Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Steen en Van den Brink over het artikel 'In de Rotterdamse probleemwijk Carnisse lachen de pandjesbazen de woningcontroleurs ‘vierkant uit’’
Vragen van de leden Steen en Tijs van den Brink (beiden CDA) aan de Ministers van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het artikel «In de Rotterdamse probleemwijk Carnisse lachen de pandjesbazen de woningcontroleurs «vierkant uit»» (ingezonden 20 mei 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ontvangen 30 juni 2026). Zie
ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2243.
Vraag 1
Zou u willen reflecteren op de belangrijkste bevindingen in het artikel over de situatie
in Carnisse en de signalen dat woonfraude, uitbuiting en illegale huisvesting van
arbeidsmigranten structureel voortduren ondanks nieuwe wetgeving?1
Antwoord 1
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie
van sommige arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid
over huisvesting en inkomen. Arbeidsmigranten verdienen een veilige woonplek, net
als iedereen die in Nederland woont.
Het kabinetsbeleid is erop gericht om misstanden aan te pakken en de positie van arbeidsmigranten
te versterken. Daarvoor wordt werk gemaakt van de aanbevelingen van het Aanjaagteam
bescherming arbeidsmigranten en de maatregelen van het SER-advies «arbeidsmigratie
naar waarde». Het artikel laat zien hoe belangrijk het is om verder te gaan met de
uitvoering van deze maatregelen, waaronder het verbeteren van de huurbescherming van
arbeidsmigranten en de uitvoering van de Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten.
Het artikel laat zien dat een goede lokale uitvoering en handhaving essentieel zijn,
maar ook dat de praktijk complex is. Dit benadrukt het belang van maatregelen in de
hele keten, van beleid tot handhaving, om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren.
Uw Kamer is over de voortgang van de maatregelen in november jl. geïnformeerd.2 Aan het eind van dit jaar wordt uw Kamer opnieuw over de voortgang geïnformeerd.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u het feit dat, ondanks de invoering van de Wet goed verhuurderschap
en andere maatregelen, misstanden in wijken zoals Carnisse onverminderd doorgaan?
Antwoord 2
In het artikel van de NRC worden ernstige misstanden beschreven rondom de woonsituatie
van arbeidsmigranten in de Rotterdamse wijk Carnisse. Vooropgesteld: deze situaties
zijn onacceptabel. De inzet van het kabinet is om meer grip te krijgen op arbeidsmigratie
en daarnaast van de positie van arbeidsmigranten te verbeteren.
De afgelopen jaren hebben gemeenten meer instrumentarium in handen gekregen om op
overtredingen gerelateerd aan de woonsituatie te handhaven, waaronder via de Wet goed
verhuurderschap. Als gevolg hiervan kunnen gemeenten beter optreden tegen misstanden
als bijvoorbeeld intimidatie en hoge huren, is de informatiepositie van arbeidsmigranten
versterkt en moet elke gemeente een meldpunt hebben, waar klachten over ongewenst
verhuurgedrag – zo nodig anoniem – kunnen worden gemeld. Een en ander in aanvulling
op wettelijke instrumenten die al voor die tijd bestonden, en waarmee bijvoorbeeld
al kon worden opgetreden tegen overbewoning. Zoals ook toegelicht in het antwoord
op vraag 14 en 16, werkt het kabinet daarom aan aanvullende maatregelen om misstanden,
zoals in Carnisse, tegen te gaan.
Effectief beleid valt of staat echter met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten
hebben bij de invulling van toezicht en handhaving een mate van vrijheid. Hoewel zij
in beginsel behoren op te treden tegen overtredingen, is het aan de gemeente om de
prioriteit en aanpak te bepalen op basis van ernst, maatschappelijke impact, beschikbare
capaciteit en beleidsdoelen. Dit signaal uit het NRC artikel laat de knelpunten zien
in de uitvoering en handhaving lokaal. Naar aanleiding hiervan wordt het gesprek met
de betreffende gemeente en andere betrokken partijen gevoerd.
Vraag 3
Kunt u aangeven in hoeverre de doelen van de Wet goed verhuurderschap tot op heden
zijn gerealiseerd, specifiek voor de bescherming van arbeidsmigranten?
Antwoord 3
Het is belangrijk om te zien hoe de Wet goed verhuurderschap (Wgv) in de praktijk
functioneert. De doeltreffendheid en praktijkwerking van de Wgv worden momenteel geëvalueerd.
Na de zomer, als het onderzoek is afgerond, informeert de Minister van VRO uw Kamer
over de uitkomsten hiervan.
Vraag 4
Hoe verklaart u dat gemeenten, ondanks uitgebreid dossiermateriaal en herhaalde constateringen
van overtredingen, in de praktijk beperkt overgaan tot handhaving?
Antwoord 4
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, hebben gemeenten bij de invulling van
toezicht en handhaving een mate van vrijheid.
De VNG bevestigt dat de beschikbare bevoegdheden om te handhaven bestaan, maar dat
daarmee de feitelijke handhaafbaarheid en effectiviteit niet is gegarandeerd. De VNG
signaleert dat bij complexe casussen handhaving niet altijd goed verloopt. Ook geeft
de VNG ten aanzien van de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen
regionale samenwerking tussen gemeenten nodig is, maar dat die samenwerking niet in
alle gevallen goed verloopt. Het artikel en de signalen van VNG geven, zoals ook aangegeven
in het antwoord op vraag 2, aanleiding om hierover in gesprek te gaan met de betrokken
partijen.
Vraag 5
In hoeverre is het huidige instrumentarium tot handhaving toereikend, maar in de praktijk
onvoldoende effectief? Zo ja, waar zit volgens u de kern van dit probleem?
Antwoord 5
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Vraag 6 en 7
Zou u, gegeven het feit dat de problematiek samenhangt met de verdeling van verantwoordelijkheden
en eventuele gaten hierin, helder in kaart willen brengen welk bestuursniveau (Rijk,
gemeente, inspectiediensten) verantwoordelijk is voor:
a) toezicht op verhuurders
b) handhaving bij illegale bewoning
c) aanpak van arbeidsuitbuiting en mensenhandel
d) inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP)?
Zou u willen reflecteren op de vraag of deze verantwoordelijkheden in de praktijk
voldoende op elkaar zijn afgestemd?
Antwoord 6 en 7
Verantwoordelijkheid voor toezicht op verhuurders, handhaving bij illegale bewoning
en inschrijving in de BRP
Gemeenten houden in beginsel toezicht op a) verhuurders, voor zover het handelingen
betreft die vallen onder andere de Wet goed verhuurderschap (Wgv) en de Wet betaalbare
huur (Wbh) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) met betrekking tot kwaliteit
en gevaarlijke bouwkundige situaties, b) handhaving bij illegale bewoning (op basis
van de Huisvestingswet 2014 en Omgevingswet) en d) inschrijving in de Basisregistratie
Personen (Wet basisregistratie personen). Hiermee worden de verantwoordelijkheden
op elkaar afgestemd op een manier die past bij de lokale situatie.
Verantwoordelijkheid voor aanpak arbeidsuitbuiting en mensenhandel
Als het gaat om de aanpak tegen mensenhandel is de Minister van Justitie en Veiligheid
verantwoordelijk voor de rijksbrede coördinatie van de aanpak van mensenhandel en
de Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de aanpak van arbeidsuitbuiting.
Hierin wordt gezamenlijk opgetrokken in onder meer het Actieplan Programma «Samen
tegen Mensenhandel» met o.a. de Nederlandse Arbeidsinspectie, politie, Koninklijke
Marechaussee, VNG en maatschappelijke organisaties zoals Comensha. In het Actieplan
wordt in verschillende actielijnen ingezet op onder meer het creëren van brede bewustwording,
vergroten van meldingsbereidheid en het verbeteren van de bescherming van slachtoffers.
De Nederlandse Arbeidsinspectie is onder andere verantwoordelijk voor de opsporing
van c) arbeidsuitbuiting als vorm van mensenhandel en, zodra de Wet modernisering
en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel in werking treedt, ook voor de opsporing
van het delict ernstige benadeling. Ondermaatse huisvesting kan een indicatie zijn
van ernstige benadeling of arbeidsuitbuiting.
Ook gemeenten spelen een belangrijke rol bij de aanpak van mensenhandel in de vorm
van arbeidsuitbuiting en ernstige benadeling, door in te zetten op preventie, signalering
en handhaving – in het kader van toezichthoudende taken – en hulpverlening, waarbij
de gemeente integraal samenwerkt met onder andere de politie en bestuurlijk handhaaft
op de naleving van huisvestingsnormen.
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, worden vanuit het Rijk de kaders geschept
om arbeidsmigratie in goede banen te leiden en om arbeidsmigranten beter te beschermen.
Bestaand en voorgenomen beleid op rijksniveau gerelateerd aan de genoemde gebieden
wordt toegelicht in het antwoord op vraag 14. Effectief beleid valt of staat echter
met een goede uitvoering op lokaal niveau. Gemeenten zijn, zoals hierboven beschreven,
in veel gevallen verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Er bestaat een
integrale samenwerking tussen gemeente(n), de Nederlandse Arbeidsinspectie en politie.
Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 19. De VNG geeft ten aanzien van
de integrale aanpak van misstanden aan dat in veel gevallen regionale samenwerking
tussen gemeenten nodig is. Dat verloopt niet in alle gevallen goed. Het artikel en
de signalen van VNG geven, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, aanleiding
om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen.
Vraag 8
Welke bevoegdheden of instrumenten hebben gemeenten in uw ogen nodig om effectief
te kunnen optreden wanneer bewoners de deur niet openen, sprake is van intimidatie,
of sprake is van snel wisselende bewoners, de zogenaamde carrouselconstructies?
Antwoord 8
Gemeenten beschikken reeds over diverse mogelijkheden om op te treden wanneer bewoners
de deur niet openen, er sprake is van intimidatie en/of snel wisselende bewoners.
Indien de bewoners de deur niet openen geldt dat toezichthouders de bevoegdheid hebben3 om in bepaalde gevallen een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.
In die gevallen is de Algemene wet op het binnentreden van toepassing. Kort gezegd
volgt uit deze wet dat bij binnentreden voor andere doeleinden dan strafvordering
een machtiging tot binnentreden moet worden afgegeven. Een uitzondering op deze situatie
is het bestaan van een noodsituatie (zoals bijvoorbeeld een brand).
Ook wanneer er sprake is van intimidatie geldt dat toezichthouders van de gemeente
reeds actie kunnen ondernemen. In de Wet goed verhuurderschap (Wgv) is namelijk bepaald
dat een verhuurder niet mag intimideren. Doet de verhuurder dit wel, dan dient de
gemeente hierop te handhaven. Dat kan door een waarschuwing te geven, een last onder
dwangsom op te leggen, of een bestuurlijke boete. Handhaving kan bijvoorbeeld naar
aanleiding van een (anonieme) melding bij het gemeentelijke meldpunt voor ongewenst
verhuurgedrag, maar de gemeente kan daarnaast ook zonder voorafgaande melding optreden
tegen intimidatie als dit wordt vastgesteld.
Ten aanzien van de zogenaamde «carrouselconstructies» geldt dat het voor de handhaving
op overtredingen van zowel de Wgv of de Wet betaalbare huur (Wbh) niet uitmaakt of
er inmiddels een andere huurder in de woning woont. Voor wat betreft handhaving van
de Wgv en de Wbh geldt namelijk dat het gaat om de overtreding die is begaan. Daarbij
is niet relevant jegens welke huurder(s) dat is geweest. Gemeenten kunnen op grond
van deze wetten bovendien zwaardere sancties opleggen in het geval van recidive.
Vraag 9
Welke mogelijkheden zijn er tot binnentreden of bestuursrechtelijk ingrijpen bij ernstige
signalen van uitbuiting en overbewoning?
Antwoord 9
Voor binnentreding bij handhaving op overbewoning geldt het algemene wettelijke kader
beschreven in de antwoorden op vraag 7 en 8. Specifiek voor de Arbeidsinspectie geldt
dat de Wet arbeid vreemdelingen en het Wetboek van Strafvordering mogelijkheden bieden
voor binnentreden zonder toestemming van de bewoner(s).
Vraag 10
Zou u samen met de VNG in kaart willen brengen hoeveel capaciteit gemeenten nodig
hebben om een stevige aanpak van deze problematiek neer te zetten, gezien het voorbeeld
dat een grote stad als Rotterdam slechts enkele inspecteurs beschikbaar heeft voor
toezicht op naleving?
Antwoord 10
Zoals opgemerkt in eerdere antwoorden wordt in gesprek gegaan met gemeenten en de
VNG over de beschikbare bevoegdheden om te handhaven en te bezien wat mogelijke knelpunten
zijn.
In het geval van de Wet goed verhuurderschap (Wgv), Wet betaalbare huur (Wbh) en Wet
maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten geldt overigens
dat in 2025, op verzoek van de VNG, een evaluatie heeft plaatsgevonden van de financiële
middelen die gemeenten van het Rijk ontvangen voor de implementatie en uitvoering
van de genoemde wetten. Uit dit onderzoek, waarin ook individuele gemeenten zijn geïnterviewd,
blijkt dat de financiële middelen voor gemeenten voor het uitvoeren van de wettelijke
taken die voortvloeien uit deze drie wetten en het handhaven daarop vooralsnog afdoende
zijn. Tegelijk laat dit signaal zien dat het wettelijk instrumentarium alleen niet
voldoende is, en dat capaciteit nodig is om lokaal toezicht en handhaving uit te oefenen.
Daarom is het gesprek hierover met gemeenten van belang om te horen waar het nu knelt.
Vraag 11 en 12
Herkent u het beeld dat dossiers blijven liggen, handhaving uitblijft en overtreders
feitelijk wegkomen met illegale praktijken?
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat constateringen van overtredingen
sneller en daadwerkelijk leiden tot sancties?
Antwoord 11 en 12
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, 5, 6 en 7 zijn gemeenten verantwoordelijk
voor de handhaving op misstanden in hun gemeente en de wijze waarop zij dat binnen
de kaders van de wet vormgeven. Ook heeft de Minister van VRO in 2025 de opstart van
een opleiding voor bouw- en woningtoezicht gesteund. Deze opleiding moet bijdragen
aan professionalisering en kwaliteitsverbetering van woontoezichthouders en bouwtoezichthouders.
Zoals eerder aangegeven wordt met gemeenten in gesprek gegaan over signalen dat de
handhaving in de praktijk niet altijd goed verloopt.
Vraag 13
Hoe beoordeelt u de kwetsbare positie van arbeidsmigranten die geen huurcontract hebben,
afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting en uit angst voor verlies van
werk of woning geen melding durven doen?
Antwoord 13
Situaties waarin arbeidsmigranten geen schriftelijk huurcontract hebben, een te grote
afhankelijkheid van hun werkgever voor huisvesting hebben, of waarbij zij uit angst
voor verlies van werk of woning geen melding durven te doen van misstanden, keurt
het kabinet af.
Daarbij moet opgemerkt worden dat, voor het verkrijgen van de huurbescherming of huurprijsbescherming,
het juridisch gezien niet uitmaakt of mensen een schriftelijk huurcontract hebben.
Een huurovereenkomst kan ook een (impliciete) mondelinge afspraak zijn. Om discussies
over het bestaan van een huurrelatie te voorkomen, is in de Wet goed verhuurderschap
(Wgv) bovendien een verplichting aan verhuurders opgelegd om een (mondelinge) huurovereenkomst
schriftelijk vast te leggen. Daarnaast geldt dat verhuurders – in het geval van verhuur
aan arbeidsmigranten – op grond van de Wgv verplicht zijn om de huurovereenkomst los
van de arbeidsovereenkomst vast te leggen om «baan en bed» van elkaar te scheiden.
De huur(prijs)bescherming van arbeidsmigranten is vaak echter nog onvoldoende, omdat
gebruik wordt gemaakt van «aard naar korte duur»-contracten. Om de huur(prijs)bescherming
te verbeteren is een wetsvoorstel in voorbereiding, zie hiervoor het antwoord op vraag
14.
Vraag 14
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn om deze groep beter te beschermen,
op het gebied van fatsoenlijke huisvesting, het tegengaan van misstanden en afbouwen
van onwenselijke afhankelijkheidsrelaties?
Antwoord 14
Voor wat betreft de maatregelen aangaande huisvesting verloopt dit onder andere via
het instrumentarium dat is beschreven in het antwoord op de vragen 6 en 7.
Naast het reeds beschikbare instrumentarium (zie antwoord vraag 6 en 7) is er een
wetsvoorstel in voorbereiding om de huurbescherming van arbeidsmigranten te verbeteren.4 Op dit moment worden verschillende groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten,
gehuisvest op basis van zogenaamde «short stay»- of logiescontracten. Het huurrecht
kent het begrip «short stay»-contracten echter niet. Waar in de sector wordt gesproken
over huisvesting op basis van «short stay» wordt binnen het huurrecht een beroep gedaan
op de uitzondering in artikel 7:232, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze
uitzondering betekent kort gezegd dat de huur(prijs)bescherming niet van toepassing
is op deze vorm van huur. De uitzondering in het huurrecht voor huur «naar aard van
korte duur» is bedoeld om kenbaar te maken dat er bijvoorbeeld bij het huren van een
vakantiehuisje geen huurbescherming is. Het substantiële gebruik van de uitzondering
is oneigenlijk. Beleidsinzet is er dan ook opgericht om de wet aan te passen en huur
«naar aard van korte duur» wettelijk te begrenzen tot een maximale duur van 30 nachten.
Op het moment dat dezelfde woonruimte langer dan 30 nachten aan dezelfde huurder wordt
verhuurd, is er dan per definitie sprake van huur(prijs)bescherming.
Ten tweede werkt de Minister van VRO aan een huurregister5. Een huurregister heeft als inzet dat alle verhuurders die woonruimte langer dan
30 nachten verhuren of willen verhuren, zich moeten registreren in een landelijk register.
Dat geldt dus dan ook voor alle huisvesting die aan arbeidsmigranten wordt verhuurd.
Hiermee wordt het houden van toezicht op de verhuurder gefaciliteerd.
Overige maatregelen en mogelijkheden daartoe voor het beschermen van arbeidsmigranten
Zoals bij vraag 1 benoemd voert het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming
arbeidsmigranten uit. Dit gebeurt in interdepartementaal verband met de Ministeries
van SZW, BZK, VWS, EZ, LVVN, JenV en de Nederlandse Arbeidsinspectie. Daarbij werkt
het kabinet samen met uitvoerings- en handhavingsorganisaties, sociale partners, medeoverheden
en andere stakeholders.
Omdat veel arbeidsmigranten in Nederland werken via een uitzendbureau is een belangrijke
aanbeveling van het Aanjaagteam het opzetten van een toelatingsstelsel voor uitleners.
De Wet terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) is op 15 april 2025 aangenomen
in de Tweede Kamer en op 11 november 2025 aangenomen in de Eerste Kamer. Een belangrijke
mijlpaal. De voorbereidingen voor de invoering van het toelatingsstelsel zijn in volle
gang, met in het bijzonder de oprichting van een nieuwe uitvoeringsorganisatie: de
Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). De invoeringsdatum voor het toelatingsstelsel
is 1 januari 2027. Vanaf 1 januari 2028 gaat de Arbeidsinspectie handhaven op de toelatingsplicht.
Daar heeft de Arbeidsinspectie ook extra capaciteit voor gekregen. Door de Wtta kunnen
we uitleners die zich niet aan de regels houden van de uitleenmarkt weren. Hiermee
beschermen we kwetsbare arbeidskrachten, onder wie arbeidsmigranten. Ook stimuleren
we goed werkgeverschap in de uitzendbranche.
Naast goede wet- en regelgeving moeten arbeidsmigranten beter op de hoogte zijn van
hun rechten en moet hen meer (juridische) hulp worden geboden. Dat kan ook hulp zijn
bij problemen met huisvesting. Daarom heeft dit kabinet met het project Work in NL
(WIN) fysieke en mobiele informatiepunten door heel het land geopend. Dit jaar wordt
de website workinnl.nl vernieuwd en geeft het de mogelijkheid om ook regionale informatie
te plaatsen. Daarnaast wordt verder gewerkt aan concrete actie binnen de Alliantie
Work in NL, waarin werkgevers en huisvesters ondersteuning bieden aan arbeidsmigranten
en zetten we verdere stappen om informatie in landen van thuiskomst te versterken.
Daarnaast ligt op dit moment de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling
mensenhandel ter behandeling in de Eerste Kamer.6 De modernisering heeft als centrale doelstelling het effectiever maken van de strafrechtelijke
aanpak van mensenhandel, waardoor de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers
wordt verbeterd.
Kortom, het kabinet zet tal van maatregelen door om de situatie van arbeidsmigranten
te verbeteren.
Vraag 15 en 16
Bent u bekend met signalen dat uitzendbureaus en huisvesters arbeidsmigranten ontmoedigen
of zelfs intimideren om zich in te schrijven bij gemeenten? Deelt u de opvatting dat
dit volstrekt onnacceptabel is?
Welke acties onderneemt u tegen uitzendbureaus of huisvesters die arbeidsmigranten
ontmoedigen of intimideren om zich in te schrijven in de BRP?
Antwoord 15 en 16
Het is ontoelaatbaar dat sommige uitzendbureaus of huisvesters de inschrijving van
arbeidsmigranten in de BRP dwarsbomen. Dit kabinet zet in op een breed pakket aan
maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten in de BRP te verbeteren. Een van
de belangrijkste maatregelen is om uitzenders een verantwoordelijkheid te geven in
de correcte registratie van arbeidsmigranten. Daarom streven we naar inwerkingtreding
van de zorgplicht voor uitleners per 1 januari 2027.
Op verzoek van uw Kamer is met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten
(Wtta) een wettelijke basis geïntroduceerd voor de zorgplicht van uitzenders in de
Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Dit betekent dat uitzenders
een rol krijgen in de correcte registratie van hun werknemers. Dit zal in beginsel
gaan om een bevorderings- en vergewisplicht. De uitzender moet bevorderen dat zijn
werknemer goed is ingeschreven en vergewissen dat deze werknemer na 6 maanden ook
ingeschreven staat bij de gemeente. Momenteel werkt de Minister van SZW de bevordering-,
vergewis in lagere regelgeving uit. Optioneel is het in de toekomst ook mogelijk dat
er een meldplicht komt, waarmee uitzenders verplicht worden om melding te doen als
een werknemer niet goed ingeschreven staat bij de gemeente. De uitwerking van lagere
regelgeving gebeurt onder meer in nauwe samenwerking met uitleners, vakbonden en uitvoeringsorganisaties.
Op termijn zullen in het normenkader van de Wtta eisen worden opgenomen ten aanzien
van de naleving van de zorgplicht. Deze norm zal worden toegevoegd nadat het toelatingsstelsel
volledig is ingericht en de capaciteit van inspectie-instellingen voldoende is.
Daarnaast wordt er gewerkt aan andere maatregelen om in de breedte zicht op arbeidsmigranten
te verbeteren. Zo gaat de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens deze zomer e-mails
sturen naar arbeidsmigranten die zich hebben ingeschreven in de registratie niet-ingezetenen
om hen uitleg te geven over inschrijving in de BRP. Ook ziet het kabinet goede voorbeelden,
zoals in de gemeente Meijerijstad, waar het WorkinNL-punt actief op pad gaat naar
werk- en woonlocaties om daar mensen in te schrijven in de BRP.
Vraag 17
Welke sancties staan momenteel op het belemmeren van inschrijving, en in hoeverre
en hoeveel worden deze in de praktijk toegepast?
Antwoord 17
In de situatie zoals beschreven in het artikel vindt er een combinatie van misstanden
plaats waarop in gezamenlijkheid gehandhaafd moeten worden. We verwijzen daarom naar
het antwoord op vraag 8 waarin beschreven wordt welke handvatten er voor gemeenten
zijn om dit aan te pakken. Als het gaat om inschrijving is ervoor gekozen om nu sancties
in te stellen voor de uitleners die hun zaken niet goed op orde hebben als het gaat
om de registratie van werknemers. Zoals in de vorige vraag beschreven komt er per
1 januari 2027 een zorgplicht voor uitleners waarmee zij een verantwoordelijkheid
krijgen in de correcte registratie van arbeidsmigranten. Op termijn wordt handhaving
hiervoor ook ingeregeld via het toelatingsstelsel.
Vraag 18
Zou u inzicht willen geven in welke maatregelen er nog meer mogelijk zijn, zoals een
meldplicht voor huisvesting van arbeidsmigranten, strengere vergunningseisen voor
uitzendbureaus, of koppeling van huisvesting en registratiecontrole?
Antwoord 18
Zoals in het antwoord op vraag 14 en 16 reeds is toegelicht zijn er verschillende
bestaande en in ontwikkeling zijnde maatregelen om misstanden tegen te gaan die zien
op de in de vraag genoemde terreinen.
Vraag 19
Hoe wordt de samenwerking tussen gemeenten, de Arbeidsinspectie, politie en andere
instanties momenteel vormgegeven, en waar schiet deze tekort?
Antwoord 19
Het algemene beeld is dat de samenwerking in de meeste gevallen goed verloopt. Wel
zijn er signalen dat in situaties van meervoudige problematiek, waarbij handhaving
nodig is op verschillende overtredingen die aan elkaar gerelateerd zijn en afstemming
tussen meerdere instanties vereist, het nodige wordt gevraagd van de betrokken organisaties.
Het kabinet gaat daarover in gesprek met onder andere gemeenten en de VNG.
Om een aantal voorbeelden te geven van waar de samenwerking goed gaat: gemeenten en
de Arbeidsinspectie werken samen bij het uitwisselen van meldingen, gezamenlijke controles
en via meer structurele samenwerkingsverbanden (zoals via het Haags Economisch Interventie
Team). Ook heeft de VNG in afstemming met onder meer de Arbeidsinspectie de handreiking
opgesteld voor beter toezicht op huisvesting en registratie van EU-arbeidsmigranten.
Politie en de Arbeidsinspectie werken onder meer samen tijdens controles, waar de
politie geregeld meegaat ter bescherming van de arbeidsinspecteurs. Daarnaast haalt
de politie waar nodig voertuigen van de openbare weg naar controlelocaties zodat arbeidsinspecteurs
kunnen controleren op de naleving van arbeidswetten ten behoeve van onder andere vrachtwagenchauffeurs
en maaltijdbezorgers.
Vraag 20
Bent u bereid te komen tot een landelijke, integrale aanpak waarbij huisvesting, arbeid
en migratiebeleid nadrukkelijker met elkaar worden verbonden?
Antwoord 20
Het kabinet werkt onder coördinatie van de Minister van SZW aan een landelijke, integrale
aanpak, zoals ook genoemd in het antwoord op vraag 14.
Vraag 21
Welke concrete aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om situaties
zoals in Carnisse daadwerkelijk te beëindigen?
Antwoord 21
Zoals in het antwoord op vraag 4 tot en met 8 aangegeven is het doorgaans de gemeente
die verantwoordelijk is voor het directe toezicht en de handhaving op de misstanden
die in het artikel staan beschreven. Zoals terug te lezen is in het antwoord op vraag
14 en 16 zet het kabinet verschillende maatregelen door om misstanden tegen te gaan.
Ook bij evaluaties van bestaande wetten, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet
betaalbare huur, zal er aandacht zijn voor de effectiviteit van de geëvalueerde wetten,
en de praktijkwerking daarvan.
Dit neemt niet weg dat de in het artikel beschreven situatie schrijnend is en dat
de handhaving in sommige gemeenten te kort kan schieten. Het kabinet gaat hierover
het gesprek met gemeenten, VNG, de Arbeidsinspectie en andere betrokken partijen graag
aan.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.