Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Zalinyan over de PPWR1 en de consequenties voor composteerbare verpakkingen
Vragen namens het lid Zalinyan (GroenLinks-PvdA) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei en van Infrastructuur en Waterstaat over de PPWR en de consequenties voor composteerbare verpakkingen (ingezonden 9 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen
29 juni 2026)
Vraag 1
Bent u bekend met de zorgen van producenten van composteerbare en biobased verpakkingen
over de gevolgen van de Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR)?
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
Herkent u dat een aantal biologisch afbreekbare materialen niet is ingedeeld in recyclingcategorieën
binnen de PPWR en door sorteerders en recyclers wordt geweigerd in zowel de PMD- als
de papierketen?
Antwoord 2
Op basis van deze Europese verordening moeten alle verpakkingen per 2030 recyclebaar
zijn. Daarna worden de eisen van wat als recyclebaar telt in de tijd steeds strenger.
In de PPWR wordt recyclebaarheid bepaald voor verpakkingscategorieën (bv. houten verpakkingen)
op een indicatieve lijst aan de hand van eigenschappen van de verpakking (bv. uit
hoeveel verschillende materialen de verpakking is gemaakt). Niet alle materialen zijn
ingedeeld in deze indicatieve lijst. De Europese Commissie (verder: Commissie) heeft
de bevoegdheid deze lijst te wijzigen, bijvoorbeeld vanwege nieuwe materiaalontwikkelingen.
De indicatieve lijst houdt geen rekening met nationale verwerkingsmethoden, maar is
een algemene lijst met materialen met als doel design-for-recycling te harmoniseren. Of een verpakking wel of niet op de indicatieve lijst staat, staat
dus los van of een verpakking in Nederland wel of niet bij het pmd-afval of in de
papierbak weggegooid mag worden. In Nederland bestaan voor inwoners wel/niet lijsten
die aangeven in welke afvalbak een bepaald product mag. Het kan zijn dat de huidige
wel/niet lijsten ertoe leiden dat bepaalde producten niet in het pmd-afval of in de
papierbak mogen. Producenten van verpakkingen kunnen afspraken maken met gemeenten,
inzamelaars, sorteerders en verwerkers om de wel/niet lijst aan te passen. Zo is in
2026 de wel/niet lijst voor pmd-afval aangepast zodat koffiecapsules ook bij het pmd-afval
mogen.
Vraag 3
Deelt u de analyse van de sector dat deze weigering ertoe leidt dat deze materialen
automatisch een lagere of nulscore op recyclebaarheid krijgen en van de markt worden
geweerd?
Antwoord 3
Vanaf 2030 worden verpakkingen ingedeeld in recyclebaarheidsklassen op grond van de
PPWR. Verpakkingen met een te lage recyclebaarheidsklasse mogen niet op de markt worden
gebracht. Hoe de recyclebaarheidsklasse wordt bepaald, wordt in 2028 door de Commissie
vastgelegd in een gedelegeerde handeling. De Commissie heeft in een gesprek met mijn
ministerie aangegeven dat ze bij de uitwerking rekening willen houden met alle materialen,
wat ook past bij de intentie om bio(vezel)gebaseerde verpakkingen te stimuleren1. Indien nodig zal Nederland de Commissie blijven oproepen om alle materialen mee
te nemen in deze gedelegeerde handeling. Zoals toegelicht in vraag 2, staat de recyclebaarheidsklasse
in de PPWR los van of een verpakking in Nederland op dit moment wel of niet bij het
pmd-afval of in de papierbak weggegooid mag worden.
Vraag 4
Welke gevolgen verwacht u van de PPWR voor Nederlandse bedrijven die investeren in
dergelijke verpakkingen?
Antwoord 4
De PPWR harmoniseert het verpakkingenbeleid in Europa. Investeringszekerheid is gebaat
bij geharmoniseerde Europese wetgeving. De recyclebaarheidseisen zijn onmisbaar in
een circulaire economie waarin wij minder nieuwe grondstoffen gebruiken. Het is van
belang dat (nieuwe) verpakkingen en verpakkingsmaterialen zo worden ontworpen dat
zij aan deze eisen voldoen. Sommige (technische) aspecten van de PPWR worden uitgewerkt
via gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen. Het is belangrijk dat deze
handelingen op een zorgvuldige manier door de Commissie worden uitgewerkt. Het kabinet
zal blijven pleiten voor geharmoniseerde uitwerkingen, zodat ook voor biogebaseerde,
composteerbare en innovatieve verpakkingen duidelijkheid en bijgevolg investeringszekerheid
komt.
Vraag 5
Bent u voornemens om gebruik te maken van artikel 9, tweede lid, PPWR om aanvullende
verpakkingstoepassingen als verplicht composteerbaar aan te wijzen, en welke inhoudelijke
criteria hanteert u daarbij in relatie tot de uitdagingen en doelen van de gft-inzameling
in Nederland?
Antwoord 5
Zowel vanuit de interpretatie van de PPWR, als vanuit hoe het Nederlandse circulaire
economiebeleid is ingericht, is het kabinet op dit moment niet voornemens om nationaal
te regelen dat verpakkingen verplicht composteerbaar moeten zijn. Hieronder wordt
dit vanuit beide aspecten toegelicht.
De PPWR verplicht dat alle verpakkingen recyclebaar moeten zijn. Verpakkingen mogen
daarnaast ook composteerbaar zijn, maar bepaalde verpakkingen moeten composteerbaar
zijn. Deze verplicht composteerbare verpakkingen zijn uitgezonderd van de eis om recyclebaar
te zijn. Voor alle lidstaten geldt dat koffiepads, theezakjes en stickeretiketten
voor groente en fruit verplicht composteerbaar moeten zijn. Verder hebben lidstaten
volgens artikel 9, tweede lid, de keuze om andere specifieke verpakkingen verplicht
composteerbaar te maken. Dit tweede lid bestaat uit twee delen. Ten eerste mogen lidstaten
reeds bestaande nationale wetgeving die bepaalde verpakkingen verplicht composteerbaar
maakt, behouden. Deze regelgeving moet dan al 12 augustus 2026 van kracht zijn. Nederland
heeft zulke wetgeving niet. Ten tweede mogen lidstaten bepaalde plastic draagtasjes
en niet-metalen koffiecapsules verplicht composteerbaar maken.
Het Nederlandse circulaire economiebeleid is gericht op het behouden van grondstoffen
in de economie. De recyclebaarheid van verpakkingen staat daarom voorop. Composteren
van verpakkingen is een laagwaardigere vorm van materiaalbehoud dan recycling; verpakkingen
dragen geen nutriënten bij aan het compost, en compost kan, in tegenstelling tot recyclaat,
niet worden toegepast in nieuwe verpakkingen. Daarnaast heeft het Nederlandse afvalbeleid
o.a. duidelijkheid en consistentie voor de consument als uitgangspunt. Onderscheid
maken tussen composteerbare verpakkingen, gemaakt van biologisch afbreekbare materialen,
en dezelfde verpakkingen gemaakt van fossiele, niet composteerbare materialen, is
lastig. Als bijvoorbeeld composteerbare saladebakjes bij het gft-afval moeten en andere
bakjes die er wellicht hetzelfde uitzien bij het pmd-afval, dan leidt dit tot verwarring
bij de consument. Dit kan leiden tot vervuiling van zowel het gft-afval als het pmd-afval
en daarmee tot problemen in zowel het recyclingproces als in de compostering. Tot
slot hanteren Nederlandse composteerinstallaties over het algemeen korte doorlooptijden
waardoor composteerbare verpakkingen niet genoeg tijd hebben om volledig af te breken.
Hierdoor kunnen (delen van) deze verpakkingen in het compost aanwezig blijven als
vervuiling. Op basis hiervan volgt dat het verplicht composteerbaar stellen van aanvullende
verpakkingen niet wenselijk is.
Vraag 6
Hoe weegt u bij deze beslissing de rol en bijdrage van composteerbare en biobased
verpakkingen bij de vermindering van fossiel grondstoffengebruik, CO2-uitstoot en het opbouwen van een circulaire economie versus alternatieven? Kunt u
daar inzicht in verschaffen?
Antwoord 6
Verpakkingen die zowel recyclebaar als composteerbaar zijn, kunnen een grote bijdrage
leveren aan de circulaire economie, doordat ze compatibel zijn met verschillende afvalverwerkingsstructuren
in de Europese Unie. In het Nederlandse circulaire economiebeleid streven we naar
het vervangen van primaire grondstoffen door gerecyclede grondstoffen en duurzame
biogrondstoffen, waarbij gerecycled de voorkeur heeft2. Biogebaseerde verpakkingen die recyclebaar zijn, al dan niet composteerbaar, worden
vanuit het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen gezien als een hoogwaardige en dus wenselijke
toepassing van biogrondstoffen3. Daarbij is het belangrijk dat de biogrondstoffen een duurzame oorsprong hebben en
dat de totale vraag naar biogrondstoffen beperkt blijft. Het kabinet blijft zich daarom
inzetten voor een biogebaseerde doelstelling in de PPWR, met bijbehorende duurzaamheidscriteria.
Vraag 7
Kijkt u hierbij ook de ervaring in ander EU-landen, zoals Italië, waar ze ervoor gekozen
hebben specifieke producten verplicht composteerbaar te maken om zo contaminatie in
de gft-stroom te verminderen? Hoe weegt u deze ervaringen bij het bepalen van de meest
geschikte aanpak voor de Nederlandse situatie?
Antwoord 7
De afvalinzamelings- en verwerkingsinfrastructuur in Italië en Nederland verschilt
en kan daarom niet vergeleken worden. Gft-afval wordt in Nederland voornamelijk industrieel
gecomposteerd met korte doorlooptijd. Hierdoor kunnen deze verpakkingen leiden tot
vervuiling van de gft-stroom. In Italië vindt meestal eerst een vergistingsstap plaats
waardoor composteerbare verpakkingen ook meer tijd hebben om volledig af te breken.
Overigens is het Nederlandse circulaire economiebeleid gericht op het behouden van
grondstoffen in de economie.
Recycling van verpakkingen heeft daarom de voorkeur, omdat recycling van verpakkingen
leidt tot een hoogwaardigere vorm van materiaalbehoud dan composteren.
Vraag 8
Hoe gaat u invulling geven aan artikel 48 PPWR om inzameling, sortering en verwerking
van composteerbare en andere innovatieve verpakkingsmaterialen te organiseren of te
faciliteren?
Antwoord 8
Artikel 48 verplicht lidstaten onder andere om ervoor te zorgen dat er systemen en
infrastructuur worden opgezet voor het inleveren en gescheiden inzamelen van alle
verpakkingsafval en om de hoogwaardige recycling ervan te vergemakkelijken. Composteerbare
en andere innovatieve verpakkingen worden niet specifiek benoemd in dit artikel.
In Nederland is een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingen
van toepassing. Hiermee zijn producenten verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking
van het afval van de verpakkingen die zij op de markt brengen. Voor de inzameling
van verpakkingsafval van huishoudens maken producenten afspraken met gemeenten over
het gebruik van de gemeentelijke inzamelsystemen en ontvangen gemeenten daarvoor een
vergoeding. Deze gescheiden ingezamelde afvalstromen dienen vervolgens via de geldende
minimumstandaarden verwerkt te worden.
In aanvulling op het bovenstaande heeft Nederland een statiegeldsysteem om hoogwaardige
recycling van drankverpakkingen te faciliteren, en ondersteunt het de ontwikkeling
van nieuwe recyclingtechnieken voor plastic verpakkingen via onder andere Circular
Plastics NL4.
Vraag 9
Bent u van plan om vóór 12 augustus 2026 met de relevante stakeholders in gesprek
te gaan over de Nederlandse inzet op zowel artikel 9 als artikel 48?
Antwoord 9
Wat betreft artikel 9 is in het antwoord op vraag 5 toegelicht dat er geen nationale
wettelijke verplichting rondom composteerbare verpakkingen bestaat. Daarnaast is het
de Nederlandse voorkeur om beleid te voeren wat zoveel mogelijk gericht is op het
behoud van grondstoffen waarbij in dit geval recycling de voorkeur heeft boven compostering.
Wat betreft de rest van de PPWR, blijft het Ministerie van EZK in gesprek met belanghebbenden
over bepalingen waar nationale ruimte mogelijk en wenselijk is. Deze bepalingen zullen
ook breed via internetconsultatie worden voorgelegd. Ten slotte start vanaf september
de Ketentafel Verpakkingen, die een structureel overleg tussen het Rijk en de verpakkingenketen
faciliteert. Daar zal de PPWR ook een belangrijk onderwerp zijn.
Vraag 10
Bent u bereid om vóór het commissiedebat Circulaire Economie van 1 juli 2026 de Kamer
te informeren over de Nederlandse inzet ten aanzien van de invulling van de PPWR?
Antwoord 10
De PPWR is een Europese verordening, die van toepassing is vanaf 12 augustus 2026.
Het merendeel van de maatregelen in de verordening is rechtstreeks van toepassing
en behoeft dus geen implementatie in Nederlandse wet- en regelgeving. De verordening
laat op onderdelen ruimte voor nationale keuzes. Die keuzes worden conform kabinetsbeleid
beleidsarm en lastenluw geïmplementeerd. Het uitvoeringsbesluit zal via een internetconsultatie
worden voorgelegd aan alle belanghebbenden. Daarna informeer ik de Kamer graag over
dit traject.
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.