Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over de discrepantie tussen de gestegen AOW-leeftijd en huidige berekening van seniorendagen
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de discrepantie tussen de gestegen AOW-leeftijd en huidige berekening van seniorendagen (ingezonden 4 juni 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 25 juni
2026).
Vraag 1
Hoe rijmt u het feit dat in diverse cao’s (waaronder Metaal en Techniek) de automatische
berekening van seniorendagen (rekentool) stopt bij 65 jaar, terwijl de wettelijke
AOW-leeftijd inmiddels 67 jaar of hoger is, en werknemers dus feitelijk twee jaar
langer moeten doorwerken zonder deze extra verlofdagen?
Antwoord 1
Het is belangrijk dat werkenden gezond, vaardig en vitaal hun pensioen kunnen bereiken.
Werkgevers en werknemers kunnen hierover arbeidsvoorwaardelijke afspraken maken in
de cao, zoals extra verlof voor oudere werknemers. Het is mij bekend dat het vervallen
van de seniorendagen voor werknemers vanaf 66-jarige leeftijd onderwerp van gesprek
is geweest binnen de sector Metaal en Techniek. In de huidige cao van deze sector
(looptijd 1 februari 2026 tot 1 februari 2028) is het betreffende artikel aangepast.
Werknemers vanaf 55 jaar hebben op basis van de huidige cao-afspraak recht op extra
vakantie-uren tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Ook de bijbehorende rekentool is hierop
aangepast. Mijn ministerie heeft geen signalen ontvangen dat een vergelijkbare situatie
ook speelt in andere sectoren.
Vraag 2
Bent u van mening dat het laten vervallen van seniorendagen op 65-jarige leeftijd,
terwijl de wettelijke pensioenleeftijd stijgt, in strijd is met het kabinetsdoel om
mensen langer gezond aan het werk te houden?
Antwoord 2
Ik vind het belangrijk dat werkgevers en werknemers met elkaar het gesprek voeren
over gezond langer doorwerken. Extra verlof voor oudere werknemers of werknemers met
zwaar werk is één van de mogelijkheden om gezond en vitaal langer doorwerken te ondersteunen.
Tegelijkertijd is duurzame inzetbaarheid breder dan dat. Duurzame inzetbaarheid vraagt
om een inzet gericht op de hele loopbaan, niet alleen in de periode richting pensionering.
Het is immers voor werknemers van alle leeftijden relevant om gezond en vaardig te
kunnen blijven werken. Werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn het beste
in staat om te bepalen welke afspraken passend zijn binnen de sector of het bedrijf.
Vraag 3
Op welke wijze kunnen cao-partijen (werkgevers en vakbonden) worden gestimuleerd om
de rekentools en de bepalingen in de cao direct in lijn te brengen met de actuele
AOW-leeftijd, om onduidelijkheid en onrechtvaardigheid op de werkvloer te voorkomen?
Antwoord 3
Ik begrijp dat het tot onduidelijkheid kan leiden bij werknemers wanneer arbeidsvoorwaardelijke
afspraken die door werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen zijn beoogd door
te lopen tot de AOW-leeftijd, eerder vervallen dan de wettelijke AOW-leeftijd. Ik
ben bereid om dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken tussen het Ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en sociale partners in de Stichting van
de Arbeid. Het blijft aan cao-partijen voorbehouden om de arbeidsvoorwaardelijke afspraken
in een cao te bepalen. Overigens kunnen werkgevers in de toepassingspraktijk, voor
zover de cao dit toelaat, ruimhartiger arbeidsvoorwaarden toekennen aan hun werknemers
dan de cao voorschrijft.
Vraag 4
Ziet het kabinet een risico op leeftijdsdiscriminatie (Wet gelijke behandeling op
grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)) wanneer seniorendagen stoppen bij 65 jaar,
maar de pensioenleeftijd voor iedereen gelijk is?
Antwoord 4
De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (WGBL) biedt ruimte voor
leeftijdsgebonden regelingen wanneer daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.
Het vaststellen van een objectieve rechtvaardigingsgrond ligt bij cao-partijen. Dit
moet namelijk blijken uit de specifieke omstandigheden van het geval en is niet af
te leiden uit de tekst van de cao-bepaling. Hiervoor is het ook belangrijk om een
afspraak binnen het bredere pakket van samenhangende maatregelen in de betreffende
cao te bezien.
Vraag 5
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het meebewegen van (cao-)rekentools met de levensverwachting, zoals afgesproken in het pensioenakkoord?
Antwoord 5
Rekentools die horen bij cao-afspraken worden niet door het Ministerie van SZW bijgehouden.
Wel voert het Ministerie van SZW breder cao-onderzoek uit naar maatregelen voor oudere
werknemers. De meest recente onderzoeksrapportage met informatie over extra verlof
is «Oudere werknemers 2025: Cao-afspraken over extra verlof, arbeidsduurverkorting, verlofsparen
en RVU».1
Vraag 6
Op welke termijn kunnen werknemers verwachten dat de berekening van extra vakantierechten
voor oudere werknemers (zoals in artikel. 51 cao’s) automatisch wordt aangepast aan
de AOW-gerechtigde leeftijd?
Antwoord 6
Het is niet aan mij om daar een termijn aan te koppelen. De arbeidsvoorwaarden en
in het bijzonder de cao’s waarin onderhavige afspraken staan, zijn immers de verantwoordelijkheid
van sociale partners. Deze cao’s hebben veelal een looptijd van 1 tot 2 jaar. Het
is aan sociale partners om af te wegen of aanpassing nodig is en of ze daarvoor de
cao tussentijds willen wijzigen of dat ze deze wijzigingen laten meelopen in de reguliere
cao-onderhandelingen.
Vraag 7
Hoe rijmt u het verdwijnen van seniorendagen vanaf 65 jaar met de noodzaak om fysiek
of mentaal zware beroepen werkbaar te houden tot de verhoogde pensioenleeftijd?
Antwoord 7
Het kabinet vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen gezond, vaardig en vitaal
de eindstreep kunnen halen. Afspraken maken over extra verlof voor oudere werknemers
met zwaar werk kan een manier zijn om gezond langer doorwerken te stimuleren. Hiermee
wordt de werknemer met zwaar werk meer hersteltijd geboden. Maar gezond langer doorwerken
vraagt een bredere aanpak. De gezamenlijke agenda voor duurzame inzetbaarheid van
het kabinet en sociale partners, die voortkomt uit het akkoord «Gezond naar het pensioen»
(2024), ondersteunt deze inspanningen. Met de agenda wordt ingezet op het zoveel mogelijk
voorkomen of verlichten van belastende werkzaamheden bij de bron, en om waar mogelijk
een tijdige overstap van zwaar naar lichter werk te stimuleren.
Vraag 8
Hoewel arbeidsvoorwaarden primair een zaak zijn van sociale partners, draagt u systeemverantwoordelijkheid
voor de arbeidsmarkt en volksgezondheid. Bent u daarom bereid om op zeer korte termijn
in gesprek te gaan met de Stichting van de Arbeid om een landelijke richtlijn of handreiking
op te stellen, die garandeert dat seniorendagen in cao’s organisch doorlopen tot aan
de feitelijke, individuele AOW-datum van de werknemer? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Uiteraard ben ik zoals gezegd bereid dit signaal onder de aandacht te brengen in gesprekken
met sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Het is de verantwoordelijkheid
van sociale partners om er waar dat nodig is, voor te zorgen dat de arbeidsvoorwaarden
goed aansluiten op wettelijke maatregelen of wijzigingen daarin. De vraag of naar
aanleiding van dit signaal eventuele vervolgacties nodig zijn, zoals een handreiking
vanuit sociale partners, is dan ook aan hen.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.