Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Brenk over de brief van de minister met betrekking tot de toekomst van ons pensioenstelsel
Vragen van het lid Van Brenk (50PLUS) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van de Minister met betrekking tot de toekomst van ons pensioenstelsel (ingezonden 28 mei 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 25
juni 2026)
Vraag 1
Waarom wil u pas in 2028 de Tweede Kamer informeren over de vergroting van koopkracht
als gevolg van het nieuwe stelsel terwijl dit voor gepensioneerden juist een van de
belangrijkste redenen was om akkoord te gaan met nieuwe pensioenstelsel?
Antwoord 1
De koopkracht van deelnemers en gepensioneerden is een belangrijk onderwerp waar u
terecht aandacht voor vraagt. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer heb aangegeven,
biedt het nieuwe pensioenstelsel meer perspectief op een koopkrachtig pensioen in
vergelijking met het oude stelsel. Aan het toevoegen van eventuele additionele koopkrachtinstrumenten
zijn voor- en nadelen verbonden. Ik wil uitvoeringspartijen in de pensioensector de
tijd geven om zorgvuldig de inzet van additionele koopkrachtinstrumenten te toetsen
op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid. De uitvoeringspartijen zijn ook beter in staat
om de praktische uitwerking van deze varianten verder te onderzoeken. De pensioensector
zal hiertoe het initiatief nemen. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier
verder vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Om dit op
een degelijke manier te doen is ruime tijd nodig, mede gezien de lopende transitie.
Ik zal de Kamer daarom begin volgend jaar hierover een stand van zaken geven. De uiteindelijke
resultaten en aanbevelingen van deze initiatieven zullen worden meegenomen in de evaluatie
van de Wtp.1
Vraag 2
Welke partijen zijn naar uw mening verantwoordelijk voor de toepassing van de additionele
koopkrachtinstrumenten?
Antwoord 2
Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de pensioenregeling en pensioenfondsen
zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de regeling. In de regeling wordt het
gebruik van de verschillende instrumenten gedefinieerd. Deze rolverdeling zal ook
gelden voor eventuele additionele koopkrachtinstrumenten.
Vraag 3
Op welke wijze gaat u de Tweede Kamer op jaarbasis informeren over de resultaten van
(additionele) koopkrachtinstrumenten?
Antwoord 3
Zoals ik heb aangegeven in de brief zal ik de Kamer begin volgend jaar over de verkenning
naar additionele koopkrachtinstrumenten door de pensioensector verder informeren.
Ik zal de Kamer betrekken bij het vervolg dat daaruit voortvloeit. Naar aanleiding
van de geboden inzichten vanuit de pensioensector zal ik nader bezien hoe ik uw Kamer
op regelmatige wijze verder kan informeren. Over de wijze waarop ontwikkelingen in
de pensioensector rondom koopkracht zullen worden gevolgd zal ik te zijner tijd een
voorstel doen. In dit voorstel zullen verschillende elementen worden gewogen. Hierbij
zal gekeken moeten worden hoe fijnmazig de informatie kan zijn en welke vorm deze
rapportage kan krijgen. Om hier een beter beeld van te krijgen zal eerst bezien worden
welke gegevens momenteel beschikbaar zijn of kunnen worden gemaakt. Hierbij zal natuurlijk
rekening moeten worden gehouden met kosten, beschikbare capaciteit en regeldruk voor
o.a. de pensioensector. Ik ga graag op basis van dit voorstel met uw Kamer in gesprek.
Vraag 4
Is er volgens u wetgeving nodig om de (additionele) koopkrachtinstrumenten te implementeren?
Antwoord 4
Ik zie de inzichten van de pensioensector op het gebied van uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid
met belangstelling tegemoet. Zoals ook uit de kwalitatieve analyse blijkt is in principe
voor alle vier onderzochte koopkrachtinstrumenten aanpassingen van wet- en regelgeving
nodig.2
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.