Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van den Berg over digitale soevereiniteit, kritieke digitale overheidsinfrastructuur en de afhankelijkheden rond DigiD, Solvinity en Kyndryl
Vragen van het lid Van den Berg (JA21) aan de Staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Economische Zaken en Klimaat en de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie en Veiligheid over digitale soevereiniteit, kritieke digitale overheidsinfrastructuur en de afhankelijkheden rond DigiD, Solvinity en Kyndryl (ingezonden 4 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van der Burg (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
(ontvangen 25 juni 2026).
Vraag 1
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten
niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten
worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
Antwoord 1
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk
voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende
leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese
aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen
en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit
van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten
centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud
voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het
van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid
van Logius dienstverlening te waarborgen.
Vraag 2
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid,
Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste
rijksbreed normeren?
Antwoord 2
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit
van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De
normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet
(Cbw).
Vraag 3
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s.
over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
Antwoord 3
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie-
en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld
in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim,
of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is.
Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe
leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene
Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere
eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet,
bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd
door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025
goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom
verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers
die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht
worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke
clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte
(EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen,
of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren
risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de
vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan
krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen.
Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De
werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid.
Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin
een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen
wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer
toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Vraag 4
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon
is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Antwoord 4
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene
rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata
en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet
(Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse
inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de
leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren
reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV)
en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te
beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties
geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand
van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf
vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie,
gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit
zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband,
zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders,
-normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor
op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de
Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals
ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een
deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet
op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog
voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en
regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Vraag 5
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Antwoord 5
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen
door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen
welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Vraag 6
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen
en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 6
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders
ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende
Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties
die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke
niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke
risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening.
Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce
Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke
leveranciers voor de overheid.
Vraag 7
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer,
datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden
en exittermijnen?
Antwoord 7
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk
dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou
namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Vraag 8
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD?
Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of
Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Antwoord 8
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject
op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de
Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige
platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding
om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier
is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft,
is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen
goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud
voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Vraag 9
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van
DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Antwoord 9
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere
Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit
moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Vraag 10
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale
autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Antwoord 10
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten
van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud»
in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine
overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan
uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act
(CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere
en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen.
Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting
is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen
maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende,
erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA
wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
Vraag 11
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar
zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring
was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten,
of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en
Digipoort?
Antwoord 11
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de
verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod
van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie
grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie
van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus
op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Vraag 12
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse
of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD
of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
Antwoord 12
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding
om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden
de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier
moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het
beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft
Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
Vraag 13
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën
van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een
«gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Antwoord 13
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese
IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief
en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel
aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat
daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit,
beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Vraag 14
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig
is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid,
betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring,
continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Antwoord 14
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden,
bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die
voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever
is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair
team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd
worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces
is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Vraag 15
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één
vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee,
waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt
tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere
IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Antwoord 15
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD
maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk
om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12
maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Vraag 16
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij
om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale
identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
Antwoord 16
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke»
diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase
worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier
moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het
beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Vraag 17
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer,
logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij
DigiD?
Antwoord 17
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor
worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius.
Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten
op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking
persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Vraag 18
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot
DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse
wettelijke bevoegdheden?
Antwoord 18
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over
de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden
om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Vraag 19
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe
vaak worden deze exitplannen getest?
Antwoord 19
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie
aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden
beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge)
afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken
worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid
en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit
geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Vraag 20
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer
dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Antwoord 20
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen
waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer
korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid
organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het
onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet
een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden
hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen
vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Vraag 21
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar
met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Antwoord 21
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet
de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag
liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie
en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking
zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat
betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook
deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale
veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van
de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische
briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder
de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies
aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Vraag 22
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens
en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Antwoord 22
Ja
Ondertekenaars
E. van der Burg, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.