartsector en de
overheid nationaal, via het Akkoord Duurzame Luchtvaart, afspraken gemaakt om de CO2-uitstoot te verminderen. Die reductiedoelen zijn overgenomen en geconcretiseerd in
de Luchtvaartnota 2020- 2050.13
Het bereiken van deze doelen betekent een omvangrijke transitie voor de luchtvaart,
zowel omwille van het klimaat als van de toekomstbestendigheid van de sector. De doelen
zullen primair worden gerealiseerd door technologische vernieuwing, duurzame brandstoffen,
nieuwe energiedragers en door efficiënter te vliegen. Zoals genoemd, is de Nederlandse
beleidsinzet daarom met name gericht op duurzame brandstoffen en technologische ontwikkeling.
Bijmenging is de meest effectieve wijze om de CO2-uitstoot op de korte tot middellange termijn te verlagen. Voor de langere termijn
moet elektrisch vliegen en vliegen op waterstof substantieel gaan bijdragen aan de
energietransitie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de toespitsing van de belastingvermindering
energiebelasting op huishoudens «een opbrengst zou hebben van 427 miljoen euro als
de maatregel dan zou kunnen worden ingevoerd». Deze leden vragen of de Staatssecretaris
inmiddels weet of de maatregel dan zou kunnen worden ingevoerd. Verwacht hij dat 1 januari
2028 de snelst mogelijke datum van inwerkingtreding is?
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen
van de leden van de VVD-fractie over de belastingvermindering. Zoals aangegeven in
dat antwoord kan de maatregel naar verwachting in werking treden op 1 januari 2029.
Deze leden vragen voorts of het klopt dat de belastingvermindering volledig verzilverbaar
is en daarmee economisch gezien voor de meeste mensen min of meer losstaat van de
energierekening.
De belastingvermindering is een vast bedrag per jaar dat onafhankelijk is van het
verbruik. De belastingvermindering is inderdaad volledig verzilverbaar, ook wanneer
de vermindering meer bedraagt dan de te betalen energiebelasting of zelfs de te betalen
kosten voor het verbruik van de energie. De energieleverancier brengt het bedrag in
mindering op de energierekening. Daarmee hangt de vermindering dus direct samen met
de energierekening. Door de belastingvermindering kan de energierekening ook negatief
zijn.
De belastingvermindering moet worden gezien in relatie tot de energiebelastingtarieven.
Die zijn relatief hoog vergeleken met de tarieven in andere EU-lidstaten. Van die
tarieven gaat een marginale besparingsprikkel uit. Energiebesparing is een van de
hoofddoelen van de energiebelasting. De belastingvermindering zorgt ervoor dat de
energierekening van huishoudens niet te hoog oploopt door de energiebelasting. Door
de vermindering zijn de gemiddelde tarieven die huishoudens de facto betalen significant
lager dan de marginale tarieven. De energiebelasting die een huishouden in een gemiddelde
woning in 2024 betaalde, bedroeg € 210 per jaar.
De leden vragen of het klopt dat een grotere groep huishoudens bereikt wordt als de
belastingvermindering volledig losgetrokken wordt van de energierekening, door het
bedrag simpelweg aan ieder huishouden uit te keren, omdat dan ook huishoudens zonder
individuele energierekening bereikt worden.
Bij de beantwoording wordt ervan uitgegaan dat met huishoudens zonder individuele
energierekening in de vraag wordt gedoeld op huishoudens met blokelektriciteit. Energieleveranciers
passen de belastingvermindering toe op elektriciteitsaansluitingen op een object met
een zogenoemde verblijfsfunctie. Dit gaat om alle woningen en de meeste bedrijven
en instellingen. Op alle aansluitingen passen energieleveranciers de vermindering
slechts één keer toe, ook op blokaansluitingen, omdat zij niet weten wat er achter
de aansluiting zit. Huishoudens met blokelektriciteit krijgen geen eigen elektriciteitsrekening
en ontvangen de vermindering dus niet direct. Houders van het energiecontract kunnen
daarom een teruggaveverzoek indienen bij de Belastingdienst. Op deze manier wordt
de belastingvermindering ook toegepast bij onroerende zaken die gebruik maken van
blokelektriciteit. De Belastingdienst ontving in 2025 ongeveer 31.000 verzoeken. Deze
verzoeken kunnen ook betrekking hebben op eerdere jaren. Het Ministerie van Financiën
heeft in 2024 onderzoek laten doen naar blokaansluitingen. Hieruit blijkt dat er ongeveer
21.000 panden zijn met blokelektriciteit, met daarin ongeveer 290.000 woningen.14 Als huishoudens met blokelektriciteit net als huishoudens met een eigen elektriciteitsaansluiting
direct kunnen worden benaderd via een ander instrument, kan op die manier inderdaad
beter worden geborgd dat het financiële voordeel dat is gemoeid met de belastingvermindering
c.q. dat andere instrument terechtkomt bij alle huishoudens.
Klopt het dat daarmee ook een budgettaire opbrengst gerealiseerd wordt, omdat bedrijven
en andere niet-huishoudens dan ook geen belastingvermindering meer ontvangen.
Bij de beantwoording wordt ervan uitgegaan dat er in de vraag op wordt gedoeld dat
de groep die de belastingvermindering op dit moment ontvangt, wordt beperkt tot huishoudens.
Deze groep krijgt vervolgens een bedrag uitgekeerd dat losstaat van de energierekening
en de belastingvermindering wordt afgeschaft.
In 2025 bedroeg de totale budgettaire omvang van de belastingvermindering € 4,8 miljard.
Het beperken van de belastingvermindering tot huishoudens zou in 2025 een budgettaire
opbrengst van € 441 miljoen hadden gegeven.
Indien de belastingvermindering zou worden toegespitst op huishoudens en vervolgens
vervangen door een instrument dat losstaat van de energierekening, zou dit naar verwachting
dezelfde budgettaire opbrengst opleveren als bij het toespitsen van de belastingvermindering
op huishoudens. De precieze effecten zijn afhankelijk van hoe zo’n alternatief instrument
wordt vormgegeven.
De leden vragen hoeveel huishoudens op dit moment geen recht hebben op de belastingvermindering.
Alle huishoudens met een elektriciteitsaansluiting op een object met een verblijfsfunctie
hebben recht op de belastingvermindering, dat geldt ook voor huishoudens met blokelektriciteit.
Verblijfsfunctie is een ruim begrip. In elk geval alle woningen en vakantiewoningen
vallen hieronder. Het is onbekend hoeveel huishoudens in een object wonen zonder verblijfsfunctie,
waardoor zij de belastingvermindering niet ontvangen. Ook is onbekend hoeveel huishoudens
wonen in een object mét verblijfsfunctie, maar zónder elektriciteitsaansluiting (off-grid woningen). Deze huishoudens ontvangen de belastingvermindering evenmin.
De leden vragen vervolgens of de Staatssecretaris bereid is deze optie verder te onderzoeken.
Voor zover wordt gedoeld op het toespitsen van de belastingvermindering tot huishoudens
wordt voor het antwoord op deze vraag verwezen naar de beantwoording van de vragen
van de leden van de VVD-fractie over de belastingvermindering. Voor zover wordt gedoeld
op het loskoppelen van de belastingvermindering van de energierekening, merkt het
kabinet op dat het niet voornemens is om dat te onderzoeken. Zoals hiervoor is toegelicht
bij een vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie over de relatie van de vermindering
met de energierekening brengt de energieleverancier het bedrag in mindering op de
energierekening. Daarmee hangt de vermindering dus direct samen met de energierekening.
Daarbij is tevens toegelicht dat de belastingvermindering moet worden gezien in relatie
tot de energiebelastingtarieven.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd of dit kabinet met een reactie
komt op de verschillende beprijzingsstudies over gebouwde omgeving, ETS2 industrie
en veehouderij/akkerbouw en glastuinbouw, die met de Kamer zijn gedeeld zijn, en zo
ja, wanneer deze reactie komt.
Het kabinet komt niet met een aparte reactie op deze beprijzingsstudies. Wel worden
deze studies meegenomen in de besluitvorming over mogelijk aanvullend klimaatbeleid
in het voorjaar van 2027.
Deze leden constateren dat uit het rapport over additionele CO2-beprijzing in de dienstensector blijkt dat verduurzaming onvoldoende rendabel is,
met als gevolg dat de uitstootdoelen voor 2030 niet behaald gaan worden. Het rapport
bevat twee voorstellen voor additionele reductie: een aanvullende CO2-heffing voor de dienstensector en aanpassing van de tarieven in de energiebelasting.
Deze leden vragen de Staatssecretaris welke route hij het meest kansrijk acht, of
de Staatssecretaris de voor- en nadelen van beide opties onder elkaar kan zetten en
of de Staatssecretaris daarbij specifiek kan kijken naar effectiviteit, uitvoerbaarheid
en negatieve bijeffecten. Welke optie heeft zijn voorkeur?
Een generieke verhoging van de energiebelasting heeft economisch gezien als voordeel
dat de CO2-reductie economie breed plaats vindt op de plek waar dit het meest kosteneffectief
is. Daar staat het voordeel van sectorspecifieke beprijzing tegenover dat de beprijzing
in andere sectoren dan niet oploopt bij gebruikersgroepen die reeds bij een lager
beprijzingsniveau investeren in verduurzaming. Een oplopend prijsniveau zonder faciliterend
beleid is een risico bij kwetsbare huishoudens en bij sectoren die internationaal
concurreren.
Een nadeel van sectorspecifieke beprijzing ten opzichte van de energiebelasting is
dat dit vraagt om een duidelijke afbakening van typen gebruikers van aardgas. Voor
bijvoorbeeld ETS2 is juist gekozen voor een opt-in van bepaalde gebruikers, om afbakeningsproblemen
te voorkomen.
Het kabinet treft in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende nationale maatregelen
om emissiereductiedoelen te halen. Daarbij zijn naast beprijzende maatregelen ook
faciliterende en normerende maatregelen een optie. Het kabinet zal dan een breed palet
aan opties wegen, waarbij ook een combinatie van beleid denkbaar is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat emissiebeprijzing sterk bij
lijkt te kunnen dragen aan de sectordoelen voor 2035 en verder van de melkveehouderij
en varkenshouderij, maar dat er «nog veel stappen nodig» zijn voor de vormgeving van
dergelijke heffing. Deze leden vragen welke stappen de Staatssecretaris bereid is
op korte termijn te zetten en of hij wil gaan werken aan het uitwerken van een emissiebeprijzingsstelsel
voor de veeteelt. Zo nee, kan hij toelichten waarom niet? Kan de Staatssecretaris
daarbij specifiek ingaan op inhoudelijke argumenten om dit niet te doen?
Momenteel wordt er in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof al gewerkt aan een
maatregelenpakket dat moet leiden tot een generieke emissiereductie voor stikstof,
waarbij ook effecten op klimaat meegenomen wordt. In dit kader werkt het kabinet bedrijfsspecifieke
emissienormen voor ammoniak en broeikasgasemissies met prioriteit uit. Bij de systematiek
van afrekenbare emissienormen wordt er in feite ook een prijs op emissies gezet. Vóór
de zomer zal de Kamer geïnformeerd worden over de verdere invulling van het maatregelenpakket.
In het voorjaar van 2027 nemen we, indien nodig, aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen
te realiseren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van warmtebedrijven en energiebelasting
dat warmtebedrijven profijt hebben van de manier waarop ze de energiebelasting in
rekening mogen brengen bij kleinverbruikers en dat dat voordeel afneemt tot de invoering
van de nieuwe tariefregulering. Deze leden vragen of de Staatssecretaris dit kan toelichten:
waarom neemt dit voordeel af in de komende jaren?
Warmtetarieven zijn gereguleerd. Op dit moment geldt het «niet meer dan anders»-principe
(NMDA-principe). In deze systematiek is het maximumwarmtetarief gekoppeld aan de kosten
inclusief de energiebelasting van verwarming met een eigen cv-ketel. Bij het NMDA-principe
wordt het energiebelastingtarief van de eerste en tweede schijf aardgas gehanteerd
omdat het aardgasverbruik van huishoudens volledig in die schijven valt. Dit is het
hoogste tarief. De meeste warmteleveranciers betalen echter zelf gemiddeld een lager
energiebelastingtarief over hun aardgasverbruik, omdat zij deels in hogere schijven
vallen als gevolg van de degressieve systematiek of gebruikmaken van vrijstellingen
en bijzondere regelingen. Op deze manier hebben warmtebedrijven die aan de voorwaarden
voldoen en meer dan 170.000 m3 aardgas verbruiken een voordeel: zij kunnen voor hun volledige warmtelevering aan
huishoudens een hogere energiebelasting doorberekenen in het warmtetarief dan deze
bedrijven zelf gemiddeld betalen voor hun aardgasverbruik. Ze ontvangen dus inkomsten
waar geen kosten tegenover staan.
In de Wet collectieve warmte (Wcw) wordt stapsgewijs een kostengebaseerde tariefregulering
ingevoerd. De invoering kent drie fases. Bij inwerkingtreding van de Wcw treedt fase
1 in werking, die grotendeels hetzelfde is als de huidige tariefregulering onder de
Warmtewet. Sinds de wijziging van de Warmtewet met ingang van 2025 geldt voor het
meewegen van de energiebelasting in het maximumwarmtetarief dat een eventuele tariefverlaging
in de eerste en tweede schijf aardgas wél wordt doorgerekend in het warmtetarief en
een verhoging níet meer. In de tweede, nog aan te breken fase wordt gewerkt met kostengebaseerde
tarieven op basis van tariefformules die de ACM vaststelt. De mate waarin warmtebedrijven
een eventuele tariefverhoging in de energiebelasting kunnen doorberekenen aan afnemers
hangt af van de fijnmazigheid van de formules. In de derde fase wordt de definitieve
kostengebaseerde tariefsystematiek geïntroduceerd. De ACM krijgt de taak om de tarieven
vast te stellen op een niveau dat warmtebedrijven hun efficiënte kosten en een redelijk
financieel rendement kunnen (terug)verdienen over de levensduur van het warmtenet.
Uiterlijk in die derde fase kunnen warmtebedrijven geen energiebelasting meer in hun
tarieven verwerken die ze zelf niet betalen.
De leden vragen of de Staatssecretaris in een tabel kan weergeven wat op dit moment
de verwachte ontwikkeling van de energiebelastingtarieven is (in prijzen 2026)?
De energiebelastingtarieven en belastingvermindering in de periode 2026–2030 zijn
weergegeven in tabel 1.
Tabel 1: Energiebelastingtarieven en belastingvermindering 2026–2030 in euro’s, exclusief
btw (lopende prijzen)
Jaartal
2026
2027
2028
2029
2030
Aardgas per m3
0 – 1.000 m3
0,60066
0,61568
0,62799
0,64243
0,65592
1.000 -170.000 m3
0,60066
0,61568
0,62799
0,64243
0,65592
170.000 – 1.000.000 m3
0,33085
0,34976
0,36545
0,38406
0,40470
1.000.000 – 10.000.000 m3
0,21396
0,22826
0,23925
0,25264
0,26845
> 10.000.000 m3
0,05313
0,05439
0,05553
0,05880
0,06151
Verlaagd tarief glastuinbouw per m3
0 – 170.000 m3
0,18020
0,22780
0,27632
0,33406
0,39356
170.000 – 1.000.000 m3
0,15881
0,18537
0,21196
0,24580
0,28329
1.000.000 – 10.000.000 m3
0,21396
0,22826
0,23925
0,25264
0,26845
> 10.000.000 m3
0,05313
0,05439
0,05553
0,05880
0,06151
Elektriciteit per kWh
0 – 2.900 kWh
0,09161
0,08793
0,08526
0,08153
0,08442
2.900–10.000 kWh
0,09161
0,08793
0,08526
0,08153
0,08442
10.000 – 50.000 kWh
0,06671
0,06775
0,06936
0,07522
0,08024
50.000 – 10.000.000 kWh
0,03735
0,03775
0,03824
0,04086
0,04281
>= 10.000.000 kWh particulier
0,00379
0,00382
0,00387
0,00396
0,00401
>= 10.000.000 kWh zakelijk
0,00310
0,00312
0,00315
0,00322
0,00325
Belastingvermindering
519,80
519,58
520,15
525,64
530,47
De leden vragen in hoeverre het kabinet van plan is toe te werken naar een meer vlak
tarief in de energiebelasting, waarbij het verschil in belastingtarieven tussen klein-
en grootverbruikers kleiner wordt? In hoeverre is het kabinet van plan het verschil
tussen de energiebelasting op gas en die op elektriciteit, gemeten naar energie-inhoud
en broeikasgasuitstoot, te verkleinen?
Een voorstel voor een meer vlak tarief in de energiebelasting ligt op dit moment niet
op tafel. Het kabinet weegt integraal in augustus het volledige lastenkader en streeft
hierbij in algemene zin naar tarieven in de energiebelasting voor elektriciteit en
gas die stimulerend zijn voor elektrificatie en het verminderen van de afhankelijkheid
van fossiele brandstoffen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de impact van fiscale maatregelen
op warmtebedrijven erg verschillend is en dat dit het gevolg is van grote verschillen
in de bedrijfsvoering van warmtebedrijven. Deze leden vragen de Staatssecretaris in
hoeverre de oplossing hiervoor wat hem betreft in de fiscaliteit ligt en of een oplossing
niet beter in de tariefregulering zelf gezocht kan worden. Kan de Staatssecretaris
aangeven in hoeverre de kostengebaseerde tariefsystematiek uit het wetsvoorstel Wcw
een oplossing biedt?
Er is verkend hoe eventuele negatieve effecten van fiscale maatregelen op warmtebedrijven
kunnen worden weggenomen of verzacht. De conclusie voor de verschillende verkende
fiscale maatregelen is dat deze niet geschikt zijn om eventuele problemen bij warmtebedrijven
op te lossen en de oplossing inderdaad elders gezocht dient te worden. De onderzochte
fiscale maatregelen zijn ondoelmatig vanwege de ongerichtheid ervan en leiden tot
het ondergraven van een van de hoofddoelen van de energiebelasting: het geven van
een besparingsprikkel. Daarnaast leiden ze tot het meer ongelijk belasten van aardgas
en elektriciteit en ontstaat een budgettaire derving waarvoor dekking zou moeten worden
gevonden. Ten slotte kunnen verschillende maatregelen niet tijdig worden uitgevoerd
en wordt in een aantal gevallen de uitvoering van de energiebelasting complexer.
De kostengebaseerde tariefsystematiek biedt de mogelijkheid om in tarieven rekening
te houden met kostenverschillen tussen warmtebedrijven, waaronder ook verschillen
in de kosten die samenhangen met fiscale maatregelen. De mate waarin met de kostenverschillen
rekening wordt gehouden, hangt af van hoe verfijnd de tariefsystematiek is. Bij een
tariefsystematiek waarin met name wordt uitgegaan van de gemiddelde kosten, is de
ruimte voor differentiatie kleiner dan bij een tariefsystematiek die vooral gebaseerd
is op de onderliggende kosten van het betreffende warmtesysteem. De kostengebaseerde
tariefsystematiek wordt op dit moment uitgewerkt door het Ministerie van Economische
Zaken en Klimaat en de ACM. Naar verwachting zal de mate van verfijning, en daarmee
ook de mate waarin rekening wordt gehouden met de impact van de kosten van fiscale
regelingen, groter zijn voor grote collectieve warmtevoorzieningen met meer dan 1.500
aansluitingen dan voor kleine collectieve systemen. Voor die laatste wordt namelijk
met het oog op uitvoerbaarheid een minder toezichtsintensieve vorm van regulering
uitgewerkt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de ACM in de derde fase de taak
krijgt om de tarieven vast te stellen. Komt er één tarief voor alle warmtebedrijven
of biedt de kostengebaseerde tariefsystematiek ruimte om daarin te differentiëren
naar de verschillende bedrijfsmodellen van warmtebedrijven?
Vanaf fase 2 zullen warmtetarieven al gedifferentieerd worden per warmtesysteem, in
ieder geval als het gaat om de grote warmtesystemen. De ACM zal dan tariefformules
vaststellen die warmtebedrijven zullen invullen met eigen gegevens om het eigen maximumtarief
te berekenen. Voor kleine collectieve warmtesystemen zal de ruimte voor differentiatie
in tarieven kleiner zijn. Hierop is ingegaan in het antwoord op de vorige vraag. In
fase 3, die alleen van toepassing zal zijn op grote warmtesystemen, zal de ACM per
warmtesysteem toegestane inkomsten en tarieven vaststellen, op basis van de onderliggende
efficiënte kosten. De tarieven zullen dan ook per warmtekavel verschillen. Daarnaast
zal er meer ruimte zijn voor differentiatie bijvoorbeeld in tariefstructuren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie sluiten zich aan bij de opmerkingen van de
ambtsvoorganger van de Staatssecretaris over de ondoelmatigheid van het generiek verlagen
van de tarieven in de derde en vierde schijf van de energiebelasting op aardgas en
het aanpassen van de beperking van de inputvrijstelling voor elektriciteitsopwekking.
De leden vragen of de Staatssecretaris kan bevestigen dat de Staatssecretaris dit
geen goed idee vindt en dat de Staatssecretaris ook niet van plan is nóg een nieuw
verlaagd tarief in de energiebelasting op te nemen.
Het kabinet onderschrijft de conclusie dat verlaging van tarieven in de derde en vierde
schijf en het aanpassen van de beperking van de inputvrijstelling voor elektriciteitsopwekking
niet geschikt zijn om de negatieve effecten van fiscale maatregelen op warmtebedrijven
weg te nemen of te verzachten. Het kabinet is niet voornemens om een nieuw verlaagd
tarief in de energiebelasting te introduceren voor warmtebedrijven.
Deze leden vragen ook of inderdaad is overgegaan tot het toevoegen van de vervanging
van warmtebronnen uit de stadsverwarmingsregeling als uitzondering waarin de degressieve
tariefsystematiek van toepassing blijft, ook als het 50%-vereiste tijdelijk niet wordt
gehaald. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe lang deze uitzondering maximaal kan
gelden? Wanneer kan worden gesproken van «vervanging»? Bestaat het risico dat warmtebedrijven
langdurig gebruikmaken van deze uitzondering en dat daarmee de facto een nieuwe fossiele
subsidie wordt geïntroduceerd?
Per 1 januari jl. is de vervanging van warmtebronnen toegevoegd als uitzondering waarin
de degressieve tariefsystematiek van toepassing blijft. Als de Belastingdienst hiervoor
ontheffing verleent, is het blokverwarmingstarief – dat gelijk is aan het tarief van
de eerste en tweede schijf aardgas – niet van toepassing in die periode en geldt de
degressieve tariefsystematiek. Van de vervanging van een nieuwe warmtebron uit de
stadsverwarmingsregeling is enkel sprake onder specifieke voorwaarden. De bestaande
warmtebron moet onderdeel uitmaken van een warmtenet dat onder de stadsverwarmingsregeling
valt. Hiervan is sprake als op het warmtenet gebruik wordt gemaakt van minimaal 50%
duurzame warmte (het 50%-vereiste). Ook moet de warmtebron zelf kwalificeren als duurzame
warmtebron. Tevens moet de warmtebron worden vervangen vanwege het bereiken van de
technische of economische levensduur of vanwege het voldoen aan wettelijke verplichtingen.
In de toelichting op de regeling is benadrukt dat het warmtebedrijf zich ervoor dient
in te spannen om de vervangingsperiode zo kort mogelijk te houden. Daarvoor hebben
warmtebedrijven overigens al een prikkel, omdat de marginale kostprijs van aardgas
substantieel hoger is dan die van warmte van bronnen uit de regeling. Daarnaast is
van belang dat de Wcw normering voor CO2-uitstoot bevat, die ook een prikkel geeft om gebruik te maken van duurzamere warmtebronnen.
Als door de vervanging van de warmtebron tijdelijk niet kan worden voldaan aan het
50%-duurzaamheidsvereiste kan het warmtebedrijf of diens aardgasleverancier een beschikking
voor tijdelijke ontheffing van het blokverwarmingstarief aanvragen bij de Belastingdienst.
Als de Belastingdienst een ontheffing afgeeft, neemt hij in de beschikking op voor
welke termijn de ontheffing geldt. Het kan per geval verschillen hoe lang de toepassing
van de ontheffing passend is. In de regeling is vastgelegd dat de maximale periode
drie jaar bedraagt. Deze termijn biedt voldoende tijd om te zorgen dat weer aan het
50%-vereiste wordt voldaan. Bij de totstandkoming van de regeling is overlegd met
de sector en op dit moment wordt niet voorzien dat meer tijd dan de geboden drie jaar
nodig zal zijn. Het opnemen van een maximale termijn borgt het tijdelijke karakter
van de ontheffing. Met het afgeven van een ontheffing op verzoek bij de inspecteur
wordt zeker gesteld dat voorafgaand aan het al dan niet afgeven toetsing en overleg
plaatsvindt. De ontheffing biedt de betrokken partijen rechtszekerheid gedurende de
periode waarin tijdelijk niet aan het 50%-vereiste wordt voldaan.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen op het punt van het overzicht van fiscale
prikkels om circulaire transitie te versnellen dat een gerichte grondstofbelasting
een eerlijker speelveld zou kunnen creëren voor gerecyclede of biogebaseerde alternatieven,
maar grote weglekrisico’s kent, waardoor het verstandiger zou zijn een dergelijke
belasting op Europees niveau in te voeren. De ze leden vragen de Staatssecretaris
of de Staatssecretaris zich op Europees niveau inzet voor een dergelijke belasting.
Zo ja, in welke vorm doet de Staatssecretaris dat? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat een heffing op non-energetisch gebruik van minerale
oliën op Europees niveau een oplossing kan bieden om weglekeffecten tegen te gaan.
Een heffing op Europees niveau kan alleen bewerkstelligd worden via herziening van
de Richtlijn energiebelastingen. Aangezien op dat dossier momenteel niet actief onderhandeld
wordt, kan het kabinet alleen beloven om in Europees verband te blijven uitspreken
voorstander te zijn van zo’n belasting en zich in de toekomst positief op te stellen
in onderhandelingen over dit onderwerp als dit aan de orde is en er ook flankerend
beleid gericht op de mondiale concurrentiepositie geborgd wordt. Daarbij zet het kabinet
ook in op andere Europese beleidsinstrumenten die reeds bestaan of geïmplementeerd
worden met concrete sturing op circulair grondstofverbruik, zoals de Verpakkingenverordening,
de Circulaire Voertuigenverordening en verschillende UPV’s (Uitgebreide Producenten
Verantwoordelijkheid). Het kabinet zet zich tevens via de Europese Critical Chemicals
Alliance (CCA) in voor vraagcreatie voor groene en circulaire chemie.
Deze leden lezen voorts dat de ambtsvoorganger van de Staatssecretaris besluitvorming
over aanvullende maatregelen graag wilde overlaten aan het nieuwe kabinet. Deze leden
vragen daarom welke aanvullende maatregelen het nieuwe kabinet van plan is te nemen
en of de Staatssecretaris kan reageren op de meegestuurde onderzoeken naar een hogere
inzameling van drankverpakkingen, een heffing op eenmalige plastic verpakkingen en
fiscale prikkels voor de circulaire transitie.
De resultaten van deze studies en de andere mogelijke alternatieve heffingsopties
die leiden tot budgettaire opbrengst in het circulaire domein worden betrokken bij
de besluitvorming over alternatieven voor de technische invulling van afvalmaatregelen
die opgenomen is in het Belastingplan 2026. Uw Kamer wordt met Prinsjesdag geïnformeerd
over het resultaat van deze besluitvorming en zal dan ook een appreciatie van de plausibele
alternatieve dekkingsopties binnen het circulaire domein ontvangen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat klimaat- en milieuschade
effectief beprijsd moeten worden. Deze leden lezen dat een heffing op het niet-energetisch
gebruik van minerale oliën een groot risico op weglekeffecten kent en vragen de Staatssecretaris
in hoeverre Europese afspraken hiervoor een oplossing zouden kunnen zijn en of de
Staatssecretaris zich voor dergelijke afspraken wil inzetten. Daarnaast merken deze
leden op dat een heffing op verpakkingen voor eenmalig gebruik dit euvel niet kent
en vragen deze leden waarom in de brief staat dat bij een dergelijke maatregel «significante
afbakeningsproblematiek» komt kijken.
Voor het antwoord ten aanzien van de heffing op niet-energetisch gebruik van minerale
oliën verwijs ik naar het antwoord op bovenstaande vraag. Wat betreft de vraag naar
een heffing op verpakkingen voor eenmalig gebruik, geldt allereerst dat dit een van de voorstellen
is die werkgroep afvalsector heeft gedaan. In de augustusbesluitvorming worden de
voorstellen van de werkgroep betrokken en met Prinsjesdag wordt de appreciatie van
deze voorstellen met de kamer gedeeld.
Deze leden constateren dat Nederland op dit moment al een soort heffing op verpakkingen
voor eenmalige gebruik kent, namelijk de SUP-toeslag, voortkomende uit de SUP-richtlijn.
In hoeverre is het volgens de Staatssecretaris mogelijk om deze toeslag om te vormen
tot een daadwerkelijke heffing, waarbij de overheid het tarief vaststelt en de heffing
int? Wat zou de budgettaire opbrengst zijn als uitgegaan wordt van vergelijkbare tarieven
als nu worden gehanteerd? Waarom leidt deze toeslag niet tot afbakeningsproblematiek
en de heffing waarnaar in de brief verwezen wordt wel?
Momenteel geldt op grond van de Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik
de verplichting dat voedseluitgiftepunten bij consumptie voor onderweg een meerprijs
in rekening brengen bij het gebruik van wegwerpbekers en -bakjes die plastic bevatten.
Dit is geen belasting maar een meerprijs die in rekening wordt gebracht door de bedrijven
die voedsel verkopen en dat verpakken in kunststofproducten voor eenmalig gebruik.
De opbrengsten zijn voor de bedrijven zelf. Daarbij is het goed op te merken dat de
wetgeving ten aanzien van de verplichte meerprijs op dit moment wordt gewijzigd en
dat deze maatregel zal worden opgeheven. Een omvorming is niet aan de orde.
Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe de Staatssecretaris kijkt naar de aanbevelingen
uit de verkenning naar een heffing op eenmalige plastic verpakkingen en of de Staatssecretaris
bereid is om vervolgonderzoek in te stellen op basis van het stappenplan uit de verkenning.
Ook vragen deze leden of de Staatssecretaris daarbij niet exclusief naar drankkartons
wil kijken, maar in brede zin naar plastic verpakkingen voor eenmalig verbruik.
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op de vraag
van de leden van fractie van D66 over het vervolgonderzoek naar het onderzoek naar
een heffing op eenmalige plastic verpakkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat omzetting van de EIA naar een subsidie
de doelmatigheid kan verhogen als de subsidie gerichter wordt vormgegeven dan de huidige
fiscale regeling. Deze leden vragen welke mogelijkheden de Staatssecretaris ziet voor
een dergelijke gerichtere vormgeving en of de voordelen hiervan wat hem betreft opwegen
tegen de nadelen van omzetting naar een subsidie (zoals hogere uitvoeringskosten en
eenmalige omzettingskosten).
De EIA is in de laatste evaluatie doelmatig en beperkt doeltreffend bevonden en maakt
het voor ondernemers financieel aantrekkelijker om te investeren in energiebesparende
en CO2-reducerende bedrijfsmiddelen. Het onderzoek van Dialogic belicht de verschillende
voor- en nadelen bij een één op één omzetting van de EIA naar een subsidiemaatregel
aan de uitgavenkant en benoemt in algemene zin dat de omzetting van de EIA naar een
subsidie de doelmatigheid kan verhogen als de subsidie gerichter wordt vormgegeven
dan de huidige fiscale regeling. Het onderzoek heeft geen alternatieve uitgangspunten
verkend voor de vormgeving van de subsidie, omdat dit buiten de reikwijdte van het
onderzoek viel. Dialogic heeft niet onderzocht in hoeverre de omzetting ruimte biedt
voor een andere inhoudelijke invulling die mogelijk het doelgroepbereik, de doeltreffendheid
en de doelmatigheid zou kunnen verbeteren. De onderzoekers van Dialogic geven aan
dat meer data en aanvullend onderzoek nodig zijn om daaraan invulling te geven. In
het coalitieakkoord is afgesproken om toe te werken naar één robuuste investeringsregeling,
waarin de EIA, MIA en Vamil worden samengevoegd. De inzichten van het Dialogic onderzoek
neem ik hierin mee, waaronder de vraag of zo’n regeling gerichter kan worden vormgegeven.
Deze leden zijn ook benieuwd naar hoe de plannen voor EIA, MIA en Vamil zich verhouden
tot het naar de Kamer gestuurde onderzoek. Welke voordelen ziet de Staatssecretaris
aan het samenvoegen van de regelingen? En welke nadelen? Is dit ook onderzocht? Wat
is de aanleiding volgens de Staatssecretaris om de regelingen samen te voegen?
De EIA en MIA zijn in termen van doeltreffendheid en doelmatigheid overwegend positief
geëvalueerd. De regelingen maken het voor ondernemers financieel aantrekkelijker om
te investeren in respectievelijk energiebesparende/CO2-reducerende en milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen. Daarnaast kan het samenvoegen
tot een betere afweging leiden, hoe de beschikbare middelen voor verduurzaming het
best besteed en aantrekkelijker gemaakt kunnen worden; dit is nu verspreid over verschillende
regelingen en twee ministeries (EZK/KGG en IenW). Zoals toegezegd tijdens het commissiedebat
fiscaliteit van 11 maart jl., wordt uw Kamer na de zomer uitgebreider geïnformeerd
over de uitwerking van een samengevoegde regeling en welke vervolgonderzoeken het
kabinet in dit kader voornemens is om te doen.
Deze leden vragen ook naar de mogelijkheden die in het onderzoek genoemd worden en
in hoeverre het kabinet van plan is deze voorstellen mee te nemen bij de eventuele
samenvoeging van de EIA, MIA en Vamil. Kijkt het kabinet bijvoorbeeld ook naar differentiatie
van het aftrekpercentage? Wat vindt de Staatssecretaris van de overige aanbevelingen?
Het valt deze leden op dat in het onderzoek gekeken is naar hoe EIA en MIA voor het
bedrijfsleven kunnen worden verbeterd en vereenvoudigd, maar niet naar vereenvoudiging
vanuit het perspectief van de Belastingdienst en ook niet naar verbeteren van de doelmatigheid.
Is de Staatssecretaris bereid daar alsnog onderzoek naar te laten uitvoeren?
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op de vraag van de
leden van de fractie van de VVD over het onderzoek Energie-investeringsaftrek (EIA)
en Milieu-investeringsaftrek (MIA) dat in het coalitieakkoord is opgenomen dat de
EIA, MIA en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) «waar mogelijk»
worden samengevoegd tot één investeringsregeling.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de Werkgroep Afvalsector met
een duidelijk advies is gekomen ten aanzien van de gevraagde alternatieven voor de
generieke tariefsverhoging van de afvalstoffenbelasting en de verhoging van de CO2-heffing industrie voor AVI’s. Deze leden vragen of de Staatssecretaris per maatregel
kan toelichten hoe wenselijk hij elk voorstel vindt en of de Staatssecretaris daarbij
in het bijzonder in kan gaan op uitvoeringsaspecten en weglekeffecten.
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de beantwoording van de vraag
van de leden van de fractie van de VVD over wat het kabinet met de conclusies uit
het Eindrapport van de Werkgroep Afvalsector doet.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enige overige vragen en constateren
dat in Nederland steeds meer SUV’s worden gekocht en dat het wagenpark gemiddeld steeds
zwaarder wordt. Het gevolg is dat het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot toenemen en dat een substantieel deel van de klimaatwinst als gevolg van
de elektrificatie van het wagenpark ongedaan gemaakt wordt. Kan de Staatssecretaris
dit kwantificeren? Hoeveel is de CO2-uitstoot van auto’s in Nederland de afgelopen jaren afgenomen door elektrificatie
van het wagenpark en hoeveel is deze weer toegenomen doordat auto’s gemiddeld zwaarder
zijn geworden? Klopt het dat onze infrastructuur ook sneller slijt en steviger moet
worden gebouwd door zwaardere voertuigen?
Het kabinet herkent de ontwikkeling dat personenauto’s gemiddeld groter en zwaarder
worden. Uit cijfers van het CBS blijkt dat het gemiddelde leeggewicht van personenauto’s
in Nederland in de afgelopen tien jaar met 94 kilogram is toegenomen, van gemiddeld
circa 1.160 kilogram begin 2015 naar 1.254 kilogram begin 2025. Dat is een stijging
van 8,1 procent. Bij nieuwe auto’s is deze ontwikkeling sterker zichtbaar: auto’s
met bouwjaar 2024 wegen gemiddeld 1.554 kilogram, tegenover 1.224 kilogram voor auto’s
met bouwjaar 2016. Volgens het CBS hangt dit mede samen met de ingroei van elektrische
en plug-in hybride auto’s, die door hun accupakket gemiddeld zwaarder zijn, maar ook
met het feit dat nieuwe auto’s gemiddeld langer en breder worden.15
De CO2-uitstoot vertoont de afgelopen jaren een dalende trend. De CO2-uitstoot van mobiliteit bedroeg in 1990 33,6 Mton en in 2024 29,2 Mton. In de Klimaat-
en Energieverkenning 2025 raamt het Planbureau voor de Leefomgeving dat de uitstoot
in 2030 tussen de 19,7 en 24,7 Mton zal bedragen. Grotere auto’s, zoals SUV’s, verbruiken
meer energie dan kleinere auto’s (rijdend op dezelfde brandstof), TNO heeft in 2021
gekeken naar het zuiniger worden van personenauto’s rijdend op benzine en diesel,
in de EU en in Nederland.16 Zij concludeerden dat conventionele voertuigen over de tijd (technologisch) steeds
zuiniger worden. Dit wordt deels tenietgedaan door een toename van het gewicht, maar
netto gezien blijft een vergroening van het conventionele wagenpark over. De ingroei
van BEV’s zorgt voor een snel dalende gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwe personenauto’s in Nederland. In Nederland lag de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwe personenauto’s in 2023 op 74,2 gram CO2/km WLTP versus gemiddeld 107,8 CO2/km WLTP in de EU).17 Er is niet gekwantificeerd in welke mate de instroom van zwaardere voertuigen in
het Nederlandse wagenpark de daling van de CO2-uitstoot in zijn totaliteit heeft geremd.
Slijtage aan de infrastructuur is vooral afhankelijk van de aslast, het aantal assen
en de verdeling van het gewicht over die assen. Voor personenauto’s is de bijdrage
aan constructieve wegslijtage in de regel verwaarloosbaar in vergelijking met zwaar
vrachtverkeer. Dat komt doordat de aslast van personenauto’s veel lager is dan die
van vrachtauto’s. Het toenemende gewicht van personenauto’s is dan ook geen oorzaak
van toenemende slijtage van onze infrastructuur.18
Deze leden merken op dat zwaardere auto’s daarnaast veel meer materialen vergen. Dat
geldt ook voor elektrische auto’s. Het grotere materiaalgebruik leidt tot meer milieuschade.
Deze leden zijn daarom benieuwd naar de mogelijkheden om de aankoop en het gebruik
van zwaardere auto’s te ontmoedigen via fiscale instrumenten. De ambtsvoorganger van
de Staatssecretaris stelde in zijn reactie op de Groene Belastinggids «nader onderzoek
te willen doen naar het belasten van het aanschafmoment van personenauto’s, en daarbij
te kijken naar het voertuiggewicht». Kan de Staatssecretaris aangeven wat de huidige
stand van zaken is van dit onderzoek en of het kabinet van plan is zwaardere auto’s
ook zwaarder te belasten, bijvoorbeeld op het aanschafmoment?
De motorrijtuigenbelasting (mrb) is al gebaseerd op gewicht, waardoor zwaardere auto’s
meer betalen dan lichtere alternatieven. In de Kamerbrief van 11 juli 202519, waarin contouren zijn geschetst voor de hervorming van de autobelastingen, is aangegeven
dat de huidige gewichtsgrondslag van de mrb door de opkomst van elektrisch rijden
ook nadelen kent. Elektrische auto’s zijn door het accupakket gemiddeld zwaarder dan
vergelijkbare auto’s met een verbrandingsmotor en betalen daardoor meer mrb. Vanuit
het oogpunt van de transitie naar emissievrij rijden is het niet wenselijk dat schonere
auto’s hierdoor meer mrb betalen dan vervuilendere auto’s. Daarom kent de mrb op dit
moment een tijdelijke tariefkorting voor emissievrije personenauto’s. Deze korting
is echter grofmazig en biedt geen structurele oplossing. In het coalitieakkoord is
dan ook aangekondigd dat wordt onderzocht of een toekomstbestendige hervorming van
de autobelastingen naar voertuigoppervlakte of omvang binnen de mrb mogelijk is. Dit
onderzoek is inmiddels gestart. Uiterlijk eind dit jaar informeert het kabinet uw
Kamer over de inzet ten aanzien van een bredere hervorming van de autobelastingen
en zal dan ook ingaan op het belasten van het aanschafmoment.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
Ten aanzien van de alternatieven van de afvalsector voor de afvalstoffenheffing (ter
dekking van de circulaire plasticheffing die niet kon doorgaan) zien de leden van
de CDA-fractie uit naar de reactie wat het kabinet hiermee gaat doen. Deze leden merken
ook op, dat op de voorstellen vanuit de afvalsector weer commentaar is gekomen vanuit
andere sectoren, onder andere vanuit de betrokkenen van de «Plastictafel». Deze leden
vragen of de Staatssecretaris bereid is bij de reactie op de voorstellen een brede
overweging toe te voegen van alle voorstellen en ideeën uit betrokken sectoren en
organisaties en te laten zien wat de afwegingen van het kabinet ten grondslag aan
de uiteindelijke keuze voor alternatieve invulling van de circulaire plasticheffing
zijn. Ook vragen deze leden hoe de Staatssecretaris de invullingsopgave ziet in het
licht van de brief over fiscale instrumenten in de keten, die bepleiten dat nieuwe
maatregelen vooral op EU-niveau moeten worden afgestemd om negatieve effecten op de
concurrentiepositie en weglekrisico’s te voorkomen?
Het kabinet is bereid deze voorstellen vanuit betrokken partijen met de Kamer te delen.
In de brief over fiscale instrumenten in de keten staat dat voor een unilaterale belasting
aan het begin van de keten geldt dat dit type beleid vaak grote weglekrisico’s kent.
Een dergelijke belasting is dus verstandiger op Europees niveau, waarbij ook rekening
wordt gehouden met flankerend beleid gericht op de mondiale concurrentiepositie. Er
valt tevens te lezen dat belastingmaatregelen verderop in de keten over het algemeen
minder last ondervinden van weglekrisico’s bij unilaterale beprijzing dan het eerder
in de keten beprijzen van producten, omdat de belasting normaal gesproken ook zou
gelden voor geïmporteerde goederen. Beprijzing op deze plek in de keten kan echter
wel leiden tot grenseffecten, waarbij consumentenproducten direct uit andere landen
kopen zonder hierbij de heffing te betalen. Het hangt sterk van de belastingmaatregel
af en het verschil in eindprijs door de belasting in hoeverre wezenlijke grenseffecten,
of weglekeffecten optreden. Een belastingmaatregel op een later punt van de keten
brengt daarnaast voor de uitvoering ook doorgaans significante afbakeningsproblematiek
met zich mee. Voor uitvoerders ontbreekt vaak data die als grondslag dient voor een
heffing, en betekent het verzamelen, certificeren en verschaffen van deze data een
forse administratieve lastenverzwaring voor bedrijven. De uitvoerbaarheid van een
dergelijke belasting vergt dus nader onderzoek en verdere weging. De Kamer zal met
Prinsjesdag over de besluitvorming geïnformeerd worden.
De leden van de CDA-fractie lezen de evaluatie van de EIA, MIA en Vamil als onderstreping
van het belang van deze regelingen om ondernemers te ondersteunen bij verduurzamende
en milieuverbeterende investeringen. Deze leden merken op dat in het coalitieakkoord
is opgenomen dat de instrumenten worden samengevoegd tot één robuuste regeling en
vragen de Staatssecretaris in deze beweging ook mogelijke verbeteringen en administratieve
vereenvoudigingen mee te nemen. Kan de Staatssecretaris in de brief die hij na de
zomer wil sturen ook de mogelijkheid meenemen om investeringen in clean- en green
tech onder de EIA en MIA onder te brengen?
Zoals toegezegd tijdens het commissiedebat fiscaliteit van 11 maart jl., wordt uw
Kamer na de zomer uitgebreider geïnformeerd over de uitwerking van een samengevoegde
regeling. Het kabinet zal dan ook ingaan op de mogelijkheid om investeringen in clean-
en green tech onder te brengen in de EIA en MIA.
De leden van de CDA-fractie hebben nog enkele vragen ten aanzien van prikkels voor
circulair plastic. Deze leden merken op dat de Europese markt overspoeld wordt door
goedkoop Chinees nieuw plastic, terwijl gebruik van gerecycled plastic flink duurder
is. Deze leden vragen wat de voortgang is van initiatieven op EU-niveau om dit aan
te pakken. Deze leden vragen de Staatssecretaris te reflecteren op de concrete maatregelen
die de Plastictafel heeft voorgesteld voor nationale versnelling, waaronder het instrument
van de circulaire hefboom. Ook vragen deze leden wat uitvoeringstechnische en budgettaire
overwegingen bij de voorstellen zijn.
Afgelopen december heeft de Europese Commissie aangekondigd om de Circular Plastics
Alliance (CPA) nieuw leven in te blazen. Deze Europese publiek-private samenwerking
heeft als belangrijk focusgebied om plastichandelsstromen beter in kaart te brengen,
zodat het Europese defensieve handelsintrumentarium beter kan worden ingezet. Ook
zal worden bekeken hoe de handhaving van Europese regels voor de plasticmarkt kan
worden verbeterd. Op dit moment bevindt de CPA zich nog in de opstartfase, waarin
de eerste werkgroepvergaderingen plaatsvinden. Nederland sluit hier ook bij aan.
Ook speelt Nederland een actieve rol binnen de Europese Critical Chemical Alliance
(CCA). Eén van de werkstromen binnen deze alliantie ziet toe op een set aanbevelingen
om handelsuitdagingen binnen de chemische sector beter te adresseren. Goedkope import
uit Azië wordt hier expliciet in meegenomen. De aanbevelingen worden nog deze zomer
verwacht.
Het kabinet heeft op 19 december de Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken
van de voorstelen van de Plastictafel.20 Op dit moment wordt verder uitvoering geven aan die voorstellen. Specifiek over de
circulaire hefboom zal het kabinet de Kamer voor het aanstaande zomerreces informeren
over de studieresultaten en de conclusies die het kabinet hier uit trekt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD
De leden van de PvdD-fractie vinden fiscale vergroening van cruciaal belang om Nederland
strategisch autonomer te maken, weerbaarder en duurzamer. Helaas moeten deze leden
constateren dat er nog weinig werk wordt gemaakt van echte fiscale vergroening. Deze
leden hebben dan ook nog enkele vragen.
De leden van de PvdD-fractie constateren ten aanzien van de landbouw dat uit de studie
naar broeikasgasemissiebeprijzing in de veehouderij en akkerbouw blijkt dat financiële
prikkels effectief kunnen zijn in het sturen van verduurzaming binnen de landbouwsector.
Deze leden merken op dat in Denemarken een heffing op schadelijk landbouwgif wordt
toegepast waardoor biologische en duurzame landbouw economisch aantrekkelijker is,
het principe «de vervuiler betaalt» wordt gehanteerd en de volksgezondheid en natuurkwaliteit
worden bevorderd. Is de Staatssecretaris bereid te onderzoeken of een vergelijkbare
heffing in Nederland kan worden ingevoerd om duurzame landbouw te stimuleren en het
gebruik van schadelijk landbouwgif te reduceren?
Een gewasbeschermingsmiddelenheffing is in landen als Frankrijk en Denemarken effectief
gebleken in het terugdringen van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen.
Er zijn nog een aantal punten die voor deze heffing onderzocht dienen te worden, zoals
de uitvoerbaarheid en effectiviteit in de Nederlandse context, de beschikbaarheid
van voldoende niet-chemische alternatieven om gewassen te beschermen, bedrijfseconomische
gevolgen voor agrariërs en effecten op consumentenprijzen. Het ligt voor de hand dat
een dergelijke heffing wordt bezien tegen de achtergrond van de te behalen doelen
voor de Kaderrichtlijn water en het convenant gewasbeschermingsmiddelen dat dit kabinet
wil sluiten. Ik ben in dit kader bereid om in samenwerking met de Staatssecretaris
van LVVN de effecten van variant(en) van een dergelijke heffing nader te onderzoeken.
De leden van de PvdD-fractie zijn ten aanzien van de circulaire economie ervan overtuigd
dat we geen circulaire economie kunnen realiseren zonder ons fiscaal systeem te vergroenen.
Zolang het duurder is om producten te repareren in plaats van een nieuw product te
kopen, ligt de prijsprikkel op de verkeerde plek en stimuleert de prijsprikkel de
wegwerpeconomie. Zolang je de prijsprikkel niet verschuift, zal er nooit een gelijk
speelveld worden gecreëerd voor Nederlandse circulaire ondernemers, omdat deze niet
kunnen opboksen tegen de prijzen van wegwerpproducten uit (vaak) niet-Europese landen.
Is de staatsecretaris het met deze leden eens dat het gebrek aan fiscaal stimuleren
van een circulaire economie ook de wens naar meer strategische autonomie en Nederlandse
bedrijvigheid ondermijnt?
Het kabinet is van mening dat de inzet van de fiscale middelen om een gelijker speelveld
te creëren voor circulaire ondernemers verstandig is, zolang dit op een effectieve,
uitvoerbare en doelmatige manier vormgegeven kan worden. Tegelijkertijd ziet het kabinet
ook in dat dit een lastige opgave is, vooral als dit beleid unilateraal ingevoerd
zou worden. Bij unilaterale heffingen aan het begin van de keten (bijvoorbeeld op
grondstoffen), geldt dat diverse onderzoeken aantonen dat er grote productieverliezen
volgen, omdat nog steeds niet-circulaire producten een stap later uit de keten zonder
belasting uit het buitenland geïmporteerd kunnen worden. Een dergelijke heffing leidt
dan enkel tot het verplaatsen van de productieketen, en niet tot minder consumptie
van virgin producten. Op deze manier, waarbij productieverliezen groot zijn en circulaire
effecten beperkt, kan het zelfs leiden tot minder strategische autonomie en bedrijvigheid.
Bij unilaterale heffingen op een later punt in de keten op productniveau geldt dat
dit een effectief instrument zou kunnen zijn om een gelijker speelveld te creëren
voor circulaire producten. Hiervoor geldt echter dat de uitvoerbaarheid vaak zeer
lastig is, gezien de afbakeningsproblematiek en de hoeveelheid belastingplichtigen
die dit met zich meebrengt. Desalniettemin blijft het kabinet zoeken naar maatregelen
binnen en buiten de fiscaliteit om de overgang naar een circulaire economie te ondersteunen.
Om strategische autonomie en de circulaire economie juist te versnellen kan arbeid
goedkoper worden gemaakt en het gebruik van nieuwe grondstoffen meer worden belast.
Ex’tax heeft hier interessante studies naar gedaan, zo constateren deze leden. Het
levert banen op, verlaagt milieuschade en maakt de circulaire economie haalbaar. Het
vorige kabinet zag vooral beren op de weg. Is het nieuwe kabinet bereid om het model
van Ex’tax mee te nemen in de fiscale hervormingen waar het kabinet mee aan de slag
gaat? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris bereid om een plan uit te werken
om lastenverlichting op arbeid te dekken, aanvullend op de voorgestelde milieubelastingen,
aangezien de Staatssecretaris aangeeft dat de belastingopbrengsten vanuit milieubelastingen
eroderen als zij succesvol blijken?
Het kabinet deelt dat het wenselijk is om met het fiscale stelsel prikkels te geven
om te verduurzamen. Ook het idee om de opgehaalde middelen in te zetten om de lasten
op arbeid te verlagen kan het kabinet goed volgen. In de praktijk blijkt een omvangrijke
tax shift echter ingewikkeld. Een belangrijke reden hiervoor is dat in absolute euro’s
de grondslag arbeid veel groter is dan de grondslag van bijvoorbeeld vervuilende consumptie.
Ter illustratie: in 2024 waren de inkomsten uit milieu- en auto gerelateerde belastingen
circa 22 miljard, terwijl de lasten op arbeid op circa 231 miljard euro lagen. Desondanks
is het kabinet van mening dat een stapsgewijze tax shift mogelijk is, mits er voor
elke mogelijke heffing zorgvuldig wordt afgewogen of invoering of verhoging wenselijk
is. Hierbij worden verschillende criteria gehanteerd, zoals de beprijzing van externe
kosten, effect op CO2-uitstoot (of andere schadelijke emissies) mogelijke productieverliezen, uitvoerbaarheid
en juridische haalbaarheid.
De leden van de fractie van de PvdD vragen welke stappen worden gezet voor het snel
en laagdrempelig maken van het creëren van meer investeringsruimte voor circulaire
initiatieven? Wil de Staatssecretaris snel aan de slag met banken, verzekeraars en
investeerders over hoe zij de circulaire en dus de wél toekomstgerichte businesscase
makkelijker kunnen ondersteunen? Is de Staatssecretaris bereid om in gesprek te gaan
met koplopers op dit gebied, zoals de Kopgroep Circulair Financieren?
Het creëren van meer investeringsruimte via de fiscaliteit zit vooral in het beprijzen
van niet-circulaire initiatieven en fiscaal stimuleren via fiscale regelingen van
circulaire initiatieven. Naast de eerder genoemde zoektocht naar heffingen in het
circulaire domein die positief zijn voor de circulaire transitie en dus ook helpen
de circulaire businesscase te versterken, voorzie ik vanuit mijn beleidsverantwoordelijkheid
aangaande de fiscaliteit richting de Kopgroep Circulair Financieren of vergelijkbare
partijen geen aanvullende acties. Wél zet het kabinet in op het aantrekken van groene
investeringen en opschalen van circulaire koplopers en innovators met de Versterkte
Aanpak Nieuwe Industrie.21 Dit gebeurt door actieve begeleiding van potentiële investeringen in samenwerking
met de relevante partijen. De begeleiding gebeurt door actief in contact te staan
met de potentiële investeerders en deze maximaal te ontzorgen en te overtuigen om
zich in Nederland te vestigen.
De leden van de fractie van de PvdD vragen of de Staatssecretaris daarnaast meedenkt
over de mogelijkheden van een fiscale vergroening binnen het aanbestedingssysteem,
ook op het niveau van lokale overheden, zodat circulaire en inclusieve partijen voorrang
krijgen op basis van lokale impact? Gemeenten willen vaak wel circulair aanbesteden,
maar missen de kennis en capaciteit om dit vorm te geven. Hoe kan de Staatssecretaris,
samen met andere departementen, daarbij assisteren?
Het kabinet ziet de fiscaliteit niet als geëigende route om te zorgen dat circulaire
en inclusieve partijen voorrang krijgen op basis van lokale impact binnen het aanbestedingssysteem.
Vanuit het Ministerie van EZK wordt het beleidsdossier Maatschappelijk Verantwoord
Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI) gecoördineerd. Circulair inkopen is daar een van de
zes thema’s. Een vervolg Agenda MVOI wordt momenteel gefinaliseerd. Er wordt tevens
een Uitvoeringsprogramma MVOI gestart (gezamenlijke aanpak van PIANOo, RWS en RIVM)
dat daarbij de benodigde kennis, praktische instrumenten, een breed netwerk voor samenwerkingen
en inzichten voor overheden biedt om MVOI in de praktijk toepasbaar en aantrekkelijk
te maken. Naast het Uitvoeringsprogramma MVOI lopen momenteel aanpalende Rijksbrede
alternatieven waarin, in samenwerking met medeoverheden, circulair inkopen wordt gestimuleerd.
Hierbij valt te denken aan het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE), het
convenant Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) en Regie op de Monitoring (RopM).
De leden van de PvdD-fractie zien veel goede maatregelen in het overzicht van fiscale
prikkels om de circulaire transitie te versnellen, maar in deze maatregelen zien deze
leden nog te weinig de erkenning voor het leidende principe «de vervuiler betaalt».
Waarom blijven echte maatregelen uit die dit principe volgen? Hoe kan dit leidende
principe steviger worden geborgd?
Momenteel wordt ook in andere beleidsinstrumenten het principe van de «vervuiler betaalt»
gevolgd, zoals bijvoorbeeld uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Het kabinet
is bezig met het doorontwikkeltraject UPV, hier is de Kamer recent over geïnformeerd.22
Deze leden vragen ook graag aandacht voor de door de Kamer gesteunde «circulaire hefboom»,
waarbij via een heffing op het gebruik van nieuwe fossiele plastics in eindproducten
middelen worden teruggesluisd naar de circulaire materialentransitie, waardoor zowel
een prijsprikkel als investeringsruimte ontstaat. Deelt de Staatssecretaris de analyse
dat een dergelijk instrument kan bijdragen aan opschaling van circulaire bedrijvigheid?
Is de Staatssecretaris bereid om de doelheffing in dit instrument mogelijk te maken,
vanwege de brede politieke Kamermeerderheid (motie Wingelaar (Kamerstuk 32 852 nr. 387)) en dit instrument aan de Plastictafel aan te dragen als bijdrage aan een circulaire
economie in 2050?
Momenteel onderzoekt het kabinet de effecten van een circulaire hefboom. Zoals eerder
toegezegd aan de Kamer informeert het kabinet de Kamer voorafgaand aan het aanstaande
zomerreces over de studieresultaten en de conclusies die het kabinet hier uit trekt.
Hierbij geldt dat een doelheffing met een directe koppeling tussen inkomsten en uitgaven
ingaat tegen de begrotingsregel om inkomsten en uitgaven van elkaar gescheiden te
houden. Hiervan afwijken vergt een kabinetsbesluit.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat in eerdere verkenningen een milieubelasting
op drankverpakkingen naar Noors model is uitgewerkt, waarbij de hoogte van de heffing
afneemt naarmate producenten hogere inzamelpercentages realiseren en deze bij hoge
prestaties zelfs volledig kan vervallen. Deze leden merken op dat dit instrument een
directe prikkel geeft voor zowel producentenverantwoordelijkheid als hoogwaardige
inzameling en daarmee bijdraagt aan de circulaire economie. Hoe apprecieert de Staatssecretaris
dit model? Is de Staatssecretaris bereid om deze vorm van gedifferentieerde milieubelasting,
mede in het licht van de noodzaak om circulaire prikkels te versterken, verder te
verkennen en uit te werken?
De beleidseffecten van deze maatregel zijn door een externe partij onderzocht en het
onderzoek zal spoedig met de Kamer worden gedeeld. De resultaten van deze studie worden
betrokken bij de besluitvorming over alternatieven voor de technische invulling van
afvalmaatregelen die opgenomen is in het Belastingplan 2026. Met Prinsjesdag zal het
kabinet de resultaten van het onderzoek naar een alternatief voor de technische dekking
delen. Daarbij zal het kabinet de Kamer een appreciatie van het onderzoek doen toekomen.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet stelt dat een verlaagd btw-tarief
voor circulaire producten over het algemeen niet doelmatig is, mede vanwege beperkte
effectiviteit aan de vraagzijde. Dit staat in schril contrast met de wens van de Kamer
(zie aangenomen motie Kostić c.s. over nul procent btw op tweedehands en reparatiediensten
juridisch mogelijk maken (Kamerstuk 21 501–08, nr. 977)). Deze leden wijzen er nogmaals op dat een dergelijk instrument in ieder geval bijdraagt
aan het voortbestaan van sociale kringloopwinkels, waarvan vele het financieel moeilijk
hebben, maar ook helpt het bij het aantrekkelijker maken voor producenten en retailers
om tweedehands en circulaire producten aan te bieden. Deelt de Staatssecretaris de
analyse dat een verlaagd btw-tarief, ondanks beperkte effecten op consumentengedrag,
een positieve prikkel kan vormen voor het aanbod van circulaire producten? Is het
kabinet bereid om deze aanbodzijde explicieter mee te wegen in de beoordeling van
de doelmatigheid van dit instrument?
Bij nieuwe fiscale regelingen hanteert het kabinet het toetsingskader voor fiscale
regelingen, waarin zowel doeltreffendheid als doelmatigheid worden meegenomen. Daarnaast
wordt de afweging gemaakt of een belastingmaatregel de meest logische keuze is, of
dat er andere, betere alternatieven voorhanden zijn. Daarbij wordt breder gekeken
dan alleen effecten op consumentengedrag. Tegelijkertijd geldt dat ook eventuele positieve
effecten aan de aanbodzijde moeten worden afgewogen tegen andere relevante aspecten,
zoals uitvoerbaarheid, juridische kaders en budgettaire gevolgen.
Uit de evaluatie van verlaagde btw-tarieven door Dialogic & Significant Public blijkt
dat de btw in het algemeen een beperkt doeltreffend en niet doelmatig instrument is
om specifieke beleidsdoelen te bereiken.23 Er wordt niet specifiek ingegaan op circulariteit, maar wel is geconcludeerd dat
het verlaagde tarief waarschijnlijk geen doelmatig instrument is om de consumptie
van bemoeigoederen, producten of diensten waarvan de overheid de consumptie bewust
beïnvloedt, te vergroten en dat het ondersteunen van bepaalde sectoren niet goed aansluit
bij doelmatigheid van beleid vanuit een breder perspectief. Dit hangt onder meer samen
met het feit dat ondernemers niet verplicht zijn een btw-verlaging door te berekenen
in de consumentenprijs en dat, voor zover dit wel gebeurt, het effect op consumptiegedrag
doorgaans beperkt is.
Ook is van belang dat de EU btw-richtlijn slechts beperkte ruimte biedt voor het toepassen
van verlaagde btw-tarieven.24 Deze richtlijn biedt geen mogelijkheid voor een verlaagd tarief op tweedehands producten
of specifiek voor kringloopwinkels. Evenmin biedt de richtlijn mogelijkheden om de
margeregeling voor kringloopwinkels uit te breiden of aan te passen.
Ten aanzien van reparatiediensten geldt dat de EU btw-richtlijn nog enige ruimte biedt.
Sinds 2022 is het mogelijk voor lidstaten om een verlaagd btw-tarief toe te passen
op de reparatiediensten van huishoudapparaten. Nederland maakt momenteel geen gebruik
van deze mogelijkheid, omdat een dergelijke uitbreiding gepaard gaat met afbakeningsvraagstukken
(wat precies onder huishoudapparaten valt), moeilijk voorspelbare budgettaire gevolgen
en uit onderzoek blijkt dat een verlaagd btw-tarief over het algemeen geen doelmatig
instrument is.25
Gelet op het voorgaande, in samenhang met het streven naar vereenvoudiging van het
belastingstelsel, het streven naar een circulaire economie en de budgettaire gevolgen
van een btw-verlaging, ligt het niet in de rede om de btw in te zetten als instrument
om de circulaire economie te stimuleren. Het kabinet werkt daarnaast aan doelmatige
instrumenten die kunnen bijdragen aan het verlagen van drempels voor consumenten en
het versterken van de circulaire economie, waaronder het bevorderen van reparatie
en hergebruik. Een voorbeeld hiervan is de samenwerking met gemeenten en circulaire
ambachtscentra vanuit het programma Circulair Doen.26
Het kabinet blijft zich inzetten voor het stimuleren van circulair gedrag en zal daarbij
een zorgvuldige afweging maken van de meest effectieve en doelmatige instrumenten.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of de Staatssecretaris bekend
is met de uitdagingen van commerciële huur waar veel circulaire ondernemers tegenaan
lopen? Zeker sociaal- én circulaire ondernemers zoals kringlooporganisaties kunnen
vaak de hoge huren niet opbrengen die gevraagd worden in winkelstraten. Voor gemeenten
en vastgoedbeheerders is het vaak niet rendabel om de huren te verlagen voor dit soort
maatschappelijke ondernemers, omdat daardoor de vastgoedwaarde daalt. Is de Staatssecretaris
bereid om naar mogelijkheden te kijken, eventueel samen met zijn collega van VRO,
of er fiscale maatregelen doorgevoerd kunnen worden die het voor gemeenten en beheerders
mogelijk maken om langdurige contracten aan te bieden tegen verlaagde tarieven zodat
circulaire en sociale ondernemers zichtbaar kunnen zijn bij het brede winkelende publiek?
Bij een dergelijke fiscale regeling zal het onderscheid gemaakt moeten worden tussen
«sociale en circulaire ondernemers» (waaronder kringloopwinkels) en andere ondernemers.
Het is de vraag of dit juridisch kan. Uitvoeringstechnisch is dit vanwege de afbakening
complex. Het kabinet staat open voor nieuwe belastingen als die effectief een bijdrage
kunnen leveren en uitvoerbaar zijn. Tegelijkertijd heeft dit kabinet ook de ambitie
om het belastingstelsel minder complex te maken. Fiscale regelingen worden op nationaal
niveau opgelegd en zullen de hoogte van de huren bij gemeenten en beheerders beperkt
beïnvloeden, maar ze hoogstens meer betaalbaar maken. Tot slot biedt een eventuele
belastingkorting geen garantie dat deze de uiteindelijke vestigingslocatie van «sociale
en circulaire ondernemers» zal beïnvloeden, of dat de korting daadwerkelijk terechtkomt
bij de «sociale en circulaire ondernemers». Het kabinet is er geen voorstander van
om dit voorstel verder uit te werken gezien de complexiteit die de maatregel met zich
meebrengt en gezien het feit dat deze route via de fiscaliteit het achterliggende
beleidsdoel om de business case van circulaire ondernemers op zeer indirecte wijze
zou kunnen stimuleren.
Tot slot hebben de leden van de PvdD-fractie nog een vraag over belasting op zware
personenauto’s. Voormalig staatsecretaris Heijnen gaf op 19 december aan dat hij nader
onderzoek wilde doen naar het blijven belasten van het aanschafmoment van personenauto’s,
en daarbij ook te zullen kijken naar het voertuiggewicht. Wat is de stand van dit
onderzoek en is het kabinet van plan om zwaardere auto’s ook bij het aanschafmoment
meer te belasten?
Deze vraag is inhoudelijk gelijk aan de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
over het belasten van het aanschafmoment van personenauto’s. Voor de beantwoording
verwijs ik daarom naar het antwoord op die vraag.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier