Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Internationale arbitrageprocedure aangespannen door Petrogas (Kamerstuk 36800-XVII-71)
36 800 XVII Vaststelling van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2026
Nr. 76
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 juli 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft een
aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking over de brief van 18 mei over de internationale arbitrageprocedure
aangespannen door Petrogas (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 71).
De vragen en opmerkingen zijn op 9 juni 2026 aan de Minister van Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingssamenwerking voorgelegd. Bij brief van 2 juli 2026 zijn de vragen
beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Den Hollander
Adjunct-griffier van de commissie, Prenger
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon en antwoord
van de regering
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op
9 juni 2026 vragen en opmerkingen aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
voorgelegd.
Ik heb met interesse kennisgenomen van de vragen die door verschillende fracties zijn
gesteld naar aanleiding van de Kamerbrief Internationale arbitrageprocedure aangespannen
door Petrogas (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 71). In onderstaande reactie ga ik in op de gestelde vragen per fractie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie lezen dat Petrogas zowel de tijdelijke solidariteitsbijdrage
als de verhoging van de cijns aanvecht – maatregelen die de fossiele sector tijdens
een uitzonderlijke energiecrisis een eerlijke bijdrage lieten leveren en waarmee huishoudens
zijn beschermd. Deze leden hechten eraan dat zulke legitieme fiscale keuzes nooit
door de enkele dreiging van arbitrageclaims worden beperkt. Kan de Minister bevestigen
dat het risico op investeringsclaims voor het kabinet op geen enkel moment reden is
of zal zijn om fiscale crisis- of verduurzamingsmaatregelen uit of af te stellen?
1. Antwoord van het kabinet
Ja, dat kan het kabinet bevestigen. Bij het nemen van maatregelen worden het geldend
juridisch kader en de beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen. Het kabinet
is van mening dat de investeringsrechten, zoals die zijn vastgelegd in investeringsbeschermingsverdragen,
in feite gelijk zijn aan de basisstandaarden van behoorlijk bestuur, zoals wij die
in Nederland ook in het nationale recht kennen.
Tot slot delen de leden van de D66-fractie de opvatting dat procedures waarin democratisch
vastgesteld beleid wordt aangevochten, zo veel mogelijk openbaar en controleerbaar
zouden moeten zijn. Deze leden waarderen dat het kabinet in deze zaak heeft ingezet
op maximale transparantie, maar constateren dat de uiteindelijke openbaarheid mede
afhangt van de wederpartij en het scheidsgerecht, omdat de UNCITRAL-transparantieregels
niet automatisch op oudere verdragen van toepassing zijn. Deze leden vragen het kabinet
daarom hoe het transparantie structureel borgt op het niveau waar Nederland daar zelf
over beslist.
2. Antwoord van het kabinet
Het kabinet hecht belang aan transparante geschillenbeslechtingsprocedures en zet
daarom in op de ratificatie van de Mauritius Conventie door het Koninkrijk der Nederlanden.
Deze Conventie ziet op de toepassing van de UNCITRAL-transparantieregels inzake op
verdragen gebaseerde geschillenbeslechtingsprocedures tussen investeerders en staten
op basis van vóór 1 april 2014 gesloten investeringsbeschermingsverdragen. Dit betekent
concreet dat als er een geschil tegen het Koninkrijk wordt aangespannen onder een
bilateraal investeringsbeschermingsverdrag gesloten vóór 1 april 2014, de procedure
in principe transparant is. Hiervan wordt afgeweken, indien de staat van de investeerder
geen partij is bij de Mauritius Conventie of een voorbehoud heeft gemaakt voor toepassing
van de UNCITRAL-transparantieregels. Het Koninkrijk kan in dat geval wel unilateraal
aanbieden aan de investeerder dat deze transparantieregels van toepassing zijn op
de procedure.
Daarnaast is, zolang de Mauritius Conventie nog niet geratificeerd is, de inzet van
het kabinet in procedures die onder investeringsverdragen tegen het Koninkrijk worden
gestart om deze zo transparant mogelijk te voeren en de UNCITRAL-transparantieregels
van toepassing te laten zijn op de individuele procedures. Het kabinet zal de Kamer
waar mogelijk tevens regelmatig op de hoogte houden van lopende procedures.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief omtrent de door Petrogas
aangespannen internationale arbitrageprocedure. Zij hebben hierbij nog een enkele
vraag.
De leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet een overzicht kan geven van alle
lopende arbitrage- en investeringsprocedures die door energiebedrijven tegen Nederland
zijn aangespannen, en indien mogelijk, inclusief de financiële risico's die daarmee
gemoeid zijn?
3. Antwoord van het kabinet
De Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en diens aandeelhouders voeren meerdere
arbitrageprocedures tegen de Staat. Daarnaast voeren ExxonMobil Petroleum & Chemical
B.V. en Shell plc separate investeringsarbitrages tegen Nederland, allebei onder het
Energiehandvestverdrag. Petrogas voert ook een investeringsarbitrage tegen Nederland
onder de investeringsbeschermingsovereenkomst met het Sultanaat Oman. Het kabinet
verwijst voor deze zaken – waarvan de Kamer reeds op de hoogte is gebracht – naar
de brieven aan uw Kamer van 19 september 2025, 20 januari jl. en 18 mei jl1.
Wanneer een tribunaal in een concreet geval toch tot het oordeel komt dat Nederland
een verplichting heeft geschonden, kan dit financiële gevolgen hebben, bijvoorbeeld
in de vorm van schadevergoeding. Gelet op o.a. het (proces)belang van de Staat en
overeengekomen vertrouwelijkheid van arbitrageprocedures kan het kabinet niet in meer
detail ingaan op de risico’s van specifieke juridische procedures.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met afkeuring kennis genomen van het
nieuws dat Petrogas, een Omaans olie- en gasbedrijf dat twee gasvelden in de Nederlandse
Noordzee exploiteert, de Nederlandse staat aanklaagt op basis van investeerder-staatarbitrage
(ISDS) clausules in het investeringsverdrag tussen Nederland en Oman.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de klacht toeziet op de invoering
van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage in december 2022 en het heffen van een
solidariteitsbijdrage over een deel van de winsten van Petrogas in 2022, en de tijdelijke
verhoging van de cijns op basis van de Mijnbouwwet per 1 januari 2023 voor de jaren
2023 en 2024. Gezien de solidariteitsbijdrage een vertaling van een Europese maatregel
is: geldt deze aanklacht van Petrogas specifiek voor Nederland, of wordt deze ook
gedaan tegen andere Europese lidstaten of tegen de Europese Unie?
4. Antwoord van het kabinet
De investeringsarbitrage van Petrogas is specifiek tegen Nederland ingesteld, onder
de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het
Sultanaat Oman.
De leden zien een bredere en zorgwekkende trend in Nederland en Europa van ISDS-zaken
tegen overheden, zoals ook in Duitsland en Denemarken. De Nederlandse staat zelf is
momenteel partij in ten minste twee andere ISDS-zaken, aangespannen door Andraous,
en door ExxonMobil vanwege de sluiting van het Groningse gasveld. Deze leden vragen
het kabinet: zien zij deze trend ook? Zo nee, waarom niet? Betekent dit dat alle fossiele
bedrijven dergelijke claims kunnen maken tegen de Nederlandse staat?
5. Antwoord van het kabinet
Tot 2021 zijn er geen investeringsarbitrages tegen Nederland aanhangig gemaakt. Sindsdien
zijn er meerdere dergelijke zaken gestart. Het staat buitenlandse partijen vrij om
toetsing van maatregelen te vragen bij een tribunaal als zij een beroep kunnen doen
op een investeringsbeschermingsovereenkomst waar Nederland partij bij is, wat afhangt
van de specifieke omstandigheden van elk afzonderlijk geval. Uiteraard zal de Staat
in dergelijke procedures verweer voeren. Het indienen van een vordering staat derhalve
niet gelijk aan het toegewezen krijgen daarvan. Daarnaast merkt het kabinet op dat
uit de website van de International Centre for the Settlement of Disputes voor de arbitrage van de heer Andraous valt af te leiden dat deze procedure reeds
is beëindigd in de fase waarin het tribunaal moest beoordelen of het daadwerkelijk
bevoegd was een oordeel te vellen over de eis van de heer Andraous.2
Deze leden wijzen erop dat sluiting van het gasveld en invoering van een solidariteitsbijdrage,
beleidsbeslissingen zijn die de Nederlandse overheid op democratische wijze en in
het algemeen belang heeft genomen. De sluiting van het gasveld is nota bene een beslissing
die door de Tweede Kamer in 2024 met 146 van de 150 zetels is genomen – een ongekend
brede politieke consensus. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie veroordelen stellig
dat dergelijke democratische beslissingen worden aangevochten via internationale arbitrage
en vragen het kabinet hier ook op te reflecteren. Deze leden vragen het kabinet om
te erkennen dat dit soort arbitrages impact hebben op onze mogelijkheden om beleid
te maken, en aan te geven hoe het kabinet voornemens is dit te voorkomen. Kan de Minister
een risicoanalyse delen van waar het Nederlandse klimaatbeleid – of ander beleid in
het algemeen belang – ons vatbaar maakt voor verdere arbitrageprocedures van (fossiele)
bedrijven?
6. Antwoord van het kabinet
Zoals ook in het voorgaande antwoord aangegeven, kunnen investeerders op basis van
investeringsbeschermingsovereenkomsten met investeerder-staat geschillenbeslechting
(ISDS) onder voorwaarden een geschil aanhangig maken bij een tribunaal als zij menen
dat verdragsbescherming is geschonden, ook wanneer het gaat om democratisch tot stand
gekomen nationale maatregelen. Ook onder het nationale recht kunnen partijen een beroep
doen op rechtsmiddelen als zij menen dat het overheidshandelen in strijd is met het
recht. Dit vloeit voort uit het recht op toegang tot het recht (w.o. rechtsbescherming),
als onderdeel van onze Nederlandse rechtstaat. Dat een zaak wordt aangespannen, betekent
echter niet dat deze ook wordt gewonnen. De Nederlandse overheid handelt bij nieuwe
maatregelen binnen nationale en internationale juridische kaders, waarin het recht
van staten om in het publieke belang te reguleren ingebed is. Mocht een tribunaal
toch oordelen dat Nederland een verdragsverplichting heeft geschonden, dan kan dit
financiële gevolgen hebben, bijvoorbeeld in de vorm van schadevergoeding voor geleden
schade als gevolg van de maatregel. Het kabinet erkent dat er zorgen zijn over het
ISDS-systeem, en zet daarom in op modernisering van het systeem in plaats van afschaffing.
Daarbij staat voor het kabinet het evenwicht centraal tussen investeringsbescherming
en de beleidsruimte van overheden, evenals de invoering van een hervormd, transparant
en onafhankelijk geschillenbeslechtingsmechanisme.
Het kabinet acht het niet opportuun om een risicoanalyse te laten opstellen over mogelijke
vatbaarheid van het Nederlandse klimaatbeleid – of ander beleid in het algemeen belang
– voor verdere arbitrageprocedures van (fossiele) bedrijven. Een dergelijke analyse
kan niet alleen de procespositie van de Staat nadelig beïnvloeden, maar is daarnaast
tijdrovend en kostbaar, en berust onvermijdelijk op speculatie gezien een groot aantal
aannames noodzakelijk is voor een dergelijke analyse, zoals over toekomstig beleid
en ander beleid in het algemeen belang, net als erbij horende budgettaire risico’s
bij een eventuele ongunstige uitspraak, terwijl de meerwaarde door het grote aantal
aannames zeer gering zou zijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen weten hoe groot het financiële risico
is dat Nederland loopt op basis van deze zaak. Denk aan de totale geclaimde bedragen,
de tot nu toe gemaakte verdedigingskosten, en de budgettaire risico's bij een eventueel
ongunstige uitspraak. En wat is het totale financiële risico van alle momenteel lopende
ISDS-zaken onder Nederlandse bilaterale investeringsverdragen? En van potentiële zaken?
Kan de Minister een volledig overzicht geven van de financiële en juridische blootstelling
van Nederland onder het netwerk van bilaterale investeringsverdragen? Indien deze
informatie niet beschikbaar is, is het kabinet bereid een onafhankelijk onderzoek
te laten uitvoeren naar alle lopende en potentiële ISDS-claims, de totale geclaimde
bedragen, de tot nu toe gemaakte verdedigingskosten en de budgettaire risico's bij
een eventueel ongunstige uitspraak?
7. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst voor de lopende ISDS-zaken door energiebedrijven naar het antwoord
op vraag 3 hierboven. Het kabinet kan na het verstrijken van bepaalde nog lopende
termijnen meer details over de uitkomst van die arbitrage geven. Verder geldt dat
het kabinet pas uitspraken kan doen over zaken indien daar door de tribunalen in de
desbetreffende procedures afspraken over zijn vastgelegd.
Mede gelet op de verschillen en de veelheid aan Nederlandse bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten
is het niet mogelijk een volledig overzicht te geven van alle potentiële ISDS-claims
en de budgettaire risico’s bij een eventuele ongunstige uitspraak. Dit zou daarnaast
vergen dat toekomstige ontwikkelingen en mogelijke geschillen worden voorspeld, waardoor
een dergelijk onderzoek onvermijdelijk op speculatie zou berusten. Om die reden acht
het kabinet het niet zinvol om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren. Tot slot
is het niet in het procesbelang van het Koninkrijk om een overzicht te verstrekken
van de financiële en juridische risico’s van lopende juridische procedures.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat in 2022 toenmalig klimaatminister
Rob Jetten uit het Energy Charter Treaty (ECT) stapte, met als een van de opgegeven redenen dat producenten van fossiele energie
op basis van het verdrag claims neer konden leggen bij overheden als zij worden benadeeld
door klimaatbeleid. Herinnert het kabinet zich dit?
Deze leden vragen het kabinet of zij inziet dat bilaterale investeringsverdragen,
zoals die met Oman, exact dat probleem met zich meebrengen dat voor de toenmalig Minister
van Klimaat de reden was om uit het ECT te stappen. Hoeveel van dit soort verdragen
zijn er nog, die fossiele energiebedrijven in staat stellen om de Nederlandse staat
aan te klagen op basis van maatregelen in het algemeen belang? Wat is het concrete
plan van de Minister om bestaande investeringsverdragen te heronderhandelen? Hoe haalbaar
is dit, gezien dat sinds de vaststelling van het modelverdrag in 2019 nog geen enkel
bestaand verdrag op basis hiervan succesvol is heronderhandeld en Nederland ondertussen
grote juridische en financiële risico's loopt? Indien de Minister dit niet van plan
is, waarom niet? Waarom was het kabinet destijds wel voor het verlaten van het ECT,
maar is het kabinet niet voornemens om iets te doen aan de overige 70 verdragen die
Nederland blootstellen aan precies hetzelfde type claims?
8. Antwoord van het kabinet
Het kabinet heeft in 2022 besloten tot opzegging van het ECT vanwege de redenen zoals
destijds aangegeven in de appreciatie en Kamerbrief3. Doorslaggevend voor het besluit tot opzegging was dat het resultaat van de onderhandelingen
over modernisering van het ECT onvoldoende in lijn was met de Nederlandse en EU-inzet,
zowel op gebied van de duurzaamheidsverplichtingen als op de modernisering van het
geschillenbeslechtingmechanisme in het ECT. Daarbij speelde ook het bijzondere karakter
van het ECT als sectorspecifiek verdrag een rol. De redenen voor opzegging van het
ECT zijn dan ook niet (zonder meer) toepasbaar op bilaterale investeringsbeschermingsverdragen.
Op dit moment is Nederland partij bij rond 75 handels- en investeringsverdragen die
een vorm van het mechanisme van ISDS bevatten. Daarbij geldt inderdaad dat tot op
heden nog geen van de heronderhandelingen van deze verdragen met succes is afgerond.
Daarbij speelt het grote tijdsbeslag van het voeren van dergelijke onderhandelingen
naast de inzet die nodig is om tot overeenstemming met derde landen, en de Europese
Commissie, te komen om onderhandelingen succesvol af te ronden.
Dat betekent evenwel niet dat de inzet is veranderd; Nederland zet in op modernisering
van het investeringsbeschermingssysteem, onder andere door heronderhandeling van de
bestaande verdragen. Daarnaast zet Nederland actief in op modernisering via multilaterale
fora, zoals UNCITRAL en in OESO-verband. Ook zet Nederland in op ratificatie van de
Mauritius Conventie, om zo ook op al bestaande verdragen de transparantieregels te
kunnen toepassen.
De leden wijzen erop dat eerder dit jaar, in april 2026, maatschappelijke organisaties
SOMO en Both ENDS een routekaart
4 hebben gepubliceerd voor de afbouw van ISDS in Nederland. Heeft het kabinet kennisgenomen
van deze routekaart? Is het kabinet bereid de voorgestelde opties, waaronder opzegging,
heronderhandeling en het neutraliseren van sunset-clausules, serieus te beoordelen
en de Kamer over de uitkomst te informeren?
9. Antwoord van het kabinet
Het kabinet is bekend met de routekaart van SOMO en Both ENDS en heeft hierover reeds
met deze maatschappelijke organisaties contact gehad. Zoals aangegeven in het vorige
antwoord is de inzet van het kabinet op modernisering van het ISDS-systeem, en niet
op opzegging van verdragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de internationale
arbitrageprocedure die Petrogas Exploration & Production LLC tegen het Koninkrijk
der Nederlanden heeft aangespannen. Deze leden hebben nog enkele vragen.
Deze leden lezen dat Petrogas stelt dat Nederland investeringsbeschermingsrechten
heeft geschonden door de invoering van de Wet tijdelijke solidariteitsbijdrage en
de tijdelijke verhoging van de cijns op grond van de Mijnbouwwet. Kan de Minister
aangeven welke financiële risico’s deze procedure mogelijk met zich meebrengt voor
de Nederlandse Staat en op welke wijze de Kamer, binnen de grenzen van vertrouwelijkheid
en procesbelang, hierover wordt geïnformeerd?
10. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst voor het antwoord op deze vragen naar de eerdere beantwoording
op vraag 3 en vraag 7, waar wordt ingegaan op de lopende zaken en de mogelijke financiële
risico’s. Waar de van toepassing zijnde procesreglementen dit toestaan en met inachtneming
van het (proces)belang van het Koninkrijk, en de regels en afspraken over vertrouwelijkheid
van de specifieke procedures, zal het kabinet de Kamer regelmatig informeren over
de voortgang van de verschillende arbitrageprocedures.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast welke bredere gevolgen deze arbitrageprocedure
kan hebben voor het Nederlandse investeringsklimaat, in het bijzonder voor partijen
die investeren in energieproductie, gaswinning op de Noordzee en leveringszekerheid.
Kan de Minister aangeven of het kabinet risico’s ziet dat tijdelijke fiscale maatregelen
achteraf tot juridische procedures leiden die investeerders afschrikken, juist op
terreinen waar Nederland betrouwbare energievoorziening en binnenlandse productie
nodig heeft?
11. Antwoord van het kabinet
Bij het treffen van maatregelen, fiscaal of anders van aard, worden altijd alle belangen
meegewogen. Het aantrekkelijk houden van het Nederlandse investeringsklimaat is een
van die belangen. Het kabinet onderschrijft dat bij het nemen van maatregelen altijd
de beginselen van behoorlijk bestuur in acht moeten worden genomen. De Staat heeft
daarbij wel het recht om, zoals in het gegeven geval aan de orde, in het publieke
belang regulerende maatregelen te treffen.
Deze leden lezen dat het kabinet inzet op zo groot mogelijke transparantie in investeerder-staatgeschillen,
met inachtneming van de procespositie van Nederland en vertrouwelijkheidsregels. Kan
de Minister toezeggen dat de Kamer actief wordt geïnformeerd bij belangrijke processtappen,
procedurele besluiten, tussenbeslissingen en de uiteindelijke uitspraak, en daarbij
steeds wordt aangegeven welke stukken wel en niet openbaar kunnen worden gemaakt en
waarom?
12. Antwoord van het kabinet
Het is de inzet van het kabinet om procedures die onder investeringsverdragen tegen
het Koninkrijk worden gestart zo transparant mogelijk te voeren en daarbij de UNCITRAL-transparantieregels
van toepassing te laten zijn op de individuele procedures. Waar de van toepassing
zijnde procesreglementen dit toestaan en met inachtneming van het (proces)belang van
het Koninkrijk en de regels en afspraken over vertrouwelijkheid van de specifieke
procedures, zal het kabinet de Kamer tevens regelmatig op de hoogte houden van de
lopende procedures.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren (PvdD) hebben met grote zorg
kennisgenomen van de brief over de internationale arbitrageprocedure die Petrogas
tegen Nederland heeft aangespannen. Het gaat hier om een procedure waarin een fossiel
bedrijf bezwaar maakt tegen maatregelen die zijn genomen in het kader van de uitvoering
van EU-verordening 2022/1854 inzake een noodinterventie naar aanleiding van de uitzonderlijk
hoge energieprijzen als gevolg van onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden, zoals
de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis van 2022. Het gaat daarbij om de tijdelijke
solidariteitsbijdrage en de tijdelijke verhoging van de cijns, maatregelen die specifiek
gericht waren op buitengewone winsten in de fossiele energiesector. Het is voor deze
leden niet te verantwoorden dat de Staat zich in een investeringsarbitrage moet verdedigen
over democratisch vastgestelde maatregelen, die uitvoering geven aan Europese verplichtingen,
en die juist bedoeld zijn om de lasten van een uitzonderlijke energiecrisis eerlijker
te verdelen.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister uitvoerig in te gaan op de volgende
vragen. Waarom acht het kabinet het aanvaardbaar dat een zaak over belasting- en prijsmaatregelen
van publiek belang niet bij de gewone rechter, maar bij het Permanente Hof van Arbitrage
wordt beslecht? Welke financiële risico's loopt de Staat in deze procedure, zowel
wat betreft proceskosten als mogelijke schadevergoeding, en welke raming hanteert
het kabinet op dit moment? Uit welke gelden zullen deze proceskosten en eventuele
schadevergoedingen worden betaald, en welk effect heeft dit op andere begrotingsposten?
En hoe beoordeelt de Minister het bredere risico dat fossiele bedrijven via investeringsarbitrage
publieke klimaat- en energiemaatregelen kunnen afremmen of financieel kunnen ontregelen?
13. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst voor het antwoord op het eerste deel van deze vragen naar de
beantwoording op vraag 3, vraag 6 en vraag 7 hierboven. Het Ministerie van Buitenlandse
Zaken heeft budget om de proceskosten van de investeringsarbitrages tegen het Koninkrijk
te financieren. Een raming van de proceskosten valt niet in algemene zin te geven,
omdat dit sterk afhankelijk is van de specifieke zaak en de fase waarin deze zich
bevindt. Het Koninkrijk heeft tot op heden geen schadevergoedingen in investeringsarbitrages
hoeven betalen.
Zoals eerder aangegeven in het antwoord op vraag 8, zet het kabinet in op de modernisering
van investeringsbeschermingsovereenkomsten in plaats van de beëindiging van dergelijke
overeenkomsten. De modernisering van dat stelsel herbevestigt expliciet het recht
van staten om in het publieke belang te reguleren, zoals op het terrein van klimaat-
en energiebeleid.
Waarom vindt deze arbitrage plaats op basis van de UNCITRAL arbitrageregels uit 2010,
zonder automatische toepassing van de UNCITRAL Rules on Transparency in Treaty-based Investor-State Arbitration uit 2014? Is onderzocht of de transparantieregels alsnog op deze procedure van toepassing
konden worden verklaard? Kan de Minister toelichten waarom Nederland het Mauritius Convention on Transparency, dat beoogt de transparantieregels ook van toepassing te maken op arbitrageprocedures
onder oudere investeringsverdragen, wel heeft ondertekend maar nog steeds niet heeft
geratificeerd? Welke stappen onderneemt het kabinet om deze ratificatie alsnog te
realiseren?
14. Antwoord van het kabinet
Het kabinet hecht aan het toepassen van zoveel mogelijk transparantie in geschillenbeslechtingprocedures,
dit met inachtneming van de procespositie van het Koninkrijk en de regels over vertrouwelijkheid
van de specifieke procedures. Het kabinet is daarom voorstander van de Mauritius Conventie,
die voorziet in de toepassing van de UNCITRAL-transparantieregels op geschillenbeslechtingsprocedures
tussen investeerders en staten op basis van vóór 1 april 2014 gesloten investeringsbeschermingsverdragen.
Voor de eenheid van de externe vertegenwoordiging van de EU is het wenselijk dat de
EU-lidstaten pas partij worden bij de Mauritius Conventie in relatie tot hun bestaande
bilaterale investeringsbeschermingsverdragen, nadat de Europese Unie partij is geworden
bij de Mauritius Conventie. Nederland zette hier dan ook de afgelopen jaren actief
op in. Het is daarom zeer positief dat de Europese Unie op 25 september 2025 de Mauritius
Conventie heeft aanvaard, aangezien dit de weg vrijmaakt voor EU-lidstaten om ook
partij te worden. Voor wat betreft Nederland zal de Mauritius Conventie na het zomerreces,
met bijbehorende goedkeuringsstukken, aan het parlement voor goedkeuring worden voorgelegd.
Het verdrag wordt dan ook aan de Staten van Curaçao, Aruba en Sint Maarten overgelegd.
De UNCITRAL-transparantieregels van 2014 zijn niet van toepassing op deze zaak, omdat
de Mauritius Conventie niet van toepassing is tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Sultanaat Oman. Daarom kunnen deze transparantieregels niet zonder toestemming
van de wederpartij alsnog van toepassing zijn op deze zaak.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet blijft inzetten op het heronderhandelen
van bestaande investeringsverdragen aan de hand van het Nederlandse modelverdrag uit
2018. Kan de Minister aangeven welke concrete tijdlijn het kabinet voor ogen heeft
voor deze strategie? Hoe realistisch acht de Minister het om op deze wijze het volledige
Nederlandse verdragennetwerk van ruim 75 verdragen te moderniseren, gelet op het feit
dat sinds de vaststelling van het modelverdrag in 2019 nog geen enkel bestaand verdrag
op basis van deze modeltekst is heronderhandeld?
15. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst voor het antwoord op deze vragen naar de beantwoording op vraag
8 hierboven. De afronding van modernisering is afhankelijk van een groot aantal factoren,
zoals de voortgang van multilaterale onderhandelingen en snelheid van het voeren van
verdragsonderhandelingen met derde landen, waardoor niet concreet is aan te geven
wanneer dit verwacht wordt.
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat deze aanpak naar verwachting vele jaren,
zo niet decennia, zal vergen. Ondertussen blijven investeerders gebruikmaken van bestaande
verdragen om claims in te dienen tegen staten, waaronder inmiddels ook tegen Nederland
zelf. Kan de Minister toelichten welke maatregelen het kabinet op korte termijn neemt
om de risico’s van investeerder-staat arbitrage te beperken, zolang heronderhandeling
van verdragen niet tot concrete resultaten heeft geleid?
16. Antwoord van het kabinet
Het kabinet zet naast heronderhandelingen in op modernisering van het investeringsbeschermingssysteem
via multilaterale weg, zoals eerder beschreven in het antwoord op vraag 8. Er bestaat
overigens altijd een risico dat bedrijven toetsing van maatregelen vragen bij een
tribunaal. Bij het nemen van maatregelen handelt de overheid binnen nationale en internationale
juridische kaders, waarin het recht van staten om in het publieke belang te reguleren
ingebed is.
Voorts vragen deze leden hoe de Minister de effectiviteit van de huidige strategie
beoordeelt, nu de praktijk sinds 2019 nauwelijks vooruitgang laat zien, terwijl de
juridische en financiële risico’s van arbitrage onverminderd voortduren.
17. Antwoord van het kabinet
Het kabinet erkent dat de heronderhandelingsagenda minder voortvarend verloopt dan
bij het finaliseren van de modeltekst in 2018 voorzien was. Desalniettemin wordt nog
steeds op heronderhandeling ingezet en wordt bovendien ingezet op modernisering via
multilaterale fora, zoals in OESO-verband en UNCITRAL. Verwezen wordt naar de uitgebreide
beantwoording onder vraag 8 hierboven.
De leden van de PvdD-fractie merken daarbij op dat zij ook inhoudelijke bezwaren hebben
tegen het modelverdrag zelf. Hoewel het modelverdrag enkele verbeteringen bevat ten
opzichte van oudere verdragen, blijft het investeerders toegang geven tot investeerder-staat
arbitrage buiten nationale rechtssystemen om. Ook investeringen in fossiele activiteiten
blijven in beginsel beschermd, terwijl verwijzingen naar duurzaamheid, klimaat en
maatschappelijk verantwoord ondernemen grotendeels vrijblijvend en niet afdwingbaar
zijn. Kan de Minister toelichten waarom het kabinet vasthoudt aan een model dat volgens
deze leden de fundamentele problemen van investeringsbescherming en arbitrage niet
wegneemt?
18. Antwoord van het kabinet
De modeltekst uit 2018 is na uitgebreide consultaties met zowel het parlement als
het maatschappelijk middenveld tot stand gekomen. Dat de modeltekst investeerders
toegang biedt tot arbitrage is evident; dat is een van de kern elementen van een investeringsbeschermingsverdrag.
Het kabinet deelt dan ook niet de mening van de leden van de PvdD-fractie dat het
bieden van de mogelijkheid tot arbitrage een fundamenteel probleem is. Evenmin deelt
het kabinet de mening dat het een fundamenteel probleem is dat er ook bescherming
wordt geboden aan investeringen in de fossiele sector. Het kabinet is voorstander
van een sector neutrale benadering van investeringsbescherming en meent dat iedere
investering recht heeft op een neutrale en billijke behandeling, waarbij het aan overheden
is om te reguleren in het publiek belang.
De leden van de PvdD-fractie vragen daarnaast om een toelichting op de ogenschijnlijke
inconsistentie in het kabinetsbeleid. Enerzijds heeft Nederland besloten zich terug
te trekken uit het Energy Charter Treaty (ECT), mede op basis van de beoordeling dat het verdrag, ook in gemoderniseerde vorm,
onvoldoende in lijn is met Nederlandse klimaat- en duurzaamheidsdoelen. Anderzijds
blijft het kabinet vasthouden aan bilaterale verdragen met landen in het mondiale
Zuiden die vergelijkbare arbitragemogelijkheden en investeringsbescherming bevatten.
Kan de Minister uitleggen hoe deze twee lijnen zich tot elkaar verhouden, en waarom
de conclusie ten aanzien van het ECT niet wordt doorgetrokken naar het bredere verdragsnetwerk?
19. Antwoord van het kabinet
Het kabinet verwijst naar de beantwoording onder vraag 8 hierboven, waarin wordt ingegaan
op de redenen tot opzegging van het ECT.
Tenslotte vragen de leden van de PvdD-fractie of de Minister bereid is om de arbitragebepalingen
uit het verdrag tussen Nederland en Oman, waaronder Petrogas deze procedure heeft
aangespannen, te beëindigen of buiten werking te stellen.
20. Antwoord van het kabinet
Zoals eerder aangegeven in het antwoord op vraag 8, zet het kabinet in op de modernisering
van investeringsbeschermingsovereenkomsten in plaats van de beëindiging van dergelijke
overeenkomsten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R. den Hollander, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Mede ondertekenaar
M. Prenger, adjunct-griffier