Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Müller en Peter de Groot over het rapport 'No fuel, no fight: The Dutch fuel industry and European military readiness'
Vragen van de leden Müller en Peter deGroot (beiden VVD) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Staatssecretaris van Defensie over het rapport «No fuel, no fight: The Dutch fuel industry and European military readiness» (ingezonden 13 mei 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen
25 juni 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2111.
Vraag 1
Bent u bekend met het recente rapport van The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS)
getiteld «No fuel, no fight: the Dutch fuel industry and European military readiness»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de toenemende tekorten aan kerosine en diesel in het licht van de
voortdurende afbouw van de nationale productiecapaciteit? In hoeverre deelt u de expliciete
zorgen van de onderzoekers over de risico’s die deze trend met zich meebrengt voor
de stabiliteit en capaciteit van de Nederlandse kritieke energie-infrastructuur?
Antwoord 2
Op de korte termijn zijn er binnen Nederland geen signalen voor tekorten aan kerosine
en diesel. Nederland monitort de prijzen en voorraden van olie en zorgt voor strategische
olievoorraden.
Als gevolg van de energietransitie neemt de fossiele raffinagecapaciteit in Europa
af. Dit wordt daarnaast gedreven door toenemende mondiale concurrentie en stijgende
operationele kosten in Europa. Belangrijk hierbij is dat de afbouw van deze capaciteit
in Europa in lijn is met de opbouw van hernieuwbare alternatieven.
Fossiele raffinaderijen hebben een rol tijdens de transitie naar duurzame energie.
Zolang de wereldeconomie nog in belangrijke mate op fossiele brandstoffen draait,
vormt het behoud van stabiele, regionale raffinagecapaciteit een belangrijke pijler
voor de leveringszekerheid. Een grotere en structurele leveringszekerheid wordt op
de langere termijn bereikt door de transitie naar een hernieuwbare energievoorziening,
waarbij bronnen zoals wind, zon en duurzame grondstoffen binnen Europa zelf benut
respectievelijk gewonnen kunnen worden.
Vraag 3
Hoe weegt u de strategische waarde van de Nederlandse energie-infrastructuur voor
de bredere leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie, zeker
gezien de Nederlandse rol als logistiek knooppunt?
Antwoord 3
Nederland speelt een belangrijke rol als toegangspoort voor olie en (duurzame) brandstoffen
en huisvest een van de grootste raffinageclusters van Europa. Nederland is bovendien
de grootste Europese exporteur van kerosine. De Nederlandse brandstof- en chemiegrondstoffen
(BCP)-sector maakt deel uit van het ARRRA-cluster, een netwerk van raffinaderijen,
krakers en chemiebedrijven tussen Antwerpen, Rotterdam en het Duitse Rijn-Ruhrgebied,
verbonden via pijpleidingen, waterwegen, spoor en wegen.
De kracht van de Nederlandse raffinaderijen berust mede op hun positie in de aan-,
door- en uitvoer van aardolieproducten en de nabijheid van liquid bulk zeehavens,
die ook fungeren als bunkering hubs. Behoud van de bestaande energie-infrastructuur
– pijpleidingen, waterwegen, terminals, opslag en logistieke verbindingen – is van
belang, zodat een deel kan worden gebruikt voor productie van hernieuwbare brandstoffen
en de levering van fossiele producten die in de transitiefase nog nodig zijn.
Vraag 4
Bent u bereid om samen met de Ministeries van I&W, Defensie en EZK in kaart te brengen
hoe de toekomstige afhankelijkheden van brandstoffen zich ontwikkelen en wat de concrete
gevolgen hiervan zijn voor defensie, de burgerluchtvaart en kritieke energie-infrastructuur?
Antwoord 4
I&W, Defensie en EZK werken intensief samen op het gebied van weerbaarheid en energiezekerheid.
Dit krijgt onder meer vorm binnen de aanpak weerbaarheid en militaire paraatheid tegen
hybride en militaire dreigingen, de Toekomstvisie op Brandstoffen- en chemiegrondstofproductie,
het Aanpak Aanbod Duurzame Koolstofdragers (AADK), de Visie Verduurzaming Bunkerbrandstoffen
en de Roadmap Energiezekerheid voor Defensie.
Binnen deze trajecten is er structureel aandacht voor het vergroten van de strategische
autonomie door fossiele grondstoffen te vervangen door hernieuwbare alternatieven,
met name daar waar elektrificatie niet mogelijk is. Tegelijkertijd richten de ministeries
zich op de rol van de bestaande raffinagesector tijdens de transitiefase, bijvoorbeeld
voor sectoren als Defensie die de komende jaren voorlopig sterk afhankelijk blijven
van fossiele brandstoffen.
Vraag 5
Wat is uw reactie op de prognose uit het rapport dat de importafhankelijkheid voor
brandstoffen in 2040 zal stijgen naar 46% voor Nederland en maar liefst 72% voor de
gehele Europese Unie? Welke risico’s ziet u hierin voor onze strategische autonomie?
Antwoord 5
Nederland is op dit moment al in hoge mate afhankelijk van import van ruwe olie voor
de productie van kritieke brandstoffen. Voor de strategische autonomie van Nederland
is een betrouwbare en ononderbroken brandstofvoorziening een basisvoorwaarde. De afnemende
fossiele raffinagecapaciteit moet daarom gepaard gaan met het ontwikkelen van kansen
op import- en productiediversificatie via de productie van biodiesel en SAF. Binnen
deze ontwikkelingen spant het kabinet zich in om economische robuustheid, maatschappelijke
weerbaarheid, militaire paraatheid en energiezekerheid te waarborgen (zie ook antwoord
4).
Vraag 6
Hoe reflecteert u op de aanbeveling dat de Nederlandse overheid, in EU-verband, een
kritieke ondergrens voor productiecapaciteit moet vaststellen en de noodzakelijke
instrumenten moet inzetten om deze capaciteit operationeel te houden voor de vitale
brandstofvoorziening?
Antwoord 6
Het kabinet wil een tekort aan olie kunnen voorkomen en de gevolgen van hoge prijzen
beperken. Daarom worden strategische olievoorraden aangehouden en ligt er een landelijk
crisisplan olie (LCP-O). Het LCP-O beschrijft hoe publieke en private actoren in verschillende
fases van een (dreigende) oliecrisis kunnen samenwerken om vitale brandstofvoorziening
te garanderen.
Uit het oogpunt van leveringszekerheid acht ik het wenselijk dat in elk geval een
deel van de productie van (hernieuwbare) brandstoffen in Nederland en Europa plaatsvindt.
Hiervoor zijn de opbouw van productie van hernieuwbare brandstoffen en verduurzaming
van bestaande raffinaderijen noodzakelijk. Dit komt aan de orde in de Toekomstvisie
op Brandstoffen- en chemiegrondstofproductie en het Aanpak Aanbod Duurzame Koolstofdragers
(AADK), die na de zomer aan uw Kamer worden verzonden.
Vraag 7
Onderschrijft u de conclusie dat Nederland en de EU stevenen op een verhoogde kwetsbaarheid
door een groeiende afhankelijkheid van externe brandstofimporten? Welke stappen ziet
u om deze trend te keren?
Antwoord 7
De kwetsbaarheid van Nederland en de EU hangt samen met risico’s in de aanvoer van
kerosine en diesel. Deze importafhankelijkheid vraagt om gericht beleid om leveringszekerheid
te borgen. Het kabinet erkent de risico’s voor economie, veiligheid en energiezekerheid,
mede zichtbaar in de situatie rond de Straat van Hormuz. Daarom wordt actief ingezet
op maatregelen om de vraag te verlagen door te elektrificeren waar dat kan, de toeleveringsketens
te versterken, waaronder diversificatie van import, uitbreiding van infrastructuur
en versterking van opslag- en productiefaciliteiten (zie ook antwoord 4).
Vraag 8
Op welke wijze borgt u het behoud van de kritieke energie-infrastructuur op Nederlands
grondgebied? In hoeverre worden hierbij de specifieke vereisten voor militaire mobiliteit
en de collectieve Europese verdediging meegewogen?
Antwoord 8
Het kabinet borgt de kritieke energie-infrastructuur door deze expliciet te beschermen,
te onderhouden en waar nodig te versterken via ruimtelijke inpassing, regulering en
investeringen in netverzwaring, waterstof- en brandstofinfrastructuur en strategische
opslagcapaciteit.
Bij besluitvorming wordt leveringszekerheid structureel meegewogen, inclusief risico’s
op verstoringen en de weerbaarheid tegen sabotage of uitval.
De eisen voor militaire mobiliteit maken hier integraal onderdeel van uit: energie-infrastructuur
moet geschikt blijven voor snelle verplaatsing en inzet van bondgenoten in het kader
van Host Nation Support en voor de krijgsmacht, inclusief gegarandeerde beschikbaarheid van brandstoffen.
Ook in EU-verband wordt afgestemd op de vereisten voor collectieve verdediging, zodat
infrastructuur aansluit op gezamenlijke defensieplanning en crisisrespons.
Vraag 9
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de huidige Methaanverordening potentieel 90% van
de huidige wereldwijde olie-import diskwalificeert en de kosten voor het Europese
bedrijfsleven kan laten oplopen tot 80 miljard euro?
Antwoord 9
Nederland acht de methaanverordening belangrijk om de klimaatdoelen te halen. Ik neem
hierbij de zorgen over de uitvoerbaarheid serieus en heb daar op verschillende manieren
aandacht voor gevraagd bij de Europese Commissie. Ik steun de flexibiliteit die de
Europese Commissie heeft aangekondigd voor importeurs bij de uitvoering van de verordening
en kijk uit naar het concrete voorstel. Tegelijkertijd blijf ik in gesprek met de
Europese Commissie, andere lidstaten, marktpartijen en toezichthouders over de implementatie
van de verordening en de zorgen die daarbij spelen.
Vraag 10
Bent u bereid de conclusies uit dit rapport te integreren in de aangekondigde «Toekomstvisie
brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie»? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer
deze visie tegemoet zien?
Antwoord 10
In de Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie, die naar verwachting
in het najaar naar de Kamer wordt verzonden, worden scenario’s voor de opbouw van
hernieuwbare brandstoffen en de afbouw van fossiele brandstof- en chemiegrondstofproductie
gewogen op een aantal publieke belangen. Een van deze belangen is strategische autonomie,
in het bijzonder leveringszekerheid. Daarbij zal ik ook de inzichten van het rapport
betrekken.
Vraag 11
Bent u, mede in het licht van de bevindingen over de leveringszekerheid, bereid om
de extra voorwaarden voor de indirecte kostencompensatie (IKC-ETS) voor de raffinagesector
te heroverwegen, aangezien dit momenteel fungeert als een nationale kop op Europese
regelgeving?
Antwoord 11
Op dit moment komen raffinaderijen die brandstoffen produceren met meer dan 50% fossiele
herkomst niet in aanmerking voor de IKC-ETS. Dit onderwerp is momenteel onderdeel
van de bredere lopende gesprekken rondom de verlaging van de elektriciteitskosten.
Op Prinsjesdag zal hierover meer duidelijkheid komen.
Vraag 12
Hoe kijkt u aan tegen de gereedstelling van de krijgsmacht en de risico’s van brandstoftekorten
die kunnen optreden in de toekomst?
Antwoord 12
Voor de krijgsmacht is energie mission critical: een essentiële voorwaarde voor gevechtskracht.
Brandstoffen zijn nodig voor varen, vliegen en rijden en daarmee voor de gereedstelling
met inbegrip van oefenen en trainen van de krijgsmacht. Defensie heeft eigen opslagcapaciteit
en contracten met civiele leveranciers die momenteel worden herzien en waar nodig
aangevuld om voldoende capaciteit nu en in de toekomst zeker te stellen. Voor de lange
termijn richt Defensie zich ook op het beperken van de energiebehoefte en het versterken
van energiezekerheid door diversificatie van energiebronnen zoals alternatieve brandstoffen,
energie-efficiency en elektrificatie van materieel.
Vraag 13
Kunt u uiteenzetten hoe hij tegen de conclusie aankijkt dat in geval van een conflict
de krijgsmacht voorrang moet krijgen op de beschikbaarheid van brandstoffen?
Antwoord 13
In geval van een gewapend conflict of nationale noodtoestand zal de energiebehoefte
voor uitvoering van defensietaken sterk toenemen en kan het daarom noodzakelijk zijn
dat vitale middelen, waaronder brandstoffen, prioritair beschikbaar worden gesteld
aan de krijgsmacht en andere essentiële diensten. In het LCP-O is uitgewerkt hoe voorrang
wordt verleend in het geval van dreigende tekorten als gevolg van crisis of conflict.
Defensie is als onderdeel van de vitale infrastructuur opgenomen als prioritaire gebruiker.
Daarbij geldt verder dat in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden op
basis van noodrecht maatregelen kunnen worden getroffen om de taakuitvoering door
de krijgsmacht te waarborgen. Daarbij blijft het uitgangspunt dat maatregelen proportioneel
worden ingezet en maatschappelijke ontwrichting zoveel mogelijk wordt beperkt. Voor
het verlenen van voorrang op brandstof aan Defensie is een kabinetsbesluit vereist.
Vraag 14
Welk specifiek beleid voert het Ministerie van Defensie op het hebben van voldoende
brandstoffen in het geval van een conflict?
Antwoord 14
Defensie neemt verantwoordelijkheid voor haar energiezekerheid en richt zich op het
in lijn met NAVO-afspraken aanhouden van eigen voorraden aan kerosine, diesel en scheepsdiesel.
Deze opslagcapaciteit is verspreid over meerdere locaties van Defensie, waaronder
militaire vliegvelden. Daarnaast heeft Defensie meerjarige raamcontracten voor de
levering en het op peil houden van de brandstofvoorraden. Ook is Defensie verantwoordelijk
voor het innemen, transporteren, (tijdelijk) opslaan en afleveren van vliegtuigbrandstof
en voor de instandhouding van het kerosine transportsysteem van Central Europe Pipeline
System (CEPS) in Nederland. Defensie kan in geval van crisis of conflict een beroep
doen op brandstof via het CEPS. Indien de eigen voorraden van Defensie niet afdoende
zijn, kan het noodzakelijk zijn dat in geval van een militair conflict of noodtoestand
brandstof bestemd voor de civiele markt beschikbaar wordt gesteld aan de krijgsmacht.
Daarom is de algemene leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese
Unie ook voor Defensie van belang.
Vraag 15
Kunt u ingaan op de conclusies in het rapport in het licht van de huidige brandstofstrategie
van Defensie, ook in NAVO en Europees verband?
Antwoord 15
Er wordt onder meer geconcludeerd dat de groeiende import afhankelijkheid tot strategische
kwetsbaarheid leidt en dat alternatieve brandstoffen de brandstofzekerheid kunnen
vergroten mits de aanvoerketens weerbaar zijn. Deze conclusies worden gebruikt om
de brandstofstrategie verder te ontwikkelen en aan te scherpen op zowel nationaal
niveau als in NAVO-verband.
Zoals in de kamerbrief Uitvoeringsagenda energie en duurzaamheid2 is aangekondigd, ontwikkelt Defensie dit jaar een roadmap voor energiezekerheid.
Deze roadmap is gericht op het borgen van energiezekerheid voor Defensie in de volle
breedte. Hiermee wil Defensie zowel de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen beperken
als de energiezekerheid van defensieobjecten zoals kazernes en kampementen vergroten.
NAVO is in 2026 gestart met een groot vernieuwingsprogramma om de brandstof- en energievoorziening
van het bondgenootschap toekomstbestendig te maken. Hierin wordt gekeken naar leveringszekerheid
en interoperabiliteit tijdens en na de energietransitie. Onderdelen van het programma
zijn: de herziening van de NAVO single fuel policy (gebruik van één standaard brandstof
om de logistiek te vereenvoudigen) en bijbehorende doctrine; de integratie en toetsing
van het gebruik van alternatieve (drop-in) brandstoffen; de versterking van de brandstofketen
en logistieke infrastructuur (Nato Pipeline System); de verbetering van energiezekerheid,
weerbaarheid en crisismanagement en de ontwikkeling van een nieuwe operationele energie-strategie
en concepten.
Sinds de inval van Rusland in Oekraïne in 2022, werkt de Europese Unie aan het afbouwen
van fossiele afhankelijkheid van Rusland. Met initiatieven als RePowerEU zijn EU-breed
afspraken gemaakt over het stoppen van Russische olie- en gasimport per 2027. Andere
Europese plannen zoals het EU Grids Package en Accelerate EU, focussen op het stimuleren
van Europese energie opwek. Door afhankelijkheden af te bouwen en eigen energieproductie
op te schalen, werkt ook Europa aan haar onafhankelijkheid.
Vraag 16
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de conclusies van het
rapport?
Antwoord 16
Het rapport onderstreept de urgentie om de militaire gereedheid van Nederland mee
te wegen bij interventies vanuit de overheid gericht op energie- en leveringszekerheid.
In lopende en nog te starten trajecten op dit terrein zal daarom de samenwerking met
Defensie, EZK en I&W onverminderd de aandacht krijgen. Militaire paraatheid zal worden
meegenomen in de weging.
Vraag 17
Kunt u deze vragen 1 voor 1 beantwoorden?
Antwoord 17
Ja.
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.