Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Zwinkels over het recht op reparatie
Vragen van het lid Zwinkels (CDA) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over het recht op reparatie (ingezonden 19 mei 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen
24 juni 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2213.
Vraag 1
Hoe reflecteert u op de huidige stand van zaken van Right to Repair en de concrete
uitvoering van deze wetgeving?
Antwoord 1
Met de term «right to repair» wordt verwezen naar Richtlijn (EU) 2024/1799 betreffende
gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen. Op dit moment
wordt deze richtlijn in nationaal recht geïmplementeerd. Het implementatiewetsvoorstel
is voor advies aangeboden aan de Raad van State. Het advies wordt deze zomer verwacht.
Daarna wordt het wetsvoorstel naar de Staten-Generaal gestuurd. De implementatie van
het wetsvoorstel wordt voltooid na instemming van de Tweede en Eerste Kamer met het
wetsvoorstel.
Op grond van de wetgeving worden bedrijven verplicht om een groot aantal producten1 op verzoek van de consument te repareren wanneer deze defect zijn. Wat betreft de
uitvoering van de richtlijn voorziet het kabinet geen hoge lasten voor bedrijven om
aan de nieuwe bepalingen te voldoen. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) oordeelde
op 5 november 2025 geen aanleiding te zien een formeel adviespunt te geven over de
berekening van de regeldruk voor bedrijven.
Vraag 2
Bent u bekend met het TNO-onderzoek2 waaruit blijkt dat consumenten door reparatie en revisie van onder meer wasmachines,
smartphones en e-bikeaccu’s tientallen tot honderden euro’s kunnen besparen en producten
jarenlang langer kunnen gebruiken? Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van
de circulaire economie en het verminderen van grondstoffengebruik?
Antwoord 2
Ja, ik ben bekend met het onderzoek. De uitkomsten bevestigen dat de transitie naar
een circulaire economie niet alleen in het belang is van het verminderen van (kritieke)
grondstoffenverbruik (en daarmee onze afhankelijkheid daarvoor van derde landen) en
CO2 uitstoot, maar ook besparingen op kan leveren voor ondernemers en consumenten. Daarom
zet ik mij als coördinerend Minister ook vol in om de overgang naar een circulaire
economie te versnellen. Voor meer informatie over de beleidsinzet in het kader van
deze transitie verwijs ik graag naar het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)
2025.3
Vraag 3
Welke nationale maatregelen kunnen er op korte termijn worden genomen om reparatie
aantrekkelijker te maken en bent u bereid hiervoor concrete voorstellen uit te werken?
Antwoord 3
Om reparatie te bevorderen, zijn (tenminste) drie zaken nodig. Ten eerste moeten spullen
zo ontworpen zijn dat ze (makkelijker) te repareren zijn. Ten tweede is een goede
reparatie-infrastructuur nodig, met voldoende beschikbare vakmensen om de reparaties
uit te voeren. Ten derde moet het voor consumenten makkelijk en aantrekkelijk zijn
om spullen te laten repareren.
Dit zijn dan ook de drie sporen waarlangs de huidige beleidsinzet voor reparatie is
ingericht: (1) beter productontwerp, met name via ontwerpeisen op EU niveau onder
de Ecodesignregelgeving; (2) versterking van de reparatie-infrastructuur en -vakmanschap,
bijvoorbeeld door aandacht voor reparatie in het onderwijs en het opzetten van een
Nationaal Reparateursregister; en (3) consumenten stimuleren om hun producten te (laten)
repareren, bijvoorbeeld door betere informatie voor consumenten en door reparatie
goedkoper te maken.
Voor meer details over de beleidsinzet op de genoemde sporen verwijs ik graag naar
de Kamerbrief «reparatie in de circulaire economie»4 en de Kamerbrief over uitvoering van de motie Stoffer over reparatie en hergebruik
van elektrische en elektronische apparatuur.5
Verder wordt de Kamer binnenkort door de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst
geïnformeerd over de bijdrage van de fiscaliteit aan meer reparatie van huishoudelijke
apparaten en andere productgroepen, naar aanleiding van de motie Grinwis.6
Vraag 4
Bent u bereid om in nationale aanbestedingen voorwaarden op te nemen die producenten
stimuleren producten terug te nemen, te hergebruiken en repareerbaar te ontwerpen?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Aanbestedende diensten hebben binnen de aanbestedingskaders de autonomie om diverse
belangen af te wegen en te vertalen naar voorwaarden in hun aanbestedingen. Ik ondersteun
het opnemen van voorwaarden in overheidsaanbestedingen die levensduurverlenging en
hoogwaardige recycling van producten bevorderen. Dit doe ik met de Agenda Maatschappelijk
verantwoord opdrachtgeven en inkopen (MVOI) 2026–2030 die dit jaar naar de Kamer wordt
gestuurd. Hiermee worden overheden gestimuleerd en ondersteund om circulair in te
kopen. Dit gebeurt via Buyer Groups, de mvi-criteriatool en het Versnellingsnetwerk
Circulair Inkopen voor productketens zoals bedrijfskleding, ICT en zonnepanelen. Terugname,
hergebruik, repareerbaarheid en hoogwaardige recycling zijn daarbij belangrijke onderdelen.
Ten aanzien van de Rijksinkoop wordt dit jaar tevens de actualisatie van de Rijksinkoopstrategie,
onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Slagvaardige
Overheid, naar de Kamer gestuurd. Hierin wordt in de hernieuwde beleidsstrategie MVOI
ook ingezet op levensduurverlenging en hoogwaardige recycling. Overigens kan het per
productketen verschillen hoe levensduurverlenging het beste geborgd kan worden. Zo
is het soms beter om een product zo lang mogelijk in eigen beheer te behouden voor
meerdere levens, en is het in andere gevallen gunstiger om een product-as-a-service-model
op te zetten. Van beide zijn voorbeelden te vinden bij het Rijk, zoals kantoormeubilair
dat in eigen beheer blijft en ICT, dienstauto’s of printers die worden ingekocht als
product-as-a-service.
Vraag 5
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om de bewijslast binnen de wettelijke garantieperiode
verder richting producenten te verschuiven, zodat consumenten eenvoudiger aanspraak
kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging bij defecten?
Antwoord 5
Het is belangrijk te benadrukken dat de consument een koopovereenkomst sluit met de
verkoper en niet met de producent. De wettelijke garantierechten kunnen dan ook uitsluitend
richting de verkoper worden ingeroepen. Met de implementatie van de EU-richtlijn verkoop
goederen in het Nederlandse recht in 2022 geldt dat als er in het eerste jaar na aanschaf
sprake is van een gebrekkig product de bewijslast bij de verkoper ligt om aan te tonen
dat het product niet al gebrekkig was bij levering. Met deze implementatie werd de
termijn van zes maanden, die voor de inwerkingtreding van de richtlijn werd gehanteerd,
verdubbeld. Na twaalf maanden verschuift de bewijslast naar de consument. Dit betekent
dat wanneer het gebrek zich na twaalf maanden voordoet, het aan de consument is om
te bewijzen dat dit niet door zijn toedoen is gebeurd om aanspraak kunnen maken op
kosteloze reparatie of vervanging.
Bij de implementatie van de EU-richtlijn verkoop goederen is geprobeerd een goede
balans te waarborgen tussen de bescherming van de positie van de consument enerzijds
en de verplichtingen van de verkoper anderzijds. Naarmate de termijn tussen de aanschaf
van een product en de openbaring van een gebrek van het product langer is, zal het
voor een verkoper lastiger zijn te bewijzen dat het gebrek geheel of gedeeltelijk
is veroorzaakt door het gebruik door de consument. Het verlengen van deze termijn
naar bijvoorbeeld twee jaar zou daarmee voor de verkoper een onevenredige last betekenen.
Op dit moment ziet het kabinet dan ook geen aanleiding om de bewijslast verder richting
verkopers te verschuiven.
Vraag 6
Welke financiële middelen zijn momenteel beschikbaar om reparatiebedrijven, revisiebedrijven
en ondernemingen die producten circulair en repareerbaar ontwerpen op te schalen?
In hoeverre acht u deze middelen voldoende om reparatie in Nederland structureel de
norm te maken?
Antwoord 6
Reparatie is een belangrijke activiteit binnen een circulaire economie en reparatiebedrijven
en andere ondernemingen kunnen in aanmerking komen voor subsidies gericht op het bevorderen
van de transitie naar een circulaire economie.
Het NPCE 2030 bevat een overzicht van de structurele en incidentele middelen die beschikbaar
zijn voor circulaire economie in de jaren 2025–2030.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn om reparatie te bevorderen niet alleen
middelen nodig voor de genoemde ondernemingen, maar is een bredere beleidsinzet nodig.
Het onderzoek van TNO en de NVCE laat zien dat reparatie nu in veel gevallen al loont.
Toch kiezen veel consumenten nog voor vervanging, ook wanneer reparatie tot de mogelijkheden
behoort en kosten zou besparen.
Ook het Burgerberaad Klimaat heeft in haar advies de betaalbaarheid van reparatie
geadresseerd. Het kabinet heeft eveneens de ambitie om te zorgen dat spullen langer
meegaan. Ik blijf dan ook prioriteit geven aan het bevorderen van reparatie als onderdeel
van de beleidsinzet voor de transitie naar een circulaire economie.
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.