Verslag commissie Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven : Verslag van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven over het verzoekschrift van de heer A. inzake structurele nalatigheid Immigratie- en Naturalisatiedienst en gezinshereniging
36 615 Verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven
Nr. 19
VERSLAG VAN DE COMMISSIE VOOR DE VERZOEKSCHRIFTEN EN DE BURGERINITIATIEVEN OVER HET
VERZOEKSCHRIFT VAN DE HEER A. INZAKE STRUCTURELE NALATIGHEID IMMIGRATIE- EN NATURALISATIEDIENST
EN GEZINSHERENIGING
Vastgesteld 2 juli 2026
Inleiding
Dit verslag bevat de behandeling door de commissie voor de Verzoekschriften en de
Burgerinitiatieven (hierna: de commissie) van het verzoekschrift van de heer A. (hierna:
verzoeker) inzake buitensporige en aanhoudende vertraging van de behandeling van de
aanvraag voor gezinshereniging door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna:
IND).
Achtereenvolgens wordt ingegaan op het verzoek en de daarbij horende feiten, de tijdens
de inlichtingenfase ontvangen informatie van de Minister van Asiel en Migratie (hierna:
Minister), het oordeel van de commissie naar aanleiding van de inlichtingenfase en
tot slot het voorstel van de commissie aan de Kamer.
Verzoek inclusief feitencomplex
Verzoeker heeft op 27 december 2025 een verzoekschrift ingediend bij de commissie.
In het verzoekschrift geeft verzoeker aan dat hij op 4 mei 2024 een aanvraag heeft
ingediend voor gezinshereniging voor zijn echtgenote. Verzoeker leeft alleen in Nederland.
De echtgenote van verzoeker verblijft in Syrië. Verzoeker geeft aan dat het een gebied
is met ernstige veiligheidsrisico’s en voortdurende spanningen. Hij maakt zich dagelijks
grote zorgen over de veiligheid van zijn echtgenote. De langdurige onzekerheid heeft
geleid tot ernstige mentale uitputting en psychische klachten bij verzoeker. Hij geeft
aan dat de voortdurende procedures bij de IND en het uitblijven van een beslissing
een zware tol hebben geëist.
Verzoeker geeft aan dat hij een klacht heeft ingediend bij de IND op 8 november 2024
wegens de termijnoverschrijding op zijn aanvraag voor gezinshereniging. Deze klachttermijn
is verstreken. Verzoeker heeft naast het indienen van de klacht, de IND in gebreke
gesteld nadat de termijn is verstreken, waarbij verzoeker via zijn advocaat beroep
heeft ingediend bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen.
Op 22 januari 2025 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan. Deze rechtbank geeft
in de uitspraak aan dat de Minister binnen vier weken na verzending van de uitspraak
een besluit op de aanvraag bekend moet maken of een nader onderzoek moet uitvoeren.
Daarnaast is er een dwangsom opgelegd, waarbij de Minister aan verzoeker een dwangsom
van € 100,– moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt
met een maximum van € 15.000,–.
Verzoeker heeft na de uitspraak geen besluit gekregen van de IND. Verzoeker heeft
via zijn advocaat voor de tweede keer beroep ingediend bij de rechtbank wegens het
niet tijdig beslissen. De rechtbank Den Haag heeft op 4 december 2025 uitspraak gedaan.
Middels deze uitspraak is aan de Minister opgedragen om binnen een termijn van twee
weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen met een dwangsom van € 100,–
voor elke dag dat hij de termijn overschrijdt met een maximum van € 15.000,–. Ook
na deze uitspraak bleef een besluit van de IND uit.
Verzoeker vraagt of de commissie de zaak kan onderzoeken en verzoekt daarnaast de
commissie om de IND aan te spreken op het structureel overschrijden van de wettelijke
beslistermijnen, het uitblijven van communicatie en besluitvorming en het onvoldoende
meewegen van de humanitaire urgentie.
Inlichtingenfase
De commissie heeft de Minister op 23 januari 2026 om inlichtingen verzocht. Bij brief
van 9 april 2026 zijn de inlichtingen vertrouwelijk verstrekt door de Minister.
De Minister geeft aan dat door het aanhoudend hoge aantal aanvragen voor nareis de
wachttijden voor aanvragers sterk is toegenomen. Daardoor hecht de IND eraan om recht
te doen aan het principe dat degene die het langst wacht, het eerste aan de beurt
komt, oftewel het zogenoemde first in first out-beleid (hierna: fifo-beleid). De Minister
geeft aan dat op aanvragen van sommige gezinsleden de IND sneller kan beslissen, bijvoorbeeld
op aanvragen waar doorgaans minder nader onderzoek voor nodig is. Dit kan gelden voor
aanvragen waarvan de aanvrager minderjarig is of als er sprake is van een aanvraag
voor een partner/echtgenoot met minderjarige kinderen (spoor 1). Voor aanvragen voor
een partner/echtgenoot zonder kinderen is vaak meer onderzoek nodig (spoor 2).
De Minister schrijft dat verzoeker op 12 juli 2024 een brief heeft ontvangen van de
IND waarin is uitgelegd dat de IND met dit fifo-beleid werkt. In deze brief is ook
uitgelegd dat een ingebrekestelling en meerdere beroepen niet-tijdig beslissen er
niet toe leiden dat de IND een aanvraag eerder zal oppakken.
Als laatste geeft de Minister aan dat de aanvraag van verzoeker valt in spoor 2. De
verwachting is dat de aanvraag van verzoeker in september 2026 in behandeling zal
worden genomen.
Verzoeker is vervolgens per brief van 13 april 2026 verzocht om een reactie te geven
op de inlichtingen van de Minister. Aan hem is gevraagd om uiterlijk 11 mei 2026 deze
reactie toe te sturen. Verzoeker heeft echter geen inhoudelijke reactie meer gegeven
op de inlichtingen, ondanks herhaaldelijke rappels van de commissie. Om die reden
heeft de commissie geen nadere inlichtingen van de Minister gevraagd.
Oordeel van de commissie
Aangezien verzoeker heeft afgezien van verdere communicatie met de commissie, is de
commissie van oordeel dat het verzoekschrift afdoende is behandeld.
De commissie merkt op dat zij recent veel signalen ontvangt van personen die al twee
keer in het gelijk zijn gesteld door de rechter waar het gaat om het niet tijdig beslissen
door de IND op een aanvraag voor een verblijfsvergunning. Zij vindt dit een zorgelijke
ontwikkeling. Personen die een aanvraag bij de IND hebben ingediend, wachten soms
jaren op uitsluitsel. Dit brengt vaak veel stress en druk mee. Ook het niet opvolgen
van rechterlijke uitspraken vindt de commissie zeer verontrustend.
Gelet op deze signalen, heeft de commissie, buiten specifieke verzoekschriften om,
op 28 januari 2026 een brief aan de Minister gestuurd met algemene vragen over het
niet tijdig beslissen door de IND. Deze zijn bij het uitbrengen van dit verslag nog
niet beantwoord.
De commissie beseft zich dat zij niet in de positie is om een spoedige(re) behandeling
af te dwingen in een specifiek geval. Met het oog op de zorgen die de commissie heeft,
zal zij de Minister wel op daartoe gelegen momenten aanspreken op de aanhoudende problematiek
rondom het niet tijdig beslissen door de IND en de gevolgen daarvan voor personen
die een aanvraag bij de IND hebben ingediend. De vaste commissie voor Asiel en Migratie
wordt hierbij actief op de hoogte gehouden. Op deze manier zal de commissie de problematiek
nauwlettend in de gaten blijven houden.
Voorstel aan de Kamer
Er is geen aanleiding om een voorstel aan de Kamer te doen.
De voorzitter van de commissie, Huidekooper
De griffier van de commissie, Huls
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.J. Huidekooper, voorzitter van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven -
Mede ondertekenaar
M.H.M. Huls, griffier